Regeling vervallen per 18-01-2023

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Maassluis houdende regels omtrent de openbare orde en veiligheid (Algemene plaatselijke verordening Maassluis 2021)

Geldend van 05-03-2021 t/m 17-01-2023

Intitulé

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Maassluis houdende regels omtrent de openbare orde en veiligheid (Algemene plaatselijke verordening Maassluis 2021)

De raad van de gemeente Maassluis;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 15 december 2020;

besluit:

1. Vast te stellen de Algemene Plaatselijke Verordening (APV) 2021 van de gemeente Maassluis

2. In te trekken de Algemene Plaatselijke Verordening 2019.

Algemene Plaatselijke Verordening Maassluis 2021 (inclusief toelichting)

Inhoudsopgave

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1:1 Begripsbepalingen

Artikel 1:2 Beslistermijn

Artikel 1:3 Te late indiening aanvraag

Artikel 1:4Voorschriften en beperkingen

Artikel 1:5Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

Artikel 1:7 Vergunning of ontheffing voor onbepaalde tijd

Artikel 1:8 Weigeringsgronden

Artikel 1:9 Toepassing paragraaf 4.1.3.3. Algemene Wet Bestuursrecht

Artikel 1:10 Geen toepassing paragraaf 4.1.3.3. Algemene Wet Bestuursrecht

HOOFDSTUK 2 OPENBARE ORDE

Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden

Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden

Artikel 2:1a Aanwijzing overlastgebied

Artikel 2.1b Wijkverbod

Artikel 2.1c Veiligheidsrisicogebieden (preventief fouilleren)

Artikel 2.1d Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet

Afdeling 2. Betogingen

Artikel 2:2 Optochten (vervallen)

Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

Artikel 2:4 Afwijking termijn (vervallen; opgenomen in artikel 2:3)

Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens (vervallen; opgenomen in artikel 2:3)

Afdeling 3. Verspreiding van gedrukte stukken

Artikel 2:6 Beperking aanbieden en dergelijke van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

Afdeling 4. Vertoningen en dergelijke op een openbare plaats

Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd en dergelijke (vervallen)

Artikel 2:8 Dienstverlening (vervallen)

Artikel 2:9 Straatartiest en dergelijke

Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van een openbare plaats

Artikel 2:10 Voorwerpen of stoffen aan, in op of boven een openbare plaats

Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

Artikel 2:12 (Omgevings)vergunning voor het maken of veranderen van een uitweg

Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid (vervallen)

Afdeling 6. Veiligheid van/op een openbare plaats

Artikel 2:14 Winkelwagentjes

Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke

Artikel 2:17 Kelderingangen en dergelijke

Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurgebieden (vervallen)

Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp openbare plaats

Artikel 2:20 Vallende voorwerpen

Artikel 2:20a Dragen gevaarlijke voorwerpen

Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn (vervallen)

Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs

Artikel 2:23a Verbod op slapen op of aan de weg

Afdeling 7. Evenementen

Artikel 2:24 Begripsbepalingen

Artikel 2:25 Evenementenvergunning

Artikel 2:25a 0-evenementen

Artikel 2:26 Ordeverstoring

Artikel 2:26a Openbare Orde en veiligheid

Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen

Artikel 2:27 Begripsbepalingen

Artikel 2:28 (Tijdelijke) Exploitatievergunning horecabedrijf

Artikel 2:28a Vrijstelling vergunningplicht

Artikel 2:28b Eisen exploitant en leidinggevende

Artikel 2:28c Beslistermijn

Artikel 2:28d Weigerings- en intrekkingsgronden

Artikel 2:28e Opheffing vergunningplicht

Artikel 2:29 Sluitingstijden

Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting

Artikel 2:30a Gesloten verklaren van een horecabedrijf

Artikel 2:31 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf

Artikel 2:31a Glazen drinkgerei

Artikel 2:32 Handel in horecabedrijf

Artikel 2:33 Ordeverstoring

Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan

Artikel 2:34a Geldigheidsduur vergunning

Artikel 2:34b Beëindiging van de exploitatie

Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf

Artikel 2:35 Begripsbepalingen

Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie

Artikel 2:37 Nachtregister

Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister

Afdeling 10. Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat

Artikel 2:39 Begripsbepalingen

Artikel 2:40 Vergunning exploitatie bedrijf

Artikel 2:40a Weigerings- en intrekkingsgronden

Artikel 2:40b Tijdelijke sluiting

Artikel 2:40c Aanwezigheid exploitant en beheerder

Artikel 2:40d Overgangsbepaling

Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid

Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal

Artikel 2:42 Plakken en kladden

Artikel 2:42a Graffiti

Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke

Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen

Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen en dergelijke (vervallen)

Artikel 2:46 Rijden over bermen en dergelijke (vervallen)

Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op of aan een openbare plaats

Artikel 2:47a Hinderlijk voetballen en dergelijke

Artikel 2:48 Verboden drankgebruik

Artikel 2:48a Verboden gebruik lachgas

Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen

Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties

Artikel 2:51 Hinderlijk neerzetten van fietsen en dergelijke

Artikel 2:52 Overlast van fiets, bromfiets of voertuig op markt- en kermisterrein en dergelijke

Artikel 2:53 Bespieden en heimelijk fotograferen/filmen van personen

Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur

Artikel 2:55 Nodeloos alarm (vervallen)

Artikel 2:56 Alarminstallaties (vervallen)

Artikel 2:57 Loslopende honden

Artikel 2:58 Overlast/verontreiniging door honden

Artikel 2:59 Gevaarlijke honden

Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein

Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren

Artikel 2:61 Voeren van vogels

Artikel 2:62 Loslopende vee (vervallen)

Artikel 2:63 Schade duiven (vervallen)

Artikel 2:64 Bijen (vervallen)

Artikel 2:65 Bedelarij (vervallen)

Afdeling 12. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen

Artikel 2:66 Begripsbepalingen

Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

Artikel 2:68Voorschriften als bedoeld in art. 437 ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht

Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen

Artikel 2:70 Handel in horecabedrijf (vervallen; verplaatst naar afdeling 8)

Afdeling 13. Vuurwerk

Artikel 2:71 Begripsbepaling

Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen

Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

Artikel 2:73a Carbidschieten

Afdeling 14. Drugsoverlast

Artikel 2:74 Drugshandel op een openbare plaats

Artikel 2:74a Verzamelingen van personen in verband met drugs

Artikel 2:74b Openlijk drugsgebruik

Artikel 2:74c Weggooien van spuiten en dergelijke

Afdeling 15. Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen

Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding (vervallen)

Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden (vervallen opgenomen in artikel 2:1c)

Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen

Artikel 2:78 Sluiting van panden

HOOFDSTUK 3 SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE E.D.

Afdeling 1. Begripsbepalingen en andere regels

Artikel 3:1 Begripsbepalingen

Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan

Artikel 3:3 Nadere regels

Afdeling 2. Seksinrichtingen en escortbedrijven

Artikel 3:4 Seksinrichtingen

Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en leidinggevende

Artikel 3:6 Sluitingstijden

Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden, (tijdelijke) sluiting

Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en leidinggevende

Artikel 3:9 Beslistermijn

Artikel 3:10 Weigeringsgronden

Artikel 3:10a Intrekkingsgronden

Artikel 3:10b Geldigheidsduur vergunning

Artikel 3:11 Beëindiging exploitatie

Artikel 3:12 Wijziging beheer

Artikel 3:13 Overgangsbepaling

Afdeling 3. Straatprostitutie en Sekswinkels

Artikel 3:14 Straatprostitutie

Artikel 3:15 Sekswinkels

Artikel 3:16 Tentoonstellingen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke

HOOFDSTUK 4 BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE

Afdeling 1. Geluidhinder en verlichting

Artikel 4:1 Begripsbepalingen

Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten

Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten

Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten (vervallen)

Artikel 4:4a Geluidsplafond (vervallen)

Artikel 4:5 Onversterkte muziek

Artikel 4:5a Geluidhinder in de openlucht

Artikel 4:5b Geluidhinder door dieren

Artikel 4:5c Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen

Artikel 4:5d Routering

Artikel 4:5e Geluidhinder door handelingen t.b.v. bouwwerkzaamheden

Artikel 4:6 Overige geluidhinder

Artikel 4:6a Mosquito

Artikel 4:6b Geluidhinder door bromfietsen en dergelijke (vervallen)

Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging

Artikel 4:7 Straatvegen (vervallen)

Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen

Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen

Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden

Artikel 4:10 Begripsbepalingen

Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

Artikel 4.11a Aanvraag omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

Artikel 4.11b Weigeringsgronden omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

Artikel 4.11c Bijzondere vergunningsvoorschriften

Artikel 4.11d Herplant-/instandhoudingsplicht

Artikel 4.11e Schadevergoeding

Artikel 4:11f Bestrijding ziekte houtopstanden

Artikel 4:11g Bestrijding watermerkziekte

Artikel 4:11h Afstand tot de erfgrens

Artikel 4:12 Vergunning van rechtswege (vervallen)

Artikel 4:12a Vervaltermijn vergunning (vervallen)

Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast

Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.

Artikel 4:13a Verontreiniging bij werkzaamheden op een openbare plaats

Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen (vervallen)

Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclames

Artikel 4:16 Vergunningplicht lichtreclame (vervallen)

Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterrein

Artikel 4:17 Begripsbepaling

Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen

HOOFDSTUK 5 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE

Afdeling 1. Parkeerexcessen

Artikel 5:1 Begripsbepalingen (vervallen)

Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke

Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen

Artikel 5:4 Defecte voertuigen

Artikel 5:5 Voertuigwrakken

Artikel 5:6 Kampeermiddelen en andere

Artikel 5:6a Parkeren van caravans, aanhangwagens in een parkeerschijfzone

Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen

Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen

Artikel 5:9 Parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen

Artikel 5:9a Parkeren op aanbiedplaats huishoudelijk afval

Artikel 5:10 Parkeren anders dan op de rijbaan

Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets

Afdeling 2. Collecteren

Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving

Afdeling 3. Venten

Artikel 5:14 Begripsbepaling

Artikel 5:15 Venten en dergelijke

Artikel 5:16 vrijheid van meningsuiting

Afdeling 4. Standplaatsen

Artikel 5:17 Begripsbepaling

Artikel 5:18 Standplaatsen en weigeringsgronden

Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende

Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen

Afdeling 5. Snuffelmarkten

Artikel 5:22 Begripsbepaling (verplaatst naar hoofdstuk 2, afdeling 7)

Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt (verplaatst naar hoofdstuk 2 afdeling 7)

Afdeling 6. Openbaar water

Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water

Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen

Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats

Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats

Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken en oevers

Artikel 5:29 Reddingsmiddelen

Artikel 5:30 Veiligheid op het water

Artikel 5:30a Zwemmen in openbaar water

Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen

Afdeling 7. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden

Artikel 5:32 Crossterreinen

Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden

Afdeling 8. Verbod vuur te stoken

Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

Afdeling 9. Verstrooiing van as

Artikel 5:35 Begripsbepaling

Artikel 5:36 Verboden plaatsen

Artikel 5:37 Hinder of overlast

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1:1 Begripsbepalingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

  • a.

    bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994

  • b.

    beheerder:

    • -

      voor zover het betreft een openbare inrichting: natuurlijke persoon die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in de inrichting;

    • -

      voor zover het betreft een seksinrichting of escortbedrijf: natuurlijke persoon die de onmiddellijke leiding uitoefent in de inrichting of het bedrijf.

  • c.

    bevoegd bestuursorgaan: krachtens deze verordening bevoegd bestuursorgaan;

  • d.

    bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning

  • e.

    bouwwerk: bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Bouwverordening;

  • f.

    bromfiets: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder e, van de Wegenverkeerswet 1994

  • g.

    college: college van burgemeester en wethouders van Maassluis;

  • h.

    gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, van de Woningwet.

  • i.

    handelaar: handelaar, als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht

  • j.

    handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

  • k.

    motorvoertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

  • l.

    openbare inrichting:

    • -

      inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, zomede de daarbij behorende terrassen;

    • -

      voor publiek openstaande lokaliteiten, open plaatsen, tuinen of gedeelten daarvan, zomede de daarbij behorende terrassen en de daarmee gemeenschap hebbende vertrekken die niet uitsluitend als woning of winkel worden gebruikt, alsmede de niet voor publiek toegankelijke lokaliteiten welke voor het publiek op de weg bereikbaar zijn, uitgezonderd standplaatsen als bedoeld in artikel 5:17, voor zover daar regelmatig of op gezette tijden:

      • o

        gelegenheid wordt gegeven anders dan om niet enigerlei eet- of drinkwaar te verkrijgen, af te halen of te verbruiken;

      • o

        amusement of ontspanning wordt aangeboden, met uitzondering van

      • o

        voorstellingen of vertoningen van porno-erotische aard worden gegeven dan wel door middel van automaten dergelijke voorstellingen of vertoningen kunnen worden gegeven;

  • m.

    openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties;

  • n.

    openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn;

  • o.

    parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

  • p.

    rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;

  • q.

    weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b van de Wegenverkeerswet 1994;

  • r.

    vaartuigen: alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten;

  • s.

    voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens en rolstoelen;

  • t.

    woonschepen: schepen uitsluitend of hoofdzakelijk als woning gebezigd of tot woning bestemd.

Artikel 1:2 Beslistermijn

  • 1. Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag.

  • 2. Het bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen.

  • 3. Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor zover in deze verordening andere beslistermijnen zijn gesteld.

  • 4. In afwijking van het tweede lid is artikel 3.9 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing indien beslist wordt op een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 2:10, artikel 2:11, artikel 2:12, of artikel 4:11.

Artikel 1:3 Te late indiening aanvraag

(Vervallen)

Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen

  • 1. Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

  • 2. Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald.

Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd:

  • a.

    indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;

  • b.

    indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning of ontheffing, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

  • c.

    indien de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

  • d.

    indien van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of

  • e.

    indien de houder dit verzoekt.

Artikel 1:7 Vergunning of ontheffing voor onbepaalde tijd

Een krachtens deze verordening verleende vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

Artikel 1:8 Weigeringsgronden

  • 1. De vergunning of ontheffing kan door het bevoegd gezag of het bevoegde bestuursorgaan worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de openbare orde/overlast;

    • b.

      de openbare veiligheid;

    • c.

      in het belang van de verkeersvrijheid of –veiligheid;

    • d.

      de volksgezondheid;

    • e.

      de bescherming van het milieu;

    • f.

      de zedelijkheid.

  • 2. In aanvulling op de in het eerste lid genoemde algemene weigeringsgronden kunnen per artikel bijzondere weigeringsgronden worden genoemd.

  • 3. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan zes weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

  • 4. Voor bepaalde, door het bevoegde bestuursorgaan aan te wijzen vergunningen of ontheffingen kan de in het derde lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste twaalf weken.

Artikel 1:9 Toepassing paragraaf 4.1.3.3. Algemene wet bestuursrecht

Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene Wet Bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing op de volgende artikelen in deze Verordening:

  • -

    Artikel 2:6 lid 4 Ontheffing verbod gedrukte of geschreven stukken;

  • -

    Artikel 2:9 lid 3 Ontheffing verbod optreden als straatartiest;

  • -

    Artikel 2:10 lid 2 Vergunning voorwerpen of stoffen openbare plaats;

  • -

    Artikel 2:11 Vergunning aanleggen, beschadigen veranderen van een weg;

  • -

    Artikel 2:12 Vergunning maken veranderen van een weg;

  • -

    Artikel 2:25a Melding 0¬-evenement;

  • -

    Artikel 2:29 lid 4 Ontheffing sluitingstijden;

  • -

    Artikel 2:67 lid 2 Vrijstelling verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister;

  • -

    Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden;

  • -

    Artikel 5:13 lid 1 Vergunning inzameling van geld of goederen of leden-of donateurwerving (collectevergunning);

  • -

    Artikel 5:15 Vergunning venten en dergelijke;

  • -

    Artikel 5:16 lid 3 Ontheffing verbod venten met gedrukte stukken;

  • -

    Artikel 5:36 lid 3 Ontheffing verbod incidentele asverstrooiing.

Artikel 1:10 Geen toepassing paragraaf 4.1.3.3. Algemene wet bestuursrecht

Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene Wet Bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is niet van toepassing op de volgende artikelen in deze Verordening:

  • -

    Artikel 2:1 lid 4 Ontheffing verbod te begeven op openbare plaatsen die zijn afgezet;

  • -

    Artikel 2:10 lid 1 Vergunning voorwerpen of stoffen openbare plaats;

  • -

    Artikel 2:23a lid 2 Ontheffing verbod slapen op of aan de weg;

  • -

    Artikel 2:25 Vergunning evenementen;

  • -

    Artikel 2:28 (Tijdelijke) exploitatievergunning horeca;

  • -

    Artikel 2:31a lid 3 Ontheffing verbod drank in glas;

  • -

    Artikel 2:40 Vergunning exploitatie bedrijf;

  • -

    Artikel 2:41 lid 4 Ontheffing betreden gesloten woning of lokaal;

  • -

    Artikel 2:72 Vergunning ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk;

  • -

    Artikel 2:73 Ontheffing bezigen van consumentenvuurwerk op aangewezen plaats;

  • -

    Artikel 3:4 Vergunning seksinrichting;

  • -

    Artikel 4:5 Ontheffing onversterkte muziek;

  • -

    Artikel 4:5a lid 2 Ontheffing verbod geluidhinder in de openlucht;

  • -

    Artikel 4:5d lid 2 Ontheffing routering;

  • -

    Artikel 4:5e lid 2 Ontheffing verbod bouwwerkzaamheden;

  • -

    Artikel 4:6 lid 2 Ontheffing overige geluidhinder;

  • -

    Artikel 4:18 lid 3 Ontheffing van het verbod tot recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen;

  • -

    Artikel 5:6 lid 3 Ontheffing parkeren kampeervoertuig;

  • -

    Artikel 5:8 lid 5 Ontheffing parkeren grote voertuigen;

  • -

    Artikel 5:11 lid 3 Ontheffing rijden door een park of plantsoen of voertuig daarin doen of laten staan;

  • -

    Artikel 5:18 Standplaatsvergunning;

  • -

    Artikel 5:25 Vergunning ligplaats woonschepen en overige vaartuigen;

  • -

    Artikel 5:33 lid 6 Ontheffing verkeer in natuurgebieden;

  • -

    Artikel 5:34 lid 3 Ontheffing verbod afvalstoffen verbranden.

HOOFDSTUK 2 OPENBARE ORDE

Afdeling 1. Bestrijding van ongeregeldheden

Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden

  • 1. Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden.

  • 2. Degene die op een openbare plaats:

    • a.

      aanwezig is bij een voorval waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;

    • b.

      aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan; of

    • c.

      zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;

  • is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  • 3. Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.

  • 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.

Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Artikel 2:1a Aanwijzing overlastgebied

  • 1. De burgemeester is bevoegd om een gebied aan te wijzen waar naar zijn oordeel sprake is van een ernstige verstoring of bedreiging van de openbare orde.

  • 2. Het is verboden zich in een aangewezen gebied op te houden in een groep van meer dan vier personen, indien dit leidt tot een verstoring van de openbare orde.

  • 3. De burgemeester trekt de aanwijzing in, zodra naar zijn oordeel sprake is van een voldoende herstel van de openbare orde in het aangewezen gebied.

Artikel 2:1b Wijkverbod

  • 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, het voorkomen of beperken van overlast, het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- en leefklimaat, de veiligheid van personen of goederen, de gezondheid of de zedelijkheid aan degene die strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht een verbod opleggen om zich te bevinden op in dat verbod aangewezen gebied gedurende een in het verbod neergelegde periode.

  • 2. Met het oog op de in het eerste lid genoemde belangen kan de burgemeester aan degene aan wie eerder een wijkverbod als bedoeld in het eerste lid is opgelegd en ten aanzien van wie wordt geconstateerd dat hij opnieuw strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht, een wijkverbod opleggen om zich gedurende een in dat verbod genoemd tijdvak van ten hoogste 30 dagen te bevinden op in dat wijkverbod aangewezen gebied.

  • 3. Een wijkverbod als genoemd in het tweede lid kan slechts worden opgelegd indien de strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen binnen zes maanden na het opleggen van een eerder wijkverbod, opgelegd op grond van het eerste of tweede lid, zijn geconstateerd.

  • 4. De burgemeester beperkt de in het eerste of tweede lid genoemde wijkverboden, indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.

  • 5. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd wijkverbod.

Artikel 2:1c Veiligheidsrisicogebieden (preventief fouilleren)

De burgemeester kan, overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet, bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2:1d Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet

  • 1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt, of tegen betaling in gebruik geeft aan een persoon die niet als ingezetene met een adres in de gemeente in de basisregistratie personen is ingeschreven, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

  • 2. De burgemeester kan een last onder bestuursdwang wegens overtreding van het eerste lid in ieder geval opleggen bij ernstige en herhaaldelijke:

    • a.

      geluid- of geurhinder;

    • b.

      hinder van dieren;

    • c.

      hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn;

    • d.

      overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf;

    • e.

      intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

Afdeling 2. Betogingen

Artikel 2:2 Optochten

(vervallen)

Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

  • 1. Hij die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, waaronder begrepen een samenkomst als bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet openbare manifestaties, geeft daarvan voor de openbare aankondiging en tenminste 72 uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester.

  • 2. De kennisgeving bevat:

    • a.

      naam en adres van degene die de betoging houdt;

    • b.

      het doel van de betoging;

    • c.

      de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

    • d.

      de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;

    • e.

      voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling; en

    • f.

      maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

  • 3. Hij die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de kennisgeving is vermeld.

  • 4. Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag, een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag.

  • 5. De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid genoemde termijn van 72 uur verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.

Artikel 2:4 Afwijking termijn

(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)

Artikel 2:5 Te verstrekken gegevens

(Vervallen; opgenomen in artikel 2:3)

Afdeling 3. Verspreiding van gedrukte stukken

Artikel 2:6 Beperking aanbieden en dergelijke van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

  • 1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden op door het college aangewezen openbare plaatsen.

  • 2. Het college kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

  • 3. Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.

  • 4. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid.

Afdeling 4. Vertoningen en dergelijke op een openbare plaats

Artikel 2:7 Feest, muziek en wedstrijd en dergelijke

(Vervallen)

Artikel 2:8 Dienstverlening

(Vervallen)

Artikel 2:9 Straatartiest en dergelijke

  • 1. Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid en het milieu aangewezen openbare plaatsen.

  • 2. De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

  • 3. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.

Afdeling 5. Bruikbaarheid en aanzien van een openbare plaats

Artikel 2:10 Voorwerpen of stoffen aan, op, in of boven een openbare plaats

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  • 2. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag als het in het eerste lid bedoelde gebruik een activiteit betreft als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

  • 3. Het in het eerste lid bepaalde is niet van toepassing op:

    • a.

      vlaggen, wimpels en vlaggenstokken indien ze geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen;

    • b.

      zonneschermen, mits ze zijn aangebracht boven het voor voetgangers bestemde gedeelte van de openbare plaats en mits:

      • -

        geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven dat gedeelte bevindt; en

      • -

        geen onderdeel van het scherm, in welke stand dat ook staat, zich op minder dan 1 meter van het voor het rijverkeer bestemde gedeelte van de openbare plaats bevindt;

      • -

        geen onderdeel verder dan 1,5 meter buiten de opgaande gevel reikt;

    • c.

      de voorwerpen of stoffen, die noodzakelijkerwijze kortstondig op de openbare plaats gebracht worden in verband met laden of lossen ervan en mits degene die de werkzaamheden verricht of doet verrichten ervoor zorgt, dat onmiddellijk na het beëindigen daarvan, in elk geval voor zonsondergang, de voorwerpen of stoffen van de openbare plaats verwijderd zijn en de openbare plaats daarvan gereinigd is;

    • d.

      voertuigen;

    • e.

      voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet worden geopenbaard;

    • f.

      het innemen van een standplaats als bedoeld in artikel 5:17 of een standplaats als bedoeld in de Marktverordening gemeente Maassluis.

    • g.

      containers voor de tijdelijke opslag van puin of van bouwmaterialen, bijbehorende keetwagens en toiletcabines, mits

      • -

        ze niet langer dan 30 dagen op de weg zijn geplaatst

      • -

        ze geen hinder of gevaar voor het verkeer opleveren

      • -

        de containers een lengte van maximaal 4,5 meter, een hoogte van maximaal 2,5 meter en een breedte van maximaal 2,5 meter bedragen

      • -

        er per perceel niet meer dan twee containers, één keetwagen en één toiletcabine worden geplaatst

    • h.

      evenementen als bedoeld in artikel 2:24

    • i.

      terrassen als bedoeld in artikel 2:27, lid 3

    • j.

      nader door het college aan te wijzen voorwerpen of categorieën van voorwerpen

  • 4. Het bevoegde bestuursorgaan kan nadere regels stellen voor de categorieën, bedoeld in het derde lid.

  • 5. Het is verboden aan, op, in of boven de openbare plaats voorwerpen of stoffen waarop gedachten of gevoelens als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet worden geopenbaard te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien deze door hun omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging schade toebrengen aan de weg, gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.

  • 6. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan een vergunning, bedoeld in het eerste en tweede lid, worden geweigerd:

    • a.

      als het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    • b.

      als het beoogde gebruik hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    • c.

      in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak;

    • d.

      in het belang van de brandveiligheid, of;

    • e.

      indien door plaatsing of aanwezigheid van het voorwerp er sprake is van het gebruik van de weg of een weggedeelte anders dan overeenkomstig de publieke functie of bestemming daarvan.

  • 7.

    • a.

      het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 of de Wegenverordening Zuid-Holland;

    • b.

      de weigeringsgrond van het zesde lid, onder b, geldt niet voor bouwwerken;

    • c.

      de weigeringsgrond van het zesde lid, onder c, geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg.

  • 2. De vergunning wordt verleend als omgevingsvergunning door het bevoegd gezag, indien de activiteiten zijn verboden bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

  • 3. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan hetgeen artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat, alsmede alle niet¬ openbare ontsluitingswegen van gebouwen.

  • 4. Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

  • 5. Het verbod is voorts niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur, het Provinciaal wegenreglement Zuid Holland, de Telecommunicatiewet en de daarop gebaseerde Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur (AVOI).

Artikel 2:12 (Omgevings)vergunning voor het maken of veranderen van een uitweg

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

  • 2. Bij de vergunningsaanvraag wordt een situatieschets van de gewenste uitweg en eventueel een foto van de bestaande situatie overgelegd.

  • 3. Het bevoegd gezag stelt voorschriften aan de gewenste uitweg indien door het realiseren ervan:

    • a.

      de bruikbaarheid van de weg en/of het veilig en doelmatig gebruik van de weg wordt geschaad;

    • b.

      het gebruik van een bestaande openbare parkeerplaats onmogelijk wordt gemaakt of dreigt te worden gemaakt;

    • c.

      de groenvoorziening in de gemeente wordt geschaad of dreigt te worden geschaad.

  • 4. Het bevoegd gezag weigert de vergunning voor de aanleg van de uitweg als door de aanleg een ongewenste situatie ontstaat, die niet door het stellen van voorschriften kan worden voorkomen.

  • 5. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement.

Afdeling 6. Veiligheid van/op de openbare plaats

Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid

(Vervallen)

Artikel 2:14 Winkelwagentjes

  • 1. De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht

    • a.

      de winkelwagentjes te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken; en

    • b.

      de door het publiek op de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen uit de omgeving van dat bedrijf

  • 2. Het is verboden een winkelwagentje na gebruik onbeheerd op een openbare plaats achter te laten.

  • 3. Het is verboden zich met een winkelwagentje op de weg te bevinden buiten de onmiddellijke omgeving van het bedrijf als bedoeld in het eerste lid, of indien het bedrijf gelegen is in een winkelcentrum, buiten de onmiddellijke omgeving van het winkelcentrum. Als onmiddellijke omgeving van het bedrijf of winkelcentrum wordt aangemerkt de weg of het gedeelte, grenzend aan het bedrijf of winkelcentrum en tevens een aan die weg of dat weggedeelte aansluitende parkeerplaats.

  • 4. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet Milieubeheer.

Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

Artikel 2:16 Openen straatkolken en dergelijke

Het is degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2:17 Kelderingangen, en dergelijke

  • 1. Kelderingangen, indiepingen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3 van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurgebieden

(Vervallen)

Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp openbare plaats

  • 1. Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van een openbare plaats op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht.

  • 3. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is.

Artikel 2:20 Vallende voorwerpen

Het is verboden aan een openbare plaats of aan enig deel van een bouwwerk een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen neervallen op de openbare plaats.

Artikel 2:20a Dragen gevaarlijke voorwerpen

  • 1. Het is verboden op een openbare plaats, met inbegrip van daaraan gelegen voor publiek toegankelijke gebouwen en terreinen, een mes, slagwapen, knuppel, katapult, pijl en boog of een ander voorwerp dat als wapen kan worden gebruikt, bij zich te dragen.

  • 2. Het verbod geldt niet met betrekking tot voorwerpen die zodanig zijn ingepakt, dat zij niet voor dadelijk gebruik gereed zijn.

  • 3. Dit artikel is niet van toepassing voor zover in het onderwerp daarvan wordt voorzien bij of krachtens de Wet wapens en munitie.

Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

  • 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  • 2. Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende als bedoeld in het eerste lid zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn

(Vervallen)

Artikel 2:23a Verbod op slapen op of aan de weg

  • 1. Het is verboden de weg als slaapplaats te gebruiken of op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent of een ander onderkomen als slaapplaats te gebruiken, daarin te overnachten of daartoe gelegenheid te bieden.

  • 2. Het college kan van het in het eerste lid genoemde verbod ontheffing verlenen en daaraan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid en gezondheid voorschriften verbinden, onder andere ter voorkoming en beperking van hinder en overlast, het aanzien van de woon¬ en werkomgeving, verontreiniging, verspreiding van besmettelijke ziekten en brandgevaar.

  • 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet op de door het college speciaal daartoe aangewezen plaatsen.

Afdeling 7. Evenementen

Artikel 2:24 Begripsbepalingen

  • 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

    • a.

      Bioscoop- en theatervoorstellingen;

    • b.

      markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5:22 van deze verordening

    • c.

      kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen

    • d.

      verrichtingen van vermaak die plaatsvinden in een openbare inrichting, waarvoor een vergunning krachtens artikel 2:28 van deze verordening geldt, mits de vergunning mede betrekking heeft op deze verrichting van vermaak;

    • e.

      betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

    • f.

      activiteiten als bedoeld in artikel 2:9 van deze verordening.

    • g.

      Sportwedstrijden die plaatsvinden in een openbare inrichting, niet zijnde vechtsportevenementen als bedoeld in het tweede lid, onder f

  • 2. Onder evenement wordt mede verstaan;

    • a.

      een herdenkingsplechtigheid;

    • b.

      een braderie;

    • c.

      een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3 van deze verordening,;

    • d.

      een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg;

    • e.

      een snuffelmarkt.

    • f.

      een door de burgemeester aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.

  • 3. Evenementen zijn onderverdeeld in de volgende categorieën:

    • a.

      0-evenement: evenement met een laag risicoprofiel, waarvoor geen vergunning hoeft te worden aangevraagd. Het bezoekersaantal bedraagt maximaal 150 mensen;

    • b.

      A-evenement: laag risico-evenement, waarbij sprake is van een beperkte impact op de omgeving en het verkeer;

    • c.

      B-evenement: gemiddeld risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de directe omgeving en/of gevolgen voor het verkeer;

    • d.

      C-evenement: hoog risico-evenement, waarbij sprake is van een grote impact op de stad en/of regionale gevolgen voor het verkeer.

  • 4. Onder organisator wordt verstaan: degene voor wiens rekening en risico een evenement plaatsvindt.

  • 5. Onder evenementenoverzicht wordt verstaan: de door het college jaarlijks vastgestelde kalender met B- en C- evenementen voor het volgende – aankomende – evenementenjaar.

Artikel 2:25 Evenementenvergunning

  • 1. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester een A-, B- of C-evenement te organiseren, toe te laten of feitelijk te leiden.

  • 2. De vergunning geldt voor één evenement.

  • 3. De burgemeester weigert de vergunning voor een B- en C-evenement indien de organisator:

    • a.

      onder curatele staat;

    • b.

      in enig opzicht van slecht levensgedrag is; of

    • c.

      de leeftijd van 18 jaren nog niet heeft bereikt.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de burgemeester de evenementenvergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd intrekken of wijzigen indien naar zijn oordeel:

    • a.

      dit noodzakelijk is voor de openbare orde en veiligheid en/of de bescherming van het woon- en leefklimaat in de omgeving van het evenement;

    • b.

      de verkeersveiligheid of de veiligheid van personen of goederen niet kan worden gewaarborgd;

    • c.

      de zedelijkheid of gezondheid van bezoekers niet kan worden gewaarborgd;

    • d.

      het gelet op een gebeurtenis van nationale omvang op de dag van het evenement of daags voor het evenement met een dusdanig effect op het gemeenschapsleven niet wenselijk is dat de activiteiten worden voortgezet;

    • e.

      de bescherming van een krachtens de Gemeentewet ingestelde markt nodig is;

    • f.

      de vergunningvoorschriften niet worden nageleefd;

    • g.

      de ter handhaving van de openbare orde en veiligheid noodzakelijke politie- en hulpverleningscapaciteit een onevenredig beroep op de beschikbare bezetting doet;

    • h.

      tegen de organisator in de afgelopen drie jaar een bestuurlijke maatregel is genomen;

    • i.

      de vooraankondiging van een B- of C-evenement niet voor 1 november van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin het evenementenoverzicht wordt vastgesteld, is ingediend;

    • j.

      een A-evenement niet ten minste acht weken voor aanvang van het evenement is aangevraagd;

    • k.

      het B- en C-evenement waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, niet is opgenomen op het evenementenoverzicht dat is vastgesteld voor het jaar waarin het evenement waarvoor de vergunning wordt aangevraagd, plaats zal vinden;

    • l.

      de inhoud of uitstraling van het evenement niet past in het evenementenbeleid, het imago of de belangen van de stad Maassluis;

    • m.

      ten behoeve van de vergunningverlening onvolledige of onjuiste gegevens zijn verstrekt.

  • 5. De burgemeester kan aan de vergunning voorschriften verbinden ter regulering van het evenement, die onder meer betrekking kunnen hebben op:

    • a.

      de plaats en het tijdstip van het evenement;

    • b.

      de benodigde technische voorzieningen;

    • c.

      de inrichting van het evenemententerrein;

    • d.

      het activiteitenprogramma;

    • e.

      een veiligheidsplan, waaronder het aantal beveiligers;

    • f.

      het verkeersplan.

  • 6. De aanvraag om een evenementenvergunning bevat ten minste:

    • a.

      de plaats waar het evenement wordt gehouden;

    • b.

      de datum en het tijdstip waarop het evenement wordt gehouden;

    • c.

      een opgave van het verwachte aantal deelnemers en toeschouwers;

    • d.

      de inrichting van het evenemententerrein;

    • e.

      het activiteitenprogramma;

    • f.

      de mogelijke risico’s voor verstoring van de openbare orde en veiligheid;

    • g.

      het veiligheidsplan, waaronder het aantal beveiligers;

    • h.

      de maatregelen die de organisator zelf zal nemen om wanordelijkheden zoveel mogelijk te voorkomen.

  • 7. Risicoverhogende feiten of omstandigheden waarvan eerst na de aanvraag is gebleken, worden door de organisator onverwijld aan de burgemeester gemeld.

  • 8. Dit artikel is niet van toepassing op een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994.

  • 9. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning voor een vechtsportevenement als bedoeld in artikel 2:24, tweede lid, aanhef en onder f, weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning van slecht levensgedrag is.

Artikel 2:25a 0-evenementen

  • 1. Behoudens in door de burgemeester aangewezen gebieden, is het verboden zonder melding aan de burgemeester een 0-evenement te organiseren, toe te laten of feitelijk te leiden.

  • 2. Van een 0-evenement is sprake indien:

    • a.

      het een evenement in de openlucht betreft, niet zijnde evenementen op eigen terrein;

    • b.

      het aantal bezoekers niet meer bedraagt dan 150 personen;

    • c.

      het een ééndaags evenement is dat plaatsvindt op maandag tot en met zaterdag tussen 9.00 en 23.00 uur of op een zon- of feestdag tussen 13.00 en 23.00 uur;

    • d.

      het geluidsniveau op een afstand van 10 meter van enige geluidsbron niet meer bedraagt dan 80 dB(A);

    • e.

      het niet plaatsvindt op de rijbaan of een (brom)fietspad of anderszins een belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten;

    • f.

      het geen extra politiecapaciteit vergt;

    • g.

      slechts kleine objecten worden geplaatst met een totale oppervlakte van maximaal 25 m²;

    • h.

      er geen ander evenement in de nabijheid plaatsvindt;

    • i.

      er een organisator is.

  • 3. De organisator meldt het 0-evenement ten minste vijf werkdagen voordat het 0-evenement plaatsvindt, aan de burgemeester door middel van een door de burgemeester vastgesteld meldingsformulier.

  • 4. Toestemming voor het evenement is verleend indien:

    • a.

      na ontvangst van het meldingsformulier door de burgemeester geen tegenbericht is verzonden, en

    • b.

      b. de organisator een ontvangstbevestiging van het feit dat hij een melding heeft gedaan kan tonen.

  • 5. Indien naar het oordeel van de burgemeester uit nieuwe feiten of omstandigheden na de melding vrees bestaat voor verstoring van de openbare orde kan de burgemeester alsnog bepalen dat het verbod ingevolge artikel 2.25, eerste lid, onverkort geldt.

  • 6. Het eerste lid is niet van toepassing op een krachtens artikel 2:24, tweede lid, aanhef en onder f, aangewezen categorie vechtsportwedstrijden of -gala’s.

