Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Wijchen

Beleidsregels Wet Bibob

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieWijchen
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingBeleidsregels Wet Bibob
CiteertitelBeleidsregels Wet Bibob
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpopenbare orde en veiligheid
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester.

De beleidsregels Wet Bibob 2011 worden ingetrokken.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur 
  2. Algemene wet bestuursrecht, art. 4:81 

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

15-05-2014nieuwe regeling

06-05-2014

zoek.officielebekendmakingen.nl/gmb-2014-26835.html, 14-05-2014

14/2619

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsregels Wet Bibob

De burgemeester en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijchen, ieder voor zover het zijn bevoegdheid betreft;

overwegende dat de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaarbestuur (Wet Bibob) hen beleidsruimte verschaft bij de besluitvorming omtrent het toepassen van hun uit deze wet voortvloeiende bevoegdheden;

gelet op het bepaalde in de Wet Bibob door het openbaar bestuur, artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 3, 27, 30a en 31 van de Drank- en Horecawet, de artikel 2.1 en 2.17 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de artikelen 2:28, 3:4, 2:79, 2:25 van de Algemene plaatselijke verordening en artikel 1.9 eerste lid onder c de Subsidieverordening;

besluiten

vast te stellen Beleidsregels Wet Bibob

Hoofdstuk 1. Inleidende bepalingen

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • a.

    aanvraag: de aanvraag om een beschikking respectievelijk het aanbod tot een overheidsopdracht;

  • b.

    advies: het advies, zoals bedoeld in artikel 9 van de Wet Bibob;

  • c.

    beschikkingen en opdrachten: alle besluiten (beschikkingen en overheidsopdrachten) waarop de Wet Bibob van toepassing is, zoals verleningen al dan niet onder voorschriften en/of beperkingen, weigeringen en intrekkingen;

  • d.

    bestuursorgaan: de burgemeester onderscheidenlijk het college van burgemeester en wethouders;

  • e.

    betrokkene: de aanvrager, de vergunninghouder, de subsidieontvanger, de natuurlijke of rechtspersoon met wie een vastgoedtransactie is aangegaan of zal worden aangegaan, de gegadigde die wil deelnemen aan een aanbestedingsproces, de natuurlijke of rechtspersoon aan wie een overheidsopdracht is of zal worden gegund, de onderaannemer;

  • f.

    Bibob-toets: de wijze van behandelen van een aanvraag of opdracht waarbij door het bestuursorgaan volgens deze beleidsregels wordt beoordeeld of er redenen, ontleend aan de Wet Bibob, aanwezig zijn om de vergunning te weigeren respectievelijk de beschikking of opdracht in te trekken dan wel een advies aan te vragen;

  • g.

    bouwkosten: de kosten die ontstaan ten behoeve van de realisering van een bouwproject tot en met de oplevering van het gebouwde.

  • h.

    Bureau: het Bureau bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, bedoeld in artikel 8 van de Wet Bibob;

  • i.

    onderaannemer: een derde aan wie een deel van de overheidsopdracht in onderaanneming is of zal worden gegeven door degene aan wie de overheidsopdracht is of zal worden gegund;

  • j.

    overheidsopdracht: een opdracht als beschreven in artikel 1 van de Wet Bibob een waarop de wet kan worden toegepast;

  • k.

    projectsubsidie: een vorm van eenmalige subsidie, waarbij aan een organisatie eenmalig een maximum bedrag aan financiële middelen wordt verstrekt om een vooraf goedgekeurd en een in tijd en omvang afgebakend project uit te voeren;

  • l.

    RIEC: Regionale Informatie en Expertise Centrum;

  • m.

    semi-overheid: algemene aanduiding voor allerlei overheidsorganisaties die “dicht tegen de overheid aan zitten”;

  • n.

    subsidie: de aanspraak op financiële middelen, door een bestuursorgaan verstrekt met het oog op bepaalde activiteiten van de aanvrager, anders dan als betaling voor aan het bestuursorgaan geleverde goederen of diensten;

  • o.

    vastgoedtransactie: een overeenkomst of andere rechtshandeling met betrekking tot een onroerende zaak;

  • p.

Artikel 2. Doel

De gemeente beoogt met toepassing van de Wet Bibob te voorkomen dat zij criminele activiteiten faciliteert waardoor de veiligheid, de leefbaarheid, de rechtsorde of de bestuurlijke slagkracht worden aangetast.

