Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Wassenaar

Financiële verordening Wassenaar 2018

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieWassenaar
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingFinanciële verordening Wassenaar 2018
CiteertitelFinanciële verordening Wassenaar 2018
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

artikel 212 van de Gemeentewet

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

21-12-2017Nieuwe regeling

12-12-2017

gmb-2017-222896

Z/17/6208/41319

Tekst van de regeling

Intitulé

Financiële verordening Wassenaar 2018

De gemeenteraad van Wassenaar,

 

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 10 oktober 2017;

 

overwegende dat

 

de vigerende financiële verordening dateert uit 2007;

 

actualisering van de financiële verordening waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle kan worden voldaan;

 

gelet op artikel 212 van de Gemeentewet;

besluit:

 

De Financiële verordening Wassenaar 2018 vast te stellen.

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepaling

In deze verordening wordt verstaan onder:

Werkorganisatie Duivenvoorde: het rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam, opgericht bij de Gemeenschappelijke Regeling Werkorganisatie Duivenvoorde waarin de PIJOFACH-taken en de beleidsvoorbereidende en beleidsuitvoerende taken van de gemeente Wassenaar zijn belegd;

bruto schuld: het totaal van langlopende leningen, kortlopende schulden, crediteuren en overlopende passiva.

netto schuld: bruto schuld minus de omvang van de geldelijke bezittingen.

geldelijke bezittingen: het totaal van leningen aan deelnemingen, leningen aan overige verbonden partijen, leningen aan derden, langlopende uitzettingen, kortlopende uitzettingen, debiteurenvorderingen, liquide middelen en overlopende activa;

taakveld: eenheid ingericht naar beleidsonderwerp waarin de begrotingsprogramma’s zijn onderverdeeld.

administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, het functioneren en het beheersen van (onderdelen van) de organisatie van de gemeente Wassenaar en ten behoeve van de verantwoording die daarover moet worden afgelegd;

overheidsbedrijf: een onderneming met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, waarin de gemeente al dan niet tezamen met een of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is het beleid te bepalen of een onderneming in de vorm van een personenvennootschap, waarin de gemeente deelneemt.

Hoofdstuk 2 Begroting en verantwoording

Artikel 2. De programmaindeling

  • 1.

    De raad stelt tenminste bij aanvang van de nieuwe raadsperiode een programmaindeling vast.

  • 2.

    De raad stelt een indeling van de programma’s in taakvelden vast.

  • 3.

    Bij de begroting worden onder elk van de programma’s de lasten en baten per taakveld weergegeven.

  • 4.

    De raad stelt de beleidsindicatoren vast voor het meten van, en het afleggen van verantwoording over, de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid.

  • 5.

    Het college draagt zorg voor het verzamelen en vastleggen van gegevens over de maatschappelijke effecten en de geleverde goederen en diensten, opdat de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid zoals vastgesteld door de raad kunnen worden getoetst.

  • 6.

    De raad stelt tenminste bij aanvang van iedere raadsperiode vast over welke onderwerpen hij in extra paragrafen naast de verplichte paragrafen in de begroting en jaarstukken kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd.

Artikel 3. Kaders voor de begroting

  • 1.

    Het college biedt vóór het zomerreces aan de raad een Kadernota aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming.

  • 2.

    De raad stelt deze nota vóór het zomerreces vast.

  • 3.

    In de begroting wordt een post onvoorzien opgenomen van minimaal € 1,- per inwoner.

Artikel 4. Autorisatie begroting en investeringskredieten

  • 1.

    De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per programma.

  • 2.

    Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De overige nieuwe investeringen worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de financiële positie geautoriseerd.

  • 3.

    Het college informeert de raad vooraf als op programmaniveau de lasten of baten de geautoriseerde lasten of baten zullen over- dan wel onderschrijden, of de investeringsuitgaven de geautoriseerde investeringskredieten met meer dan € 50.000 zullen over dan wel over- dan wel onderschrijden. De raad geeft vervolgens aan of hij hiervoor een voorstel wil voor wijziging van het budget of een voorstel voor bijstelling van het beleid.

  • 4.

    Bij de behandeling van de tussenrapportages in de raad doet het college voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde budgetten en de investeringskredieten en het bijstellen van het beleid.

  • 5.

    Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet aan de raad voor. Bij investeringen bedoeld in de eerste volzin groter dan € 50.000 informeert het college de raad in het voorstel over het effect van de investering op de schuldpositie van de gemeente.

Artikel 5. Uitvoering van de begroting

  • 1.

    Voor aanvang van een begrotingsjaar biedt het college een overzicht aan met daarin in tenminste de data voor het aanbieden door het college en het vaststellen door de raad van de jaarstukken, de Voorjaarsnota, de Kadernota, de Najaarsnota en de begroting met de meerjarenraming.

  • 2.

    Het college stelt regels die waarborgen dat de uitvoering van de begroting rechtmatig, doelmatig en doeltreffend verloopt.

Artikel 6. Tussenrapportage

  • 1.

    Het college informeert de raad door middel van tussentijdse rapportages over de realisatie van de begroting van de gemeente over de eerste drie maanden (Voorjaarsnota) en de eerste acht maanden (Najaarsnota) van het lopende boekjaar.

  • 2.

    De tussenrapportages bevatten een uiteenzetting over de uitvoering en de bijstelling van het beleid en een overzicht met de bijgestelde raming van:

    • a.

      de baten en de lasten per programma uitgesplitst naar taakveld;

    • b.

      het overzicht van de algemene dekkingsmiddelen;

    • c.

      het overzicht van de geraamde vennootschapsbelasting;

    • d.

      het totale saldo van de baten en de lasten volgend uit de onderdelen a tot en met c;

    • e.

      de (beoogde) toevoegingen en onttrekkingen aan reserves per programma;

    • f.

      het resultaat, volgend uit de onderdelen d en e;

    • g.

      de realisatie en raming van de uitputting van de investeringskredieten.

