Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Gemeente Leiderdorp

BELEIDREGELS BIJZONDERE BIJSTAND 2005

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente Leiderdorp
Officiële naam regelingBELEIDREGELS BIJZONDERE BIJSTAND 2005
CiteertitelOnbekend
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Onbekend

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

25-11-2005Onbekend

25-10-2005

Onbekend

Onbekend
25-11-200501-01-2010

 

 

Tekst van de regeling

Intitulé

BELEIDREGELS BIJZONDERE BIJSTAND 2005

BELEIDREGELS BIJZONDERE BIJSTAND 2005

Afdeling Werk, Inkomen en Zorg

Gemeente Leiderdorp

November 2005

     

INHOUDSOPGAVE

 

1

1

   

INLEIDING

 

3

 

1.1

 

Uitgangspunten WWB

 

3

 

1.2

 

Inkomensbeleid en categoriale voorzieningen

 

3

 

1.3

 

Doelstelling

 

3

 

1.4

 

Doelgroepen

 

4

2

   

DE INSTRUMENTEN

 

5

 

2.1

 

Bijzondere bijstand

 

5

 

2.2

 

Langdurigheidstoeslag

 

5

 

2.3

 

Gemeentelijk Minimabeleid

 

6

 

2.4

 

Categoriale bijzondere bijstand

 

6

   

2.4.1

Uitgangspunten Categoriaal beleid

 

6

   

2.4.2

Chronisch zieken, gehandicapten en ouderen

 

7

   

2.4.3

Collectieve Aanvullende Ziektekostenverzekering

 

7

 

2.5

 

Kwijtschelding gemeentelijke belastingen

 

7

 

2.6

 

Schuldhulpverlening

 

7

3

   

DE BELEIDSREGELS

 

8

 

3.1

 

Beleidsregels en werkinstructies

 

8

 

3.2

 

Juridische overwegingen

 

8

   

3.2.1

Financiele overwegingen

 

9

   

3.2.2

Overige overwegingen

 

9

 

3.3

 

Financien en bezuinigingen

 

9

   

3.3.1

Toename beroep op bijzondere bijstand

 

10

   

3.3.2

Situatie in Leiderdorp

 

10

 

3.4

 

Samenvatting

 

10

4

   

DE PRAKTIJK (uitvoering en regels)

 

11

 

4.1

 

De aanvraag Bijzondere Bijstand

 

11

   

4.1.a

Doelgroep

 

11

   

4.1.b

Kostensoort

 

11

   

4.1.c

Periodiciteit

 

11

   

4.1.d

Berekening en vaststelling van de draagkracht

 

11

 

4.2

 

De aanvraag Langdurigheidstoeslag

 

12

   

4.2.a

Doelgroep

 

12

   

4.2.b

Periodiciteit

 

12

 

4.3

 

De aanvraag Minimabeleid

 

13

   

4.3.a

Doelgroep

 

13

   

4.3.b

Kostensoort

 

13

   

4.3.c

Periodiciteit

 

13

   

4.3.d

Het vermogen

 

13

   

4.3.e

De hoogte van de bijdrage

 

13

 

4.4

 

De aanvraag voor Categoriale Bijstand

 

14

   

4.4.1

De Chronisch Zieke en de Gehandicapte

 

14

   

4.4.1a

Doelgroep

 

14

   

4.4.1b

Kostensoort

 

14

   

4.4.1c

Periodiciteit

 

14

   

4.4.1d

Berekening en vaststelling van de draagkracht

 

14

   

4.4.1e

Hoogte van de categoriale bijzondere bijstand

 

14

   

4.4.2

De Collectieve Aanvullende Ziektekostenverzekering

 

15

   

4.4.2a

Doelgroep

 

15

   

4.4.2b

Kostensoort

 

15

   

4.4.2c

Periodiciteit

 

15

 

4.5

 

Kwijtschelding Gemeentelijke Belastingen

 

15

   

4.5.a

Doelgroep

 

15

   

4.5.b

Kostensoort

 

15

   

4.5.c

Periodiciteit

 

15

 

4.6

 

Schuldhulpverlening

 

16

   

4.6.a

Doelgroep

 

16

   

4.6.b

Kostensoort

 

16

   

4.6.c.

Periodiciteit

 

16

5

   

VERSTREKKING VAN DE BIJZONDERE BIJSTAND

 

17

 

5.1

 

De aanvraag Bijzondere Bijstand

 

17

   

5.1.1

Premie Particuliere Ziektekostenverzekering

 

17

   

5.1.2

Brillen

 

17

   

5.1.3

Specifiek Medische Kosten

 

17

   

5.1.4

Begrafeniskosten

 

18

   

5.1.5

Onder bewindstelling

 

19

   

5.1.6

Curatele

 

19

   

5.1.7

Rechtsbijstand

 

20

   

5.1.8

Bijzondere Bijstand 18 t/m 20 jarigen niet in een inrichting

 

21

   

5.1.9

Bijzondere Bijstand 18 t/m 20 jarigen in een inrichting

 

21

   

5.1.10

Verhaal bijzondere bijstand bij jongeren

 

21

   

5.1.11

Indirecte schoolkosten voor schoolgaande kinderen

 

22

   

5.1.12

Babyuitzet

 

22

   

5.1.13

Maaltijdvoorziening

 

24

   

5.1.14

Verzorging en hulp

 

25

   

5.1.15

Communicatie en alarmering

 

26

   

5.1.16

Stookkosten

 

27

   

5.1.17

Reiskosten bezoek zieke familieleden

 

28

   

5.1.18

Reiskosten bezoek CWI

 

28

   

5.1.19

Bewassing en kledingslijtage

 

29

   

5.1.20

Toeslag bijzondere bijstand voormalig alleenstaande ouder

 

29

   

5.1.21

Inrichtingskosten

 

30

   

5.1.22

Verhuiskosten

 

31

   

5.1.23

Eerste huur en administratiekosten

 

32

   

5.1.24

Woonkostentoeslag huurders

 

32

   

5.1.25

Woonkostentoeslag Eigenaren

 

34

   

5.1.26

Overbruggingskosten

 

35

   

5.1.27

Krediethypotheek

 

36

   

5.1.28

Vaste lasten bij verblijf in inrichting

 

36

   

5.1.29

Leges voor verblijfsvergunningen en naturalisatie

 

36

   

5.1.30

Vaste lasten woning gedetineerde

 

37

   

5.1.31

Reiskosten bezoek aan gedetineerde

 

37

   

5.1.32

Kinderopvang op basis van Sociaal medische indicatie

 

38

   

5.1.33

Verstrekken van Leenbijstand of Borgtocht

 

38

   

5.1.34

Scholingskosten Inburgering

 

39

6

   

COMMUNICATIE EN VOORLICHTING

 

40

 

6.1

 

Inleiding

 

40

 

6.2

 

Communicatie (website, Soza Actueel)

 

40

 

6.3

 

Voorlichting (intake- en heronderzoekgesprekken)

 

40

7

   

FINANCIEN (indexering)

 

40

8

   

ACTUALISERING

 

40

1

   

INLEIDING

 

1.1

 

Uitgangspunten Wet werk en bijstand (WWB)

Het motto van de nieuwe wet is “Werk boven inkomen”. Het uitgangspunt van de Wet werk en bijstand (WWB) is dat iedere Nederlander geacht wordt zelfstandig in zijn bestaan te kunnen voorzien door middel van arbeid (de eigen verantwoordelijkheid van de burger staat centraal). Als dit niet mogelijk is en er geen andere voorzieningen beschikbaar zijn, heeft de overheid (gemeente) de taak haar/hem te helpen met het zoeken naar werk (reïntegratie) en, zolang met werk nog geen zelfstandig bestaan mogelijk is, met inkomensondersteuning (bijstandsuitkering en het Minimabeleid (incl. bijzondere bijstand)).

 

1.2

 

Inkomensbeleid en categoriale voorzieningen

In de WWB zijn de categoriale regelingen voor personen jonger dan 65 jaar afgeschaft. Het vervallen van deze gemeentelijke regelingen sluit aan bij het uitgangspunt dat het inkomensbeleid(politiek) voorbehouden dient te zijn aan het Rijk en de beleidsruimte voor gemeenten om een eigen inkomensbeleid te voeren moet worden beperkt. Door de afschaffing van de categoriale bijzondere bijstand wordt een einde gemaakt aan ongelijke inkomensondersteuning en krijgt de bijzondere bijstand weer de oorspronkelijke maatwerkfunctie terug. Daarnaast draagt de afschaffing bij aan het verminderen van de armoedeval en tevens aan meer rechtsgelijkheid.

 

1.3

 

Doelstelling(en)

Het doel van deze notitie is om beleidsregels te formuleren ter uitvoering van aanvragen voor bijzondere bijstand in het kader van de WWB en het formuleren van het Leiderdorpse minimabeleid.

Uitgaande van deze doelstelling wordt als uitgangspunt genomen om de beschikbare middelen in eerste instantie in te zetten voor individuele bijstandsvoorzieningen ten behoeve van de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan. Dit is bij uitstek de vangnetfunctie van de WWB.

Het Leiderdorps beleid moet herkenbaar worden vastgelegd en eenvoudig toepasbaar zijn voor de uitvoering (Afdeling Werk, inkomen en Zorg) en de klant. In deze uitvoeringsnotitie worden alle mogelijk- en onmogelijkheden op een rijtje gezet. Daarbij zal worden gelet op de individuele situatie van de klant en de financiële mogelijkheden van de gemeente. Doelgroepen zullen worden benoemd en de verschillende instrumenten nader worden omschreven. Jaarlijkse bijstelling van deze uitvoeringsnotitie zal worden beoordeeld aan de hand van de actuele situatie (financieel (indexeringen), economisch (budgetten), wetswijzigingen etc.).

 

1.4

 

Doelgroepen

De doelgroepen voor aanvullende inkomensondersteuning zijn groter dan alleen de doelgroep met een WWB-uitkering (zie onderstaand overzicht).

Doelgroepen en instrumenten aanvullende inkomensondersteuning vanuit de WWB

Doelgroep

Bijz. Bijst.

langdurigheidtoeslag

Lokaal

Minima beleid

WWB

Ja

Ja, zonder arbeidsperspectief

Ja

IOAW

Ja

Ja, zonder arbeidsperspectief

Ja

WAO

Ja

Ja, arbeidsongeschikt 80-100%

Ja

WAJONG

Ja

Ja, arbeidsongeschikt 80-100%

Ja

ANW

Ja

Ja

Ja

AOW

Ja

Neen

Ja

WW

Ja

Neen

Ja

Inkomen op

bijstandsniveau

Ja

Neen

Ja

NB. De hoogte van het inkomen en de draagkracht  zijn maatgevend of de klant in aanmerking komt voor de inkomensondersteunende instrumenten.

2

   

DE INSTRUMENTEN

 

2.1

 

Bijzondere Bijstand

Voor de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan, die niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidtoeslag, het vermogen of het inkomen (op bijstandsniveau), kan bijzondere bijstand worden aangevraagd. Het gaat daarbij om de individuele situatie van de belanghebbende.

De noodzakelijke kosten vallen onder de individuele bijzondere bijstand als:

  • 1.

    Een toets plaatsvindt van de individuele bijzondere omstandigheden (die omstandigheden zelf kunnen in beleidsregels worden vastgelegd); én

  • 2.

    daarbij is vastgesteld tot welke kosten die bijzondere omstandigheden leiden (zie kostensoorten onder hoofdstuk 4); én

  • 3.

    daarbij is vastgesteld tot welk bedrag de kosten niet kunnen worden voldaan uit de norm en de aanwezige draagkracht; én

  • 4.

    daarbij is vastgesteld of, en zo ja tot welk bedrag, de betrokkene kosten maakt.

Op grond van de regelgeving van de Wet werk en bijstand heeft het College van burgemeester en wethouders bij het verlenen van individuele bijzondere bijstand volledige vrijheid en bepaalt het dus zelf de uitvoeringsregels. Bij het vastleggen van deze uitvoeringsregels blijft de kans aanwezig dat deze er toe leiden dat categorievorming ontstaat rond bepaalde groepen aanvragers en rond bepaalde kostensoorten. Bij de vormgeving van het bijzondere bijstandbeleid worden de kaders voor een belangrijk gedeelte bepaald door de wet en dus ook het mogelijke maatwerk.

Voorgesteld wordt om met de verstrekking van bijzondere bijstand volgens het “maatwerk” principe door te gaan.

 

2.2

 

Langdurigheidtoeslag

Per 1 januari 2004 is een structurele (onder de WWB, artikel 36) langdurigheidtoeslag onder bepaalde voorwaarden ingesteld voor personen van 23 jaar tot 65 jaar die minstens vijf jaar ononderbroken aangewezen zijn geweest op een inkomen op het sociaal minimum. Deze toeslag wordt op aanvraag beschikbaar gesteld. Het gaat hier met name om de doelgroepen die geen perspectief op de arbeidsmarkt hebben en die ook in de afgelopen vijf jaar geen inkomsten uit arbeid of in verband met arbeid hebben ontvangen.

De langdurigheidtoeslag geldt dus niet voor 65-plussers met een sociaal minimum, omdat voor de betreffende doelgroep een inkomensverbetering in de AOW is doorgevoerd.

De langdurigheidtoeslag wordt niet gefinancierd vanuit het budget bijzondere bijstand, maar uit het “Inkomensdeel” vanuit het Fonds Werk en Inkomen van de WWB.

In 2004 is de beleidsregel “Langdurigheidtoeslag 2004” vastgesteld. Hierin zijn de uitvoering en het huidige beleid beschreven. In 2005 is volgens deze richtlijnen uitvoering gegeven aan de regeling. Ook voor 2006 wordt dezelfde lijn voorgesteld en zullen de hoofdlijnen uit deze beleidsregels in deze notitie worden opgenomen zodat alle beschikbare inkomensondersteunende instrumenten bij elkaar beschreven staan.