Hoofdstuk 2. Toepassingsbereik

Artikel 3.1 Toepassingsbereik bij beschikkingen

Artikel 3.2 Toepassingsbereik bij subsidies

Uitvoering van de Bibob-toets vindt plaats bij een aanvraag dan wel de intrekking van een reeds verleende subsidie als bedoeld in artikel 4:21 van de Algemene wet bestuursrecht jo. artikel 1.9 eerste lid 1 onder c van de Algemene subsidieverordening voor zover het een projectsubsidie betreft en de subsidievaststelling meer dan € 76.800,- bedraagt. Het besluit tot uitvoering van het Bibob onderzoek zal zijn gebaseerd op:

  • -

    eigen ambtelijke informatie en/of

  • -

    informatie verkregen van het Bureau en/of

  • -

    informatie verkregen vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 11 j°

  • artikel 26 van de Wet Bibob en/of informatie verkregen van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC.

Artikel 3.3 Toepassingsbereik bij vastgoedtransacties

Het bestuursorgaan zal de Wet Bibob toepassen met betrekking tot vastgoedtransacties waarbij de gemeente partij is.

De Bibob-toets wordt beperkt tot de gevallen, die een of meerdere van onderstaande kenmerken hebben:

  • -

    hoge mate van financiële complexiteit;

  • -

    behorend tot een zodanig door het college benoemde risicobranche;

  • -

    behorend tot een zodanig door het college benoemd risicogebied;

  • -

    hoge mate van complexiteit met betrekking tot de bedrijfsstructuur;

  • -

    Exceptioneel financieel risico voor de gemeente.

Artikel 3.4 Toepassingsbereik bij aanbestedingen

Het bestuursorgaan zal de Wet Bibob ten aanzien van een gegadigde of onderaannemer in de zin van de wet, alleen toepassen bij overheidsopdrachten, die vallen binnen de sectoren milieu, informatietechnologie of bouw, en die volgens het Inkoop- en aanbestedingsbeleid gemeente Wijchen Europees moeten worden aanbesteed.

Artikel 3.5 Uitgezonderd van de Bibob-toets

Het bestuursorgaan past de Bibob-toets niet toe in geval:

  • a.

    beschikkingen ten behoeve van het slijtersbedrijf zoals in artikel 1 van de Drank- en Horecawet;

  • b.

    de aanvraag afkomstig is van een semi-overheidsinstantie;

  • c.

    de aanvraag afkomstig is van een overheidsinstantie;

  • d.

    bij wijzigingen van ondergeschikte aard waarbij 3 jaar voorafgaand aan de aanvraag een Bibob-toets positief is doorlopen.

Artikel 4. Bijzondere situaties

  • 1.

    Behalve op de in artikelen 3.1 tot en met 3.4 genoemde categorieën, past het bestuursorgaan de Wet Bibob toe indien:

    • a.

      op basis van eigen ambtelijke informatie en/of

    • b.

      informatie verkregen van het Bureau en/of

    • c.

      informatie verkregen vanuit het OM verkregen informatie als bedoeld in artikel 11 j°

    • d.

      informatie verkregen van een of meerdere partners binnen het samenwerkingsverband RIEC, er duidelijke aanwijzingen zijn die het vermoeden rechtvaardigen, dat er sprake is van een ernstig risico als bedoeld in artikel 3 van de wet.

Hoofdstuk 3. Procedure aanvraag om vergunning

Artikel 5. Vragenformulieren

  • 1.

    In alle gevallen, zoals omschreven in artikel 3 en 4, moet betrokkene naast de reguliere aanvraagformulieren de Bibob vragenformulieren invullen.

  • 2.

    Indien het een overheidsopdracht betreft als in artikel 3, lid 5 dient de betrokkene een Uniforme Eigen Verklaring te overleggen en een gedragsverklaring aanbesteden.

  • 3.

    De in het eerste lid bedoelde Bibob vragenformulieren worden bij ministeriele regeling vastgesteld. Het bestuursorgaan kan door een selectie te maken eigen vragenformulieren samenstellen.

  • 3.

    Weigering om de in het eerste lid bedoelde Bibob vragenformulieren in te vullen kan een grond opleveren om de aanvraag buiten behandeling te laten of de beschikking te weigeren.

Artikel 6. Regulier afhandelen

  • 1.

    Het bestuursorgaan gaat over tot het positief beschikken op de aanvraag indien noch de reguliere weigeringsgronden behorende bij de in artikel 3 genoemde beschikkingen en opdrachten, noch de weigeringsgronden op grond van de Wet Bibob van toepassing zijn.

  • 2.

    Het bestuursorgaan gaat over tot het negatief beschikken op de aanvraag indien de reguliere weigeringsgronden behorende bij de in artikel 3 genoemde beschikkingen en opdrachten van toepassing zijn.

Artikel 7. Ultimum remedium

  • 1.