  • 3.

    In de tussenrapportages worden afwijkingen op de oorspronkelijke ramingen van de baten en de lasten van taakvelden en investeringskredieten in de begroting groter dan € 50.000 op programmaniveau toegelicht.

Artikel 7. De jaarstukken

  • 1.

    Bij de jaarstukken worden onder elk van de programma’s de gerealiseerde lasten en baten per taakveld weergegeven.

  • 2.

    In de jaarstukken wordt van de investeringen en meerjarige projecten de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten, de bijdragen van derden, inkomsten en de actuele raming van de totale uitgaven en inkomsten weergegeven.

  • 3.

    Het college legt verantwoording af over de wijze waarop de resultaten zich verhouden tot de in de begroting gestelde doelen.

  • 4.

    De raad bepaalt aan de hand van de uitvoering van de programma’s of de beleidsdoelen en de maatschappelijke effecten van de programma’s voor het lopende jaar bijstelling behoeven.

Artikel 8. Informatieplicht

  • 1.

    Het college besluit, voor zover dit niet in de begroting is opgenomen, niet over:

    • a.

      het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties groter dan € 75.000 en

    • b.

      het verstrekken van kapitaal aan instellingen en ondernemingen;

    • c.

      de aan-en verkoop van onroerende goederen en gronden groter dan € 75.000.

      dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen.

  • 2.

    Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën , hebben overschreden, informeert het college de raad of een aanpassing van de begroting nodig is.

  • 3.

    Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven en wordt van de lopende investeringen het geautoriseerde investeringskrediet en de raming van de uitputting van het krediet in het lopende boekjaar weergegeven.

  • 4.

    Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming, de grondexploitaties en de investeringen.

Hoofdstuk 3. Financieel beleid

Artikel 9. Waardering en afschrijving vaste activa
  • 1.

    Materiële en immateriële vaste activa worden afgeschreven volgens de methodiek en de termijnen zoals vermeld in bijlage 1 “afschrijvingsbeleid” bij deze verordening.

  • 2.

    Afschrijvingen worden geraamd in het jaar volgend op de oplevering of ingebruikname van het actief.

  • 3.

    Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht.

Artikel 10. Voorziening voor oninbare vorderingen

  • 1.

    Voor de vorderingen op verbonden partijen en derden wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een individuele beoordeling op inbaarheid van de openstaande vorderingen.

  • 2.

    Voor openstaande vorderingen betreffende:

    • a.

      onroerendezaakbelastingen;

    • b.

      precariobelasting;

    • c.

      hondenbelasting;

    • d.

      rioolheffing;

    • e.

      afvalstoffenheffing;

    • f.

      bijstandsverstrekking,

    wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd ter grootte van het historische percentage van oninbaarheid.

  • 3.

    Voor de overige vorderingen wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een beoordeling op inbaarheid van de openstaande vorderingen ouder dan drie maanden.

Artikel 11. Reserves en voorzieningen

  • 1.

    Het college biedt de raad eens in de vier jaar een nota reserves en voorzieningen aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en behandelt de volgende onderwerpen:

    • a.

      de vorming en besteding van reserves;

    • b.

      de vorming en besteding van voorzieningen;

    • c.

      de rentetoerekening voor zover van toepassing.

  • 2.

    Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve wordt minimaal aangegeven:

    • a.

      het specifieke doel van de reserve;

    • b.

      de voeding van de reserve;

    • c.

      de maximale hoogte van de reserve;

    • d.

      de functie van de reserve;

    • e.

      de maximale looptijd;

    • f.

      De (meerjaren)raming van en de wijze van stortingen en onttrekkingen (structureel of incidenteel), inclusief onderbouwing daarvan.

  • 3.

    Indien een bestemmingsreserve binnen de aangegeven maximale looptijd niet heeft geleid tot besteding, valt de bestemmingsreserve vrij en wordt deze aan de algemene reserve toegevoegd;

  • 4.

    In de jaarstukken en de begroting wordt een actueel overzicht van de stand van zaken en mutaties in van de reserves en voorzieningen opgenomen.

Artikel 12. Kostprijsberekening

  • 1.

    Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen, reserves en voorzieningen voor de financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken.

  • 2.

    Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten kapitaallasten van de in gebruik zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW), en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid en perceptiekosten betrokken.

  • 3.

    Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden toegerekend aan activiteiten welke geheel of deels worden bekostigd met een specifieke uitkering of subsidie, binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en in de desbetreffende verantwoordingen over de besteding toegerekend aan die activiteiten.

  • 4.

    Voor de toerekening van de overheadkosten worden de overheadkosten die kunnen worden betrokken in de aangifte vennootschapsbelasting, binnen het taakveld overhead apart geadministreerd en voor de belastingaangifte aan de kostprijs van de vennootschapsbelastingplichtige activiteiten toegerekend.

  • 5.

    Toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken, diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, voor zover dat niet activiteiten als bedoeld in het derde en vierde lid betreffen, gebeurt als volgt:

    Overhead x (aantal aan heffing (of dienst) toegerekende uren) / (totaal aantal verdeelde uren exclusief uren taakveld overhead).

  • 6.

    Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor de financiering van de in gebruik zijnde activa, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld. Het percentage van deze omslagrente wordt bepaald uit het gewogen gemiddelde van het bij de begroting geraamde rentepercentage van de rentekosten op de opgenomen langlopende leningen, kortlopende leningen en kredieten en het rentepercentage van de rentevergoeding over de reserves en de voorzieningen zoals bepaald overeenkomstig het zevende en achtste lid. De uitkomst van dit percentage van de omslagrente wordt op een half procent afgerond.

