| Overheidsorganisatie | Gemeente Leiden |
|---|---|
| Officiële naam regeling | Subsidieverordening stadsvernieuwing |
| Citeertitel | Subsidieverordening stadsvernieuwing |
| Vastgesteld door | gemeenteraad |
| Onderwerp | ruimtelijke ordening, verkeer en vervoer |
| Eigen onderwerp |
Geen
Onbekend
| Datum inwerking- treding | Terugwerkende kracht t/m | Datum uitwerking- treding | Betreft | Datum ondertekening Bron bekendmaking | Kenmerk voorstel |
|---|---|---|---|---|---|
| 17-12-2011 | 01-01-2011 | H3 vervallen | 01-12-2011 Stadskrant, 16 december 2011 | RV 11.0111 | |
| 02-03-2002 | 01-01-2002 | 17-12-2011 | H3 en H4 | 18-12-2001 Stadsblad, 1 maart 2002 | RV 010128 |
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder stads en dorpsvernieuwing, verder te noemen stadsvernieuwing, de stelselmatige inspanning, zowel op stedebouwkundig als op sociaal, economisch, cultureel en milieuhygiënisch gebied, gericht op behoud, herstel, verbetering, herindeling of sanering van bebouwde gedeelten van het gemeentelijk grondgebied.
De gemeenteraad neemt jaarlijks een besluit, waarin wordt aangegeven welk bedrag voor een bepaald jaar aan natuurlijke of rechtspersonen beschikbaar wordt gesteld in het belang van de stadsvernieuwing ten behoeve van de verschillende sectoren van de samenleving, waaronder in elk geval de bewoners van huur en eigen woningen, het bedrijfsleven en sociale en culturele instellingen. Dit besluit geeft tevens de verdeling van het beschikbare bedrag over de diverse categorieën van stadsvernieuwingsactiviteiten aan, zulks in de vorm van deelbudgetten.
1. De gemeenteraad kan een deelbudget, als bedoeld in artikel 1.2, tussentijds verhogen.
2. De gemeenteraad kan een deelbudget als bedoeld in artikel 1.2 tussentijds verlagen wanneer, mede gelet op het totaal van de in het betreffende jaar reeds ingediende aanvragen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat voor de desbetreffende categorie van stadsvernieuwingsactiviteiten aan het einde van dat jaar gelden zullen resteren.
3. Bij daarvoor door de gemeenteraad aangewezen deelbudgetten kunnen burgemeester en wethouders, onder gelijktijdige verhoging van een of meer andere deelbudgetten, een deelbudget verlagen wanneer, mede gelet op het totaal van de in het desbetreffende jaar reeds ingediende aanvragen, redelijkerwijs kan worden aangenomen dat voor de desbetreffende categorie van stadsvernieuwingsactiviteiten aan het einde van dat jaar gelden zullen resteren.
De gemeenteraad kan de werkingssfeer van deze verordening of onderdelen daarvan naar tijd en plaats beperken.
De gemeenteraad kan voor bepaalde categorieën van stadsvernieuwingsactiviteiten een programma vaststellen voor de besteding van het beschikbaar gestelde deelbudget en een voorlopig programma voor daarop volgende jaren. Dit programma kan de gehele stad betreffen of een bepaald gedeelte ervan.
1. Burgemeester en wethouders kunnen in het belang van de stadsvernieuwing en met inachtneming van het bepaalde in deze verordening bijdragen toekennen.
2. Burgemeester en wethouders houden bij hun beslissing op grond van het eerste lid rekening met bijdragen die op grond van deze verordening of enige andere regeling zijn of kunnen worden toegekend.
3. Burgemeester en wethouders kunnen aan het toekennen van bijdragen voorwaarden verbinden.
1. Burgemeester en wethouders kennen slechts bijdragen toe voor zover deze passen in de op grond van artikel 1.2 vastgestelde deelbudgetten.
2. Een bijdrage wordt slechts toegekend voorzover dit niet in strijd is met het in artikel 1.4A bedoelde programma.
In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders, gehoord de betrokken raadscommissie(s), in het belang van de stadsvernieuwing afwijken van de bepalingen van deze verordening.
Op subsidiëring ingevolge hoofdstuk 5, paragraaf 1, van deze verordening is de Algemene subsidieverordening, voor zover mogelijk en nodig, van toepassing. Voor het overige is de Algemene subsidieverordening niet van toepassing.
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1. Aan de eigenaarbewoner kan overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk een bijdrage worden toegekend ter tegemoetkoming in de kosten van het treffen van voorzieningen aan een woning. Hetgeen daarbij met betrekking tot woningen is bepaald, is zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing op woonschepen.
2. In het in artikel 2.21 aangegeven geval wordt de bijdrage ten behoeve van de eigenaarbewoner toegekend door tussenkomst van de vereniging van eigenaars.
3. Aan degene die voornemens is een projectaanvraag voor te bereiden kan in het in artikel 2.35 aangegeven geval een bijzondere bijdrage worden toegekend ter tegemoetkoming in de kosten van voorbereiding.
1. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de voorzieningen waarvoor een bijdrage kan worden verleend.
2. Een besluit, als bedoeld in lid 1, wordt niet genomen dan nadat de raadscommissies voor volkshuisvesting en sport, voor ruimtelijke ordening, openbare werken, verkeer en milieu en voor financiën, personeel en organisatie zijn gehoord.
3. Bekendmaking van een besluit, als bedoeld in lid 1, geschiedt ten minste één week voor inwerkingtreding, zulks onder vermelding van datum van inwerkingtreding.
4. Vóór de datum van inwerkingtreding van een besluit, als bedoeld in lid 1, ingekomen aanvragen worden behandeld volgens de bepalingen welke golden voordat het besluit werd genomen.
1. Met inachtneming van de navolgende leden kan de gemeenteraad, in afwijking in zoverre van het bepaalde in artikel 2.4, bijzondere bepalingen vaststellen, waarvan de toepasselijkheid al dan niet afhankelijk is gesteld van de stand van het budget of van andere voorwaarden.
2. Bij het in het eerste lid bedoelde besluit kan worden bepaald dat de toekenning van bijdragen slechts geschiedt ten behoeve van bij dat besluit aangewezen categorieen woningen of woonschepen respectievelijk voorzieningen, zulks al dan niet beperkt naar tijd en plaats.
3. Bij het in het eerste lid bedoelde besluit kan worden bepaald dat verbeterplannen die betrekking hebben op bij dat besluit aangewezen categorieen woningen of woonschepen respectievelijk voorzieningen, zulks al dan niet beperkt naar tijd en plaats, moeten voldoen aan bij dat besluit bepaalde nadere toetsingscriteria.
