Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Zevenaar

Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zevenaar

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieZevenaar
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zevenaar
CiteertitelVerordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zevenaar
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpalgemeen
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

N.v.t.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-11-2019Nieuwe regeling

09-10-2019

gmb-2019-258058

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zevenaar

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a.

      algemeen gebruikelijke voorziening: voorziening die niet speciaal is bedoeld voor mensen met een beperking en die algemeen verkrijgbaar is en niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare producten;

    • b.

      begeleiding: activiteiten gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de cliënt opdat hij zo lang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven;

    • c.

      bijdrage: bijdrage in de kosten als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de wet;

    • d.

      budgetplan: een door de cliënt op te stellen plan, conform het door het college vastgestelde format, over de voorgenomen besteding van een persoonsgebonden budget;

    • e.

      gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

    • f.

      meerkosten: kosten die uitgaan boven de kosten die als algemeen gebruikelijk zijn te beschouwen;

    • g.

      melding: melding aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

    • h.

      wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

  • 2.

    Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht.

Hoofdstuk 2 Procedureregels

Artikel 2 Melding

  • 1.

    De melding kan door of namens een cliënt bij het college worden gedaan.

  • 2.

    Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk of, indien de melding per e-mail is gedaan, per e-mail.

Artikel 3 Cliëntondersteuning

Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

Artikel 4 Onderzoek

  • 1.

    Het onderzoek bestaat in ieder geval uit een keukentafelgesprek met de cliënt, en/of degene die namens de cliënt de melding heeft gedaan, en/of de vertegenwoordiger van de cliënt, waar mogelijk de mantelzorger(s), en/of desgewenst personen uit het sociale netwerk.

  • 2.

    De cliënt verschaft het college alle gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover de cliënt redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.

  • 3.

    Als de cliënt genoegzaam bekend is bij het college, kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van het gesprek als bedoeld in het eerste lid.

  • 4.

    Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.

  • 5.

    Het college informeert de cliënt over de mogelijkheid om een aanvraag als bedoeld in artikel 6 in te dienen.

Artikel 5 Onderzoek en verslag

  • 1.

    Het college zorgt voor schriftelijke verslaglegging van het onderzoek.

  • 2.

    Nadat het onderzoek is afgerond, verstrekt het college aan de cliënt een verslag van de uitkomsten van het onderzoek.

  • 3.

    Opmerkingen of latere aanvullingen van de cliënt worden aan het verslag toegevoegd.

Artikel 6 Aanvraag

  • 1.

    Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening wordt door of namens de cliënt schriftelijk of per e-mail ingediend bij het college.

  • 2.

    De aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan worden ingediend bij het college door het inleveren van het ondertekende verslag zoals bedoeld in artikel 5 lid 1.

Artikel 7. Advisering

Het college kan een adviseur om advies vragen, als het dit van belang acht voor de beoordeling van de aanvraag om een maatwerkvoorziening.

Hoofdstuk 3 Maatwerkvoorzieningen

Artikel 8 Algemene criteria

  • 1.

    Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:

    • a.

      indien deze langdurig noodzakelijk is, en

    • b.

      voor zover de cliënt de beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie of de problemen bij het zich handhaven in de samenleving naar het oordeel van het college niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk dan wel met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen kan verminderen of wegnemen.

  • 2.

    Een cliënt komt niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:

    • a.

      voor zover de voorziening voor de persoon van de cliënt algemeen gebruikelijk is;

    • b.

      indien de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs vermijdbaar is of was;

    • c.

      voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de cliënt voorafgaand aan het moment van beschikken heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de maatwerkvoorziening noodzakelijk is en als goedkoopst passend aan te merken is;

    • d.

      voor zover er aan de zijde van de belanghebbende geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen waarvoor de voorziening wordt aangevraagd;

  • 3.

    Indien een maatwerkvoorziening noodzakelijk is, verstrekt het college de goedkoopst passende voorziening.

Artikel 9 Criteria maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid en participatie

  • 1.

    Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening met betrekking tot zelfredzaamheid en participatie indien de cliënt ingezetene is van de gemeente.