Artikel 2:26 Ordeverstoring

  • 1. Het is verboden bij evenementen onnodig op te dringen, door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden of wanordelijkheden te veroorzaken of anderszins de orde te verstoren.

  • 2. Het is verboden bij een evenement zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een doel of werkzaamheid in strijd met de openbare orde.

  • 3. Het verbod van lid 2 geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.

  • 4. Een ieder is verplicht bij evenementen alle aanwijzingen van ambtenaren van politie en brandweer in het belang van openbare orde of veiligheid terstond en stipt op te volgen.

  • 5. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak en een herdenkingsplechtigheid.

Artikel 2.26a Openbare orde en veiligheid

  • 1. De burgemeester kan in de aanloop naar, tijdens, en na een evenement alle aanwijzingen geven die hij noodzakelijk acht ter handhaving van de openbare orde. De burgemeester bedient zich daarbij van de onder zijn gezag staande politie, brandweer en hulpverlening.

  • 2. De organisator van een evenement is verplicht in de aanloop naar, tijdens, en na het evenement:

    • a.

      alle maatregelen te treffen ter voorkoming van de verstoring van de openbare orde;

    • b.

      het evenement onverwijld te beëindigen bij verstoring van de openbare orde of de vrees daarvoor;

    • c.

      een aanwijzing van de burgemeester onverwijld op te volgen;

    • d.

      ervoor te zorgen dat bij een verstoring van de openbare orde na een aanwijzing van de burgemeester, dan wel een ambtenaar van politie, of brandweer geen publiek meer tot het evenement wordt toegelaten.

  • 3. Het is voor bezoekers van een evenement tijdens en na het evenement:

    • a.

      verboden zich op het evenemententerrein te gedragen met het kennelijke doel om de openbare orde of veiligheid te verstoren of te bedreigen;

    • b.

      verboden al dan niet op het evenemententerrein – op of aan de weg of op voor het publiek toegankelijke plaatsen - voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, te dragen of te vervoeren die kennelijk bestemd zijn om de openbare orde of veiligheid te verstoren;

    • c.

      verboden zich op een evenemententerrein te begeven indien overeenkomstig het eerste, dan wel het tweede lid onder d opdracht is gegeven het evenemententerrein te verlaten;

    • d.

      verplicht ter ordelijk verloop van een evenement of bij enig voorval waardoor wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, op een daartoe strekkende aanwijzing van een ambtenaar van de politie of brandweer, zijn weg te vervolgen of aanwijzingen van andere aard in het belang van de openbare orde of veiligheid van personen en goederen, dan wel ter beperking van gemeen gevaar, onverwijld en stipt op te volgen.

Afdeling 8. Toezicht op openbare inrichtingen

Artikel 2:27 Begripsbepalingen

  • 1. Onder horecabedrijf wordt in deze afdeling verstaan:

    • a.

      een openbare inrichting waaronder in ieder geval wordt verstaan: een hotel, motel, restaurant, pension, café, eetcafé, cafetaria, snackbar, bar, automatiek, croissanterie, crêperie, broodjeswinkel, afhaalzaak, shoarmazaak, koffiehuis, ijssalon, discotheek, buurthuis, sportkantine, clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt.

    • b.

      een bedrijf dat in hoofdzaak bestemd is voor de uitoefening van detailhandel en waarin als ondergeschikte nevenactiviteit consumpties (o.a. alcoholvrije drank) worden verstrekt.

  • 2. Onder horecabedrijf als bedoeld in het eerste lid, wordt mede verstaan: een bij dit bedrijf behorend terras en de andere aanhorigheden.

  • 3. Onder terras wordt in deze afdeling verstaan: een buiten de in het eerste lid bedoelde besloten ruimte liggend deel waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie kunnen worden bereid of verstrekt.

  • 4. Onder exploitant wordt in deze afdeling verstaan: degene die een horecabedrijf exploiteert op grond van het bepaalde in artikel 2:28 of 2:28e.

  • 5. Onder leidinggevende wordt in deze afdeling verstaan: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent of uitoefenen in een horecabedrijf.

  • 6. Deze afdeling verstaat niet onder bezoekers:

    • a.

      de gezinsleden van de exploitant en leidinggevende, alsmede zijn elders wonende bloed- en aanverwanten, in de rechte lijn onbeperkt, in de zijlijn tot en met de derde graad;

    • b.

      de personen die voorkomen in het register als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, alsmede personen bedoeld in artikel 438, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht;

    • c.

      de personen wier aanwezigheid in het horecabedrijf wegens dringende redenen noodzakelijk is.

Artikel 2:28 (Tijdelijke) Exploitatievergunning horecabedrijf

  • 1. Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder of in afwijking van een vergunning van de burgemeester.

  • 2. Indien naar het oordeel van de burgemeester onvoldoende vaststaat dat de weigeringsgronden genoemd in artikel 2:28d lid 2 zich voordoen, kan de burgemeester een vergunning afgeven voor een proefperiode van ten hoogste één jaar (tijdelijke vergunning).

  • 3. Indien gedurende de proefperiode als bedoeld in het tweede lid blijkt dat de weigeringsgronden genoemd in artikel 2.28d lid 2 zich voordoen, kan de burgemeester nadere voorschriften aan de vergunning verbinden of de tijdelijke vergunning intrekken.

  • 4. Indien tijdens de proefperiode niet van bezwaren is gebleken, deelt de burgemeester de exploitant van het horecabedrijf schriftelijk mee dat de tijdelijke vergunning met ingang van een nader door hem te bepalen datum dient te worden beschouwd als een vergunning als bedoeld in het eerste lid.

  • 5. De burgemeester stelt nadere regels vast omtrent de gegevens en bescheiden die bij de vergunningaanvraag moeten worden overgelegd.

Artikel 2:28a Vrijstelling vergunningplicht

  • 1. Geen vergunning is vereist voor de exploitatie van een horecabedrijf in een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de horeca een nevenactiviteit is van de winkelactiviteit;

  • 2. Voorts is geen vergunning vereist voor de exploitatie van een horecabedrijf, die zich bevindt in een:

    • a.

      schoolkantine;

    • b.

      bedrijfskantine of -restaurant, voor zover deze uitsluitend als zodanig in gebruik is;

    • c.

      horecabedrijven als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, onder b, mits ze voldoen aan alle hieronder genoemde voorwaarden:

      • -

        het horecagedeelte bevat maximaal 9 zitplaatsen;

      • -

        het horecagedeelte is beperkt in omvang in verhouding tot de oppervlakte van de totale winkel;

      • -

        in het horecagedeelte worden geen alcoholhoudende dranken verstrekt;

      • -

        er zijn geen speelautomaten aanwezig;

      • -

        er worden hooguit op beperkte schaal eet- en drinkwaren verstrekt die in relatie staan tot het assortiment van de winkel (uitgezonderd grootwinkelbedrijven)

    • d.

      horecabedrijven in musea, crematoria en rouwcentra, voor zover deze worden gebruikt als ondersteuning van de bedrijfsvoering, mits ze voldoen aan alle hieronder genoemde voorwaarden:

      • -

        het horecagedeelte bevat maximaal 9 zitplaatsen;

      • -

        het horecagedeelte is beperkt in omvang in verhouding tot de oppervlakte van de totale ruimte;

      • -

        in het horecagedeelte worden geen alcoholhoudende dranken verstrekt;

      • -

        er worden hooguit op beperkte schaal eet- en drinkwaren verstrekt.

    • e.

      horecabedrijven in bejaardentehuizen, ziekenhuizen en verpleegtehuizen, voor zover deze uitsluitend zijn gericht op de bewoners c.q. verzorgingsbehoeftigen/patiënten en hun bezoekers, mits wordt voldaan aan de volgende voorwaarden;

      • -

        het horecagedeelte bevat maximaal 12 zitplaatsen;

      • -

        het horecagedeelte is beperkt in omvang in verhouding tot de oppervlakte van de totale ruimte;

      • -

        in het horecagedeelte worden geen alcoholhoudende dranken verstrekt;

      • -

        er worden hooguit op beperkte schaal eet- en drinkwaren verstrekt;

      • -

        er vinden geen paracommerciële activiteiten plaats.

    • f.

      horecabedrijven waar kleinschalige niet commerciële activiteiten plaatsvinden, zoals verenigingen of stichtingen, mits ze voldoen aan alle hieronder genoemde voorwaarden;

      • -

        de horeca-exploitatie is ondergeschikt aan de hoofddoelstelling en activiteiten;

      • -

        er wordt geen levende muziek ten gehore gebracht;

      • -

        er worden geen alcoholhoudende dranken verkocht en geschonken;

      • -

        de ruimten worden niet gebruikt om feesten en partijen te geven;

      • -

        er vindt geen zalenverhuur plaats;

      • -

        er zijn geen speelautomaten aanwezig;

    • g.

      terrassen bij de in het eerste lid bedoelde horecabedrijven zijn niet van vergunningplicht vrijgesteld.

  • 3. Voor deze horecabedrijven kan worden volstaan met een schriftelijke melding aan de burgemeester vóór aanvang van de exploitatie.

Artikel 2:28b Eisen exploitant en leidinggevende

  • 1. De exploitant en de leidinggevende van een horecabedrijf voldoen aan de bij of krachtens artikel 8, eerste en tweede lid van de Drank- en Horecawet aan leidinggevenden gestelde eisen.

  • 2. Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren indien door de exploitant niet of niet langer wordt voldaan aan de bij of krachtens artikel 8, eerste en tweede lid van de Drank- en Horecawet aan leidinggevenden gestelde eisen.

Artikel 2:28c Beslistermijn

  • 1. De burgemeester beslist binnen acht weken na de datum waarop hij de aanvraag met bijbehorende gegevens en bescheiden heeft ontvangen.

  • 2. De beslissing kan gemotiveerd en met redenen omkleed eenmaal voor ten hoogste acht weken worden verdaagd.

Artikel 2:28d Weigerings- en intrekkingsgronden

  • 1. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:28 indien:

    • a.

      de vestiging of de exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, exploitatieplan, beheersverordening, voorbereidingsbesluit, de Wet Milieubeheer of een horecagebiedsplan;

    • b.

      niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 2:28b, eerste lid gestelde eisen.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning als bedoeld in het eerste lid van artikel 2:28 geheel of gedeeltelijk weigeren indien naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed door de aanwezigheid van het horecabedrijf.

  • 3. Bij de toepassing van de in het tweede lid genoemde weigeringsgrond houdt de burgemeester rekening met:

    • a.

      het karakter van de straat en van de wijk waarin het horecabedrijf is gelegen of zal komen te liggen;

    • b.

      de aard van het horecabedrijf;

    • c.

      de spanning waaraan het woonmilieu ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van het horecabedrijf;

    • d.

      de wijze van bedrijfsvoering van de exploitant of leidinggevende van het horecabedrijf in deze of in andere horecabedrijven.

  • 4. De burgemeester kan de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen:

    • a.

      indien blijkt, dat de vergunning ten gevolge van onjuiste of onvolledige gegevens en bescheiden is verleend;

    • b.

      indien de exploitant of leidinggevende van het horecabedrijf de bepalingen in deze paragraaf, dan wel de voorschriften, behorende bij de vergunning, overtreedt;

    • c.

      indien aannemelijk is, dat de exploitant of leidinggevende van het horecabedrijf betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit het horecabedrijf, die een gevaar opleveren voor de openbare orde en/of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf;

    • d.

      indien de exploitant of leidinggevende strafbare feiten pleegt in het horecabedrijf, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn horecabedrijf strafbare feiten worden gepleegd;

    • e.

      indien de exploitant of leidinggevende van het horecabedrijf zich schuldig maakt aan discriminatie naar ras, geslacht of seksuele geaardheid;

    • f.

      indien zich in of vanuit het horecabedrijf anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van het horecabedrijf gevaar oplevert voor de openbare orde en/of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van het horecabedrijf;

    • g.

      indien de exploitatie van het horecabedrijf voor een periode van langer dan zes maanden is of wordt onderbroken, alsmede indien er sprake is van een gewijzigde exploitatie, of een wijziging in de exploitant waarvoor geen nieuwe vergunning is aangevraagd;

    • h.

      indien op grond van verandering van de omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen, dat intrekking wordt gevorderd door de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist;

    • i.

      indien de exploitant of leidinggevende niet langer voldoet aan de in artikel 2.28b, eerste lid gestelde eisen;

    • j.

      indien het horecabedrijf wordt gebruikt voor andere doeleinden;

    • k.

      er aanwijzingen zijn dat in het horecabedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid Vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde.

  • 5. In afwijking van het bepaalde in artikel 2:10 beslist de burgemeester in geval van een vergunningaanvraag die betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen voor zover deze zich op de weg bevinden over de ingebruikneming van die weg ten behoeve van het terras.

  • 6. Onverminderd het gestelde in het tweede en derde lid kan de burgemeester de in het vijfde lid bedoelde ingebruikneming van die weg ten behoeve van een of meer bij een horecabedrijf horende terrassen weigeren:

    • a.

      indien het beoogde gebruik schade toebrengt aan de weg dan wel gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan;

    • b.

      indien dat gebruik een belemmering kan worden voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    • c.

      indien dat gebruik afbreuk doet aan andere publieke functies van de openbare ruimte, inclusief de bescherming van het uiterlijk aanzien.

  • 7. Het bepaalde in het vijfde en zesde lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatwerken of het Provinciaal wegenreglement Zuid-Holland.

Artikel 2:28e Opheffing vergunningplicht

  • 1. De burgemeester kan bepalen dat het gestelde in artikel 2:28 niet geldt voor een of meer in dat besluit aangeduide soorten horecabedrijven in de gehele gemeente dan wel in een of meer daarin aangewezen gedeelten van de gemeente.

  • 2. De exploitatie van een horecabedrijf waarop een besluit als bedoeld in het eerste lid van toepassing is, moet zodanig geschieden dat daardoor de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed.

Artikel 2:29 Sluitingstijden

  • 1. Het is de exploitant of leidinggevende van een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:27, eerste lid, onder a, verboden dit voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven op zondag tot en met donderdag tussen 01.00 uur en 07.00 uur, en op vrijdag en zaterdag tussen 02.00 uur en 07.00 uur.

  • 2. Voor een bij een horecabedrijf behorend terras geldt een sluitingstijd van 01:00 uur.

  • 3. De burgemeester kan door middel van een vergunningvoorschrift andere sluitingstijden als bedoeld in het eerste of tweede lid vaststellen voor een afzonderlijk horecabedrijf tot uiterlijk 04.00 uur.

  • 4. De burgemeester kan ontheffing verlenen van de in het eerste en derde lid genoemde sluitingstijden tot uiterlijk 04.00 en ten behoeve van oudejaarsnacht tot uiterlijk 05.00 uur (nacht van 31 december op 1 januari volgend daarop), waarbij het de exploitant of leidinggevende is toegestaan het horecabedrijf, met uitzondering van het terras, voor bezoekers geopend te hebben of daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven, met een maximum van acht ontheffingen per jaar, mits de exploitant of leidinggevende uiterlijk drie werkdagen voor de dag waarop de festiviteit plaatsvindt, van de festiviteit melding heeft gedaan bij de burgemeester.

  • 5. De burgemeester kan uitsluitend ontheffing als bedoeld in lid 4 verlenen aan een horecabedrijf dat beschikt over een exploitatievergunning als bedoeld in artikel 2:28. Er wordt geen ontheffing verleend aan een horecabedrijf dat beschikt over een kortlopende exploitatievergunning en ook niet aan een horecabedrijf van een paracommercieel rechtspersoon als bedoeld in de Drank- en Horecawet.

  • 6. Bij de ontheffing als bedoeld in lid 4 zijn de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2:17, 2:17a, 2:19, 2:19a en 2:20 van het Activiteitenbesluit Milieubeheer en artikel 4:5 van deze verordening onverminderd van toepassing.

  • 7. De burgemeester kan de ontheffing als bedoeld in lid 4 weigeren indien naar zijn oordeel de woon- en leefsituatie in de omgeving van het horecabedrijf of de openbare orde op ontoelaatbare wijze door de afwijking van de sluitingstijden nadelig wordt beïnvloed.

  • 8. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.

Artikel 2:30 Afwijking sluitingstijden; tijdelijke sluiting

  • 1. De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid, of in geval van bijzondere omstandigheden, te zijner beoordeling, voor een of meer horecabedrijven tijdelijk andere dan de krachtens artikel 2:29 geldende sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

  • 2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet.

Artikel 2:30a Gesloten verklaren van een horecabedrijf

  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:29 kan de burgemeester een horecabedrijf – al dan niet voor een bepaalde duur – gesloten verklaren:

    • a.

      indien dit horecabedrijf wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning;

    • b.

      indien dit horecabedrijf wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften;

    • c.

      indien de burgemeester oordeelt, dat een van de genoemde situaties in artikel 2:28d, vierde lid zich voordoet waarin intrekking van de vergunning mogelijk is.

  • 2. De sluiting wordt geacht in het openbaar bekend te zijn gemaakt zodra een besluit tot sluiting op, in of nabij de toegang of toegangen van het horecabedrijf is aangebracht.

  • 3. Een sluiting voor onbepaalde duur kan op aanvraag van belanghebbende(n) door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

Artikel 2:31 Aanwezigheid in gesloten horecabedrijf

  • 1. Het is bezoekers van een horecabedrijf verboden gedurende de tijd dat dit bedrijf krachtens artikel 2:29 of ingevolge een op grond van artikel 2:30 of 2:30a genomen besluit gesloten dient te zijn, zich daarin of aldaar te bevinden.

  • 2. Het is de exploitant of de leidinggevende van een horecabedrijf verboden na het van kracht worden van de sluiting bedoeld in het eerste lid, bezoekers tot het horecabedrijf toe te laten of daarin te laten verblijven.

Artikel 2:31a Glazen drinkgerei

  • 1.

    De exploitant en leidinggevende van een horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:27, zijn verplicht zodanige maatregelen te nemen dat de bezoekers van hun horecabedrijf geen drinkgerei van glas of flessen van glas buiten het horecabedrijf brengen.

  • 2.

    Het is de exploitant en leidinggevende van een horecabedrijf dat is gelegen aan een door de burgemeester bij openbare kennisgeving aangewezen openbare plaats, verboden drank in glas te verstrekken gedurende een door de burgemeester in die openbare kennisgeving aangegeven periode.

  • 3.

    De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het tweede lid genoemde verbod.

  • 4.

    Een ontheffing kan onder beperkingen worden verleend. Aan een ontheffing kunnen voorschriften worden verbonden. Een ontheffing kan al dan niet tijdelijk worden ingetrokken of gewijzigd.

  • 5.

    Het in het tweede lid bepaalde geldt niet voor restaurants.

Artikel 2:32 Handel in horecabedrijf

  • 1. De exploitant van een horecabedrijf staat niet toe dat een handelaar, aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor openbare verkopingen en veilingen.

Artikel 2:33 Ordeverstoring

  • 1. Het is verboden in een horecabedrijf de orde te verstoren.

  • 2. Degene die naar het oordeel van een ambtenaar van politie of de exploitant van het horecabedrijf handelt in strijd met het bepaalde in het eerste lid is verplicht dat horecabedrijf op bevel van die ambtenaar c.q. op aanzegging van die exploitant terstond te verlaten.

Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan

Als een horecabedrijf geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college bij de toepassing van de artikelen 2:28 tot en met 2:30 op als bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 2:34a Geldigheidsduur vergunning

  • 1.

    Een door de burgemeester verleende vergunning als bedoeld in artikel 2:28, eerste lid, heeft een geldigheidsduur van onbepaalde tijd.

  • 2.

    Bij het van kracht worden van een nieuwe exploitatievergunning vervalt de oude vergunning van rechtswege.

  • 3.

    De burgemeester kan in het belang van de openbare orde en het woon- en leefklimaat voor bepaalde categorieën van horecabedrijven een andere geldigheidsduur vaststellen.

Artikel 2:34b Beëindiging van de exploitatie

  • 1.

    De exploitatievergunning vervalt

    • a.

      zodra de exploitant(en) de exploitatie van het horecabedrijf heeft/hebben beëindigd;

    • b.

      indien het horecabedrijf om andere redenen dan een bestuurlijke sanctie als bedoeld in artikel 5.2, eerste lid, onder a van de Algemene wet bestuursrecht gedurende zes aaneengesloten maanden niet wordt geëxploiteerd;

    • c.

      bij beëindiging van de onderneming.

  • 2.

    Uiterlijk binnen één week na beëindiging van de exploitatie door de exploitant(en) geeft/geven deze daarvan schriftelijk kennis aan de burgemeester.

Afdeling 9. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf

Artikel 2:35 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder;

  • 1.

    inrichting: elke al dan niet besloten ruimte dan wel stand of ligplaats waar, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.

  • 2.

    houder: degene die een inrichting exploiteert, dan wel daarin de feitelijke leiding heeft.

Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie

Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

Artikel 2:37 Nachtregister

De houder van een inrichting is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden.

Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister

Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.

Afdeling 10. Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat

Artikel 2:39 Begripsbepalingen

In afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    exploitant: natuurlijke persoon of personen of de bestuurder(s) van een rechtspersoon of, indien van toepassing, de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon of personen, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

  • b.

    beheerder: de exploitant alsmede andere natuurlijke personen die door de exploitant zijn aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteiten;

  • c.

    bedrijf: de bedrijfsmatige activiteit die plaatsvindt in een voor het publiek toegankelijk gebouw, of een daarbij behorend perceel, of enig andere ruimte, niet zijnde een woning die als zodanig in gebruik is.

Artikel 2:40 Vergunning exploitatie bedrijf

  • 1. De burgemeester kan gebouwen, gebieden of bedrijfsmatige activiteiten aanwijzen waar(op) het verbod uit het tweede lid van toepassing is. Een gebouw of gebied wordt uitsluitend aangewezen als in of rondom dat gebouw dan wel in dat gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Een aanwijzing van een gebouw of gebied kan zich tot één of meer bedrijfsmatige activiteiten beperken. Een bedrijfsmatige activiteit wordt uitsluitend aangewezen als naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid door de bedrijfsmatige activiteit of door de exploitant en/of beheerder onder druk staat.

  • 2. Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een bedrijf uit te oefenen:

    • a.

      in een door de burgemeester op grond van het eerste lid aangewezen gebouw of gebied voor door de burgemeester benoemde bedrijfsmatige activiteiten; of

    • b.

      indien de uitoefening van het bedrijf een door de burgemeester op grond van het eerste lid aangewezen bedrijfsmatige activiteit betreft.

  • 3. De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Een aanvraag om een vergunning wordt ingediend door gebruikmaking van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Bij de aanvraag om een vergunning wordt vermeld voor welke bedrijfsmatige activiteiten de vergunning wordt gevraagd, en worden ten minste de volgende gegevens en bescheiden overgelegd:

    • a.

      de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant of beheerder;

    • b.

      het adres en telefoonnummer waar de bedrijfsmatige activiteiten worden uitgeoefend;

    • c.

      het nummer van inschrijving in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel;

    • d.

      indien van toepassing de verblijftitel van de exploitant of beheerder;

    • e.

      een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant of beheerder gerechtigd is om in Nederland arbeid te verrichten;

    • f.

      een verklaring omtrent gedrag (VOG)

    • g.

      een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over de ruimte te beschikken waarin het bedrijf wordt gevestigd.

  • 4. Indien de burgemeester dat noodzakelijk acht voor de beoordeling van een aanvraag kan hij verlangen dat aanvullende gegevens en bescheiden worden overgelegd.

  • 5. De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijf waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen één maand, aan de burgemeester te melden en een wijziging van zijn vergunning aan te vragen. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als het bedrijf aan de vereisten voldoet. Indien deze aanvraag niet binnen een maand is ingediend na de verandering van omstandigheden, kan de burgemeester de verleende vergunning intrekken. Een vergunning vervalt, wanneer de verlening van een vergunning, strekkende tot vervanging van eerstbedoelde vergunning, van kracht is geworden.

Artikel 2:40a Weigerings- en intrekkingsgronden

  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in artikel 2:40 tweede lid weigeren:

    • a.

      in het belang van het voorkomen of beperken van overlast of strafbare feiten;

    • b.

      indien de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

    • c.

      indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

    • d.

      indien niet voldaan is aan de bij of krachtens artikel 2:40 lid 3 en 4 gestelde eisen met betrekking tot de aanvraag;

    • e.

      indien bij de aanvraag van de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt.

    • f.

      indien er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    • g.

      indien de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, exploitatieplan, gebiedsplan, Leefmilieuverordening/beheersverordening, voorbereidingsbesluit, of omgevingsvergunning in de zin van artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

    • h.

      indien een of meer exploitanten of beheerders van het bedrijf binnen 3 jaar vóór de indiening van de vergunningaanvraag een bedrijf heeft geëxploiteerd of daar leiding aan heeft gegeven, dat wegens het aantasten van de openbare orde, de aantasting van het woon- en leefklimaat daaronder begrepen, gesloten is geweest dan wel waarvoor de vergunning om die reden is ingetrokken.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:6 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in artikel 2:40 tweede lid intrekken of wijzigen indien:

    • a.

      door het bedrijf de openbare orde wordt aangetast of dreigt te worden aangetast;

    • b.

      door het bedrijf de leefbaarheid in het gebied door de wijze van de exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloed;

    • c.

      de voorwaarden uit de vergunning of de plichten voortvloeiend uit deze afdeling niet worden nageleefd;

    • d.

      de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten in of vanuit het bedrijf danwel toestaat of gedoogt dat strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed;

    • e.

      er strafbare feiten in het bedrijf hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;

    • f.

      er aanwijzingen zijn dat in het bedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

    • g.

      de bedrijfsmatige activiteiten door de exploitant zijn beëindigd danwel sprake is van een gewijzigde exploitatie;

    • h.

      redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is;

    • i.

      de vestiging of de exploitatie in strijd is met een geldend bestemmingsplan, gebiedsplan, exploitatieplan, Leefmilieuverordening/beheersverordening, voorbereidingsbesluit, of omgevingsvergunning in de zin van artikel 2.1 lid 1 onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

Artikel 2:40b Tijdelijke sluiting

  • 1. De burgemeester kan de sluiting van een gebouw of gedeelte van een gebouw bevelen indien het daarin gevestigde bedrijf in strijd met het verbod uit artikel 2:40 tweede lid wordt geëxploiteerd of indien een van de situaties als bedoeld in artikel 2:40a tweede lid sub a tot en met i van toepassing is.

  • 2. Het is een ieder verboden een overeenkomstig dit artikel gesloten bedrijf te betreden of daarin te verblijven.

  • 3. De sluiting kan door de burgemeester worden opgeheven indien (later bekend geworden) feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven.

Artikel 2:40c Aanwezigheid exploitant en beheerder

Het is verboden een bedrijf voor bezoekers geopend te hebben zonder dat (een op de vergunning vermelde) exploitant of beheerder aanwezig is.

Artikel 2:40d Overgangsbepaling

Het aanwijzingsbesluit geldt voor het aangewezen gebouw, het aangewezen gebied en de aangewezen bedrijfsmatige activiteiten direct na de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit. Voor bedrijven die vóór de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit in het aangewezen gebouw of gebied gevestigd waren en/of zich bezighielden met de aangewezen bedrijfsmatige activiteiten, wordt een overgangstermijn van drie maanden geboden, na het verstrijken waarvan het verbod uit artikel 2:40 tweede lid van toepassing is.

Afdeling 11. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid

Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal

  • 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  • 2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  • 3. Deze verboden zijn niet van toepassing op personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal of een daarbij behorend erf wegens dringende redenen noodzakelijk is.

  • 4. De burgemeester is bevoegd van het in het eerste lid en tweede lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen.

Artikel 2:42 Plakken en kladden

  • 1. Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  • 2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is:

    • a.

      een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding, aan te plakken, te doen plakken op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

    • b.

      met kalk, teer of een kleur- of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  • 3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  • 4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  • 5. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  • 6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.

  • 7. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

Artikel 2:42a Graffiti

  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:42, tweede lid, is de rechthebbende op (een gedeelte van) een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is, verplicht om binnen zeven werkdagen na het aanbrengen van graffiti, de graffiti te (laten) verwijderen of anderszins aan het oog te onttrekken.

  • 2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Woningwet.

Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap en dergelijke

  • 1. Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op een openbare plaats of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur- of verfstof of verfgereedschap.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing, indien de in dat lid bedoelde materialen of gereedschappen niet zijn gebezigd of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.

Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen

  • 1. Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen en dergelijke

(Vervallen)

Artikel 2:46 Rijden over bermen en dergelijke

(Vervallen)

Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op of aan een openbare plaats

  • 1. Het is verboden:

    • a.

      op of aan een openbare plaats te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hek, omheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

    • b.

      op of aan een openbare plaats, openbaar water of andere voor publiek toegankelijke plaatsen, zich op te houden op een wijze die voor omstanders, andere gebruikers of omwonenden onnodige overlast of hinder veroorzaakt;

    • c.

      zich zonder redelijk doel op een schoolplein of speelplek op te houden, zich onnodig hinderlijk te gedragen of goederen te beschadigen;

    • d.

      op of aan de weg of in een voor publiek toegankelijk gebouw individueel of in groepsverband een ander of anderen uit te jouwen of met aanstootgevende taal, gebaren, geluiden of gedragingen lastig te vallen.

  • 2. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 van toepassing is.

Artikel 2:47a Hinderlijk voetballen en dergelijke

Het is verboden ’s avonds na 22.00 uur deel te nemen aan een sport- of balspel, dat gehouden wordt op een door het college aangewezen locatie.

Artikel 2:48 Verboden drankgebruik

  • 1. Het is verboden op of aan een openbare plaats of op het openbaar water, dan wel in een voor het publiek toegankelijk gebouw, alcoholhoudende drank te nuttigen terwijl dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- en leefklimaat aantasten of anderszins overlast veroorzaken.

  • 2. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden op een openbare plaats, die deel uitmaakt van de navolgende gebieden, alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben:

    • a.

      elk gebied binnen een straal van 100 meter rond een station, bushalte of een taxistandplaats;

    • b.

      winkelcentra, parkeergarages en overkappingen, alsmede het gebied dat om een dergelijk object is gelegen, te weten het gebied binnen een afstand van 100 meter van de buitenste grenzen van dat object;

    • c.

      onder bruggen, viaducten en in tunnels, alsmede het gebied binnen een straal van 100 meter van de buitenste grenzen van dat object;

    • d.

      andere door het college aangewezen gebieden.

  • 3. Het is voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt verboden alcoholhoudende drank te gebruiken of al dan niet aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben op schoolpleinen, kinderspeelplaatsen, speelvelden, delen van een openbare plaats waarop kinderstraatmeubilair is geplaatst, zandbakken, trapvelden en hangplekken, alsmede het gebied binnen een afstand van 100 meter van de buitenste grenzen van deze plaatsen en objecten.

  • 4. Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt niet voor:

    • a.

      een terras dat deel uit maakt van een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet;

    • b.

      een andere plaats dan een horecabedrijf als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank- en Horecawet.

  • 5. De burgemeester kan in een vergunning als bedoeld in artikel 2:25, lid 1, onder door hem te stellen voorwaarden ontheffing verlenen van het in het eerste of in het tweede lid gestelde verbod.

Artikel 2:48a Verboden gebruik lachgas

  • 1. Het is verboden op een openbare plaats distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken.

  • 2. Het is verboden op een openbare plaats die deel uitmaakt van een door het college ter bescherming van de openbare orde of het woon- en leefklimaat aangewezen gebied distikstofmonoxide (lachgas) recreatief als roesmiddel te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben.

  • 3. Het college kan in het aanwijzingsbesluit het in het tweede lid bedoelde verbod beperken tot bepaalde tijden.

Artikel 2:49 Verboden gedrag bij of in gebouwen

  • 1. Het is verboden:

    • a.

      zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;

    • b.

      zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen;

    • c.

      een gebouw te beklimmen en zich op het dak te begeven.

  • 2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen, die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van een zodanig gebouw.

Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel en op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een voor het publiek toegankelijke ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor deze ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, telefooncellen, wachtlokalen voor het openbaar vervoer, parkeergarages en rijwielstallingen.

Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties

  • 1. Het is verboden op openbare plaatsen of in voor het publiek toegankelijke openstaande gebouwen en daarbij behorende erven zichtbaar goederen te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren die uiterlijke kenmerken zijn van een organisatie die bij rechterlijke uitspraak of bestuurlijk besluit verboden is verklaard of is ontbonden vanwege een werkzaamheid of doel in strijd met de openbare orde.

  • 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:51 Hinderlijk neerzetten van fietsen en dergelijke

  • 1. Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw of in de ingang van een portiek, indien:

    • a.

      dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek;

    • b.

      daardoor die ingang versperd wordt.

  • 2. Het is verboden op of aan een openbare plaats een fiets of een bromfiets, dan wel een winkelwagentje of een ander voorwerp te plaatsen, indien de openbare plaats een galerij, portiek, hal, trappenhuis of keldergang van een woongebouw is.

Artikel 2:52 Overlast van fiets of bromfiets op markt- en kermisterrein en dergelijke

Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

Artikel 2:53 Bespieden en heimelijk fotograferen /filmen van personen

  • 1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon of een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon of een persoon die zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindt , te bespieden.

  • 2. Het is verboden door middel van een verrekijker of enig ander optisch instrument een persoon die zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindt te bespieden.

  • 3. Het is verboden op of aan de openbare weg dan wel in een voor publiek toegankelijke ruimte een persoon heimelijk te filmen of heimelijk te fotograferen door middel van een technisch hulpmiddel wanneer dit een aantasting van de eerbaarheid of een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer oplevert.

Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur

Het is verboden om zonder toestemming bewakingsapparatuur te gebruiken indien daarmee personen kunnen worden gadegeslagen in een aan een ander toebehorend gebouw, vaartuig of besloten erf.

Artikel 2:55 Nodeloos alarm

(Vervallen)

Artikel 2:56 Alarminstallaties

(Vervallen)

Artikel 2:57 Loslopende honden

  • 1. In de navolgende artikelen 2:57, 2:58, 2:59 en 2:59a wordt onder eigenaar van een hond begrepen: de eigenaar, de houder, de verzorger van een hond of degene die de hond feitelijk onder zijn hoede heeft.

  • 2. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    • a.

      binnen de bebouwde kom op of aan de weg als de hond niet is aangelijnd;

    • b.

      buiten de bebouwde kom op een door het college aangewezen plaats als de hond niet is aangelijnd

    • c.

      op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

    • d.

      op of aan de weg als die hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk dat de eigenaar of houder duidelijk doet kennen.

  • 3. Het verbod in het tweede lid, aanhef en onder a is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  • 4. De verboden genoemd in het tweede lid onder a tot en met d gelden niet voor zover de eigenaar of houder van een hond zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden of als een eigenaar of houder van een hond deze aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of sociale hulphond.

Artikel 2:58 Overlast/verontreiniging door honden

  • 1. De eigenaar of houder van een hond die zich met die hond op een openbare plaats begeeft, is verplicht ervoor te zorgen dat de uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of sociale hulphond laat begeleiden.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is een ieder die zich met een hond op een openbare plaats bevindt, verplicht een schepje of ander doeltreffend hulpmiddel dat is bestemd voor de onmiddellijke verwijdering van hondenuitwerpselen bij zich te hebben. De eigenaar of houder van een hond is verplicht dit hulpmiddel op de eerste vordering te tonen aan de met toezicht belaste ambtenaar.

  • 5. Onder een doeltreffend hulpmiddel ter bestrijding verontreiniging door honden wordt verstaan: Een ‘doeltreffend hulpmiddel’ wordt als doeltreffend beoordeeld als daarmee alle uitwerpselen van een hond onmiddellijk kunnen worden verwijderd.

  • 6. De eigenaar of houder van een hond zorgt ervoor dat dit dier door aanhoudend geblaf of gejank niet hinderlijk is voor de omgeving of de nachtrust verstoort.

Artikel 2:59 Gevaarlijke honden

  • 1. Indien de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan het de eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn¬ en muilkorfgebod opleggen voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander.

  • 2. Een aanlijngebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond aangelijnd te houden met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter.

  • 3. Een muilkorfgebod houdt in dat de eigenaar of houder verplicht is de hond voorzien te houden van een muilkorf die:

    • a.

      vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

    • b.

      door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder toedoen van de mens niet mogelijk is, en

    • c.

      zodanig is ingericht dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

  • 4. Onverminderd artikel 2:57, tweede lid, aanhef en onder d dient een hond als bedoeld in het eerste lid voorzien te zijn van een door de minister die het aangaat op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

  • 5. De eigenaar of houder van een hond zorgt ervoor dat de hond niet hinderlijk is voor de omgeving of de nachtrust verstoort door aanhoudend geblaf of gejank.

Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein

  • 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden deze hond op zijn terrein zonder muilkorf te laten loslopen als de burgemeester een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod heeft opgelegd als bedoeld in artikel 2:59, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporings- en verdedigingswerk.

  • 2. Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet als:

    • a.

      op een vanaf de weg zichtbare plaats een naar het oordeel van de burgemeester duidelijk leesbaar waarschuwingsbord is aangebracht;

    • b.

      het mogelijk is een brievenbus te bereiken en aan te bellen zonder het terrein te betreden en;

    • c.

      het terrein voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond niet zelfstandig buiten het terrein kan komen.

Artikel 2:60 Houden of voeren van hinderlijke of schadelijke dieren

  • 1. Degene die de zorg heeft voor een dier, moet voorkomen dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving hinder veroorzaakt.

  • 2. Het in het lid 1 bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet Milieubeheer.