4. Bij het in het eerste lid bedoelde besluit kan een bedrag worden vastgesteld dat per verbeterplan ten hoogste als subsidiabel in aanmerking genomen kan worden bij de toekenning van bijdragen ten behoeve van bij dat besluit aangewezen categorieen woningen of woonschepen respectievelijk voorzieningen, zulks al dan niet beperkt naar tijd en plaats.
5. Bij het in het eerste lid bedoelde besluit kan een afwijkend subsidiepercentage worden vastgesteld dat wordt gehanteerd bij de toekenning van bijdragen ten behoeve van bij dat besluit aangewezen categorieen woningen of woonschepen respectievelijk voorzieningen, zulks al dan niet beperkt naar tijd en plaats.
6. Bij het in het eerste lid bedoelde besluit kan worden bepaald dat bij de toekenning van bijdragen voorrang wordt verleend aan bij dat besluit aangewezen categorieen woningen of woonschepen respectievelijk voorzieningen of aan aanvragen met betrekking tot voorzieningen waarvoor een aanschrijving op grond van artikel 14 van de Woningwet is uitgevaardigd, zulks al dan niet beperkt naar tijd en plaats.
7. Bij het in het eerste lid bedoelde besluit kan bepaald worden dat aanvragen met betrekking tot bij dat besluit aangewezen categorieen woningen of woonschepen respectievelijk voorzieningen, zulks al dan niet naar plaats beperkt, moeten zijn ingediend vóór een bij dat besluit bepaalde datum.
8. Bij het in het eerste lid bedoelde besluit kan bepaald worden dat de behandeling van aanvragen met betrekking tot bij dat besluit aangewezen categorieen woningen of woonschepen respectievelijk voorzieningen, zulks al dan niet naar plaats beperkt, wordt aangehouden tot een bij dat besluit bepaalde datum.
9. Het bepaalde in artikel 2.4, lid 9, is van overeenkomstige toepassing, tenzij uitdrukkelijk anders is besloten.
1. Bij een besluit, als bedoeld in artikel 2.5, lid 1, kan worden bepaald dat in bij dat besluit aangegeven gevallen en onder bij dat besluit aangegeven algemene voorwaarden een aantal in samenhang uit te voeren verbeterplannen als collectief project kunnen worden goedgekeurd.
2. Bij een besluit krachtens het eerste lid worden, in afwijking in zoverre van het bepaalde in artikel 2.4, bijzondere bepalingen vastgesteld voor tot een tot een collectief project behorende verbeterplannen.
3. Bij een besluit krachtens het eerste lid kan worden bepaald dat in bij dat besluit aangewezen gevallen tevens als kosten kunnen worden aangemerkt de kosten van andere dan de in artikel 2.1, sub l, de aanhef en sub 1e tot en met sub 11e, bedoelde diensten die voor de uitvoering van het verbeterplan noodzakelijk zijn. Voor de hier bedoelde kosten kan een afwijkend subsidiepercentage worden vastgesteld.
4. Bij een besluit krachtens het eerste lid kan worden bepaald dat in bij dat besluit aangewezen gevallen een bijzondere bijdrage kan worden toegekend ter tegemoetkoming in de kosten van voorbereiding van een projectaanvraag, waarbij tevens wordt aangegeven hoe de hoogte van deze bijdrage wordt bepaald en welke algemene voorwaarden en voorschriften, die mede betrekking kunnen hebben op bij de voorbereiding van de projectaanvraag in acht te nemen randvoorwaarden, kunnen of moeten worden gesteld.
5. Bij een besluit krachtens het eerste lid kunnen, in afwijking in zoverre van het bepaalde in de leden 1, 2, 3 en 4, bepaalde in dat besluit aangegeven aspecten met betrekking tot collectieve projecten ter nadere regeling aan Burgemeester en Wethouders worden opgedragen of overgelaten, onder meer betrekking hebbend op:
6. Het bepaalde in artikel 2.4, lid 9, is van overeenkomstige toepassing, tenzij uitdrukkelijk anders is besloten.
1. Jaarlijks vóór 1 maart kan de gemeenteraad het voor de in dit hoofdstuk bedoelde stadsvernieuwingsactiviteiten beschikbaar gestelde budget onderverdelen in deelbudgetten voor onder meer:
2. Het bepaalde in de artikelen 2.4, lid 5, 2.5 en 2.6 is van overeenkomstige toepassing op de in het eerste lid bedoelde deelbudgetten, zowel in hun geheel genomen, als met betrekking tot bepaalde op grond van het desbetreffende deelbudget te subsidieren stadsvernieuwingsactiviteiten.
1. Burgemeester en wethouders kunnen met inachtneming van het bepaalde krachtens de artikelen 2.4, lid 2, 2.5, lid 3, en 2.7, lid 2, nadere regels stellen ten aanzien van de bouw- en woontechnische voorwaarden welke bij de plantoetsing worden toegepast, voorwaarden waaronder uitvoering volgens een fasenplan kan worden toegestaan daaronder begrepen.
2. Het bepaalde in artikel 2.3, de leden 2, 3 en 4, is op een besluit, zoals bedoeld in lid 1, van toepassing.
1. Burgemeester en wethouders kunnen een deelbudget als bedoeld in artikel 2.7, lid 1, tussentijds verlagen. Deze verlaging komt ten goede aan een of meer van de andere in artikel 2.7, lid 1, bedoelde deelbudgetten.
2. Het bepaalde in artikel 2.3, de leden 2, 3 en 4, is op een besluit, als bedoeld in lid 1, van toepassing, tenzij, mede gelet op het totaal van de in het desbetreffende jaar reeds binnengekomen aanvragen, redelijkerwijs mag worden aangenomen dat voor de desbetreffende categorie van stadsvernieuwingsactiviteiten aan het einde van dat jaar gelden zullen resteren.
1. Indien blijkt dat gedurende enig begrotingsjaar het budget als bedoeld in artikel 2.4, lid 1, of een op grond van artikel 2.7 vastgesteld deelbudget ontoereikend is, of op korte termijn zal worden, om alle ten laste van dit budget komende aanvragen te kunnen honoreren, kunnen burgemeester en wethouders, onverminderd het bepaalde in artikel 1.4:
2. Het bepaalde in artikel 2.3, de leden 2, 3 en 4, is op het in het eerste lid bedoelde besluit van toepassing. Bij de bekendmaking wordt tevens de periode vermeld gedurende welke het besluit zal gelden.