  • 2.

    Een cliënt komt niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ten behoeve van de zelfredzaamheid en de participatie indien er geen sprake is van geobjectiveerde beperkingen vastgesteld aan de hand van reguliere onderzoeksmethoden.

  • 3.

    Indien een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening wordt deze slechts verstrekt als de eerder verstrekte voorziening technisch is afgeschreven,

    • a.

      tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;

    • b.

      tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten, of

    • c.

      als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.

Artikel 10 Criteria maatwerkvoorziening ten behoeve van wonen

  • 1.

    De cliënt komt niet in aanmerking voor een maatwerkvoorziening ten behoeve van het wonen:

    • a.

      indien de noodzaak tot het treffen van een voorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud dan wel slechts strekt tot renovatie van de woning of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan de woning mogen worden gesteld;

    • b.

      voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of woonruimten betreft bij een specifiek op cliënten met een beperking gericht te renoveren of nieuw te bouwen woongebouw, waarbij de aanpassingen redelijkerwijs meegenomen kunnen worden;

    • c.

      indien de noodzaak van de maatwerkvoorziening het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij zelfredzaamheid en/of participatie;

    • d.

      indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij er voorafgaand aan de verhuizing schriftelijk toestemming is verleend door college;

    • e.

      indien de cliënt niet zijn hoofdverblijf in de woning ten behoeve waarvan de maatwerkvoorziening wordt aangevraagd.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen bij het normale gebruik van de woning en het zich verplaatsen in de woning hanteert het college het primaat van verhuizen.

  • 3.

    Het primaat van verhuizen, zoals bedoeld in het tweede lid, en het verstrekken van de goedkoopst passende maatwerkvoorziening, zoals bedoeld in artikel 8 lid 3, worden niet toegepast indien:

    • a.

      de kosten van de noodzakelijke woningaanpassingen minder bedragen dan € 4.000,00 of

    • b.

      voor het te bereiken resultaat een traplift noodzakelijk is waardoor de kosten boven de grens van € 4.000,00 uit komen en daarnaast maximaal eventueel een douchezitje en drempelhulpen.

Artikel 11 Maatwerkvoorziening vervoer

  • 1.

    Een cliënt kan voor een maatwerkvoorziening voor vervoer in aanmerking komen wanneer de cliënt vanwege beperkingen, chronisch psychische problemen of psychosociale problemen het openbaar vervoer niet kan bereiken en/of gebruiken.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening voor vervoer ligt het primaat bij het collectief vervoer en/of het gebruik maken van een scootmobielpool.

Artikel 12 Beschermd wonen

  • 1.

    Een cliënt met ernstige psychische, psychiatrische of psychosociale problemen kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening beschermd wonen indien hij naar het oordeel van het college niet zelfstandig kan wonen en zich niet op eigen kracht kan handhaven in de samenleving, ook niet met ambulante ondersteuning. Dit kan het geval zijn indien de inwoner:

    • a.

      een mogelijk gevaar voor zichzelf of anderen vormt of maatschappelijke overlast veroorzaakt; of

    • b.

      afhankelijk is van anderen als het gaat om oordeelsvorming over essentiële zaken in het dagelijks bestaan; of

    • c.

      de vaardigheden mist om zich staande te houden in een individuele, zelfstandige woonomgeving; en

    • d.

      niet of niet altijd in staat is om op relevante momenten hulp in te roepen; en

    • e.

      ten gevolge van de omstandigheden genoemd in de onderdelen a tot en met d noodzakelijkerwijs is aangewezen op verblijf in een beschermde woonomgeving.

  • 2.

    Onder een beschermde woonomgeving als bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, wordt verstaan een woonomgeving waarin:

    • a.

      gegarandeerd is dat de inwoner 24 uur per dag, 7 dagen per week gebruik kan maken van ondersteuning en

    • b.

      de zorgaanbieder die deze ondersteuning levert een actieve rol speelt in het signaleren van de ondersteuningsnoodzaak dan wel -behoefte.