 

2.3

 

Gemeentelijk Minimabeleid

Het gemeentelijke minimabeleid kon voor de invoering van de WWB meerdere regelingen omvatten, te weten kwijtschelding van gemeentelijke belastingen en heffingen, schuldhulpverlening, maatschappelijke participatie zoals stadspassen en categoriale regelingen die niet onder de bijzondere bijstand vallen.

In de WWB is er dus geen ruimte meer voor eigen gemeentelijk categoriaal beleid inzake bijzondere inkomensaanvulling. Algemeen, generiek inkomensbeleid is voorbehouden aan het Rijk. Dit geldt ook voor het gemeentelijke minimabeleid vanaf 1 januari 2004.

Het college is wel bevoegd beleid te voeren inzake de kwijtschelding van gemeentelijke belastingen en heffingen, de schuldhulpverlening en de voorzieningen voor maatschappelijke participatie.

De bevoegdheid tot kwijtschelding van gemeentelijke belastingen en heffingen ontleent het college aan artikel 255 Gemeentewet. De kwijtscheldingsnorm voor gemeentelijke belastingen en heffingen is landelijk geregeld.

Ten aanzien van het beleid met betrekking tot de voorzieningen voor maatschappelijke participatie, geldt dat deze, evenals onder de Abw, uitsluitend betrekking mogen hebben op sociaal-culturele en sportieve activiteiten.

 

2.4

 

Categoriale bijzondere bijstand

Het college kan naast individuele bijzondere bijstand ook categoriale bijzondere bijstand (artikel 35 lid 3 WWB) verlenen voor bijzondere kosten. Deze bevoegdheid heeft het college ten aanzien van chronisch zieken, gehandicapten en personen van 65 jaar of ouder (wordt onder 2.4.2 nader beschreven). Daartoe kan het doelgroepen aanwijzen waarvan aannemelijk is dat die zich in bijzondere omstandigheden bevinden die leiden tot bepaalde noodzakelijke kosten van het bestaan waarin de algemene bijstand niet voorziet.

Daarnaast heeft het college de bevoegdheid om ook ten aanzien van belanghebbenden jonger dan 65 jaar een categoriale bijstand te verlenen in de vorm van een collectieve ziektekostenverzekering (zie onder 2.4.3).

Voor de verlening van bijzondere bijstand voor de betreffende kosten is het dan voldoende om vast te stellen dat men tot de doelgroep behoort. Een verdergaande individuele toetsing kan dan, met uitzondering van de draagkracht, achterwege blijven.

De verlening van categoriale bijzondere bijstand sluit de verlening van individuele bijzondere bijstand geenszins uit. Dit blijft te allen tijde mogelijk, met name voor diegenen die niet tot de door de gemeente aangewezen doelgroepen behoren.

   

2.4.1

Ontwikkeling categoriaal beleid

Bij het ontwikkelen van categoriaal beleid voor chronisch zieken, gehandicapten en ouderen kan de gemeente de volgende uitgangspunten hanteren:

  • 1.

    Vaststelling van de doelgroep zelf door middel van het stellen van criteria waaraan moet zijn voldaan.

  • 2.

    Vaststelling bedrag aan categoriale bijzondere bijstand aan de hand van aannemelijke niet zichtbare kosten die de doelgroep heeft.

  • 3.

    Vaststelling van specifieke voorwaarden met betrekking tot de hoogte van het inkomen en het vermogen (draagkrachtcriteria) waaraan financiële positie van personen die in de doelgroep vallen, worden getoetst.

   

2.4.2

Chronisch zieken, gehandicapten en ouderen

Handicaps en chronische ziekten kunnen fysiek, verstandelijk of psychisch van aard zijn. In literatuur, wetenschappelijk onderzoek en wetten zijn uiteenlopende definities te vinden van chronische ziekte en handicap. Duur, ernst en verloop zijn punten die vaak in de definities zijn opgenomen. Als voorbeelden van chronisch ziekten kunnen worden genoemd cara (o.a. astma), diabetes mellitus, epilepsie, reuma, lever- en darmziekten, spierziekten, migraine, nierziekten, hartafwijkingen, hemofilie, cystic fibrosis, chronische artritis en kanker.

Bij de bepaling van de doelgroep is het van belang dat op een zo eenvoudig mogelijke wijze kan worden vastgesteld of iemand tot die groep behoort. Gebureaucratiseerde indicatiestelling leidt tot grote druk op de uitvoering en navenante kosten, schrikt af en leidt tot niet-gebruik. Aansluiting bij bepaalde kosten (zoals buitengewone uitgaven) en bestaande indicaties verdient de voorkeur.

Voor ouderen is de leeftijdsgrens van 65 jaar een algemeen aanvaard criterium.

   

2.4.3

Collectieve Aanvullende Ziektekostenverzekering

Artikel 10, tweede lid, Invoeringswet WWB, staat gemeenten toe om bestaande collectieve aanvullende ziektekostenverzekeringen af te sluiten (CAV) voort te zetten en nieuwe collectieve aanvullende ziektekostenverzekeringen af te sluiten. Door de beperking van het ziekenfondspakket hebben de verzekeraars hun aanvullende verzekering uitgebreid. Door het afsluiten van een CAV kunnen de gemeenten de toegankelijkheid van de verzekering voor minima vergroten en de tegemoetkoming in medische kosten verbeteren. Een CAV kan leiden tot terugdringing van het aantal aanvragen voor bijzondere bijstand en daarmee tot verlaging van de uitvoeringskosten. Voorts kan bij een CAV een drempelloze toegang tot de verzekering worden geregeld, zodat de belanghebbende niet wordt geconfronteerd met een wachttijd of van verzekering uitgesloten kosten.

 

2.5

 

Kwijtschelding gemeentelijke belastingen

Kwijtschelding van gemeentelijke belastingen blijft mogelijk. Het is aan de gemeente om daar regels voor op te stellen. Vooralsnog betreft het kwijtschelding voor de WOZ en de afvalstoffenheffingen en de rioolbelasting. Het gaat om een 100% regeling waarbij de volledige belasting wordt kwijtgescholden aan personen of huishoudens met een minimuminkomen (100% van de bijstandsnorm).

 

2.6

 

Schuldhulpverlening

Schuldhulpverlening staat los van de overige regelingen voor de minima. In principe geldt hier geen inkomensgrens. De schuldhulpverlening bestaat uit een drietal onderdelen. Schuldsanering (bemiddeling om lopende schulden te saneren), Budgetbegeleiding (hoe ga ik om met mijn inkomsten en uitgaven?) en uiteindelijk als sanering niet lukt een aanvraag doen voor WSNP (Wet schuldsanering natuurlijke personen). In het laatste geval doet de rechter een uitspraak over de sanering. Dit proces bestaat uit tenminste 3 jaar aflossing op maximale (draagkracht) capaciteit.

3

   

DE BELEIDSREGELS

 

3.1

 

Beleidsregels en werkinstructies

Beleidsregels en werkinstructies kunnen bijdragen aan de rechtsgelijkheid en rechtszekerheid en mede van belang zijn voor de doelmatigheid van de uitvoering. Door de afschaffing van de categoriale bijzondere bijstand is het echter niet meer mogelijk om bijzondere bijstand te verstrekken zonder dat behoeft te worden vastgesteld of de betreffende kosten voor de betrokkene ook daadwerkelijk noodzakelijk zijn of gemaakt zijn. Dit impliceert dat bij de toetsing van een aanvraag aan de beleidsregels rekening dient te worden gehouden met de feitelijke noodzaak van de kosten.

Ook bij de verlening van bijzondere bijstand aan chronisch zieken, ouderen en gehandicapten zijn beleidsregels en werkinstructies van groot belang. Door beleidsregels op te stellen, maakt de gemeente een meetlat voor het maatwerk. Toetsing van de individuele omstandigheden van de aanvrager aan deze meetlat bepaalt welk bedrag er aan individuele bijzondere bijstand wordt verstrekt.

Als de gemeente de beleidsregels kenbaar maakt, dragen de regels niet alleen bij aan een effectieve en efficiënte uitvoering, maar dragen zij ook bij aan de rechtszekerheid en aan het terugdringen van niet-gebruik. De burger weet dan namelijk waar hij aan toe is. Daarnaast voorziet de Algemene wet bestuursrecht in een plicht om beleidsregels te publiceren.

 

3.2

 

Juridische overwegingen

Burgemeester en wethouders kunnen in het kader van de bijzondere bijstand rekening houden met:

  • ·

    de draagkracht van belanghebbende (toelichting artikel 35 WWB). Zij hebben hierbij de volledige vrijheid. Dit betekent dat zij zelf bepalen welk deel van de middelen bij de vaststelling van de draagkracht in aanmerking wordt genomen;

  • ·

    de vermogensvrijlatingen op grond van artikel 34 WWB zijn niet verplicht van toepassing op de bijzondere bijstand;

  • ·

    hetzelfde geldt ten aanzien van de toe te kennen langdurigheidstoeslag; deze kan een gemeente in mindering brengen op het vast te stellen bedrag van bijzondere noodzakelijke kosten;

  • ·

    de vrijlating van bepaalde middelen die op basis van de WWB van toepassing is voor de verstrekking van algemene bijstand is niet verplicht van toepassing op de bijzondere bijstand en geeft het college beleidsvrijheid om te bepalen hoe hier mee omgegaan wordt;

  • ·

    de mogelijkheid om een drempelbedrag te hanteren blijft bestaan (artikel 35, tweede lid WWB).

  • ·

    bij de vaststelling van het in aanmerking te nemen inkomen kan het college rekening houden met eventuele buitengewone lasten van de belanghebbende en/of overige persoonlijke omstandigheden.

   

3.2.1

financiële overwegingen

Het zo hoog mogelijk vaststellen van de draagkracht door het gehele vermogen in aanmerking te nemen en op het inkomen geen vrijlatingen toe te passen en eventuele buitengewone lasten en overige persoonlijke omstandigheden buiten beschouwing te laten, leidt uiteraard tot een vermindering van de uitgaven aan bijzondere bijstand.

Daarbij kan overwogen worden dat eventueel aanwezig vermogen binnen de bijstand juist aangewend dient te worden om in bepaalde incidentele kosten te kunnen voorzien en dat veel buitengewone lasten gecompenseerd worden via bijvoorbeeld de belasting, huursubsidie of andere regelingen. Voor zover deze regelingen een maximum kennen is dat wellicht een bewuste keuze die niet bedoeld is om op de WWB af te wentelen.

Daarbij dient echter wel overwogen te worden dat bedoelde extra faciliteiten al aangesproken worden door de extra kosten waarvoor deze verstrekt worden en dus niet nogmaals ingezet kunnen worden.

Als daarentegen voor de bepaling van de draagkracht wordt uitgegaan van hetzelfde inkomen en vermogen zoals dat al is vastgesteld voor de algemene bijstand, levert dit een consequente en eenduidige lijn op die ook in de uitvoering gemakkelijk gehanteerd kan worden.

   

3.2.2

Overige overwegingen

De staatssecretaris adviseert om bij de uitvoering van de individuele bijzondere bijstand zo efficiënt mogelijk te werken.

Dit kan in de vorm van:

  • ·

    Werken met standaardformulieren;

  • ·

    Slechts steekproefsgewijs bewijsstukken opvragen bij de klant;

  • ·

    Controle slechts boven een bepaald bedrag toe te passen;

  • ·

    Risicoprofielen toepassen.

De gemeente kan er ook voor kiezen om de controle niet afzonderlijk uit te voeren, maar die bijvoorbeeld te laten samenvallen met een heronderzoek.

Bij het doen van voorstellen is als uitgangspunt genomen de intentie van de WWB om een zo efficiënt en doelmatige mogelijke uitvoering van de wet te bevorderen.

 

3.3

 

Financiën en bezuinigingen

Landelijk gezien wordt er in 2005 op een budget van € 510 miljoen, het zogeheten fictief budget bijzondere bijstand, een bedrag van € 220 miljoen bezuinigd. Er is € 70 miljoen bezuinigd in verband met de afschaffing van de mogelijkheid om categoriale bijzondere bijstand te verstrekken en € 150 miljoen in verband met de beperking van het gemeentelijk minimabeleid.

   

3.3.1

Toename beroep op bijzondere bijstand

In 2006 is een groter beroep op bijzondere bijstand te verwachten. Voor een gedeelte wordt dit veroorzaakt door economische ontwikkelingen. De oplopende werkloosheid zal ongetwijfeld een groter aantal bijstandsgerechtigden tot gevolg hebben. Dit effect wordt versterkt door de voorgenomen ingrepen in de WW en de WAO.

   

3.3.2

Situatie in Leiderdorp

Vooralsnog is in de begroting 2005 van gemeente Leiderdorp in totaal een bedrag voor bijzondere bijstand gereserveerd van € 240.876,00 De verwachting is dat de benodigde bijzondere bijstand voor 2005 € 340.000.00 zal zijn. In principe zou dat dus een tekort opleveren voor de gemeente van € 100.000,00. De minister heeft alsnog toegezegd € 80.000.000,00 extra uit te willen trekken voor gemeenten in het kader van minimabeleid (hoe dit uitgekeerd gaat worden door het Rijk is nog onbekend). De verwachting is dat dit voor Leiderdorp een bedrag van € 80.000,00 zal zijn, waardoor er geen financieel risico gelopen wordt met betrekking tot de bijzondere bijstand. Er zou in dit geval een bedrag overblijven van € 20.000,00

N.B. De gemeenten kunnen beschikken over een bedrag van € 20 miljoen dat door werkgevers in het gemeentefonds is gestort voor de verlening van bijzondere bijstand aan chronisch zieken en gehandicapten. Voorts is aan het bedrag voor bijzondere bijstand in het gemeentefonds € 11 miljoen toegevoegd ter compensatie van het feit dat bij verlening van bijzondere bijstand voor feitelijke kosten geen beroep kan worden gedaan op Besluit Uitkeringen/Tijdelijk Besluit Uitkeringen. Dit levert voor Leiderdorp geen besparing op aangezien tegenover de inkomsten ook weer uitgaven voor chronisch zieken en gehandicapten staan.

 

3.4

 

Samenvatting

Wie komt in aanmerking?

