Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Waterschap Noorderzijlvest

Verordening behandeling bezwaarschriften waterschap Noorderzijlvest 2006

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieWaterschap Noorderzijlvest
OrganisatietypeWaterschap
Officiële naam regelingVerordening behandeling bezwaarschriften waterschap Noorderzijlvest 2006
CiteertitelVerordening behandeling bezwaarschriften waterschap Noorderzijlvest 2006
Vastgesteld dooralgemeen bestuur
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerprecht – bezwaar en klachten

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Datum ondertekening inwerkingtredingsbesluit:

Bron bekendmaking inwerkingtredingsbesluit: Onbekend.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Waterschapswet,
  2. Algemene wet bestuursrecht,

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

12-07-2006nieuwe regeling

12-07-2006

Dagblad van het Noorden en Leeuwarder Courant, 2006-07-26

Onbekend.

Tekst van de regeling

Intitulé

VERORDENING BEHANDELING BEZWAARSCHRIFTEN WATERSCHAP NOORDERZIJLVEST 2006

 

 

Algemene toelichting

1. Inleiding

Met de inwerkingtreding van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) per 1 januari 1994 heeft een wijziging plaatsgevonden in het recht van aanzien van de behandeling van bezwaar-schriften. De regelingen die voorheen over een groot aantal administratiefrechtelijke wetten waren verspreid zijn nu vervangen door een uniforme regeling in de Awb.

2. Externe adviescommissie

Een externe adviescommissie weerspiegelt het meest het tweeledig karakter van de bezwaar-schriftenprocedure, namelijk enerzijds zelfstandig rechtsmiddel, anderzijds een vorm van verlengde besluitvorming. Door instelling van een externe commissie wordt recht gedaan aan de daarmee samenhangende keuze voor distantie ten opzichte van de oorspronkelijke besluit-vorming en aan de rechtszekerheid. Het beginsel van de bezwaarschriftenprocedure dat het orgaan dat het bestreden besluit heeft genomen na heroverweging een nieuw besluit dient te nemen wordt daardoor niet aangetast. Ook blijkt dat door inschakeling van een externe commissie de zeefwerking van de bezwaarschriftenprocedure toeneemt. De belanghebbende voelt zich meer serieus genomen als het bestuursorgaan zich eveneens ten opzichte van de commissie dient te verantwoorden.

De formeel wettelijke grondslag voor het instellen van een onafhankelijke adviescommissie voor de voorbereiding van de beslissing op bezwaren is vervat in artikel 7:13 Awb.

Dit artikel bepaalt dat de commissie dient te bestaan uit een voorzitter en ten minste twee leden; waarvan de voorzitter geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoorde-lijkheid van het bestuursorgaan. De bepalingen over de samenstelling van de commissie kunnen verder worden aangevuld, bijvoorbeeld door te bepalen dat de voorzitter of een aantal leden van de commissie een bepaalde deskundigheid (juridisch, technisch, financieel-economische) of een bepaalde hoedanigheid (lid van een bepaalde organisatie of instantie) moeten bezitten.

3. De behandeling van bezwaarschriften

Om een volledig beeld te kunnen krijgen van de procedure die moet worden gevolgd bij de behandeling van bezwaarschriften is het noodzakelijk om de bepalingen uit de Awb en de verordening naast elkaar te plaatsen. In de artikelsgewijze toelichting wordt dan ook zoveel mogelijk verwezen naar de bepalingen in de Awb die van belang zijn in de behandelings-procedure. Het maken van bezwaar is het gebruik maken van de ingevolge een wettelijk voorschrift bestaande bevoegdheid, voorziening tegen een besluit te vragen bij het bestuurs-orgaan dat het besluit heeft genomen.

Bij de behandeling van bezwaarschriften is het bestuursorgaan verplicht belanghebbenden in de gelegenheid te stellen te worden gehoord (artikel 7:2 Awb). Voor een aantal besluiten wordt echter een uitzondering gemaakt op de hoorplicht. De verordening regelt het horen niet uit-puttend omdat de Awb zelf reeds een aantal bepalingen voor het horen geeft (zie artikel 7:2, 7:9 en 7:13 Awb). Die bepalingen zijn deels dwingend van aard, waarvan niet kan worden afgeweken. Deels ook betreft het bepalingen die als hoofdregel gelden maar waarvan in bij-zondere gevallen ook door lagere regelgevers zoals het algemeen bestuur van een waterschap kan worden afgeweken.

