Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Gemeente Heerenveen

Maatregelenverordening WWB

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente Heerenveen
Officiële naam regelingMaatregelenverordening WWB
CiteertitelMaatregelenverordening WWB
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Gewijzigd in verband met de intrekking van de Wet investeren in jongeren en wijziging van de Wet werk en bijstand per 1 januari 2012

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Wet werk en bijstand, art. 8, lid1, onderdeel b en 18

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

29-03-201201-01-201201-01-2013gewijzigde regeling

12-03-2012

Heerenveense Courant (Crackstate Nijs), 21-03-2012

GF12.20012
01-01-200501-01-2012nieuwe regeling

30-09-2004

Heerenveense Courant (Crackstate Nijs), 20-10-2004

Onbekend.

Tekst van de regeling

GECONSOLIDEERDE VERSIE 1-1-2012

De raad der gemeente Heerenveen;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 24 augustus 2004;

gelet op de Gemeentewet en de Wet werk en bijstand;

B E S L U I T:

vast te stellen de volgende

MAATREGELENVERORDENING WWB

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsomschrijving

In deze verordening wordt verstaan onder:

a.de wet:de Wet werk en bijstand (WWB);
b.belanghebbende:degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken;
c.bijstand:algemene en bijzondere bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel a, van de wet;
d.algemene bijstand:de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel b, van de wet;
e.bijzondere bijstand:de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel d, van de wet;
f.langdurigheidstoeslag:de toeslag als bedoeld in artikel 5, onderdeel e, van de wet;
g.bijstandsnorm:de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de wet;
h.benadelingsbedrag:de ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende bijstand;
i.maatregel:het verlagen van de bijstand op grond van artikel 18, tweede lid, van de wet;
j.het college:het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heerenveen.
Artikel 2. Het opleggen van een maatregel
  • 1.

    Als de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of de artikelen 28, tweede lid, of artikel 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd.

  • 2.

    Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.

Artikel 3. Berekeningsgrondslag
  • 1.

    De maatregel wordt toegepast op de bijstandsnorm.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan de maatregel ook worden toegepast op de bijzondere bijstand of de langdurigheidstoeslag indien:

    • a.

      aan belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de wet;

    • b.

      een verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met zijn recht op bijzondere bijstand, daartoe aanleiding geeft, of

    • c.

      een verwijtbare gedraging van belanghebbende, in relatie met zijn recht op langdurigheidstoeslag, daartoe aanleiding geeft.

Artikel 4. Het besluit tot opleggen van een maatregel

In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het percentage en het bedrag waarmee de bijstand wordt verlaagd en indien van toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel.

Artikel 5. Afzien van het opleggen van een maatregel
  • 1.

    Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:

    • a.

      elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt;

    • b.

      de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte bijstand is verleend. Een maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden, of

    • c.

      het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.

  • 2.

    Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan.

Artikel 6. Ingangsdatum en tijdvak
  • 1.

    De maatregel wordt opgelegd met ingang van de eerst volgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende bijstandsnorm.

  • 2.

    In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende kracht worden opgelegd voor zover de bijstand is beëindigd, of de bijstand dan wel de langdurigheidstoeslag nog niet is uitbetaald.

  • 3.

    Een maatregel wordt voor bepaalde tijd opgelegd, met uitzondering van de maatregel als bedoeld in artikel 7, lid 3. Een maatregel die voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt uiterlijk drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd heroverwogen.

Artikel 7. Samenloop van gedragingen, recidive en volharding
  • 1.

    Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan verschillende gedragingen als genoemd in artikel 2, eerste lid, wordt voor het bepalen van de hoogte van de maatregel uitgegaan van een cumulatie van maatregelen.

  • 2.

    De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld een besluit om daarvan af te zien als bedoeld in artikel 5, eerste lid onder b en c.

  • 3.

    Indien een belanghebbende na de recidive, als bedoeld in het tweede lid, zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van het recidivebesluit wederom schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of hogere categorie, kan het college in afwijking van het bepaalde in artikel 6, derde lid, de bijstand voor onbepaalde tijd verlagen, tot het moment waarop de belanghebbende de tekortkomingen – voor zover mogelijk - heeft hersteld.

Hoofdstuk 2. Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid

Artikel 8. Indeling in categorieën

Gedragingen van belanghebbenden waardoor de verplichting op grond van artikel 9 van de wet niet of onvoldoende is nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:

  • 1.

    Eerste categorie: het zich niet binnen vier weken laten registreren als werkzoekende bij de Centrale organisatie werk en inkomen en het niet binnen vier weken verlengen van die registratie.

  • 2.

    Tweede categorie:

    • a.

      het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen of te aanvaarden;

    • b.

      het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, dan wel aan een onderzoek naar de geschiktheid voor scholing of opleiding;

    • c.

      het vertonen van gedragingen die de arbeidsinschakeling belemmeren;

    • d.

      het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel b en artikel 10, eerste lid van de wet, waaronder begrepen sociale activering.

  • 3.

    Derde categorie:

    • a.

      het niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid;

    • b.

      het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid.

Artikel 9. De hoogte en duur van de maatregel

De maatregel als bedoeld in artikel 8 van deze verordening wordt vastgesteld op:

  • a.

    10% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de eerste categorie;

  • b.

    25% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de tweede categorie;

  • c.

    100% van de bijstandsnorm gedurende één maand bij gedragingen van de derde categorie.