  • 7.

    Het rentepercentage voor de rentevergoeding over de reserves en voorzieningen in de omslagrente voor de kostprijsberekening als bedoeld in het zesde lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld. De hoogte van het rentepercentage voor de rentevergoeding over de reserves en voorzieningen wordt bepaald aan de hand van de bij de begroting geraamde rentekosten als percentage van de opgenomen langlopende leningen, kortlopende leningen en kredieten. De uitkomst van dit rentepercentage voor de rentevergoeding over de reserves en voorzieningen wordt op een half procent afgerond.

  • 8.

    Als het rentepercentage voor de rentevergoeding over de reserves en voorzieningen zoals berekend overeenkomstig het zevende lid een percentage oplevert dat lager of gelijk is aan 0% dan bedraagt het rentepercentage voor deze rentevergoeding 0%.

  • 9.

    In afwijking van het zesde lid wordt bij een verstrekte lening voor de bepaling van de rentekosten van de inzet van vreemd vermogen in de kostprijs uitgegaan van de rente van de lening die voor de financiering van de verstrekte lening is aangetrokken. Deze rente wordt verhoogd met een opslag voor het debiteurenrisico.

  • 10.

    In afwijking van het eerste lid worden bij vennootschapsbelastingplichtige activiteiten en grondexploitaties alleen de rentekosten voor de inzet van vreemd vermogen aan de kostprijs toegerekend. Bij projectfinanciering worden dan de werkelijke rentekosten toegerekend. In andere gevallen wordt uitgegaan van het gewogen gemiddelde rentepercentage van de portefeuille leningen.

Artikel 13. Prijzen economische activiteiten

  • 1.

    Voor de levering van goederen, diensten of werken aan overheidsbedrijven en derden en met welke bijbehorende activiteiten de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt tenminste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. Bij afwijking doet het college vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de activiteit wordt gemotiveerd.

  • 2.

    Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden ten minste de geraamde integrale kosten in rekening gebracht. Bij afwijking vanwege een publiek belang doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de lening of de garantie wordt gemotiveerd.

  • 3.

    Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaat het college uit van een vergoeding van tenminste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen. Bij afwijking doet het college vooraf een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de kapitaalverstrekking wordt gemotiveerd.

  • 4.

    Raadbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in de vorige leden zijn niet nodig als sprake is van:

    • a.

      leveringen van goederen, diensten of werken en het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal aan andere overheden voor zover deze leveringen en verstrekkingen zijn bedoeld voor de uitoefening van de publieke taak door die andere overheid;

    • b.

      een bevoordeling van activiteiten in het kader van een bij wet opgedragen publiekrechtelijke taak;

    • c.

      een bevoordeling van activiteiten in het kader van een toegekend bijzonder of uitsluitend recht waarvoor prijsvoorschriften gelden;

    • d.

      een bevoordeling van sociale werkplaatsen;

    • e.

      een bevoordeling van onderwijsinstellingen;

    • f.

      een bevoordeling van publieke media-instellingen en

    • g.

      een bevoordeling die valt onder de reikwijdte van de staatssteunregels van het Werkingsverdrag van de Europese Unie en daarmee verenigbaar is.

Artikel 14. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen

  • 1.

    Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor de belastingen, de rioolheffing, de afvalstoffenheffing, begraafplaatsrechten, marktgelden en leges. De raad stelt de tarieven vast.

  • 2.

    Het college biedt de raad eens in de vier jaar een nota aan met de kaders voor de prijzen voor de levering van gemeentelijke goederen, werken en diensten aan overheidsbedrijven en derden en voor de huren en de erfpachten.

  • 3.

    Het college legt bij een tussentijdse wijziging van prijzen, huren en erfpachten, bedoeld in het tweede lid, ten opzichte van de kaders uit de nota vooraf een besluit ter vaststelling voor aan de raad.

Artikel 15. Financieringsfunctie

  • 1.

    Het college neemt bij het uitzetten en het aantrekken van middelen de volgende kaders in acht:

    • a.

      voor het aantrekken van financieringen met een looptijd langer dan één jaar worden tenminste twee prijsopgaven bij verschillende financiële instellingen gevraagd;

    • b.

      er wordt geen gebruik gemaakt van financiële derivaten als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet financiering decentrale overheden.

  • 2.

    Het college informeert de raad in de paragraaf financiering bij de begroting als de wettelijke kasgeldlimiet, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet financiering decentrale overheden, of de wettelijke renterisiconorm, bedoeld in artikel 1, onder h, van de Wet financiering decentrale overheden, dreigt te worden overschreden.

  • 3.

    Bij het verstrekken van leningen, het verstrekken van garanties en het verstrekken van risicodragend kapitaal voor publieke taken bedingt het college indien mogelijk zekerheden.

  • 4.

    Het college stelt regels op ter uitvoering van het gestelde onder het eerste tot en met derde lid en legt deze regels alsmede de regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening vast in een besluit Treasurystatuut. Het college zendt het besluit Treasurystatuut ter kennisgeving aan de raad.

  • 5.

    Bij het verstrekken van een garantie wordt het risico dat de gemeente loopt door het verstrekken van deze garantie betrokken bij de berekening van de benodigde weerstandscapaciteit in de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing bij de begroting en de jaarstukken.

Hoofdstuk 4. Paragrafen

Artikel 16. Lokale Heffingen

Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf lokale heffingen naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 10 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op:

  • a.

    het bedrag aan kwijtschelding per heffing;

  • b.

    de toerekening van de overhead.

Artikel 17. Financiering

  • 1.