    Uitsluitend indien geen toepassing gegeven kan worden aan artikel 6, tweede lid, beoordeelt het bestuursorgaan of weigering op grond van de Wet Bibob mogelijk is.

  • 2.

    Het bestuursorgaan kan een advies vragen bij het Bureau in het kader van de in het eerste lid bedoelde beoordeling en ook indien het bestuursorgaan door het Openbaar Ministerie is gewezen op de wenselijkheid daarvan.

Artikel 8. Motivering

De adviesaanvraag aan het Bureau wordt vergezeld van een motivering van de adviesaanvraag.

Artikel 9. Informatieplicht

  • 1.

    Het bestuursorgaan informeert betrokkene schriftelijk over een adviesaanvraag aan het Bureau. Betrokkene wordt daarbij gewezen op de opschorting van de beslistermijn als bedoelt in artikel 9 van de Wet Bibob. Een afschrift van deze brief wordt gevoegd bij het adviesverzoek aan het Bureau.

  • 2.

    In geval een van het Bureau ontvangen advies leidt tot het voornemen om een gevraagde beschikking te weigeren dan wel een eerder verleende beschikking in te trekken, wordt aan betrokkene een kopie van het adviesrapport ter hand gesteld. Betrokkene wordt daarbij door het bestuursorgaan gewezen op zijn geheimhoudingsplicht als bedoelt in artikel 28 van de Wet Bibob.

Hoofdstuk 4. Procedure beoordeling beschikking of overheidsopdracht

Artikel 10. Vragenformulieren beoordeling

  • 1.

    Indien een beschikking is verleend of een overeenkomst is gesloten inzake een overheidsopdracht of een overeenkomst is gesloten of een rechtshandeling is verricht inzake een vastgoedtransactie, overeenkomstig artikel 6, eerste lid, van deze beleidsregels, dan kan, gelet op artikel 30, derde lid, van de Wet Bibob, binnen vijf jaar na de datum van beschikking of ondertekening van de overeenkomst of het verrichten van de rechtshandeling vervolgens elke vijf jaar onderzocht of gelet op de Wet Bibob, redenen aanwezig zijn om de beschikking in te trekken dan wel de overeenkomst inzake de overheidsopdracht te ontbinden dan wel de overeenkomst inzake een vastgoedtransactie te ontbinden of op te schorten dan wel de rechtshandeling inzake een vastgoedtransactie te beëindigen.

  • 2.

    Bij een onderzoek zoals bedoeld in het eerste lid kunnen Bibob vragenformulieren zoals bedoeld in artikel 5, eerste lid, van deze beleidsregels aan betrokkene toegezonden.

  • 3.

    Weigering om de in het tweede lid bedoelde Bibob vragenformulieren volledig in te vullen, wordt overeenkomstig artikel 4 van de Wet Bibob aangemerkt als ernstig gevaar.

  • 4.

    Naar aanleiding van een melding zoals bedoeld in artikel 2.25, tweede lid, van de Wabo, kan het eerste lid overeenkomstig toegepast.

Artikel 11. Regulier afhandelen

  • 1.

    Het bestuursorgaan gaat over tot het intrekken van de beschikking, ontbinding van de overeenkomst of beëindiging van de rechtshandeling indien de reguliere intrekkingsgronden behorende bij de in artikel 3 genoemde beschikkingen en opdrachten van toepassing zijn.

Artikel 12. Ultimum remedium

  • 1.

    Uitsluitend indien geen toepassing gegeven kan worden aan artikel 10, beoordeelt het bestuursorgaan of intrekking, ontbinding of beëindiging op grond van de Wet Bibob mogelijk is.

  • 2.

    Het bestuursorgaan kan een advies vragen bij het Bureau in het kader van de in het eerste lid bedoelde beoordeling en ook indien het bestuursorgaan door het Openbaar Ministerie is gewezen op de wenselijkheid daarvan.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 13. Inwerktreden nieuwe en intrekken oude beleidsregels

Artikel 14. Overgangsrecht

Deze beleidsregels zijn van toepassing op aanvragen ontvangen vanaf de datum van inwerkingtreding en beschikkingen en gesloten overeenkomsten als bedoeld in artikel 3.1 tot en met 3.4 en 4 van deze beleidsregels vanaf de datum van inwerkingtreding.

Artikel 15. Citeertitel

Deze beleidsregels worden aangehaald als ‘Beleidsregels Wet Bibob’.