1. Aanvragen die wegens overschrijding van het desbetreffende budget op grond van artikel 1.6, lid 1, niet kunnen worden toegekend of waarvoor de toekenning zou leiden tot overschrijding van de streefsubsidie, worden afgewezen. Deze beslissing hieromtrent wordt gebaseerd op de volgorde van binnenkomst, met inachtneming van krachtens deze verordening middels een aanhoudingsbepaling of op andere wijze gestelde algemene of bijzondere prioriteiten.
2. Bij de behandeling van aanvragen kan voorrang worden verleend aan een aanvraag die in het vorige jaar op grond van lid 1 is afgewezen en die de aanvrager opnieuw heeft ingediend. Deze voorrang kan reeds op het moment van afwijzing schriftelijk in het vooruitzicht worden gesteld.
3. Het bepaalde in lid 2 is van overeenkomstige toepassing op aanvragen die wegens te late indiening met toepassing van artikel 2.26, lid 2, nietontvankelijk zijn verklaard.
4. Aanvragen die wegens strijdigheid met het programma, als bedoeld in artikel 1.4A, op grond van artikel 1.6, lid 2, niet geheel kunnen worden toegekend, kunnen gedeeltelijk worden toegekend. Daarbij kan bepaald worden:
a. dat de aanvraag voor het resterende deel ten laste van het budget voor het komende jaar wordt gebracht, dan wel
b. dat het verbeterplan, voor zover dat gedeeltelijk wordt toegekend, als fasenplan wordt aangemerkt, waarbij de aanvraag voor het resterende deel wordt aangemerkt als een aanvraag voor de tweede fase die geacht wordt te zijn ingediend op een in overeenstemming met het programma vast te stellen tijdstip.
1. De bijdrage wordt slechts toegekend indien:
2. In bijzondere gevallen kan van het in het bepaalde in het eerste lid, onder a en b, worden afgeweken.
1. De bijdrage wordt niet toegekend indien:
2. Indien toepassing wordt gegeven aan artikel 2.16, kan worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, onder b en c.
3. In bijzondere gevallen kan worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, onder e, f en g.
De bijdrage wordt voorts niet toegekend indien de woning behoort tot een categorie die krachtens artikel 2.5, lid 2 of lid 9, respectievelijk 2.7, lid 2, van de toekenning van een bijdrage is buitengesloten.
Vervallen.
1. Indien een verbeterplan geheel of gedeeltelijk door de eigenaarbewoner in zelfwerkzaamheid wordt uitgevoerd, worden de voor de toepassing van het bepaalde in artikel 2.12, lid 1, onder g, in aanmerking te nemen kosten berekend alsof geen van de werkzaamheden in zelfwerkzaamheid wordt verricht.
2. Bij de toekenning kan de voorwaarde gesteld worden dat bepaalde werkzaamheden niet in zelfwerkzaamheid worden uitgevoerd.
3. In bijzondere gevallen kan van het bepaalde in het eerste lid geheel of gedeeltelijk worden afgeweken.
Indien in de aanvraag vermelde voorzieningen niet sober en doelmatig zijn dan wel de kosten ervan niet in redelijke verhouding staan tot het te bereiken kwaliteitsniveau en toepassing wordt gegeven aan artikel 2.12, lid 2, worden bij de toekenning van de bijdrage de kosten van deze voorzieningen niet, dan wel voor een lager bedrag in aanmerking genomen.
1. De bijdrage heeft de vorm van een bijdrageineens.
2. Het bedrag van de bijdrage is gelijk aan het subsidiepercentage van de subsidiabele kosten van het treffen van de voorzieningen.
3. Indien de toekenning geschiedt met toepassing van artikel 2.11, lid 2, kan een lagere bijdrage worden toegekend.
1. Onverminderd de bevoegdheid ingevolge artikel 1.5, lid 3, tot het stellen van andere voorwaarden kan met betrekking tot de toekenning een principebesluit worden genomen, inhoudende dat de bijdrage niet wordt toegekend dan nadat de aanvrager heeft verklaard zich jegens de Gemeente te verbinden aan een of meer bij dit besluit vast te stellen voorschriften.
2. Deze voorschriften kunnen slechts betrekking hebben op het beheer van en de beschikking over de woning alsmede de wijze van gebruik en gelden voor een bij het principebesluit vast te stellen termijn, welke ingaat op het moment van gereedmelding en, voor zover in lid 3 niet anders is bepaald, niet langer kan zijn dan 10 jaren.
3. De in het eerste lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer inhouden:
voor een dergelijke onttrekking de gelegenheid zal geven;
1. Indien eerst gedurende de uitvoering van de werkzaamheden blijkt dat het noodzakelijk is af te wijken van het verbeterplan waarvoor een bijdrage is toegekend, kan een planwijziging worden goedgekeurd.
2. Een planwijziging wordt slechts goedgekeurd indien
- de wijziging van het verbeterplan een niet ingrijpende afwijking inhoudt, die het karakter van het verbeterplan niet aantast en
- de aanvraag tot wijziging van het verbeterplan is ingediend voordat bij de verdere uivoering van het oorspronkelijke plan wordt afgeweken.
3. Een planwijziging wordt in ieder geval goedgekeurd indien deze een gevolg is van onvoorzien en onvermijdelijk meerwerk.
4. In daarvoor in aanmerking komende gevallen kan bij het besluit tot goedkeuring, als bedoeld in het eerste lid, een hogere bijdrage worden vastgesteld, met dien verstande dat, voor de toepassing van het bepaalde in artikel 2.10, lid 1, deze bijdrage voor wat betreft de verhoging ten laste wordt gebracht van het desbetreffende budget voor het lopende jaar, zulks voor zoveel nodig onder verlening van voorrang. Vaststelling van een hogere bijdrage geschiedt met inachtneming van de bepalingen zoals deze gelden voor het lopende jaar.
1. Indien aan toekenning verbonden voorschriften of bij de toekenning gestelde voorwaarden zijn overtreden, kunnen burgemeester en wethouders de beschikking waarbij de bijdrage is toegekend intrekken.
2. Burgemeester en wethouders vorderen terug hetgeen door de gemeente:
3. In bijzondere gevallen kan worden toegestaan dat terugbetaling van hetgeen op grond van lid twee is teruggevorderd, geheel of gedeeltelijk achterwege blijft.
1. Voor het treffen van voorzieningen aan gemeenschappelijke gedeelten en zaken, als bedoeld in artikel 2.1, sub j, subsub 5e, kan slechts aan de vereniging van eigenaars een bijdrage worden toegekend.
2. Een bijdrage als bedoeld in het eerste lid wordt uitdrukkelijk toegekend als tegemoetkoming in de door de afzonderlijke eigenarenbewoner aan de vereniging verschuldigde bijdragen zoals deze op grond van de splitsingsakte dienen te worden toegerekend.