    In de paragraaf financiering bij de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 13 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten tenminste op:

    • a.

      de schulden met een looptijd korter dan een jaar en het verschuldigde rentepercentage;

    • b.

      de schulden met een looptijd langer dan een jaar en het verschuldigde rentepercentage

  • 2.

    In de paragraaf financiering bij de begroting neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 13 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten tenminste op:

    • a.

      de liquiditeitsplanning en de financieringsbehoefte voor de komende vier jaar;

    • b.

      de rentevisie.

Artikel 18. Weerstandsvermogen & risicobeheersing

  • 1.

    Het college biedt de raad ten minste eenmaal in de vier jaar een nota weerstandsvermogen en risicobeheersing aan. De raad stelt de nota vast. In deze nota wordt ingegaan op het risicomanagement, het opvangen van risico’s door verzekeringen, voorzieningen, het weerstandsvermogen of anderszins. In de nota wordt tevens de benodigde weerstandscapaciteit bepaald.

  • 2.

    Het college geeft in de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing van de begroting en van de jaarstukken de risico’s aan van materieel belang en een inschatting van de kans dat deze risico’s zich voordoen. Het college brengt hierbij tenminste de risico’s in beeld en actualiseert de risico’s genoemd in de nota bedoeld in het eerste lid.

  • 3.

    Het college geeft in de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing van de begroting en van de jaarstukken de weerstandscapaciteit aan en in hoeverre schade en verliezen als gevolg van de risico’s van materieel belang met de beschikbare weerstandscapaciteit kunnen worden opgevangen.

Artikel 19. Onderhoud kapitaalgoederen

  • 1.

    Bij de begroting en de jaarstukken neemt het college in de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 12 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten tenminste op:

    • a.

      de voortgang van het geplande onderhoud;

    • b.

      de omvang van het achterstallig onderhoud.

  • 2.

    De ramingen van onderhoudsbudgetten in de begroting worden gebaseerd op de meerjarige onderhoudsplannen

  • 3.

    Het college biedt de raad tenminste eens in de vier jaar een onderhoudsplan openbare ruimte aan. Het plan geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud en de kosten van het onderhoud voor het openbaar groen, water, wegen, kunstwerken en straatmeubilair. De raad stelt het plan vast.

  • 4.

    Het college biedt de raad tenminste eens in de vier jaar een rioleringsplan aan. Het plan geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de uitbreiding van de riolering en de kosten van het onderhoud en de eventuele uitbreidingen. De raad stelt het plan vast.

  • 5.

    Het college biedt de raad tenminste eens in de vier jaar een onderhoudsplan gebouwen aan. Het plan bevat voorstellen voor het te plegen onderhoud en de bijbehorende kosten aan de gemeentelijke gebouwen. De raad stelt het plan vast.

Artikel 20. Bedrijfsvoering

In de paragraaf bedrijfsvoering van de gemeente worden de budgetten voor de raad, het college, de secretaris, de griffie, de rekenkamer, de accountant en inhuur derden opgenomen naast een toelichting op de bijdrage aan de Werkorganisatie Duivenvoorde.

Artikel 21. Verbonden partijen

  • 1.

    Het college biedt de raad ten minste eenmaal in de vier jaar een nota verbonden partijen aan. De raad stelt de nota vast.

  • 2.

    Van elk van de verbonden partijen wordt naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 15 van het Besluit Begroting en Verantwoording gemeenten en provincies weergegeven de doelstelling, visie en beleidsvoornemens en de wijze waarop de verbonden partij bijdraagt aan de beleidsdoelstellingen.

  • 3.

    De nota bevat voorts de kaders voor het beleid aangaande (het aangaan van nieuwe) participaties met name de condities waaronder het publiek belang is gediend met behartiging door verbonden partijen, de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de verbonden partijen en de financiële voorwaarden.

  • 4.

    In de begroting en de jaarstukken wordt in de paragraaf verbonden partijen tenminste ingegaan op nieuwe verbonden partijen, het beëindigen van bestaande verbonden partijen, het wijzigen van bestaande verbonden partijen en eventuele problemen bij bestaande verbonden partijen.

Artikel 22. Grondbeleid

  • 1.

    In de paragraaf grondbeleid bij de begroting en de jaarstukken neemt het college naast de verplichte onderdelen op grond van artikel van 16 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten tenminste op:

    • a.

      het verloop van de grondvoorraad;

    • b.

      de te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten.

  • 2.

    Het college biedt de raad ten minste eens in de vier jaar een nota grondbeleid aan. De raad stelt de nota vast. In de nota wordt aandacht besteed aan:

    • a.

      de strategische visie van het toekomstig grondbeleid van de gemeente;

    • b.

      de uitgangspunten voor de verkoopprijzen van gronden.

Hoofdstuk 5. Financiële organisatie en financieel beheer

Artikel 23. Administratie

  • 1.

    De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is aan:

    • a.

      het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente;

    • b.

      het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden, contracten;

    • c.

      het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties;

    • d.

      het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid;

    • e.

      het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving; en

    • f.

      de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving.

Artikel 24. Financiële organisatie

  • 1.

    Het college draagt zorgt voor:

    • a.

      een eenduidige toewijzing van de gemeentelijke taken aan de Werkorganisatie Duivenvoorde;

    • b.

      een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden, verantwoordelijkheden;

    • c.

      de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten;

    • d.

      de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie;

    • e.

      de te maken afspraken met de verbonden partijen over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen;

    • f.

      de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van de lasten en baten aan de producten van de productenraming en de productenrealisatie;

    • g.

      het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten;

    • h.

      het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan ondernemingen en instellingen; en

    • i.

      het beleid en de interne regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen, opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan.

Artikel 25. Interne controle

  • 1.

    Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de jaarrekening, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder a van de Gemeentewet, en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de balansmutaties, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder b van de Gemeentewet, voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college maatregelen tot herstel.