Aldus vastgesteld door de burgemeester en het college van burgemeester en wethouders, ieder voor zover het zijn bevoegdheden betreft, d.d.

burgemeester

mr. J.Th.C.M. Verheijen

burgemeester

college van burgemeester en wethouders

Drs. J.W.M. van der Knaap mr. J.Th.C.M. Verheijen

secretaris burgemeester

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

In de beleidsregels wordt gebruik gemaakt van een aantal nieuwe definities. Het gaat om de definities ‘aanvraag’, ‘bestuursorgaan’ en ‘Bibob-toets’. Het begrip ‘aanvraag’ wordt ruim uitgelegd en omvat zowel de aanvraag om een beschikking te nemen als het aanbod tot een overheidsopdracht.

Artikel 3. Categorieën

Gemeenten zijn niet verplicht gebruik te maken van de Wet Bibob. Het toepassen van de Wet Bibob is wel één van de belangrijkste instrumenten in het kader van de aanpak van georganiseerde criminaliteit vanuit het lokale bestuur. In artikel 3 van de beleidsregels wordt bepaald dat de Wet Bibob wordt toegepast op een aantal sectoren en branches, waar risico's op ongewenste criminele activiteiten het meest aanwezig of het grootst kunnen worden geacht. Het gaat om beschikkingen ten behoeve van horeca-inrichtingen, seksinrichtingen, bepaalde evenementen, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, subsidies, vastgoedtransacties en overheidsopdrachten.

Artikel 3.1 Lid 1 bij elke aanvraag voor een beschikking ten behoeve van:

  • a.

    Horecainrichtingen

De horecasector valt uiteen in alcoholverstrekkende en niet-alcoholverstrekkende (alcoholvrije) inrichtingen. De alcoholverstrekkende inrichtingen vallen onder het bereik van de Drank- en Horecawet. De gehele horeca sector valt onder hoofdstuk 2, afdeling 8, van de Algemene plaatselijke verordening (Apv).

Met ‘alcoholverstrekkende inrichtingen’ worden horecainrichtingen bedoeld, waarin bedrijfsmatig of anders dan om niet alcoholhoudende dranken worden verstrekt voor gebruik ter plaatse, zoals bars, cafés en restaurants (de natte horeca).

‘Niet-alcoholverstrekkende inrichtingen’ zijn de inrichtingen, waarin geen alcoholhoudende dranken worden verstrekt voor gebruik ter plaatse, zoals cafetaria’s, afhaalzaken (de droge horeca).

Vanwege de verhoogde gevoeligheid op het gebied van integriteit, onder andere vanwege drugshandel of het gebruik van rechtspersonen als dekmantel om (drugs)geld wit te wassen, vallen voornoemde beschikkingsaanvragen onder de Wet Bibob.

In de beleidsregels is bepaald dat de Wet Bibob wordt toegepast op beschikkingen ten behoeve van de natte en droge horeca, indien sprake is van vestiging van een nieuwe onderneming (ook bij starten nevenvestiging), overname van een bestaande onderneming of wijziging van een bestaande onderneming.

Onder wijziging van de onderneming wordt verstaan een wijziging die gevolgen heeft voor de bevoegdheden binnen de onderneming. De wijziging kan onder meer betrekking hebben op de rechtsvorm, bijvoorbeeld een V.O.F. wordt een B.V., op het bestuur of de bestuursbevoegdheden, bijvoorbeeld een wisseling van directie- of bestuursleden of op de exploitatie, bijvoorbeeld een café wordt een cafetaria.

Een wijziging of bijschrijving van een leidinggevende, niet zijnde de eigenaar of bestuurder, valt niet onder een wijziging van de onderneming, maar valt onder artikel 30a van de Drank- en Horecawet.

De toevoeging ‘indien sprake is van…’ beperkt de toepassing van de Wet Bibob. De Drank- en Horecawet en de Apv schrijven namelijk voor dat in veel meer dan de genoemde gevallen nieuwe vergunningen moeten worden aangevraagd (bijvoorbeeld bij een wijziging van de lokaliteit). Aangezien het te ver voert om de Wet Bibob op al deze beschikkingsaanvragen toe te passen, is deze zinsnede toegevoegd. Dit betekent echter niet dat op aanvragen niet vallend onder de hierboven genoemde situaties in bijzondere gevallen, als bedoeld in artikel 4 van de beleidsregels, geen Bibob-toets kan plaatsvinden (zie de toelichting van artikel 4 van de beleidsregels).

  • b.

    Para commercie

Onder de para-commerciële instelling valt onder andere de kantine van de sportclub en buurthuis. Omdat dergelijke kantines steeds commerciëler worden, is het wenselijk om ook voor deze instellingen te bepalen dat de Bibob-toets wordt toegepast. In het geval van de para-commerciële instelling kan er wel gekozen om een lichte Bibob-toets uit te voeren omdat de volledige Bibob-toets een te zwaar middel is voor een degelijke kleine, niet commerciële instelling die vaak door vrijwilligers wordt gerund.