4. Afronding van de procedure

De verordening spitst zich toe op de behandeling van bezwaarschriften en eindigt er in feite mee dat door de commissie schriftelijk advies wordt uitgebracht aan het bestuursorgaan dat op het bezwaarschrift dient te beslissen. In artikel 7:11 van de Awb is bepaald dat indien het bezwaar ontvankelijk is op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit dient plaats te vinden. Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in plaats daarvan een nieuw besluit. Dit nieuwe besluit treedt daarmee in de plaats van het oorspronkelijke (bestreden) besluit. Wat betreft de heroverweging wordt nog het volgende opgemerkt. In de eerste plaats wordt er op gewezen dat deze ex nunc dient plaats te vinden, dat wil zeggen dat rekening moet worden gehouden met inmiddels gewijzigde feiten en omstandigheden. De feiten en omstandigheden van het moment waarop het nieuwe besluit wordt genomen zijn van belang. In de tweede plaats dient de heroverweging “op grondslag van het bezwaar” te geschieden. Hieruit vloeit voort dat die onderdelen van het besluit die geheel los van de aan-gevoerde bezwaren staan, in beginsel buiten beschouwing blijven. Het bestuursorgaan zal daarbij de naar voren gebrachte bezwaren voldoende ruim naar hun strekking moeten opvatten. Indien bijvoorbeeld tijdens de hoorzitting blijkt dat deze bezwaren ondanks een beperkte om-schrijving in het bezwaarschrift, ruimer bedoeld zijn, dan zal daarmee rekening moeten worden gehouden.

Verder is het de bedoeling dat de positie van degene die het bezwaarschrift heeft ingediend tijdens de bezwaarschriftenprocedure niet mag verslechteren (reformatio in peius beginsel). Natuurlijk staat dit er niet aan in de weg dat als een (derde-) belanghebbend bezwaar maakt tegen bijvoorbeeld aan afgegeven vergunning, die bezwaren gehonoreerd kunnen worden. Dit is het wezen van de bezwaarschriftenprocedure en is niet in strijd met genoemd beginsel.

In artikel 7:12 Awb is voorgeschreven dat de beslissing op het bezwaarschrift dient te berusten op een deugdelijke motivering die bij de bekendmaking wordt vermeld. Daarbij is het van belang dat indien het bestuursorgaan afwijkt van het advies van de commissie in de beslissing de reden van die afwijking wordt vermeld en het advies met de beslissing aan belanghebbende wordt meegezonden. Tenslotte wordt verwezen naar artikel 6:23 Awb waarin wordt voorgeschreven dat indien beroep kan worden ingesteld tegen de beslissing op het bezwaar, daarvan bij de bekendmaking van de beslissing melding wordt gemaakt. Daarbij moet worden aangegeven door wie, binnen welke termijn en bij welk orgaan beroep kan worden ingesteld. De algemene regeling is dat tegen de beslissing op het bezwaarschrift beroep kan worden ingesteld bij de sector bestuursrecht van de arrondissementsrechtbank.

5. Kostenvergoeding bestuurlijke voorprocedures:

Voor de vergoeding van kosten die een belanghebbende in verband met de behandeling van zijn bezwaarschrift redelijkerwijs heeft moeten maken bevat de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures een regeling. In het Besluit proceskosten bestuursrecht op welke kosten een zodanige vergoeding uitsluitend betrekking kan hebben.

De commissie adviseert het bestuursorgaan mede omtrent het al dan niet toekennen van eerdergenoemde kostenvergoeding.

Verordening

Het Algemeen Bestuur van het waterschap Noorderzijlvest;

Gelet op de Waterschapswet en de Algemene Wet Bestuursrecht;

Gelezen het voorstel van het Dagelijks Bestuur d.d. 3 oktober 2006

B E S LU I T:

vast te stellen de Verordening behandeling bezwaarschriften waterschap Noorderzijlvest 2006

Hoofdstuk 1 –Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    wet: de Algemene wet bestuursrecht (van 4 juni 1992 Stb 1992, 315 en zoals sindsdien gewijzigd).

  • b.

    bestuursorgaan: het Algemeen Bestuur, het Dagelijks Bestuur, de voorzitter of een ander persoon of een ander college met enig openbaar

    gezag bekleed, ieder voor zover hun bevoegdheid betreffende.

  • c.

    commissie: een commissie als bedoeld in artikel 7:13 van de wet.

  • d.

    voorzitter: de voorzitter zoals bedoeld in artikel 4 van deze verordening.

  • e.

    secretaris: de secretaris zoals bedoeld in artikel 6 van deze verordening.

1

Hoofdstuk 2 – Behandeling van bezwaren

Paragraaf 1 Commissie

Artikel 2 Inleidende bepaling

  • 1.

    Er is een commissie voor de voorbereiding van de beslissing op ingediende bezwaren, als bedoeld in artikel

    1:5 van de wet.

  • 2.

    De commissie is niet bevoegd ten aanzien van bezwaarschriften die zijn ingediend tegen besluiten op grond

    van de Verordening op de heffing en de invordering van leges, de verordening op de waterschapsomslagen,

    en de heffingsverordening van het waterschap.

Artikel 3 Beslissing op bezwaren

Het bestuursorgaan beslist op de bij hem ingediende bezwaren en desverzocht op de kostenvergoeding als bedoeld in artikel 7:15 van de wet, na advies van de commissie, tenzij het bestuursorgaan instemt met het verzoek van een bezwaarde om rechtstreeks beroep op de bestuursrechter toe te staan.