Personen die

  • ·

    noodzakelijke kosten – naar het oordeel van het college van B&W - niet kunnen betalen uit de bijstandsnorm en/of uit eigen draagkracht in inkomen en/of eigen vermogen. Bijzondere bijstand is, voor zover het niet één van de categoriale regelingen betreft die onder de WWB zijn toegestaan – gestoeld op individuele basis en ter beoordeling van de gemeente;

  • ·

    iedereen kan aanvragen, niet alleen personen met een bijstandsuitkering.

Categoriaal geregeld zijn:

  • ·

    de collectieve aanvullende ziektekostenverzekeringen;

  • ·

    extra uitgaven/kosten voor 65-plussers;

  • ·

    de kosten van chronische ziekten en handicaps.

  • ·

    Alarmering

  • ·

    maaltijdvoorziening

Regelingen die onder het gemeentelijk minimabeleid vallen en die door de gemeenten zelf kunnen worden ingesteld, dan wel gehandhaafd, zijn:

  • ·

    kwijtschelding van gemeentelijke heffingen;

  • ·

    schuldhulpverlening;

  • ·

    sociaal-culturele activiteiten die uitsluitend zijn gericht op maatschappelijke participatie

4

   

DE PRAKTIJK (uitvoering en regels)

 

4.1

 

De Aanvraag Bijzondere Bijstand

   

4.1.a

Doelgroep

Bijzondere bijstand kan door alle inwoners van de gemeente Leiderdorp worden aangevraagd De eerste toets vindt dan ook plaats in de Gemeentelijke Basis Administratie (GBA). Naast het woonplaatscriterium is ook vaststelling van het inkomen en vermogen noodzakelijk.

   

4.1.b

Kostensoort

Bijzondere bijstand kan veelomvattend zijn. In principe kan voor alle (noodzakelijke) kosten bijstand worden aangevraagd. In hoofdstuk 5 zal op de diverse kostensoorten (bijv. brillen, tandartskosten etc.) nader worden ingegaan. Bij de aanvraag zal rekening worden gehouden met voorliggende voorzieningen (Ziektekostenverzekering, AWBZ).

   

4.1.c

Periodiciteit

Een aanvraag bijzondere bijstand wordt in de meeste gevallen voorafgaande aan de te maken kosten aangevraagd. Zodoende kan toestemming of afwijzing plaatsvinden. De regel is dus dat de kosten voor bijzondere bijstand en/of minimabeleid vooraf dienen te worden aangevraagd. In de situaties dat op zwaarwegende redenen alsnog wordt besloten de aanvraag bijzondere bijstand alsnog in behandeling te nemen sluit de termijn in ieder geval na 3 maanden na afloop van het kalenderjaar waarin de kosten zijn gemaakt.

Indien het gaat om medische kosten (tandarts, specialist, etc.) kan aan de GGD worden gevraagd de aanvraag te beoordelen op noodzakelijkheid (en de goedkoopste en adequate oplossing). Van belang voor de aanvraag is ook de vaststelling van de duur van de bijstand (bijv. thuishulp, kinderopvang etc.), immers de situatie van de aanvrager kan zodanig wijzigen dat bijstand niet meer nodig is.

   

4.1.d

Berekening en vaststelling draagkracht

Voor de berekening en de vaststelling van de draagkracht moeten de volgende uitgangspunten worden gehanteerd:

vaststelling van het inkomen;

Het voor de draagkracht in aanmerking te nemen inkomen wordt bepaald aan de hand van het - meest waarschijnlijke - inkomen gedurende de draagkrachtperiode.

In aanmerking te nemen inkomen.

Voor de draagkrachtbepaling wordt uitgegaan van het inkomen van het gezin.

Onder het gezinsinkomen wordt verstaan alle inkomsten behalve de inkomsten die worden vrijgelaten in artikel 31 lid 2 Wwb.

Deze inkomsten worden niet tot de middelen van het gezin gerekend.

In aanmerking te nemen vermogen.

Voor draagkrachtbepaling wordt uitgegaan van het gehele in aanmerking te nemen vermogen, voorzover dit hoger ligt dan tweemaal de toepasselijke bijstandsnorm afgerond op € 100,00 naar boven.

Het draagkrachtpercentage;

Het draagkrachtpercentage is het percentage dat toegepast wordt op de draagkracht (verschil tussen netto inkomen en de bijstandsnorm). Dit percentage van de draagkracht op jaarbasis dient de klant zelf te betalen. Voor de meerkosten kan bijzondere bijstand worden verstrekt. Bij een inkomen tot 110% van het sociaal minimum (lees bijstandsnorm) wordt de draagkracht op nihil gesteld. Bij een inkomen boven de 110% wordt over de eerste € 400,00 20% draagkracht berekend en over het meerdere 100%.

 

de draagkrachtperiode;

De draagkrachtperiode is vastgesteld op de periode vanaf de maand van aanvraag plus 11 (totaal 12) maanden. De gemeente is vrij om deze periode, als blijkt dat deze niet werkbaar is, bij te stellen. Wanneer een periodieke voorziening korter duurt dan 12 maanden dient de draagkrachtperiode over deze duur te worden te worden vastgesteld.

 

4.2

 

De Aanvraag Langdurigheidtoeslag

   

4.2.a

Doelgroep

De doelgroep voor de Langdurigheidtoeslag is exact omschreven in beleidsregels Langdurigheidtoeslag 2004. De aanvrager moet tenminste 5 jaar een minimuminkomen genoten hebben zonder activiteiten (inkomsten) op de arbeidsmarkt.

   

4.2.b

Periodiciteit

Het betreft in inkomensondersteuning die 1 maal per jaar kan worden aangevraagd. De exacte criteria zijn in de WWB vastgelegd onder artikel 36.

 

4.3

 

De Aanvraag Gemeentelijk Minimabeleid (Cultuur,Educatie en recreatie)

   

4.3.a

Doelgroep

De doelgroep voor het Gemeentelijk Minimabeleid kan als volgt worden omschreven.

Inwoners van Leiderdorp kunnen een aanvraag indienen voor zichzelf, de eventuele partner en thuiswonende kinderen als zij:

  • ·

    zelfstandig wonen en;

  • ·

    op de datum van aanvraag een netto-maandinkomen (bijv. loon, AOW, Anw,

particulier pensioen etc.) hebben dat lager of gelijk is aan 110 % van de geldende bijstandsnorm; en

· geen studiefinanciering ontvangen

Voor de aanvraag gemeentelijk minimabeleid is een verkort aanvraagformulier van toepassing.

   

4.3.b

Kostensoort

Meedoen op de club, in het zangkoor, op dansles gaan, een leuke cursus volgen, naar het voetbal. Wie wil dat niet? De gemeente vindt het belangrijk dat mensen met een smalle beurs kunnen deelnemen aan activiteiten.

De volgende kosten komen voor vergoeding in aanmerking

kosten cursussen:

·inschrijfkosten en lesgeld bij deelname aan cursussen bij de Volksuniversiteit en Vrije Akademie;

sport en recreatie:

  • ·

    zwembadabonnement/meerbaden-kaart en lesgeld voor zwemonderwijs;

  • ·

    contributie voor een sportvereniging/ sportschool;

  • ·

    seizoen-entreekaarten van een sportvereniging;

  • ·

    contributie van een volkstuinvereniging;

  • ·

    lidmaatschap hobby-club (bijvoorbeeld kaarten, biljart );

culturele activiteiten:

  • ·

    lidmaatschap bibliotheek;

  • ·

    lidmaatschap amateuristische kunst of culturele vereniging;

  • ·

    cursuskosten van een dans- en muziekschool;

  • ·

    theaterabonnementen;

kortingspassen:

  • ·

    museumjaarkaart;

  • ·

    cultureel jongeren paspoort

   

4.3.c

Periodiciteit

Er bestaat recht op een bijdrage voor de alleenstaande, de alleenstaande ouder, het echtpaar en voor kinderen ouder dan 4 jaar en jonger dan 18 jaar voor het betreffende kalenderjaar. Een bijdrage in het kader van het minimabeleid kan meerdere malen per jaar worden aangevraagd, waarbij de kosten eerst worden voorgeschoten.

   

4.3.d

Het vermogen

In afwijking tot de bijzondere bijstand blijft het vermogen bij de toekenning het gemeentelijk minimabeleid buiten beschouwing

   

4.3.e

De hoogte van de bijdrage

De bijdrage per kalenderjaar voor ieder gezinslid bedraagt € 100,00.

 

4.4

 

De Aanvraag voor categoriale bijzondere bijstand

   

4.4.1

De Chronisch zieke, de Gehandicapte of oudere

   

4.4.1a

De Doelgroep

De doelgroep bestaat uit:

  • 1.

    Chronisch zieken en gehandicapten die een voorziening hebben op grond van de Wet voorzieningen gehandicapten;

  • 2.

    Chronisch zieken en gehandicapten die reeds gebruik maken van andere bestaande voorzieningen/mogelijkheden, zoals de AWBZ en de Zfw.

  • 3.

    Personen van 65 jaar en ouder;

Criteria voor “Chronisch” zijn bijvoorbeeld:

  • -

    langdurige thuiszorg

  • -

    hulpmiddelen voor wonen/werk, vervoer, lopen/rolstoel, autovoorzieningen etc.

  • -

    Arbeidsongeschiktheid van 80-100%

NB. Personen die aanvragen kunnen op basis van individualisering (maatwerk) beoordeeld worden.

Voor de aanvraag gemeentelijk minimabeleid voor chronisch zieken, gehandicapten en ouderen is een verkort aanvraagformulier van toepassing.

   

4.4.1b

Kostensoort

Omdat het bij de kosten die chronisch zieken maken vaak gaat om een diversiteit aan producten en voorzieningen die nauwelijks zijn te omschrijven, worden deze niet nader in soorten gespecificeerd.

   

4.4.1c

Periodiciteit

Jaarlijks wordt forfaitair een bedrag uitgekeerd ter hoogte van het bedrag dat in het kader van het minimabeleid wordt verstrekt.

   

4.4.1d

Berekening en vaststelling draagkracht

Voor de berekening en de vaststelling van de draagkracht moeten de volgende uitgangspunten worden gehanteerd:

vaststelling van het inkomen;

vaststelling van het inkomen;

In aanmerking te nemen inkomen.

Op de datum van aanvraag een netto-maandinkomen (bijv. loon, AOW, Anw, particulier pensioen etc.) hebben dat lager of gelijk is aan 110 % van de geldende bijstandsnorm. In aanmerking te nemen vermogen.

In afwijking tot de bijzondere bijstand blijft het vermogen bij de toekenning van de categoriale bijstand aan chronisch zieken, gehandicapten en oudere buiten beschouwing.

   

4.4.1e

Hoogte van de categoriale bijstand

Specifiek voor de categorie is het wenselijk een bijdrage vast te stellen voor de kosten van aannemelijke niet zichtbare kosten. De hoogte van de vergoeding wordt gelijk aan het gemeentelijke minimabeleid vastgesteld op € 100,00 per kalenderjaar. Dit bedrag is dus specifiek bedoeld voor de doelgroep Chronisch zieken, gehandicapten en ouderen.

   

4.4.2

De Collectieve Aanvullende Ziektekostenverzekering

   

4.4.2a

De Doelgroep

Alle inwoners van Leiderdorp met een inkomen tot 110% van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief het vrij te laten vermogen (art. 34 WWB) kunnen in aanmerking komen voor deze aanvullende ziektekostenverzekering.

   

4.4.2b

Kostensoort

De huidige verzekering is de AV-Gemeente. Deze bestaat weer uit de Standaard en de Top verzekering. Van belang is dat deze verzekering, uiteraard inclusief de nominale verzekering (basis), als voorliggende voorziening (art. 15 WWB) wordt beschouwd.

Bijstand voor premiebetalingen voor een aanvullende ziektekostenverzekering wordt niet verleend vanwege het feit dat ziekenfonds- en AWBZ-verzekering gelden als passende en toereikende voorliggende voorziening. Medische kosten die niet door de AWBZ of het Ziekenfonds worden vergoed komen in beginsel niet in aanmerking voor bijstandsverlening.

De gemeente draagt bij in de premie van de aanvullende verzekering. Het gaat hier om dat stukje extra in het voorzieningenpakket waardoor aanvragen van medische kosten op grond van de bijzondere bijstand niet meer nodig zijn. Uiteraard blijft het individualiseringsprincipe van toepassing.

   

4.4.2c

Periodiciteit

Toetreding tot de AV-Gemeente kan op ieder willekeurig moment worden aangevraagd bij Zorg en Zekerheid (het regionale Ziekenfonds). Op basis van huidige wetgeving kan jaarlijks van ziektekostenverzekeraar worden gewisseld en dus de verzekering beëindigd.

 

4.5

 

Kwijtschelding gemeentelijke belastingen

   

4.5.a

De Doelgroep

Alle inwoners van Leiderdorp met een inkomen tot 100% van de toepasselijke bijstandsnorm kunnen voorzover zij geen vermogen hebben in aanmerking komen voor kwijtschelding van de gemeentelijke belastingen.

   

4.5.b

Kostensoort

T.a.v. de gemeentelijke belastingen gaat het om een drietal kosten:

  • 1.

    Onroerend Zaakbelasting (OZB)

  • 2.

    Afvalstoffenheffing

  • 3.

    Rioolrechten.

   

4.5.c

Periodiciteit

Kwijtschelding van gemeentelijke belastingen kan op ieder moment in het belastingjaar geschieden. Over het algemeen worden de aanvragen gedaan bij ontvangst van de aanslagen. Dit is meestal in de maand maart.

 

4.6

 

Schuldhulpverlening

   

4.6.a

De Doelgroep

Iedere inwoner van Leiderdorp, ongeacht het inkomen of vermogen, kan voor schuldhulpverlening in aanmerking komen. Het gaat daarbij om de ondersteuning van de consulent schuldhulpverlening en niet om bijstand te ontvangen voor aflossing van de schulden. Artikel 49 van de WWB vormt hierop de uitzondering en zegt dat, in tegenstelling tot wat er staat in artikel 13 eerste lid onder f (WWB), weldegelijk bijzondere bijstand voor schulden mogelijk is. Dit gaat dan onder borgtocht.