De lichte Bibob-toets zal dan in eerste instantie bestaan uit een verkorte Bibob-vragenlijst. Indien deze gegevens aanleiding geven, wordt er nader onderzoek verricht.

  • c.

    Speelautomaten

In artikel 7 van de Wet Bibob zijn speelautomatenhallen aangewezen als mogelijke categorieën waarop de Wet Bibob van toepassing is. Artikel 2:39 van de Apv bepaalt dat het verboden is zonder een vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren. Aanvragers van een vergunning voor een speelautomatenhal zijn vaak tegelijkertijd horecaexploitant van die inrichting en in die hoedanigheid worden zij bij de aanvraag van een drank- en horecavergunning aan de Bibob-toets onderworpen. De integrale toepassing van de Wet Bibob op dit deelterrein lijkt daarom een te zwaar middel. Indien er een vergunning op grond van artikel 30b van de Wet op de kansspelen wordt aangevraagd voor het aanwezig hebben van kansspelautomaten kan er alleen een Bibob onderzoek plaatsvinden mits deze minimaal 3 jaar na de verstrekking van de exploitatie en/of drank- en horecavergunning wordt aangevraagd.

Bovenstaande keuze laat onverlet dat de Wet Bibob in bijzondere gevallen wel kan worden toegepast (zie artikel 4 van de beleidsregels).

  • d.

    Openbare inrichtingen

De Wet Bibob wordt toegepast indien een exploitatievergunning nodig is bij de vestiging van een nieuwe onderneming, overname van een bestaande onderneming of wijziging van een bestaande onderneming. Deze vergunningplicht geldt niet voor bepaalde openbare inrichtingen zoals de kantine in een sporthal, de lunchroom en de ijssalon.

  • e.

    Evenementenvergunning

Bij grote evenementen van meer dan 5000 bezoekers en bij evenementen met een bepaald karakter zoals vechtsportgala’s is er een groter risico aanwezig dat uit criminele activiteiten verkregen of verkrijgen voordelen worden benut en/of strafbare feiten worden gepleegd. Derhalve zal de Bibob-toets op dergelijke aanvragen om een evenementenvergunning worden toegepast.

  • f.

    Seksinrichtingen

De Wet Bibob wordt toegepast op seksinrichtingen, indien sprake is van vestiging van een nieuwe onderneming, overname van een bestaande onderneming of wijziging van een bestaande onderneming. Voor wat betreft de toevoeging ‘indien sprake is van…’ geldt hetzelfde als hetgeen hiervoor is gesteld bij horeca-inrichtingen.

Met seksinrichtingen worden bedoeld de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimten waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichtingen worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar. Onder een escortbedrijf wordt verstaan de natuurlijke groep, groep van personen of rechtspersonen die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend.

  • g.

    Smart- en growshops

In artikel 7 van de Wet Bibob zijn smart- en growshops aangewezen als mogelijke categorieën waarop de Wet Bibob van toepassing is. Toepassing van de Wet Bibob is pas mogelijk op het moment dat de gemeente een vergunningenstelsel heeft voor dergelijke bedrijven. In artikel 2:79 van de Apv is bepaald dat het verboden is een inrichting (growshop) te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

Om een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren is in de gemeente Wijchen, net als in de meeste andere gemeenten, een exploitatievergunning nodig (artikel 3:4 van de Apv). Op deze exploitatievergunning zijn artikel 3 en artikel 7 van de Wet Bibob van toepassing.

De sekssector bestaat uit de gelegaliseerde seksinrichtingen, seksbioscopen en seksbedrijven. De exploitanten komen echter bijna zonder uitzondering uit de voormalige illegale wereld. Hoewel daarmee niet gezegd is dat men zich niet aan de regels zal gaan houden, is toezicht hierop niet overbodig. De prostitutiewereld staat ook door de afschaffing van het bordeelverbod onder druk. Verschuiving in het aanbod en verschuiving in de illegaliteit is het gevolg. Mensenhandel en het tewerkstellen van illegale vreemdelingen in de sekssector zijn veel voorkomende problemen.

Artikel 3.1 lid 2 bij een aanvraag voor een beschikking op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

In artikel 2.17 en 2.20 van de Wabo is de Wet Bibob van toepassing verklaard op vergunningen, zoals genoemd in artikel 2.1 aanhef, eerste lid, sub a, sub e en sub i van de Wabo:

omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk;

omgevingsvergunning voor het oprichten, veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting of mijnbouwwerk;

omgevingsvergunning beperkte milieutoets.