  • 3. Het is verboden op door het college ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren:

    • a.

      aanwezig te hebben;

    • b.

      aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college in het aanwijzingsbesluit gestelde regels;

    • c.

      aanwezig te hebben in een groter aantal dan in het aanwijzingsbesluit is aangegeven

  • 4. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het derde lid aangewezen plaats ontheffing verlenen van een of meer verboden als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 2:61 Voeren van vogels

Het is verboden kauwen, (stads)duiven of andere overlastveroorzakende vogels te voeren of gelegenheid te bieden deze te voeren op een openbare plaats.

Artikel 2:62 Loslopend vee

(Vervallen)

Artikel 2:63 Schade duiven

(Vervallen)

Artikel 2:64 Bijen

(Vervallen)

Artikel 2:65 Bedelarij

(Vervallen)

Afdeling 12. Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen

Artikel 2:66 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

  • b.

    Verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar.

Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

  • 1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door de burgemeester gewaarmerkt register en daarin onverwijld op te nemen:

    • a.

      het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

    • b.

      de datum van verkoop of overdracht van het goed;

    • c.

      een omschrijving van het goed, daaronder begrepen ¬voor zover dat mogelijk is ¬soort, merk en nummer van het goed;

    • d.

      de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed;

    • e.

      de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

  • 2. De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichtingen.

Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: 

  • a.

    de burgemeester of de door hem aangewezen ambtenaar binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:

    • 1.

      dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging; 

    • 2.

      van een verandering van de onder 1 bedoelde adressen; 

    • 3.

      dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; 

    • 4.

      dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan. 

  • b.

    de burgemeester of de door hem aangewezen ambtenaar op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; 

  • c.

    aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn; 

  • d.

    een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is. 

Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen

Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen tenzij deze wijziging van geen invloed is op de herkenbaarheid van het goed.

Artikel 2:70 Handel in horecabedrijf

Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 (artikel 2:32)

Afdeling 13. Vuurwerk

Artikel 2:71 Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in het Vuurwerkbesluit.

Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen

Het is verboden in de uitoefening van een (te vestigen) bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college.

Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

  • 1. Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van het voorkomen van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.

  • 2. Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan een openbare plaats of op een voor publiek toegankelijke plaats te gebruiken indien dat gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.

  • 3. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

  • 4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Artikel 2:73a Carbidschieten

  • 1. Het is verboden carbid te schieten in de open lucht.

  • 2. Onder carbidschieten wordt verstaan: het in een (melk)bus/container/opslagvat/gasfles op explosieve wijze verbranden van acetyleengas afkomstig van een reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen.

Afdeling 14. Drugsoverlast

Artikel 2:74 Drugshandel op een openbare plaats

Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op een openbare plaats binnen of buiten de bebouwde kom post te vatten of zich daar heen en weer te bewegen, alsmede zich op of aan openbare wegen binnen en buiten de bebouwde kom in een voertuig te bevinden of daarmee heen en weer of rond te rijden, met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of aan te nemen of daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 2:74a Verzamelingen van personen in verband met drugs

  • 1. Het is verboden op of aan een openbare plaats, die door de burgemeester zijn aangewezen indien de openbare orde dat in verband met het openlijk gebruik van en/of de handel in middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, naar zijn oordeel noodzakelijk maakt, aan een verzameling van meer dan vier personen deel te nemen.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet als de verzameling personen geen verband houdt met het openlijk gebruik van en/of de handel in middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet.

  • 3. Een ieder, die zich bevindt in een verzameling van personen als in het eerste lid bedoeld, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door deze aangewezen richting te verwijderen.

Artikel 2:74b Openlijk drugsgebruik

Het is verboden, op of aan een openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw, middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen en/of stoffen voorhanden te hebben.

Artikel 2:74c Weggooien van spuiten en dergelijke

Het is verboden om injectiespuiten of onderdelen daarvan zoals naalden, reservoirs, zuigers en dergelijke of daarop gelijkende voorwerpen op een openbare plaats dan wel in afvalbakken achter te laten met het kennelijke doel om afstand van het voorwerp te doen.

Afdeling 15. Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen

Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding

(Vervallen)

Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden

(Vervallen opgenomen in artikel 2:1c)

Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen

  • 1. De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

  • 2. De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere voor eenieder toegankelijke plaatsen, te weten – niet limitatief – parkeerterreinen, winkelcentra, stations, stationsterreinen.

Artikel 2:78 Sluiting voor het publiek openstaande gebouwen

  • 1.

    De burgemeester kan, indien dit naar zijn oordeel in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat is vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf.

  • 2.

    Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten gebouw of erf te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven.

  • 3.

    Op aanvraag van een belanghebbende kan een sluiting door de burgemeester worden opgeheven wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en/of wanneer naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

HOOFDSTUK 3. SEKSINRICHTINGEN, SEKSWINKELS, STRAATPROSTITUTIE e.d.

Afdeling 1. Begripsbepalingen en andere regels

Artikel 3:1 Begripsbepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

  • b.

    prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

  • c.

    seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar;

  • d.

    escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;

  • e.

    sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd;

  • f.

    exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert dan wel exploiteren en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen;

  • g.

    leidinggevende: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent dan wel uitoefenen in een seksinrichting of escortbedrijf;

  • h.

    bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting met uitzondering van:

    • -

      de exploitant;

    • -

      de leidinggevende;

    • -

      de prostituee;

    • -

      het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;

    • -

      toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6:2 van deze verordening;

    • -

      andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.

Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het

betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.

Artikel 3:3 Nadere regels

Met het oog op de in artikel 3.13 genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels vaststellen.

Afdeling 2. Seksinrichtingen en escortbedrijven

Artikel 3:4 Seksinrichtingen

  • 1. Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.

  • 2. In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld:

    • a.

      de persoonsgegevens van de exploitant;

    • b.

      de persoonsgegevens van de leidinggevende; en

    • c.

      de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf.

  • 3. De vergunning dient in de seksinrichting of het escortbedrijf aanwezig te zijn.

Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en leidinggevende

  • 1. De exploitant en de leidinggevende:

    • a.

      staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij;

    • b.

      zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en

    • c.

      hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.

  • 2. Naast de gestelde eisen in het eerste lid, is de exploitant en de leidinggevende niet:

    • a.

      met toepassing van de artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld;

    • b.

      binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten;

    • c.

      binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:

      • 1.

        bepalingen gesteld bij of krachtens de Drank- en Horecawet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen;

      • 2.

        de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 250a (oud), 252, 273a, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;

      • 3.

        de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

      • 4.

        de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen;

      • 5.

        de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;

      • 6.

        de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

  • 3. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld:

    • a.

      vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 bedraagt;

    • b.

      een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.

  • 4. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:

    • a.

      bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning;

    • b.

      bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.

  • 5. De exploitant of de leidinggevende is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of leidinggevende geweest van een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem ter zake geen verwijt treft.

Artikel 3:6 Sluitingstijden

  • 1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven:

    • a.

      op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 en 07.00 uur;

    • b.

      op zaterdag en zondag tussen 02.00 en 07.00 uur.

  • 2. Het bevoegd orgaan kan door middel van een voorschrift als bedoeld in artikel 1:4 en artikel 3:3 voor een afzonderlijke seksinrichting andere sluitingstijden vaststellen.

  • 3. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die seksinrichting krachtens het eerste lid of tweede lid, dan wel krachtens artikel 3:7, eerste lid, gesloten dient te zijn.

  • 4. Het in het eerste tot en met derde lid bepaalde geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften.

Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting

  • 1. Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan:

    • a.

      tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3:6, eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen;

    • b.

      van een afzonderlijke seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht.

  • 3. Het bevoegde bestuursorgaan kan een seksinrichting of escortbedrijf tijdelijk of voor onbepaalde tijd gesloten verklaren indien:

    • a.

      de seksinrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige vergunning;

    • b.

      de seksinrichting wordt geëxploiteerd in strijd met aan de vergunning verbonden voorschriften;

    • c.

      een van de in artikel 3:13 en 3:13 a genoemde situaties zich voordoet.

  • 4. Het bevoegde bestuursorgaan maakt de sluiting bekend door het aanbrengen van een afschrift van het bevel op of nabij de toegang of toegangen van de seksinrichting of escortbedrijf. De sluiting treedt in werking op het moment dat bedoeld afschrift is aangebracht.

  • 5. Een ieder is verplicht toe te laten dat in het vierde lid bedoelde afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.

  • 6. Het is de exploitant of beheerder van een seksinrichting of escortbedrijf verboden daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven zolang de sluiting van kracht is.

  • 7. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het derde lid gesloten seksinrichting of escortbedrijf te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven.

  • 8. Een sluiting voor onbepaalde tijd kan op aanvraag van belanghebbende(n) door het bevoegde bestuursorgaan worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en leidinggevende

  • 1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant of leidinggevende in de seksinrichting aanwezig is.

  • 2. De exploitant en de leidinggevende zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting:

    • a.

      geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en

    • b.

      geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.

Artikel 3:9 Beslistermijn

  • 1. Het bevoegd bestuursorgaan neemt het besluit op de aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.

  • 2. Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste acht weken verdagen.

Artikel 3:10 Weigeringsgronden

  • 1.

    De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt geweigerd indien:

    • a.

      de exploitant of de leidinggevende niet voldoet aan de in artikel 3:5 gestelde eisen;

    • b.

      de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan of leefmilieuverordening;

    • c.

      de exploitant of beheerder is ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij;

    • d.

      er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.

  • 2.

    In afwijking van artikel 1:8 kan de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de openbare orde;

    • b.

      het voorkomen of beperken van overlast;

    • c.

      het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat;

    • d.

      de veiligheid van personen of goederen;

    • e.

      de verkeersvrijheid of -veiligheid;

    • f.

      de gezondheid of zedelijkheid;

    • g.

      de arbeidsomstandigheden van de prostituee.

Artikel 3:10a Intrekkingsgronden

Het bevoegd bestuursorgaan kan de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd, gedeeltelijk of geheel intrekken, indien:

  • a.

    blijkt dat de vergunning op grond van onjuiste of onvolledige gegevens en bescheiden is verleend;

  • b.

    de ingevolge artikel 3:4, tweede lid onder a. in de vergunning vermelde exploitant niet feitelijk de exploitatie voert;

  • c.

    de exploitant of leidinggevende de bepalingen in afdeling 2, de nadere regels als bedoeld in artikel 3:3, dan wel de voorschriften, behorende bij de vergunning, overtreedt;

  • d.

    de exploitant of beheerder is ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij;

  • e.

    in de seksinrichting een minderjarige prostitué(e) wordt aangetroffen;

  • f.

    in de seksinrichting een prostitué(e) zonder een voor het verrichten van arbeid geldige verblijfstitel wordt aangetroffen;

  • g.

    een seksinrichting of escortbedrijf werkzaamheden laat verrichten door een minderjarige prostitué(e) of een prostitué(e) zonder een voor het verrichten van arbeid geldige verblijfstitel;

  • h.

    er door de exploitant of leidinggevende onvoldoende maatregelen zijn getroffen in het belang van de veiligheid, de hygiëne en de bescherming van de gezondheid van de in de seksinrichting werkzame personen, alsmede ter bescherming van de volksgezondheid;

  • i.

    aannemelijk is dat de exploitant of leidinggevende betrokken is of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de seksinrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat;

  • j.

    de exploitant of leidinggevende strafbare feiten pleegt in de inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in de inrichting strafbare feiten worden gepleegd;

  • k.

    naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt of het woon-of leefklimaat in de omgeving van de seksinrichting of escortbedrijf nadelig wordt beïnvloed;

  • l.

    op grond van verandering van omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen, dat intrekking wordt gevorderd door de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist;

  • m.

    de exploitant of leidinggevende niet voldoet aan de in artikel 3:5 gestelde eisen.

  • n.

    Dit in het belang is van:

    • -

      de veiligheid van personen of goederen;

    • -

      het voorkomen of beperken van overlast;

    • -

      de verkeersvrijheid of -veiligheid;

    • -

      de gezondheid of zedelijkheid;

    • -

      de arbeidsomstandigheden van de prostituee.

Artikel 3:10b Geldigheidsduur vergunning

  • 1. Een door het bevoegd bestuursorgaan verleende vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, heeft een geldigheidsduur van vijf jaren.

  • 2. Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde en het woon- en leefklimaat voor bepaalde categorieën van seksinrichtingen een andere geldigheidsduur vaststellen.

Artikel 3:11 Beëindiging exploitatie

  • 1. De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.

  • 2. Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 3:12 Wijziging beheer

  • 1. Indien een leidinggevende het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.

  • 2. Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe leidinggevende, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:10, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3. In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door een nieuwe leidinggevende vanaf het moment waarop de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.

Artikel 3:13 Overgangsbepaling

Bij de beoordeling van een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid van een bestaande seksinrichting, is het bepaalde in artikel 3;10 eerste lid onder b niet van toepassing.

Afdeling 3. Straatprostitutie en Sekswinkels

Artikel 3:14 Straatprostitutie

  • 1. Het is verboden door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken:

    • a.

      op of aan andere door het college aangewezen wegen of gebieden;

    • b.

      gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden.

  • 2. Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

  • 3. Met het oog op de in artikel 3:10, tweede lid, genoemde belangen kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen en gedurende de tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

  • 4. De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3:10, tweede lid, genoemde belangen personen aan wie tenminste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid, bij besluit verbieden zich gedurende een bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen en op de tijden bedoeld in het eerste lid.

  • 5. De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.

  • 6. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid.

Artikel 3:15 Sekswinkels

Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente.

Artikel 3:16 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke

  • 1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen:

    • a.

      indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt;

    • b.

      anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

HOOFDSTUK 4 BESCHERMING VAN HET MILIEU EN HET NATUURSCHOON EN ZORG VOOR HET UITERLIJK AANZIEN VAN DE GEMEENTE

Afdeling 1. Geluidhinder en verlichting

Artikel 4:1 Begripsbepalingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Besluit: het Activiteitenbesluit Milieubeheer;

  • b.

    inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, met dien verstande dat de artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit Milieubeheer;

  • c.

    houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een inrichting drijft;

  • d.

    collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is verbonden;

  • e.

    incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;

  • f.

    gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • g.

    gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit milieubeheer;

  • h.

    geluidsgevoelige ruimten: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet Geluidhinder

  • i.

    verblijfsruimten: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder

  • j.

    onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.

Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten

  • 1. De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  • 2. De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen.

  • 3. In een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing slechts geldt in een of meer delen van de gemeente.

  • 4. Het college maakt de aanwijzing tenminste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar bekend.

  • 5. Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.

  • 6. Tijdens het van toepassing zijn van een collectieve festiviteit, mag het geluidniveau, veroorzaakt door de inrichting, niet meer bedragen dan de waarde, die is opgenomen in onderstaande tabel:

  •  

    dagperiode (07.00-19.00 uur)

    avondperiode (19.00-23.00 uur)

    nachtperiode (23.00-01.00/02.00 uur)

    LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen

    65 dB(A)

    60 dB(A)

    55 dB(A)

    LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

    50 dB(A)

    45 dB(A)

    40 dB(A)

    LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen

    75 dB(A)

    70 dB(A)

    65 dB(A)

    LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

    60 dB(A)

    55 dB(A)

    50 dB(A)

  • 7. De geluidsnorm, als bedoeld in het zesde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

  • 8. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

  • 9. De geluidsnorm, bedoeld in het zesde lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.

  • 10. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5:

    • a.

      uiterlijk om 01:00 uur beëindigd, indien de festiviteit zondag, maandag, dinsdag, woensdag of donderdag plaatsvindt;

    • b.

      uiterlijk om 02:00 uur beëindigd, indien de festiviteit op vrijdag of zaterdag plaatsvindt.

Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele festiviteiten

  • 1. Het is een inrichting toegestaan maximaal vijf incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening niet van toepassing zijn mits de houder van de inrichting tenminste 3 werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

  • 2. Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal vijf incidentele festiviteiten per kalenderjaar de verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148, eerste lid, van het Besluit niet van toepassing is mits de houder van de inrichting tenminste 3 werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld.

  • 3. Het college stelt nadere regels voor het doen van de kennisgeving.

  • 4. Tijdens het van toepassing zijn van een incidentele festiviteit, mag het geluidniveau, veroorzaakt door de inrichting, niet meer bedragen dan de waarde, die is opgenomen in onderstaande tabel:

  •  

    dagperiode (07.00-19.00 uur)

    avondperiode (19.00-23.00 uur)

    nachtperiode (23.00-01.00/02.00 uur)

    LAr,LT op de gevel van gevoelige gebouwen

    65 dB(A)

    60 dB(A)

    55 dB(A)

    LAr,LT in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

    50 dB(A)

    45 dB(A)

    40 dB(A)

    LAmax op de gevel van gevoelige gebouwen

    75 dB(A)

    70 dB(A)

    65 dB(A)

    LAmax in in- en aanpandige gevoelige gebouwen

    60 dB(A)

    55 dB(A)

    50 dB(A)

  • 5. De geluidsnorm, bedoeld in het vierde lid, is inclusief onversterkte muziek en exclusief 10 dB(A) toeslag vanwege muziekcorrectie. Tevens wordt de bedrijfsduurcorrectie buiten beschouwing gelaten.

  • 6. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

  • 7. De geluidsnorm, bedoeld in het vierde lid, geldt voor het bebouwde gedeelte van de inrichting en niet voor de buitenruimte.

  • 8. Op de dagen, bedoeld in het eerste lid, wordt het ten gehore brengen van extra muziek hoger dan de geluidsnorm, bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit en artikel 4:5 van deze verordening:

    • a.

      uiterlijk om 01:00 uur beëindigd, indien de festiviteit zondag, maandag, dinsdag, woensdag of donderdag plaatsvindt;

    • b.

      uiterlijk om 02:00 uur beëindigd, indien de festiviteit op vrijdag of zaterdag plaatsvindt.

Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten

(Vervallen)

Artikel 4:4a Geluidsplafond

(Vervallen)

Artikel 4:5 Onversterkte muziek

  • 1. Gelet op artikel 2.18, eerste lid onder f en krachtens artikel 2.18, vijfde lid, van het Besluit wordt onversterkte muziek tussen 19.00 uur en 7.00 uur niet buiten beschouwing gelaten bij het bepalen van het geluidsniveau van een inrichting en zijn de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Besluit onverminderd van toepassing.

  • 2. Maximaal 2 uur per week, gedurende één avond, is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in het bebouwde deel van een inrichting tijdens de avondperiode (19.00 tot 23.00 uur) uitgezonderd van het gestelde in het eerste lid.

  • 3. Indien versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele samenspel beschouwd als versterkte muziek en is het Besluit van toepassing.

  • 4. Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het onmiddellijk doorlaten van personen of goederen.

  • 5. Het college kan voor het gestelde in het eerste lid ontheffing verlenen. Het college kan aan deze ontheffing voorschriften verbinden.

Artikel 4:5a Geluidhinder in de openlucht

  • 1. Het is verboden buiten een inrichting in de openlucht een geluidsapparaat, toestel of machine in werking te hebben op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  • 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

  • 3. Het college kan terreinen of wateren aanwijzen waar het verbod niet van toepassing is op het in werking hebben van bepaalde in de aanwijzing aangewezen categorieën van geluidsapparaten, toestellen of machines, voor zover wordt voldaan aan de door het college vast te stellen voorschriften ter voorkoming of beperking van geluidhinder.

  • 4. De in het derde lid bedoelde voorschriften kunnen onder meer betrekking hebben op:

    • a.

      het maximale geluidsniveau;

    • b.

      de situering van geluidsbronnen;

    • c.

      de frequentie en tijden van gebruik.

  • 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit, het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Bouwbesluit of de Provinciale Milieuverordening.

Artikel 4:5b Geluidhinder door dieren

Degene die buiten een inrichting de zorg heeft voor een dier, voorkomt dat dit voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder veroorzaakt.

Artikel 4:5c Geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen

Het is verboden buiten een inrichting zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder ontstaat.

Artikel 4:5d Routering

  • 1. Het is verboden buiten een inrichting met een vrachtauto als bedoeld in artikel 4:5e, waarvan het ledig gewicht vermeerderd met het laadvermogen meer bedraagt dan 3.500 kilogram of die met inbegrip van de lading een lengte heeft van meer dan zes meter of een hoogte van meer dan twee meter, tussen 23.00 en 07.00 uur op een andere dan door het college aangewezen weg te rijden.

  • 2. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.

Artikel 4:5e Geluidhinder door handelingen t.b.v. bouwwerkzaamheden

  • 1. Het is verboden handelingen ten behoeve van bouwwerkzaamheden c.q. bouwactiviteiten te verrichten of te laten verrichten op het bouwterrein na 19.00 uur en vóór 07.00 uur.

  • 2. Het college kan van het bepaalde in het eerste lid ontheffing verlenen.

Artikel 4:6 Overige geluidhinder

  • 1. Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten of te laten verrichten dat voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  • 2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  • 3. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet geluidhinder, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale Milieuverordening.

Artikel 4:6a Mosquito

  • 1. Onder mosquito wordt verstaan: een apparaat dat een vooral voor jongeren hoorbare, hinderlijke hoge pieptoon produceert, met als doel groepen jongeren weg te houden van plaatsen waar zij overlast veroorzaken.

  • 2. In afwijking van artikel 4:6 kan de burgemeester in het belang van de openbare orde besluiten op een openbare plaats een mosquito aan te brengen bij gebleken ernstige overlast door jongeren op die plaats.

  • 3. De aanwezigheid van een mosquito wordt duidelijk kenbaar gemaakt op de plaats waar deze is aangebracht.

  • 4. Een mosquito is alleen in werking op die tijdstippen dat overlast redelijkerwijs valt te verwachten.

  • 5. Een mosquito wordt aangebracht voor een periode van ten hoogste zes maanden. De burgemeester kan die periode telkens met een periode van ten hoogste zes maanden verlengen.

Artikel 4:6b Geluidhinder door bromfietsen en dergelijke

(Vervallen)

Afdeling 2. Bodem-, weg- en milieuverontreiniging

Artikel 4:7 Straatvegen

(Vervallen)

Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten daarvoor bestemde plaatsen.

Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Artikel 4:9a Verbod oplaten ballonnen

  • 1. Het is verboden ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht, dan wel door middel van helium of andere gassen op te laten stijgen.

  • 2. Onder een ballon wordt mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise wensballon, papierballon, geluksballon, etc.

  • 3. Onder een ballon wordt in dit verband niet bedoeld een luchtballon bedoeld voor personenvervoer.

Afdeling 3. Het bewaren van houtopstanden

Artikel 4:10 Begripsbepalingen

  • 1. In deze afdeling wordt verstaan onder:

    • a.

      boom: een houtachtig, overblijvend gewas, dat:

      • -

        één of meerstammig kan zijn, waarbij ingeval van meerstammigheid de stammen zich bovengronds vertakken;

      • -

        een dwarsdoorsnede van de stam, of bij meerstammigheid de dwarsdoorsnede van de dikste stam, van minimaal 10 centimeter, gemeten op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld.

    • b.

      houtopstand: één of meer bomen en/of knotbomen, hakhout of een houtwal;

    • c.

      hakhout: een of meer bomen of boomvormers, die na te zijn geveld, opnieuw op de stronk uitlopen;

    • d.

      dunning: velling ter bevordering van het voortbestaan van de houtopstand;

    • e.

      knotboom: periodiek tot op de stam teruggezette boom;

    • f.

      bebouwde kom: de bebouwde kom van de gemeente, vastgesteld overeenkomstig artikel 4.1 sub a. van de Wet natuurbescherming;

    • g.

      boomwaarde: de monetaire waarde van een boom zoals getaxeerd volgens de meest recente richtlijnen van Nederlandse vereniging van taxateurs van bomen (NVTB).

    • h.

      vellen: rooien; kappen; verplanten; het snoeien van meer dan 30 procent van de kroon of het wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen; het verrichten van handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood of ernstige beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten gevolge kunnen hebben.

    • i.

      Bomen Effect Analyse: een standaard beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor houtopstand, op basis van landelijke richtlijnen van de Bomenstichting.

Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag houtopstand te vellen of te doen vellen.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor:

    • a.

      houtopstand die bij wijze van dunning moet worden geveld;

    • b.

      het periodiek knotten of kandelaberen als noodzakelijke beheermaatregel bij knotbomen, gekandelaberde bomen of leibomen ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

    • c.

      houtopstand die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet of krachtens een aanschrijving of last van het bevoegd gezag, zulks onverminderd het bepaalde in artikel 4.11d;

    • d.

      achtertuinen niet groter dan 120 m2;

    • e.

      voortuinen niet groter dan 20m2.

  • 3. Het bevoegd gezag kan een herplantplicht opleggen onder nader te stellen voorschriften.

Artikel 4:11a Aanvraag omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

De vergunning moet worden aangevraagd door of namens dan wel met toestemming van degene die krachtens zakelijk recht of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.

Artikel 4.11b Weigeringsgronden omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

  • 1. Het bevoegd gezag kan de in artikel 4:11, eerste lid, bedoelde vergunning in ieder geval weigeren, dan wel onder voorwaarden verlenen, in het belang van:

    • a.

      natuur- en milieuwaarden;

    • b.

      landschappelijke waarden;

    • c.

      cultuurhistorische waarden;

    • d.

      waarden van stads- en dorpsschoon;

    • e.

      waarden voor recreatie en leefbaarheid.

  • Het bevoegd gezag kan hierbij de boomwaarde als criterium hanteren.

  • 2. Het bevoegd gezag kan de in artikel 4.11, eerste lid, bedoelde vergunning in ieder geval niet weigeren ingeval voldaan moet worden aan de verplichting ingevolge het bepaalde in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek.

Artikel 4.11c Bijzondere vergunningsvoorschriften

  • 1. Tot aan de vergunning als bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, te verbinden voorschriften kan behoren het voorschrift dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de door het bevoegd gezag te geven aanwijzingen moet worden herplant. Indien herplant niet mogelijk is, kan er door het bevoegd gezag een financiële compensatie worden opgelegd.

  • 2. Wordt een voorschrift als bedoeld in het eerste lid gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  • 3. Tot aan de omgevingsvergunning te verbinden voorschriften kan het voorschrift behoren dat pas tot vellen van houtopstand op en bij bouw- en aanlegwerken of andere ruimtelijke herinrichting of reconstructie mag worden overgegaan indien de noodzaak voor de kap is aangetoond en/of andere vergunningen, ontheffingen, toestemmingen of ruimtelijke ordeningsprocedures onherroepelijk geworden zijn en de feitelijke en financiële voortgang van de werken voldoende gewaarborgd is.

Artikel 4.11d Herplant-/instandhoudingsplicht

  • 1. Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is, zonder vergunning als bedoeld in artikel 4.11, eerste lid, is geveld, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het college aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevond dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn, dan wel een schadevergoeding opleggen, waarbij de boomwaarde als criterium wordt gehanteerd.

  • 2. Wordt een verplichting tot herbeplanting als bedoeld in het eerste lid opgelegd, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herbeplanting en op welke wijze niet geslaagde beplanting moet worden vervangen.

  • 3. Indien houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze afdeling van toepassing is in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, kan het bevoegd gezag aan de zakelijk gerechtigde van de grond waarop zich de houtopstand bevindt dan wel aan degene die uit anderen hoofde tot het treffen van voorzieningen bevoegd is, de verplichting opleggen om:

    • a.

      overeenkomstig de door hen te geven aanwijzingen binnen een door hen te stellen termijn voorzieningen te treffen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen of;

    • b.

      een Bomen Effect Analyse op te stellen en aan te bieden aan het bevoegd gezag;

  • 4. Degene aan wie een verplichting als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid is opgelegd, alsmede diens rechtsopvolger, is verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 4.11e Schadevergoeding

Indien de gebruiker of eigenaar van een houtopstand tengevolge van een verbod tot vellen van een houtopstand of een weigering tot ontheffing van een verbod tot vellen van een houtopstand, schade lijdt, welke redelijkerwijs niet of niet geheel voor zijn rekening behoort te blijven, kan het college van burgemeester en wethouders hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toekennen.

Artikel 4:11f Bestrijding ziekte houtopstanden

Indien zich op een terrein een houtopstand bevindt die naar het oordeel van het college gevaar oplevert voor de verspreiding van een nader door het college aan te wijzen ziekte is de rechthebbende verplicht de in de aanschrijving van het college maatregelen te treffen binnen de daarbij aangegeven termijn.

Artikel 4:11g Bestrijding watermerkziekte

(vervallen)

Artikel 4:11h Afstand tot de erfgrens

Voor bomen, heesters en heggen op een openbare weg of langs openbaar water wordt de afstand tot de grenslijn van een anders erf, in afwijking van de afstanden genoemd in artikel 5:42 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek, voor bomen vastgesteld op 0,5 meter en voor heesters en heggen op nihil.

Artikel 4:12 Vergunning van rechtswege

(Vervallen)

Artikel 4:12a Vervaltermijn vergunning

(Vervallen)

Afdeling 4. Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast

Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.

  • 1. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht of buiten de weg de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben:

    • a.

      onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    • b.

      bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    • c.

      kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4:17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; of

    • d.

      mestopslag, gierkelders of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.

  • 2. Het college kan bij de aanwijzing als bedoeld in het eerste lid nadere regels stellen.

  • 3. Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien krachtens de Wet ruimtelijke ordening of door of krachtens de Provinciale Verordening.

Artikel 4:13a Verontreiniging bij werkzaamheden op een openbare plaats

  • 1. Indien bij het laden of lossen of vervoeren van stoffen of voorwerpen dan wel bij andere werkzaamheden een openbare plaats wordt verontreinigd, is degene die genoemde werkzaamheden verricht, alsmede, indien deze in opdracht handelt, zijn opdrachtgever verplicht:

    • a.

      indien de verontreiniging gevaar voor de veiligheid van het ver¬keer of voor beschadiging van het wegdek oplevert, de openbare plaats onmiddellijk na het ontstaan van de verontreiniging te reinigen of te doen reinigen;

    • b.

      indien de verontreiniging geen gevaar voor de veiligheid van het verkeer of voor beschadiging van het wegdek oplevert, de openbare plaats onmiddellijk na de beëindiging van de werkzaamheden of, indien deze langer dan een dag duren, elke dag onmiddellijk na beëindiging van de werkzaamheden op die dag, te reinigen of te doen reinigen.

  • 2. Het in het eerste lid gesteld verbod geldt niet voor zover artikel 9, tweede lid, van het Rijkswegenreglement of een Provinciaal wegenregle¬ment van toepassing is.

Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen

(vervallen)

Artikel 4:15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclames

  • 1. Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Activiteitenbesluit Milieubeheer.

Artikel 4:16 Vergunningplicht lichtreclame

(Vervallen)

Afdeling 5. Kamperen buiten kampeerterrein

Artikel 4:17 Begripsbepaling

In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan: een onderkomen of voertuig waarvoor geen omgevingsvergunning voor het bouwen in de zin van artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is vereist, dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

  • 1. Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het bestemmingsplan, de beheersverordening, exploitatieplan of een voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd.

  • 2. Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de rechthebbende op een terrein.

  • 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste lid.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de bescherming van natuur en landschap; of

    • b.

      de bescherming van een stadsgezicht.

Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen

  • 1. Het verbod van artikel 4:18, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

  • 2. Het college kan daarbij de duur bepalen van de periode waarin het verbod niet geldt.

  • 3. Het college kan daarbij nadere regels stellen ter bescherming van de belangen genoemd in artikel 4:18, vierde lid, onder a en b.

HOOFDSTUK 5 ANDERE ONDERWERPEN BETREFFENDE DE HUISHOUDING DER GEMEENTE

Afdeling 1. Parkeerexcessen

Artikel 5:1 Begripsbepalingen

(Vervallen; opgenomen in artikel 1:1)

Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke

  • 1. Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:

    • a.

      het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;

    • b.

      het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

  • 2. Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:

    • a.

      voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;

    • b.

      voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.

  • 3. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

    • a.

      3 of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;

    • b.

      de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen

Het is verboden een voertuig te parkeren op de weg met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

Artikel 5.4 Defecte voertuigen

  • 1. Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder een defect voertuig mede begrepen een niet van een kenteken voorzien voertuig, voor zover voor het rijden met het betrokken voertuig het voeren van zodanig kenteken wettelijk verplicht is.

Artikel 5:5 Voertuigwrakken

  • 1. Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren.

  • 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 5.6 Kampeermiddelen en andere

  • 1. Het is verboden een voertuig dat voor de recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt:

    • a.

      langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben;

    • b.

      op de weg te parkeren bij, voor, naast of achter een bewoond perceel op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht vanuit dat perceel voor de bewoners op hinderlijke wijze wordt belemmerd;

    • c.

      op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte en/of schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  • 2. Het in het eerste lid onder a gestelde verbod geldt niet van 1 juli tot 1 september.

  • 3. Het college kan ontheffing verlenen:

    • a.

      van het in het eerste lid onder a gestelde verbod voor de overige maanden dan die genoemd in het tweede lid;

    • b.

      van het in het eerste lid onder c gestelde verbod

  • 4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Provinciale caravan- en tentenverordening, het Provinciaal wegenreglement Zuid-Holland of de Provinciale landschapsverordening.

Artikel 5:6a Parkeren van caravans, aanhangwagens in een parkeerschijfzone

Onverminderd het bepaalde in artikel 5:6 is het de eigenaar of houder van een geheel of ten dele voor recreatie bestemd voertuig of een aanhangwagen verboden deze te parkeren in een parkeerschijfzone, als bedoeld in het Reglement verkeersregels en verkeerstekens, gedurende het (de) daarop aangegeven tijdvak(ken).

Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen

Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken.

Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen

  • 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  • 2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.

  • 3. Het verbod in het tweede lid is niet van toepassing op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.

  • 4. De verboden in het eerste en tweede lid zijn voorts niet van toepassing op campers, kampeerauto’s, caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden.

  • 5. Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.

Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen

  • 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

  • 2. Dit verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 5:9a Parkeren op aanbiedplaats huishoudelijk afval

Het is verboden op een door het college ten behoeve van de inzameldienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan op een daarbij aangeduide tijdsperiode en/of dag.

Artikel 5:10 Parkeren anders dan op de rijbaan

  • 1. Het is verboden een voertuig te parkeren op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing op voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam.

Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

  • 1. Het is verboden met een voertuig te rijden door een park of plantsoen of een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook, of het daarin te doen of te laten staan.

  • 2. Dit verbod is niet van toepassing op:

    • a.

      de weg;

    • b.

      voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam;

    • c.

      voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd.

  • 3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets

  • 1. Het is verboden op door het college, in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast of ter voorkoming van schade aan de openbare ruimte of gezondheid, aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.

  • 2. Het is verboden fietsen en bromfietsen, die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op of aan de weg te laten staan.

  • 3. Het is verboden op door het college, in het belang van het beheer van de openbare ruimte, aangewezen plaatsen fietsen of bromfietsen langer dan een door het college vastgestelde periode onafgebroken te laten staan.

Afdeling 2. Collecteren

Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

  • 2. Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan: het aanvaarden van geld of goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

  • 3. Het verbod geldt niet voor een inzameling of werving die wordt gehouden:

    • a.

      in besloten kring;

    • b.

      door instellingen die zijn ingedeeld op het thans geldende landelijke collecte- en wervingsrooster van het Centraal Bureau Fondsenwerving en die geld of goederen inzamelen of werven in de aan hen door het Centraal Bureau Fondsenwerving toegewezen periode;

    • c.

      door een andere, door het college aangewezen instelling.

  • 4. Het college kan bij het bepaalde in dit artikel nadere regels stellen.

Afdeling 3. Venten

Artikel 5:14 Begripsbepaling

  • 1. In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten op een openbare en/of in de open lucht gelegen plaats of aan huis.

  • 2. Onder venten wordt niet verstaan:

    • a.

      het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit doet ter exploitatie van een winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;

    • b.

      het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid onder h, van de Gemeentewet;

    • c.

      het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel het aanbieden van diensten op een standplaats als bedoeld in artikel 5:17.

Artikel 5:15 Venten en dergelijke

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college te venten.

  • 2. Voorts is het verboden te venten op zondagen en op maandag tot en met zaterdag voor 9.00 uur en na 22.00 uur.

Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting

  • 1. Het verbod bedoeld in artikel 5:15, eerste lid is niet van toepassing op het venten met gedrukte of geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid is het venten van gedrukte en geschreven stukken waarin gedachten en gevoelens worden geopenbaard als bedoeld in artikel 7, eerste lid van de Grondwet verboden op door het college in het belang van de openbare orde aangewezen openbare plaatsen, dagen of uren.

  • 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod in het tweede lid.

Afdeling 4. Standplaatsen

Artikel 5:17 Begripsbepaling

  • 1. In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten , gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel.

  • 2. Onder standplaats wordt niet verstaan:

    • a.

      een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de Gemeentewet;

    • b.

      een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2:24.

Artikel 5:18 Standplaatsen en weigeringsgronden

  • a. Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.

  • b. Het college weigert de vergunning wegens strijd met een geldend bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit.

  • c. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning worden geweigerd:

    • a.

      Indien de standplaats hetzij op zichzelf hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    • b.

      indien als gevolg van bijzondere omstandigheden in de gemeente of in een deel van de gemeente redelijkerwijs te verwachten is dat door het verlenen van de vergunning voor een standplaats voor het verkopen van goederen een redelijk verzorgingsniveau voor de consument ter plaatse in gevaar komt.

  • d. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid, heeft een geldigheidsduur van vijf jaar.

Artikel 5:19 Toestemming rechthebbende

Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.

Artikel 5:20 Afbakeningsbepalingen

  • 1. Het verbod van artikel 5:18, eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer , de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement.

  • 2. De weigeringsgrond van artikel 5:18, derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.

Afdeling 5. Snuffelmarkten

Artikel 5:22 Begripsbepaling

Vervallen (verplaatst naar hoofdstuk 2, afdeling 7 Evenementen)

Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt

Vervallen (verplaatst naar hoofdstuk 2, afdeling 7 Evenementen)

Afdeling 6. Openbaar water

Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water

  • 1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

  • 2. Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college.