   

4.6.b

Kostensoort

Onder schuldhulpverlening vallen drie activiteiten t.w.:

  • 1.

    schuldsanering (onderhandeling met schuldeisers)

  • 2.

    aanvraag schuldsanering natuurlijke personen (WSNP) via gerechtelijke tussenkomst

Schuldhulpverlening is een activiteit die wordt aangeboden door de gemeente. In principe wordt geen bijdrage in de schulden toegekend.

   

4.6.c

Periodiciteit

Schuldhulpverlening kan op ieder moment in het jaar worden aangevraagd.

5

   

VERSTREKKING VAN DE BIJZONDERE BIJSTAND

 

5.1

 

De Aanvraag Bijzondere Bijstand

Algemeen. Bij alle aanvragen voor bijzondere bijstand worden de algemeen toepasbare regels en wetgeving uit de WWB gehanteerd. De Gemeente Leiderdorp maakt daarbij gebruik van de wetgeving en jurisprudentie alsmede het gemeentelijk beleid zoals deze in het Handboek WWB van de firma Schulinck zijn vastgelegd. Uiteraard blijft het begrip “maatwerk” onverminderd van toepassing.

Medisch onderzoek. Wanneer een aanvraag voor bijzonder bijstand medische kosten betreft dient bij iedere twijfel over de noodzaak van de voorziening en de vraag of de voorziening goedkoop en adequaat is, de GG&GD te worden ingeschakeld. Bij twijfel over de uitspraak van de GG&GD kan een second-opinion worden gevraagd. Het CIZ (voorheen het ILR) is daarvoor een geëigende organisatie.

   

5.1.1

Premie Particuliere Ziektekostenverzekering

Het niet in aanmerking kunnen komen voor een ziekenfondsverzekering is op zich geen bijzondere omstandigheid als bedoeld in artikel 35 lid 1 WWB. Belanghebbende wordt geacht de premiebetaling voor een particuliere ziektekostenverzekering uit een inkomen ter hoogte van de toepasselijke bijstandsnorm (+ verhoging - verlaging) te kunnen voldoen. Bijzondere bijstand voor premiebetaling voor een particuliere ziektekostenverzekering wordt niet verleend.

   

5.1.2

Brillen

Recht op bijzondere bijstand.

De voorliggende voorzieningen (ziekenfonds en AWBZ) en de aanwezig veronderstelde aanvullende ziektekostenverzekering worden geacht passend en toereikend te zijn. In beginsel komen deze kosten dus niet in aanmerking voor bijstandsverlening. Enkel in het geval van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 16 lid 1 WWB kan bijzondere bijstand kan worden verleend voor de kosten.

In het geval van zeer dringende redenen dient er een recept van de oogarts/opticien overlegd te worden en dient er voor verstrekking aangesloten te worden bij de verstrekkingen die ook gedaan zouden worden vanuit de AV-Gemeente.

Voor de hoogte van de bijstand voor contactlenzen dient aansluiting te worden gezocht bij het bedrag dat zou gelden voor een overeenkomstige bril. Eventuele meerkosten blijven voor rekening van belanghebbende.

   

5.1.3

Specifiek Medische Kosten

Geen recht op bijzondere bijstandEr is bewust geen aanvullend of afwijkend beleid geformuleerd ten aanzien van het uitgangspunt dat AWBZ en Zfw voor alle medisch noodzakelijke kosten een passende en toereikende voorliggende voorziening zijn, welke bijstandsverlening in de weg staan. Kosten welke niet door AWBZ en Zfw worden vergoed komen (in beginsel) niet voor bijstandsverlening in aanmerking. Hierbij wordt uitgegaan van het principe dat iedere inwoner van Leiderdorp met een minimuminkomen gebruik kan maken van de AV-Gemeente en daarmee voldoende verzekerd is.

Dit betekent dat kosten voortvloeiend uit medisch noodzakelijke verstrekkingen vanuit AWBZ/Zfw in beginsel niet voor bijzondere bijstand in aanmerking komen, dit gaat bijvoorbeeld om de volgende kosten:

  • ·

    batterijen voor een medisch noodzakelijk hoortoestel;

  • ·

    kleding vanwege extra slijtage in verband met prothese;

  • ·

    waskosten vanwege medisch noodzakelijk gebruik van zalf.

Deze kosten worden geacht uit de algemene kosten van het bestaan te kunnen worden voldaan of wanneer er sprake is van chronisch zieken en/of ouderen van 65 jaar en ouder kunnen worden voldaan uit de daarvoor bedoelde categoriale bijzondere bijstand.

NB. Een eigen bijdrage (komt bijna niet meer voor!) voortvloeiend uit verstrekkingen AWBZ/Zfw en AV-Gemeente kan in het uitzonderlijke geval voor bijzondere bijstand in aanmerking komen, hiervoor gelden de algemene regels (individualisering/maatwerk).

   

5.1.4

Begrafeniskosten

Omschrijving van de kosten

Alle kosten die verband houden met de begrafenis of crematie van een overledene, voor zover deze kosten noodzakelijk zijn.

Voorliggende voorzieningen

Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening (artikel 15 lid 1 WWB). Denk in dit geval bijvoorbeeld aan:

  • ·

    uitvaart-, levens- of ongevallenverzekering;

  • ·

    nalatenschap.

Recht op bijzondere bijstand

Bijzondere bijstand ten behoeve van uitvaartkosten kan verleend worden aan erfgenamen en bloed- en aanverwanten die krachtens de artikelen 392-396 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek tot onderhoud van de overledene verplicht zouden zijn geweest, voorzover de uitvaartkosten niet uit de nalatenschap voldaan kunnen worden en de erfgenaam of bloed-/aanverwante niet over toereikende middelen beschikt om (zijn aandeel in) de uitvaartkosten te voldoen.

De volgende kosten kunnen daarbij als noodzakelijk worden aangemerkt:

  • ·

    legeskosten overlijdensakte

  • ·

    rouwkaarten

  • ·

    werkzaamheden uitvaartverzorger

  • ·

    eenvoudige kist

  • ·

    grafrechten (voor een algemeen graf, niet voor een graf in eigendom)

  • ·

    rouwauto met maximaal 1 volgauto

  • ·

    opbaren in rouwcentrum

  • ·

    dragers

  • ·

    eenvoudige grafzerk

Als niet noodzakelijke kosten worden beschouwd:

  • ·

    rouwadvertentie

  • ·

    kosten eredienst en/of kosten die voortvloeien uit culturele en religieuze achtergrond

  • ·

    koffietafel etc.

Hoogte bijzondere bijstand

De hoogte van de bijzondere bijstand kan worden afgeleid uit de richtprijzen van het NIBUD, zoals opgenomen in de Prijzengids.

Op deze voor bijstand in aanmerking komende kosten worden de eventueel aanwezige voorliggende voorziening en de (eventueel) aanwezige draagkracht in mindering gebracht.

Vorm bijzondere bijstand

De bijzondere bijstand voor uitvaartkosten wordt in beginsel om niet verleend.

Aan de bijstand verbonden verplichtingen

De beschikking moet vermelden, dat de belanghebbende verplicht is om de verleende bijstand te besteden aan het voldoen van zijn aandeel in de uitvaartkosten van de overledene.

   

5.1.5

Onder bewindstelling

Omschrijving van de kosten

De kosten tengevolge van een door de Kantonrechter uitgesproken onder bewindstelling.

Voorliggende voorzieningen

Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening (artikel 17 Abw). Hiervan is sprake als:

·de bewindvoering geschied in het kader van de WSNP, dan geldt het Besluit subsidie bewindvoerder schuldsanering als een voorliggende voorziening (artikel 15 lid 1 WWB).

Recht op bijzondere bijstand

Er bestaat recht op bijzondere bijstand voor de kosten van bewindvoering indien de goederen van een meerderjarige door de Kantonrechter onder bewind zijn gesteld én de kosten van bewindvoering door de Kantonrechter afwijkend van de hoofdregel (5% van de netto opbrengst van de onder bewind staande goederen) zijn vastgesteld.

Voor de kosten van bewindvoering in het kader WSNP bestaat geen recht op bijzondere bijstand.

Hoogte bijzondere bijstand

Het bedrag waarop de Kantonrechter de beloning voor de bewindvoerder afwijkend heeft vastgesteld komt voor bijstandsverlening in aanmerking.

Op deze voor bijstand in aanmerking komende kosten worden de eventueel aanwezige voorliggende voorziening en de (eventueel) aanwezige draagkracht, in mindering gebracht.

Vorm bijzondere bijstand

De bijzondere bijstand voor kosten van bewindvoering wordt in beginsel om niet verleend.

   

5.1.6

Curatele

Omschrijving van de kosten

De kosten tengevolge van een door de Kantonrechter uitgesproken curatele.

Voorliggende voorzieningen

Er bestaat geen voorliggende voorziening voor de kosten van curatele.

Recht op bijzondere bijstand

Er bestaat recht op bijzondere bijstand voor kosten van curatele die door de Kantonrechter afwijkend zijn vastgesteld van de hoofdregel van 5% van de netto opbrengst van de onder bewind staande goederen.

Hoogte bijzondere bijstand

Het bedrag waarop de Kantonrechter de beloning voor de curator heeft vastgesteld komt voor bijstandsverlening in aanmerking.

Op deze voor bijstand in aanmerking komende kosten wordt de (eventueel) aanwezige draagkracht in mindering gebracht.

Vorm bijzondere bijstand

De bijzondere bijstand voor kosten van curatele wordt in beginsel om niet verleend.

   

5.1.7

Rechtsbijstand

Omschrijving kosten

Het betreft de kosten met betrekking tot het voeren van procedures bij de rechter. Voorbeelden hiervan zijn: de eigen bijdrage voor een advocaat, griffierecht en reiskosten.

Voorliggende voorzieningen

Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening (artikel 15 lid 1 WWB). Denk in dit verband aan:

  • ·

    Wet op de rechtsbijstand (Wrb). Op grond van de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) kan belanghebbende met een laag inkomen in aanmerking komen voor een toevoeging van een advocaat. Een toevoeging van een advocaat vindt slechts plaats als de Raad voor de rechtsbijstand de procedure noodzakelijk acht. In dat geval worden de kosten (exclusief de eigen bijdrage) van de advocaat vergoed op grond van de Wrb.

  • ·

    Wet tarieven burgerlijke zaken voor de in debetstelling

  • ·

    een rechtsbijstandsverzekering. Indien belanghebbende over zo'n verzekering beschikt is het een voorliggende voorziening. Het feit dat de belanghebbende geen rechtsbijstandsverzekering heeft afgesloten is geen grond om een verzoek om bijzondere bijstand in de kosten van rechtsbijstand af te wijzen.

Recht op bijzondere bijstand

Er bestaat recht op bijzondere bijstand voor de kosten van rechtsbijstand indien op grond van een toevoeging krachtens de Wrb rechtsbijstand is/wordt verleend.

De volgende kosten komen in beginsel niet in aanmerking voor bijzondere bijstand:

  • ·

    vertaalkosten. Advocaten kunnen namelijk kosteloos gebruik maken van een gesubsidieerd tolkencentrum.

  • ·

    reiskosten van belanghebbende voor het bijwonen van rechtszittingen In beginsel is het niet noodzakelijk dat belanghebbende in persoon aanwezig is op de rechtszitting, zodat reiskosten ten behoeve van belanghebbende niet noodzakelijk zijn.

  • ·

    de kosten gemaakt in de bezwaarfase anders dan de eigen bijdrage op grond van de Wrb.

  • ·

    verdergaande rechtsbijstand ten vervolge op een spreekuur. Betreffende eigen bijdrage kan uit de norm worden voldaan.

Hoogte bijzondere bijstand

De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan de werkelijk gemaakte kosten. De belanghebbende dient hiervan bewijsstukken te overleggen.

Op deze voor bijstand in aanmerking komende kosten wordt de (eventueel) aanwezige draagkracht, in mindering gebracht.

Vorm bijzondere bijstand

Verleen de bijzondere bijstand voor kosten van rechtsbijstand in beginsel om niet (artikel 48 lid 1 WWB). Indien de kosten het gevolg zijn van een tekortschietende besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, verleen de bijzondere bijstand dan in de vorm van borgtocht of een geldlening (artikel 48 lid 2 onder b WWB).

Aan de bijstand verbonden verplichtingen

Verbind indien nodig een of meer van de volgende verplichtingen aan de toe te kennen bijzondere bijstand:

  • ·

    De verplichting om uit de toegekende bijzondere bijstand de betreffende kosten te voldoen.

  • ·

    De verplichting om betalingsbewijzen te overleggen.

  • ·

    De verplichting om het vonnis te overleggen.

  • ·

    De verplichting om, indien mogelijk, te verzoeken om veroordeling van de tegenpartij in de proceskosten.

Indien nodig: specifieke verplichtingen in verband met het feit dat de bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht.

   

5.1.8

Bijzondere bijstand 18 t/m 20 jarigen niet in inrichting

Wordt aanvullend op de lage norm bijstand bijzondere bijstand verstrekt voor levensonderhoud omdat belanghebbende geen beroep kan doen op ondersteuning van zijn/haar ouders, dan wordt de hoogte hiervan in beginsel zodanig vastgesteld dat de hoogte van de totale bijstandsuitkering (norm algemene bijstand op grond van artikel 33 lid 2 onder b WWB + bijzondere bijstand op grond van artikel 12 WWB) nooit meer kan bedragen dan de norm voor levensonderhoud die in een vergelijkbare situatie zou gelden voor een uitwonende studerende op grond van de WSF 2000. Dus:

  • ·

    voor een alleenstaande: de norm voor levensonderhoud voor een uitwonende studerende op grond van de WSF 2000, in artikel 33 lid 2 onder b WWB gesteld op € 508,35

  • ·

    voor een alleenstaande ouder de norm voor levensonderhoud voor een uitwonende studerende op grond van de WSF 2000, in artikel 33 lid 2 onder b WWB gesteld op € 508,35, verhoogd met de WSF 2000-toeslag voor een eenoudergezin, zijnde € 402,75.