  • 2.

    Het college zorgt voor de systematische controle van de registratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het vermogen van de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen en bedrijfsmiddelen tenminste eenmaal in de vier jaar. Bij afwijkingen in de registratie neemt het college maatregelen voor herstel van de tekortkomingen.

Artikel 26. Intrekken oude verordening en overgangsrecht

  • 1.

    De Financiële Verordening gemeente Wassenaar 2007 wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de jaarrekening en het jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar voorafgaand aan het jaar waarin de Financiële Verordening in werking treedt en op de begroting, jaarrekening en jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar dat samenvalt met het jaar waarin deze verordening in werking treedt.

  • 2.

    Op investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut die voor 1 januari 2017 zijn gedaan, blijft de Financiële Verordening gemeente Wassenaar 2007 van toepassing zoals deze gold op de dag voor de inwerkingtreding van deze verordening.

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 27. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de dag na bekendmaking.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als ‘Financiële verordening Wassenaar 2018’.

  • 3.

    De op de Financiële Verordening 2007 gebaseerde nota’s blijven geldig totdat hiervoor een wijzigingsvoorstel door de raad is vastgesteld.

 

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de gemeenteraad van Wassenaar gehouden op 12 december 2017

de griffier,

drs. G. deSchipper - Tinga

de voorzitter,

Ch.B.Aptroot

TOELICHTING

Op 7 mei 2007 heeft de gemeenteraad van Wassenaar de financiële verordening vastgesteld.

Na tien jaar is de verordening flink aan herziening toe. Het waarom, en welke gevolgen dit heeft voor de nieuwe verordening, lichten wij hieronder toe.

 

Allereerst bespreken wij in paragraaf 1 de redenen waarom wijziging van de financiële verordening noodzakelijk is. Paragraaf 2 geeft per artikel van de nieuwe verordening een toelichting op de tekst, wat wordt er in dit artikel geregeld?

 

De nieuwe verordening is in lijn met de modelverordening 2016 van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten. Dat wil niet zeggen dat beide identiek zijn omdat lokale afspraken, historie en prioriteiten in de Wassenaarse verordening zijn verwerkt.

1. Waarom een wijziging van de financiële verordening?

Aanpassing van de financiële verordening van Wassenaar heeft een aantal redenen. Dit zijn:

  • a.

    Tussen 2007 en nu is er veel aan wetgeving veranderd. Zo is onder andere het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV) op een aantal punten gewijzigd en is in 2016 de Wet Markt en Overheid ingevoerd. Ook de Wet Houdbare Overheidsfinanciën (Wet hof) heeft gevolgen gehad voor de financiële regelgeving van gemeenten. De diverse wetswijzigingen waren tot nu toe niet in een nieuwe verordening vastgelegd;

  • b.

    Ten tijde van de financiële verordening uit 2007 was er nog geen sprake van de werkorganisatie Duivenvoorde;

  • c.

    Omdat de verordening als gevolg van de punten a en b al gewijzigd moet worden hebben we de gelegenheid aangegrepen om deze in zijn geheel op te frissen en te actualiseren.

Ad a. Wetswijzigingen

De belangrijkste wetswijzigingen waar de gemeente Wassenaar mee te maken heeft zijn de Wet Markt en Overheid, de Wet Houdbare Overheidsfinanciën (Wet hof) en de wijzigingen van het BBV.

 

Als gevolg van de invoering van de Wet Markt en Overheid moet de gemeente voor taken waarvoor zij “in concurrentie treedt met marktpartijen” tenminste de integrale kostprijs in rekening brengen. Dit geldt niet voor alle taken: als het publiek belang in het geding is kan de gemeente hiervan afwijken. Regelgeving die voortvloeit uit de Wet Markt en Overheid is opgenomen in artikel 13 van de nieuwe verordening (“prijzen”).

 

Eind december 2013 is de Wet hof ingegaan. Met deze wet geldt er per jaar een macroplafond voor het EMU-tekort van alle gemeenten samen. Bovendien verplicht de wet gemeenten om hun overtollige middelen uit te zetten bij het Rijk. Dit betekent dat een deel van de regels die in de oude verordening waren opgenomen over financiering (artikel 14) zijn vervallen of aangepast.

 

De meest directe invloed op de financiële verordening gaat uit van de wijzigingen in het BBV. Regelgeving hierin heeft directe invloed op hoe de gemeente moet omgaan met begrotingen en financiële verantwoordingen. Deze wijzigingen hebben onder meer te maken met activeren en afschrijven, toerekening van overhead en de wijze van verantwoorden richting rijk. In deze nieuwe verordening is de laatste stand van zaken verwerkt.

Ad b. Oprichting van de werkorganisatie Duivenvoorde

Op 1 januari 2013 is de Gemeenschappelijke Regeling Werkorganisatie Duivenvoorde (WODV) opgericht. Dit betekent onder andere dat de bedrijfsvoeringstaken voor de deelnemende gemeenten zijn belegd bij de WODV. De regels die over bedrijfsvoering waren opgenomen in de gemeentelijke verordening zijn voor de gemeente niet meer volledig van toepassing. In plaats daarvan doet het algemeen bestuur van de WODV verslag over de bedrijfsvoering.

Daarnaast is er in de verordening een bepaling opgenomen waarin aan het college wordt opgedragen om met de WODV concrete afspraken te maken over “de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen”.

Ad c. Algehele actualisatie

Negen jaar is, in het licht van de vele wijzigingen en aanpassingen in het openbaar bestuur van de afgelopen jaren, een lange tijd. Daarom is het goed om af en toe eens te kijken of de kaders nog wel helemaal actueel zijn.