  • 3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.

  • 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de keur van het Hoogheemraadschap van Delfland, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Waterwet, de Havenbeheersverordening gemeente Maassluis, de Provinciale vaarwegenverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Algemene Verordening Ondergrondse Infrastructuur (AVOI).

Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.

  • 2. Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor een vaartuig op krachtens het tweede lid aangewezen gebieden:

    • a.

      nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente;

    • b.

      beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.

  • 3. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer, het Binnenvaartpolitiereglement, de keur van het Hoogheemraadschap van Delfland, de Wet beheer Rijkswaterstaatwerken, de Havenverordening Maassluis, de Provinciale vaarwegenverordening Zuid Holland of de Provinciale landschapsverordening Zuid Holland.

Artikel 5:26 Aanwijzingen ligplaats

  • 1. Onverminderd het krachtens het derde lid van artikel 5:25 bepaalde kan het college aan de rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente.

  • 2. De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen.

  • 3. Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de keur van het Hoogheemraadschap van Delfland, de Havenverordening gemeente Maassluis, de Provinciale Vaarwegenverordening Zuid Holland of de Provinciale landschapsverordening Zuid Holland.

Artikel 5:27 Verbod innemen ligplaats

Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens artikel 5:26 tweede lid bepaalde.

Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken en oevers

  • 1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van openbaar water, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.

  • 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de keur van het Hoogheemraadschap van Delfland, de Waterwet, de Havenbeheersverordening gemeente Maassluis, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale Vaarwegenverordening.

Artikel 5:29 Reddingsmiddelen

Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel, dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.

Artikel 5:30 Veiligheid op het water

  • 1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

  • 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, Binnenvaartpolitiereglement of de Provinciale Vaarwegenverordening Zuid Holland.

Artikel 5:30a Zwemmen in openbaar water

  • 1. Het is verboden te zwemmen in door het college aangewezen openbare wateren of gedeelten daarvan.

  • 2. Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement en de Wet beheer rijkswaterstaatswerken.

Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen

  • 1. Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.

  • 2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

Afdeling 7 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden

Artikel 5:32 Crossterreinen

  • 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben.

  • 2. Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

    • a.

      het voorkomen of beperken van overlast;

    • b.

      de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden;

    • c.

      de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek.

  • 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet milieubeheer of het Besluit geluidproduktie sportmotoren.

Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden

  • 1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:

    • a.

      het voorkomen van overlast;

    • b.

      de bescherming van natuur- en milieuwaarden;

    • c.

      de veiligheid van het publiek.

  • 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en fietsers of voor berijders van paarden:

    • a.

      ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid van het Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten;

    • b.

      die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    • c.

      die worden gebruikt in verband met werken welke krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

    • d.

      van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die zijn gelegen binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld;

    • e.

      voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.

  • 4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet:

    • a.

      op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen

    • b.

      binnen de bij of krachtens de Provinciale Milieuverordening Zuid-Holland aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als `toestel'.

  • 5. Bij het gestelde onder het vierde lid onder a. geldt voor ruiters dat de paarden voorzien moeten zijn van een uitwerpselen-opvangzak. De uitzonderingen zoals gesteld in het derde lid zijn hierbij van toepassing.

  • 6. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Afdeling 8. Verbod vuur te stoken

Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

  • 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  • 2. Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op:

    • a.

      verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    • b.

      sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand;

    • c.

      vuur voor koken, bakken en braden.

  • 3. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.

  • 4. Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna en ter bescherming van de woon- en leefomgeving.

  • 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale milieuverordening.

Afdeling 9. Verstrooiing van as

Artikel 5:35 Begripsbepaling

In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de Lijkbezorging op een door de overledenen of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.

Artikel 5:36 Verboden plaatsen

  • 1. Incidentele asverstrooiing is verboden op:

    • a.

      verharde delen van de weg;

    • b.

      gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.

  • 2. Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.

  • 3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, onder a.

Artikel 5:37 Hinder of overlast

Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.

HOOFDSTUK 6 STRAF-, OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 6:1 Strafbepaling

  • 1. Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1.4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak:

  • artikel 2:1 - samenscholing en ongeregeldheden

  • artikel 2:1a - aanwijzing overlastgebied

  • artikel 2:1b - wijkverbod

  • artikel 2.1d - woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet

  • artikel 2:3 - kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

  • artikel 2:6 - beperking aanbieden en dergelijke van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

  • artikel 2:9 - straatartiest en dergelijke

  • artikel 2:10 - voorwerpen of stoffen aan, op, in of boven een openbare plaats

  • m.u.v. lid 2

  • artikel 2:14 - winkelwagentjes

  • artikel 2:15 - hinderlijke beplanting of voorwerp

  • artikel 2:16 - openen straatkolken en dergelijke

  • artikel 2:17 - kelderingangen en dergelijke

  • artikel 2:19 - gevaarlijk of hinderlijk voorwerp openbare plaats

  • artikel 2:20 - vallende voorwerpen

  • artikel 2:20a - dragen gevaarlijke voorwerpen

  • artikel 2:21 - voorzieningen voor verkeer en verlichting

  • artikel 2:23 - veiligheid op het ijs

  • artikel 2:23a - verbod op slapen op of aan de weg

  • artikel 2:25 - evenementenvergunning

  • artikel 2:25a - 0-evenementen

  • artikel 2:26 - ordeverstoring

  • artikel 2:26a - openbare orde en veiligheid

  • artikel 2:28 - (tijdelijke) exploitatievergunning horecabedrijf

  • artikel 2:28b - eisen exploitant en leidinggevende

  • artikel 2:28e - opheffing vergunningplicht

  • artikel 2:29 - sluitingstijden

  • artikel 2:31 - aanwezigheid in gesloten horecabedrijf

  • artikel 2:31a - glazen drinkgerei

  • artikel 2.32 - handel in horecabedrijven

  • artikel 2:33 - ordeverstoring

  • artikel 2:36 - kennisgeving exploitatie

  • artikel 2:37 - nachtregister

  • artikel 2:38 - verschaffen gegevens nachtregister

  • artikel 2:40 - vergunning exploitatie bedrijf

  • artikel 2:40b - tijdelijke sluiting

  • artikel 2:40c - aanwezigheid exploitant en beheerder

  • artikel 2:41 - betreden gesloten woning of lokaal

  • artikel 2:42 - plakken en kladden

  • artikel 2:42a - graffiti

  • artikel 2:43 - vervoer plakgereedschap en dergelijke

  • artikel 2:44 - vervoer inbrekerswerktuigen

  • artikel 2:47 - hinderlijke gedrag op of aan een openbare plaats

  • artikel 2:47a - hinderlijk voetballen en dergelijke

  • artikel 2:48 - verboden drankgebruik

  • artikel 2:48a - verboden gebruik lachgas

  • artikel 2:49 - verboden gedrag bij of in gebouwen

  • artikel 2:50 - hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten

  • artikel 2:50a - verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties

  • artikel 2:51 - hinderlijk neerzetten van fietsen en dergelijke

  • artikel 2:52 - overlast van fiets, bromfiets of voertuig op markt- en kermisterrein e.d

  • artikel 2:53 - bespieden en heimelijk fotograferen /filmen van personen

  • artikel 2:54 - bewakingsapparatuur

  • artikel 2:57 - loslopende honden

  • artikel 2:58 - overlast/verontreiniging door honden

  • artikel 2:59 - gevaarlijke honden

  • artikel 2:59a - gevaarlijke honden op eigen terrein

  • artikel 2:60 - houden van hinderlijke of schadelijke dieren

  • artikel 2:72 - ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens verkoopdagen

  • artikel 2:73 - bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

  • artikel 2:73a - carbidschieten

  • artikel 2:74 - drugshandel op een openbare plaats

  • artikel 2:74a - verzameling van personen in verband met drugs

  • artikel 2:74b - openlijk drugsgebruik

  • artikel 2:74c - weggooien van spuiten en dergelijke

  • artikel 3:4 - seksinrichtingen, escortbedrijven

  • artikel 3:6 - sluitingstijden

  • artikel 3:7 - tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting

  • artikel 3:8 - aanwezigheid van en toezicht door exploitant en leidinggevende

  • artikel 3:11 - beëindiging exploitatie

  • artikel 3:12 - wijziging beheer

  • artikel 3:14 - straatprostitutie

  • artikel 3:15 - sekswinkels

  • artikel 3:16 - tentoonstellingen, aanbieden/aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke

  • artikel 4:2 - aanwijzing collectieve festiviteiten

  • artikel 4:3 - kennisgeving incidentele festiviteiten

  • artikel 4:5 - onversterkte muziek

  • artikel 4:5a - geluidhinder in de openlucht

  • artikel 4:5b - geluidhinder door dieren

  • artikel 4:5c - geluidhinder door motorvoertuigen en bromfietsen

  • artikel 4:5d - routering

  • artikel 4:5e - geluidhinder door handelingen t.b.v. bouwwerkzaamheden

  • artikel 4:6 - overige geluidhinder

  • artikel 4:6a - mosquito

  • artikel 4:8 - natuurlijke behoefte doen

  • artikel 4:9 - toestand van sloten en andere wateren en niet-openbare riolen en putten buiten gebouwen

  • artikel 4:11d - herplant-/instandhoudingsplicht

  • artikel 4:11f - bestrijding ziekte houtopstanden

  • artikel 4:11h - afstand tot de erfgrens

  • artikel 4:13 - opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen, enz.

  • artikel 4:13a - verontreiniging bij werkzaamheden op een openbare plaats

  • artikel 4:15 - verbod hinderlijke of gevaarlijke reclames

  • artikel 4:18 - recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

  • artikel 4:19 - aanwijzing kampeerplaatsen

  • artikel 5:2 - parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke

  • artikel 5:3 - te koop aanbieden van voertuigen

  • artikel 5:4 - defecte voertuigen

  • artikel 5:5 - voertuigwrakken

  • artikel 5:6 - kampeermiddelen en andere

  • artikel 5:6a - parkeren van caravans, aanhangwagens in een parkeerschijfzone

  • artikel 5:7 - parkeren van reclamevoertuigen

  • artikel 5:8 - parkeren van grote voertuigen

  • artikel 5:9 - parkeren van uitzicht belemmerende voertuigen

  • artikel 5:9a - parkeren op aanbiedplaats huishoudelijk afval

  • artikel 5:10 - parkeren anders dan op de rijbaan

  • artikel 5:11 - aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

  • artikel 5:12 - overlast van fiets of bromfiets

  • artikel 5:13 - inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving

  • artikel 5:15 - venten en dergelijke

  • artikel 5:16 - vrijheid van meningsuiting

  • artikel 5:18 - standplaatsen en weigeringsgronden

  • artikel 5:19 - toestemming rechthebbende

  • artikel 5:24 - voorwerpen op, in of boven openbaar water

  • artikel 5:25 - ligplaats woonschepen en overige vaartuigen

  • artikel 5:26 - aanwijzingen ligplaats

  • artikel 5:27 - verbod innemen ligplaats

  • artikel 5:28 - beschadigen van waterstaatswerken

  • artikel 5:29 - reddingsmiddelen

  • artikel 5.30 - veiligheid op het water

  • artikel 5:30a - zwemmen in openbaar water

  • artikel 5:31 - overlast aan vaartuigen

  • artikel 5:32 - crossterreinen

  • artikel 5:33 - beperking verkeer in natuurgebieden

  • artikel 5:34 - verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

  • artikel 5:36 - verboden plaatsen

  • artikel 5:37 - hinder of overlast bij incidentele asverstrooiing

  • 2. Overtreding van het bepaalde in de artikelen 2:67, 2:68 en 2:69 (heling) wordt gestraft overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 437 en 437ter van het Wetboek van Strafrecht.

  • 3. In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10 lid 2, 2:11, 2:12 en 4:11.

Artikel 6:2 Toezichthouders

  • 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast de door het college dan wel door de burgemeester aan te wijzen toezichthouders.

  • 2. Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.

Artikel 6:3 Binnentreden woningen

Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften die strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de dag na de dag van publicatie ervan in het Gemeenteblad.

  • 2.

    Op dat moment wordt de Algemene plaatselijke verordening Maassluis 2019 ingetrokken.

Artikel 6:5 Overgangsbepaling

Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4 tweede lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.

Artikel 6:6 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening Maassluis 2021.

Ondertekening

Vastgesteld in de vergadering van de raad d.d. 2 februari 2021

de griffier,

mr. R. van der Hoek

de voorzitter,

dr. T.J. Haan

Toelichting op de Algemene Plaatselijke Verordening Maassluis 2021

Inleiding

De Algemene Plaatselijke Verordening (APV) van de gemeente Maassluis is een belangrijke verordening van de gemeente op het gebied van de openbare orde en veiligheid. Regelmatig wordt de APV geactualiseerd om aan te sluiten bij ontwikkelingen in de rechtspraak en op het gebied van wetswijzigingen. Ook vanuit de gemeente komen in de loop van de tijd verzoeken en wensen die wijzigingen in de APV behoeven.

De toelichting is integraal onderdeel van de APV die, tegelijk met wijzigingen in artikelen, ook wordt aangepast. De toelichting geeft nadere uitleg bij de artikelen en/of geeft een artikelsgewijze omschrijving van de doorgevoerde wijzigingen. Dit betreft wijzigingen die dit jaar of die in eerdere jaren in de APV zijn doorgevoerd. Aangezien de toelichting op de model-¬APV van de VNG uitstekend is te gebruiken als toelichting op deze (Maassluise) verordening wordt ook verwezen naar de uitgebreide toelichting behorend bij dat model.

Tenslotte worden ook de artikelen toegelicht waar van de modelverordening is afgeweken of waar Paragraaf 4.1.3.3 (Lex Silencio Positivo) wel of niet van toepassing is verklaard.

In de laatste jaren is de APV verschillende keren gewijzigd, namelijk in 2012, 2014, 2016, 2017, 2018 en 2020. De meest ingrijpende wijziging vond plaats in 2014, veel artikelsgewijze toelichtingen hebben daarom nog betrekking op de in 2014 doorgevoerde wijzigingen.

Hoofdstuk 1 Algemene Bepalingen

Artikel 1:1 Begripsbepalingen

In dit artikel is met de term “bevoegd gezag” aangehaakt bij de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). De omgevingsvergunning wordt door één bevoegd gezag beoordeeld en doorloopt één procedure. De beslissing op de aanvraag kent ook één procedure van rechtsbescherming. Het bevoegd gezag is in de meeste gevallen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar het project in hoofdzaak zal worden verricht. In een beperkt aantal gevallen berust de bevoegdheid tot toestemmingsverlening niet bij het College van burgemeester en wethouders, maar bij het College van gedeputeerde staten en in enkele gevallen bij een Minister. Het bevoegd gezag is integraal verantwoordelijk voor het te nemen besluit en is tevens belast met de bestuursrechtelijke handhaving.

Daarnaast komt in de APV op verschillende plaatsen de term “bevoegd bestuursorgaan” voor. Daarmee wordt dan gedoeld op ofwel het College van burgemeester en wethouders, ofwel de burgemeester. De Wabo brengt hierin geen verandering.

In de APV-wijziging 2018 is een aantal definities overgeheveld van artikel 5:1 naar artikel 1:1, omdat deze begrippen in verschillende hoofdstukken terugkeren. Deze horen daarom onder de onder 1:1 genoemde en voor de gehele verordening geldende begripsbepalingen. Verder is een aantal definities geherformuleerd in aansluiting op de model-APV van de VNG.

Voor het begrip ‘bebouwde kom’ is een andere definitie gekozen: hiervoor was voorheen aangesloten bij de aanwijzing van gedeputeerde staten van de bebouwde kom krachtens artikel 27, tweede lid, van de Wegenwet. Nadeel is dat een dergelijke aanwijzing niet altijd actueel is. Een beter alternatief is om als definitie te hanteren: het gebied binnen de grenzen van de bebouwde kom die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994. Dat gebied wordt op grond van de WVW niet door gedeputeerde staten, maar door de gemeenteraad vastgesteld.

Artikel 1:2 Beslistermijn

De tekst van het eerste lid is in overeenstemming gebracht met die van artikel 3.9, eerste lid van de Wabo. Inhoudelijk is er niets veranderd. Het vierde lid is toegevoegd omdat artikel 3.9, tweede lid van de Wabo bepaalt dat de beslistermijn niet met acht, maar slechts met zes weken kan worden verlengd.

Artikel 1:3 Te late indiening aanvraag

Artikel 1:3 APV komt te vervallen. In artikel 1:3 APV was opgenomen dat indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing te laat wordt ingediend het bevoegde bestuursorgaan kon besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen. Daar het onderwerp van inwilligen of weigeren van een aanvraag reeds in landelijke regelgeving (de Algemene wet bestuursrecht) is geregeld, past het niet om dit onderwerp met een aanvullende grond van buiten behandeling stelling, in een gemeentelijke verordening te regelen. In verband met het vervallen van artikel 1:3 APV is conform de model¬APV van de VNG, aan artikel 1:8 APV waarin de weigeringsgronden van een aanvraag zijn opgenomen, een derde lid toegevoegd dat als weigeringsgrond kan dienen voor gevallen waarbij de aanvraag te laat is ingediend en een behoorlijke behandeling van de aanvraag daardoor niet mogelijk is.

Artikel 1:8 Weigeringsgronden

Zie hieromtrent hetgeen is opgenomen onder artikel 1.1.

In verband met het vervallen van artikel 1:3 APV is aan artikel 1:8 APV waarin de weigeringsgronden van een aanvraag zijn opgenomen, een derde lid toegevoegd dat als weigeringsgrond kan dienen voor gevallen waarbij de aanvraag te laat is ingediend en een behoorlijke behandeling van de aanvraag daardoor niet mogelijk is.

Lex Silencio Positivo (LSP)

Een belangrijke consequentie van de invoering van de Dienstenrichtlijn is de verplichte invoering van de lex silencio positivo (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) voor vergunningstelsels die onder de reikwijdte van de Dienstenrichtlijn vallen. De Lex Silencio Positivo houdt in dat wanneer op een vergunning¬ of ontheffingsaanvraag, danwel een melding niet tijdig een beslissing wordt genomen, deze van rechtswege alszijnde een positieve beschikking wordt beschouwd. Dit is geregeld in de Algemene Wet Bestuursrecht. Het gemeentebestuur kan hierbij aangeven welke vergunningen wel¬ en niet onder de LSP vallen. Alleen vanwege dringende redenen van algemeen belang kan van de lex silencio positivo worden afgezien.Op die keuzevrijheid is één belangrijke uitzondering. Een klein aantal bepalingen in de APV betreft omgevingsvergunningen. Voor deze vergunningen geldt altijd een LSP. Uitzonderingen daarop zijn niet mogelijk. De wijzigingen die verplicht nodig waren in verband met de invoering van de Europese Dienstenrichtlijn en de Dienstenwet zoals vervat in de modelapv VNG 2009 zijn bij wijziging van de APV Maassluis 2010 al doorgevoerd. De wijzigingen die de VNG in haar modelapv 2012 ten aanzien van de LSP voorstelt waren optioneel van aard. De aanpassing betrof het opnemen van informatie over de LSP bij ieder artikel afzonderlijk in plaats van twee artikelen in hoofdstuk 1. Wij hebben er om praktische redenen voor gekozen om de artikelen waarbij de LSP wel of niet van toepassing is in stand te laten onder twee artikelen (1:9 en 1:10) zoals in de APV Maassluis 2010, en de gewijzigde verordening 2012. Voorts is er in deze toelichting bij alle artikelen waarbij paragraaf 4.1.3.3. Algemene wet bestuursrecht wel of niet van toepassing wordt verklaard een motivering opgenomen.

Artikel 1:9 Toepassing artikel 4.1.3.3. Algemene wet bestuursrecht

In artikel 1:9 is aangegeven dat de lex silencio positivo van toepassing is op de volgende artikelen: 2:6 lid 4, 2:9 lid 3, 2:10 lid 2, 2:11, 2:12, 2:25a, 2:29 lid 4, 2:67 lid 2, 4:11, 5:13 lid 1, 5:15, 5:16 lid 3 en 5:36 lid 3. Zie verder de toelichting bij de betreffende artikelen.

Artikel 1:10 Geen toepassing artikel 4.1.3.3. Algemene wet bestuursrecht

Voor die vergunningstelsels waar een lex silencio positivo vanwege dwingende redenen van algemeen belang niet wenselijk is, is thans in de APV aangegeven dat de lex silencio positivo niet van toepassing is. Het betreft de artikelen 2:1 lid 4, 2:10 lid 1, 2:23a lid 2, 2:25, 2:28, 2:31a lid 3, 2:40, 2:41 lid 4, 2:72, 3:4, 4:5, 4:5a lid 2, 4:5d lid 2, 4:5e lid 2, 4:6 lid 2, 4:18 lid 3, 5:6 lid 3, 5:8 lid 5, 5:11 lid 3, 5:18, 5:25, 5:33 lid 6 en 5:34 lid 3. Zie verder de toelichting bij de betreffende artikelen.

Hoofdstuk 2 Openbare orde

Afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden

Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden

In de APV-wijziging 2018 is het artikel over samenscholingen en ongeregeldheden geherformuleerd om beter aan de sluiten bij de model-APV van de VNG. Onbedoeld is zowel het vorige artikel blijven staan als het nieuwe artikel toegevoegd. Dat wordt nu rechtgezet door onder Afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden artikel 2:1 (het vorige artikel) te vervangen door het nieuwe artikel.

Lex Silencio Positivo

Op de ontheffing zoals opgenomen in lid 4 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht om dwingende redenen ten aanzien van de openbare orde, niet van toepassing.

Zie voorts hetgeen hieromtrent is opgenomen onder artikel 1.1.

In de APV-wijziging 2018 zijn verschillende begripsbepalingen geherformuleerd om beter aan de sluiten bij de model-APV van de VNG.

Artikel 2:1a Aanwijzing overlastgebied

De toevoeging van de letter a aan het artikelnummer verklaart dat het een artikel is wat in de model¬APV niet is opgenomen.

In het eerste lid van dit artikel wordt de burgemeester de bevoegdheid gegeven om gebieden aan te wijzen waar naar zijn oordeel de openbare orde ernstig wordt bedreigd of verstoord. Die verstoring of bedreiging kan samenhangen met het gebruik van of de handel in harddrugs, maar er zijn ook andere omstandigheden denkbaar op grond waarvan kan worden geconstateerd dat de openbare orde in een gebied in gevaar is. Te denken valt bijvoorbeeld aan de aanwezigheid van een groep jongeren die overlast veroorzaken, en waardoor omwonenden zich onveilig of zelfs bedreigd voelen. Het aanwijzen van een gebied als overlastgebied gebeurt indien sprake is van structurele overlast die de openbare orde in dat gebied aantast of bedreigt. Er kan dus geen gebied aangewezen worden als overlastgebied wanneer er slechts sprake is van incidentele overlast.

In het verlengde van de aanwijzing van een gebied als overlastgebied regelt het tweede artikellid ook dat in een overlastgebied een samenscholingsverbod geldt, voor zover samenscholing leidt tot een verstoring van de openbare orde.

Artikel 2:1b Wijkverbod

Eerste lid

Het artikel biedt de basis om personen die zich in strijd gedragen met de openbare orde een verbod op te leggen zich gedurende een bepaalde tijd in een aangewezen gebied te bevinden of zich daarin te begeven. De burgemeester kan dit doen in het belang van:

  • -

    de openbare orde;

  • -

    het voorkomen of beperken van overlast;

  • -

    het voorkomen of beperken van aantastingen van het woon- en leefklimaat;

  • -

    de veiligheid van personen en goederen;

  • -

    de gezondheid;

  • -

    de zedelijkheid.

Een wijkverbod wordt opgelegd indien een persoon strafbare feiten of openbare orde verstorende handelingen verricht en daarvoor ten minste één maal is gewaarschuwd. De waarschuwing geldt voor de gehele stad en is zes maanden geldig. Nadat een persoon is gewaarschuwd én hij een redelijke termijn heeft gekregen om zijn overlastgevende gedrag te beëindigen dan wel het gebied te verlaten, kan een verbod worden opgelegd indien het overlast gevende of strafbare gedrag aanhoudt. Door het wijkverbod kan de burgemeester direct optreden wanneer een maatregel op dat moment in dat gebied noodzakelijk wordt geacht voor het herstel van de openbare orde.

Hoe het middel door de burgemeester of de door of namens hem gemandateerde ambtenaren wordt ingezet ligt vast in een beleidsregel. Hierin is aangegeven welke feiten en openbare orde verstorende handelingen aanleiding kunnen geven tot het opleggen van een wijkverbod. Dit kunnen zowel overtredingen van de APV als andere strafbare feiten zijn. Een wijkverbod geldt in beginsel voor het gebied waarin de overtreding is gepleegd en wordt begrensd door de grenzen van de wijkpolitie. Hierop zijn uitzonderingen mogelijk. Dit is het geval bij evenementen. Dan geldt het verbod voor het gebied dat in het besluit wordt aangegeven, hetgeen wordt begrensd door de grenzen van het evenemententerrein of indien sprake is van een open evenement de grenzen van die wijken waarin het evenement plaatsvindt.

Tweede en derde lid

Aan een persoon kan slechts een tweede of volgend wijkverbod worden opgelegd indien hij zich binnen zes maanden na het opleggen van een wijkverbod voor een volgende maal schuldig maakt aan strafbare of openbare orde verstorende gedragingen. Een dergelijk wijkverbod heeft een maximale duur van 30 dagen.

Vierde lid

Indien de betrokkene kan aantonen dat hij een zwaarwegend belang heeft om zich in het gebied

op te houden, wordt het gebied waarop het verbod van toepassing is dienovereenkomstig aangepast. Doorgaans zal het gaan om belangen in de persoonlijke sfeer, zoals wonen, werken, het bezoek aan een huisarts, advocaat of hulpverleningsinstanties. Het opleggen van een wijkverbod houdt niet in dat er geen strafrechtelijke vervolging door het Openbaar Ministerie kan plaatsvinden tegen de gepleegde strafbare feiten.

Artikel 2:1c Veiligheidsrisicogebieden

In het kader van de regionale aanpak van Overvallen en andere situaties waarbij preventief fouilleren een aanvulling kan zijn op bestaande bestuurlijke mogelijkheden is besloten om dit nieuwe artikel op te nemen.

Op grond van artikel 151b van de Gemeentewet kan de raad de burgemeester bij verordening de bevoegdheid verlenen om gebieden aan te wijzen, waarin de officier van justitie de controlebevoegdheden genoemd in de artikelen 50, 51 en 52 van de Wet wapens en munitie kan uitoefenen. Het gaat om de controlebevoegdheden om binnen het aangewezen gebied: -vervoermiddelen te onderzoeken; ¬een ieder aan de kleding te onderzoeken en ¬te vorderen dat verpakkingen die men bij zich draagt worden geopend.

De burgemeester kan een gebied aanwijzen als uit feiten of omstandigheden blijkt dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. Over deze feiten en omstandigheden wordt de burgemeester geïnformeerd door de korpschef.

De aanwijzing als veiligheidsrisicogebied wordt gegeven voor een bepaalde duur die niet langer is en voor een gebied dat niet groter is dat strikt noodzakelijk voor de handhaving van de openbare orde.

Alvorens de burgemeester een gebied aanwijst, overlegt hij hierover in de lokale gezagsdriehoek met de officier van justitie en de korpschef. Daarbij komen de volgende onderwerpen aan de orde:

  • -

    feiten of omstandigheden waaruit blijkt dat er sprake is van verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan;

  • -

    zorgvuldige afweging van het objectieve en subjectieve veiligheidsbelang en het individuele belang van de burgers(privacy);

  • -

    subsidiariteit en proportionaliteit;

  • -

    breder handhavingsbeleid in het beoogd gebied ter verhoging van leefbaarheid en veiligheid.

In artikel 151b van de Gemeentewet en de bijbehorende toelichting worden de voorwaarden voor het aanwijzen van veiligheidsrisicogebieden beschreven.

Artikel 2:1d Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet

Per 1 juli 2017 is de Wet aanpak woonoverlast in werking getreden. Die wet maakt het mogelijk dat de gemeenteraad de burgemeester de bevoegdheid toekent om bij ernstige en herhaaldelijke woonoverlast gedragsaanwijzingen op te leggen aan de overlastgever. Dat is gedaan in de APV-wijziging van 2017 met het toevoegen van artikel 2:1d.

In de APV-wijziging 2018 zijn het tweede en derde lid herschreven en gecombineerd tot een nieuw tweede lid in aansluiting op de model-APG van de VNG. In het tweede lid was opgenomen dat als de burgemeester een last onder dwangsom of bestuursdwang oplegt, hij aanwijzingen kan geven aan de overtreder. Deze aanwijzingen zijn echter (onderdeel van) de last, zodat dit niet uitdrukkelijk hoeft te worden genoemd. De verwijzing naar het geven van aanwijzingen is daarom geschrapt. Verder was in het tweede lid bepaald dat de burgemeester beleidsregels kan vaststellen. Dat is geschrapt, omdat op grond van artikel 4:81 van de Awb de burgemeester sowieso bevoegd is om beleidsregels vast te stellen. Ook wordt in het nieuwe tweede lid niet meer expliciet genoemd dat de burgemeester een last onder dwangsom kan opleggen en wordt enkel bepaald dat de burgemeester een last onder bestuursdwang kan opleggen als zich een van de onder lid twee genoemde situaties voordoet. Dat de burgemeester ook een last onder dwangsom kan opleggen, volgt immers al uit artikel 5:32 van de Awb juncto artikel 125 van de Gemeentewet. Welke herstelsanctie het meest geëigend is in een specifieke situatie, zal steeds door de burgemeester moeten worden afgewogen.

Afdeling 2 Betogingen

Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen

In haar model heeft de VNG in dit artikel artikelleden opgenomen over een afwijkende termijn en te verstrekken gegevens. Daardoor zijn in dat model de artikelen 2:4 en 2:5 komen te vervallen. Bij deze nieuwe verordening is gekozen om deze bundeling van informatie in artikel 2:3 te volgen. Dientengevolge komen de artikelen 2:4 en 2:5 te vervallen.

In de APV-wijziging 2018 is lid twee van artikel 2:3 geschrapt. Het bepaalde onder lid 2 was overbodig, omdat in artikel 1:1 een definitie wordt gegeven van openbare plaats. Verder is qua formulering aangesloten bij de model-APV van de VNG.

Afdeling 3 Verspreiding van gedrukte stukken

Artikel 2:6 Beperking aanbieden en dergelijke van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

Besloten is dit artikel wederom op te nemen in de verordening om mogelijke situaties te kunnen reguleren.

Folderen en flyeren is toegestaan, behalve op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan. Het tweede lid geeft de mogelijkheid om het verbod voor die wegen verder te beperken tot nader aan te geven dagen en uren, waarbij het vierde lid het college de bevoegdheid geeft voor het dan nog resterende verbod een ontheffing te verlenen. Er zijn geen dringende redenen van algemeen belang ten aanzien van deze ontheffing voorts is de LSP van toepassing op de ontheffing. Van de in het eerste lid toegekende bevoegdheid mag het college niet zodanig gebruik maken dat er “geen gebruik van enige betekenis” overblijft. Zie ook de toelichting op artikel 2:42. Het college ontleent zijn bevoegdheid aan artikel 160, onder a, van de Gemeentewet.

Artikel 2:6 heeft betrekking op het grondrecht waarmee de gemeentelijke wetgever het meest wordt geconfronteerd, namelijk de vrijheid van meningsuiting. Dit grondrecht is geformuleerd in artikel 19 IV, artikel 10 EVRM en artikel 7 van de Grondwet. Artikel 7 Grondwet luidt als volgt:

  • 1.

    Niemand heeft voorafgaand verlof nodig om door de drukpers gedachten of gevoelens te openbaren, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet.

  • 2.

    De wet stelt regels omtrent radio en televisie. Er is geen voorafgaand toezicht op de inhoud van een radio of televisie uitzending.

  • 3.

    Voor het openbaren van gedachten of gevoelens door andere dan in de voorafgaande leden genoemde middelen heeft niemand voorafgaand verlof nodig wegens de inhoud daarvan, behoudens ieders verantwoordelijkheid volgens de wet. De wet kan het geven van vertoningen, toegankelijk voor personen jonger dan zestien jaar, regelen ter bescherming van de goede zeden.

  • 4.

    De voorgaande leden zijn niet van toepassing op het maken van handelsreclame.

De drukpersvrijheid is in het eerste lid van artikel 7 van de Grondwet als een zelfstandige bepaling opgenomen en vormt een lex specialis ten opzichte van het derde lid. De tekst van het eerste lid is letterlijk gelijk aan die van artikel 7 van de oude Grondwet, waarmee beoogd is de bestaande jurisprudentie op dat punt intact te laten. De constante jurisprudentie op artikel 7 van de oude Grondwet kan als volgt worden samengevat.

Het in artikel 7, lid 1 van de Grondwet beschermde recht om zonder voorafgaand verlof gedachten en gevoelens door de drukpers te openbaren impliceert het recht om de inhoud van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen, waarin gedachten en gevoelens zijn geopenbaard, zonder voorafgaand verlof door verspreiding of door enig ander middel in het openbaar aan het publiek bekend te maken.

Elk middel tot bekendmaking dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien, valt onder de bescherming van artikel 7. Dit betekent dat de bekendmaking van gedachten en gevoelens met behulp van middelen, die in het maatschappelijk verkeer dezelfde functie vervullen als geschriften in eigenlijke zin, is begrepen in de in artikel 7 erkende vrijheid van drukpers. De gemeentelijke wetgever mag niet beperkend optreden jegens de inhoud van gedrukte stukken e.d., maar is krachtens artikel 149 Gemeentewet wel bevoegd het in het openbaar bekend maken (“verspreiden”) van gedrukte stukken e.d. aan beperkingen te onderwerpen in het belang van de openbare orde, zedelijkheid en gezondheid en van andere zaken betreffende de huishouding der gemeente.

Daklozenkrant

De verkoop van daklozenkranten is noch venten noch collecteren. Op grond van artikel 7 van de Grondwet kan het verkopen niet verbonden worden aan een vergunning. Wel kan de gemeente gebruik maken van artikel 2:6. Als verkoop plaats vindt op het grondgebied van bijvoorbeeld een supermarkt, dan kan de eigenaar de verkoper verzoeken weg te gaan. Het verdient aanbeveling om te overleggen met de koepelorganisaties die de daklozen vertegenwoordigen. Immers, niet iedereen kan een straatkrant verkopen. De verkopers moeten in het bezit zijn van een identiteitsbewijs van de koepelorganisatie waarmee ze kunnen aantonen dat ze officiële straatkantverkopers zijn.

Artikel 2:6 lid 4 Ontheffing verbod gedrukte of geschreven stukken

Bij de ontheffingsaanvraag is geen reden om van het lex silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht is daarom van toepassing verklaard.

Afdeling 4 Vertoningen en dergelijke op een openbare plaats

Artikel 2:9 Straatartiest en dergelijke

Lex silencio positivo

Het opleggen van een beperking tot bepaalde dagen en uren door de burgemeester met betrekking tot de werking van het verbod, zal doorgaans op initiatief van het gemeentebestuur zelf gebeuren en niet op aanvraag. Een ontheffing van het verbod zal daarentegen bijna alleen op aanvraag gebeuren, maar ook een ambtshalve ontheffing zal voorkomen, bijvoorbeeld bij bepaalde festiviteiten. Ook bij een ontheffing op aanvraag is geen reden om van het lex silencio af te zien. Paragraaf 4.1.3.3. Awb is op het gehele artikel van toepassing verklaard.

Afdeling 5 Bruikbaarheid en aanzien van een openbare plaats

Artikel 2:10 Voorwerpen of stoffen aan, op, in of boven een openbare plaats

Lid 1 en 2

Het gebruik van de weg anders dan overeenkomstig de publieke functie, als bedoeld in dit artikel, kan onder de Wabo vallen, namelijk wanneer dit gebruik bestaat uit de opslag van roerende zaken. Dat zal bijvoorbeeld het geval zijn als op of aan de weg een container wordt geplaatst voor de tijdelijke opslag van puin of bouwmaterialen tijdens een verbouwing. In andere gevallen zal het niet altijd op het eerste gezicht duidelijk zijn of het gaat om opslag van roerende zaken als bedoeld in de Wabo. Het onderscheidend criterium is dat het plaatsen van zaken op de weg bij opslag een tijdelijk karakter heeft; het is de bedoeling dat de opgeslagen zaken ooit ergens anders een al dan niet definitieve bestemming krijgen en aldaar een functie gaan vervullen. Als dat aan de orde is valt die activiteit onder artikel 2.2, eerste lid onder j of onder k van de Wabo. Een ontheffing wordt op grond van artikel 2.2, eerste lid, laatste zinsdeel, van de Wabo aangemerkt als een omgevingsvergunning. Daarom is een tweede lid ingevoegd, waarin staat dat het bevoegd gezag (ingevolge de definitie in artikel 1 is dat dus het bestuursorgaan als bedoeld in de Wabo) in een dergelijk geval een omgevingsvergunning verleent. Lid 2 is tekstueel aangepast om aan te sluiten bij de model-APV van de VNG: aan een voorwerp als bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onder j of k, van de Wabo wordt immers een omgevingsvergunning verleend, het college kan daar niet voor kiezen. Ook lid 1 is tekstueel aangepast om aan te sluiten bij de model-APV van de VNG.