3. Hetgeen in deze afdeling met betrekking tot woningen is bepaald, is voor zover mogelijk van overeenkomstige toepassing op de in lid 1 bedoelde bijdrage, met dien verstande dat:
1. Aan de appartementseigenaar kan slechts een bijdrage worden toegekend voor voorzieningen voor welke niet op grond van het bepaalde in artikel 2.21 een bijdrage aan de vereniging van eigenaars kan worden toegekend.
2. Indien de vereniging van eigenaars verzuimt de in artikel 2.21 bedoelde voorzieningen te treffen kan in bijzondere gevallen worden afgeweken van het bepaalde in het eerste lid, indien toepassing daarvan zou leiden tot gevaar voor de instandhouding van de woning.
3. Indien tevens een bijdrage op grond van de artikel 2.21, lid 1, wordt gevraagd, wordt het bedrag van de goedgekeurde plankosten voor de toepassing van artikel 2.12, lid 1, onder g, vermeerderd met het op grond van artikel 2.21, lid 3, onder d, berekende gemiddelde bedrag voor de goedgekeurde plankosten.
In afwijking van het bepaalde in artikel 2.12, lid 1, onder d, kan een bijdrage worden toegekend voor het treffen van voorzieningen die ten doel hebben de woning tijdelijk in stand te houden indien er omstandigheden zijn die verhinderen dat de woning binnen twee jaren wordt afgebroken.
1. De aanvraag om toekenning van een bijdrage wordt op een door burgemeester en wethouders beschikbaar te stellen formulier ingediend.
2. De aanvraag kan slechts betrekking hebben op het treffen van voorzieningen aan één woning, woonschip of appartementencomplex.
3. Naast het in lid 1 bedoelde aanvraagformulier dient de aanvraag te bevatten:
4. De bij de aanvraag behorende bescheiden moeten elk afzonderlijk zijn voorzien van het adres van de te verbeteren woning en door de indiener of zijn gemachtigde zijn gedateerd en ondertekend dan wel gewaarmerkt.
5. Indien de aanvraag gelijk is aan een in het vorige jaar om budgettaire redenen afgewezen aanvraag en de indiener daarbij verzoekt om behandeling met voorrang op grond van artikel 2.10, de leden 2 of 3, kan de indiener volstaan met indiening van het ingevulde, gedateerde en ondertekende aanvraagformulier met vermelding van dit verzoek en onder verwijzing naar de eerdere aanvraag.
6. Indien de toestand van de woning of de aard van het verbeterplan daartoe aanleiding geeft, kan van een of meer onderdelen van het bepaalde in lid 3 vrijstelling worden verleend.
De aanvrager kan schriftelijk verzocht worden binnen een door burgemeester en wethouders te bepalen termijn nadere gegevens en bescheiden in te dienen voor zover deze voor de behandeling van de aanvraag nodig geacht kunnen worden.
1. Degene wiens aanvraag niet op de uiterste datum van indiening, vastgesteld krachtens artikel 2.4, lid 8, 2.5, lid 7, 2.6, lid 2, of 2.7, lid 2, is binnengekomen, kan in zijn aanvraag niet ontvankelijk worden verklaard.
2. Indien er geen gronden zijn voor afwijzing van de aanvraag en de aanvraag behoort tot een categorie ten aanzien waarvan krachtens artikel 2.4, lid 7, 2.5, lid 8, 2.6, lid 2, of 2.7, lid 2, een aanhoudingsdatum is vastgesteld, wordt de behandeling van een aanvraag tot die datum aangehouden, tenzij de stand van het desbetreffende budget eerdere behandeling rechtvaardigt.
3. Indien er, afgezien van de in artikel 2.10 bedoelde gronden, geen gronden zijn voor afwijzing van de aanvraag, wordt de behandeling van de aanvraag aangehouden indien en voor zolang als niet duidelijk is of bij toekenning het deelbudget of de streefsubsidie overschreden zal worden.
4. Beslissingen tot nietontvankelijkverklaring en tot aanhouding worden genomen binnen vier weken na de dag waarop de aanvraag is ontvangen.
5. Onverminderd het bepaalde in lid 4 wordt omtrent een aanvraag beslist binnen acht weken na de dag, waarop de aanvraag ontvangen is. Deze beslissing kan éénmaal voor ten hoogste acht weken verdaagd worden.
6. Indien het verbeterplan waarvoor de bijdrage wordt aangevraagd, voorzieningen betreft waarvoor op verschillende grondslagen kan worden beslist, bepalen burgemeester en wethouders welke grondslag bij de beslissing in aanmerking wordt genomen.
7. Een krachtens artikel 18, lid 1, opgelegde verklaring heeft de vorm van een door de aanvrager zelf ondertekende bereidverklaring en houdt tevens in een verklaring met betrekking tot de terugbetaling van de bijdrage ingeval van overtreding van de voorschriften, alsmede een boete en kettingbeding. Indien de aanvrager weigert de bereidverklaring in te dienen, wordt de aanvraag afgewezen. Tenzij bij het principebesluit anders is bepaald, wordt de aanvrager geacht de indiening van de bereidverklaring te hebben geweigerd, indien de bereidverklaring niet uiterlijk vóór de aanvang van de werkzaamheden is ontvangen.
8. Onverminderd het bepaalde in de artikelen 1.5, lid 3, 2.15, lid 2 en 2.18, lid 1, vindt toekenning van een bijdrage slechts plaats onder de voorwaarden dat:
9. In bijzondere gevallen kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 8, onder a en e, met dien verstande dat kortere dan wel langere termijnen kunnen worden vastgesteld.
1. Een aanvraag om goedkeuring van een planwijziging moet vooraf bij burgemeester en wethouders worden ingediend, onder overlegging van de in artikel 2.24, lid 3, bedoelde gegevens en bescheiden, voor zover daarin wijziging is gekomen, alsmede van andere gegevens en bescheiden die voor de beoordeling nodig zijn.
2. De aanvrager kan verzocht worden binnen een door burgemeester en wethouders te bepalen termijn nadere gegevens en bescheiden over te leggen.
1. Uitbetaling van de bijdrage vindt slechts plaats indien:
2.
3. Indien op het moment van de aanvraag de aanvrager de woning niet als eigenaar bewoonde, kan uitbetaling worden aangehouden zolang de aanvrager de woning niet ten minste drie maanden:
in eigendom heeft en/of
met woonvergunning bewoont.
4. Het uit te betalen bedrag wordt bepaald op basis van de werkelijke kosten en is ten hoogste gelijk aan het bij de toekenning in het vooruitzicht gestelde bedrag.