Nu de verordening toch aangepast moet worden als gevolg van de wetswijzigingen en de oprichting van de WODV, willen wij de gelegenheid gebruiken om de verordening ook in andere opzichten te actualiseren.

 

Dat betekent concreet dat de teksten zijn opgefrist, opnieuw bezien en in enkele gevallen bondiger gemaakt. Onder andere leidde dat ertoe dat in hoofdstuk 2 een logischer volgorde in de artikelen is gemaakt, meer in lijn met de P&C-cyclus en dat enkele artikelen zijn vervallen.

2. De verordening per artikel.

Hieronder lichten wij de nieuwe verordening toe. Per artikel is aangegeven wat de reden is geweest om dit artikel op deze manier op te nemen.

 

De verordening is ingedeeld in zes hoofdstukken:

  • -

    Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

  • -

    Hoofdstuk 2 Begroting en verantwoording

  • -

    Hoofdstuk 3 Financieel beleid

  • -

    Hoofdstuk 4 Paragrafen

  • -

    Hoofdstuk 5 Financiële organisatie en financieel beheer

  • -

    Hoofdstuk 6 Slotbepalingen

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Definities

Aan dit artikel zijn (naast “administratie”) van de volgende onderwerpen definities toegevoegd:

  • -

    Werkorganisatie Duivenvoorde;

  • -

    bruto schuld;

  • -

    netto schuld;

  • -

    Geldelijke bezittingen;

  • -

    taakveld;

  • -

    EMU-saldo;

  • -

    Overheidsbedrijf.

De definitie van het begrip “afdeling” is vervallen omdat dit algemeen bekend verondersteld wordt en voor een financiële verordening minder relevant is.

HOOFDSTUK 2 BEGROTING EN VERANTWOORDING

Dit hoofdstuk is opgebouwd aan de hand van het verloop van de P&C-cyclus: begroting (wat moet er in, wie stelt er vast), uitvoering en tussenrapportages (wat is de stand van zaken op dit moment) en tot slot de jaarstukken. Daarnaast is het hele onderwerp autorisatie ondergebracht in een apart artikel. Tot slot is een artikel opgenomen met daarin enkele bepalingen ten aanzien van de informatieplicht van het college.

Artikel 2 De programma’s

In dit artikel is vastgelegd hoe de indeling van de begroting tot stand komt en wie er verantwoordelijk is voor welk onderdeel van de begroting: raad of college.

In de oude situatie waren in dit artikel ook bepalingen opgenomen over autorisatie van de begroting. Deze bepalingen zijn in zijn geheel overgegaan naar artikel 4 nieuw: “autorisatie”.

 

Naast deze aanpassingen is het onderdeel programma uitgebreid met de nieuwe indeling van de begroting en is er niet langer sprake van producten maar van taakvelden.

 

De bepaling dat het raadsprogramma ieder jaar op de raadsagenda komt om te bezien of de programmaindeling moet veranderen is vervallen. In de praktijk gebeurt dit niet omdat wijziging van de programmaindeling grote (administratieve) consequenties heeft en dus met terughoudendheid moet worden gebruikt. Het staat de raad altijd vrij om de programmaindeling aan te passen als dat dringend noodzakelijk is. Dat is een bevoegdheid van de raad en dit heeft geen aparte bepaling nodig in de financiële verordening.

Artikel 3 Kaders voor de begroting

Met dit artikel geeft de raad met de Kadernota jaarlijks voor de zomer de kaders voor de begroting aan. In de oude verordening stond dit in artikel 6. Ook is in dit artikel aangegeven op welke wijze de post onvoorzien geraamd moet worden.

Artikel 4 Autorisatie begroting en investeringskredieten

Alle bepalingen over autorisatie zijn ondergebracht in dit artikel. Hier staat overzichtelijk bij elkaar welk bestuursorgaan bevoegd is voor welk onderdeel van de begroting. De raad stelt de begroting op programmaniveau vast. Dit sluit overigens niet uit dat er per taakveld wel nader (financieel) inzicht gegeven kan worden als de raad dit vraagt. Zie ook artikel 2.4 over beleidsindicatoren.

Artikel 5 Uitvoering van de begroting

In artikel 5 is sprake van een overzicht voor de raad met daarin de data van de behandeling van de P&C-stukken. Dit “spoorboekje” zal het college aan het begin van het jaar aan de raad aanbieden.

Aanvullend aan de door de raad gestelde regels kan het college regels stellen voor de uitvoering van de begroting. Onder andere wordt hier bedoeld het Treasurystatuut.

Artikel 6 Tussentijdse rapportages

Dit artikel gaat over de uitvoering van de begroting en de verantwoording van het college aan de raad over tussentijdse afwijkingen van de begroting. Het gaat dan om doelen, maatschappelijke effecten én financiën.

 

In de oude verordening was een grote variëteit opgenomen aan bedragen waarboven het college de afwijkingen moet toelichten. In de praktijk is dit veel te uitgebreid gebleken. Op deze manier zou een erg uitgebreid pakket van verantwoordingen enkele keren per jaar naar de raad worden gestuurd. Dit is niet werkbaar. Ook ligt een groot deel van de oude voorschriften op het gebied van de bedrijfsvoering, en is dus aan het college. De raad stelt immers alleen de kaders, daarbinnen voert het college uit. Er is nu volstaan met één bepaling namelijk dat afwijkingen op programmaniveau, zowel in investeringen als in de ramingen van de taakvelden, boven de € 50.000 worden toegelicht.

Artikel 7 Jaarstukken

Over de voorwaarden waar de jaarstukken aan moeten voldoen is al veel externe regelgeving voorhanden. Onder andere staat over de jaarstukken het nodige opgenomen in het BBV.