Lid 3 sub g Containers

In het kader van verdere deregulering van de vergunningverlening is er bij de APV-wijziging 2018 gekeken naar artikel 2:10 betreffende het plaatsen van voorwerpen op de openbare weg. Op basis van dit artikel worden vergunningen verleend voor het plaatsen van de meest uiteenlopende voorwerpen op de openbare weg. Het is wenselijk om het vergunningstelsel voor een groot aantal voorwerpen in stand te houden, dit om als gemeente meer controle en een betere handhaving te hebben. Hierbij gaat het om voorwerpen die een meer permanent karakter hebben, zoals winkeluitstallingen en bloembakken, en voorwerpen waarbij de toetsing op verkeersveiligheid een belangrijke factor is. Gezien de aansprakelijkheid van de gemeente voor de openbare weg is het gewenst het plaatsen van voorwerpen te blijven reguleren en daarbij niet teveel toe te laten.

Met het oog op deregulering is het evenmin wenselijk om teveel beperkingen op te leggen. Daarom is ervoor gekozen om het plaatsen van containers voor de opslag van puin of bouwmaterialen wel meldings- en vergunningsvrij te maken. Administratieve lastenverlichting is een van de redenen hiervoor: de tijd die wordt besteed aan een aanvraag wordt vaak niet gedekt door de leges, en daarbij zijn de te verrichten administratieve handelingen hoog in verhouding tot de kortstondige duur van de verleende vergunning. Ook is een vergunningsplicht voor containers niet noodzakelijk voor de handhaving, omdat ook landelijke wetgeving juridische handvaten biedt.

Als waarborgen voor de openbare orde en veiligheid gelden wel enkele voorwaarden voor het vergunnings- en meldingsvrij plaatsen van containers: ze mogen niet langer dan 30 dagen op de weg staan geplaatst, anders dient een omgevingsvergunning te worden aangevraagd, ze leveren geen hinder of gevaar op voor het verkeer, ze hebben een maximale hoogte van 2,5 meter en een maximale lengte van 4,5 meter en per perceel worden niet meer dan twee containers geplaatst. Deze bepalingen zijn opgenomen in lid 3 sub g. In een later stadium kunnen, indien nodig, ook breed gestelde algemene regels voor het plaatsen van containers worden opgesteld.

Lid 3 sub g Keetwagens en toiletcabines

In de APV-wijziging 2018 is ervoor gekozen om het plaatsen van containers voor de opslag van puin of bouwmaterialen meldings- en vergunningsvrij te maken. Dit was onderdeel van een dereguleringsslag van de vergunningverlening. Het meldings- en vergunningsvrij plaatsen van containers heeft de afgelopen jaren geen problemen gegeven.

In de APV-wijziging 2020 worden ook keetwagens en toiletcabines (zoals dixies), mits onder bepaalde voorwaarden, vergunnings-en meldingsvrij gemaakt. Bij bouw- of verbouwactiviteiten is het gebruikelijk dat naast containers ook een toiletcabine en keetwagen worden geplaatst. Aannemers hoeven weliswaar geen melding meer te doen van het plaatsen van een container, maar nu nog wel van een toiletcabine of keetwagen. Omdat deze drie vaak bij elkaar worden geplaatst, is het logisch om het plaatsen van toiletcabines en keetwagens ook meldings- en vergunningsvrij te maken. Wel geldt de voorwaarde dat er van beiden niet meer dan één per perceel mag worden geplaatst, dat ze niet langer dan 30 dagen op de weg zijn geplaatst en ze geen hinder of gevaar voor het verkeer opleveren.

In de APV-wijziging 2020 wordt ook onder lid 3 sub g toegevoegd dat containers een maximale breedte mogen hebben van 2,5 meter. Dat is de gangbare breedte van een parkeervak. Door deze maximumbreedte aan te houden, zorgen we ervoor dat containers in een parkeervak passen en niet over de rijbaan uitsteken.

Lid 3 sub h en i Evenementen en terrassen

Met de toevoeging van sub h e i worden evenementen en terrassen, als bedoeld in de artikelen 2:24 en 2:27 lid 3 van de APV, vrijgesteld van de vergunningplicht op basis van artikel 2:10. Dat is omdat hieraan al vergunningen worden afgegeven op basis van andere APV-artikelen, en het daarom niet nodig is om hiervoor nog een vergunning te verlenen op basis van artikel 2:10. Wanneer er een evenement wordt gehouden, wordt hiervoor een vergunning verleend op basis van artikel 2:25. Wat terrassen betreft, werkt de gemeente Maassluis met horeca-exploitatievergunningen en verleent langs die weg, op basis van artikel 2:28, vergunningen voor de terrassen die bij een horecabedrijf horen.

In sub i zijn de terrassen expliciet afgebakend en gaat het alleen om terrassen als bedoeld in artikel 2:27, lid 3. Dit zijn de terrassen behorend bij een horecabedrijf, waarvoor door de burgemeester een vergunning is verleend op grond van artikel 2:28. In het geval een terras niet hoort bij een in artikel 2:28 bedoeld horecabedrijf en is gelegen op de weg of een weggedeelte, zijn de in artikel 2:10 gestelde eisen wel van toepassing en dient voor zo’n terras wel een vergunning te worden aangevraagd. Voor dit soort terrassen wordt geen vergunning afgegeven op basis van een ander APV-artikel. Om dit soort terrassen wel vergunningplichtig te houden, is onder sub i de afbakeningsbepaling opgenomen.

Lid 3 sub j, lid 4 en lid 6

Tevens zijn nieuwe bepalingen onder lid 3 sub j en lid 4 opgenomen, en is het bepaalde in lid 6 tekstueel aangepast. Op basis van lid 3 sub j kan het college andere voorwerpen aanwijzen waarvoor geen vergunningsplicht geldt, zonder dat daarvoor de APV hoeft te worden gewijzigd. Lid 4 geeft het college de mogelijkheid om nadere regels te stellen voor de in lid 3 genoemde voorwerpen en categorieën van voorwerpen. Lid 6 benoemt expliciet dat ook op grond van artikel 1:8 de vergunningen, bedoeld in lid 1 en 2, kunnen worden geweigerd. Dit was al mogelijk aangezien in artikel 1:8 algemene weigeringsgronden voor alle APV-vergunningen staan. Met het gewijzigde lid 6 wordt aangesloten bij de model-APV en zijn de weigeringsgronden net wat duidelijker en vollediger geformuleerd.

Lex silencio positivo

Op de vergunning zoals opgenomen in lid 1 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht om dwingende redenen ten aanzien van de openbare orde, en de verkeersveiligheid niet van toepassing.

Artikel 2:11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg

Op het aanleggen of veranderen van een weg is artikel 2.2, eerste lid onder d. van de Wabo van toepassing als de activiteit verboden is in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit. Dat betekent dat de termijnen genoemd in artikel 3.9 van de Wabo van toepassing zijn op deze vergunning. De beslistermijn is 8 weken, de verdagingstermijn zes weken. Let wel: indien er meerder activiteiten worden aangevraagd en er één onder artikel 3.10 van de Wabo valt, dan is de uitgebreide procedure van toepassing (beslistermijn van 6 maanden met een mogelijkheid tot verdagen van zes weken). Indien de activiteit niet is verboden in een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is de Wabo niet van toepassing en is het college bevoegd. Wanneer het gaat om normaal onderhoud van de weg is er ingevolge het derde lid geen vergunning nodig; het college hoeft zichzelf geen vergunning te verlenen. Zie verder de toelichting aldaar.

In de APV-wijziging 2018 is de formulering van een aantal leden aangepast conform de model-APV van de VNG.

Artikel 2:12 (Omgevings)vergunning voor het maken of veranderen van een uitweg

De vergunning voor het maken van een uitweg is aangewezen in artikel 2.2, eerste lid onder e. van de Wabo. Hier is de term “het college” vervangen door “bevoegd gezag”. Zie hieromtrent hetgeen is opgenomen onder artikel 1.1. Ook hier is gekozen voor het vergunningsstelsel. Hiervoor geldt dezelfde argumentatie als genoemd onder 2:10.

Afdeling 6 Veiligheid van/op een openbare plaats

Artikel 2:14 Winkelwagentjes

Dit artikel tracht het ‘zwerfkarrenprobleem’ enigszins te verkleinen. Dit artikel is conform de modelverordening APV 2012 gewijzigd.

In de APV-wijziging 2018 is de formulering in lid 1 en 2 aangepast conform de model-APV van de VNG.

Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of gevaarlijk voorwerp

In de model APV is het artikel waarin een vergunningsplicht is opgenomen voor het plaatsen van voorwerpen op de weg in strijd met de bestemming ervan (artikel 2:10.) vervangen door een algemene regel waarin dit wordt verboden wanneer het gevaar of hinder oplevert, of het normale gebruik van de weg hindert. Daarmee verviel de noodzaak van het artikel over hinderlijke beplanting. Dit artikel was daarom geschrapt in de modelverordening. In de verordening van Maassluis is dit artikel wel gehandhaafd. Doordat meerdere gemeenten bij de VNG hebben aangegeven om praktische redenen dit artikel te willen handhaven, is de tekst teruggeplaatst in de modelverordening.

Het komt namelijk regelmatig voor dat burgers hun beplantingen zover laten doorgroeien, dat deze hinder veroorzaken voor de voetgangers of het uitzicht belemmeren voor het rijverkeer. Indien door bomen of planten het uitzicht zodanig wordt belemmerd dat de verkeersveiligheid in het gedrang komt, kan het college op basis van zijn bevoegdheid om bestuursdwang toe te passen ex artikel 125 Gemeentewet, een last opleggen om de bomen of beplanting te verwijderen of te snoeien.

In de APV-wijziging 2018 is de formulering aangepast conform de model-APV van de VNG.

Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurgebieden

Het artikel beoogt bosbranden te voorkomen en beschadiging van eigendommen tegen te gaan. Bij besluit zou dan gedurende een bepaalde periode een gebied (bossen, heide of veengronden) moeten worden aangewezen waar roken niet is toegestaan. Het Wetboek van Strafrecht biedt in dit geval ook nog bescherming. Met het oog op de vereenvoudiging van de regelgeving is dit artikel niet overgenomen van het VNG¬model.

Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp openbare plaats

Er is overwogen (net als in het model) dit artikel te schrappen. De politie heeft echter aangegeven hiervan geen voorstander te zijn omdat hierop in de praktijk wordt gehandhaafd.

Dit artikel moet ook in samenhang met (aanvulling op) artikel 2:10 worden gezien en gaat niet verder dan het stellen van een afstandsvereiste voor het aanbrengen van schrikdraad, puntdraad en dergelijke.

Artikel 2:20 Vallende voorwerpen

De VNG heeft dit artikel “gereserveerd”. In deze verordening is de oude bepaling gehandhaafd omdat het in de praktijk geen slapend artikel is gebleken. U moet hierbij denken aan het niet deugdelijk bevestigen van dekzeilen aan panden die verbouwd worden.

Artikel 2:20a Dragen gevaarlijke voorwerpen

Het verbod om gevaarlijke voorwerpen op openbare plaatsen te dragen was al opgenomen in de APV. Dit was destijds op verzoek van de politie. In de APV-wijziging 2020 is de formulering van het artikel aangepast, opdat het makkelijker leesbaar is. Dit artikel is van toepassing op messen en andere voorwerpen die als wapen kunnen worden gebruikt. Het artikel heeft tot doel de bescherming van de openbare orde en veiligheid in Maassluis.

Lid 1 en 2

In de APV-wijziging 2020 is de term “openlijk” geschrapt in het 1e lid, omdat deze term voor verwarring kan zorgen. Met openlijk wordt bedoeld het geopend bij zich hebben van wapens, wat is verboden. Hiermee worden voorwerpen die zijn ingepakt uitgesloten van het verbod. Door ingepakte voorwerken uit te sluiten, blijft het mogelijk om bijvoorbeeld keukenmessen aan te schaffen en deze in de verpakking bij zich te dragen. De term “openlijk” kan echter ook worden geïnterpreteerd als openlijk zichtbaar bij zich dragen. Het bij zich dragen van een mes onder de jas of in een broekzak zou dan wel toegestaan zijn, en dat is niet de bedoeling van het artikel.

Met het schrappen van de term “openlijk” in het 1e lid en met de toevoeging van het 2e lid is de formulering verbeterd: conform het 1e lid is het bij zich hebben van messen en andere steekwapens verboden, ook als deze in een jas, broekzak of tas zitten, en conform het 2e lid is het ongeopend verpakt bij zich hebben van een als wapen te gebruiken voorwerp wel toegestaan.

Lid 3

Het 3e lid grenst het verbod af van de Wet wapens en munitie. Deze wet voorziet in een gedeeltelijk messenverbod en verbiedt onder meer het dragen van stiletto’s, vlindermessen en opvouwbare messen langer dan 28 centimeter of met meer dan één snijkant. In de praktijk treft de politie ook messen en andere wapens aan die niet zijn verboden op grond van de Wet wapens en munitie maar die ook behoorlijke verwondingen kunnen veroorzaken en daarom bedreigend zijn voor de openbare orde en veiligheid.

Dit APV artikel maakt direct optreden bij bijvoorbeeld preventief fouilleren en vechtpartijen beter mogelijk, doordat ook het dragen van messen en andere steekwapens die niet onder de Wet wapens en munitie vallen strafbaar wordt gesteld. Uit jurisprudentie blijkt dat het opnemen van een messenverbod in de APV, die in wezen aanvullend is op de Wet wapens en munitie, toegestaan is.

Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

In de APV-wijziging 2018 is de formulering aangepast conform de model-APV van de VNG.

Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn

Dit artikel is niet overgenomen van de modelverordening omdat er in Maassluis geen bovengrondse hoogspanningslijnen zijn.

Artikel 2:23a Verbod op slapen op of aan de weg

Dit is een nieuw artikel dat bij de APV-wijziging 2017 wordt opgenomen. Het artikel dient voornamelijk de openbare orde. Het gebruik van de weg of een voertuig op of aan een weg als slaapplaats werkt potentiele overlast in de hand. Dergelijke overlast omvat voornamelijk activiteiten die doorgaans vóór of na een (langdurig) rustmoment kunnen plaatsvinden. Tevens draagt dit artikel bij aan de bestrijding van ongeregistreerd nachtverblijf.

In de APV-wijziging 2018 is de formulering aangepast conform de model-APV van de VNG.

Lex silencio positivo artikel 2:23a lid 2 Ontheffing verbod slapen op of aan de weg

Op de ontheffing zoals opgenomen in lid 2 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht, om dwingende redenen ten aanzien van de openbare orde, niet van toepassing.

Afdeling 7 Evenementen

De artikelen behorend bij deze afdeling wijken enigszins af van de modelverordening. Onderstaand worden de belangrijkste afwijkingen en wijzigingen per artikel toegelicht.

Artikel 2:24 Begripsbepalingen

Snuffelmarkt

Bij deze wijziging van de APV is gekozen om een snuffelmarkt als evenement aan te merken. Gevolg hiervan is dat afdeling 5 Snuffelmarkten waarin de artikelen 5:22 en 5:23 waren opgenomen zijn komen te vervallen. Een snuffelmarkt is nu in de plaats gekomen van een klein evenement in artikel 2:24 lid 2e, Afdeling 7 Evenementen. Op openbare vermakelijkheden komen vaak veel bezoekers af. Deze evenementen kunnen in beperkte of juist grote mate van invloed zijn op de openbare orde. In verband met de toenemende openbare orde problematiek is dit vergunningenstelsel aangepast en ingedeeld op basis van een risicomodel A¬, B, C en 0-evenementen. A¬evenementen zijn evenementen met een laag risicoprofiel, B¬evenementen gemiddeld risicoprofiel, C¬ evenementen hoogrisicoprofiel en 0¬evenementen laag risicoprofiel. Voor de A,B en C¬ evenementen geldt een vergunningenstelsel. Controle achteraf kan niet volstaan wegens mogelijk gevaar voor de openbare orde, verlastsituaties, verkeersveiligheid, volksgezondheid, zedelijkheid e.d. Ook de organisator is bij een vergunningstelstel gebaat, omdat hij met de gemeente kan onderhandelen om goede afspraken te maken. Zo krijgt hij op het evenement toegesneden voorwaarden. Voor de 0¬evenementen (laag risicoprofiel) is een meldingsplicht van kracht.

Vechtsportevenementen

Er is voorzien in een bevoegdheid van de burgemeester om categorieën vechtsportwedstrijden of -gala’s aan te wijzen die als evenement worden aangemerkt. De populariteit van full-contact vechtsporten – ringcontactsporten zoals muay thai (Thaiboksen), kickboksen en MMA – is enorm toegenomen. Het zijn sporten die als zodanig deel uitmaken van de reguliere sportinfrastructuur. Enerzijds worden deze full-contact vechtsporten gezien als waardevolle sport met een maatschappelijke functie (zoals agressieregulering). Anderzijds is er kritiek op de organisatie van deze vechtsporten en op de beoefening zelf. Wedstrijden of demonstraties (‘demo's’) van full-contact vechtsporters vinden plaats in openbaar toegankelijke accommodaties en worden gala's of evenementen genoemd. De praktijk wijst uit dat er bij dit soort vechtsportevenementen of -gala’s een verhoogde kans bestaat op ongewenste situaties rond en tijdens het evenement. Het is daarbij niet relevant of een dergelijk evenement wordt georganiseerd in een gebouw dat voor sportwedstrijden is bestemd of niet.

Om de kwaliteit van vechtsportevenementen en -gala's te vergroten en te waarborgen heeft de Nederlandse Vechtsportautoriteit in het najaar van 2017 een richtlijn voor vechtsportevenementen gepubliceerd (Regulering vechtsportgala's: handreiking voor gemeentelijk beleid). De Vechtsportautoriteit is een toezichthoudend orgaan dat door middel van regelmatige controles de evenementen toetst aan de criteria die in de richtlijn staan. Aan gemeenten wordt aangeraden een regeling in de APV op te nemen met een vergunnings- dan wel meldingsplicht, vooral vanwege de potentiele medische impact (bijvoorbeeld hersenschade als gevolg van stoten en trappen tegen het hoofd), de kwetsbare organisatie en begeleiding, geweldsincidenten en vermeende banden met criminele organisaties. Zo zijn er ook aanwijzingen voor verwevenheid tussen de full-contact vechtsportsector en de georganiseerde criminaliteit. De sector is door zijn versnipperde en broze organisatiestructuur extra kwetsbaar voor deze verwevenheid. Regulering via een vergunnings- of meldingsplicht is daarom gewenst.

Lid 3

Het toegestane aantal bezoekers op een 0-evenement wordt verhoogd van 100 naar 150 personen. Zie hiervoor de toelichting bij artikel 2:25a lid 2 sub b.

Artikel 2:25 Evenementenvergunning

Lid 9

De organisator van of aanvrager van een vergunning voor een vechtsportevenement is verantwoordelijk voor een goede gang van zaken tijdens het evenement en voor een ordelijk verloop ervan, zowel in het gebouw als in de directe omgeving daarvan. De voorwaarde over het levensgedrag wordt gesteld om te kunnen toetsen of de organisator of de aanvrager van de vergunning op grond van zijn levensgedrag kan worden geacht aan deze verantwoordelijkheid te voldoen. De voorwaarde ziet alleen op de organisator(en) of de aanvrager van de vergunning, dus degene voor wiens rekening en risico het evenement wordt georganiseerd. De burgemeester kan de vergunning weigeren als de levensgedragtoets negatief uitvalt.

Lex silencio positivo

Ten aanzien van de melding 0¬evenementen en de evenementvergunning (A¬, B¬ of C¬ evenementen) is een lex silencio positivo niet wenselijk, gezien de impact die dergelijke evenementen kunnen hebben, met name op de openbare orde. Ook vragen vele aspecten zoals brandveiligheid, geluid, aanvoer, afvoer en parkeren van bezoekers, om maatwerk dat alleen een inhoudelijke vergunningsbeschikking kan bieden. Er zijn derhalve verschillende dwingende redenen van algemeen belang, met name de openbare orde, openbare veiligheid en milieu om van een Lex silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard.

Artikel 2:25a 0-evenementen

Artikel 2:25a heeft betrekking op het organiseren van kleine, zogenaamde 0-evenementen waarvoor geen vergunningplicht geldt. In de APV 2017 stonden de bepalingen over het 0-evenement onder artikel 2:26a. Voor een meer logische en heldere opbouw van de afdeling evenementen is ervoor gekozen om de bepalingen over 0-evenementen te plaatsen onder het nieuwe artikel 2:25a.

Inhoudelijk zijn er enkele wijzigingen aangebracht: lid 2 sub b, c, e en g, lid 3 en lid 4 zijn gewijzigd en het nieuwe lid 6 is toegevoegd. Tevens wordt een toelichting op het al dan niet toepassen van lex silencio positivo toegevoegd, die ontbrak.

Lid 2 sub a

Onder artikel 2:25a lid 2a wordt in de APV-wijziging 2020 het zinsdeel “feest op eigen terrein” geschrapt. Er hoeft immers geen melding te worden gedaan van feestjes in iemands eigen huis of tuin. Daarnaast wordt de term “feest” vervangen door “evenement”, omdat deze term de verschillende soorten 0-evenementen beter dekt.

Lid 2 sub b

Het toegestane aantal bezoekers op een 0-evenement wordt verhoogd van 100 naar 150 personen. Het aantal personen dat aanwezig is, moet lokaal worden vastgesteld. Door het aantal te verhogen naar 150 personen, wordt eenzelfde grenswaarde gehanteerd als in het Besluit Brandveilig Gebruik en Basishulpverlening Overige Plaatsen, dat per 1 januari 2018 in werking is getreden.

Het Besluit geeft regels over het brandveilig gebruik van voor mensen toegankelijke plaatsen. Het stelt, als een van die regels, dat een gebruiksmelding bij de gemeente moet worden ingediend indien een verblijfsruimte op die plaats is bestemd voor meer dan 150 personen tegelijk. De gemeente beoordeelt vervolgens de brandveiligheid van het evenement op basis van de gebruiksmelding. Door de grenswaarde van 150 te hanteren, is het indienen van een gebruiksmelding bij een 0-evenement niet nodig. Hiermee blijft het makkelijk en laagdrempelig, met zo min mogelijk administratieve lasten, om een 0-evenement te organiseren en is het tegelijk mogelijk om meer personen voor het evenement uit te nodigen.

Lid 2 sub c

Met de aanpassing van lid 2 sub c mogen vergunningsvrije evenementen hooguit één dag duren. In het verleden is het voorgekomen dat 0-evenementen meerdere dagen duurden. Gezien de impact van een langdurig evenement op de nabije omgeving is hiervoor de aanvraag van een evenementenvergunning wenselijk.

Lid 2 sub e

Op grond van lid 2 sub e in de vorige APV mocht een 0-evenement niet plaatsvinden op de weg in de zin van de Wegenverkeerswet. In de praktijk heeft dit voor problemen gezorgd. Een straatfeest vindt immers per definitie plaats op de weg, en in Maassluis zijn er weinig groengebieden die geschikt zijn voor het houden van een straatfeest. Daarom is ervoor gekozen om lid 2 sub e zodanig te wijzigen dat er meer ruimte komt voor het organiseren van 0-evenementen op straat, bijvoorbeeld op de stoep of op hooguit een paar parkeerplaatsen, maar dat tegelijk geborgd blijft dat het 0-evenement zo min mogelijk belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten. Hierdoor worden, onder specifieke voorwaarden, 0-evenementen op straat wel mogelijk. De specifieke voorwaarden worden verder uitgewerkt in nadere regels.

Lid 2 sub g

Eerder heeft het college de totale oppervlakte van kleine objecten vastgesteld op maximaal 25 m², in plaats van de 10 m² die daarvoor gold. Deze wijziging is al opgenomen in het meldingsformulier van een 0-evenement maar was nog niet doorgevoerd in de APV. Dat wordt daarom nu gedaan.

Ook wordt de verwijzing naar springkussens geschrapt. Hierdoor is het voortaan toegestaan om een 0-evenement met een springkussen (mits deze niet groter is dan 25 m²) te organiseren, zonder dat hiervoor een vergunning hoeft te worden aangevraagd. Hiermee wordt het makkelijker om kinderfeestjes te organiseren. Om de veiligheid te waarborgen, mag een springkussen alleen onder bepaalde voorwaarden worden opgebouwd, deze voorwaarden worden uitgewerkt in nadere regels m.b.t. het organiseren van een 0-evenement.

Lid 3 en 4

Voor het organiseren van kleine evenementen zoals een feest op eigen terrein of een straatfeest is in het kader van administratieve lastenvermindering en deregulering de meldingsprocedure, als bepaald in lid 3 en 4 van artikel 2:26a, aangepast. In de huidige situatie moet de organisator van een 0-evenement een aanvraagformulier invullen en wachten op de schriftelijke toestemming van de burgemeester alvorens hij het evenement mag organiseren. Voortaan dient de organisator via een formulier melding te doen van het evenement en daarbij akkoord gaan met de voorwaarden. De toestemming is verleend indien de organisator een ontvangstbevestiging van zijn melding kan tonen en na ontvangt van het formulier geen tegenbericht is verzonden. Zonder deze ontvangstbevestiging kan een 0-evenement geen doorgang vinden. Het doen van een melding in combinatie met algemene regels geeft organisatoren van een 0-evenement meer vrijheid.

Lid 6

Door de meldingsplicht voor 0-evenementen niet van toepassing te verklaren op daartoe aangewezen categorieën vechtsportwedstrijden of -gala’s, geldt voor deze evenementen altijd een vergunningplicht op grond van artikel 2:25 eerste lid. Aanvragers moeten aan verschillende voorwaarden voldoen, op het gebied van VIP-tafels, alcoholschenking, leeftijdsgrenzen en toezicht van een erkende bond. Ook is het mogelijk om vergunningaanvragen te onderwerpen aan een Bibob-toets, waarbij screening plaatsvindt van de organisatie, financiering en zakenrelaties.

Lex silencio positivo artikel 2:25a Melding 0¬-evenement

Door een 0-evenement alleen te hoeven melden en dat uiterlijk vijf dagen van tevoren te doen, krijgen organisatoren meer vrijheid in het organiseren van een straatfeest. Zoals staat beschreven in artikel 2:25a, is het evenement toegestaan zolang er geen tegenbericht is ontvangen. Oftewel, bij het uitblijven van een reactie van de gemeente kan het evenement doorgaan. Het is daarom niet de bedoeling om de melding van rechtswege te weigeren indien binnen vijf dagen niet wordt gereageerd op de aanvraag. Op de melding is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht dus van toepassing.

Artikel 2:26Ordeverstoring

Lid 3 en 4

In de APV-wijziging 2020 is het zogenaamde colorverbod van door de rechter verboden en ontbonden criminele motorclubs (Outlaw Motorcycle Gangs ofwel OMG’s) opgenomen. Dit houdt in dat het verboden is om symbolen van verboden motorclubs te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren. Het kan bijvoorbeeld gaan om de naam, het logo of spreuken op kleding of op motoren. Op basis van dit artikel is het uiterlijk vertoon van verboden OMG’s niet toegestaan bij evenementen. Op basis van artikel 2:50 is het uiterlijk vertoon van verboden OMG’s niet toegestaan op openbare plaatsen, in voor het publiek openstaande gebouwen en op daarbij behorende erven. Zie ook de toelichting onder artikel 2:50. De toelichting horend bij artikel 2:50a is ook in haar geheel van toepassing op artikel 2:26 lid 3 en 4.

Artikel 2.26aOpenbare orde en veiligheid

In de APV-wijziging 2018 is de nummering van de artikelen 2:26, 2:26a, 2:26b aangepast om een meer logische volgorde te hebben. Artikel 2:26a (0-evenementen) wordt artikel 2:25a, daarop volgt artikel 2:26 en het vorige artikel 2:26b wordt 2:26a.

Afdeling 8 Toezicht op openbare inrichtingen

Een goede horeca, zowel qua kwantiteit als kwaliteit, levert een enorme bijdrage aan de uitstraling van de gemeente. Reden waarom de gemeente Maassluis hecht aan een strikte vergunningverlening en handhaving. Samen met de gemeente Vlaardingen, politie en justitie is het zogenaamde Handhavingarrangement horeca vastgesteld. De exploitatievergunning maakt hiervan deel uit. Vooral door de hierin opgenomen aanpak kan de horecaoverlast binnen de gemeente effectief worden aangepakt. Het persoonsgebonden karakter is hierbij juist enorm belangrijk. Daarom zijn ook de eisen die de drank¬ en Horecawet stelt aan een leidinggevende in de APV gelijkgesteld met die van de horeca exploitant. De gedragseisen van de Drank¬ en Horecawet zijn expliciet in een AMvB geformuleerd.

Artikel 2:27 Begripsbepalingen

De begripsbepaling van inrichting is geschrapt en de begripsbepalingen van horecabedrijf en terras zijn aangepast in aansluiting op de model-APV van de VNG. Hiermee wordt de begripsbepaling in deze hele afdeling 8 duidelijker. In de APV 2017 werden de begrippen inrichting, openbare inrichting en horecabedrijf door elkaar gebruikt, terwijl alle drie de begrippen verwijzen naar het horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:27 lid 1. Met de APV-wijziging 2018 zijn de begrippen inrichting en openbare inrichting overal vervangen door horecabedrijf om verwarring te voorkomen.

Artikel 2:28 (Tijdelijke) Exploitatievergunning horecabedrijf

Aan dit artikel is de mogelijkheid toegevoegd voor het afgeven van tijdelijke vergunningen voor ten hoogste één jaar (proefperiode). Dit is een goed aanvullend instrument om in praktijkgevallen waarbij de weigeringsgronden genoemd in artikel 2:28 lid 3 onvoldoende vaststaan, een tijdelijke vergunning af te kunnen geven.

Voorts zijn ter verduidelijking de regels omtrent niet vergunningsplichtige horecabedrijven uit artikel 2:28 gehaald en ondergebracht in een nieuw artikel 2:28a Vrijstelling vergunningplicht. De daarop volgende artikelen zijn daarom ook vernummerd tot 2:28b Eisen exploitant en leidinggevende, 2:28c Beslistermijn, en 2:28d Weigerings¬ en intrekkingsgronden.

In de APV-wijziging 2018 zijn enkele bepalingen geschrapt die al staan in artikel 2:28d of artikel 2:32. Ook is de term openbare inrichting vervangen door horecabedrijf.

Lex silencio positivo

Deze vergunning richt zich met name op de openbare orde. Een lex silencio positivo is dan ook niet wenselijk om deze dwingende reden van algemeen belang. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard.

Artikel 2:28a Vrijstelling vergunningplicht

Dit is een nieuw artikel voortgekomen uit de splitsing van artikel 2:28 Exploitatievergunning horecabedrijf en aanvraag(oud). In dit artikel zijn ter verduidelijking apart de horecabedrijven opgenomen die vrijgesteld zijn van vergunningplicht.

In de APV-wijziging 2018 is de term inrichting vervangen door ruimte. De ruimte betreft hier het hele gebouw. De term inrichting is vervangen om verwarring met het horecabedrijf te voorkomen.

Artikel 2:28b Eisen exploitant en leidinggevende

In verband met de wijziging in indeling van afdeling 8 is dit artikel qua nummering gewijzigd van 2:28a naar 2:28 b. Voorts zijn de verwijzingen naar de Drank¬ en Horecawet in de leden 1 en 2 in verband met de inwerkingtreding van de nieuwe Drank¬ en horecawet per 1 januari 2013 gewijzigd. In lid 1 is de verwijzing naar artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a en b, en derde lid van de Drank¬ en Horecawet gewijzigd in artikel 8, eerste en tweede lid van de Drank¬ en Horecawet. Voorts is in lid 2 de verwijzing naar artikel 8 , tweede lid, aanhef en onder a en b, en derde lid van de Drank¬ en Horecawet gewijzigd in artikel 8, eerste en tweede lid van de Drank¬ en Horecawet.

Artikel 2:28c Beslistermijn

In verband met een andere indeling van afdeling 8 (zie voorgaande toelichting op afdeling 8) is dit artikel gewijzigd van 2:28b naar 2:28c. Voorts is ook de beslistermijn gewijzigd van 12 weken naar 8 weken. Dit in verband met gelijkschakeling met de nieuwe behandeltermijn van 8 weken voor een drank¬ en horecavergunning vanuit de nieuwe Drank¬ en Horecawet per 1 januari 2013. Voor gelijkschakeling is gekozen omdat Drank¬ en horecavergunningen veelal tegelijkertijd met exploitatievergunningen worden aangevraagd. Ook de verdagingstermijn in lid 2 is gewijzigd van 12 naar 8 weken.

Artikel 2:28d Weigerings¬ en intrekkingsgronden

In verband met wijziging in indeling van afdeling 8 zijn de verwijzingen in dit artikel naar andere artikelen in de afdeling passend gemaakt. In lid 1 sub b is artikel 2:28a eerste lid gestelde eisen gewijzigd in artikel 2:28b eerste lid gestelde eisen. Naast de algemene weigerings¬ en intrekkingsgronden vermeld in artikelen 1:6 en 1:8 zijn in artikel 2:28d de meer specifieke weigerings¬, en intrekkingsgronden voor exploitatievergunningen opgenomen. In het eerste lid staan de imperatieve weigeringsgronden genoemd. Teneinde een betere afstemming te verwezenlijken tussen planologische en openbare orde¬eisen die in afdeling 8 aan horecabedrijven worden gesteld, zijn aan lid 1 onderdeel a "strijd met een geldend bestemmingsplan”, een aantal imperatieve weigeringsgronden toegevoegd.

Dit zijn de exploitatieplan, beheersverordening, een voorbereidingsbesluit, de Wet milieubeheer of een horecagebiedsplan”. Zo wordt voorkomen, dat de burgemeester gehouden is een exploitatievergunning te verlenen voor de exploitatie van een inrichting, die volgens het bestemmingsplan of een andere planologische regeling verboden is. Deze koppeling van planologie en openbare orde is in overeenstemming met de geldende jurisprudentie. Ditzelfde geldt voor het feit dat de exploitant nog niet beschikt over een akoestisch rapport (geluidsrapportage). In dat geval is het niet wenselijk dat de burgemeester vooruitlopende op de gestelde en benodigde aanpassingen van een inrichting alvast een vergunning verleent.

In de APV-wijziging 2018 zijn de termen inrichting en openbare inrichting overal vervangen door horecabedrijf om verwarring te voorkomen: alle drie de termen verwijzen naar het horecabedrijf als bedoeld in artikel 2:27 lid 1, maar werden voorheen in de artikelen m.b.t. horecabedrijven door elkaar gebruikt.

Ook is artikel 4 lid j gewijzigd. Op basis van de APV 2017 kon de vergunning van een horecabedrijf worden geweigerd of ingetrokken indien het terras van het horecabedrijf voor andere doeleinden werd gebruikt. Met de APV-wijziging 2018 is dit als volgt aangepast: nu kan de vergunning van een horecabedrijf worden geweigerd of ingetrokken indien het horecabedrijf voor andere doeleinden wordt gebruikt. Omdat op basis van artikel 2:27 lid 1 het terras ook tot het horecabedrijf wordt gerekend in deze afdeling, mogen onder de nieuwe formulering zowel het besloten gedeelte van het horecabedrijf als het terras niet voor andere doeleinden worden gebruikt.

Artikel 2:28e Opheffing vergunningplicht

In verband met wijziging in indeling van afdeling 8 is dit artikel qua nummering gewijzigd van artikel 2:28d naar 2:28e. Inhoudelijk zijn er geen wijzigingen doorgevoerd.

Artikel 2:29 Sluitingstijden

In dit artikel zijn inhoudelijke wijzigingen aangebracht in lid 2, 4, 5 en 6. Verder zijn in de APV-wijziging 2018 de plaatsing en nummering van een aantal bepalingen enigszins aangepast vergeleken met de APV 2017 maar verder inhoudelijk ongewijzigd gebleven: dat geldt voor lid 1, 3, 7 en 8. Tevens wordt een toelichting op het al dan niet toepassen van lex silencio positivo toegevoegd, die ontbrak.

Lid 2

De inhoudelijke wijziging in lid 2 heeft betrekking op het verlengen van de terrastijden. In overleg met de horecagelegenheden in Maassluis is besloten om de terrastijden te verlengen tot 01:00 (in plaats van 24:00 zoals voorheen). Hiermee wordt tegemoetgekomen aan de horecaondernemers, die concurrerend kunnen blijven met omliggende gemeenten, en aan de bezoekers, die steeds vaker en langer buiten op het terras willen zitten.

Ingeval van overlast zijn er waarborgen voor de openbare orde en veiligheid. Mochten de langere openingstijden leiden tot overlast, heeft de burgemeester de bevoegdheid om hiertegen op te treden en kunnen ook aan de vergunningen voorschriften worden gebonden. Om de overlast te beperken, geldt ook dat het schenken van alcoholhoudende dranken een half uur voor sluitingstijd niet meer mag.

Lid 4,5 en 6

De inhoudelijke wijzigingen in lid 4, 5 en 6 hebben betrekking op het verder dereguleren van de vergunningverlening. Op het moment kan de exploitant of leidinggevende van een horecabedrijf structureel afwijkende openings- en sluitingstijden laten opnemen in de vergunning of later een wijziging indienen van de bestaande exploitatievergunning. Horecaondernemers kunnen ook maximaal 5 keer per jaar een ontheffing aanvragen voor het afwijken van deze sluitingstijden, de afdoeningstermijn hiervoor is 10 werkdagen. In de praktijk wordt deze ontheffing een “verlaatje” genoemd, die de ondernemer de mogelijkheid biedt om zijn inrichting langer open te houden.

Met de voorgestelde wijzigingen wordt ervoor gekozen om het aantal verlaatjes te verhogen van 5 naar 8 keer per kalenderjaar, de aankondigingstermijn te verkorten van 10 werkdagen naar 3 werkdagen en horecaondernemers de optie te bieden ontheffing aan te vragen door middel van het doen van een melding. Hiermee wordt de werkdruk voor de vergunningverlener verlicht en komt de gemeente tegelijkertijd de horecaondernemers tegemoet.