1. In daarvoor in aanmerking komende gevallen kan een voorschot op de bijdrage verstrekt worden, zulks in evenredigheid met de bij de toekenning als subsidiabel aangemerkte kosten van reeds uitgevoerde en accoord bevonden werkzaamheden.
2. Verstrekking van een voorschot geschiedt onder voorbehoud met betrekking tot gevallen:
De toekenning wordt niet ingetrokken dan nadat de aanvrager in de gelegenheid is gesteld de overtreding, als bedoeld in artikel 2.20, lid 1, te herstellen.
Burgemeester en wethouders kunnen met inachtneming van de bepalingen van deze afdeling nadere regels geven voor de besluitvorming ten aanzien van de aanvraag, planwijziging, uitbetaling, voorschotverlening en intrekken van de toekenning en andere zaken van administratieve aard.
1. In de krachtens artikel 2.6, de leden 1 en 5, en artikel 2.7, lid 2, aangegeven gevallen en onder de krachtens deze artikelen aangegeven algemene voorwaarden kunnen burgemeester en wethouders een aantal samenhangende verbeteringsplannen goedkeuren als collectief project, indien het belang van de stadsvernieuwing daar in het bijzonder mee wordt gediend.
2. Indien en voorzover verbeterplannen op grond van dit hoofdstuk niet voor subsidiering in aanmerking komen, worden ze bij de beoordeling ingevolge het bepaalde in lid 1 en ook overigens met betrekking tot het collectieve project niet meegerekend.
3. Aan de goedkeuring als collectief project kunnen bijzondere voorwaarden worden verbonden. Deze voorwaarden kunnen betrekking hebben op het zich verbinden aan voorschriften, waarbij het bepaalde in artikel 2.18 van overeenkomstige toepassing is.
4. Indien een desbetreffend deelbudget uitsluitend bestemd is voor het aangevraagde collectieve project, kunnen burgemeester en wethouders overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.9, lid 1, prioriteiten stellen als het deelbudget ontoereikend is om alle aanvragen van dit project te kunnen honoreren. Het bepaalde in artikel 2.9, lid 2, is alsdan niet van toepassing.
1. De aanvraag om goedkeuring als collectief project wordt op een door burgemeester en wethouders beschikbaar te stellen formulier ingediend.
2. De aanvrager kan verzocht worden binnen een door burgemeester en wethouders te bepalen termijn nadere gegevens en bescheiden over te leggen.
1. Degene wiens een projectaanvraag niet is binnengekomen vóór een ingevolge artikel 2.6, lid 2 of lid 3, of artikel 2.7, lid 2, vastgestelde uiterste indieningsdatum, kan in zijn aanvraag niet ontvankelijk worden verklaard
2. Indien een tot een projectaanvraag behorende aanvraag om toekenning van een bijdrage niet voldoet aan de in artikel 2.24 daaromtrent gestelde voorwaarden, wordt de indiener van deze aanvraag hiervan schriftelijk in kennis gesteld. Een afschrift van de desbetreffende brief wordt gezonden aan degene die de aanvraag om goedkeuring van het collectieve project heeft ingediend. Indien het verzuim niet is hersteld binnen twee weken na de datum van de brief waarbij dit aan de aanvrager is medegedeeld, wordt de desbetreffende aanvraag bij de behandeling van de projectaanvraag buiten beschouwing gelaten.
1. In krachtens artikel 2.6, lid 4 en lid 5, aangegeven gevallen kan volgens de krachtens die artikelen vastgestelde voorschriften een bijzondere bijdrage worden toegekend ter zake van de kosten van voorbereiding van een projectaanvraag.
2. Bij het toekennen van een bijdrage ten behoeve van een verbeterplan waarop de in lid 1 bedoelde regeling van toepassing is, blijft het bepaalde in artikel 2.1, sub l, de aanhef en sub 12e, buiten toepassing.
3. Aan toekenning van een bijzondere bijdrage wordt het voorschrift verbonden dat bij het voorbereiden van de projectaanvraag de voor het beoogde collectieve project vastgestelde randvoorwaarden krachtens artikel 2.6, lid 4, en artikel 2.6, lid 5, sub a, in acht worden genomen. Het krachtens artikel 2.6, de leden 4 en 5, algemeen aangeven van te stellen voorwaarden en voorschriften laat de bevoegdheid ingevolge artikel 1.5, lid 3, tot het stellen van bijzondere voorwaarden en voorschriften onverlet. Ter zake van het stellen van het voorschrift met betrekking tot de randvoorwaarden, zoals hiervoren bedoeld, wordt de procedure als bedoeld in artikel 2.18, lid 1, gevolgd; ter zake van andere algemene of bijzondere voorwaarden en voorschriften kan deze procedure als bedoeld in artikel 2.18, lid 1, gevolgd worden. Het bepaalde in de artikelen 2.20 en 2.30 is van overeenkomstige toepassing.
Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen met betrekking tot de aanvraag om goedkeuring als collectief project en de bij de behandeling ervan te volgen procedure alsmede met betrekking tot de procedure die wordt gevolgd ten aanzien van het toekennen van een bijzondere bijdrage ter zake van de kosten van voorbereiding van een projectaanvraag.
In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
1. De gemeenteraad neemt jaarlijks een besluit, waarin wordt aangegeven welk budget voor een bepaald jaar aan natuurlijke of rechtspersonen beschikbaar wordt gesteld voor de restauratie van gemeentelijke monumenten in de vorm van subsidie op termijn.
Het besluit wordt bekend gemaakt in een of meer plaatselijke bladen.
2. De gemeenteraad kan de werkingssfeer van dit hoofdstuk naar tijd en plaats beperken. Een daartoe strekkend besluit wordt bekend gemaakt als voorgeschreven in art. 3.2.1.3.
3. In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders afwijken van de bepalingen van dit hoofdstuk.
1. Op grond van dit hoofdstuk kunnen burgemeester en wethouders subsidie verlenen voor het treffen van voorzieningen aan het casco ten behoeve van de restauratie van monumenten conform een door burgemeester en wethouders goedgekeurd restauratieplan voor het gehele pand.
2. De subsidie wordt berekend over de kosten van voorzieningen, met uitzondering van de kosten waarvoor op grond van enige andere regeling subsidie in de kosten van voorzieningen kan worden verkregen.
3. In geval van brandschade worden de kosten berekend aan de hand van de kosten van de treffen voorzieningen minus de bij voldoende dekking uit te keren verzekeringspenningen.