De Wet Bibob kan worden toegepast op deze omgevingsvergunningen omdat deze kunnen worden misbruikt voor criminele activiteiten. Met inzet van het Bibob-instrumentarium kan worden voorkomen dat ongewild criminele activiteiten worden gefaciliteerd of dat illegaal vermogen wordt witgewassen. Met name die bouwactiviteiten waar ruimten worden gecreëerd waarbinnen zich handelsactiviteiten (gaan) afspelen worden in het kader van de Wet Bibob aan een onderzoek onderworpen. Maar ook woningen met een hele hoge aanneemsom kunnen in het kader van de Wet Bibob interessant zijn. In de gemeente Wijchen zullen alle aanvragen om een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen aan een Bibob onderzoek worden onderworpen indien de bouwkosten, welke ten grondslag liggen aan de legesheffing, meer bedragen dan € 500.000,-.

Toepassing van de Bibob-regelgeving op deze omgevingsvergunningen, betekent dat de gemeente Wijchen, onderzoekt of artikel 3 van de Wet Bibob van toepassing is. Dit onderzoek kan plaatsvinden naar aanleiding van een ontvangen aanvraag omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. In dat laatste geval kan het onderzoek leiden tot intrekking van de omgevingsvergunning. Zie hiervoor de toelichting onder artikel 12.

Bepaalde branches zijn gevoeliger voor georganiseerde criminaliteit dan anderen. Hierbij kan gedacht worden aan branches zoals autodemontage, in- en export van personenauto’s, bedrijfswagens (ook zwaarder dan 3500 kilo) en landbouwvoertuigen (tweedehands (vracht)autohandel) en op- en overslag, verwerken, bewerken en/of vernietigen van autowrakken en/of schroot (oud ijzer) en ten slotte bedrijven die in hoofdzaak overige afvalstoffen op- en overslaan, verwerken, bewerken en/of vernietigen. Deze branches hebben een verhoogde gevoeligheid op het gebied van integriteit, onder andere vanwege voertuigcriminaliteit, betrokkenheid bij strippen en omkatten van gestolen voertuigen en het gebruikmaken van rechtspersonen als dekmantel om crimineel geld wit te wassen. Daarom wordt bij aanvragen voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen en/of milieu door bedrijven uit deze branches de Bibob-toets toegepast.

Onder in- en export van personenauto’s, bedrijfswagens (ook zwaarder dan 3500 kilo) en landbouwvoertuigen valt niet het inruilen van een auto bij een autodealer met hoofdzakelijk nieuwe auto’s.

Bij de laatste categorie moet het gaan om bedrijven die in hoofdzaak overige afvalstoffen opslaan ed. Hiermee wordt voorkomen dat voor elk bedrijf met enige vorm van opslag ed. van afvalstoffen een Bibob-toets moet worden uitgevoerd. Het gaat enkel om de bedrijven waarbij de opslag ed. van afvalstoffen in belangrijke mate de bedrijfsvoering bepalen.

Ook het woonwagencentrum in de gemeente Wijchen is een aandachtspunt voor de Wet Bibob. Dit mede vanwege de relatie met de hierboven genoemde branches en de aandacht voor de (sociale) veiligheid en leefbaarheid aldaar. De naleving van wet- en regelgeving is op de woonwagencentra onvoldoende en daardoor ontstaat mogelijk een vorm van ongelijkheid die niet aanvaardbaar is. Er is tevens sprake van een verhoogde kans op illegale activiteiten.

Gelet hierop wordt de Bibob-toets toegepast bij aanvragen voor een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bouwwerk op een woonwagencentrum, voor zover het gaat om bouwactiviteiten waarvan de bouwkosten meer bedragen dan € 80.000,-.

De toevoeging ‘voor zover het gaat om…’ beperkt het aantal te toetsen aanvragen. Het is niet zinvol om bij een kleine verbouwing, dan wel het plaatsen van bijvoorbeeld een tuinhuisje de Bibob-toets toe te passen.

De OBM is van toepassing op een aantal activiteiten met betrekking tot afvalstoffen of het opbulken van grond.

Nieuwe vergunninghouder

Op grond van artikel 2.25, tweede lid, van de Wabo dient de vergunninghouder of aanvrager bij het bevoegd gezag een melding in te dienen wanneer een omgevingsvergunning zal gaan gelden voor een ander. Dit geeft het bevoegd gezag de gelegenheid om een Bibob-toets uit te voeren. Als het gaat om een aanvraag, wordt de Bibob-toets gestart op grond van artikel 5, eerste lid, van deze beleidsregels. In feite is in dat geval sprake van een nieuwe aanvraag voor zover het gaat om de Bibob-toets. Als het gaat om een vergunning dan wordt de Bibob-toets gestart op grond van artikel 9, vierde lid, van deze beleidsregel.