Hoofdstuk 3. Niet nakomen van de inlichtingenplicht

Artikel 10. Verstrekken van gegevens binnen de hersteltermijn

Indien een belanghebbende de verplichting op grond van artikel 17 van de wet niet is nagekomen door informatie die van belang is voor de verlening van bijstand of de voortzetting daarvan niet binnen de door het college daartoe gestelde termijn te verstrekken, wordt een schriftelijke waarschuwing opgelegd.

Indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een waarschuwing is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging als bedoeld in het eerste lid wordt - in afwijking van artikel 7, tweede lid - een maatregel opgelegd van 5% gedurende één maand.

Artikel 11. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen voor de bijstand
1.Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 17 van de wet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, wordt de maatregel afgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag.
2.Indien de schending van de inlichtingenplicht heeft geleid tot een benadelingsbedrag, wordt gedurende één maand een maatregel vastgesteld, waarbij het volgende onderscheid wordt gemaakt:

 a.tot € 500,--: 5% van de bijstandsnorm;
 b.van€ 500,-- tot € 1.000,--: 10% van de bijstandsnorm;
 c.van€ 1.000,-- tot € 2.000,--: 20% van de bijstandsnorm;
 d.van€ 2.000,-- tot € 3.000,--: 40% van de bijstandsnorm;
 e.van€ 3.000,-- tot € 4.000,--: 60% van de bijstandsnorm;
 f.van€ 4.000,-- tot € 5.000,--: 80% van de bijstandsnorm;
 g.vanaf€ 5.000,--:100% van de bijstandsnorm.
Artikel 12. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen zonder gevolgen voor de bijstand

Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 17 van de wet niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, bedraagt de maatregel 5% van de bijstand gedurende één maand.

Hoofdstuk 4. Overige gedragingen die leiden tot een maatregel

Artikel 13. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
1.Indien een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, artikel 55 en artikel 57, lid a van de wet, wordt een maatregel opgelegd.
2.Indien het betonen van een tekortschietend besef tot een benadelingsbedrag heeft geleid, wordt gedurende één maand een maatregel vastgesteld, waarbij het volgende onderscheid wordt gehanteerd:

 a.tot € 5.000,--: 5% van de bijstandsnorm;
 b.van € 5.000,-- tot € 10.000,--: 10% van de bijstandsnorm;
 c.van€ 10.000,-- tot € 20.000,--: 20% van de bijstandsnorm;
 d.van€ 20.000,-- tot € 30.000,--: 40% van de bijstandsnorm;
 e.van€ 30.000,-- tot € 40.000,--: 60% van de bijstandsnorm;
 f.van€ 40.000,-- tot € 50.000,--: 80% van de bijstandsnorm;
 g.vanaf€ 50.000,--:100% van de bijstandsnorm.

3.Indien het betonen van een tekortschietend besef niet tot een benadelingsbedrag heeft geleid, wordt de maatregel op de volgende wijze vastgesteld:
 gedragingen die leiden tot (meer) bijstandsbehoeftigheid en die niet expliciet in deze verordening zijn genoemd, wordt een maatregel opgelegd van 20%, gedurende maximaal 3 maanden, afhankelijk van de mate waarin de bijstandsafhankelijkheid wordt vergroot.
Artikel 14. Zeer ernstige misdragingen
1.Indien een belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren en medewerkers van andere organisaties die belast zijn met de uitvoering van de wet, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 18, tweede lid van de wet, wordt een maatregel gedurende één maand opgelegd in de volgende situaties:

 a.verbaal geweld en discriminatie: 20% van de bijstandsnorm;
 b.intimidatie en bedreiging: 40% van de bijstandsnorm;
 c.zaakgericht fysiek geweld: 60% van de bijstandsnorm;
 d.mensgericht fysiek geweld: 80% van de bijstandsnorm;
 e.een combinatie van geweldsvormen:100% van de bijstandsnorm.

2.Het opleggen van een maatregel conform dit artikel staat los van de overig mogelijk te nemen stappen zoals; een ontzegging van de toegang tot gemeentelijke gebouwen en het doen van aangifte bij justitie.

Hoofdstuk 4a Regelingen in verband met de wijzigingen in de WWB en intrekking van de WIJ per 1 januari 2012

14a Wijziging betekenis begrippen
  • 1.

    Waar in deze verordening de begrippen ‘alleenstaande’, alleenstaande ouder’ en ‘gezin’ worden gebruikt, hebben deze vanaf 1 januari 2012 dezelfde betekenis als in artikel 4 van de wet.

  • 2.

    Waar in deze verordening wordt gesproken over ‘gehuwde(n)’ of ‘gehuwdennorm’ hebben deze begrippen vanaf 1 januari 2012 dezelfde betekenis als ‘gezin’, bedoeld in artikel 4, respectievelijk ‘gezinsnorm’, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de wet.

14b Onvoldoende meewerken aan plan van aanpak

Onder ‘betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit de wet of de artikelen 28, tweede lid, of artikel 29, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomen, waaronder begrepen het zich jegens het college zeer ernstig misdragen als bedoeld in artikel 2, wordt vanaf 1 januari 2012 mede verstaan: het onvoldoende meewerken aan het opstellen, uitvoeren dan wel evalueren van een plan van aanpak.

Hoofdstuk 5. Slotbepalingen

Artikel 15. Beleid en onvoorziene situaties
  • 1.

    Het college kan ten behoeve van de uitvoering van deze verordening nadere beleidsregels stellen.

  • 2.

    In situaties waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

Artikel 16. De inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2005.

Artikel 17. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Maatregelenverordening WWB.

Besloten in de openbare raadsvergadering van 30 september 2004.

de voorzitter,de griffier,