4. De subsidie wordt verleend en vastgesteld aan de eigenaar van het monument waaraan de voorzieningen worden getroffen.
5. Om voor subsidie in aanmerking te komen dienen de kosten van voorzieningen ten minste € 4.538,00 te bedragen.
6. Bedragen waarmee de kosten van voorzieningen € 68.068,00 te boven gaan, komen niet voor subsidie in aanmerking.
7. Het gestelde in lid 4 van dit artikel geldt niet als het gaat om een monument waarvan de eigenaar krachtens de Woningwet onherroepelijk is aangeschreven.
1. De subsidie op termijn wordt berekend aan de hand van de goedgekeurde kosten van voorzieningen, met een maximum tot € 68.068,00 en wordt betaalbaar gesteld aan het einde van de lopende maand van het jaar gelegen vijftien jaar na de vaststelling van het subsidie, mits is voldaan aan de voorwaarden en bepalingen van dit hoofdstuk.
2. De hoogte van de geldelijke steun is afhankelijk van het rentepercentage dat de gemeente hanteert op het moment van het verlenen van de subsidie en is als volgt bepaald:
3. Het onder lid 2 genoemde rentepercentage is gelijk aan het standaardrentepercentage zoals dat in overleg tussen de gemeente en de Stichting Nationaal restauratiefonds is gedefinieerd en door de Stichting Nationaal Restauratiefonds periodiek aan de gemeente wordt opgegeven.
4. Een voorschot zoals bedoeld in het tweede lid wordt op de betaling ingevolge het eerste lid in mindering gebracht. Overigens geschiedt de verlening en vaststelling van het voorschot onder dezelfde voorwaarden en bepalingen die gelden voor de subsidie op termijn zelf.
5. Voor restaurerende instellingen wordt de hoogte van de subsidie op termijn vastgesteld als ware het in lid 2 genoemde rentepercentage 2% hoger, respectievelijk - indien het genoemde rentepercentage hoger is dan 10,5% - zal het voorschotpercentage worden verhoogd met 10%.
1. Als de eigenaar het monument binnen 15 jaar na vaststelling van de subsidie vervreemdt, stellen burgemeester en wethouders de subsidie op termijn opnieuw vast volgens de in het tweede lid genoemde reeks, mits aan de voorwaarden en bepalingen van dit hoofdstuk is voldaan.
2. De hoogte van de subsidie als bedoeld in het eerste lid bedraagt:
binnen één jaar na vaststelling 0%
na één jaar 10%
na twee jaar 20%
na drie jaar 30%
na vier jaar 40%
na vijf jaar 44%
na zes jaar 48%
na zeven jaar 52%
na acht jaar 56%
na negen jaar 60%
na tien jaar 65%
na elf jaar 71%
na twaalf jaar 77%
na dertien jaar 84%
na veertien jaar 92%
waarbij het percentage wordt berekend over het eerder vastgestelde subsidiebedrag. Een eventueel verleend voorschot, zoals bedoeld in artikel 3.4. wordt op de opnieuw vastgestelde subsidie op termijn in mindering gebracht..
3a. De uitbetaling van de subsidie vindt echter op de in artikel 3.4. geregelde wijze plaats indien de verkoper (de vervreemdende eigenaar) van het monument het recht op subsidie op rechtsgeldige wijze overdraagt aan de koper (nieuwe eigenaar) van het monument..
3b. Burgemeester en wethouders kunnen nadere regels stellen aan de invulling van de in lid 1 aangegeven rechtsgeldige overdracht van de subsidie (aan de nieuwe eigenaar).
4. In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders afwijken van het bepaalde in het tweede en derde lid.
1. Een aanvraag om een subsidie dient door de eigenaar ondertekend te worden ingediend bij burgemeester en wethouders op een daartoe beschikbaar te stellen formulier en dient in ieder geval vergezeld te gaan van de daarbij vermelde gegevens.
2. Indien niet wordt voldaan aan het gestelde in het eerste lid stellen burgemeester en wethouders de aanvrager in de gelegenheid om binnen twee weken de door hen aan te geven ontbrekende gegevens over te leggen.
3. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.7 van dit hoofdstuk geven Burgemeester en wethouders een beschikking binnen twaalf weken nadat de aanvraag is ontvangen, dan wel de ontbrekende gegevens, als bedoeld in het tweede lid, genoegzaam zijn aangevuld. Zij kunnen, indien daartoe naar hun oordeel gegronde redenen bestaan, deze termijn met ten hoogste acht weken verlengen, mits zij de aanvrager daarvan kennisgeven binnen de termijn van twaalf weken.
1. Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3.6 van dit hoofdstuk worden de panden waarvoor de subsidie-aanvragen zijn ingediend gewaardeerd volgens een puntenschema op de navolgende criteria:
2. De volgorde van de honorering van de subsidieaanvragen wordt bepaald door de hoogte van het totale puntenaantal.
3. Bij een gelijk puntenaantal is het moment van binnenkomst van de volledige subsidieaanvraag bepalend.
4. Bij de volgordebepaling kunnen burgemeester en wethouders gebruik maken van het gestelde in artikel 3.2.2.
1. Burgemeester en wethouders verlenen geen subsidie indien:
2. In bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders afwijken van het bepaalde in het eerste lid onder c. en d.
1. De subsidie wordt verleend onder de voorwaarden dat:
2. Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen afwijken van het bepaalde in het eerste lid en daarnaast in het belang van het monument aanvullende voorwaarden verbinden aan het verlenen van subsidie.
1. Subsidie wordt verleend en vastgesteld onder de voorwaarde dat de eigenaar het monument conform het onderhoudsplan zal onderhouden.
2. De voorwaarden in dit artikel gelden gedurende een periode van 15 jaar na de vaststelling van de subsidie.
3. Mede ter invulling van het gestelde in het eerste lid dient de eigenaar jaarlijks, of op enig andere door burgemeester en wethouders aan te geven termijn, een bouwkundig inspectierapport te overleggen aan de afdeling Monumentenzorg, opgesteld door een naar het oordeel van burgemeester en wethouders onpartijdige deskundige, onder de verplichting om de in het rapport geconstateerde bouwtechnische gebreken te herstellen. burgemeester en wethouders kunnen zonodig een termijn stellen waarbinnen deze gebreken dienen te zijn hersteld.
1. Vaststelling van de subsidie vindt plaats nadat:
2. De hoogte van de vast te stellen subsidie wordt berekend op basis van de bij de voorlopige vaststelling aanvaarde kosten van voorzieningen of de werkelijke kosten van de voorzieningen als deze hoger dan wel lager zijn.
3. De gereedmelding als bedoeld in het eerste lid bevat:
4. Burgemeester en wethouders kunnen er mee instemmen dat de aanvrager in plaats van rekeningen en betalingsbewijzen een verklaring van een registeraccountant overlegt waaruit blijkt dat het overgelegde kostenoverzicht juist en volledig is.