  • ·

    voor gehuwden:de som van de uitkeringsrechten, dus:

  • ·

    bij een partner van 18 t/m 20 jaar: de norm voor levensonderhoud voor een uitwonende studerende op grond van de WSF 2000, in artikel 33 lid 2 onder b WWB gesteld op € 508,35, verhoogd met de WSF 2000-toeslag voor een partner, zijnde € 503,30 per maand.

  • ·

    bij een partner van 21 jaar of ouder: de norm voor levensonderhoud voor een uitwonende studerende op grond van de WSF 2000, in artikel 33 lid 2 onder b WWB gesteld op € 508,35,verhoogd met € 575,91 (incl. Vt), zijnde de norm voor alleenstaanden op grond van artikel 21 onder a WWB.

Genoemde bedragen gelden per 1 juli 2004; zie voor de actuele bedragen en een overzicht van de bedragen bijlage normen en bedragen (sociaal info of Schulinck Handboek).

LET OP: de vakantietoeslag wordt alleen berekend over de norm voor de algemene bijstand en niet over de aanvulling via de bijzondere bijstand.

   

5.1.9

Bijzondere bijstand 18 t/m 20 jarigen in inrichting

Wordt bijzondere bijstand voor zak- en kleedgeld verstrekt aan personen van 18 t/m 20 jaar die in een inrichting verblijven, dan wordt de hoogte van de bijzondere bijstand (artikel 12 WWB) afgeleid van de normen algemene bijstand die gelden voor personen van 21 jaar of ouder die in een inrichting verblijven (artikel 23 WWB), te weten:

·75% van de norm van artikel 23 lid 1 onder a WWB.

LET OP: kinderbijslag wordt, als deze voor de jongere kan worden aangewend, in mindering gebracht. Bij plaatsing in een voorziening ingevolge de Wet op de Jeugdhulpverlening is zak- en kleedgeld in de dagprijs begrepen.

   

5.1.10

Verhaal bijzondere bijstand bij jongeren

Er geldt geen bijzondere procedure.

In het geval bijzondere bijstand is verleend aan een 18, 19 of 20 jarige met toepassing van artikel 12 onder b WWB wordt de bijstand op grond van artikel 61 lid 1 onder a WWB verhaald op diens onderhoudsplichtige ouders.

   

5.1.11

Indirecte schoolkosten schoolgaande kinderen

Omschrijving van de kosten

Indirecte studiekosten (reiskosten, kosten excursies, werkweken etc. ) van ten laste komende schoolgaande kinderen komen in beginsel niet voor de verlening van bijzondere bijstand in aanmerking. Deze kosten worden geacht voldaan te kunnen worden uit een inkomen ter hoogte van de bijstandsnorm voor het gezin (= de alleenstaande ouder of de gehuwden).

Ten aanzien van reiskosten voor kinderen in het voortgezet onderwijs geldt de tegemoetkoming op grond van hoofdstuk 3 van de Wtos als een passend en toereikend voorliggende voorziening.

Voorliggende voorzieningen

Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening (artikel 15 lid 1 WWB). Denk in dit geval aan:

  • ·

    tegemoetkoming krachtens hoofdstuk 3 van de Wtos

  • ·

    een door de school gehanteerde regelingen inzake vrijstelling van betaling kosten excursies, werkweken etc.

Recht op bijzondere bijstand (uitzondering op de regel, om uitsluiting te voorkomen)

Bijzondere bijstand ten behoeve de kosten van excursies, werkweken etc. kan worden verleend indien de kosten hiervan tenminste € 50,00 bedragen.

Hoogte bijzondere bijstand

De hoogte van de bijzondere bijstand voor de kosten van excursies, werkweken etc. wordt gebaseerd op de werkelijke kosten minus eigen bijdrage van € 50,00 tot maximaal € 180,00 in het voortgezet onderwijs, voor zover regulier onderwijs wordt gevolgd, een keer per 1 jaar een aanvraag p.p.

Op deze voor bijstand in aanmerking komende kosten wordt de eventueel aanwezige draagkracht, in mindering gebracht.

Vorm bijzondere bijstand

De bijzondere bijstand voor indirecte studiekosten van ten laste komende kinderen in het voortgezet onderwijs wordt in beginsel om niet verleend.

Aan de bijstand verbonden verplichtingen

De beschikking moet vermelden, dat de belanghebbende verplicht is om (zo mogelijk) vervoersbewijzen c.q. kwitanties te overleggen ten behoeve van excursies etc.

   

5.1.12

Babyuitzet

Omschrijving van de kosten

De kosten van een babyuitzet in verband met de geboorte van een kind.

Voorliggende voorziening

Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening (artikel 15 lid 1 WWB). Denk in dit geval aan:

·een lening bij een kredietverlenende instelling of een betalingsregeling bij de leverancier.

Recht op bijzondere bijstand

De kosten van een babyuitzet, als bedoeld in tabel 21 van de NIBUD-Prijzengids, behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kunnen worden voldaan uit een inkomen ter hoogte van de toepasselijke uitkering algemene bijstand door middel van reservering dan wel gespreide betaling achteraf. Dit betekent dat er in beginsel geen bijstandsverlening mogelijk is voor deze kosten. Alleen indien er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval kan er van deze regel worden afgeweken. In hoeverre de belanghebbende voor de kosten van een babyuitzet heeft kunnen reserveren zal individueel beoordeeld moeten worden. In het algemeen geldt dat de belanghebbende in ieder geval vanaf de vierde maand van de zwangerschap voor deze kosten heeft kunnen reserveren. Kosten van aangepaste kleding voor de moeder behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kosten kunnen worden voldaan uit een inkomen ter hoogte van de toepasselijke bijstandsnorm en komen derhalve niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.

Hoogte bijzondere bijstand

Bepaal de hoogte van de te verstrekken bijzondere bijstand aan de hand van de richtprijzen zoals die zijn opgenomen in de NIBUD-Prijzengids -/- 20 %. Op deze voor bijstand in aanmerking komende kosten worden de eventueel aanwezige voorliggende voorziening en de (eventueel) aanwezige draagkracht in mindering gebracht.

Vorm en betaling bijzondere bijstand

Verleen de bijzondere bijstand in de vorm van borgtocht, indien de belanghebbende alleen onder deze voorwaarde een lening kan afsluiten bij een kredietverlenende instelling. Verleen de bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening, indien borgtocht niet mogelijk is. Alleen wanneer er sprake is van bijzondere omstandigheden (zie hiervoor), is het mogelijk om de bijzondere bijstand om niet te verstrekken. Betaal de toegekende bijzondere bijstand zo mogelijk geheel of gedeeltelijk direct aan de leverancier van de goederen. Dit om te voorkomen dat de bijstand aan andere zaken wordt besteedt of dat het een negatief banksaldo aanvult zonder dat de belanghebbende de bijstand ter bestrijding van de bijzondere kosten kan aanwenden.

Aan de bijstand verbonden verplichtingen

Verbind indien nodig een of meer van de volgende verplichtingen aan de toe te kennen bijzondere bijstand:

  • ·

    De verplichting om uit de toegekende bijzondere bijstand de betreffende kosten te voldoen.

  • ·

    De verplichting om betalingsbewijzen te overleggen.

  • ·

    Specifieke verplichtingen in verband met het feit dat de bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht.

   

5.1.13

Maaltijdvoorziening

Omschrijving van de kosten.

De kosten van warme maaltijdvoorzieningen.

Voorliggende voorziening

Er is geen voorliggende voorziening.

DE VOORWAARDEN

Aanvrager/ster moet inwoner(s) zijn van de gemeente Leiderdorp.

Recht op bijzondere bijstand

Er bestaat recht op een gehele of gedeeltelijke vergoeding voor de werkelijke kosten van de afgenomen (hoofd)maaltijd met een maximum van de hiervoor vermelde prijzen per maaltijd per persoon. Voorgerecht, soep en nagerecht worden niet vergoed.

Alleen noodzakelijk gebruik van een warme maaltijdvoorziening kan voor bijzondere bijstand in aanmerking komen. Een medische indicatie (door de GGD) of een sociale indicatie is in deze vereist.

WAARVOOR

·maaltijd A

GezondheidService Groot Rijnland

·maaltijd B

Apetito

·warme maaltijd C

Stichting Radius Leiden

·koelverse maaltijd D

Stichting Radius Leiden

·maaltijd E

Open Tafel Zorgcentrum Dillenburg

·maaltijd F

Woonvorm Leiderdorp

Hoogte bijzondere bijstand

Bij de maaltijdvoorziening komt er per maaltijd altijd een bedrag voor uw eigen rekening.

Deze bedragen zijn voor 2005:

  • §

    alleenstaande € 1,97;

  • §

    gehuwden € 3,94.

De hoogte van de vergoeding, na aftrek van het bedrag voor eigen rekening, van de kosten is afhankelijk van uw inkomen. Hierbij worden de volgende richtlijnen in acht genomen. Inwoners met een inkomen tot 110 % van het sociaal minimum komen voor een volledige vergoeding in aanmerking (zie onderstaande tabel).

Bij een inkomen dat meer bedraagt dan 110 % van het sociaal minimum gelden draagkrachtregels. Tot € 400,00 boven deze 110 % bedraagt de eigen bijdrage 20 %. Daarboven bedraagt de eigen bijdrage 100 %.

Dit betekent dat u met een relatief hoog inkomen toch nog voor een gedeeltelijke vergoeding in aanmerking kunt komen

Vastgestelde maximumprijzen van de maaltijden in euro’s (per 1 januari 2005)

 

Alleenstaande

Gehuwden

Maaltijd A

€ 5,49

€ 10,98

Maaltijd B

€ 5,49

€ 10,98

Warme maaltijd C

€ 7,58

€ 15,16

Koelverse maaltijd D

€ 5,25

€ 10,50

Maaltijd E

€ 5,50

€ 11,00

Maaltijd F

€ 3,50

€ 7,00

Vermogen.

In afwijking tot andere vormen van bijzondere bijstand blijft het vermogen bij de toekenning van de kosten van de maaltijdvoorziening voor personen van 65 jaar en ouder buiten beschouwing

Vorm van de bijstand

De bijstand wordt om niet toegekend.

   

5.1.14

Verzorging en hulp

Met uitzondering van de verschuldigde eigen bijdragen voor AWBZ-zorgvoorzieningen is geen beleid geformuleerd met betrekking tot het verlenen van bijzondere bijstand voor kosten zorg en hulp, dit in verband met de voorliggende voorziening die in principe passend en toereikend wordt geacht.

De eigen bijdragen op grond van AWBZ en Zfw komen voor vergoeding in aanmerking. Op deze voor bijstand in aanmerking komende kosten wordt de (eventueel) aanwezige draagkracht in mindering gebracht.

   

5.1.15

Communicatie en alarmering

Voorliggende voorziening

Telefoonkosten (gesprekkosten, abonnementskosten, aanschaf- een aansluitkosten) behoren in beginsel tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan, die kunnen worden voldaan uit een inkomen op bijstandsniveau.

Voor de kosten van alarmering bestaat voorzover er sprake is van een medische indicatie een vergoeding van de zorgverzekeraar open.

Voor de kosten van alarmering bestaat voorzover er sprake is van sociale indicatie geen vergoeding van de zorgverzekeraar open. Er is dus geen voorliggende voorziening.

DE VOORWAARDEN

Aanvrager/ster moet inwoner(s) zijn van de gemeente Leiderdorp én u moet een sociale indicatie voor de alarmeringsvoorziening van de Stichting Pluspunt hebben.

Recht op bijzondere bijstand

Er bestaat recht op gehele of gedeeltelijke vergoeding in de aansluitkosten en de maandelijkse abonnementskosten (inclusief eigen bijdrage meldcentrale) van alarmering.

WAARVOOR

  • ·

    Aansluitkosten alarmering

  • ·

    Maandelijkse abonnementskosten(inclusief eigen bijdrage meldcentrale

Hoogte bijzondere bijstand

De hoogte van de vergoeding van de kosten is afhankelijk van het inkomen.

Hierbij worden de volgende richtlijnen in acht genomen.

Inwoners met een inkomen tot 110 % van het sociaal minimum komen voor een volledige vergoeding in aanmerking (zie onderstaande tabel).

Bij een inkomen dat meer bedraagt dan 110 % van het sociaal minimum gelden draagkrachtregels. Tot € 400,00 boven deze 110 % bedraagt de eigen bijdrage 20 %. Daarboven bedraagt de eigen bijdrage 100 %.

Dit betekent dat u met een relatief hoog inkomen toch nog voor een gedeeltelijke vergoeding in aanmerking kunt komen.

Prijzen van de alarmering

in euro’s (per 1 januari 2005)

   

Aansluitkosten

€ 85,31

Maandelijkse abonnementskosten

€ 16,00

Vermogen.

In afwijking tot andere vormen van bijzondere bijstand blijft het vermogen bij de toekenning van de kosten van alarmering voor personen van 65 jaar en ouder buiten beschouwing

Vorm van de bijstand

De bijstand wordt om niet toegekend.

   

5.1.16

Stookkosten

Tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan behoren ook de stookkosten. Aangezien de algemene bijstand dan wel een inkomen op bijstandsniveau voorziet in deze kosten kan er in beginsel geen bijstand worden verleend voor deze kosten.