Artikel 3.1 lid 3 wijziging aanhangsel

Bij het wijzigen van het aanhangsel van de drank- en horecavergunning wordt de Bibob-toets alleen toegepast als verkregen informatie hiertoe aanleiding geeft. Hierdoor wordt voorkomen dat bij relatief kleine wijzigingen in de vergunning een administratief zware Bibob onderzoek wordt uitgevoerd.

Artikel 3.2 Toepassingsbereik bij subsidies

Het betreft de subsidie vaststelling aan een rechtspersoon of natuurlijk persoon. In de gewijzigde Wet Bibob is de verplichting losgelaten dat het toepassen van de Wet Bibob in de specifieke subsidieregeling /-verordening vastgelegd moest worden. Ook hoeft voor het toepassen van de Wet Bibob bij subsidies vooraf geen toestemming meer gevraagd te worden aan de ministers van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en Justitie.

Met het bedrag van € 76.800,- is aangesloten bij artikel 1.9 eerste lid 1 onder c van de Algemene Subsidieverordening. In dit artikel staat vermeld dat er een schriftelijke verklaring van een accountant nodig is over de getrouwheid van de jaarrekening bij een subsidie vanaf € 76.800,-.

Artikel 3.3 Toepassingsbereik bij vastgoedtransacties

De rechtspersoon met een overheidstaak kan de Wet Bibob toepassen met betrekking tot vastgoedtransacties zoals bedoeld in artikel 1 sub o, waarbij de gemeente partij is. Bij de start van onderhandelingen daartoe, zal de rechtspersoon met een overheidstaak de wederpartij ervan in kennis stellen dat een Bibob-toets deel kan uitmaken van de procedure. De Bibob-toets wordt bepekt tot een aantal in de beleidsregels genoemde gevallen.

Artikel 3.4 Toepassingsbereik bij aanbestedingen

In het inkoop- en aanbestedingsbeleid gemeente Wijchen staan de drempelbedragen genoemd waarbij Europees moet worden aanbesteed.

Artikel 3.5 Uitzonderingen

sub a Slijtersbedrijf

Vanuit het oogpunt van deregulering is door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verzocht om beschikkingen, waarbij het niet nodig is de Wet Bibob toe te passen, deze beschikkingen uit te zonderen van de Wet Bibob. Hiervoor komen onder meer in aanmerking beschikkingen ten behoeve van het slijtersbedrijf. Uit de lokale en landelijke ervaringen is niet gebleken dat bij slijtersbedrijven een verhoogd risico bestaat op criminele activiteiten, zoals genoemd in de Wet Bibob. In de gemeente Wijchen is het slijtersbedrijf dan ook uitgezonderd van toepassing van de Wet Bibob.

sub b en c (semi) Overheid

Onder overheid wordt verstaan een rechtspersoon met een overheidstaak. Dit zijn in ieder geval de Staat, provincies en gemeenten. De overheid kan hier optreden als bestuursorgaan (bij het nemen van beschikkingen) en rechtspersoon (bij aanbestedingen en vastgoedtransacties). Semi overheid is een algemene aanduiding voor allerlei soorten overheidsinstanties die ‘dicht tegen de overheid aan zitten”. Kenmerken van semi-overheid is dat er sprake is van:

  • a.

    wettelijke taken en/of het dienen van een uitgesproken publiek belang en

  • b.

    een (flinke) publieke financiering.

sub d Ondergeschikte aard

Onder een wijziging van ondergeschikte aard kan worden verstaan een omzetting van exploitatie waarbij weinig tot geen investeringen nodig zijn, bijvoorbeeld van café naar eetcafé, een naamwisseling, een kleine uitbreiding/verbouwing van het pand of een verhuizing naar een nieuwe inrichting waarbij weinig tot geen investeringen nodig zijn.

Artikel 4. Bijzondere situaties

De aanwijzing van categorieën in artikel 31 tot en met 3.4 van de beleidsregels betekent niet dat de gemeente Wijchen zich hiermee verplicht de toepassing van de Wet Bibob te beperken tot deze aangewezen categorieën. Het bestuursorgaan kan op grond van de in artikel 4 van de beleidsregels genoemde gevallen besluiten tot toepassing van de Wet Bibob.

Op grond van dit artikel kunnen ook bestaande inrichtingen, waarvoor geen nieuwe aanvraag is gedaan, tussentijds worden getoetst op grond van de Wet Bibob, mits voldaan wordt aan de gestelde voorwaarden in dit artikel.