1. De subsidie op termijn wordt uitbetaald na afloop van de in artikel 3.4., eerste lid bedoelde termijn.
2. De subsidie op termijn bij toepassing van artikel 3.5. wordt uitbetaald binnen vier weken na de hernieuwde vaststelling.
1. In geval van niet naleving van een of meer van de voorwaarden als bedoeld in dit hoofdstuk zullen burgemeester en wethouders al naar gelang de ernst van de overtreding:
2. Ingeval de niet naleving van de voorwaarden als bedoeld in dit hoofdstuk de eigenaar niet verwijtbaar is, kunnen burgemeester en wethouders besluiten de in het eerste lid genoemde sancties geheel of gedeeltelijk niet te treffen.
1. In deze verordening wordt verstaan onder:
2. Indien een onderneming wordt bestuurd door meer dan één ondernemer, worden deze ondernemers voor de toepassing van deze verordening als één ondernemer aangemerkt.
1. Geldelijke steun aan een ondernemer kan worden toegekend ten behoeve van:
2. Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen de desbetreffende raadscommissie gehoord bepalen dat een ondernemer wiens bedrijf gevestigd is buiten een stadsvernieuwingsgebied en die zijn omzet niet geheel of grotendeels verwerft in een stadsvernieuwingsgebied gelijkgesteld wordt met een ondernemer als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, indien:
3. Burgemeester en wethouders kunnen geldelijke steun toekennen ten behoeve van sanering van een door hen als zodanig aangewezen milieuhinderlijk bedrijf.
De sanering kan betrekking hebben op sanering ter plaatse, sanering door verplaatsing of sanering door beëindiging van het bedrijf.
In het algemeen zal steun voor sanering door verplaatsing slechts worden verleend, indien die vorm van sanering als de meest doelmatige kan worden beschouwd. Indien sanering ter plaatse het meest doelmatig is zal eventuele steun ten behoeve van de verplaatsing van het bedrijf niet méér bedragen dan de steun die bij sanering ter plaatse zal worden toegekend.
1. Geldelijke steun aan een ondernemer als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, wordt slechts toegekend:
2. Geldelijke steun aan een ondernemer als bedoeld in artikel 4.2, tweede lid, wordt slechts toegekend:
3. Geldelijke steun aan ondernemers als bedoeld in artikel 4.2, derde lid, wordt slechts toegekend:
1. Geldelijke steun aan een ondernemer wordt niet toegekend indien de ondernemer een bedrijf uitoefent dat ook als vrij beroep uitgeoefend kan worden of indien de ondernemer één of meer van de volgende bedrijven uitoefent:
2. Steun aan een ondernemer wordt niet toegekend, indien binnen een periode van vijf jaar nadat hem steun ingevolge de Beschikking steun bedrijven stadsvernieuwing 1978, de Verordening steun bedrijven stadsvernieuwing 1980 dan wel deze verordening is toegekend, tenzij:
3. Steun aan een ondernemer wordt niet toegekend voor zover een ondernemer geldelijke aanspraken ter zake heeft ontleend of kan ontlenen aan andere regelingen, van welke aard ook, met uitzondering van de Algemene Bijstandswet (Stb. 1963, 284), de Wet investeringsrekening (Stb. 178, 368) en de Hoofdlijnen bedrijfsbeëindigingshulp 1984 (Stcrt. 1983, nr. 216).
4. Het bepaalde in het derde lid geldt niet ter zake van bedrijfsbeindigingssteun, voor zover de geldelijke aanspraken, die de betrokkenen aan andere regelingen heeft ontleend of kan ontlenen, in mindering zijn of kunnen worden gebracht op uitkeringen ingevolge de Hoofdlijnen bedrijfsbeëindigingshulp 1984.
In geval van sanering ter plaatse dan wel van sanering door verplaatsing wordt de steun in ieder geval toegekend onder de voorwaarde, dat ten behoeve van het bedrijf de met het oog op de daarin of daardoor verrichte activiteiten vereiste vergunningen krachtens de in artikel 13.1 van de Wet milieubeheer genoemde wetten worden verleend.
1. De per ondernemer te verlenen steun bedraagt maximaal € 113.446,00, waarbij de in artikel 4.7 genoemde inkomenssteun niet wordt meegerekend.
2. De steun wordt rechtstreeks aan de ondernemer verleend.
3. Burgemeester en wethouders kunnen, wanneer het een sanering van een overeenkomstig artikel 4.2, derde lid, aangewezen milieuhinderlijk bedrijf betreft of in andere bijzondere gevallen, afwijken van de in dit artikel en de andere in dit hoofdstuk genoemde maximale steunbedragen.
1. Indien de winst van de ondernemer in het boekjaar waarin hij zijn aanvraag indient naar schatting lager is dan de gemiddelde winst over de laatste drie jaren, voorafgaand aan het jaar van de aanvraag en tevens lager is dan € 14.612,00, kan inkomenssteun voor deze winstdaling worden toegekend.
2. Het in lid 1 bepaalde geldt ook voor het jaar volgende op het boekjaar waarin de ondernemer zijn aanvraag indiende. De steun kan gedurende twee opvolgende jaren worden verleend.
3. Burgemeester en wethouders kunnen, indien de voortgang van het stadsvernieuwingsproces daartoe aanleiding geeft, bepalen dat de in lid 2 genoemde termijn wordt verlengd tot maximaal 4 jaar.
4. Burgemeester en wethouders kunnen in bijzondere gevallen het in lid 1 genoemde bedrag verhogen tot maximaal € 22.690,00.
5. De ondernemer dient aannemelijk te maken, dat de winstdaling een rechtstreeks gevolg is van de concrete uitvoering van stadsvernieuwing.
6. De steun bedraagt het verschil tussen de winst van de ondernemer in het boekjaar van zijn aanvraag dan wel het daarop volgende boekjaar en zijn in het eerste lid bedoelde gemiddelde winst, voor zover deze winst lager is dan € 14.612,00 en kan hoogstens € 14.612,00 per jaar bedragen.
7. De steun op grond van lid 4 bedraagt het verschil tussen de winst van de ondernemer in het boekjaar van zijn aanvraag dan wel het daarop volgend boekjaar en zijn in het eerste lid bedoelde gemiddelde winst, voor zover deze winst lager is dan het op grond van het vierde lid bepaalde maximum en kan hoogstens het op grond van lid 4 bepaalde maximum per jaar bedragen.
8. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd, indien in een bepaald geval naar hun mening bijzondere redenen aanwezig zijn, ontheffing te verlenen van het gestelde in het eerste lid wat betreft het tijdstip van aanvraag.
