Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Weert

Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert houdende regels omtrent uitvoering gemeentelijke belasting Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen 2019

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieWeert
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingBesluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert houdende regels omtrent uitvoering gemeentelijke belasting Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen 2019
CiteertitelUitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen 2019
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze regeling vervangt de Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen 2018.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. artikel 6 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
  2. artikel 7 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
  3. artikel 8 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
  4. artikel 13 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
  5. artikel 14 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen
  6. artikel 31 van de Invorderingswet 1990
  7. artikel 231, tweede lid, van de Gemeentewet
  8. artikel 231, derde lid, van de Gemeentewet
  9. artikel 237 van de Gemeentewet
  10. artikel 160, eerste lid, van de Gemeentewet
  11. artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht
Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-2019nieuwe regeling

18-12-2018

gmb-2018-283187

DJ-635891

Tekst van de regeling

Intitulé

Besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert houdende regels omtrent uitvoering gemeentelijke belasting Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen 2019

Het college van burgemeester en wethouders van Weert;

 

gelet op de artikelen 6, 7, 8, 13 en 14 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel 31 van de Invorderingswet 1990 in juncto artikel 231, tweede lid, onderdeel a, en derde lid en 237 van de Gemeentewet, op artikel 160, eerste lid, onderdeel b van de Gemeentewet, op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede op het betreffende artikel van de in de gemeente Weert geldende belastingverordeningen, waarin aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid is toegekend nadere regels te geven met betrekking tot de heffing en de invordering van gemeentelijke belastingen;

 

besluit:

vast te stellen de volgende regeling:

 

Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen 2019

Artikel 1. Reikwijdte van de regeling

  • 1.

    Deze regeling geeft uitvoering aan de artikelen 6, 7, 8, 13 en 14 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, artikel van de Invorderingswet 1990 in verbinding met artikel 231, tweede lid, onderdeel a, en derde lid en 237 van de Gemeentewet, op artikel 160,eerste lid, onderdeel b, van de Gemeentewet, op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede op het betreffende artikel van de in de gemeente Weert geldende belastingverordeningen, waarin aan het college van burgemeester en wethouders de bevoegdheid is toegekend nadere regels te geven met betrekking tot de heffing en de invordering van gemeentelijke belastingen, voor zover deze regels in artikel 5 van de betreffende gemeentelijke belasting van toepassing zijn verklaard.

  • 2.

    Voor de toepassing van deze regeling worden rechten aangemerkt als gemeentelijke belastingen.

  • 3.

    De op andere wijze geheven gemeentelijke belastingen bedoeld in artikel 233 van de Gemeentewet, worden voor de toepassing van deze regeling aangemerkt als bij wege van aanslag geheven belastingen, met dien verstande dat wordt verstaan onder de aanslag of de voorlopige aanslag: het gevorderde, onderscheidenlijk het voorlopig gevorderde bedrag. Artikel 2 blijft bij de op andere wijze geheven gemeentelijke belastingen buiten toepassing.

Artikel 2. Aangifte

  • 1.

    De belastingplichtige voor de rioolheffing aan wie niet binnen twee maanden na afloop van het belastingjaar of kalenderjaar een aangiftebiljet is uitgereikt of een aanslag is opgelegd, is gehouden binnen een maand na het verstrijken van die twee maanden bij de in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar een schriftelijk verzoek in te dienen om uitreiking van een aangiftebiljet.

  • 2.

    Overeenkomstig het bepaalde in artikel 8 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dienen de in het aangiftebiljet gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud te worden ingevuld. Het aangiftebiljet wordt ondertekend en met de daarbij gevraagde bescheiden ingeleverd of toegezonden.

Artikel 3. (Vervallen)

 

Artikel 4. Voorlopige aanslag

De in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet bedoelde ambtenaar legt een voorlopige aanslag op, indien het bedrag waarop de aanslag vermoedelijk zal worden vastgesteld, na verrekening van voorheffingen en reeds opgelegde voorlopige aanslagen, zulks naar zijn mening rechtvaardigt.

Artikel 5. Invorderingsrente

Bij de invordering van de gemeentelijke belastingen vindt de ministeriële regeling bedoeld in artikel 31 van de Invorderingswet 1990 overeenkomstige toepassing.

Artikel 6. Gelding voor gemeentelijke belastingen

Met betrekking tot:

  • 1.

    de rioolheffing (incidenteel bij bornbemaling) vinden de artikelen 2, 4 en 5 toepassing;

  • 2.

    de leges vindt artikel 5 toepassing;

  • 3.

    de graf- en begraafrechten vindt artikel 5 toepassing;

  • 4.

    het marktgeld vindt artikel 5 toepassing;

  • 5.

    de precariobelasting (tijdelijke objecten op, onder of boven gemeentegrond) vindt artikel 5 toepassing;

  • 6.

    de scheepvaartrechten vindt artikel 5 toepassing;

  • 7.

    het staangeld vindt artikel 5 toepassing;

  • 8.

    de baatbelasting vindt artikel 5 toepassing.

Artikel 7. Inwerkingtreding, overgangsbepaling en citeertitel

  • 1.

    De "Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen 2018", vastgesteld bij collegebesluit van 8 november 2017, wordt ingetrokken met ingang van de in het tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

  • 2.

    Deze uitvoeringsregeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2019.

  • 3.

    Deze uitvoeringsregeling wordt aangehaald als "Uitvoeringsregeling gemeentelijke belastingen 2019".

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Weert;

18 december 2018,

de secretaris,

G. Brinkman

de burgemeester,

A.A.M.M. Heymans