Artikel 5. Vragenformulieren

Om bij betrokkene een Bibob-toets uit te kunnen voeren, wordt betrokkene verplicht gesteld om naast de reguliere aanvraagformulieren Bibob vragenformulieren in te vullen en de nodige gegevens en bescheiden over te leggen. In dit kader zijn bij ministeriële regeling Bibob vragenformulieren opgesteld voor zowel beschikkingen (formulier op grond van artikel 30 van de Wet Bibob) als voor overheidsopdrachten (Eigen verklaring, gedragsverklaring aanbesteden, welke bij aanbestedingen moet worden aangeleverd).

De vragen in deze vragenformulieren hebben onder andere betrekking op de financiering van de inrichting, het eigendom van het pand waar een inrichting in is gevestigd, het eigendom van de inventaris en eventuele andere schulden die een aanvrager kan hebben. Met de informatie die naar aanleiding van deze vragen wordt aangeleverd, probeert het bestuursorgaan meer zicht te krijgen op de zakelijke relaties van betrokkene.

Indien er een lichte Bibob-toets wordt toegepast zal er een verkorte versie van de Bibob vragenformulieren gehanteerd worden.

Artikel 7. Ultimum remedium

Dat toepassing van de Wet Bibob slechts mogelijk is, indien alle door het bestuursorgaan beschikbare mogelijkheden zijn benut, is opgenomen in het eerste lid van artikel 7 van de beleidsregels. Ingevolge het tweede lid van dit artikel bestaan er twee aanleidingen die in een concreet geval kunnen leiden tot een verzoek om advies aan het Bureau. Bij het niet rond krijgen van de beoordeling door het bestuursorgaan kan gedacht worden aan vragen over onduidelijkheden in de bedrijfsstructuur, de financiering, omstandigheden in de persoon van de aanvrager, financier van de onderneming of eigenaar van het pand/ inventaris of omstandigheden die het bestuursorgaan een vermoeden op grond van artikel 3 van de Wet Bibob geeft. Met het gevraagde advies aan het Bureau wordt gepoogd de onduidelijkheden weg te nemen en de beoordeling te kunnen maken.

Daarnaast kan de Officier van Justitie een tip geven.

Artikel 10. Vragenformulieren beoordeling

De Wet Bibob geeft een mogelijkheid om eenmaal verleende beschikkingen in te trekken, gesloten overeenkomsten te ontbinden en rechtshandelingen te beëindigen. Zo kan het bijvoorbeeld zijn dat bij de oprichting van een bedrijf geen of te weinig argumenten aanwezig zijn voor toepassing van de weigeringsgrond uit artikel 3 van de Wet Bibob maar daar enkele jaren later wel sprake van is. Door vergunningen voor bepaalde tijd te verlenen kan aan dit soort ontwikkelingen ook de hand worden gehouden. Het nadeel hiervan is dat het ook noodzakelijk is na verloop van de termijn een nieuwe vergunning aan te vragen en een Bibob-onderzoek te verrichten. Dit geeft een grote administratieve last voor zowel de vergunninghouder/aanvrager als de gemeente. Dit kan worden ondervangen door de bedrijven na vijf jaar ambtshalve in het kader van de Wet Bibob te beoordelen.

Elk bedrijf waarvoor een vergunning, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, van deze beleidsregel, is verleend, wordt na vijf jaar Bibob vragenformulieren toegezonden. Artikel 30, derde lid, van de Wet Bibob biedt deze mogelijkheid. De vergunninghouder dient deze vragenformulieren in te vullen en te retourneren inclusief alle gevraagde documenten. Aan de hand hiervan kan het bestuursorgaan beoordelen of sprake is van een integere bedrijfsvoering. De procedure is vergelijkbaar met een Bibob-onderzoek naar aanleiding van een aanvraag om vergunning. Indien geen sprake is van ernstig gevaar zoals bedoeld in artikel 3 van de Wet Bibob, kan de vergunning in stand worden gelaten. De procedure zal zich dan na vijf jaar herhalen. Indien wel sprake is van een intrekkingsgrond, al dan niet na advies van het Bureau, wordt de vergunninghouder in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen alvorens de vergunning wordt ingetrokken. Uiteraard staan tegen een intrekkingsbesluit rechtsmiddelen open.

In bijzondere gevallen kan er aanleiding zijn om eerder dan vijf jaar na vergunningverlening een Bibob-onderzoek te verrichten. In dat geval kan op grond van artikel 4, eerste lid, onder a, van deze beleidsregel vragenformulieren worden toegezonden.

Artikel 14. Overgangsrecht

Voor lopende aanvragen, die voor de datum van inwerkingtreding van deze beleidsregels zijn ingediend, betekent het overgangsrecht dat zij volgens de Beleidsregels Wet Bibob 2011 afgehandeld dienen te worden. Voor reeds verleende beschikkingen en gesloten overeenkomsten gelden de nieuwe beleidsregels.