3

Artikel 4 Samenstelling commissie

  • 1.

    De commissie bestaat uit twee leden en een voorzitter, die worden benoemd, geschorst en ontslagen door het

    Dagelijks Bestuur van het waterschap.

  • 2.

    Het Dagelijks Bestuur benoemt overeenkomstig het eerste lid een genoegzaam aantal plaatsvervangende leden.

  • 3.

    Bij (tijdelijke) afwezigheid van de voorzitter treedt in zijn plaats het oudste lid in jaren van de commissie.

Artikel 5 Zittingsduur

  • 1.

    De zittingsduur is vier jaar overeenkomende met de zittingsperiode van het Algemeen Bestuur van het waterschap.

  • 2.

    De voorzitter en de leden van de commissie kunnen te allen tijde ontslag nemen door dit schriftelijk mee te delen

    aan het waterschap.

  • 3.

    De aftredende voorzitter en de aftredende leden van de commissie blijven hun functie waarnemen tot in de

    opvolging is voorzien.

Artikel 6 Secretariaat

  • 1.

    Het secretariaat van de adviescommissie wordt gevoerd door een door het Dagelijks Bestuur aangewezen

    ambtenaar.

  • 2.

    Het Dagelijks Bestuur wijst tevens een of meer plaatsvervangers van de secretaris aan.

Artikel 7 Vergoedingen

  • 1.

    De leden van de commissie ontvangen per uitgebracht advies een vergoeding.

  • 2.

    De hoogte van deze vergoeding wordt vastgesteld door het Dagelijks Bestuur.

Paragraaf 2 Procedure

Artikel 8 Ontvangst bezwaarschrift

  • 1.

    Op het ingediende bezwaarschrift wordt de datum van ontvangst aangetekend.

  • 2.

    Aan het ingediende bezwaarschrift wordt zoveel mogelijk de bijgaande enveloppe met poststempel, waaruit

    de datum van verzending blijkt, gehecht.

  • 3.

    Het bestuursorgaan stelt het bezwaarschrift met de daarbij overgelegde stukken zo spoedig mogelijk in

    handen van de commissie, tenzij er sprake is van een kennelijk niet-ontvankelijk dan wel kennelijk ongegrond

    bezwaarschrift. In dat geval neemt het bestuursorgaan zonder tussenkomst van de commissie een beslissing

    op het bezwaar.

Artikel 9 Uitoefening bevoegdheden

De bevoegdheden ingevolge artikel 2:1 tweede lid, 6:17, 7:4 tweede lid en 7:6, vierde lid van de wet worden voor toepassing van deze verordening uitgeoefend door de voorzitter.

9

Artikel 10 Inlichtingen en advies

  • 1.

    De voorzitter kan ten behoeve van de voorbereiding van het advies rechtstreeks alle inlichtingen inwinnen of doen inwinnen.

  • 2.

    De voorzitter kan uit eigen beweging of op verzoek van de commissie bij deskundigen advies inwinnen en dezen zonodig uitnodigen ter zitting te verschijnen. Indien daar-aan kosten zijn verbonden, is vooraf machtiging vereist van het Dagelijks Bestuur.

Artikel 11 Plaats en tijdstip hoorzitting

De voorzitter bepaalt tijd en plaats van de zitting, waarin de belanghebbende en het bestuursorgaan in de gelegenheid worden gesteld zich door de commissie te doen horen.

11

Artikel 12 Uitnodiging zitting

  • 1.

    De voorzitter deelt de belanghebbenden en het bestuursorgaan ten minste twee weken voor de zitting schriftelijk

    mee dat zij in de gelegenheid worden gesteld zich te doen horen tijdens de zitting.

  • 2.

    Indien een belanghebbende of het bestuursorgaan wijziging wenst van het tijdstip van de zitting, dient zulks

    binnen drie dagen na ontvangst van de in het eerste lid bedoel-de mededeling onder opgaaf van redenen te worden

    verzocht aan de voorzitter.

  • 3.

    De beslissing van de voorzitter, op een verzoek als bedoeld in het tweede lid, wordt zo spoedig mogelijk, doch

    tenminste een week voor de zitting, schriftelijk aan de belang-hebbenden en het bestuursorgaan medegedeeld.

  • 4.

    De voorzitter is bevoegd in bijzondere omstandigheden af te wijken of afwijking toe te staan van de termijnen als

    bedoeld in het eerste tot en met het derde lid van dit artikel.

Artikel 13 Het horen

De commissie kan het horen opdragen aan de voorzitter dan wel een lid van de commissie.

13

Artikel 14 Vooringenomenheid of persoonlijk belang bij de beslissing

De voorzitter en de leden van de commissie nemen niet deel aan de voorbereiding van en de beraadslaging over het

advies inzake de beslissing op het bezwaar, indien er sprake is van vooringenomenheid of persoonlijk belang bij de

beslissing.