Alleen indien er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval kan er aanleiding zijn bijzondere bijstand te verlenen voor deze kosten. Hiervan is in ieder geval sprake indien:

  • ·

    er een medische noodzaak is voor het maken van deze kosten. De medische noodzaak van de meerkosten wordt door middel van een GG&GD-advies vastgesteld. In de adviesaanvraag wordt aangegeven dat het extra stook- of verwarmingskosten betreft en de naam van de behandelend specialist. Is er een medische noodzaak dan wordt vastgesteld of de noodzakelijke verwarming betrekking heeft op:

  • ·

    het woonvertrek in de koude maanden

  • ·

    het woon- en slaapvertrek in de koude maanden

  • ·

    het woonvertrek gedurende het hele jaar

  • ·

    het woon- en slaapvertrek gedurende het hele jaar. Daarnaast zal door de GG&GD de geldigheidsduur van het advies worden aangegeven

    Hoogte bijzondere bijstand

    De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan:

    • ·

      € 127,06 bij alleen het woonvertrek gedurende de koude maanden;

    • ·

      € 285,88 bij het woon- en slaapvertrek gedurende de koude maanden;

    • ·

      € 217,81 bij alleen het woonvertrek gedurende het hele jaar;

    • ·

      € 490,08 bij het woon- en slaapvertrek gedurende het hele jaar.

    Op deze voor bijstand in aanmerking komende kosten wordt de (eventueel) aanwezige draagkracht in mindering gebracht.

    Vorm van de bijzondere bijstand

    De bijzondere bijstand wordt om niet verleend.

    Aan de bijzondere bijstand te verbinden verplichtingen

    Aan de verlening van de bijzondere bijstand wordt de volgende verplichting verbonden:

    bestedingsverplichting: de bijstand moet worden aangewend voor het doel waarvoor zij wordt verstrekt.

   

5.1.17

Reiskosten bezoek zieke familieleden

Omschrijving van de kosten

De kosten voor het vervoer van het woonadres van de bezoeker (=belanghebbende) naar het verpleegadres waar de zieke verblijft.

Voorliggende voorziening

Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening (artikel 15 WWB). Denk in dit verband aan:

·een aanvullende ziektekostenverzekering die belanghebbende heeft afgesloten. Let op: op grond van het Zfw bestaat er geen recht op een vergoeding voor ziekenbezoek. Vergoeding van reiskosten in het kader van Zfw heeft alleen betrekking op medisch noodzakelijke reiskosten van belanghebbende zelf.

Recht op bijzondere bijstand

De noodzaak voor het bezoeken van een zieke wordt aanwezig geacht indien:

  • ·

    de zieke behoort tot het gezin van belanghebbende, en;

  • ·

    de zieke verblijft in een inrichting en;

  • ·

    de inrichting buiten de Leidse regio (Leiden, Leiderdorp, Alkemade, Zoeterwoude, Oegstgeest en Voorschoten) is gelegen (maar binnen Nederland).

Als uitgangpunt voor een noodzakelijk, toereikend en adequaat bezoekfrequentie geldt: 1 keer per maand per gezinslid.

Hoogte van de bijzondere bijstand

De hoogte van de bijzondere bijstand is gelijk aan goedkoopste vorm van openbaar vervoer voor het betreffende traject. Om die reden worden kinderen jonger dan 12 jaar, in voorkomende gevallen, geacht mee te reizen met de ouder.

Op deze voor bijstand in aanmerking komende kosten worden het in aanmerking te nemen inkomen en vermogen (artikel 35 lid 1 WWB) en het (eventueel van toepassing zijnde) drempelbedrag (artikel 35 lid 2 WWB) in mindering gebracht. Zie voor de gemeentelijke beleidsregels inzake het in aanmerking te nemen inkomen en vermogen en het al dan niet toepassen van het drempelbedrag.

Vorm van de bijzondere bijstand

De bijzondere bijstand wordt verleend om niet.

Aan de bijstand verbonden verplichtingen

Naast de algemene verplichtingen wordt op grond van artikel 55 WWB een bestedingsverplichting opgelegd. Tevens moeten vervoer- of bezoekbewijzen worden overgelegd binnen 10 werkdagen na de aangevraagde bezoekdatum, ter controle van de bestedingsverplichting.

   

5.1.18

Reiskosten bezoek CWI

Omschrijving van de kosten

De kosten voor het vervoer van het woonadres van belanghebbende naar het CWI.

Voorliggende voorziening

Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening (artikel 15 WWB). Voorzover bekent zijn er geen voorliggende voorzieningen.

Recht op bijzondere bijstand

Tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan behoren ook de kosten van vervoer voor de deelname aan het maatschappelijk verkeer. Hieronder wordt ook begrepen het doen van aanvragen, het komen voor gesprekken e.d. op het Centrum voor werk en inkomen. Aangezien de algemene bijstand dan wel een inkomen op bijstandsniveau voorziet in deze kosten kan er in beginsel geen bijstand worden verleend voor deze kosten.

   

5.1.19

Bewassing en kledingslijtage

Voorliggende voorziening

Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening (artikel 15 lid 1 WWB). Voor de kosten van bewassing en ten gevolge van slijtage zijn er geen voorliggende voorzieningen. Ter voorkoming van extra bewassing bestaat er op grond van de Regeling hulpmiddelen 1996 wel recht op incontinentie-absorptiemiddelen.

Recht op bijzondere bijstand

Tot de algemeen voorkomende noodzakelijke kosten van het bestaan behoren ook kosten van bewassing en ten gevolge van slijtage. Aangezien de algemene bijstand dan wel een inkomen op bijstandsniveau voorziet in deze kosten kan er in beginsel geen bijstand worden verleend voor deze kosten.

Alleen indien er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval kan er aanleiding zijn bijzondere bijstand te verlenen voor deze kosten. Hiervan is in ieder geval sprake indien:

·als gevolg van lichamelijke gebreken of het extra wassen als gevolg van het noodzakelijk gebruik van zalf sprake is van meer dan normale slijtage

Het voorgaande is geen limitatieve opsomming van situaties waarin recht bestaat op bijzondere bijstand voor de kosten van bewassing en ten gevolge van kledingslijtage. Het betreft slechts een beleidsregel. Zowel op grond van de artikel 35 lid 1 WWB als op grond van artikel 4:84 Awb kan en moet in individuele gevallen worden afgeweken.

Hoogte bijzondere bijstand

De hoogte van de voor bijzondere bijstand in aanmerking komende

  • ·

    waskosten wordt bepaald aan de hand van de NIBUD-Prijzengids.

  • ·

    meerkosten van kleding wordt bepaald aan de hand van de AAW-norm onder aftrek de richtprijs voor een kledingpakket op grond van de NIBUD-Prijzengids bij een inkomen op bijstandsniveau resp. het voor de andere inkomensklasse gebruikelijke bedrag voor kleding op grond van het NIBUD-Budgethandboek.

Op deze voor bijstand in aanmerking komende kosten wordt de (eventueel) aanwezige draagkracht en het (eventueel) van toepassing zijnde drempelbedrag in mindering gebracht.

Vorm van de bijzondere bijstand

De bijzondere bijstand wordt om niet verleend.

Aan de bijzondere bijstand te verbinden verplichtingen

Aan de verlening van de bijzondere bijstand wordt de volgende verplichting verbonden:

·bestedingsverplichting (artikel 55 WWB): de bijstand moet worden aangewend voor het doel waarvoor zij wordt verstrekt.

   

5.1.20

Toeslag bijzondere bijstand voormalig alleenstaande ouder

Het college verstrekt geen bijzondere bijstand ter (gedeeltelijke) compensatie van de inkomensachteruitgang van het gezin van de voormalig alleenstaande ouder. De bijstandsnorm wordt toereikend geacht voor de voorziening in de algemeen noodzakelijke bestaanskosten. In de bijstandsnorm (norm + toeslag - verlaging, zie artikel 5 onder c WWB) is reeds rekening gehouden met het feit dat het kind met een laag inkomen niet (optimaal) kan bijdragen aan de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.

   

5.1.21

Inrichtingskosten

Omschrijving kosten

De kosten van duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten. Voorbeelden hiervan zijn: wasmachine, koelkast, huisraad en vloerbedekking.

Voorliggende voorzieningen

Een lening van een commerciële bank of de Stadsbank. In sommige gevallen kan de Wet voorzieningen gehandicapten een voorliggende voorziening zijn. Denk bijvoorbeeld aan de situatie waarin vloerbedekking moet worden vervangen omdat de belanghebbende last heeft gekregen van Cara (astma).

Recht op bijzondere bijstand

De kosten van duurzame gebruiksgoederen en overige inrichtingskosten behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kunnen worden voldaan uit een inkomen ter hoogte van de toepasselijke uitkering algemene bijstand door middel van reservering dan wel gespreide betaling achteraf. Dit betekent dat er in beginsel geen bijstandsverlening mogelijk is voor deze kosten. Indien de betreffende kosten voorzienbaar waren, versterkt dit het argument dat belanghebbende wordt geacht hiervoor te reserveren.

Alleen indien er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval kan er van deze regel worden afgeweken. In dat geval wordt bijzondere bijstand verleend, ook als dit bijstand betekent in aanvulling op een voorliggende voorziening. Het feit dat belanghebbende wegens schulden niet heeft kunnen reserveren is op zich nog geen bijzondere omstandigheid. De volgende omstandigheden kunnen mogelijk wel als bijzonder worden aangemerkt:

  • -

    Er bestaat een medische noodzaak voor het maken van de kosten;

  • -

    Belanghebbenden, die minimaal vijf jaar inkomsten op het voor hen geldende minimumniveau hebben;

  • -

    Belanghebbenden in het kader van de huisvestingstaakstelling voor het eerst worden gehuisvest (zelfstandig) in de gemeente (statushouders) en die geen eigen inkomsten hebben.

Hoogte bijzondere bijstand

De hoogte van de te verstrekken bijzondere bijstand wordt bepaald aan de hand van de richtprijzen zoals die zijn vermeld in de prijzengids van het NIBUD minus 20 %. Belanghebbende wordt geacht goederen tweedehands aan te kunnen schaffen (NB. In principe wordt geadviseerd om duurzame gebruiksgoederen zoals de Koelkast en de Wasmachine nieuw aan te schaffen. De afschrijvingstermijn van dergelijke goederen ligt op 8 jaar. Binnen deze periode zal een hernieuwde aanvraag in principe niet worden gehonoreerd).

Vorm en betaling bijzondere bijstand

De bijstand wordt verleend in de vorm van borgtocht indien de belanghebbende alleen onder deze voorwaarde een lening kan afsluiten bij een geldverstrekker (meestal de Stadsbank). De bijstand wordt verleend in de vorm van een geldlening indien borgtocht niet mogelijk is. Alleen wanneer er sprake is van zeer bijzondere omstandigheden, is het mogelijk om de bijzondere bijstand om niet te verstrekken.

Zo mogelijk wordt de bijzondere bijstand geheel of gedeeltelijk direct betaald aan de leverancier van de goederen. Dit om te voorkomen dat de bijstand aan andere zaken wordt besteedt of dat het een negatief banksaldo aanvult zonder dat de belanghebbende de bijstand ter bestrijding van de bijzondere kosten kan aanwenden.

Aan de bijstand verbonden verplichtingen

Aan de bijstand wordt een bestedingsverplichting verbonden en de verplichting om betalingsbewijzen te overleggen.

   

5.1.22

Verhuiskosten

Omschrijving kosten

Kosten in verband met verhuizing bijvoorbeeld de kosten in verband met het

  • ·

    transport van de inboedel

  • ·

    dubbele vaste lasten voor woning gedurende overgangsperiode

  • ·

    kosten voor vervanging van niet meer passende en niet passend te maken stoffering zoals vloerbedekking en gordijnen.

Voorliggende voorziening

Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening (artikel 15 lid 1 WWB). Denk in dit geval aan:

  • ·

    een geldlening bij een kredietverlenende instantie

  • ·

    de WVG. Bijvoorbeeld als de verhuizing medisch noodzakelijk is in verband met een handicap van de betrokkene.

  • ·

    de werkgever. Bijvoorbeeld als krachtens de CAO of een individuele arbeidsovereenkomst een tegemoetkoming in verhuiskosten betaald wordt door de werkgever.

Recht op bijzondere bijstand

De kosten in verband verhuizing behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Deze kunnen worden voldaan uit een inkomen ter hoogte van de toepasselijke uitkering algemene bijstand door middel van reservering dan wel gespreide betaling achteraf. Dit betekent dat er in beginsel geen bijstandsverlening mogelijk is voor deze kosten. Alleen indien er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval kan er van deze regel worden afgeweken. Er is in ieder geval sprake van een bijzondere omstandigheid indien:

  • ·

    de verhuizing het gevolg is van een verhuisverplichting vanwege het bewonen van een woning met woonkosten die meer bedragen dan de maximale subsidiabele huur naar een woning met lagere lasten;

  • ·

    het een vrijwillige verhuizing betreft van een woning met woonkosten die meer bedragen dan de toepasselijke aftoppingsgrens (Hsw) naar een woning waarvoor de woonkosten niet meer bedragen dan de kortingsgrens.

Hoogte bijzondere bijstand

De hoogte van de bijstand voor verhuiskosten is gelijk aan:

  • ·

    de werkelijke gemaakte kosten van huur van een aanhanger of busje (incl. brandstofkosten);

  • ·

    de kosten van stoffering, behang en verf zoals opgenomen in de NIBUD-Prijzengids (tabel 9);

  • ·

    de woonkosten van de nieuwe woning gedurende maximaal 1 maand, indien sprake is van dubbele lasten

Op deze voor bijstand in aanmerking komende kosten wordt de eventueel aanwezige draagkracht in mindering gebracht.

Vorm waarin de bijstand wordt verstrekt

De bijstand wordt om niet verstrekt.

Aan de bijstand te verbinden verplichtingen

Aan belanghebbende worden de volgend verplichtingen opgelegd:

  • ·

    De verplichting om uit de toegekende bijzondere bijstand de betreffende kosten te voldoen.

  • ·

    De verplichting om betalingsbewijzen over te leggen.

  • ·

    In geval van schulden of het dreigen van schulden kan op grond van belanghebbende verplicht worden mee te werken aan het verrichten van betalingen in zijn naam uit de verleende bijstand aan de leverancier van de goederen of diensten.