  • 3.

    Een maatwerkvoorziening voor beschermd wonen bestaat, afhankelijk van de noodzaak, behoefte van de inwoner en de gekozen wijze van invulling van de maatwerkvoorziening uit:

    • a.

      ondersteuning in natura in de vorm van intramuraal beschermd wonen of;

    • b.

      ondersteuning in natura in de vorm van groepswonen of;

    • c.

      ondersteuning in natura in de vorm van intensieve begeleiding thuis of;

    • d.

      een persoonsgebonden budget voor groepswonen of;

    • e.

      een persoonsgebonden budget voor intensieve begeleiding thuis.

  • 4.

    Voor een maatwerkvoorziening als bedoeld in het vorige lid onder a. kan een inwoner slechts in aanmerking komen indien het noodzakelijk is dat gekwalificeerde hulpverleners 24 uur per dag, 7 dagen per week, fysiek in de nabijheid zijn.

  • 5.

    De Verordening van de centrumgemeente Arnhem op het gebied van beschermd wonen is van toepassing en wordt gevolgd.

Artikel 13 Opvang

  • 1.

    Een inwoner kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor opvang indien hij naar het oordeel van het college niet in staat is zich op eigen kracht te handhaven en:

    • a.

      slachtoffer is geworden of dreigt te worden van huiselijk geweld; of

    • b.

      dakloos is geworden.

  • 2.

    De Verordening van de centrumgemeente Arnhem op het gebied van opvang is van toepassing en wordt gevolgd.

Hoofdstuk 4 Persoonsgebonden budget

Artikel 14 Regels voor persoonsgebonden budget

  • 1.

    De cliënt komt niet in aanmerking voor een persoonsgebonden budget:

    • a.

      indien de cliënt het door het college vastgestelde budgetplan niet of onvolledig ingevuld heeft overgelegd;

    • b.

      indien de cliënt weigert het budgetplan desgevraagd met het college te bespreken of, na voor zulk een gesprek te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt;

    • c.

      indien de cliënt, of, indien de cliënt jonger is dan 18 jaar, één van diens ouders of voogden, surseance van betaling heeft aangevraagd of failliet is verklaard;

    • d.

      indien ten aanzien van de cliënt of, indien de cliënt verzekerde jonger is dan 18 jaar, één van diens ouders of voogden, de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend;

    • e.

      indien op voorhand vaststaat dat binnen korte tijd vervanging van de maatwerkvoorziening nodig is;

    • f.

      indien sprake is van ondersteuning in een spoedeisende situatie als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet.

  • 2.

    Het persoonsgebonden budget moet volledig worden besteed aan de ondersteuning dan wel het doel waarvoor het persoonsgebonden budget is verstrekt en mag daarom bijvoorbeeld niet worden besteed aan:

    • a.

      eenmalige uitkeringen

    • b.

      feestdagenuitkeringen

    • c.

      administratieve kosten van de hulpverlener

    • d.

      reiskosten van de hulpverlener

    • e.

      ondersteuning in het buitenland

    • f.

      tussenpersonen of belangenbehartigers

Artikel 15 Hoogte van het persoonsgebonden budget

  • 1.

    De hoogte van een persoonsgebonden budget bedraagt nooit meer dan de werkelijke kosten.

  • 2.

    De hoogte van een persoonsgebonden budget voor hulpmiddelen en woningaanpassingen bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst passende voorziening in natura, indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en reparatie.

  • 3.

    De hoogte van een persoonsgebonden budget voor onderhoud en reparatie bedraagt:

    • a.

      per jaar voor trapliften € 160,69 voor onderhoud en maximaal € 600,- voor reparaties;

    • b.

      bij overige woningaanpassingen of woonvoorzieningen 4,4% van het persoonsgebonden budget voor de woningaanpassing of de woonvoorziening en wordt uitbetaald nadat een factuur of offerte is ingeleverd;

    • c.

      per jaar 5,6% voor niet-elektrische rolstoelen of vervoersvoorzieningen, 4,4% voor elektrische rolstoelen of elektrische vervoersvoorzieningen voor volwassenen en 7,8% voor elektrische rolstoelen of vervoersvoorzieningen voor kinderen van het persoonsgebonden budget voor de voorziening en wordt uitbetaald nadat een factuur of offerte is ingeleverd.