14

Artikel 15 Openbaarheid van zitting

  • 1.

    De zitting is openbaar.

  • 2.

    De deuren worden gesloten indien de voorzitter of een van de aanwezige leden dat nodig oordeelt of indien een belanghebbende of het bestuursorgaan daartoe verzoekt.

  • 3.

    Indien de commissie vervolgens beslist dat gewichtige redenen aanwezig zijn die zich tegen de openbaarheid van de zitting verzetten, vindt de zitting plaats met gesloten deuren.

Artikel 16 Schriftelijke vastlegging

  • 1.

    Het verslag als bedoeld in artikel 7:7 van de wet vermeldt de datum, de tijd en de plaats van de hoorzitting

    alsmede de namen van de aanwezigen, met daarbij een vermelding van hun hoedanigheid.

  • 2.

    Het verslag houdt een korte vermelding in van al hetgeen over en weer is gezegd en overigens ter zitting

    voorgevallen.

  • 3.

    Indien de zitting geheel of gedeeltelijk met gesloten deuren plaatsvond of indien belanghebbenden respectievelijk

    hun gemachtigden niet in elkaars tegenwoordigheid zijn gehoord, wordt dit in het verslag vermeld.

  • 4.

    Het verslag verwijst naar de ter zitting overgelegde bescheiden, die aan het verslag worden gehecht.

  • 5.

    Het verslag wordt ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de commissie

  • 6.

    De voorzitter kan de secretaris zo nodig (mondeling) mandateren het verslag namens hem te ondertekenen.

Artikel 17 Nader onderzoek

  • 1.

    Indien na afloop van de zitting maar voor het uitbrengen van het advies, een nader onderzoek wenselijk is, kan de

    voorzitter uit eigen beweging of op verzoek van de commissie dit onderzoek houden.

  • 2.

    De uit nader onderzoek verkregen informatie wordt in afschrift toegezonden aan de leden van de commissie, het bestuursorgaan en de belanghebbenden.

  • 3.

    De leden van de commissie, het bestuursorgaan en de belanghebbenden kunnen binnen een week na verzending

    van de in het tweede lid bedoelde nadere informatie aan de voorzitter een verzoek richten tot het beleggen van een

    nieuwe hoorzitting.

    De voorzitter beslist omtrent een dergelijk verzoek.

  • 4.

    Op een nieuwe hoorzitting, als bedoeld in het derde lid, zijn de bepalingen in deze verordening, die betrekking

    hebben op de hoorzitting zoveel mogelijk van overeen-komstige toepassing.

Artikel 18 Raadkamer en advies

  • 1.

    De commissie beraadslaagt en beslist met gesloten deuren over het door haar aan het bestuursorgaan uit te

    brengen advies.

  • 2.

    De commissie beslist bij meerderheid van stemmen over het uit te brengen advies. Indien bij een stemming de

    stemmen staken dan beslist de stem van de voorzitter.

  • 3.

    Van een minderheidsstandpunt wordt bij het advies melding gemaakt, indien die minderheid dat verlangt.

  • 4.

    Het advies is gemotiveerd en omvat een voorstel aan het bestuursorgaan voor de te nemen beslissing op het

    bezwaar.

  • 5.

    Het advies wordt ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de commissie.

  • 6.

    De voorzitter kan de secretaris zo nodig (mondeling) mandateren het advies namens hem te ondertekenen.

Artikel 19 Verdaging van de beslissing

Indien naar het oordeel van de voorzitter de termijn, zoals bedoeld in het artikel 7:10 eerste lid van de wet, ontoereikend

is voor achtereenvolgens het uitbrengen van een advies door de commissie en het nemen van een beslissing door het

bestuursorgaan verzoekt de voorzitter het bestuursorgaan tijdig de beslissing te verdagen.

19

Hoofdstuk 3 – Slotbepalingen

Artikel 20 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Op dezelfde dag van inwerkingtreding van deze verordening wordt de Verordening behandeling bezwaren waterschap Noorderzijlvest 2000 ingetrokken.

  • 2.

    De verordening treedt in werking op de eerste dag volgend op die van de bekend-making.

  • 3.

    Deze verordening kan worden aangehaald als “Verordening behandeling bezwaar-schriften waterschap Noorderzijlvest 2006”.