   

5.1.23

Eerste huur en administratiekosten

De kosten voor de eerste maand huur voor een nieuwe woning alsmede verschuldigde administratiekosten komen in beginsel niet in aanmerking voor bijzondere bijstand. Dergelijke kosten maken deel uit van de kosten in verband met een verhuizing, welke behoren tot de incidenteel voorkomende algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die, behoudens bijzondere omstandigheden, uit het eigen inkomen op bijstandsniveau behoren te worden voldaan (door reservering vooraf of gespreide betaling achteraf). Dit betekent overigens niet dat voor deze kosten per definitie geen bijzondere bijstand kan worden verleend. Het recht op bijzondere bijstand zal volgens de hoofdregel individueel vastgesteld moeten worden. In tegenstelling tot een aantal ander kostensoorten kan daarbij echter geen beroep worden gedaan op specifieke richtlijnen.

Het bovenstaande impliceert, dat als wordt overgegaan tot het verstrekken van bijzondere bijstand eerst moet worden gekeken of er sprake is van een voorliggende voorziening in de vorm van een kredietverlenende instantie. Is dit niet het geval dan kan de bijstand in de vorm van een lening worden verstrekt.

In het nieuwe beleid is er geen uitzonderingspositie meer voor de zich in de gemeente vestigende asielzoeker. Bovenstaande regelgeving is onverkort op hen van toepassing.

   

5.1.24

Woonkostentoeslag huurders

Stap 1: rekenhuur

Bepaal of bereken de rekenhuur overeenkomstig de Hsw

Stap 2: normhuur (afwijkend van Hsw-systematiek)

Het volgen van de berekening van de huursubsidie betekent, dat bij de berekening van de WKT rekening moet worden gehouden met de inkomsten van medebewoners. Het gezamenlijk inkomen bepaalt in de Huursubsidiewet immers de hoogte van de normhuur. De WWB daarentegen houdt geen rekening met inkomen en vermogen van medebewoners die niet tot het gezin van belanghebbende behoren. Derhalve wordt bij de berekening van de WKT bij aanwezigheid van medebewoners geen rekening gehouden met het vermogen of inkomen van de medebewoners. Bij het toekennen van een woonkostentoeslag telt een partner (in de zin van de WWB) echter niet mee als medebewoner (in de zin van de Hsw). Dit heeft drie gevolgen:

  • ·

    het eventuele vermogen van de partner bepaalt mede het recht op een woonkostentoeslag;

  • ·

    bij het bepalen van draagkracht van de aanvrager wordt het eventuele inkomen van de partner meegerekend;

  • ·

    de aanwezigheid van een partner heeft geen invloed op de hoogte van de normhuur.

Wanneer de woonkostentoeslag wordt berekend bij een huishouden met meerdere bewoners met een eigen inkomen (anders dan belanghebbende en zijn partner) wordt de normhuur van € 176,43 per maand (per 1 juli 2003) als volgt verhoogd (deze bedragen gelden ook voor ouderenhuishoudens):

  • ·

    € 352,86 per maand bij één medebewoner, die eigen inkomen heeft of geacht wordt te hebben;

  • ·

    € 529,29 per maand bij twee medebewoners, die een eigen inkomen hebben of geacht worden te hebben;

  • ·

    € 240,17 per maand indien de medebewoner een kind van 21 of 22 jaar betreft, dat een eigen inkomen heeft of geacht wordt te hebben;

  • ·

    bij inwonende kinderen jonger dan 21 jaar wordt de normhuur niet verhoogd. Ook wordt de normhuur niet verhoogd bij inwonende kinderen die een WSF2000- of WTOS-toelage ontvangen.

Bij een combinatie van categorieën medebewoners wordt de normhuur berekend naar de hoogste categorie. Is er bijvoorbeeld sprake van een gezin met twee inwonende werkende kinderen, één van 25 jaar en één van 21 jaar, dan bedraagt de normhuur € 529,29.

Stap 3: maximale WKT (op grond van de Hsw-systematiek)

Bereken met in achtneming van stap 2 overeenkomstig de Hsw-systematiek, de maximale WKT.

Stap 4: ontvangen huursubsidie in mindering brengen

Wanneer de woonkostentoeslag een aanvulling is op de (te lage) huursubsidie, moet het bedrag dat aan huursubsidie wordt ontvangen in mindering worden gebracht op de berekende maximale woonkostentoeslag (zie stap 3).

Stap 5: aanvullende WKT bij huur boven maximum huurgrens

De Huursubsidiewet kent grenzen waarboven geen huursubsidie wordt verstrekt (maximale huurgrens). Er zijn uitzonderingen mogelijk waarbij ondanks overschrijding van de huurgrens, toch huursubsidie wordt verleend.

Voor de berekening woonkostentoeslag geldt dat, overeenkomstig stap 1, eerste de rekenhuur wordt bepaald volgens de methode van de huursubsidiewet. Vervolgens wordt voor het gedeelte van de rekenhuur tot € 585,24 de rekenmethode van de huursubsidiewet gevolgd. Bij het uitgerekende bedrag wordt het verschil tussen de rekenhuur en € 585,24 opgeteld, waarmee het bedrag van de woonkostentoeslag is bepaald.

Rekenvoorbeeld: Stel: een echtpaar (man 32, vrouw 36 jaar), zonder kinderen, met een minimuminkomen (bijbehorende normhuur = € 176,43) en een rekenhuur van € 600,-- per maand. Geen van beide echtelieden is gehandicapt.

(kortingsgrens - normhuur) x 100%

(€ 317,03 - € 176,43) x 1

€ 140,60

(aftoppingsgrens min kortingsgrens) x 75%

(€ 453,77- € 317,03) x 75%

€ 102,56

(maximum huurgrens min aftoppingsgrens) x 0%

 

€ 0,--

(rekenhuur min maximum huurgrens) x 100%

(€ 600,00 - € 585,24) x 1

€ 14,76

Woonkostentoeslag per maand

 

€ 257,92

Duur van de WKT

Bij een rekenhuur (woonkosten) boven de maximum huurgrens kan gedurende maximaal een half jaar een woonkostentoeslag worden toegekend. In een dergelijke situatie dient de verhuisverplichting te worden opgelegd. De maximale duur van een half jaar kan worden verlengd indien hiervoor dringende redenen aanwezig zijn. Hierbij moet in ieder geval duidelijk zijn dat er grote inspanningen zijn verricht door de klant en de woningbouwverenigingen om herhuisvesting te komen.

Verhuisverplichting

Indien belanghebbende een woonkostentoeslag aanvraagt waarbij de verhuisverplichting van toepassing is, moet hij een urgentieverklaring aanvragen. Deze urgentieverklaring moet aangevraagd worden bij de woningbouwvereniging. Bij het indienen van een dergelijke aanvraag krijgt de belanghebbende direct van een medewerker van Woningbouwcorporatie te horen of hij wel of niet voor een urgentieverklaring in aanmerking komt. In de regel zal in het geval dat Sociale Zaken de verhuisverplichting oplegt in verband met overschrijding van de maximum huurgrens, een urgentieverklaring worden afgegeven.

De kosten (leges) voor het aanvragen van een urgentieverklaring bedragen € 45,00. Deze worden terugbetaald als de urgentie wordt toegekend. Uitgangspunt is dan ook dat er in deze kosten dan ook geen bijstand wordt verleend. De kosten van een eventuele noodzakelijke medische keuring in het kader van de behandeling van de aanvraag om een urgentieverklaring, bedragen € 34,00. Voor deze kosten kan in dergelijke situaties wel bijzondere bijstand worden verleend.

   

5.1.25

Woonkostentoeslag eigenaren

Eigenaren van woningen hebben geen recht op huursubsidie. Bij een laag inkomen en hoge woonkosten kunnen zij in aanmerking komen voor woonkostentoeslag. Bij bepaling van de hoogte hiervan wordt (meestal) aangesloten bij de regels voor woonkostentoeslag aan huurders. Een verschil is echter dat woonkostentoeslag aan eigenaren jarenlang kan voortduren, terwijl huurders doorgaans per 1 juli doorschuiven naar de huursubsidie. Een belangrijke overeenkomst is dat er ook bij woonkosten boven de maximale huurgrens een verhuisplicht wordt opgelegd. Het opleggen van de verhuisplicht dient expliciet te gebeuren in de beschikking waarin de woonkostentoeslag wordt toegekend.

Fiscale aspecten

Hypotheekrente die drukt op het inkomen kan daarvan worden afgetrokken bij de belastingaangifte. Dit leidt tot een hoger netto inkomen. Er zijn twee mogelijkheden:

  • a.

    De betrokkene heeft een voorlopige teruggaaf aangevraagd vanwege de hypotheekrenteaftrek en ontvangt deze maandelijks van de belastingdienst. Het betreft inkomen in de zin van artikel 32 lid 1 WWB zodat hiermee rekening moet worden gehouden bij de (maandelijkse) draagkrachtberekening voor de woonkostentoeslag.

  • b.

    De betrokkene wacht met het aftrekken van de hypotheekrente tot de belastingaangifte zodat hij achteraf een belastingteruggave ontvangt. Een teruggaaf van belasting moet worden toegerekend aan het jaar waarop deze betrekking heeft, niet het jaar waarin deze wordt ontvangen (artikel 32 lid 1 onderdeel b WWB). Voor zover de teruggaaf betrekking heeft op een periode waarover bijstand is verstrekt, zal er teruggevorderd moeten worden. Het inkomen is achteraf immers hoger. Voor het deel van de teruggaaf dat verband houdt met bijzondere kosten waarvoor geen bijstand is verstrekt, blijft terugvordering achterwege (artikel 31 lid 2 onderdeel f WWB). Het is niet toegestaan om bij de vaststelling van de woonkostentoeslag al bij voorbaat rekening te houden met een mogelijke belastingteruggave.

Het deel van de hypotheekrente waarvoor woonkostentoeslag wordt verleend, kan door belanghebbende bij zijn belastingaangifte niet worden afgetrokken van zijn inkomen.

De woonkosten van eigenaren die in aanmerking komen voor woonkostentoeslag zijn:

  • ·

    De rente die verband houdt met de woning.

    • o

      Het gaat hier meestal om hypotheekrente. Het is niet van belang of de eigenaar de hypotheekrente ook daadwerkelijk betaalt. Verder geldt dat jaarlijks te ontvangen rijkssubsidie die betrekking heeft op de verschuldigde hypotheekrente hierop in mindering moet worden gebracht.

    • o

      Hypotheekrente voor leningen anders dan voor de woning, bijvoorbeeld voor een auto of caravan, mogen niet worden meegeteld.

    • o

      De aflossing van de hypotheek telt niet mee, dit geldt dus ook voor de premies van zogenaamde spaarhypotheken.

  • ·

    Zakelijke lasten in verband met het hebben van eigendom, zoals:

    • o

      rioolrechten; eigenaarsdeel waterschapslasten; erfpachtcanon;

    • o

      premies van verzekeringen tegen brand- en stormschade (alleen voor de opstallen);

    • o

      eigenaarsdeel onroerende zaakbelasting (dus niet het gebruikersdeel).

  • ·

    Een naar omstandigheden vast te stellen bedrag voor onderhoud

    • o

      Alleen kosten van groot onderhoud komen in aanmerking voor woonkostentoeslag. Bedoeld zijn de onderhoudskosten die in geval van bewoning van een huurhuis voor rekening van de verhuurder komen (bijvoorbeeld buitenschilderwerk). 

    • o

      Kosten van klein onderhoud moeten worden voldaan uit de bijstandsnorm of het daarmee vergelijkbare inkomen. Voor kosten van ingrijpende reparaties moet afzonderlijk bijstand worden verleend.

Als richtlijn voor de kosten van groot onderhoud gelden de bedragen die zijn opgenomen in het actuele overzicht van normen en bedragen. Deze bedragen zijn door het ministerie van VROM vastgesteld. Afwijking van deze bedragen kan alleen in bijzondere omstandigheden. Niet als een bijzondere omstandigheid kan gelden dat de betrokkene een zeer grote woning bewoont en derhalve hogere onderhoudskosten heeft. De bovengemiddelde kosten zijn niet-noodzakelijk en komen daarom niet in aanmerking voor bijstandsverlening.

Na de vaststelling van de hoogte van de kosten volgt de berekening van de woonkostentoeslag conform de berekening bij de ‘huurders’

   

5.1.26

Overbruggingskosten

In onze maatschappij is het gebruikelijk om salarissen en bepaalde uitkeringen maandelijks achteraf betaalbaar te stellen.

Op grond daarvan worden alle nieuwe cliënten in beginsel geacht over voldoende financiële middelen te beschikken om de periode tot de eerste betaaldag te kunnen overbruggen.

De WWB-uitkering geldt voor de eerste tot en met de laatste dag van de maand en wordt rond de 25e van de volgende maand op de rekening bijgeschreven. De cliënt moet dus de periode tot de eerste gewone WWB-betaling zelf overbruggen. Niet iedere cliënt is daartoe in staat.

Daarom kan uitsluitend een nieuwe WWB-cliënt voor die periode bijstand krijgen; deze bijstand dient altijd verstrekt te worden in de vorm van leenbijstand. Deze leenbijstand dient afbetaald te worden met het normbedrag voor aflossing nadat alle andere eventueel aanwezige leenbijstand is afgelost. De regeling is alleen bedoeld voor levensonderhoud.

Voorwaarden

  • A.

    Voor een overbruggingsuitkering moet de cliënt een afzonderlijke aanvraag indienen. Een overbruggingsuitkering mag nooit automatisch worden toegekend.

  • B.

    Op de ingangsdatum van de uitkering heeft de cliënt geen of onvoldoende liquide middelen/of spaartegoed. Dus ook het vermogen dat binnen de grens van het 'bescheiden vermogen' blijft moet de cliënt aanwenden om zelf het overbruggingsprobleem op te lossen.

  • C.

    De cliënt heeft zelfstandige woonruimte en/of draagt gezinsverantwoordelijkheid. Dus geen overbruggingsuitkering aan thuiswonenden beneden de 21 jaar.

  • D.

    Uit het onderzoek moet komen vast te staan dat cliënt de noodzaak van een overbruggingsuitkering niet heeft kunnen voorzien en/of voorkomen.

  • E.

    Men moet niet met een voorschot alleen rond kunnen komen.