1. Indien de ondernemer, tevens eigenaar, in zijn bedrijfsruimte verbouwingen wil verrichten die noodzakelijk zijn voor de voortzetting van zijn bedrijf, kan steun worden toegekend. Indien het een sanering ter plaatse betreft kan hiervoor een saneringsbijdrage worden toegekend.
2. De steun wordt toegekend onder de voorwaarde dat bij het treffen van de in het eerste lid genoemde voorzieningen niet geheel of gedeeltelijk wordt gehandeld in strijd met artikel 3 van het Vestigingsbesluit bouwnijverheidsbedrijven 1958.
3. De steun zal een redelijke bijdrage in de kosten van de bedoelde verbouwingen of saneringsmaatregelen zijn.
1. Indien de ondernemer/huurder ten gevolge van verbouwingen of saneringsmaatregelen als bedoeld in artikel 4.8 een hogere huur moet gaan betalen, kan hem hiervoor een eenmalige bijdrage worden toegekend, voor zover deze hogere huur geen gevolg is van nietnoodzakelijke veranderingen in de aard en omvang van zijn bedrijfsactiviteiten.
2. De steun zal een redelijke bijdrage zijn, gebaseerd op het verschil tussen de oude en de nieuwe huur.
1. Aan de ondernemer in wiens bedrijfsruimte verbouwingen worden uitgevoerd of saneringsmaatregelen worden getroffen als bedoeld in artikel 4.8, kan voor de noodzakelijke herinrichting een bijdrage worden toegekend.
2. Artikel 4.8, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.
3. De steun zal een redelijke bijdrage zijn in de genoemde herinrichtingskosten.
1. Wanneer vanwege verbouwingswerkzaamheden of saneringsmaatregelen stagnatieschade optreedt kunnen burgemeester en wethouders steun toekennen.
2. De steun, in het eerste lid genoemd, zal ten hoogste € 273,00 per week bedragen over de periode dat het bedrijf stilligt tot ten hoogste zes weken in totaal.
1. Indien de ondernemer, tevens huurder, in verband met de verplaatsing van zijn bedrijf een hogere huur moet gaan betalen op de nieuwe vestigingsplaats, kan hem een eenmalige huurgewenningsbijdrage worden toegekend, voor zover deze hogere huur geen gevolg is van nietnoodzakelijke veranderingen in de aard en omvang van de bedrijfsactiviteiten.
2. De steun zal een redelijke bijdrage zijn, gebaseerd op het verschil tusen de oude en de nieuwe huur.
1. Indien de ondernemer tevens eigenaar, in verband met de verplaatsing van zijn bedrijf hogere huisvestingskosten krijgt op de nieuwe vestigingsplaats, kan hem hiervoor een bijdrage worden toegekend, voor zover deze hogere kosten geen gevolg zijn van nietnoodzakelijke veranderingen in de aard en omvang van de bedrijfsactiviteiten.
2. De steun zal een redelijke bijdrage zijn in het verschil tussen de waarde van de oude en de nieuwe bedrijfsruimte.
1. Aan de ondernemer die zijn bedrijf verplaatst kan worden toegekend:
2. De steun zal bedragen:
Aan een ondernemer kan voor de beëindiging van het bedrijf steun worden toegekend.
Een aanvraag dient te worden ingediend voordat de ondernemer overgaat tot uitvoering van activiteiten die tot steuntoekenning kunnen leiden.
1. Een aanvraag dient vergezeld te gaan van een advies uitgebracht door één of meerdere door burgemeester en wethouders toegelaten onafhankelijke instantie(s). De kosten van dit advies kunnen worden vergoed.
2. Alvorens op de aanvraag te beslissen kunnen burgemeester en wethouders binnen een door hen te bepalen termijn nadere gegevens van de ondernemer verlangen.
3. Burgemeester en wethouders beslissen omtrent de aanvraag binnen twee maanden na de dag waarop de aanvraag ontvangen is of binnen twee maanden nadat de in het derde lid bedoelde gegevens zijn ontvangen. Zij kunnen hun beslissing éénmaal voor ten hoogste twee maanden verdagen. Een afschrift van hun besluit tot verdaging zenden zij toe aan de aanvrager van de steun.
De ondernemer dient, voor zover dat redelijkerwijs voor de uitvoering van deze verordening nodig is, desgevraagd aan door burgemeester en wethouders respectievelijk door de in artikel 4.17, eerste lid, bedoelde onafhankelijke instantie(s) aangewezen personen gegevens te verstrekken, inzage te geven in zijn boeken en bescheiden en toegang te verlenen tot zijn bedrijfsruimten.
1. Burgemeester en wethouders bepalen bij hun besluit tot het toekennen van steun het steunbedrag, tenzij het betreft steun ingevolge artikel 4.7 van deze verordening.
2. De gegevens voor de vaststelling van de uitkering als bedoeld in artikel 4.7 dient de aanvrager binnen dertien weken na afloop van het boekjaar waarop de uitkering betrekking heeft aan burgemeester en wethouders te verstrekken.
Burgemeester en wethouders bepalen binnen acht weken nadat deze gegevens zijn ontvangen het definitieve steunbedrag.
3. Indien gunstig wordt beslist op de aanvraag om geldelijke steun kan aan de aanvrager in daartoe aanleiding gevende gevallen een voorschot worden verstrekt.
4. Het voorschot wordt verrekend bij de definitieve uitbetaling. Deze uitbetaling vindt plaats zodra de ondernemer heeft aangetoond dat de activiteiten waarvoor de steun is toegekend conform de overgelegde bescheiden zijn verricht.
5. De ondernemer moet zich verbinden de als voorschot ontvangen steun terstond als onverschuldigd betaald te restitueren, indien en voor zover de activiteiten, waarvoor de steun is toegekend, niet binnen redelijke termijn en conform de overgelegde bescheiden zijn verricht.
In het kader van de stadsvernieuwing kan een bijdrage verleend worden aan sociaalculturele instellingen.
Ten behoeve van de stadsvernieuwing kan een bijdrage worden toegekend aan huurders: o.m. voor huurdersondersteuning.
Aan woningcorporaties kan een bijdrage worden toegekend
Deze verordening kan worden aangehaald als Subsidieverordening stadsvernieuwing.
1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 1985.
2. Op de in het eerste lid genoemde datum vervallen de Verordening Steun Bedrijven Stadsvernieuwing 1980 (Gemeenteblad L.50) en het raadsbesluit van 2 mei 1983, nr. 131 inzake subsidiëring rioleringen (Gemeenteblad H.65).