Aldus vastgesteld in de vergadering van het Algemeen Bestuur van het waterschap Noorderzijlvest, gehouden

op 18 oktober 2006, te Groningen

ir. H. van ‘t Land, dijkgraaf ir. C.W. Woldring, secretaris


1

[Toelichting: Toelichting

De verwijzing naar de Algemene wet bestuursrecht onder a. is zo uitgebreid geformuleerd om een zo eenduidig

mogelijk vertrekpunt te hebben, namelijk de tekst zoals deze in het Staatsblad 1992, 315 was opgenomen. In dit

verband zij ook verwezen naar aanwijzing 92 van de op 1 januari 1993 in werking getreden aanwijzigingen voor

de regelgeving waarin wordt bepaald dat “indien een regeling verwijst naar normen die zijn vervat in een andere

Nederlandse publiekrechtelijke regeling, die verwijzing mede nadien in werking getreden verwijzigingen van die

regeling omvat, tenzij uitdrukkelijk anders is vermeld”. De Awb geeft in artikel 1:1 tot en met 1:5 een aantal

begripsomschrijvingen die binnen het gehele bestuursrecht van toepassing zijn. De daar omschreven begrippen

hoeven in de onderhavige verordening dan ook niet te worden beschreven. Het begrip “bestuursorgaan”, dat in

artikel 1:1, eerste lid Awb wordt omschreven, wordt in artikel 1, onder b van de verordening nader geconcretiseerd,

in die zin dat de bestuursorganen van het waterschap met name worden genoemd. Door op deze manier het

begrip bestuursorgaan in te vullen, kan de verordening altijd van toepassing worden geacht wanneer er sprake is

van een besluit welke genomen is door een bestuursorgaan van het waterschap in de zin van artikel 1, sub b en

tegen welk besluit bezwaar kan worden gemaakt.]

2

[Toelichting: Toelichting

In de algemene toelichting is de keuze voor het instellen van een adviescommissie nader ver(ant)woord. De

commissie wordt via deze inleidende bepaling als zodanig geïntroduceerd.

Artikel 1 sub c van deze verordening verwijst naar de commissie zoals de Awb die kent.

Het eerste lid verwijst naar artikel 1:5 Awb, waarin is omschreven wat onder het maken van bezwaar dient te worden

verstaan. Het tweede lid bepaalt dat de commissie niet bevoegd is te adviseren ten aanzien van de behandeling van

bezwaarschriften tegen belastingbesluiten op grond van belastingverordeningen.

Deze belastingverordeningen vloeien voort uit de Waterschapswet (artikel 113). Artikel 115, tweede lid

Waterschapswet stelt leges gelijk met waterschapsbelastingen voor de toepassing van de bepalingen inzake de

verordening (vaststelling, inhoud en goedkeuring) en voor de toepassing van hoofdstuk XVIII inzake de formele

bepalingen betreffende de heffing en de invordering. Hoewel het maken van bezwaar tegen belastingbesluiten

mogelijk is, adviseert de commissie niet op dit ingediende bezwaar. Het uitsluiten van de commissie ten aanzien van

ingediende bezwaren tegen de hierboven genoemde belastingbesluiten sluit aan bij de huidige praktijk. Hiervoor kunnen

verschillende redenen worden aangevoerd.

Ten eerste heeft een belastingbesluit (bijvoorbeeld een belastingaanslag) vaak een gebonden karakter. Het besluit

wordt ambtshalve gegeven op grond van een belastingverordening waarbij weinig ruimte is voor een belangenafweging.

Dit heeft ook gevolgen voor de inhoud van het advies die de commissie zou kunnen geven. Advisering door commissie

heeft in dit geval geen meerwaarde.

Ten tweede kent zowel de Invorderingswet als de Algemene wet inzake rijksbelastingen een eigen systematiek ten

aanzien van de besluitvorming en de rechtsbescherming.

Met name wat betreft de hoorplicht en de beslistermijn op het bezwaarschrift kennen de Invorderingswet en de

Algemene wet inzake de rijksbelastingen afwijkende bepalingen ten opzichte van de Awb.

Ten derde moet worden verwacht dat in verband met de massaliteit van de belastingbesluiten het aantal

bezwaarschriften waarover de commissie zou moeten adviseren onevenredig veel werkzaamheden met zich meebrengt.

Daar komt nog bij dat specifieke kennis op het gebied van het belastingrecht vereist is die niet bij alle commissieleden

aanwezig zal zijn.]

3

[Toelichting: Toelichting

Zie de algemene toelichting op deze verordening.]

4

[Toelichting: Toelichting

Het Dagelijks Bestuur benoemt de commissieleden. De commissie zal voornamelijk adviseren in een procedure

waarbij aan het bezwaar een besluit van het Dagelijks Bestuur ten grondslag ligt. Het ligt in de rede om de benoeming

van de leden van de commissie tot de “dagelijkse aangelegenheden van het waterschap” te rekenen zoals de

Waterschapswet deze in artikel 84, eerste lid omschrijft. In hoofdstuk 4 van het reglement van het waterschap worden de

bevoegdheden van het Dagelijks Bestuur nader omschreven.

Gelet op de wettelijke termijnen en om de voortvarendheid van de procedure niet te belemmeren kan ingevolge lid 3

de hoorzitting toch doorgang vinden ondanks (tijdelijke) afwezigheid van de voorzitter. ]

5

[Toelichting: Toelichting

Gelet op het feit dat de voorzitter en de leden worden benoemd door het Dagelijks Bestuur van het waterschap is

de zittingsduur van de commissie gekoppeld aan de zittingsduur van het Dagelijks Bestuur van de aangesloten

waterschappen. Om praktische redenen is voor deze opzet gekozen. Een lid kan overigens zelf het tijdstip van dat

ontslag bepalen. Het bepaalde in het tweede lid van het artikel is van orde.]