In de verordening regelen wij een aantal (aanvullende) onderwerpen die voor de raad relevant zijn zoals de verantwoording van het college over de door de raad gestelde doelen en maatschappelijke effecten.

Artikel 8 Informatieplicht

In artikel 8 zijn bepalingen opgenomen die te maken hebben met de actieve informatieplicht van het college. Voor een aantal onderwerpen is de informatieplicht gespecificeerd namelijk voor:

  • -

    Leningen, waarborgen en garanties groter dan € 75.000 en het verstrekken van kapitaal aan instellingen en ondernemingen;

  • -

    Het EMU-saldo;

  • -

    Investeringen en kredieten in relatie tot de financiële positie;

  • -

    De ontwikkeling van de schuldpositie.

HOOFDSTUK 3 FINANCIEEL BELEID

Artikel 9 Waardering en afschrijving vaste activa

Nieuw is dat het onderscheid tussen activa met een maatschappelijke nut en die met een economisch nut zijn komen te vervallen. Dit is een voorschrift uit het nieuwe BBV.

 

In de oude verordening stonden bij dit artikel onder andere de afschrijvingstermijnen van alle activa opgenomen. Voor de overzichtelijkheid zijn deze nu verplaatst naar een bijlage die behoort bij deze verordening.

De tekst is opgefrist en ingekort en de terminologie is aangepast aan de nieuwe regelgeving uit het BBV. Omdat alle relevante regelgeving nu is opgenomen in de financiële verordening, is de Nota Afschrijvingsbeleid komen te vervallen.

Artikel 10 Oninbare vorderingen, reserves en voorzieningen

Voor de balansposten voorzieningen (ook voor oninbare vorderingen) en reserves zijn enkele voorschriften opgenomen. De tekst van de oude verordening is hier en daar wat aangepast, verder is er inhoudelijk weinig veranderd.

De wijzigingen voor de reserves en voorzieningen zijn toegelicht in de nieuw nota. Hierin is onder meer geregeld dat aan reserves geen rente meer wordt toegerekend, dit als gevolg van het nieuwe BBV.

Artikel 12 (Kost)prijsberekening.

De bepalingen rondom prijzen hebben aan belang gewonnen door invoering van de Wet Markt en Overheid.

De overheid moet, voor taken waarvoor zij in concurrentie treedt met marktpartijen, ten minste de integrale kostprijs in rekening brengen. De wijze waarop de berekening van de kostprijs tot stand komt is daarmee belangrijker dan in het verleden, toen de kostprijs veelal een interne functie had. De tekst van het artikel 12 over kostprijzen is in deze nieuwe verordening in overeenstemming met de wet. Naast de kostprijs is regelgeving opgenomen over de voorwaarden waaronder de overheid mag afwijken van de integrale kostprijs.

Ook het nieuwe BBV is van belang voor de kostprijsberekening. In de kostprijs moet de overhead verwerkt zijn. De wijze waarop de overhead wordt verdeeld over de diverse taken is bepaald in lid 2 van dit artikel.

Artikel 13 Prijzen economische activiteiten

Dit artikel vloeit voort uit de Wet Markt en Overheid.

Als een gemeente goederen, diensten of werken levert aan overheidsbedrijven of derden dan mag zij deze activiteiten niet bevoordelen als het economische activiteiten betreffen. Economische activiteiten zijn hier activiteiten waarmee de gemeenten in concurrentie met andere ondernemingen treedt.

 

Het bevoordelingsverbod houdt feitelijk in dat ten minste een integrale kostprijs voor de levering van goederen, diensten werken en het verstrekken van leningen garanties en kapitaal in rekening moet worden gebracht.

Van deze verplichting kan worden afgeweken als de activiteiten worden ontplooid in het kader van het publiek belang. Daarvoor is wel nodig dat in een raadbesluit het publiek belang van de activiteit wordt gemotiveerd. Het raadbesluit moet worden aangemerkt als een concretiserend besluit van algemene strekking. Het besluit moet worden bekendgemaakt in een van overheidswege uitgegeven blad of een dag-, nieuws- of huis-aan-huisblad en moet open staan voor bezwaar en beroep. Belanghebbenden kunnen dan binnen uiterlijk zes weken na bekendmaking van het besluit een bezwaarschrift indienen bij de gemeente (artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht). De gemeente moet binnen zes weken een besluit nemen over het bezwaarschrift of – indien een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de Algemene wet bestuursrecht is ingesteld – binnen twaalf weken, gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken. Bij afwijzing van de bezwaren kan de belanghebbende beroep instellen bij de bestuursrechter.

 

Voor het verplicht in rekening brengen van minimaal een integrale kostprijs voor de levering van goederen, werken en diensten of voor het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal gelden een aantal uitzonderingen. Deze uitzonderingen worden in het vierde lid opgesomd.

Artikel 15 Financieringsfunctie

In de oude verordening was onder dit kopje uitgebreide regelgeving opgenomen. Dit ging vooral over het uitzetten van middelen en andere voorwaarden waar de financiering aan moest voldoen.

Met de invoering van de Wet houdbare overheidsfinanciën is het alleen nog mogelijk om overtollige middelen uit te zetten bij het rijk of bij andere overheden. Een groot deel van de gemeentelijke regelgeving is daarmee vervallen.

Dit artikel is dan ook korter dan in het verleden.

 

Gezien de grote maatschappelijke schade die derivaten de afgelopen jaren hebben veroorzaakt is een bepaling opgenomen dat de gemeente geen gebruik maakt van derivaten.

HOOFDSTUK 4 PARAGRAFEN

Voor artikel 16 hebben er geen grote inhoudelijke wijzigingen plaatsgevonden in de nieuwe verordening. De tekst is geactualiseerd en opnieuw bezien.