      Indien van toepassing wordt dit bedrag verhoogd met € 62,40 per jaar voor WA-verzekering voor elektrische voorzieningen.

  • 4.

    De hoogte van een persoonsgebonden budget voor:

    • a.

      het vervoer per eigen auto is per kilometer gelijk aan het in artikel 13a, lid 4, onder b Wet op de loonbelasting genoemde bedrag;

    • b.

      een autoaanpassing bedraagt maximaal € 6.065,63 per zeven jaar en wordt alleen verstrekt onder de volgende voorwaarden:

      • de cliënt is in het bezit van een eigen auto en is de bestuurder;

      • de cliënt is aangewezen op een vervoersvoorziening voor de korte én middellange afstand;

      • er wordt naast het persoonsgebonden budget voor de autoaanpassing geen andere vervoersvoorzieningen verstrekt voor de korte en middellange afstand;

      • alleen de door het CBR vastgestelde noodzakelijke aanpassingen komen tot genoemd maximum voor vergoeding in aanmerking, met uitzondering van algemeen gebruikelijke aanpassingen, zoals bijvoorbeeld een automaat;

      • uitbetaling vindt plaats binnen twaalf maanden na de verzenddatum van de toekenningsbeschikking, na inlevering van de facturen en een kopie van de noodzakelijke aanpassingen zoals vastgesteld door het CBR en van het nieuwe rijbewijs.

    • c.

      verhuiskosten bedraagt maximaal € 4.000,00;

    • d.

      een woningaanpassing in plaats van verhuiskosten bedraagt maximaal € 4.000,00. In plaats van een persoonsgebonden budget voor verhuiskosten zoals genoemd onder c, kan een persoonsgebonden budget als tegemoetkoming in de kosten van woningaanpassing worden verstrekt ter hoogte van de verhuiskosten op voorwaarde dat hiermee een adequate aanpassing in de huidige woning wordt gerealiseerd conform een door het college opgesteld programma van eisen;

    • e.

      een woningsanering of vervanging van de vloerbedekking in verband met rolstoelgebruik wordt bepaald aan de hand van de afschrijvingstermijn van de noodzakelijk te vervangen vloerbedekking en gordijnen in woonkamer en slaapkamer en bedraagt het volgende percentage van de kosten:

      • 100% indien het artikel nieuwer is dan twee jaar;

      • 75% indien het artikel tussen de twee en vier jaar oud is;

      • 50% indien het artikel tussen de vier en zes jaar oud is;

      • 25% indien het artikel tussen de zes en acht jaar oud is.

    • indien de te vervangen zaken ouder zijn dan 8 jaar wordt er geen voorziening verstrekt.

    • f.

      aanschaf en onderhoud van een sportvoorziening bedraagt maximaal € 3.010,67 voor een periode van in ieder geval 3 jaar;

    • g.

      het bezoekbaar maken van een woning bedraagt maximaal € 4.000,00 en wordt eenmalig verstrekt.

  • 5.

    Het persoonsgebonden budget voor huishoudelijke hulp bedraagt € 15,00 per uur.

  • 6.

    Het persoonsgebonden budget voor individuele begeleiding bedraagt € 32,26 per uur.

  • 7.

    Het persoonsgebonden budget voor begeleiding groep bedraagt € 29,00 per dagdeel.

  • 8.

    Het persoonsgebonden budget voor persoonlijke verzorging bedraagt € 27,01 per uur.

  • 9.

    Het persoonsgebonden budget voor kortdurend verblijf is gelijk aan de kostprijs van de goedkoopst passende voorziening in natura.

  • 10.

    De hoogte van een persoonsgebonden budget voor beschermd wonen wordt bepaald op het laagst toepasselijke tarief waarvoor deze voorziening in natura is gecontracteerd, minus de hotelmatige kosten en huisvestingskosten, minus 15 procent;

  • 11.