6

[Toelichting: Toelichting

De secretaris is een ambtenaar die per waterschap is aangewezen om de adviescommissie ambtelijk te

ondersteunen gedurende de behandeling van het bezwaarschrift.

De secretaris is dan ook alleen bevoegd bij het waterschap dat hem heeft aangewezen.]

7

[Toelichting: Toelichting

lid 1: Gekozen is voor een vergoeding per uitgebracht advies. Dit betekent dat aan de leden van de commissie

ook een vergoeding wordt toegekend indien door de commissie zou worden afgezien van het horen van

belanghebbenden, bijvoorbeeld omdat het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk is of belanghebbenden hebben

verklaard geen gebruik te willen maken van het recht te worden gehoord. Het waterschap waaraan het advies wordt

uitgebracht draagt zorg voor de verstrekking van de vergoeding. Voor het jaar 2006 is de vergoeding van de voorzitter

€ 120,-- per uitgebracht advies, en € 95,-- voor de leden.

lid 2: De vergoedingen komen ten laste van de waterschapsbegroting. Normaal gesproken is in de begroting een

post opgenomen die de vergoeding van onkosten regelt die verbonden zijn aan de werkzaamheden van een

bezwarencommissie. Aangezien het Dagelijks Bestuur is belast met de uitvoering van de begroting kan het zelf de

hoogte van de vergoedingen vaststellen.]

8

[Toelichting: Toelichting

lid 1: Artikel 6:14 Awb eist dat de ontvangst van een bezwaarschrift wordt bevestigd (per post of door overhandiging

van een ontvangstbevestiging). Het is verstandig om in de ontvangst-bevestiging te vermelden dat de indiener in de

gelegenheid zal worden gesteld te worden gehoord. Op grond van artikel 7:13, tweede lid Awb dient tevens in de

ontvangstbevestiging te worden vermeld dat de commissie over het bezwaar zal adviseren. De indiener wordt op deze

wijze in een vroeg stadium op de hoogte gebracht van de te volgen procedure.

lid 2: Deze bepaling is gedienstig in verband met de juiste toepassing van de verzendtheorie als bedoeld in artikel

6:9 tweede lid van de Awb. Bezwaarschriften moeten binnen de bezwaren-termijn zijn gepost en binnen een week

na afloop van die termijn door het bestuursorgaan zijn ontvangen, wil het bezwaar ontvankelijk zijn.

lid 3: Op het moment dat het bezwaarschrift in handen is gesteld van de commissie kan met de behandeling worden

begonnen. In verband met de beslistermijnen die de Awb stelt verdient het de voorkeur om ook daadwerkelijk uitvoering

te geven aan het gestelde in het tweede lid (“zo spoedig mogelijk”). Het bestuursorgaan kan ingevolge lid 3 in geval van

een kennelijk niet-ontvankelijk dan wel kennelijk ongegrond bezwaar terstond een beslissing op bezwaar geven. Dit

laatste komt de duidelijkheid en efficiëntie van de behandeling van het bezwaar ten goede omdat hierdoor op weinig

kansrijke bezwaren slagvaardiger en sneller kan worden beslist.]

9

[Toelichting: Toelichting

Ingevolgde artikel 7:13 beslist de commissie over de toepassing van artikel 7:4, zesde lid, artikel 7:5 tweede lid

en voor zover bij wettelijk voorschrift niet anders is bepaald, van artikel 7:3 Awb. Gezien het imperatieve karakter van

deze bepaling is het niet mogelijk om deze bevoegdheden aan de voorzitter of een ander lid van de commissie op te

dragen. Dit geldt echter niet voor de overdracht van de onderhavige bevoegdheden, deze kunnen wel bij verordening

aan de voorzitter worden overgedragen. Aangezien bevoegdheden worden toegekend aan de commissie dan wel aan

de voorzitter (als lid van de commissie) ligt het niet in de rede om deze bevoegdheden toe te kennen aan de secretaris

van de commissie.

In de persoon van de voorzitter ligt een zekere waarborg, namelijk het vereiste van artikel 7:13 Awb dat de voorzitter

geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan.

De secretaris is juist wel werkzaam onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan.

Artikel 9 van de verordening regelt de overdracht van de volgende bevoegdheden:

- 2:1, tweede lid Awb: De voorzitter kan een machtiging verlangen van een gemachtigde. Tevens kan de voorzitter

een schriftelijke machtiging verlangen van degene die het bestuursorgaan vertegenwoordigt.

- 6:17 Awb: Het verdient aanbeveling de op de zaak betrekking hebbende stukken niet alleen aan de gemachtigde

maar ook aan de indiener van het bezwaar toe te zenden.