Wel wordt door de verkorte aankondigingstermijn het vooraf indienen van bezwaar door belanghebbenden lastiger dan voorheen, en kan het verhoogde aantal ontheffingen voor langere openingstijden risico’s met zich meebrengen voor de openbare orde en het leefklimaat. Hiermee rekening houdend, gelden er een aantal voorwaarden in het kader van de openbare orde en het leefklimaat die in lid 4, 5 en 6 worden genoemd: de ontheffing geldt slechts inpandig, de geluidsvoorschriften die gelden vanuit het Activiteitenbesluit Milieubeheer zijn onverminderd van toepassing, en de horecabedrijven zijn uitgezonderd van de ontheffingsverlening die niet over een exploitatievergunning beschikken, die over een kortlopende exploitatievergunning beschikken en die van een paracommercieel rechtspersoon zijn. Ook dient het doen van de melding op de juiste wijze te geschieden, hiervoor zullen nadere regels worden opgesteld.

Daarnaast bieden huidige bepalingen in de APV naar verwachting voldoende middelen om op te treden in het geval van openbare ordeverstoringen. Indien een horecabedrijf als gevolg van de afwijkende sluitingstijden ongewenste cumulatie van hinder met zich meebrengt, kan de burgemeester maatregelen nemen op grond van artikel 2:29 lid 7 en artikel 2:30 lid 1. Uit deze bepalingen volgt dat de burgemeester het horecabedrijf, eerder dan de ontheffing toestaat en dus tijdens de festiviteit, kan sluiten als er overlast wordt geconstateerd, dat hij de ontheffing voor afwijkende sluitingstijden kan weigeren en dat hij ook de nog in het kalenderjaar resterende ontheffingen voor de betrokken onderneming(en) kan intrekken. Welke maatregel de burgemeester neemt, wordt nader uitgewerkt in een handhavingsarrangement. Wanneer de burgemeester een aanvraag tot een ontheffing sluitingstijden (verlaatje) weigert, is het verboden buiten de reguliere openingstijden in het horecabedrijf een festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen.

De ontheffing sluitingstijden oftewel het verlaatje dient niet te worden verward met de incidentele festiviteit als bedoeld in artikel 4:1, dat in de praktijk ook bekend staat als het zogenoemde “geluidje”. Het geluidje wordt aangevraagd wanneer de exploitant of leidinggevende van een horeca-bedrijf muziek ten gehore wil brengen en/of verlichting langer wil aanhouden waarbij de geluids- en verlichtingsnormen als bedoeld in het Activiteitenbesluit Milieubeheer en artikel 4:5 van de APV niet van toepassing zijn. Het geluidje wordt kortom aangevraagd wanneer de exploitant/leidinggevende meer geluid ten gehore wil brengen dan normaliter toegestaan, en het verlaatje wordt aangevraagd wanneer de exploitant/leidinggevende langere openingstijden wil dan normaliter toegestaan. De twee trajecten staan los van elkaar en de ontheffingen worden separaat aangevraagd. Natuurlijk kan de exploitant/leidinggevende een verlaatje en een geluidje voor dezelfde festiviteit aanvragen, maar dat hoeft niet.

Naast de ontheffing sluitingstijden en de ontheffing geluids- en/of verlichtingsvoorschriften, oftewel de verlaatjes en de geluidjes, worden er jaarlijks door het college ook collectieve festiviteiten aangewezen (zie hiervoor artikel 4:2). Gedurende de collectieve festiviteiten gelden de geluids- en verlichtingsnormen als bedoeld in het Activiteitenbesluit Milieubeheer en artikel 4:5 van de APV niet. Op collectieve festiviteiten hoeft kortom geen geluidje te worden aangevraagd en is een hoger geluidsvolume toegestaan; wel dient er een verlaatje te worden aangevraagd, als de exploitant of leidinggevende langer open wil blijven.

Lex silencio positivo artikel 2:29 lid 4 Ontheffing sluitingstijden

Door de aankondigingstermijn te verkorten naar drie dagen, krijgen horecaondernemers de kans om kort van tevoren een ontheffing aan te vragen. Het zou averechts werken en niet wenselijk zijn om de ontheffing van rechtswege te weigeren indien binnen 3 dagen niet wordt gereageerd op de aanvraag. Op de ontheffing zoals opgenomen in lid 4 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht daarom wel van toepassing.

Artikel 2:31a Glazen drinkgerei

Wanneer zich op een weg relletjes of andere ongeregeldheden voordoen of zich hebben voorgedaan, kan deze weg door de burgemeester worden aangewezen. Door deze aanwijzing treedt voor exploitanten en leidinggevenden van de horecabedrijven die aan de aangewezen weg zijn gelegen, het verbod in werking om drank in een glas te verstrekken. Zo kan worden voorkomen dat er (nog meer) glas op straat komt, waardoor de veiligheid van personen beter kan worden gewaarborgd. In het aanwijzingsbesluit bepaalt de burgemeester de duur van de periode waarin het verbod van kracht is. De burgemeester zal van zijn aanwijzingsbevoegdheid gebruik maken om verstoring van de openbare orde te voorkomen of te beëindigen.

In de APV-wijziging 2018 is de term inrichting vervangen door horecabedrijf.

Lex silencio positivo artikel 2:31a lid 3 Ontheffing verbod drank in glas

Op de ontheffing zoals opgenomen in lid 3 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht, om dwingende redenen ten aanzien van de openbare orde, niet van toepassing.

Artikel 2:32 Handel in horecabedrijf

De formulering is in de APV-wijziging 2018 hier en daar aangepast conform de model-APV van de VNG en de definitie van horecabedrijf is geschrapt omdat deze ook staat in artikel 2:27.

Artikel 2:33Ordeverstoring

De term openbare inrichting is in de APV-wijziging 2018 vervangen door horecabedrijf.

Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan

Het begrip horecabedrijf als omschreven in artikel 2:27 ziet ook op inrichtingen die niet voor het publiek toegankelijk zijn, zoals besloten sociëteiten en gezelligheidsverenigingen. Gelet op artikel 174 van de Gemeentewet is in dat geval niet de burgemeester maar het college het bevoegde bestuursorgaan. De formulering is daarom, in de APV-wijziging 2018, in overeenstemming gebracht met die van artikel 174 van de Gemeentewet en van de model-APV van de VNG.

Artikel 2:34a Geldigheidsduur vergunning

In de modelverordening is geen geldigheidsduur opgenomen. De geldigheidsduur voor onbepaalde tijd is overeenkomstig de vorige APV.

Artikel 2:34b Beëindiging van de exploitatie

Dit artikel is nieuw toegevoegd in de APV-wijziging 2014. Het is van groot belang om een actueel overzicht te hebben van de in de gemeente actieve exploitanten. Om die reden moet op grond van dit artikel worden gemeld dat de exploitatie wordt beëindigd of overgedragen.

Ook wanneer slechts een van de exploitanten stopt, dient dit op grond van het tweede lid te worden gemeld. De exploitatievergunning vervalt dan echter niet. Om een actueel overzicht te behouden, is in het eerste lid, onder b opgenomen dat de exploitatievergunning van rechtswege vervalt, indien de inrichting langer dan zes maanden niet wordt geëxploiteerd. Tenslotte is in het eerste lid onder c opgenomen dat de exploitatievergunning ook vervalt bij beëindiging van de onderneming. Hiermee wordt zowel de feitelijke beëindiging (uitschrijving Kamer van Koophandel) bedoelt alsmede het veranderen van bedrijfsvorm van de onderneming vermeld op de exploitatievergunning.

De term openbare inrichting is in de APV-wijziging 2018 vervangen door horecabedrijf.

Afdeling 9 Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf

Artikel 2:37 Nachtregister

De plicht tot het bijhouden van een nachtregister door de houder van de inrichting is neergelegd in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht. Tezamen hebben artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht en de bepalingen van afdeling 9 (toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf) primair als doel om, met de geregistreerde gegevens, de opsporing of aanhouding van door de politie of justitie gezochte personen te vergemakkelijken.

In de modelverordening is het nachtregister “gereserveerd”. In Maassluis wordt het om de aangegeven reden van belang geacht de verplichting van een nachtregister te handhaven. De verplichting een door de burgemeester vastgesteld model te gebruiken is vervallen. Door het vormvrij maken van het register is een verlichting van administratieve lasten beoogd.

Afdeling 10. Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat

Ondermijning vormt een steeds groter probleem voor onze samenleving, wat haar weerslag vindt in de toenemende aandacht voor het thema in de landelijke en lokale politiek. Bij ondermijning zijn de boven- en onderwereld met elkaar verweven en wordt er gebruik gemaakt van legale structuren voor ondermijnende activiteiten. Het is een vorm van criminaliteit, die het best wordt bestreden door een samenwerking van ketenpartners, waaronder de politie, het OM en de Belastingdienst, en waarin ook steeds meer een rol voor de gemeente is weggelegd om via bestuursrechtelijke wijze het probleem aan te pakken.

Om het vestigingsklimaat voor ondernemers te verbeteren en de ondermijnende criminaliteit te bestrijden, heeft de gemeente Tilburg een vergunningplicht geïntroduceerd voor aangewezen gebouwen, gebieden en bedrijfsmatige activiteiten, en daarvoor een aantal nieuwe artikelen in de APV opgenomen. Veel andere gemeenten hebben ervoor gekozen om, in navolging van Tilburg, soortgelijke artikelen in de APV op te nemen. Omdat het wenselijk is hierbij aan te sluiten, zijn met de APV-wijziging 2018 ook overeenkomstige artikelen opgenomen in deze APV. De nieuwe artikelen 2:39 en 2:40a t/m 2:40d onder afdeling 10 geven de burgemeester de bevoegdheid om via een aanwijzingsbesluit een vergunningplicht te introduceren voor panden, straten, gebieden of branches om een onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemingsklimaat tegen te gaan. Het opleggen van een vergunningplicht is een gangbaar instrument om controle te hebben op ondernemers en om te kunnen handhaven bij overtredingen. Zo geldt onder andere voor het exploiteren van een horecabedrijf een vergunningplicht, waarbij wordt getoetst of het horecabedrijf aan een aantal voorwaarden voldoet. Het is daarom ook een passend instrument om ondermijnende criminaliteit beter te bestrijden. Door de vergunningplicht voor ondernemers uit te breiden naar andere branches, kan door de toetsing aan voorwaarden en regels worden voorkomen dat malafide ondernemers zich vestigen in die sectoren die extra gevoelig zijn voor ondermijnende activiteiten en waar het toezicht van de overheid beperkt is. Bovendien gaat er een preventieve werking uit van de mogelijkheid om een vergunningplicht op te leggen. Ook dat draagt bij aan het aantrekken van bonafide ondernemers en het weren van malafide ondernemers. Het nieuwe artikel wordt in de APV toegevoegd uit voorzorg, vanwege de preventieve werking van het artikel, en om snel te kunnen optreden indien dat nodig blijkt.

Het betreft hier dus geen vergunning in het belang van economische ordening, maar primair in het belang van openbare orde en veiligheid. Om die reden is de bevoegdheid belegd bij de burgemeester. De gemeenteraad is bevoegd om bij verordening openbare belangen zoals een veilig, leefbaar en bonafide ondernemersklimaat te reguleren met een vergunningplicht.

De vergunningplicht geldt alleen voor gebouwen, gebieden en/of bedrijfsmatige activiteiten die de burgemeester in een aanwijzingsbesluit heeft aangewezen. Zonder zo’n aanwijzingsbesluit verandert er niets. De mogelijkheid tot het opleggen van een vergunningplicht en tot het aanwijzen van gebouwen, gebieden en/of bedrijfsmatige activiteiten wordt in de APV opgenomen uit voorzorg, vanwege de preventieve werking van het artikel, en om snel te kunnen optreden indien dat nodig blijkt.

De artikelen zullen verder afzonderlijk worden toegelicht.

Artikel 2:39 Begripsbepalingen

De vergunning wordt aangevraagd door de exploitant. Voor de definitie van exploitant en beheerder is aansluiting gezocht bij de begripsbepalingen in de model-APV van de VNG en in artikel 1:1 van deze APV. Het ‘voor rekening en risico’ heeft betrekking op de natuurlijke perso(o)n(en) of op de rechtspersoon. Het bestuur van een rechtspersoon kan zelf ook een rechtspersoon zijn, maar gelet op de (persoonlijke) eisen die worden gesteld aan de exploitant dient er uiteindelijk altijd één natuurlijke persoon te zijn die kan worden beschouwd als exploitant in de zin van de APV – al dan niet als vertegenwoordiger van die rechtspersoon. De dagelijkse leiding in het bedrijf kan, in plaats van bij de exploitant zelf, bij een beheerder rusten. Er wordt daarom ook in het kader van de vergunningverlening gewerkt met een beheerderslijst. Voor het begrip bedrijf wordt aangesloten bij het algemeen spraakgebruik. Het betreft hier voor het publiek toegankelijke gebouwen waarin een bedrijfsmatige activiteit wordt uitgevoerd, zoals winkels of dienstverlenende bedrijven.

Artikel 2:40 Vergunning exploitatie bedrijf

Eerste lid

De systematiek van de nieuwe vergunning gaat uit van een pand-, branche- of gebiedsgerichte aanpak. Hiermee kan maatwerk in de stad worden geleverd. Daarnaast kan het vergunningstelsel niet alleen worden ingezet nadat concrete (strafbare) feiten zich hebben voorgedaan maar ook voordat dergelijke feiten hebben plaatsgevonden, om te voorkomen dat dergelijke feiten zullen plaatsvinden.

In beide gevallen, of het nu gaat om strafbare feiten bestrijden of deze preventief voorkomen, moet de noodzaak van een aanwijzing, alsmede de duur van de aanwijzing, zorgvuldig worden gemotiveerd, waarbij de uitgangspunten van proportionaliteit en subsidiariteit gelden. Voor zover de Dienstenrichtlijn van toepassing is op het vergunningstelsel en de voorwaarden, geldt dat, met name gelet op de openbare orde en veiligheid, er een dwingende reden van algemeen belang is en dat de gestelde eisen ook evenredig, geschikt en noodzakelijk zijn, zodat de vergunningplicht gerechtvaardigd is. Dit betekent concreet dat de burgemeester een pand, een bedrijfsmatige activiteit of een gebied uitsluitend aanwijst als door de wijze van exploitatie van het pand dan wel door de bedrijfsmatige activiteiten of in het gebied naar het oordeel van de burgemeester de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid onder druk staat dan wel nadelig kan worden beïnvloed.

Zoals genoemd, kan de burgemeester een vergunningplicht opleggen aan een enkel pand, aan een bedrijfsmatige activiteit en/of aan een gebied. De vergunningplicht kan op pandniveau worden ingezet nadat concrete incidenten (strafbare feiten) hebben plaatsgevonden in het betreffende pand of wanneer als gevolg van de wijze van exploitatie de leefbaarheid of openbare orde in en/of rondom het pand onder druk staat of kan staan. Ook wanneer strafbare feiten in een pand worden geconstateerd en de pandeigenaar niet bereid is om mee te werken aan de bestrijding hiervan biedt een pandsgewijze vergunningplicht een instrument om op te treden. De vergunningplicht is dan direct na het door de burgemeester vastgestelde aanwijzingsbesluit van toepassing op de nieuwe of zittende ondernemer. Door de vergunningplicht aan specifieke gevallen op te leggen, worden andere ondernemers, voor zover dat niet nodig is, niet in de aanwijzing betrokken en wordt het vergunningstelsel proportioneel en gerechtvaardigd ingezet.

Indien sprake is van een (ernstige) structurele problematiek in een bepaalde branche kan ook een vergunningplicht voor een hele branche worden ingevoerd. De aanwijzing van een bepaalde branche kan op een bepaalde wijk of straat betrekking hebben, maar het kan ook op de gehele gemeente van toepassing zijn. Bij de aanwijzing van een branche moet ook worden gemotiveerd waarom de bedrijfsmatige activiteiten met het oog op de leefbaarheid of de openbare orde en veiligheid gereguleerd moeten worden.

Tot slot kunnen (op voorhand) straten of gebieden aangewezen worden (preventieve aanwijzing). Bij een dergelijke aanwijzing geldt voor gevestigde en nieuwe ondernemers in die gebieden of straten een vergunningplicht. Dit is gerechtvaardigd wanneer de aanwijzing alleen plaatsvindt bij straten of gebieden waar de leefbaarheidsproblemen groot zijn en de openbare orde en veiligheid onder druk staat. Het belang van de verbetering van de situatie in de gehele straat of het gebied kan ook zo’n aanwijzing rechtvaardigen. Het kan ook van belang zijn om te voorkomen dat het probleem zich onmiddellijk naar een naastgelegen pand verplaatst. Een dergelijke aanwijzing zal doorgaans deel uitmaken van een bredere aanpak.

Tweede lid

In het tweede lid is het verbod opgenomen om in een aangewezen gebouw, straat of gebied zonder vergunning van de burgemeester bepaalde bedrijfsmatige activiteiten te verrichten. In het aanwijzingsbesluit worden de bedrijfsmatige activiteiten genoemd waar de aanwijzing betrekking op heeft. Dat kunnen ook alle bedrijfsmatige activiteiten zijn, zoals detailhandel. De burgemeester kan ook gemeentebreed een branche aanwijzen. Dan geldt een vergunningplicht voor die activiteiten die behoren tot de branche.

Derde en vierde lid

In het derde en vierde lid wordt de wijze van indiening van de aanvraag van een vergunning geregeld, alsmede welke gegevens en bescheiden moeten worden overgelegd. De vereiste gegevens worden nodig geacht om een weloverwogen beslissing te kunnen nemen. Zo moet er in ieder geval sprake zijn van een geldige inschrijving bij de Kamer van Koophandel. Indien dat op enig moment niet meer het geval is, kan dit een reden zijn om de vergunning in te trekken (artikel 2:40a tweede lid, sub g en h).

Als het bevoegd bestuursorgaan dat noodzakelijk acht voor de beoordeling van een aanvraag, kan hij om aanvullende gegevens verzoeken (vierde lid). Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een actuele Verklaring betalingsgedrag nakoming fiscale verplichtingen. Uiteraard moeten die gegevens wel in verband staan met de weigeringsgronden van de aangevraagde vergunning. Ook moeten er gegronde redenen zijn voor het verzoek om aanvullende gegevens.

Vijfde lid

Op basis van het vijfde lid is de vergunninghouder verplicht om wijzigingen te melden. Als er met inachtneming van de geldende regels geen bezwaar bestaat tegen een voortgezet bedrijf, wordt een gewijzigde vergunning verleend. Als blijkt dat de wijzigingen niet zijn gemeld, kan dat leiden tot intrekking van de vergunning. Het moet ook worden gemeld wanneer de exploitatie wordt beëindigd of overgedragen, ook wanneer slechts een van de exploitanten stopt, en wanneer er een wijziging in het beheer is. Om schijnbeheer te voorkomen en te bestrijden, is het van belang dat de beheerders bij de gemeente bekend zijn. Een wijziging in het beheer kan pas plaatsvinden indien de burgemeester de gevraagde wijziging in het beheer heeft bijgeschreven en de exploitant hiervan bericht heeft ontvangen.

Lex silencio positivo

Ten aanzien van het vergunningstelsel voor aan te wijzen gebouwen/gebieden/activiteiten is een lex silencio positivo niet wenselijk, aangezien deze vergunning zich richt op de leefbaarheid en openbare orde. Het vergunningstelsel is gecreëerd om ondermijning tegen te gaan. Alleen die gebouwen/gebieden/activiteiten worden namelijk aangewezen die om gegronde redenen de leefbaarheid of openbare orde en veiligheid onder druk zetten of nadelig kunnen beïnvloeden. Het is onwenselijk als een vergunning van rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke toets van de aanvraag heeft plaatsgevonden en is voltooid. Een lex silencio positivo is hier dan ook niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht wordt niet van toepassing verklaard.

Artikel 2:40a Weigerings- en intrekkingsgronden

De algemene intrekkings- en weigeringsgronden staan vermeld in de artikelen 1:6 en 1:8. In artikel 2:40a staan de specifieke weigerings- en intrekkingsgronden vermeld. Voor de systematiek en uitleg van de specifieke gronden is aangesloten bij hoofdstuk 2, afdeling 8 (exploitatievergunning) en hoofdstuk 3. Voor de reikwijdte van het begrip ‘niet in enig opzicht van slecht levensgedrag’ wordt aangesloten bij de terminologie van de Drank- en Horecawet (zie ook: hoofdstuk 2, afdeling 8). Aan een vergunning kunnen extra voorschriften en beperkingen worden verbonden (artikel 1:4). Lid 1 sub d en lid 2 sub h zijn genoemd in de specifieke weigerings- en intrekkingsgronden om constructies van schijnbeheer tegen te gaan, indien de praktijk niet in overeenstemming is met de situatie zoals deze op de vergunning is vermeld.

Tevens kan een vergunning als bedoeld in artikel 2:40 tweede lid worden geweigerd dan wel ingetrokken in het geval en onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen (Wet Bibob). De zogenaamde Bibob-procedure kan kortom worden toegepast bij de aanvraag van en vergunning als bedoeld in artikel 2:40 tweede lid. Dat de burgemeester hiertoe bevoegd is, wordt niet expliciet in artikel 2:40a vermeld, omdat aan de burgemeester deze bevoegdheid al is toegekend in de Wet Bibob

Indien de exploitant zijn verplichtingen uit deze afdeling of de vergunningvoorschriften niet nakomt, kan dat ten slotte niet alleen reden zijn om de vergunning te weigeren dan wel in te trekken. Daarnaast kan de burgemeester eventueel overgaan tot de sluiting van het bedrijf (zie artikel 2:40b).

Artikel 2:40b Tijdelijke sluiting

Artikel 2:35 van de APV biedt al de mogelijkheid om voor het publiek openstaande gebouwen te sluiten die ernstige overlast veroorzaken. Artikel 2:40b bevat een aanvullende sluitingsbevoegdheid bij bedrijven die vergunningsplichtig zijn en zich niet aan de in artikel 2:40 lid 2 en 2:40a lid 2 gestelde voorschriften houden.

Artikel 2:40d Overgangsbepaling

De burgemeester kan met een aanwijzingsbesluit nieuwe en reeds gevestigde ondernemers onderwerpen aan een systeem van verplichte vergunningen. Daarom is er een overgangsregeling onder artikel 2:40c opgenomen.

De vergunningplicht op grond van het aanwijzingsbesluit en het verbod om zonder vergunning bedrijfsmatige activiteiten te verrichten gelden voor nieuwe exploitanten onmiddellijk na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit. Onder nieuwe exploitanten worden ook verstaan: exploitanten die een andere bedrijfsmatige activiteit dan voorheen willen uitoefenen, en/of dat op een andere locatie dan voorheen willen doen. Exploitanten kunnen dus niet de inwerkingtreding van het verbod rekken door op een locatie waar zij al actief zijn, over te stappen op een andere bedrijfsmatige activiteit die ook onder de aanwijzing valt. Zij kunnen de inwerkingtreding van het verbod ook niet rekken door naar een locatie verderop in de aangewezen straat uit te wijken. Zij worden dan aangemerkt als nieuwe exploitanten en dienen over een vergunning te beschikken.

Voor zittende exploitanten geldt dat zij drie maanden de tijd krijgen om een vergunning aan te vragen en te verkrijgen. Lukt dat niet tijdig, dan handelen zij in strijd met het verbod. Wordt de aanvraag om een vergunning binnen de periode van drie maanden geweigerd of wordt een eventueel reeds verleende vergunning ingetrokken, dan handelen zij vanaf dat moment in strijd met het verbod. De burgemeester kan dan met onmiddellijke ingang tot handhaving van het verbod overgaan.

Artikel 2:41Betreden gesloten woning of lokaal

In de APV-wijziging 2018 is de formulering verbeterd conform de model-APV van de VNG.

Lex silencio positivo artikel 2:41 lid 4 Ontheffing betreden gesloten woning of lokaal

Op de ontheffing zoals opgenomen in lid 4 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. Bij een pand dat om gegronde redenen m.b.t. de leefbaarheid en/of openbare orde is gesloten, is het onwenselijk dat personen het pand zonder toestemming betreden. Er zijn derhalve dwingende redenen van algemeen belang om van een Lex silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht wordt niet van toepassing verklaard.

Afdeling 11 Maatregelen tegen overlast en baldadigheid

Artikel 2:42 Plakken en kladden

Eerste lid

In het eerste lid is sprake van een absoluut verbod. In de term “bekladden” ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR.

Tweede lid

Het aanbrengen van aanplakbiljetten op een onroerende zaak kan worden aangemerkt als een middel tot bekendmaking van gedachten en gevoelens dat naast andere middelen zelfstandige betekenis heeft en met het oog op die bekendmaking in een bepaalde behoefte kan voorzien.

Op de in artikel 7 van de Grondwet gewaarborgde Vrijheid van meningsuiting zou inbreuk worden gemaakt als die bekendmaking in het algemeen zou worden verboden of van een voorafgaand overheidsverlof afhankelijk zou worden gesteld. Artikel 2:42 maakt op dit grondrecht geen inbreuk, aangezien het hierin neergelegde verbod krachtens het tweede lid uitsluitend een beperking van het gebruik van dit middel van bekendmaking meebrengt, voor door dat gebruik een anders recht wordt geschonden. De eis dat “plakken” slechts is toegestaan indien dit geschiedt met toestemming van de rechthebbende, komt in het geval dat de gemeente die rechthebbende is, niet neer op het afhankelijk stellen van dat aanplakken van een voorafgaand verlof van de overheid als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet. De gemeente die als eigenares van een onroerende zaak toestemming verleent of weigert, handelt namelijk in haar privaatrechtelijke hoedanigheid.

Artikel 2:42 verdraagt zich ook met artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR, aangezien de beperking in de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting dat uit de toepassing van artikel 2:42 kan voortvloeien, kan worden aangemerkt als nodig in een democratische samenleving ter bescherming van de openbare orde.

Een voorwaarde is echter wel dat de gemeente moet zorgen voor voldoende plakplaatsen. Volgens het vierde lid kan het college aanplakborden aanwijzen en daarvoor nadere regels stellen. Doet de gemeente dit niet, dan is er volgens jurisprudentie wel sprake van strijd met artikel 7, van de Grondwet en artikel 10 EVRM. Men volgt in het algemeen de norm van 1 plakbord of –zuil op de 10.000 inwoners.

Tweede lid, sub b

In 2017 is landelijk aandacht geweest door de pers over het zogenoemde “stoepkrijtverbod”. De VNG heeft er voor gekozen om in de model-APV het woord “krijt” te schrappen. Door opname van het woord “krijt” was het verbod naar de letter van de wet ook van toepassing op onschuldige vormen van stoepkrijten. Gezien het feit dat krijten na een paar dagen of één regenbui niet meer in het straatbeeld zichtbaar is en nauwelijks schadelijk is voor het milieu, is gekozen om in artikel 2:42 APV het woord “krijt” te schrappen.

In de APV-wijziging 2018 is de formulering van een aantal leden verbeterd conform de model-APV van de VNG.

Artikel 2:42a Graffiti

Artikel 2:42 is sprake van een absoluut verbod van bekladden. In de term ‘bekladden’ ligt reeds besloten dat het daarbij niet gaat om meningsuitingen als bedoeld in artikel 7 van de Grondwet, artikel 10 EVRM en artikel 19 IVBPR. Met deze bepaling kan worden opgetreden tegen degenen die graffiti op onroerende zaken aanbrengen.

Met de toevoeging van artikel 2:42a wordt beoogd dat de rechthebbende op de onroerende zaak op korte termijn (zeven werkbare dagen) de graffiti verwijdert.

Artikel 2:44Vervoer inbrekerswerktuigen

De formulering in lid 2 is verbeterd. In de APV-2017 was in het tweede lid verwezen naar “in het eerste lid bedoelde handelingen”. In het eerste lid worden alleen geen handelingen genoemd. Met de APV-wijziging 2018 is dit zinsdeel daarom geschrapt en vervangen door het beschrijven van die handelingen.

Artikel 2:45 Betreden van plantsoenen en dergelijke

In de praktijk doet zich dat niet voor. Met het oog op vereenvoudiging van de regelgeving is deze bepaling niet overgenomen.

Artikel 2:46 Rijden over bermen en dergelijke

Het bepaalde onder artikel 2:46 is overgeheveld naar artikel 5:11, en daardoor hier komen te vervallen.

Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op of aan een openbare plaats

In de APV-wijziging 2018 is de formulering hier en daar verbeterd conform de model-APV van de VNG.

Artikel 2:47a Hinderlijk voetballen en dergelijke

De praktijk heeft het nut aangetoond te beschikken over een bepaling die verbiedt na 22.00 uur met een balspel bezig te zijn.

Artikel 2:48 Verboden drankgebruik

Dit titel en tekst van dit artikel is gewijzigd conform de modelverordening APV (oude titel: Openlijk drankgebruik).

Tevens is artikel 2:48a Hinderlijk drankgebruik op schoolpleinen en dergelijke komen te vervallen en opgenomen als lid 3 bij dit artikel.

In het eerste lid van dit artikel is een algemeen verbod opgenomen om alcoholhoudende drank te nuttigen indien dit gepaard gaat met gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon en leefklimaat aantasten of anderszins overlast veroorzaken. Dit verbod geldt dus voor het hele gemeentelijk grondgebied.

In het tweede lid is een verbod opgenomen om alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben in de onder a, b en c op voorhand aangewezen gebieden. Daarnaast kan het college, indien dit nodig blijkt, nog andere gebieden aanwijzen waar dit verbod van toepassing is (onder d).

In verband met de verstoring van de openbare orde bestaat er dus behoefte aan een rechtsgrond zoals genoemd in het tweede lid, waardoor optreden in wat men zou kunnen noemen de ‘voorfase’ – dus het bier drinken op bepaalde plaatsen – mogelijk wordt. Het gaat daarbij om het verbieden van het bij zich hebben van geopende flesjes alcoholhoudende drank. Het gaat de autonome verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad te boven om te bepalen dat het verboden is ongeopende flesjes alcoholhoudende drank bij zich te dragen.

Lid 3 ziet op verboden drankgebruik op schoolpleinen en dergelijke. Binnen de gemeente komt het voor dat overlast veroorzaakt wordt door personen als gevolg van alcoholgebruik. Op grond van artikel 2:48 kan de politie optreden tegen personen die op schoolpleinen, speelterreinen e.d. alcohol drinken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich hebben. De politie kan echter alleen handhavend optreden wanneer ze ziet dat er daadwerkelijk wordt gedronken of dat er daadwerkelijk sprake is van aangebroken verpakkingen e.d. van alcoholhoudende drank. De politie heeft aangegeven dat handhavend optreden bemoeilijkt wordt doordat zij weliswaar alcohol bij personen aantreft, maar nog in gesloten verpakking (trays met blikjes bier, kratten bier). Optreden hiertegen is niet mogelijk op grond van artikel 2:48 lid 1 en 2. Lid 3 biedt de politie een extra handvat om in de genoemde situatie op te treden tegen jongeren op schoolpleinen, kinderspeelplaatsen e.d.

Ook met de APV-wijziging 2018 is de formulering hier en daar aangepast conform de model-APV van de VNG. Ook is toegevoegd dat de verboden in lid 2 en 3 gelden voor personen die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt. Op basis van artikel 45 van de Drank- en Horecawet is het immers al verboden voor jongeren onder de 18 jaar om “op een voor het publiek toegankelijke plaats alcohol bij zich te hebben of voor consumptie gereed te hebben”.

Artikel 2:48a Verboden gebruik lachgas

Niet alleen overmatig drankgebruik, maar ook oneigenlijk gebruik van lachgas leidt vaak tot overlastsituaties. Lachgas is populair als (party)drug, vooral onder jongeren. Ook in Maassluis worden regelmatig patronen gevonden waar lachgas in heeft gezeten. Het inhaleren zorgt voor een korte, stevige roes, maar is niet zonder risico's. Het aantal verkeersincidenten door lachgasgebruik is aanzienlijk toegenomen. Daarnaast levert lachgas gezondheidsproblemen op voor de gebruikers en kan het, doordat lachgas vooral in groepsverband en in de openbare ruimte wordt gebruikt, overlast veroorzaken voor omstanders en/of omwonenden. De vormen van overlast door lachgas lopen uiteen van zwerfvuil tot geluidsoverlast en hinderlijk gedrag. Ter bescherming van het milieu, de openbare orde en veiligheid en om overlast en hinder tegen te gaan, is het daarom nodig om het gebruik van lachgas op openbare plaatsen tegen te gaan.

Op basis van de huidige landelijke wetgeving is het voor politie en handhavers niet mogelijk om op te treden tegen lachgas omdat lachgas onder de Warenwet valt, daarom een legaal middel is en zowel gebruik als verkoop van het middel is toegestaan. Wel is het mogelijk om, d.m.v. het opnemen van een verbod in de APV, in te grijpen tegen lachgasgebruik als dat gepaard gaat met overlast. Dit artikel voorziet in zo’n verbod en is tweeledig: op grond van het 1e lid kan worden opgetreden tegen lachgasgebruikers die overlast veroorzaken, en op grond van het 2e lid kan het college, mits daartoe voldoende aanleiding bestaat, een gebied aanwijzen waar het lachgasgebruik in haar geheel is verboden.

Lid 1

Op grond van het 1e lid is het verboden om lachgas te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben, indien dit gepaard gaat met overlast of andere gedragingen die de openbare orde verstoren, het woon- of leefklimaat nadelig beïnvloeden of anderszins hinder veroorzaken. Bij de handhaving moet kunnen worden aangetoond dat het lachgasgebruik gepaard gaat met een van de hierboven genoemde vormen van overlast.

Lid 2 en 3

Op grond van het 2e lid kan het college openbare plaatsen aanwijzen waar het volledig is verboden om lachgas te gebruiken, voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen bij zich te hebben. Dat betekent dat, ook als iemand in een concrete situatie lachgas gebruikt en geen overlast veroorzaakt, hij hiervoor in het aangewezen gebied alsnog beboet kan worden. In het aanwijzingsbesluit moet het college motiveren waarom het verbod in dat specifieke gebied geldt (het belang van de openbare orde of bescherming van het woon- of leefklimaat). Uit politierapportages kan bijvoorbeeld blijken dat op bepaalde openbare plaatsen sprake is van aantoonbare en structurele overlast door lachgas. Het college kan dan besluiten een gebied aan te wijzen en zo een einde te maken aan de structurele overlast. Dat het college op basis van het 2e lid enkel gebieden kan aanwijzen waar een algeheel gebruikersverbod geldt, is omdat een algemeen, voor de gehele gemeente geldend gebruiksverbod stuit op belangrijke juridische bezwaren en vanuit het oogpunt van proportionaliteit niet te verdedigen is. Daarom beperkt de bevoegdheid van het college zich tot het aanwijzen van gebieden. Het college kan op grond van het 3e lid in het aanwijzingsbesluit opnemen dat het verbod op bepaalde tijden geldt, bijvoorbeeld alleen ’s avonds.

Artikel 2:50a Verbod op zichtbare uitingen van verboden organisaties

Lid 1

Sinds 2016 is het Openbaar Ministerie (OM) diverse juridische procedures gestart om criminele motorclubs (Outlaw Motorcycle Gangs ofwel OMG’s) verboden te laten verklaren door de rechter. Het OM kan via het privaatrecht een civiel verbod aanvragen bij de rechter, wanneer de activiteiten van een motorclub ontwrichtend zijn voor de samenleving en de club een gevaar oplevert voor het maatschappelijk leven. Inmiddels heeft het OM bij de rechter civiele verboden gevraagd tegen een aantal motorclubs en deze in enkele gevallen al gekregen. De rechter heeft m.b.t. verschillende motorclubs geconcludeerd dat een groot aantal leden van deze motorclubs al jaren betrokken is bij tal van criminele gedragingen en deze veelvuldige en voortdurende inbreuken op de openbare orde de samenleving (kunnen) ontwrichten. Mede op basis hiervan heeft de rechter deze motorclubs verboden en ontbonden verklaard. Als een motorclub onherroepelijk verboden is door de rechter, is het strafbaar om deze voort te zetten. Dan komt er ook een einde aan alles wat met het uiterlijk vertoon van de motorclub verband houdt, zoals de naam, logo's en spreuken, en mogen de clubleden hun clubkleding niet meer in het openbaar dragen. De motorclub kan geen overeenkomsten meer sluiten en ook bestuursrechtelijk heeft de motorclub geen bestaansrecht meer, waardoor de club niet meer kan beschikken over een drank- of horecavergunning of deze kan aanvragen.

Dit alles is echter pas verboden op het moment dat de uitspraak van de rechter onherroepelijk (definitief) is. Zolang de mogelijkheden van hoger beroep en cassatie openstaan, kan er niet worden opgetreden op grond van het Wetboek van Strafrecht. Helaas kosten de procedures van hoger beroep en cassatie veel tijd en kan het jaren duren voordat het verbod onherroepelijk is. De motorbendes kunnen in die tijd doorgaan met hun criminele activiteiten.

Om toch te kunnen optreden tegen motorclubs die door de rechter zijn verboden maar waarvan de procedures van hoger beroep en cassatie nog lopen, is het mogelijk om in de APV een zogenaamd colorverbod op te nemen. Dit houdt in dat het verboden is om symbolen van verboden motorclubs te dragen, bij zich te hebben of te vervoeren. Het kan bijvoorbeeld gaan om de naam, het logo of spreuken op kleding of op motoren. Als grondslag geldt dat de burgemeester een eigen bevoegdheid heeft om maatregelen te treffen in het geval van vrees voor verstoring van de openbare orde. Uit jurisprudentie blijkt dat een door de rechter uitgesproken civiel verbod voldoende grondslag biedt voor een (potentiele) verstoring van de openbare orde en dat het nemen van maatregelen tegen verboden motorclubs derhalve rechtmatig is. Om op te treden tegen het uiterlijk vertoon van verboden OMG’s in de publieke ruimte, vanwege de intimidatie die hiervan uitgaat en de impact die dat kan hebben op de openbare orde, wordt deze verbodsbepaling opgenomen in de APV. Vanuit het oogpunt van openbare orde is het wenselijk om niet te wachten met het weren van zichtbare aanwezigheid van verboden/ontbonden organisaties uit de publieke ruime tot het rechterlijk verbod onherroepelijk is.