    Het persoonsgebonden budget voor respijtzorg is gelijk aan de kostprijs van de goedkoopst passende voorziening in natura en wordt alleen verstrekt als er sprake is van (dreigende) overbelasting van de mantelzorger met in principe een maximum van 15 etmalen per jaar.

  • 12.

    In afwijking van het zesde lid is de hoogte van een persoonsgebonden budget voor individuele begeleiding door een persoon uit het sociaal netwerk van de cliënt per uur gelijk aan het in artikel 5.22, eerste lid Regeling langdurige zorg genoemde bedrag.

  • 13.

    In afwijking van het zevende en negende lid is de hoogte van een persoonsgebonden budget voor begeleiding groep en kortdurend verblijf, indien deze wordt geboden door een persoon uit het sociaal netwerk, gelijk aan de maximale hoogte van de tegemoetkoming per kalendermaand voor een hulp uit het sociaal netwerk zoals opgenomen in artikel 2ab van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015, tenzij op basis van het budgetplan van de cliënt kan worden volstaan met een lager persoonsgebonden budget.

Artikel 16 Onderzoek besteding persoonsgebonden budget

Het college onderzoekt uit het oogpunt van kwaliteit van de geleverde ondersteuning, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van persoonsgebonden budgetten.

Hoofdstuk 5 Bijdrage

Artikel 17 Maatwerkvoorziening

  • 1.

    De cliënt is een bijdrage verschuldigd voor een maatwerkvoorziening dan wel persoonsgebonden budget, zolang de cliënt gebruik maakt van de maatwerkvoorziening of gedurende de periode waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt.

  • 2.

    De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt, is verschuldigd door de in artikel 2.1.5, eerste lid, van de wet, bedoelde persoon of personen.

  • 3.

    De cliënt betaalt voor het gebruik van het collectief vervoer een bijdrage die per rit bestaat uit een opstaptarief à € 0,95 en € 0,17 per kilometer.

  • 4.

    De eigen bijdrage voor de maatwerkvoorziening opvang wordt vastgesteld en geïnd door het CAK.

Artikel 18 Kostprijs

  • 1.

    De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura is gelijk aan de prijs waarvoor het college de maatwerkvoorziening in natura betrekt van een gecontracteerde aanbieder, inclusief de reparatie-, verzekerings- en onderhoudskosten.

  • 2.

    De kostprijs van een persoonsgebonden budget is gelijk aan het bedrag van het persoonsgebonden budget.

Hoofdstuk 6 Kwaliteit

Artikel 19 Kwaliteitseisen

  • 1.

    Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van de voorziening, door:

    • a.

      het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

    • b.

      het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning;

    • c.

      erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de relevante voor hen geldende professionele standaard.

  • 2.

    De kwaliteitseisen voor maatwerkvoorzieningen in natura gelden ook voor de ondersteuning die met een persoonsgebonden budget wordt ingekocht.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid gelden de volgende kwaliteitseisen bij ondersteuning door een persoon uit het sociaal netwerk:

    • a.

      de persoon verleent verantwoorde hulp, waaronder wordt verstaan hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de cliënt;

    • b.

      de kwaliteit van de voorziening moet voldoende zijn om de gestelde doelen te kunnen realiseren. De geleverde voorziening wordt afgestemd op de persoonlijke situatie van de cliënt en eventuele andere vormen van ondersteuning aan de cliënt;

    • c.

      de persoon uit het sociaal netwerk doet melding van iedere calamiteit of geweld die bij de verlening van de ondersteuning plaatsvindt;

    • d.

      de persoon uit het sociaal netwerk stelt een cliëntenondersteuner in de gelegenheid zijn taak uit te voeren.

Artikel 20 Prijs-kwaliteitverhouding

  • 1.

    Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:

    • a.

      een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met de derde; of

    • b.

      een reële prijs die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde.

  • 2.

    Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

    • a.

      overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet; en

    • b.

      rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

  • 3.

    Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs, als bedoeld in het eerste lid, op de volgende kostprijselementen:

    • a.

      de kosten van de beroepskracht;

    • b.

      redelijke overheadkosten;

    • c.

      kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

    • d.

      reis en opleidingskosten;

    • e.

      indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

    • f.

      overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

  • 4.

    Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, niet zijnde diensten, in ieder geval rekening met:

    • a.

      de marktprijs van de voorziening, en

    • b.

      de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd.

Hoofdstuk 7 Herziening, intrekking, terugvordering en opschorting

Artikel 21 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

  • 1.

    Een beslissing tot verlening van een persoonsgebonden budget kan worden ingetrokken als blijkt dat het persoonsgebonden budget binnen zes maanden na uitbetaling niet is aangewend voor de bekostiging van de voorziening waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden.

  • 2.

    Als het college een beslissing op grond van artikel 2.3.10, eerste lid, onder a van de wet heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten persoonsgebonden budget.

  • 3.

    Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.

  • 4.

    Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.

  • 5.

    De cliënt, die (mede)eigenaar is van een woning, aan wie krachtens deze of een eerdere verordening een woonvoorziening is toegekend die leidt tot waardestijging van de woning:

    • a.

      dient bij verkoop van deze woning binnen een periode van 10 jaar na gereedmelding van de maatwerkvoorziening, deze verkoop van de woning onverwijld aan het college te melden;

    • b.

      de onder a bedoelde eigenaar dient bij verkoop van de woning binnen 10 jaar na de aanpassing de kosten van de woonvoorziening, minus de afschrijvingskosten en eigen bijdrage dan wel eigen aandeel in de kosten, terug te betalen aan de gemeente Zevenaar, indien de aanpassing heeft geleid tot waardevermeerdering van de woning;

    • c.

      het college stelt in het Besluit nadere regels voor de in dit lid bedoelde terugbetaling.

Hoofdstuk 8 Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten

Artikel 22 Jaarlijkse waardering mantelzorgers

Het college bepaalt bij nadere regeling waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat.

Hoofdstuk 9 Klachtenafhandeling en medezeggenschap

Artikel 23 Klachtenregeling

  • 1.

    Het college stelt een regeling vast voor afhandeling van klachten van cliënten die betrekking hebben op de wijze van afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in deze verordening.

  • 2.

    Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen.

  • 3.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders.

Artikel 24 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Aanbieders kunnen een regeling vaststellen voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van geleverde diensten of voorzieningen.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders.

Hoofdstuk 10 Cliëntenparticipatie

Artikel 25 Inspraak en medezeggenschap

  • 1.

    Het college betrekt de ingezetenen van de gemeente, onder andere via de Participatieraad Zevenaar, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  • 2.

    Het college stelt ingezetenen van de gemeente, waaronder de Participatieraad Zevenaar, vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

Hoofdstuk 11 Overige bepalingen

Artikel 26 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 27 Indexering

De in deze verordening genoemde bedragen, waarbij niet wordt verwezen naar bepalingen uit andere wet- en regelgeving, worden jaarlijks per 1 januari verhoogd of verlaagd aan de hand van de prijsontwikkeling op basis van de consumentenprijsindex (CPI) alle huishoudens van het Centraal bureau voor de Statistiek.

Artikel 28 Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1.

    De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zevenaar 2016 én de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Rijnwaarden worden ingetrokken met ingang van 1 november 2019.

  • 2.

    Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van een van de in het eerste lid genoemde verordeningen, zoals die gold tot de inwerkingtreding van deze verordening, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend voor de inwerkingtreding van deze verordening en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

  • 4.

    Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van een van de in het eerste lid genoemde verordeningen, wordt beslist met inachtneming van deze verordening.

Artikel 29 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 1 november 2019.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid treedt artikel 17 lid 3 in werking op 1 januari 2020.

  • 3.

    Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Zevenaar’.

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Zevenaar, gehouden op 9 oktober 2019.

De griffier

W.M. van derVlies

De burgemeester

L.J.E.M. vanRiswijk