- 7:4 tweede lid Awb: De terinzagelegging van het bezwaarschrift en de op de zaak betrekking hebbende stukken kan

geschieden ten kantore van het waterschapshuis.

- 7:6 vierde lid Awb: Het is aan de voorzitter om af te wegen of er inderdaad sprake is

van gewichtige redenen die rechtvaardigen dat belanghebbenden, wanneer zij afzonderlijk zijn gehoord, niet op de hoogte

worden gesteld van het verhandelde tijdens het horen buiten hun aanwezigheid.]

10

[Toelichting: Toelichting

lid 1: De voorzitter draagt zorg voor een voldoende voorbereiding van de advisering over de beslissing op het bezwaar.

Hij krijgt de bevoegdheid om alle gewenste inlichtingen zowel in- als extern in te winnen, die nodig zijn voor de

beoordeling van het bezwaar.

lid 2: Indien advies wordt ingewonnen bij externe deskundigen kan dit kosten met zich mee brengen. Normaal

gesproken is in de begroting een post opgenomen die de vergoeding van onkosten regelt die verbonden zijn aan

de werkzaamheden van een bezwarencommissie.

Het bepaalde in het tweede lid ziet op bijzondere kosten waarvoor vaak geen voorziening is getroffen. Aangezien het

Dagelijks Bestuur is belast met de uitvoering van de begroting ligt het voor de hand dat deze kosten niet worden

gemaakt dan nadat het Dagelijks Bestuur in de gelegenheid is gesteld te beoordelen of deze uitgaven passen binnen

een begrotingspost.]

11

[Toelichting: toelichting

Zie de toelichting op artikel 12 van deze verordening.]

12

[Toelichting: toelichting

lid 1: Voor het geval belanghebbende zich laat vertegenwoordigen bepaalt artikel 6:17 Awb dat het bestuursorgaan

de uitnodiging voor de hoorzitting ook aan de gemachtigde zendt.

Het is van belang, mede in verband met een zorgvuldige afweging van de bij het besluit betrokken belangen, dat

ook het bestuursorgaan ter zitting is vertegenwoordigd. De termijn van twee weken die ligt tussen de oproeping en

de zitting zelf is zodanig dat belanghebbenden en het bestuursorgaan zich behoorlijk op de zitting kunnen voorbereiden.

lid 2: In deze bepaling is voorzien in de mogelijkheid om uitstel van de zitting te verzoeken. Een zodanig verzoek behoeft

niet altijd te worden gehonoreerd. In verband met de beslis-termijnen verdient het aanbeveling om zodanig verzoek

slechts eenmaal en voor een beperkte tijd in te willigen.

lid 3: Op grond van deze bepaling worden betrokkenen tijdig op de hoogte gesteld van de beslissing op het verzoek

om uitstel.

lid 4: Er kunnen zich omstandigheden voordoen die tot gevolg hebben dat de termijnen als bedoeld in het eerste tot

en met het derde lid van dit artikel niet gehandhaafd kunnen worden. Het bepaalde in dit lid betreft een zogenaamde

hardheidsclausule zodat overschrijding van deze termijnen niet fataal hoeft te zijn en belanghebbenden niet in hun

belangen worden geschaad.]

13

[Toelichting: toelichting

Ingevolge artikel 7:13 lid 3 van de wet kan de commissie het horen opdragen aan de voorzitter, of een lid dat

geen deel uitmaakt van, en niet werkzaam is onder de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan. Dit artikel

verhoogt - met name bij minder complexe bezwaren – de efficiëntie van de advisering. De voorzitter brengt zijn

bevindingen van de hoorzitting ter kennis van de overige leden, waarna de uiteindelijk advisering zal plaatsvinden

door de voltallige commissie.]

14

[Toelichting: toelichting

Een dergelijke bepaling is ook neergelegd voor het bestuursorgaan en de daarvoor werkzame personen in artikel

2:4 Awb. In dit artikel van de verordening wordt echter de onpartijdigheid van de leden van de adviescommissie

voorgeschreven. Het is aan de leden van de advies-commissie zelf om dit te beoordelen per concreet bestreden

besluit.]

15

[Toelichting: Toelichting

Ingevolgde artikel 7:5 tweede lid Awb besluit het bestuursorgaan, voor zover niet bij wettelijk voorschrift anders

is bepaald, of het horen in het openbaar plaatsvindt. De Awb schrijft niet voor dat de hoorzitting bij een

bezwaarschriftenprocedure openbaar moet zijn. In artikel 7:13 vierde lid Awb wordt de bevoegdheid om te beslissen

over het wel of niet horen in het open-baar aan de adviescommissie toegekend. In de onderhavige

verordeningsbepaling is vastgelegd dat de zitting, het horen, in principe in het openbaar plaatsvindt. Uitzondering op

deze regel blijft mogelijk bijvoorbeeld in het geval dat bijzonder persoonlijke zaken van familiaire, medische of financiële

aard dan wel andere zaken met een vertrouwelijk karakter aan de orde komen. Belanghebbenden of vertegenwoordigers

van het bestuursorgaan kunnen een verzoek indienen de zitting met gesloten deuren voort te zetten. Aan dit verzoek wordt

eerst gevolg gegeven nadat met gesloten deuren is beslist of aan het verzoek kan worden voldaan.