    Onderzoek en rapportage

Door de cliënt moet aangetoond zijn, dat er op de ingangsdatum van de uitkering, onvoldoende financiële middelen zijn (kas -bank -of giroreserves, ook indien deze onder de grens van het zogenaamde bescheiden vermogen liggen) om de wachttijd tot de eerstvolgende betaaldatum te kunnen overbruggen.

Aanwezige kas -bank -of girosaldi moeten op de berekende overbrugging in mindering worden gebracht. Uit de desbetreffende rapportage moet blijken, dat er sprake is van een financiële noodsituatie.

Als de cliënt vóór de ingangsdatum van de uitkering betalingen heeft verricht ten behoeve van primaire bestaanskosten, die nog niet zijn afgeschreven op zijn rekening, dan mogen die betalingen van zijn tegoed worden afgetrokken. Dat mag alléén als de cliënt die betalingen tijdens de aanvraagprocedure alsnog aantoont aan de hand van bankafschriften en nota's.

   

5.1.27

Krediethypotheek

Het college verleent bijstand als geldlening onder verband van pand of hypotheek als de door belanghebbende of zijn gezin bewoonde eigen woning met bijbehorend erf een waarde heeft van meer dan het bedrag genoemd in artikel 34 lid 2 onder d WWB, en er (naar verwachting) meer bijstand verleend wordt op jaarbasis dan het wettelijk netto minimumloon op maandbasis. Daarbij worden voor de berekening van de waarde van de woning de daarop rustende schulden en de kosten van de pand- of hypotheekvestiging in mindering gebracht.

Hypotheek wordt gevestigd op registergoederen (huizen en geregistreerde woonschepen)

Pandrecht wordt gevestigd op niet-registergoederen (woonwagens en niet-geregistreerde woonschepen).

Wanneer de klant met een eigen woning uitsluitend bijzondere bijstand aanvraagt en het vermogen gebonden in de woning hoger is dan het vermogen bedoeld in artikel 34 tweede lid onderdeel b d van de WWB heeft de bijzondere bijstand de vorm van een geldlening. Uitzondering hierop is als er nog een lopende krediethypotheek loopt. In dat geval wordt de bijzondere bijstand in de lopende krediethypotheek opgenomen.

   

5.1.28

Vaste lasten tijdens verblijf in inrichting

Voor vaste lasten (= huur en energie) kan gedurende maximaal een jaar bijzondere bijstand worden verleend. Dit geldt ook voor gehuwden waarvan beide partners in een inrichting verblijven. Indien vooraf vaststaat dat de opname langer dan een jaar zal duren dan kan er eventueel bijstand worden verleend voor de periode van huuropzegging.

Bijzondere bijstand kan worden verleend voor de volgende woonkosten:

  • ·

    de huur, en

  • ·

    de nutsvoorzieningen (energie en water), zijnde het vastrecht plus 20% van de voorschotnota's.

De overige woonlasten zoals bijvoorbeeld OZB, verzekering, e.d., worden voor de berekening van de bijzondere bijstand niet meegenomen. Voor de rente en aflossing van een hypotheek bij een eigen woning kan evenmin bijzondere bijstand worden verleend. In dit geval zou bijstandsverlening leiden tot vermogensvermeerdering, hetgeen niet de strekking is van de WWB. De eigenaar zal met de hypotheekverstrekker een regeling moeten treffen.

   

5.1.29

Leges voor verblijfsvergunningen en naturalisatie

De kosten van een verblijfsvergunning worden aangemerkt als algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan die uit een inkomen op bijstandsniveau kunnen worden voldaan door middel van reservering dan wel gespreide betaling achteraf. Dit betekent dat er in beginsel geen bijstandsverlening mogelijk is voor deze kosten. Alleen indien er sprake is van bijzondere omstandigheden in het individuele geval. Indien belanghebbende door een tekortschietend besef van verantwoordelijk (lees: niet (tijdig) gereserveerd dan wel dat een lening niet (zondermeer) mogelijk is) toch een beroep moet doen op bijstand, kan bijstand in de vorm van een geldlening of borgtocht worden verleend (artikel 48 lid 2 onderdeel b WWB).

De kosten van naturalisatie worden niet als noodzakelijke kosten aangemerkt zodat reeds om die reden verlening van bijzondere bijstand voor die kosten onmogelijk is.

   

5.1.30

Vaste lasten woning gedetineerde

Het feit dat tijdens detentie in huisvesting wordt voorzien kan niet zonder meer tot de conclusie leiden dat het aanhouden van de eigen huisvesting niet (meer) noodzakelijk is. Van geval tot geval moet dat worden beoordeeld.

Indien de gedetineerde niet voor de kosten en vaste lasten van het aanhouden van de eigen huisvesting heeft kunnen reserveren of geen tijdelijke verhuurregeling heeft kunnen treffen met familie/vrienden kan bijstand worden verleend. Meestal is de detentie echter voorzienbaar.

Bij de noodzakelijkheidvraag van bijstandsverlening zijn de volgende zaken van belang:

  • ·

    Als richtlijn geldt een maximale detentieperiode van 6 maanden;

  • ·

    Tijdens voorarrest staat de noodzaak vast

  • ·

    De mogelijkheid tot reserveren moet hebben ontbroken.

  • ·

    Bezien moet worden of de gedetineerde zijn woning tijdelijk kan verhuren.

  • ·

    Ten aanzien van de verbruikslasten gas, licht en water, dient de leverancier verzocht te worden het voorschot aan te passen op basis van niet-verbruik gedurende de periode van detentie. Er wordt immers niets verbruikt.

   

5.1.31

Reiskosten bezoek aan gedetineerde

Omschrijving van de kosten

De kosten voor het vervoer van het woonadres van de bezoeker (=belanghebbende) naar inrichting waar de gedetineerde verblijft.

Voorliggende voorziening

Er bestaat geen recht op bijzondere bijstand als een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening (artikel 15 WWB). Voorzover bekend is er geen voorliggende voorziening.

Recht op bijzondere bijstand

De noodzaak voor het bezoeken van een gedetineerde wordt aanwezig geacht indien:

  • ·

    de gedetineerde behoort tot het gezin van belanghebbende, en;

  • ·

    de gedetineerde verblijft in een gesloten inrichting (= geen recht op verlof), en;

  • ·

    de inrichting buiten de gemeente is gelegen (maar binnen Nederland), en;

  • ·

    de bezoekfrequentie maximaal 1 keer per maand per gezinslid bedraagt.

Hoogte van de bijzondere bijstand

De hoogte van de bijzonder bijstand is gelijk aan goedkoopste vorm van openbaar vervoer voor het betreffende traject. Om die reden worden kinderen jonger dan 12 jaar, in voorkomende gevallen, geacht mee te reizen met de ouder.

Op deze voor bijstand in aanmerking komende kosten worden het in aanmerking te nemen inkomen en vermogen (artikel 35 lid 1 WWB) en het (eventueel van toepassing zijnde) drempelbedrag (artikel 35 lid 2 WWB) in mindering gebracht. Zie voor de gemeentelijke beleidsregels inzake het in aanmerking te nemen inkomen en vermogen en het al dan niet toepassen van het drempelbedrag.

Vorm van de bijzondere bijstand

De bijzondere bijstand wordt verleend om niet.

Aan de bijstand verbonden verplichtingen

Naast de algemene verplichtingen wordt op grond van artikel 55 WWB een bestedingsverplichting opgelegd. Tevens moeten vervoers- of bezoekbewijzen moeten worden overgelegd binnen 5 werkdagen na de aangevraagde bezoekdatum, ter controle van de bestedingsverplichting.

   

5.1.32

Kinderopvang op basis van Sociaal Medische Indicatie (tijdelijk)

De kosten van kinderopvang zijn de verantwoordelijkheid van de klant. Op grond van de Wet Kinderopvang (WK) kunnen ouders een bijdrage vragen aan de werkgever en de Rijksoverheid (via de Belastingdienst). In het geval van de WWB is de gemeente de werkgever en zal zij een deel van de kosten voor haar rekening nemen. Deze bijdrage zal slechts worden vergoed indien de noodzaak tot kinderopvang is vastgesteld (bijv. bij integratietrajecten).

Er is een uitzondering, kinderopvang op basis van Sociaal Medische Indicatie (SMI) die vooralsnog uit de WK is gehaald en waarschijnlijk onder de Wet Maatschappelijke Ondersteuning (WMO) zal worden gebracht. Een aanvraag bijzondere bijstand voor dergelijke kosten is in principe mogelijk. Hiervoor is een Rijksbijdrage aan het gemeentefonds toegevoegd. Voorwaarden daarbij zijn:

  • -

    De aanvrager een bijstandsuitkering heeft;

  • -

    De kinderopvang moet noodzakelijk zijn (toets door GG&GD);

  • -

    De duur van de opvang moet zijn vastgesteld;

  • -

    De opvang moet plaatsvinden bij een geregistreerd opvangcentrum.

Indien beide ouders of de alleenstaande ouder een bijstandsuitkering heeft en door Sociaal Medische omstandigheden kinderopvang nodig heeft kunnen de kosten uit de bijzondere bijstand worden betaald. Het gaat in dit geval om de totale kosten aangezien er geen werkgever noch een bijdrage van het Rijk is de verwachten.

   

5.1.33

Verstrekken van Leenbijstand of Borgtocht

Onder de WWB is niets vastgelegd rondom de aflossingsduur van de verstrekte leenbijstand. Onder oude beleid was dit 36 maanden en werd het restant om niet verstrekt. Het College is nu vrij een eigen termijn te stellen. In principe wordt er vanuit gegaan dat het totale bedrag van de leenbijstand moet worden terugbetaald.

Looptijd leenbijstand

De looptijd van de aflossing op leenbijstand wordt zodanig vastgesteld dat gelet op de hoogte van de aflossing de gehele geldlening is terugbetaald.

Hoogte aflossing leenbijstand

Bij een inkomen op bijstandsniveau:

·10% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (norm + toeslag - verlagingen) inclusief vt.

Bij een inkomen boven bijstandsniveau:

  • ·

    10% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm (norm + toeslag - verlagingen) inclusief vt, PLUS

  • ·

    100% van het inkomen boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm (norm + toeslag - verlagingen) na aftrek van buitengewone uitgaven.

Matiging en opschorting aflossing leenbijstand

Wijziging aflossingsbedragIn beginsel wordt een eenmaal vastgesteld aflossingsbedrag en duur daarvan niet meer gewijzigd.

Indien belanghebbende inkomsten gaat ontvangen die hoger zijn dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm exclusief vakantietoeslag wordt het aflossingsbedrag gesteld op het bedrag dat hij naar draagkracht kan betalen.

Aanpassing aflossing leenbijstand

In beginsel wordt een vastgesteld aflossingbedrag niet meer gewijzigd. Bij normwijziging i.v.m. wijziging van gezinssamenstelling (b.v. echtpaar naar alleenstaande ouder) wordt de aflossing aangepast.

Rente over leenbijstand

Indien bijstand als geldlening wordt verstrekt wordt geen rente in rekening gebracht.

   

5.1.34

Scholingskosten Inburgering

De inburgering van nieuw- en oudkomers brengt kosten met zich mee. Deze kosten worden vergoed door de Ministeries van OC&W (Educatieve component) en VWS (Maatschappelijke component). Naast de algemene kosten (ROC en Bureau Inburgering) zijn er ook nog bijzondere kosten zoals: examenkosten, boeken en reiskosten. Zolang het inburgeringtraject loopt vallen deze kosten onder de voorliggende voorzieningen.

Na het afsluiten van het traject is het van belang dat de klant het NT2 (Nederlandse Taal als 2e taal) examen haalt om in vervolgtrajecten (naar o.a. arbeid) een betere kans te hebben. De kosten van dit examen worden éénmalig uit de bijzondere bijstand vergoed. Mocht het daarbij noodzakelijk zijn (wordt bepaald door het opleidingsinstituut) dat extra boeken worden ingezet dan kunnen deze ook éénmalig worden vergoed via de bijzondere bijstand.

Reiskosten van en naar het scholingsinstituut komen in beginsel niet voor bijzondere bijstand in aanmerking. In dit geval is de fiets een voorliggende voorziening aangezien alle instellingen op die manier te bereiken zijn.

Uitzonderingen op het gebied van het medische (beperkingen t.a.v. het fietsen) of sociale (tijdsproblematiek door bijv. kinderopvang) worden ter toetsing aan de GG&GD voorgelegd.

6

   

COMMUNICATIE EN VOORLICHTING

 

6.1

 

Communicatie

In artikel 7 lid 1 van de Wet werk en bijstand (WWB) wordt zijdelings verwezen naar de informatie- en voorlichtingsplicht van de gemeente. In Leiderdorp zijn de volgende vormen van media daartoe aanwezig. De Gemeentelijke website, de kabelkrant en de Gemeentegids. Speciaal voor de bijstandsklant is er “Nieuwsbrief WIZl” (informatiebulletin die 1 x per kwartaal aan de klant wordt gestuurd en de informatiemap voor klanten die 1 per jaar aan de klanten wordt toegezonden en bij een aanvraag aan nieuwe klanten wordt meegegeven.

 

6.2

 

Voorlichting

Voorlichting geschiedt rechtstreeks aan klant via de eerder genoemde kanalen maar ook tijdens de gesprekken in de spreekkamer (bij heronderzoek), bij het CWI en de reïntegratiebedrijven. Zij zijn op de hoogte van het plaatselijk beleid en kunnen aangeven wat er mogelijk is.

7

   

FINANCIEN

De in deze uitvoeringsnotitie genoemde bedragen, of verwijzingen naar bedragen (NIBUD etc.), worden jaarlijks geïndexeerd en kunnen als zodanig worden geïnterpreteerd.

8

   

ACTUALISATIE

Jaarlijks zal worden beoordeeld of deze uitvoeringsnotitie moet worden geactualiseerd. E.e.a. is afhankelijk van wijzigingen in de wetgeving, de beschikbare budgetten etc.

Aldus vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiderdorp d.d. 25 oktober 2005.

De secretaris, A.H. Schouten

De burgemeester, M. Zonnevylle