Het toevoegen van art. 2:26 lid 3 en 4 en art. 2:50a, die betrekking hebben op het colorverbod van verboden motorclubs, wordt ondersteund door het OM en is onderdeel van een regionaal OMG-beleid in de regio Rotterdam-Rijnmond. Met het realiseren van een uniform, regionaal beleid kunnen ook waterbed/verplaatsingseffecten worden voorkomen. Het uiteindelijke doel is het tegengaan van criminele activiteiten door de OMG-leden.

Lid 2

De strafbaarstelling van art. 2:26 lid 3 en 4 en art. 2:50a lid 1 zijn geregeld in artikel 6:1. Voor het geval van samenloop met de strafbaarstellingen in het Wetboek van Strafrecht , voorziet het 2e lid in een anti-samenloopbepaling. Op basis van artikel 122 Gemeentewet vervallen APV-bepalingen van rechtswege als in het onderwerp door hogere wetgeving, waaronder het Wetboek van Strafrecht, wordt voorzien. Dit is in dit geval relevant na het onherroepelijk worden van een rechterlijke uitspraak. Wanneer een criminele motorclub onherroepelijk is verboden en ontbonden door de rechter (zie de toelichting hierboven), is artikel 140 2e lid van het Wetboek van Strafrecht van toepassing. Op basis van art. 140 2e lid is het verboden deel te nemen aan de voortzetting van werkzaamheden (inclusief uiterlijk vertoon) van door de rechter onherroepelijk verboden organisaties.

Artikel 2:53 Bespieden en heimelijk fotograferen/filmen van personen

Dit artikel beschermt op verschillende manieren de privésfeer van burgers. Met dit artikel wordt beoogd ongemerkte en door iedereen als ongewenst ervaren verstoring van de privacy en persoonlijke levenssfeer te verbieden. Het eerste en tweede lid kan als aanvulling worden gezien op artikel 285b Wetboek van strafrecht (stalking), dat het inbreuk maken op de levenssfeer van een ander (om die ander te dwingen iets te doen, te dulden of vrees aan te jagen) strafbaar stelt.

Anders dan bij het delict uit artikel 285b WvS is hier geen oogmerk vereist om iemand ergens toe brengen of van af te houden, dan wel vrees aan te jagen. Met dit lid kan bijvoorbeeld worden opgetreden tegen het ongewenst via een kijkgaatje begluren van personen in kleedhokjes. Het derde lid is aanvullend op de artikelen 139f, 239, 246 en 441b Wetboek van Strafrecht en ziet op het heimelijk fotograferen en filmen van (delen van) personen waarbij de gefotografeerde of gefilmde personen er mogelijk geen weet van hebben dat zij worden gefilmd of gefotografeerd en waarbij het heimelijk fotograferen of filmen een aantasting van de eerbaarheid oplevert of een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt. Onder 'heimelijk' filmen of fotograferen wordt verstaan dat dit zonder instemming van de betrokkene heeft plaatsgevonden. De Hoge Raad heeft bepaald dat het heimelijk filmen of fotograferen niet als 'ontuchtige handeling' in de zin van artikel 246 Wetboek van Strafrecht kan worden gekwalificeerd (LJN:BW500, HR 10/04529, HR 10/05527). Dit leidde tot vrijspraak van een persoon die tijdens een evenement met een daarvoor geprepareerde tas met daarin een camera onder de rokken van dames foto's maakte. Het voyeuristische gedrag brengt volgens de HR wel een grove schending van de privacy met zich mee door binnen te dringen in de persoonlijke levenssfeer met visuele middelen, maar is dus in principe geen ontuchtige handeling. Dit kan onwenselijke situaties opleveren, waartegen met dit APV artikel alsnog kan worden opgetreden. Toepassing zal plaatsvinden in excessieve situaties of bij klachten van burgers over voyeurs. Een bepaling over heimelijk afluisteren is in verband met artikelen 139a en verder, 374bis en 441a van het Wetboek van Strafrecht niet nodig.

Artikel 2:54 Bewakingsapparatuur

Met ingang van 1 januari 2004 is de wijziging van artikel 139f en 441b van het Wetboek van Strafrecht in werking getreden. Bepalingen die gaan over de uitbreiding van de strafbaarstelling heimelijk cameratoezicht. Daarnaast gelden de regels van de Wet bescherming persoonsgegevens. Desondanks is aangegeven deze bepaling te willen invullen en niet te reserveren zoals in het model van de VNG.

Artikel 2:57 Loslopende honden

In de APV-wijziging 2018 is de formulering aangepast om aan te sluiten bij de model-APV van de VNG. De aansluiting bij de model-APV van de VNG is voor dit artikel noodzakelijk vanwege veranderingen bij het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) m.b.t. de registratie van processen-verbaal. De APV-artikelen uit deze verordening moeten overeenkomen met de artikelen uit de model-APV van de VNG, anders bestaat het risico dat de politie en buitengewoon opsporingsambtenaren van de gemeente geen boetes meer kunnen uitschrijven voor het overtreden van de APV-artikelen.

Artikel 2:58 Overlast/verontreiniging door honden

In de APV-wijziging 2018 is de formulering aangepast om aan te sluiten bij de model-APV van de VNG. De aansluiting bij de model-APV van de VNG is voor dit artikel noodzakelijk vanwege veranderingen bij het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) m.b.t. de registratie van processen-verbaal. Zie voor verdere toelichting hierover artikel 2:57.

Artikel 2:59 Gevaarlijke honden

Dit artikel is aanpast conform de modelverordening. De oude tekst verwees nog naar de Regeling Agressieve Dieren die inmiddels is komen te vervallen. Dit artikel schept voor het college de mogelijkheid om na een (bijt)incident met een hond dat naar zijn oordeel niet voldoende ernstig is om strafrechtelijk op te treden (wat er doorgaans op neer komt dat de hond in beslag wordt genomen en een gedragstest ondergaat om te bekijken of de hond geresocialiseerd kan worden of helaas moet inslapen), de eigenaar te verplichten de hond te muilkorven en/of kort aan te lijnen. Sinds de intrekking van de Regeling agressieve dieren is er in landelijke wetgeving geen definitie van muilkorf meer gegeven, vandaar dat er hier een definitie is opgenomen. Op grond van het vijfde lid dient de eigenaar of houder van een hond te voorkomen dat zijn hond door aanhoudend geblaf of gejank hinderlijk is voor de omgeving of de nachtrust van omwonenden verstoort.

In de APV-wijziging 2018 is de formulering hier en daar aangepast conform de model-APV van de VNG en zijn de verwijzingen naar andere APV-artikelen geactualiseerd. Verder is het gebod in lid 1 een burgemeestersbevoegdheid en geen collegebevoegdheid.

Artikel 2:59a Gevaarlijke honden op eigen terrein

Het aanlijn- en/of muilkorfgebod dat de burgemeester kan opleggen voor het laten verblijven of laten lopen van een gevaarlijke hond op een openbare plaats of op het terrein van een ander (artikel 2:59), is niet in alle gevallen voldoende om bijtincidenten te voorkomen. Deze maatregel voorkomt niet dat mensen geconfronteerd worden met bijtincidenten op privéterrein. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan postbezorgers en koeriers, maar ook aan bijtincidenten die plaatsvinden binnen een huishouden. Om hieraan tegemoet te komen is artikel 2:59a opgenomen. Artikel 2:59a bepaalt dat het de eigenaar of houder van een gevaarlijke hond verboden is die hond zonder muilkorf op zijn terrein los te laten lopen. Het verbod geldt niet als er voorzieningen zijn getroffen waardoor gevaar voor derden in de openbare en vrij toegankelijke privéruimte niet aanwezig is. De voorzieningen zijn de volgende:

  • -

    een duidelijk leesbaar waarschuwingsbord dat vanaf de weg zichtbaar is;

  • -

    een buiten het terrein geplaatste brievenbus of aanbelmogelijkheid; en

  • -

    een deugdelijke afrastering die voorkomt dat de hond zelfstandig buiten het terrein kan komen.

Deze bepaling is gericht op de veiligheid in de openbare ruimte en voorkomt dat gevaarlijke honden op de openbare weg komen doordat ze van het terrein ontsnappen. Het verplicht plaatsen van een waarschuwingsbord zorgt ervoor dat mensen die een terrein willen betreden gewaarschuwd worden.

Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren

Het kan voor de omgeving hinderlijk zijn als iemand dieren houdt. In het APV¬-model van de VNG is gekozen voor de constructie dat het college bevoegd wordt verklaard om de plaatsen aan te wijzen waar naar zijn oordeel het houden van bepaalde dieren overlast of schade voor de volksgezondheid veroorzaakt. In de Maassluise bepaling is het kort en krachtig gehouden. Iemand die de zorg over een dier heeft moet voorkomen dat een ander daar hinder van heeft. Dat kan dus gaan over blaffende honden maar ook over situaties waar letsel bij personen of dieren is veroorzaakt. Situaties die direct tot maatregelen dienen te leiden. Bij hinder moet niet aan een eenmalige gebeurtenis worden gedacht maar in die gevallen waar sprake is van extreme overlast.

In de APV-wijziging 2018 zijn lid 3 en 4 toegevoegd in aansluiting op de model-APV van de VNG. Het geeft het college de juridische handvaten om, indien nodig, snel op te treden middels het aanwijzen van plaatsen. Hier is op het moment geen noodzaak voor, maar de bepalingen worden opgenomen voor het geval deze noodzaak er in de toekomst wel gaat zijn.

Artikel 2:61 Voeren van vogels

Nieuw artikel in de APV bij wijziging van mei 2010. De aanleiding hiervan is overlast van vogels in bepaalde woonwijken. In het kader van openbare orde en veiligheid en de volksgezondheid is dit artikel opgenomen. In combinatie met een communicatiecampagne is hier aandacht aan gegeven, zodat handhavend kan worden opgetreden wanneer daartoe aanleiding bestaat.

Artikel 2:62 Loslopend vee

Geschrapt in het kader van deregulering. Het aantal veehouders (Weverskade, Korte Buurt en Zuidbuurt) is minimaal en de kans op loslopend vee dermate gering, dat dit artikel weinig nut heeft.

Artikel 2:63 Schade duiven

Geschrapt met het oog op vereenvoudiging van de regelgeving. Dit artikel heeft (volgens de toelichting) ten doel de jagers de gelegenheid te geven om gedurende een bepaalde periode tussen 1 maart en 1 juni het wilde duiven bestand door middel van de jacht uit te dunnen. Dit speelt met name in akkerbouwgebieden waar verwilderde duiven veel schade aanrichten en is dus in Maassluis van weinig betekenis.

Artikel 2:64 Bijen

Evenzo geschrapt in verband met de deregulering. Er zijn in Maassluis geen bijenhouders bekend. Indien zich toch problemen met het houden van bijen zouden voordoen, kan gebruik worden gemaakt van artikel 2:60.

Artikel 2:65 Bedelarij

Geschrapt tegen de achtergrond van de deregulering. Dit artikel is door de VNG facultatief opgenomen. In Maassluis speelt deze problematiek niet.

Afdeling 12 Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen

Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

De in dit artikel opgenomen verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister vinden hun basis in artikel 2 van de AMvB op grond van artikel 437 Wetboek van Strafrecht. Artikel 437, eerste lid, onder a, WvSr verplicht de handelaar tot het aantekening houden van het verwerven dan wel voor handen hebben van alle gebruikte en ongeregelde goederen. In de Memorie van Toelichting wordt gezegd dat de administratieplicht alleen zinvol is als het om dit soort goederen gaat, omdat dan de kans bestaat dat zij van misdrijf afkomstig zijn.

In artikel 2 van eerdergenoemde AMvB worden regels gegeven betreffende de wijze van aantekening houden. Zo is bepaald dat de registerplichtige handelaar een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register houdt en daarin onverwijld de vereiste gegevens vermeldt: het zogenaamde verkoopregister. Bij het opstellen van regels met betrekking tot het verkoopregister is aansluiting gezocht bij de terminologie van de formulering van het inkoopregister, welke overigens is geregeld bij wet en AMvB. Net als bij het inkoopregister verdient het aanbeveling om de handelingen die leiden tot het opstellen van een verkoopregister algemeen te omschrijven. Net als het inkoopregister moet het verkoopregister doorlopend zijn. Een doorlopend register is een register waarin de aantekeningen waarvoor het is bestemd achtereenvolgens naar tijdsorden worden ingeschreven, met uitsluiting van de mogelijkheid van latere inschrijvingen. Een register waarin een aantal bladzijden ontbreekt, is geen doorlopend register. Het register mag geen onregelmatigheden en hiaten vertonen en moet chronologisch zijn.

Eerste lid

Hier is een algemene verplichting opgenomen om een verkoopregister bij te houden (“alle” goederen). Aangezien het meestal zal gaan om bepaalde goederen als fietsen, auto’s of antiek, is in het tweede lid een vrijstellingsbepaling toegevoegd. De lex silencio positivo is van toepassing op de vrijstelling van het tweede lid. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van één tot alle verplichtingen in dit artikel. Doorgaans zal daarvoor een praktische reden zijn. Bovendien lijdt de ondernemer doorgaans geen grote schade wanneer er per abuis een vrijstelling van rechtswege ontstaat en die wordt teruggedraaid.

Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht

De formulering is in de APV-wijziging 2018 aangepast conform de model-APV van de VNG.

Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen

In het VNG¬-model is dit artikel “gereserveerd”. Besloten is de tekst uit de vorige APV over te nemen c.q. te handhaven. De reden hiervan is dat bij een regeling tot effectieve helingbestrijding een bepaling betreffende de vervreemding van door opkoop verkregen goederen niet mag ontbreken. Er is gekozen voor een termijn van drie dagen, zodat de handel van de handelaren niet al te zeer wordt belemmerd.

Artikel 2:70 Handel in horecabedrijf

Dit artikel is verplaatst naar afdeling 8 Toezicht op openbare inrichtingen (artikel 2:32)

Afdeling 13 Vuurwerk

Artikel 2:71 Begripsbepaling

De formulering is in de APV-wijziging 2018 aangepast conform de model-APV van de VNG.

Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen

Lex Silencio Positivo

Ten aanzien van een dergelijke vergunning is een lex silencio positivo niet wenselijk, gezien de invloed op de openbare orde. In verband met de veiligheidsaspecten, de grote toeloop die een vuurwerkhandel doorgaans met zich meebrengt en de scherpe concurrentie in deze branche is er van afgezien om hier een lex silencio positivo in te voeren. Er zijn derhalve verschillende dwingende redenen van algemeen belang, met name de openbare orde, openbare veiligheid en milieu om van een Lex silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard.

Artikel 2:73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

De formulering is in de AP V-wijziging 2018 hier en daar aangepast conform de model-APV van de VNG.

Lex silencio positivo artikel 2:73 Ontheffing bezigen van consumentenvuurwerk op aangewezen plaats

Net zoals lex silencio positivo niet wenselijk is ten aanzien van een vergunning voor de verkoop van consumentenvuurwerk (art. 2:72), is het evenmin wenselijk lex silencio positivo toe te passen voor het gebruik van consumentenvuurwerk op door het college aangewezen plaatsen. De plaatsen zijn voor gegronde redenen met het oog op de openbare orde en veiligheid aangewezen, het is daarom niet wenselijk om daar het gebruik van consumentenvuurwerk bij niet tijdig beslissen van rechtswege toe te laten. Er zijn derhalve verschillende dwingende redenen van algemeen belang, met name de openbare orde, openbare veiligheid en milieu, om van een Lex silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht wordt niet van toepassing verklaard.

Artikel 2:73a Carbidschieten

In artikel 2:73a is geregeld dat carbidschieten in principe is verboden, maar de burgemeester wel de mogelijkheid heeft om een ontheffing te verlenen. Dit artikel is destijds opgenomen toen er naast de vreugdevuren (die in 2007 zijn beëindigd) ook carbidschieten werd toegestaan. Daarna is er jarenlang nooit meer een verzoek tot ontheffing gekomen. Vanwege de Coronacrisis en het landelijk afgekondigde vuurwerkverbod in 2020 is het carbidschieten weer populairder geworden en zijn de discussies hierover teruggekeerd. Het is wenselijk om carbidschieten in het geheel te verbieden en daarom ook de ontheffingsmogelijkheid te schrappen. Dat voorkomt discussies over de vraag wanneer wel of niet een ontheffing wordt verleend. Daarnaast is een algeheel verbod in het belang van de openbare orde en veiligheid en van de volksgezondheid, omdat mensen gewond raken van carbidschieten.

Afdeling 14 Drugsoverlast

Artikel 2:74a Verzameling van personen in verband met drugs

Een (aanvullende) bepaling die ook was opgenomen in de vorige APV. Met behulp van dit artikel kan de burgemeester gericht optreden om bepaalde straten of delen van straten in de stad vrij te maken van het zogenaamde drugstoerisme. Drugstoerisme geschiedt veelal groepsgewijs. Desondanks kan niet echt worden gesproken van een ‘samenscholing’ als bedoeld in artikel 2:1 van de verordening. Daarom is voor deze vorm van overlast een speciale bepaling opgesteld. Het tweede lid verklaart het in het eerste lid opgenomen verbod niet van toepassing, indien de verzameling van personen geen verband houdt met drugs.

Artikel 2:74b Openlijk drugsgebruik

Ook hier een aanvullende bepaling die in de vorige APV voorkwam. Veel druggebruikers gebruiken hun drugs – of treffen daartoe voorbereidingen – in het openbaar. Dit veroorzaakt veel gevoelens van onbehagen en onveiligheid bij het publiek. Op basis van deze bepaling kan de politie overgaan tot aanhouding van de betrokken gebruikers of deze van bepaalde plekken wegsturen. Ook kan de politie de voorwerpen waarmee de overtreding wordt gepleegd (hulpmiddelen, drugs) strafrechtelijk in beslag nemen. Het verbod is gerelateerd aan het (openlijk) gebruik van drugs en richt zich dus tot de druggebruikers.

Artikel 2:74c Weggooien van spullen en dergelijke

Dit aanvullende artikel verbiedt het zich ontdoen van attributen die bij gebruik van drugs worden gebruikt. Omdat deze attributen veelal gevaarlijke objecten zijn (m.n. injectienaalden) is een algemeen verbod gesteld om deze op of aan de openbare weg achter te laten. Ook het weggooien van deze attributen in afvalbakken is niet toegestaan vanwege de risico’s voor mensen die in afvalbakken graaien of deze ambtshalve moeten legen. Spuiten e.d. dienen aan het eigen ‘zorgkader’ te worden toevertrouwd (medische diensten en dergelijke).

Afdeling 15 Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen

Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding

Deze bepaling met als basis artikel 154a Gemeentewet, is gericht op grootschalige ordeverstoringen door groepen ordeverstoorders. Omdat de praktijk leert dat de kans dat een dergelijke situatie zich in Maassluis voordoet zeer nihil is, is dit artikel niet overgenomen.

Artikel 2:76 Veiligheidsrisicogebieden

Dit artikel is ter verduidelijking verplaatst naar Hoofdstuk 2 Openbare orde, afdeling 1 Bestrijding van ongeregeldheden en daar opgenomen in een nieuw artikel 2:1c. Zie ook de toelichting bij artikel 2:1c.

Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen

Op grond van artikel 151c van de Gemeentewet heeft de gemeenteraad aan de burgemeester bij verordening de bevoegdheid verleend om, indien de handhaving van de openbare orde dit noodzakelijk maakt, te besluiten tot plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

De invulling van het begrip ‘openbare plaats’ uit artikel 151c Gemeentewet is ontleend aan de wetsgeschiedenis van de Wet Openbare Manifestaties (WOM). Op grond van die wet omvat het begrip ‘openbare plaats’ in de meest algemene zin van het woord alle plaatsen waar men komt en gaat. Vereist is in ieder geval dat de plaats ‘openstaat voor publiek’. Dat wil zeggen dat iedereen vrij is om er te komen, te vertoeven en te gaan, en dat er geen beletselen zijn in de vorm van een meldingsplicht, een eis van voorafgaand verlof of de heffing van een toegangsprijs (postkantoren, gemeentehuizen, parkeerterreinen, musea, warenhuizen en ziekenhuizen.)

Voorts geldt dat het open staan van de plaats dient te zijn gebaseerd op bestemming of op vast gebruik. Aangezien het ongewenst is dat bij parkeerterreinen, als plaatsen die wel voor een ieder toegankelijk zijn, geen cameratoezicht in het kader van de openbare orde mogelijk zou zijn, heeft de raad gebruik gemaakt van zijn bevoegdheid deze plaatsen aan te wijzen als openbare plaatsen (artikel 2: 77 lid 2). De burgemeester kan besluiten cameratoezicht in te stellen op openbare plaatsen als dit noodzakelijk is voor de handhaving van de openbare orde. Er moet sprake zijn van een gebied waarin zich onveilige situaties of met enige regelmaat wanordelijkheden voordoen. Dit zal moeten blijken uit een grondige analyse van de veiligheidssituatie die wordt aangeleverd door de korpschef. Vastgesteld moet worden dat er een evenwichtige verhouding bestaat tussen het doel en het middel (proportionaliteit) en dat het doel van de handhaving van de openbare orde niet op een minder ingrijpende wijze kan worden bereikt (subsidiariteit). Het gebruik van camera’s moet kenbaar zijn voor het publiek. De aanwijzing van een gebied waar cameratoezicht zal worden ingesteld geschiedt voor een bepaalde duur, die niet langer is en voor een gebied dat niet groter is dan strikt noodzakelijk is voor de handhaving van de openbare orde. Doorgaans zal worden gekozen voor het instellen van cameratoezicht voor een periode van twee jaar, waarbij jaarlijks een rapportage wordt opgemaakt. De gemeenteraad wordt over het instellen van cameratoezicht geïnformeerd, evenals over de jaarrapportage en tussentijdse wijzigingen in een cameraproject. Over het voornemen tot een besluit tot het vaststellen van de periode waarin de geplaatste camera’s daadwerkelijk zullen worden gebruikt en de beelden in elk geval rechtstreeks zullen worden bekeken, voert de burgemeester in het lokale driehoeksoverleg overleg met de Officier van Justitie. De beelden kunnen namelijk onder voorwaarden gebruikt worden ten behoeve van de opsporing en vervolging van een gepleegd strafbaar feit. Het besluit van de burgemeester tot plaatsing van camera’s op een openbare plaats is een besluit in de zin van de Algemene Wet Bestuursrecht waartegen bezwaar en beroep openstaat.

In artikel 151c van de Gemeentewet en de bijbehorende toelichting worden de voorwaarden voor het instellen van cameratoezicht en de uitvoering daarvan beschreven. Nadere bepalingen betreffende de uitvoering van het cameratoezicht (de eisen die worden gesteld aan het camerasysteem, de camera observanten en de cameratoezichtcentrale) staan in het Ontwerpbesluit cameratoezicht openbare plaatsen.

Per 1 juli 2016 is de wijziging van de Gemeentewet in verband met de verruiming van de bevoegdheid van de burgemeester in verband met de inzet van ook mobiel cameratoezicht in werking getreden. Op grond van het hierbij gewijzigde artikel 151c van de Gemeentewet kan de raad thans bij verordening de burgemeester de bevoegdheid verlenen om tijdelijk mobiele camera’s in te zetten. In verband met deze verruiming van de wet is in artikel 2:77 eerste lid APV het woord “vaste” bij camera’s komen te vervallen.

In de APV-wijziging 2018 is de formulering van lid 2 aangepast.

Artikel 2:78 Sluiting van panden

Dit artikel betreft een aanvullende burgemeestersbevoegdheid. Op grond van de APV en artikel 13b van de Opiumwet is de burgemeester al bevoegd om horecabedrijven of seksinrichtingen te sluiten. Op grond van artikel 174a Gemeentewet kunnen ook woningen worden gesloten en artikel 174 geeft de mogelijkheid om onmiddellijk openbare inrichtingen te sluiten bij acute (of acuut dreigende) openbare ordeverstoringen.

Artikel 2:78 van de APV is een aanvulling op bovenstaande burgemeestersbevoegdheden. Op grond van dit artikel kan de burgemeester gericht optreden wanneer winkeliers of ondernemers van dienstverlenende bedrijven zoals kappers, uitzendbureaus, belwinkels, growshops of garages, overlast (blijven) veroorzaken of ter plaatse strafbare feiten plegen, deze faciliteren, gedogen of op enigerwijze toestaan. Tevens geeft het artikel de burgemeester de mogelijkheid om op te treden, indien er in of vanuit een pand (niet zijnde een woning) wordt gegokt, waarvoor geen toestemming is gegeven op grond van de Wet op de Kansspelen.

De burgemeester zal o.a. tot het oordeel kunnen komen dat sluiting noodzakelijk is indien één van de volgende situaties zich voordoet:

  • a.

    indien aannemelijk is, dat in of vanuit het voor het publiek openstaand gebouw activiteiten plaatsvinden, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van het voor het publiek openstaand gebouw;

  • b.

    indien in of vanuit het voor het publiek openstaand gebouw strafbare feiten worden gepleegd;

  • c.

    indien zich in of vanuit het voor het publiek openstaand gebouw anderszins feiten hebben voorgedaan die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van het voor het publiek openstaand gebouw gevaar oplevert voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van het voor publiek openstaand gebouw.

Deze bevoegdheid gaat verder dan artikel 174 van de Gemeentewet. Zoals blijkt uit de wetsgeschiedenis en jurisprudentie, kan de burgemeester op grond van artikel 174Gw. overgaan tot sluiting indien sprake is van een ordeverstoring die concreet voorzienbaar is en een actuele dreiging vormt voor veiligheid of gezondheid, waartegen onmiddellijk moet worden opgetreden.

De sluiting kan dan ook slechts van korte duur zijn. Omdat artikel 174 Gw. geen soelaas biedt wanneer een langere sluitingsduur geboden is, is artikel 2:78 in de APV opgenomen.

Artikel 2:78 stond al in de APV. In de APV-wijziging 2020 zijn de formulering van het artikel en de bijbehorende toelichting aangepast. De redenen hiervan zijn dat nu beter de burgemeestersbevoegdheid is toegelicht en dat het verschil tussen optreden op grond van art. 2:78 APV en art 174 Gw. duidelijker is.

Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie en dergelijke

Afdeling 2 Seksinrichtingen en escortbedrijven

Artikel 3:4 Seksinrichtingen

Lex silencio positivo

Deze vergunning beschermt wezenlijke belangen, met name de openbare orde en volksgezondheid. Het is hoogst onwenselijk als deze vergunning van rechtswege wordt verleend voordat er een inhoudelijke toets van de aanvraag heeft plaatsgevonden en is voltooid. Een lex silencio positivo is hier dan ook niet wenselijk om dwingende redenen van algemeen belang, zoals de openbare orde en volksgezondheid. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard.

Artikel 3:9 Beslistermijn

Per 1 januari 2013 is de nieuwe Drank¬ en Horecawet inwerking getreden. In deze nieuwe wet is de behandeltermijn voor een drank¬ en horecavergunning verkort van 12 weken naar 8 weken. In verband met deze nieuwe beslistermijn is ook de beslistermijn van de exploitatievergunning horecabedrijf in artikel 2:28b van 12 weken naar 8 weken verkort. Voor gelijkschakeling is gekozen omdat Drank¬ en horecavergunningen veelal tegelijkertijd met exploitatievergunningen worden aangevraagd. Dientengevolge is ook de beslistermijn voor een exploitatievergunning voor een seksinrichting verkort van 12 weken naar 8 weken.

Artikel 3:10a Intrekkingsgronden

Dit aanvullende artikel geeft het bestuursorgaan de mogelijkheid de vergunning tijdelijk of voor onbepaalde tijd, geheel of gedeeltelijk in te trekken. De onder a genoemde intrekkingsgrond noemt de situatie dat het bestuursorgaan de exploitatievergunning ten gevolge van onjuiste of onvolledige gegevens heeft verleend. De intrekkingsgronden genoemd onder d, e en f vloeien rechtstreeks voort uit de doelstellingen die de wetgever heeft gehanteerd bij de opheffing van het bordeelverbod per 1 oktober 2000.

Met betrekking tot de onder k genoemde intrekkingsgrond wordt opgemerkt dat bij gebruikmaking daarvan de motivering aan zware eisen dient te voldoen. Het betreft immers omstandigheden waarop de betrokken vergunninghouder doorgaans geen invloed kan uitoefenen. Voorts mag hij erop vertrouwen dat een aan hem verleende vergunning normaal gesproken in stand blijft temeer gelet op de financiële consequenties.

Voor de overige intrekkingsgronden is aansluiting gezocht bij de intrekkingsgronden die worden genoemd bij horeca¬inrichtingen. Deze betreffen de persoon van de exploitant of leidinggevende. Achtergrond van deze gronden is de behoefte om deze personen meer rechtstreeks en effectief te kunnen aanspreken op hun doen en laten. Aan deze personen dienen hoge eisen te worden gesteld voor wat betreft hun levenswandel.

Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Afdeling 1 Geluidhinder en verlichting

Artikel 4:1 Begripsbepalingen

In de APV-wijziging 2018 zijn wetsverwijzingen geactualiseerd en verschillende begripsbepalingen geherformuleerd om beter aan de sluiten bij de model-APV van de VNG. Ook zijn een paar begripsbepalingen uit andere artikelen overgeheveld naar artikel 4:1 om alle begrippen volledig onder elkaar te hebben.

Artikel 4:2 Aanwijzing collectieve festiviteiten

Lid 1, 2, 6, 7 en 9

Enkele bepalingen zijn aangepast in aansluiting op de model-APV van de VNG en op advies van de DCMR: in lid 1 en 2 zijn namelijk enkele verwijzingen naar artikelen in het Activiteitenbesluit milieubeheer geactualiseerd en lid 6, 7 en 9 zijn nieuw toegevoegd.

Met de toevoeging van het zesde lid zijn de geluidsnormen vastgesteld die gelden op collectieve festiviteiten: de in de tabel genoemde geluidsnormen zijn hoger dan de geluidsnormen als bepaald in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit. De geluidsnormen zijn vastgesteld op advies van de DCMR. De tabel gaat uit van een verhoging van 15 dB (A) ten opzichte van de reguliere geluidsnormen van het Activiteitenbesluit. De verhoging van 15 dB(A) geeft de ondernemer voldoende geluidsruimte om een feestje te houden, maar is ook niet zo hoog dat de hinder ondragelijk wordt. De 15 dB (A) wordt door meerdere gemeenten in de regio gehanteerd. Hierdoor ontstaat een level playing field voor zowel ondernemers als inwoners.

Met de toevoeging van het negende lid wordt verduidelijkt dat de toegestane geluidsnormen op collectieve festiviteiten, als bedoeld in het vierde lid, alleen inpandig gelden en niet van toepassing zijn op de buitenruimte, zoals een terras.

Lid 10

Met het nieuw toegevoegde tiende lid wordt een maximale duur voor het ten gehore brengen van verhoogde muziek vastgesteld: namelijk tot uiterlijk 01:00 op zondag, maandag, dinsdag, woensdag of donderdag en tot uiterlijk 02:00 op vrijdag en zaterdag.

Voorheen gold een maximale tijdsduur voor het laten horen van verhoogde muziek wel tijdens incidentele festiviteiten (zie artikel 4:3) maar niet tijdens collectieve festiviteiten. Dit wordt nu gelijkgetrokken. Voor de maximale tijdsduur tot 01:00 en 02:00 is gekozen om de eindtijd van het ten gehore brengen van verhoogde muziek gelijk te trekken met de reguliere sluitingstijden. De reguliere sluitingstijden zijn, zoals is bepaald in artikel 2:29 lid 1, 01:00 en 02:00. Deze wijzigingen maken de regelgeving makkelijker, duidelijker en overzichtelijker voor de ondernemer.

De eindtijden worden als volgt:

 

zo-ma-di-woe-do

vr-zat

normale sluitingstijden(2:29 1)

01:00 (terras 24:00)

02:00 (terras 24:00)

collectieve festiviteit (4:2 9)

muziek boven geluidsnormen tot 01:00

muziek boven geluidsnormen tot 02:00

Artikel 4:3 Kennisgeving incidentele activiteiten

Net als in artikel 4:2 zijn hier, in de APV-wijziging 2018, enkele wijzigingen doorgevoerd in aansluiting op de model-APV van de VNG en op advies van de DCMR: in het nieuwe artikel zijn in lid 1 en 2 verwijzingen naar het Activiteitenbesluit Milieubeheer geactualiseerd, zijn lid 4 en 5 nieuw toegevoegd, is een nieuwe bepaling onder lid 7 toegevoegd om expliciet te noemen dat de onder lid 4 bedoelde geluidsnormen enkel inpandig gelden en niet voor een terras of andere buitenruimte, en is lid 8 tekstueel aangepast. Het bepaalde is lid 6 is ongewijzigd, alleen verplaatst van lid 8 uit de vorige APV naar lid 6 in de huidige APV, dit om in artikel 4:2 en 4:3 dezelfde volgorde van bepalingen aan te houden.

De in lid 4 genoemde geluidsnormen zijn aangeraden door de DCMR, en zijn dezelfde geluidsnormen als die zijn vastgesteld in lid 6 van artikel 4:2. Ook hier gaat de tabel uit van een verhoging van 15 dB (A) ten opzichte van de reguliere geluidsnormen van het Activiteitenbesluit. Zie artikel 4:2 lid 6 voor verdere toelichting hierover.

Enkele andere wijzigingen worden hieronder per lid nader toegelicht.

Lid 1 en lid 2 aankondigingstermijn

De aankondigingstermijn wordt verkort van 10 werkdagen naar 3 werkdagen. Hiermee wordt aansluiting gezocht bij de termijn voor het melden van een ontheffing sluitingstijden (“verlaatje”), die ook wordt verkort van 10 naar 3 werkdagen. Vanwege de geplande digitalisering van het indienen van de melding is een termijn van 3 dagen haalbaar.

Lid 3 nadere regels

Lid 3 tot en met lid 6 van de vorige APV zijn geschrapt en vervangen door de nieuwe bepaling in lid 3 dat het college nadere regels stelt voor het doen van de kennisgeving. Hiervoor is gekozen, omdat de kennisgevingsprocedure niet behoort in de APV en in plaats daarvan in nadere regels, uitvoeringsregels of beleidsregels verder dient te worden uitgewerkt. De procedure zal door het college worden vastgesteld en toelichting over de procedure zal onder de ondernemers worden verspreid.

Lid 8 uiterlijke duur van ten gehore brengen verhoogde muziek

De duur van het ten gehore brengen van verhoogde muziek wordt gewijzigd, zoals bepaald in lid 8. Deze wordt voortaan om 01:00 uur in plaats van 24:00 beëindigd, indien de festiviteit op zondag, maandag, dinsdag, woensdag of donderdag plaatsvindt. De eindtijd voor vrijdag en zaterdag blijft ongewijzigd om 02:00. Voor deze wijziging is gekozen om de eindtijd van het ten gehore brengen van verhoogde muziek gelijk te trekken met de reguliere sluitingstijden. De reguliere sluitingstijden zijn, zoals is bepaald in artikel 2:29 lid 1, 01:00 en 02:00.

De eindtijden worden als volgt:

 

zo-ma-di-woe-do

vr-zat

normale sluitingstijden(2:29 1)

01:00 (terras 24:00)

02:00 (terras 24:00)

incidentele festiviteit (4:3 7)

muziek boven geluidsnormen tot 01:00

muziek boven geluidsnormen tot 02:00

Artikel 4:4 Verboden incidentele festiviteiten

In artikel 4:4 stond het verbod om een incidentele festiviteit te organiseren, toe te laten, feitelijk te leiden of daaraan deel te nemen indien de burgemeester het organiseren van deze incidentele festiviteit heeft verboden.

Dit artikel is alleen al geruime tijd uit de model-APV geschrapt. Omdat de burgemeester rechtstreekse bevoegdheid heeft op basis van artikel 174 van de gemeentewet om op te treden, en aangezien artikel 1.8 van deze APV het verbod ook in voldoende mate afdekt, is het bepaalde onder artikel 4:4 onnodig en daarom geschrapt.

Artikel 4:4a Geluidsplafond

In artikel 4:4a stond dat het college nadere regels kan stellen ter voorkoming of beperking van geluidhinder bij collectieve of incidentele festiviteiten. Het is alleen niet nodig om nadere regels te stellen, omdat de in artikel 4:2 en 4:3 toegevoegde tabellen al voorzien in een geluidsplafond. Dit artikel is daarmee overbodig geworden.

Artikel 4:5 Onversterkte muziek

Artikel 4:5 is gericht op onversterkte muziek. In het Activiteitenbesluit milieubeheer is onversterkte muziek uitgezonderd van de algemene geluidsniveaus, wat betekent dat de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit niet van toepassing zijn op het laten horen van onversterkte muziek.

Gemeenten hebben, conform artikel 2.18, eerste lid onder f en vijfde lid van het Activiteitenbesluit, expliciet de bevoegdheid gekregen om voor onversterkte muziek regels op te nemen in de APV. Door het feit dat de hinderbeleving van onversterkte muziek zeker niet lager is dan die van versterkte muziek, dient deze op gelijke wijze te worden beschermd. Hierin wordt voorzien door artikel 4:5.