De zitting dient te worden onderscheiden van de beraadslaging van de commissie, die ingevolge artikel 18 van de

verordening met gesloten deuren plaats heeft.]

16

[Toelichting: toelichting

Artikel 7:7 Awb eist zeer kort en bondig dat van het horen een verslag wordt gemaakt. De wijze waarop en de

inhoudelijke vereisten aan het verslag worden niet door de Awb geregeld. Het bepaalde in het eerste lid hoeft niet zo ver te

strekken dat van al het aanwezige publiek naam en hoedanigheid wordt opgenomen. Wel zal uit het verslag duidelijk moeten

blijken wie namens welke partij aanwezig was en wat door hen naar voren is gebracht. In met name spoed-eisende gevallen

kan de voorzitter de secretaris mandateren om namens hem het verslag te ondertekenen.]

17

[Toelichting: Toelichting

Een nader onderzoek kan feiten of omstandigheden aan het licht brengen die op het moment van de zitting nog niet

bekend waren. Dit kan aanleiding zijn om belanghebbenden en het bestuursorgaan opnieuw te horen. De onderhavige

bepaling voorziet in de mogelijkheid dat belanghebbenden, bestuursorgaan of de andere commissieleden de voorzitter

kunnen ver-zoeken daartoe een nieuwe zitting te houden. Vervolgens is het aan de commissie om dit verzoek in te willigen.

Artikel 7:9 Awb bepaalt dat indien het feiten of omstandigheden betreft die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van

aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden wordt meegedeeld en zij opnieuw in de gelegenheid worden

gesteld te worden gehoord.]

18

[Toelichting: Toelichting

In tegenstelling tot de hoorzitting, die in beginsel openbaar is, vindt de hier bedoelde beraad-slaging altijd plaats met

gesloten deuren. In het tweede lid is bepaald dat de stem van de voorzitter beslissend is bij het staken van de stemmen.

Dit kan zich namelijk voordoen voor die gevallen waarin het vergaderquorum wel aanwezig is (de voorzitter en een lid) en

de stemmen staken. Ook is het mogelijk dat bij een voltallige commissie een van de leden zich van stemming onthoudt. In

met name spoedeisende gevallen kan de voorzitter de secretaris mandateren om namens hem het advies te

ondertekenen.]

19

[Toelichting: toelichting

De beslistermijn bedraagt ingevolge het artikel 7:10 Awb tien weken behoudens in het geval van opschorting of met

gebruikmaking van de mogelijkheid van verdaging. De onderhavige bepaling verlangt van de voorzitter van de commissie

dat, ingeval hij voorziet dat de termijn als hiervoor bedoeld niet wordt gehaald, hij tijdig het bestuursorgaan verzoekt de

beslissing op het bezwaar te verdagen. Artikel 7:10 lid 3 Awb bepaalt dat deze beslissing schriftelijk wordt meegedeeld.

Aangenomen mag worden dat de belanghebbende en gemachtigden hiervan op de hoogte worden gebracht en eventuele

derden. Het besluit tot verdaging is een beschikking.

Ingevolge artikel 7:14 Awb zijn de artikelen 3:41 tot en met 3:45 Awb, regelende de wijze van bekendmaking en mededeling

van besluiten, in casu niet van toepassing. Artikel 3:40 Awb is wel van toepassing. Dit artikel bepaalt dat een besluit niet in

werking treedt voordat het is bekendgemaakt. Het ligt voor de hand in verband hiermee naast belanghebbenden ook de

commissieleden een afschrift van het verdagingsbesluit toe te zenden.]

20

[Toelichting: toelichting

In de artikelen 73 tot en met 76 Waterschapswet is de bekendmaking en inwerkingtreding geregeld van besluiten die

algemeen verbindende voorschriften inhouden. De bepalingen over bekendmaking en mededeling van besluiten zoals

opgenomen in afdeling 3:6 Awb zijn op algemeen verbindende voorschriften niet van toepassing (zie artikel 3:1 Awb dat

aangeeft dat op besluiten, inhoudende algemeen verbindende voorschriften, slechts de afdelingen 2 tot en met 5 van dat

hoofdstuk van toepassing zijn, en wel voor zover de aard van de besluiten zich daartegen niet verzet). Ingevolge artikel 74 Waterschapswet treden bekendgemaakte besluiten in werking met ingang van de achtste dag na die van de bekendmaking,

tenzij in deze besluiten daarvoor een ander tijdstip is aangewezen. In het eerste lid van het onderhavige artikel wordt een

ander tijdstip van inwerkingtreding gebruikt.]