Artikel 17 Financiering

Hier zijn alleen de aanvullende bepalingen opgenomen ten opzichte van het BBV.

Aangezien in het BBV al verplicht is gesteld om de wijze van rentetoerekening op te nemen is dat hier niet meer geregeld. Wel is aandacht besteed aan met name de kort- en langlopende schulden en de financieringsbehoefte.

Artikel 18 Weerstandvermogen en risicobeheersing

In artikel 18 zijn alleen de kaders geschetst. Meer specifieke regelgeving staat in de Nota Weerstandsvermogen. Omdat het onze bedoeling is om een onderhoudsarme verordening op te stellen zijn de meer gedetailleerde regels hierin niet verwerkt.

Meer algemene regelgeving is opgenomen in het BBV.

Artikel 19 Onderhoud kapitaalgoederen

Dit artikel regelt de informatie richting de raad over de hoeveelheid onderhoud die voor de gemeente nodig is. Aangegeven is dat de raad één keer per vier jaar onderhoudsplannen ontvangt voor riolering, openbare ruimte en gebouwen.

In dit artikel is ook vastgelegd dat de ramingen in de begroting voor onderhoud gebaseerd moeten zijn op actuele meerjarige onderhoudsplannen.

Artikel 20 Bedrijfsvoering

Met de inwerkingtreding van de werkorganisatie Duivenvoorde zijn de bedrijfsvoeringstaken daar belegd. Dat betekent dat daar door het algemeen bestuur in de begrotingen en jaarrekeningen verantwoording wordt afgelegd over de bedrijfsvoering. In de paragraaf bij begroting en jaarrekening van de gemeente worden de budgetten voor raad, college, griffie, de rekenkamer, de accountant en inhuur van derden behandeld naast een toelichting op de bijdrage aan de WODV.

Artikel 21 Verbonden partijen

In het nieuwe BBV zijn gemeenten verplicht om voor elke verbonden partij een aantal kenmerken op te nemen in de paragraaf verbonden partijen. Onderwerpen die voorheen waren geregeld in de financiële verordening (de naam en vestigingsplaats, het financieel belang van de gemeente, de zeggenschap van de gemeente en het publiek belang dat wordt gediend met de deelname) zijn nu verplicht volgens de BBV. Dit is dan ook niet meer opgenomen in de verordening. Volstaan is in lid 2 met een verwijzing naar het betreffende artikel in het BBV.

Artikel 22 Grondbeleid

Voor grondbeleid regelt de verordening het verloop van de grondvoorraad en de te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten. Voor het overige wordt verwezen naar de Nota Grondbeleid die het college één keer in de vier jaar opstelt.

HOOFDSTUK 5 FINANCIELE ORGANISATIE EN FINANCIEEL BEHEER

De onderwerpen financiële organisatie en financieel beheer zijn ondergebracht in één hoofdstuk. Dat ligt ook voor de hand aangezien een goed financieel beheer onder andere afhankelijk is van een goed geregelde financiële organisatie.

 

In dit hoofdstuk worden de volgende onderwerpen geregeld:

  • -

    inrichting van de administratie;

  • -

    inrichting van de (financiële) organisatie;

  • -

    interne controle.

Bijlage 1 bij Financiële verordening

Afschrijvingsbeleid immateriële vaste activa

  • a.

    4 jaar lineair: geactiveerde kosten voor onderzoek en ontwikkeling voor een bepaald actief;

  • b.

    4 jaar lineair: een saldo voor agio of disagio;

  • c.

    Bijdragen aan activa in eigendom van derden worden lineair afgeschreven in een termijn die gelijk is aan die van het onderliggende actief.

Afschrijvingsbeleid materiele vaste activa

  • 1.

    Activa met een verkrijgingsprijs van minder dan € 20.000 worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen. Gronden en terreinen worden altijd geactiveerd. Op gronden en terreinen wordt niet afgeschreven.

  • 2.

    Op kunstvoorwerpen met een cultuur-historische waarde wordt niet afgeschreven;

  • 3.

    De volgende materiële vaste activa worden lineair afgeschreven in:

    • a.

      Maximaal 75 jaar: rioleringen;

    • b.

      Maximaal 40 jaar:

      • -

        tunnels, viaducten en bruggen;

      • -

        parken, sportvelden, onderlaag kunstgrasvelden en groenvoorzieningen;

      • -

        kades en waterkeringen;

      • -

        waterwegen, waterbergingen en walbeschoeiing;

      • -

        nieuwbouw woonruimten en schoolgebouwen;

      • -

        nieuwbouw kantoren en bedrijfsgebouwen;

    • c.

      Maximaal 30 jaar:

      • -

        wegen, pleinen en rotondes;

      • -

        openbare verlichting;

    • d.

      25 jaar:

      • -

        Geluidswallen (maximaal 25 jaar);

      • -

        renovatie, restauratie en aankoop woonruimten;

      • -

        renovatie, restauratie en aankoop kantoren en bedrijfsgebouwen;

      • -

        aanleg tijdelijke terreinwerken.

    • e.

      15 jaar:

      • -

        technische installaties in bedrijfsgebouwen;

      • -

        pompen en gemalen;

    • f.

      10 jaar:

      • -

        nieuwbouw tijdelijke woonruimten en tijdelijke bedrijfsgebouwen;

      • -

        veiligheidsvoorzieningen bedrijfsgebouwen;

      • -

        kantoormeubilair en schoolmeubilair;

      • -

        straatmeubilair;

      • -

        aanhangwagens en schaftwagens; 7 jaar:

      • -

        zware transportmiddelen;

      • -

        personenauto’s en lichte motorvoertuigen;

      • -

        toplaag kunstgrasvelden

    • g.

      5 jaar:

      • -

        telefooninstallaties;

      • -

        automatiseringsapparatuur.