Het artikel met regels over onversterkte muziek maakte al deel uit van de APV, maar is in de APV-wijziging 2018 tekstueel en inhoudelijk aangepast. Dat is gedaan op advies van de DCMR, die ook toeziet op de naleving van dit artikel. Tevens wordt een toelichting op het al dan niet toepassen van lex silencio positivo toegevoegd.

Eerste lid

Conform artikel 4:5 eerste lid wordt onversterkte muziek tussen 19.00 uur en 7.00 uur niet buiten beschouwing gelaten bij het bepalen van het geluidsniveau van een inrichting. Dit betekent dat in deze tijdsperiode de geluidsnormen voor onversterkte muziek worden gelijkgesteld aan die van versterkte muziek en dat de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit Milieubeheer van 19:00 tot 07:00 van toepassing zijn. Deze geluidsnormen - voor onversterkte muziek die gelden tussen 19:00 en 07:00 - staan in het Activiteitenbesluit.

Het artikel is alleen gericht op onversterkte muziek vanuit inrichtingen en niet buiten inrichtingen. Of er sprake is van een inrichting, wordt bepaald door de Wet milieubeheer.

Vergeleken met de APV 2017 is de tijdsperiode gewijzigd waarbij de geluidsnormen van het Activiteitenbesluit gelden voor onversterkte muziek: in de APV 2017 golden de geluidsnormen gedurende de hele dag, met de APV-wijziging 2018 gelden de geluidsnormen alleen van 19:00 tot 07:00. Hiervoor is gekozen op advies van de DCMR: regulering overdag is volgens de DCMR niet nodig, ook omdat er in de regio geen klachten over onversterkte muziek overdag bekend zijn.

Verder is, vergeleken met de APV 2017, het eerste lid tekstueel aangepast: lid 1 aanhef is anders geformuleerd en de bepalingen in lid 1 sub a t/m d zijn geschrapt. Deze bepalingen staan ook in het Activiteitenbesluit, en aangezien het Activiteitenbesluit onverminderd van toepassing is op onversterkte muziek tussen 19:00 en 07:00 (zoals ook in het eerste lid vermeld), zijn ze overbodig om ook in de APV te noemen.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de geluidsnormen in het Activiteitenbesluit niet van toepassing zijn op onversterkte muziek voor zover het betreft;

  • -

    het geluid ten behoeve van het oproepen tot het belijden van godsdienst of levensovertuiging of het bijwonen van godsdienstige of levensbeschouwelijke bijeenkomsten en lijkplechtigheden, alsmede geluid in verband met het houden van deze bijeenkomsten of plechtigheden;

  • -

    het geluid van het traditioneel ten gehore brengen van muziek tijdens het hijsen en strijken van de nationale vlag bij zonsopkomst en zonsondergang op militaire inrichtingen;

  • -

    het ten gehore brengen van muziek vanwege het oefenen door militaire muziekcorpsen in de buitenlucht gedurende de dagperiode met een maximum van twee uren per week op militaire inrichtingen.

Tweede lid

Om vooral amateurgezelschappen in niet professionele oefenruimtes de kans te geven tot het hobbymatig beoefenen van onversterkte muziek, is voor hen in het tweede lid de mogelijkheid gecreëerd om twee uur op één avond in de week uitgezonderd te zijn van de geluidsniveaus. Daarnaast kunnen ze natuurlijk ook overdag oefenen tussen 07:00 en 19:00. Hierbij wordt in overeenstemming met het Activiteitenbesluit expliciet gesproken over “oefenen”. Op deze manier worden festiviteiten en optredens voor publiek uitgesloten. Er is sprake van oefenen als men muziek maakt zonder dat er publiek aanwezig is.

Vergeleken met de APV 2017, wordt met de APV-wijziging 2018 de oefenperiode in de avonden verkort en gedurende de dag verlengd, doordat muziekgezelschappen ’s avonds maar 2 uur per week kunnen oefenen en dat gedurende de dag onbeperkt kunnen doen.

Derde, vierde en vijfde lid

Het derde, vierde en vijfde lid spreken voor zich en zijn toegevoegd in aansluiting op de model-APV van de VNG en op advies van de DCMR.

In de vorige APV stond ook de bepaling dat de in 4:5 gestelde geluidsnormen niet gelden indien artikel 4:2 of 4:3 van toepassing is. Deze bepaling is geschrapt, omdat artikel 4:2 lid 1 en artikel 4:3 lid 1 dit al dekken.

Lex silencio positivo artikel 4:5 lid 5 Ontheffing onversterkte muziek

Vanwege de overlast en ergernis die geluidsoverlast oplevert is er van afgezien om hier een lex silencio positivo toe te passen. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht wordt daarom om deze dwingende redenen van algemeen belang niet van toepassing verklaard.

Artikel 4:5a tot en met 4:5e m.b.t. geluidhinder

De artikelen 4:5a tot en met 4:5e hebben betrekking op verschillende vormen van geluidhinder

  • De artikelen 4:5a, 4:5b en 4:5d zijn nieuwe aanvullingen in de APV-wijziging 2018

  • De artikelen 4:5c en 4:5e – over geluidhinder door motor/bromfietsen en bouwwerkzaamheden – maakten al deel uit van de APV (respectievelijk als artikel 4:6b en 4:6a) maar zijn met de APV-wijziging 2018 verplaatst voor een meer logische en heldere volgorde. De artikelen 4:5c en 4:5e zijn, afgezien van enkele wettechnische aanpassingen in aansluiting op de model-APV van de VNG, inhoudelijk niet aangepast. De toelichtingen bij deze twee artikelen, zoals deze voorheen deel uitmaakten van de APV, blijven ook onverminderd van toepassing.

Artikelen 4:5a, 4:5b en 4:5d

De artikelen 4:5a, 4:5b en 4:5d zijn toegevoegd vanuit de model-APV van de VNG. Ze zijn gebaseerd op de verordenende bevoegdheid krachtens de Gemeentewet en vormen een verdere uitwerking van overlast door geluidhinder. Naast de bepalingen over geluidhinder door motor- en bromfietsen en door bouwwerkzaamheden, die al in de APV stonden, worden enkele andere vormen van geluidhinder nu ook onderscheiden en specifiek genoemd: geluidhinder in de open lucht en door dieren. Tevens kan op basis van artikel 4:5e door het college een route voor vrachtwagens worden aangewezen, dat bijdraagt aan het verder beperken van geluidhinder door vrachtwagens.

Het nader specificeren van deze vormen van geluidhinder in de drie nieuwe artikelen is wenselijk, omdat er dikwijls meldingen over deze vormen van geluidhinder bij de gemeente binnenkomen. Ook zijn deze artikelen opgenomen met het oog op veranderingen bij het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) m.b.t. de registratie van processen-verbaal. De APV-artikelen uit deze verordening moeten overeenkomen met de artikelen uit de model-APV van de VNG, anders bestaat het risico dat de politie en buitengewoon opsporingsambtenaren van de gemeente geen boetes meer kunnen uitschrijven voor het overtreden van de APV-artikelen.

Op de ontheffingen als bedoeld in artikel 4:5a lid 2 en artikel 4:5d lid twee wordt afgezien van het toepassen van een lex silencio positivo.

Lex silencio positivo artikel 4:5a lid 2 Ontheffing verbod geluidhinder in de openlucht

Vanwege de overlast en ergernis die geluidsoverlast oplevert is er van afgezien om hier een lex silencio positivo toe te passen. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht wordt daarom om deze dwingende redenen van algemeen belang niet van toepassing verklaard.

Lex silencio positivo artikel 4:5d lid 2 Ontheffing routering

Tot een routering voor vrachtauto’s wordt besloten over te gaan om verschillende redenen, bijvoorbeeld om geluidhinder tegen te gaan, om de leefbaarheid van een woonwijk te beschermen en/of om een veilige route voor gevaarlijke stoffen te regelen. Om dezelfde redenen is het niet wenselijk om een ontheffing voor de routering van rechtswege toe te laten. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht wordt daarom om deze dwingende redenen van algemeen belang niet van toepassing verklaard.

Artikel 4:5c (Geluid)hinder door motorvoertuigen en bromfietsen

Artikel 4:5c regelt het verbod om buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer zich met een motorvoertuig of een bromfiets zodanig te gedragen, dat daardoor voor een omwonende of overigens voor de omgeving (geluid)hinder ontstaat. Artikel 4:5c verbiedt het zich “(geluid)hinderlijk” gedragen met een motorvoertuig of een bromfiets. “Gedragen” betreft niet alleen het rondrijden, maar ook het stilstaan met (luidruchtig) draaiende motor. Het artikel komt niet in strijd met het bepaalde in de Wegenverkeerswet; de Hoge Raad heeft uitgemaakt dat deze wet geen betrekking heeft op het misbruiken van de weg door personen die daarbij geen eigen verkeersbelang kunnen doen gelden.

Artikel 4:5e Geluidhinder door handelingen t.b.v. bouwwerkzaamheden

Artikel 4:5e beoogt geluidhinder voor omwonenden van een bouwterrein te voorkomen. Onder de werking van deze bepaling vallen handelingen die ten behoeve van bouwwerkzaamheden worden verricht. Te denken valt hierbij aan de aan¬ en afvoer van materieel, het laden en lossen van vrachtauto’s met bouwmaterialen enz. In dit artikel is een verbod opgenomen om vóór 7.00 uur en na 19.00 uur dergelijke handelingen te verrichten of te laten verrichten wanneer daardoor geluidhinder voor een omwonende of overigens voor de omgeving wordt veroorzaakt.

Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet of een provinciale verordening wordt voorzien (derde lid).

Lex silencio positivo artikel 4:5e lid 2 Ontheffing verbod bouwwerkzaamheden

Vanwege de overlast en ergernis die het geluid van bouwwerkzaamheden kan opleveren is er van afgezien om hier een lex silencio positivo toe te passen. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht wordt daarom om deze dwingende redenen van algemeen belang niet van toepassing verklaard.

Artikel 4:6 Overige geluidhinder

Bedacht moet worden dat klachten over vormen van geluidhinder nogal eens een minder goede verstandhouding tussen buren of omwonenden als achtergrond hebben. Normale handelingen worden dan eerder als (geluid)hinderlijk ervaren, terwijl men minder geneigd is aan een afdoende oplossing mee te werken.

Door in het eerste lid de zinsnede “een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer of het Besluit” op te nemen wordt de afbakening direct vastgelegd. Een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer heeft ofwel een milieuvergunning nodig (waarin geluidsvoorschriften zijn opgenomen) ofwel zijn algemene regels op grond van het Besluit van toepassing. In deze algemene regels zijn ook geluidsvoorschriften opgenomen.

In de praktijk zullen vooral de Zondagswet, Wet Geluidhinder, Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit een afbakeningsdiscussie opleveren. Daarom is gekozen om deze wetten afzonderlijk te benoemen in lid 3. De provinciale milieuverordening is toegevoegd in dit lid. In een provinciale milieuverordening kunnen namelijk zogenaamde milieubeschermingsgebieden worden aangewezen, waaronder stiltegebieden. Voor deze stiltegebieden kunnen bij provinciale milieuverordening regels over het voorkomen en beperken van geluidhinder worden gesteld, waaronder verbodsbepalingen. De provinciale milieuverordening gaat in dit geval voor de gemeentelijke verordening. Voor wat betreft de afbakening met hogere regelgeving geldt op grond van artikel 122 van de Gemeentewet dat de bepalingen van de APV van rechtswege vervallen als in het onderwerp door een wet, AMvB of een provinciale verordening wordt voorzien. De term “onderwerp” in artikel 122 betekent dat het om dezelfde materie moet gaan en dat hetzelfde motief ten grondslag moet liggen aan zowel de lagere als de hogere regeling. De formulering van de afbakeningsbepaling in het derde lid sluit daarom aan bij de Gemeentewet. Artikel 4:6 heeft betrekking op de vormen van geluidhinder waarin de andere regelingen niet voorzien. Onder andere valt te denken aan:

  • -

    een niet permanente activiteit in een niet besloten ruimte, zoals een kermis, een heidefeest, een braderie, een rally, enz.;

  • -

    het door middel van luidsprekers op voertuigen of anderszins reclame of muziek maken of mededelingen doen;

  • -

    het ten gehore brengen van achtergrondmuziek in winkelstraten; ¬ het gebruik van diverse geluidproducerende recreatietoestellen;

  • -

    het gebruik van bouwmachines, zoals compressors, cirkelzagen, trilhamers en heistellingen;

  • -

    het toepassen van knalapparatuur om vogels te verjagen, enz., enz. ¬ overige handelingen waardoor geluidoverlast ontstaat.

Voorts kunnen onder artikel 4:6 vormen van geluidhinder vallen, veroorzaakt door het beoefenen van “lawaaiige” hobby’s, het voortdurend bespelen van muziekinstrumenten, het gebruiken van elektro¬ akoestische apparatuur, het laten draaien van koelaggregaten op vrachtwagens, enz. Met name voor deze vormen van geluidhinder ontbreken algemeen geldende criteria of normen. Dit behoeft ook niemand te verwonderen: de bron van geluidhinder is niet een bepaalde, aanwijsbare inrichting of gedraging. In beginsel kan het elke gedraging betreffen. Van geval tot geval zal daarom moeten worden nagegaan in welke situatie en gedurende welke tijden er sprake is van geluidhinder, en welke maatregelen kunnen worden genomen. Uitgangspunt daarbij zal moeten zijn dat een zekere mate van (geluid)hinder als zijnde onvermijdelijk zal moeten worden aanvaard. Het college kan ontheffing van het verbod verlenen, zo nodig met voorschriften.

In de APV-wijziging 2018 is de formulering van lid 1 aangepast om aan te sluiten bij de model-APV van de VNG. De aansluiting bij de model-APV van de VNG is voor dit artikel noodzakelijk vanwege veranderingen bij het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) m.b.t. de registratie van processen-verbaal. Zie voor verdere toelichting hierover artikel 2:57.

Lex silencio positivo

Het tweede lid maakt een ontheffing van het verbod in het eerste lid mogelijk. Vanwege de overlast en ergernis die geluidsoverlast oplevert is ervan afgezien om hier een lex silencio positivo toe te passen. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht wordt niet van toepassing verklaard.

Artikel 4:6a Mosquito

Een “mosquito” is een apparaatje dat een hinderlijke hoge pieptoon veroorzaakt die alleen voor jongeren tot een leeftijd van ongeveer 25 jaar hoorbaar is. Dit apparaat wordt in meer dan honderd Nederlandse gemeenten gebruikt ter bestrijding van overlast door hangjongeren. Het gebruik van de mosquito is effectief, maar omstreden. Hoewel uit onderzoek van onder meer TNO blijkt dat de mosquito bij normaal gebruik geen gezondheidsschade oplevert, wordt met het aanbrengen ervan in ieder geval de bewegingsvrijheid van jongeren beperkt, die wordt beschermd door artikel 2 van het Vierde Protocol bij het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM). De mosquito dient daarom alleen gebruikt te worden als alle andere maatregelen hebben gefaald.

Desondanks wordt geadviseerd het artikel wel in de APV op te nemen om, als de noodzaak zich aandient, regelgeving te hebben en snel te kunnen optreden.

De duur van de periode, gedurende welke de mosquito kan worden aangebracht, wordt gesteld op zes maanden. De lengte van de tijdsduur komt overeen met de APV van Rotterdam. Deze termijn is een redelijk gebruikelijke termijn.

Artikel 4:6b (Geluid)hinder door bromfietsen en dergelijke

(Vervallen)

Afdeling 2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging

Artikel 4:7 Straatvegen

Het artikel is in de model¬APV facultatief opgenomen. Omdat dit artikel in de praktijk (volgens de vorige APV) een slapend artikel is gebleken, is het met het oog op de vereenvoudiging geschrapt.

Afdeling 3 Het bewaren van houtopstanden

Artikel 4:10 Begripsbepalingen

Ten aanzien van artikel 4:10 lid 1 zijn de volgende wijzigen doorgevoerd.

Artikel 4:10 lid 1g. boomwaarde is aangepast. De richtlijnen van de Nederlandse Vereniging van Taxateurs van Bomen en houtige gewassen (NVTB) voor de monetaire boomwaarde worden jaarlijks vastgesteld aan de hand van de prijsindexcijfers van het CBS, marktprijsgemiddelden en andere kengetallen. De richtlijnen gelden als de meest deskundige methodiek voor de wijze van vaststellen van de geldwaarde van bomen en worden in de rechtspraak erkend.

Artikel 4:10 lid 1h, vellen, is aangepast. Kandelaberen of het snoeien van meer dan 30 procent van het kroonvolume, vallen nu onder vellen. Dit om het ernstig beschadigen of ontsieren van een boom(kroon) tegen te kunnen gaan.

Artikel 4:10 lid 1i , Bomen Effect Analyseis toegevoegd. Om bomen goed in te passen en schade te voorkomen bij de bouw en aanleg van huizen, wegen, rioleringen of kabels en leidingen dient er in sommige gevallen een Bomen effectanalyse te worden uitgevoerd. De Bomen Effect Analyse (BEA) is de landelijke richtlijn van de Bomenstichting voor een nauwgezette en onafhankelijke beoordeling, voorafgaand aan de voorgenomen bouw of aanleg. Deze standaardisering waarborgt de boomtechnische kwaliteit en garandeert een goede beoordeling van alle effecten en mogelijke alternatieven. Een BEA dient uitgevoerd te worden door een deskundig boomverzorger of boomtechnisch adviseur. De resultaten van deze beoordeling kunnen vervolgens worden meegenomen in de besluitvorming rond bouw of aanleg.

In de APV-wijziging 2018 zijn de wetsverwijzingen geactualiseerd.

Artikel 4:11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden

Lex Silencio Positivo

Voor omgevingsvergunningen geldt altijd een LSP. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht wordt dan ook van toepassing verklaard.

Voorts zijn er een aantal wijzigingen doorgevoerd in dit artikel. De leden 4:11 lid 2 a, b, c en d zijn komen te vervallen. Onderstaand wordt artikelgewijs de motivering hiervoor gegeven.

  • -

    2a. wegbeplantingen en eenrijige beplanting langs landbouwgronden komen in Maasluis niet voor;

  • -

    b. vruchtbomen en windschermen vallen onder het regulier boombeleid en hoeven niet te worden uitgezonderd;

  • -

    c. fijnsparren en coniferen vallen onder het regulier boombeleid en hoeven niet te worden uitgezonderd;

  • -

    d. kweekgoed valt onder het regulier boombeleid en hoeft niet te worden uitgezonderd.

Vervolgens zijn aan artikel 4:11 toegevoegd:

2b. voor knotten en kandelaberen als beheermaatregel geldt een vrijstelling;

d. in het kader van deregulering geldt er voor kleine voortuinen ≤ 20 m2 een vrijstelling.

Artikel 4:11c Bijzondere vergunningsvoorschriften

Aan dit artikel is een extra lid 3 toegevoegd. In projecten waar geen herplant kan plaatsvinden, kan er een financiële compensatie worden opgelegd zodat er elders in de stad nieuwe bomen kunnen worden geplant. Om voortijdige of onnodige kap te voorkomen dient de noodzaak van de kap te worden aangetoond.

Artikel 4:11d Herplant¬/instandhoudingsplicht

Aan dit artikel zijn toevoegingen opgenomen in lid 3 (onder punt a en b) dat om instandhouding van een houtopstand te kunnen borgen het bevoegd gezag verplichtingen kan voorschrijven in de vorm van aanwijzingen of het laten opstellen van een Bomen Effect Analyse (BEA).

Artikel 4:11e Schadevergoeding

De Boswet is vervallen en overgegaan in de Wet Natuurbescherming. Wat betreft artikel 4:11e, is in de Wet Natuurbescherming geen soortgelijk artikel opgenomen als artikel 17 van de Boswet. Andere gemeenten hebben er daarom voor gekozen om het bepaalde in artikel 17 van de Boswet integraal over te nemen in de APV. Daarvoor is ook in de APV-wijziging 2018 gekozen.

Artikel 4:11h Afstand tot de erfgrens

Dit is een nieuw artikel dat wordt toegevoegd in de APV-wijziging 2018. Het bepaalt de toegestane afstand tot de erfgrenslijn van bomen, heggen en heesters. In artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek (BW) staat aangegeven dat bomen op minimaal 2 meter en heggen en heesters op minimaal 0,5 meter van de erfgrens moeten staan. Ingevolge artikel 5:42 lid 2 BW mag in een plaatselijke verordening van deze afstanden worden afgeweken. Met het nieuwe artikel 4:11h wordt dat gedaan voor bomen, heggen en heesters die op de openbare weg staan.

Het is wenselijk en nodig om af te wijken van de in artikel 5:42 BW bepaalde afstanden ter bescherming van geplante bomen, heesters en heggen op gemeentegrond. In de huidige situatie kan de gemeente onbedoeld door derden worden opgedragen om bestaande bomen, heesters en heggen te verwijderen, wanneer deze zich bevinden op de binnen de in artikel 5:42 BW gestelde afstanden. Met de voorgestelde wijziging wordt de verplichte afstand tot de erfgrenslijn vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heesters en heggen. Hiermee worden de bomen en de heersers en heggen beschermd die nu op de openbare weg staan en die binnen een afstand van 2 en 0,5 meter of een afstand van 0,5 en 0 meter van de erfgrens staan. Ook kunnen met het nieuwe artikel bomen dichterbij de erfgrens worden geplant indien de beschikbare plantruimte te beperkt is en het wel wenselijk is bomen op een openbare weg te planten.

Een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch (ECLI:NL:GHSHE:2009:BI4753) heeft extra duidelijk gemaakt dat het bepalen van afwijkende erfgrensafstanden nodig is voor de bescherming van gemeentelijke beplanting. In artikel 5:42 lid 1 BW worden uitzonderingen op de verplichte erfgrensafstanden genoemd die openbare grond betreffen maar weleens onjuist geïnterpreteerd zijn. Daarin staat dat “het niet is geoorloofd [om] binnen de in [artikel 5:42] lid 2 bepaalde afstand van de grenslijn van eens anders erf bomen, heesters of heggen te hebben, tenzij dat erf een openbare weg of een openbaar water is.”

In de zaak van het Gerechtshof heeft de gedaagde, een gemeente, op basis van de hierboven genoemde uitzondering aangegeven dat de regels voor verplichte afstanden tot de erfgrens niet gelden voor bomen en beplanting op openbare grond. De bomen, heggen of heesters in eigendom van de gemeente zouden dus wel dichter tegen de erfgrens aan mogen worden geplant. Het Gerechtshof heeft deze uitleg van de in artikel 5:42 lid 1 genoemde uitzondering echter weerlegd: “Art. 5:42 BW staat niet toe dat de eigenaar van een openbare weg binnen twee meter van eens anders erf bomen plant. Dat de consequentie is dat aan een particulier wiens grond aan de openbare weg grenst, in dit opzicht meer is toegestaan dan de eigenaar van die openbare grond, brengt niet mee dat de duidelijke wettekst anders zou moeten worden uitgelegd.”

De verplichte erfgrensafstanden in artikel 5:42 gelden kortom ook voor openbare beplanting. Gemeentelijke bomen, heggen en heesters kunnen enkel worden beschermd door in de APV afwijkende erfgrensafstanden te bepalen.

Artikel 4:12 Vergunning van rechtswege/Artikel 4:12a Vervaltermijn vergunning

Om een te snelle of onnodige kap te voorkomen is er geen vervaltermijn opgenomen. Houtopstanden mogen pas worden gekapt indien de noodzaak van de kap is aangetoond. Voortijdige kap is conform artikel 4.11c lid 3 niet toegestaan.

Afdeling 4 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast

Artikel 4:13a Verontreiniging bij werkzaamheden op een openbare plaats

Artikel 4:13 verschaft een basis voor het treffen van maatregelen tegen een uit oogpunt van welstand en bescherming van de openbare gezondheid ontoelaatbare opslag van bromfietsen en caravans e.d., en landbouwproducten. De weg niet reinigen na verontreiniging bij laden, lossen, vervoer of andere werkzaamheden terstond bij gevaar voor de verkeersveiligheid of voor beschadiging van het wegdek, komt in Maassluis (regelmatig) voor (zie artikel 2:10; voorwerpen of stoffen aan, op, in of boven een openbare plaats). Het onderhavige, aanvullende artikel stelt verplicht de weg, indien er gevaar dreigt voor de verkeersveiligheid of beschadiging van het wegdek, na verontreiniging ervan bij laden, lossen, vervoer of andere werkzaamheden, terstond te reinigen.

Artikel 4:15Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclames

In de APV-wijziging 2018 zijn de wetsverwijzingen geactualiseerd.

Afdeling 5 Kamperen buiten kampeerterrein

Artikel 4:17 Begripsbepaling

Dit artikel is gewijzigd conform de tekst van de modelverordening APV. De oude tekst verwees nog naar artikel 40 woningwet voor een bouwvergunning. Met de inwerkingtreding van de WABO is dit gewijzigd in artikel 2.1, eerste lid onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 4:18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen

Lex silencio positivo

Dit artikel dient met name de bescherming van natuur en milieu. Het zou hoogst onwaarschijnlijk zijn als er een vergunning van rechtswege zou ontstaan die toestaat dat in een kwetsbaar natuurgebied gekampeerd wordt. Paragraaf 4.1.3.3. Awb wordt niet van toepassing verklaard. Voorts is dit artikel in overeenstemming gebracht met de modelverordening APV. Op grond van dit artikel is het verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst te houden buiten een kampeerterrein dat zodanig in het bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bestemd of mede bestemd.

Artikel 4:19 Aanwijzing kampeerplaatsen

Het verbod opgenomen in artikel 4:18 eerste lid wordt niet van toepassing verklaard op door het college aangewezen plaatsen. Voorts kan het college op grond van lid 2 en 3 nadere regels stellen ten aanzien van de duur en periode waarbij dit verbod niet geldt alsmede regels stellen ter bescherming van de natuur en/of landschap en/of het stadsgezicht.

Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding van de gemeente

Afdeling 1 Parkeerexcessen

Artikel 5:1 Begripsbepalingen

Zie de toelichting onder artikel 1:1.

Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf en dergelijke

Lid 4 van het artikel wordt geschrapt in de APV-wijziging 2018. Hiermee vervalt de ontheffingsmogelijkheid voor autobedrijven om meer dan 3 voertuigen op de weg te parkeren of de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken, en komt hiervoor in de plaats een absoluut verbod. De praktijk wijst uit dat er geen gebruik wordt gemaakt van deze ontheffingsmogelijkheid. Er zijn ook geen beleidsregels op basis waarvan de ontheffingsaanvraag kan worden getoetst. Dit maakt het een overbodige bepaling. Daarnaast is een algeheel verbod wenselijk, omdat autobedrijven over een eigen terrein beschikken voor het stallen/herstellen/slopen/verhuren/verhandelen van voertuigen. Het is onredelijk en niet te rechtvaardigen om autobedrijven ook gebruik te laten maken van openbare parkeerplaatsen en daarmee extra druk te zetten op de al beperkte parkeerruimte.

Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen

Door het schrappen van “op een door het college aangewezen weg” onder lid 1 en van de ontheffingsmogelijkheid onder lid 2 is het verbod om voertuigen te koop aan te bieden op de openbare weg absoluut geworden. De redenen hiervoor zijn dat het gebruik van de openbare weg voor het te koop aanbieden van auto’s zelden voorkomt en dat van de ontheffingsmogelijkheid nooit gebruik wordt gemaakt. Ook is het niet wenselijk om de openbare weg te gebruiken voor het te koop aanbieden van voertuigen. Websites als http://www.marktplaats.nl lenen zich beter hiervoor.

Artikel 5:6 Kampeermiddelen en dergelijke

Lex silencio positivo

In verband met situaties waarbij de openbare orde/verkeersveiligheid in het geding kan raken of dat de beperkte parkeerruimte door caravans e.d. overbelast zou raken zou het onwenselijk zijn dat een ontheffing zoals opgenomen in lid 3 zou ontstaan als er een beslistermijn wordt overschreden. Om die reden is van een lex silencio positivo afgezien. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Eerste lid, onder a

Deze bepaling richt zich tegen het langer dan nodig plaatsen of hebben van voertuigen die voor recreatie e.d. worden gebruikt. Hieronder vallen in ieder geval: caravans, campers, kampeerwagens, aanhangwagens, magazijnwagens, keetwagens e.d. op de weg. In deze bepaling zijn de woorden “parkeren” gewijzigd in “te plaatsen of te hebben” om de handhaving van deze bepaling eenvoudiger te maken. Met het steeds een paar meter verplaatsen van een caravan, aanhangwagentje e.d. op de openbare weg wordt handhaving van deze bepaling niet langer meer voorkomen. Met de zinsnede “of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebruikt” is beoogd aan te geven dat alle soorten (aanhang)wagens en voertuigen, die niet “dagelijks” worden gebruikt als vervoermiddel onder deze bepaling kunnen vallen.

Gezien de veelal toenemende parkeerdruk op de openbare weg ¬ vaak juist ook in woonwijken ¬ zou ervoor gekozen kunnen worden om de redactie van de bepaling in het eerste lid onder a stringenter te redigeren en direct voor de gehele gemeente (of een gedeelte daarvan) van toepassing te verklaren:

“a. langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen (binnen de bebouwde kom) op de weg te plaatsen of te hebben;”

Eerste lid, onder b

Deze bepaling richt zich ook tegen het ontsieren van het uiterlijk aanzien van de gemeente door het doen of laten staan van caravans e.d. elders dan op de weg in de zin van de WVW 1994. In zoverre betreft deze bepaling derhalve niet een “eigenlijk” parkeerexces, dat immers veronderstelt dat de gedraging plaatsvindt op een weg (in de zin van de WVW 1994).

Zoals opgemerkt in de toelichting op artikel 5:1, onderdeel b, wordt het begrip “parkeren” zo uitgelegd, dat het verbod in dit artikel zich niet alleen richt op de bestuurder van een voertuig maar ook op de andere belanghebbenden bij het voertuig. In lid 2 is opgenomen dat de zogenoemde “driedagenregeling” niet geldt in de periode 1 juli tot 1 september.

Eerste lid, onder c

Conform lid 1 sub c is het college bevoegd plaatsen aan te wijzen waar het is verboden kampeermiddelen e.d. te parkeren, en worden de redenen op basis waarvan het college dat kan doen met de APV-wijziging 2018 uitgebreid. Het college kan ook plaatsen aanwijzen “waar dit naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte”. Deze toevoeging bleek wenselijk en nodig, omdat er in Maassluis een hoge parkeerdruk is en deze vanwege het toenemende aantal campers en caravans verder onder druk kan komen te staan.

Derde lid

De mogelijkheid van een ontheffing voor het in het lid 1 onder a gestelde verbod – langer dan drie dagen een voor recreatie gebruikt voertuig parkeren – blijft ongewijzigd in de APV. Hieraan wordt met de APV-wijziging 2018 toegevoegd dat ook voor het in artikel 1 lid c gestelde verbod een ontheffing kan worden verleend. Met een aanwijzingsbesluit zijn recentelijk gebieden aangewezen waar het verbod als bedoeld in artikel 1 lid c geldt, dit om parkeerexcessen tegen te gaan. Met het aanwijzingsbesluit wordt het parkeren van voertuigen als bedoeld in lid 1 ten allen tijden verboden. Voor de bewoners van dit gebied is er nu, middels het aanvragen van een ontheffing, de mogelijkheid om een camper, caravan of ander voertuig als bedoeld in lid 1 wel in het gebied te parkeren, bijvoorbeeld ter voorbereiding of afronding van hun vakantie.

Artikel 5:6a Parkeren van caravans, aanhangwagens in een parkeerschijfzone

Op diverse plaatsen is een zogenaamde parkeerschijfzone ingesteld. Dit houdt in dat alleen in de aangelegde parkeervakken geparkeerd mag worden (aangelegd met een blauwe streep). Bij deze parkeervakken is het gebruik van de parkeerschijf verplicht. De bedoeling van een parkeerzone is het langdurig parkeren verhinderen. Het gebruik van de parkeerschijf is alleen verplicht gedurende de tijd die op het onderbord staat aangegeven.

Dit artikel als aanvulling op artikel 5:6, wil voor alle duidelijkheid aangeven dat onverminderd de caravanregeling, het nimmer is toegestaan caravans, campers en aanhangwagens te mogen plaatsen in een parkeerschijfzone.

Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen

In lijn met artikel 5:2 en 5:3 wordt ook in dit artikel de ontheffingsmogelijkheid geschrapt in de APV-wijziging 2018. Het parkeren van reclamevoertuigen aan de weg wordt daarmee een absoluut verbod. De redenen hiervoor zijn dezelfde als die ten grondslag liggen aan het schrappen van de ontheffingsmogelijkheid in artikel 5:2 en 5:3: ook van deze ontheffingsmogelijkheid wordt in de praktijk geen gebruik gemaakt en er zijn geen beleidsregels als toetsingskader. De hoge parkeerdruk is een andere reden om voor een absoluut verbod te kiezen. En ten slotte is het wenselijk om reclame-uitingen en in het bijzonder zeer opvallende reclame-uitingen, zoals op voertuigen, in openbaar gebied te beperken om het uiterlijk aanzien van de gemeenten niet te schaden. Bedrijven hebben andere reclamemogelijkheden die minder impact hebben op het gebruik van de openbare weg en het aanzien van de gemeente, en daarom de voorkeur hebben.

Het in dit artikel omschreven verbod is beperkt tot het maken van handelsreclame (commerciële reclame). De definitie van handelsreclame staat genoemd in artikel 1:1. Er is bewust gekozen voor de term handelsreclame, en niet reclame, in aansluiting op de model-APV van de VNG en op de Grondwet. Uit jurisprudentie en uit artikel 7 vierde lid van de Grondwet, betreffende de vrijheid van meningsuiting en daarmee ook de verspreiding van gedrukte stukken, blijkt dat de gemeentelijke wetgever het maken van handelsreclame aan beperkingen mag onderwerpen. In artikel 7 vierde lid van de Grondwet wordt handelsreclame namelijk buiten de werking van het artikel geplaatst. De uitzondering heeft slechts betrekking op reclame voor commerciële doeleinden en omvat daarmee elk aanbod van goederen en diensten, maar is niet van toepassing op reclame voor ideële doeleinden. Met de term handelsreclame wordt afgebakend dat het gaat om reclame-uitingen enkel voor commerciële doeleinden.

Met de zinsnede “met het kennelijke doel om handelsreclame te maken” wordt afgebakend dat het in het artikel omschreven verbod niet geldt voor bedrijfswagens die weliswaar een handelsnaam of logo hebben maar die voornamelijk als vervoersmiddel worden gebruikt. Als handelsreclame in de zin van deze bepaling geldt niet de vermelding op een voertuig van de naam van het bedrijf waarbij het voertuig in gebruik is en een (korte) aanduiding van de goederen of diensten die het bedrijf pleegt aan te bieden. Deze voertuigen worden immers niet primair gebruikt “met het kennelijke doel om daarmee handelsreclame te maken”, maar vooral als vervoersmiddel. Het maken van reclame staat dus voorop.

Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen

De formulering van het eerste en tweede lid zijn aangepast en daarmee wordt aangesloten bij de model-APV van de VNG. De nieuwe formulering is duidelijker en helderder dan de vorige.

Op basis van de vorige formulering is het verboden op een andere dan door het college aangewezen plaats te parkeren waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente of voor de verdeling van de parkeerruimte. Dit betekent letterlijk, omdat de bepalingen m.b.t het uiterlijk aanzien en de parkeerruimte terugverwijzen naar de plaats, dat het parkeren van een groot voertuig alleen is verboden op de niet-aangewezen plaatsen die schadelijk zijn voor het uiterlijk aanzien van de gemeente of voor de verdeling van beschikbare parkeerruimte. Daar waar parkeren niet schadelijk is voor het uiterlijk aanzien of voor de parkeerruimte, mag dus wel worden geparkeerd. Letterlijk gezien moet per individueel geval de afweging worden gemaakt of het parkeren schadelijk is of niet. Dit strookt niet met het verkeersbord bij het inrijden van de bebouwde kom van Maassluis, dat het parkeren van grote voertuigen in de hele gemeente verbiedt. Deze formulering wekt kortom verwarring op.

In de nieuwe formulering is het verboden op een door het college aangewezen plaats te parkeren waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente of voor de verdeling van de parkeerruimte. In deze formulering is het duidelijk dat de bepalingen m.b.t. het uiterlijk aanzien en de parkeerruimte terugverwijzen naar de aangewezen plaatsen; ofwel dat de gemeente een verbodszone mag aanwijzen waar het parkeren van grote voertuigen schadelijk is voor het uiterlijk aanzien en/of voor de beschikbare parkeerruimte. Veel gemeenten hebben het model artikel overgenomen en in een aanwijzingsbesluit alle binnen de gemeente gelegen openbare wegen aangewezen als parkeerverbodzone, en enkel een paar straten uitgezonderd waar het parkeren wel is toegestaan. Dat is logischer en geeft geen verwarring.

Lex silencio positivo

In verband met situaties waarbij de openbare orde/verkeersveiligheid in het geding kan raken of dat de beperkte parkeerruimte overbelast zou raken zou het onwenselijk zijn dat een ontheffing zoals opgenomen in lid 4 zou ontstaan als er een beslistermijn wordt overschreden. Om die reden is van een lex silencio positivo afgezien. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing.

Artikel 5:9a Parkeren op aanbiedplaats huishoudelijk afval

Deze aanvullende bepaling spreekt eigenlijk voor zich. Er zijn (parkeer)plaatsen aangewezen waarop de burgers hun afval moeten aanbieden. Het verbod houdt in dat op het aangegeven moment (dag) daar dan niet geparkeerd mag worden.

Artikel 5:10 Parkeren anders dan op de rijbaan

Dit is een nieuw artikel in de APV, toegevoegd met de APV-wijziging 2018. Het college kan conform de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) door middel van een verkeersbesluit parkeer- of stopverboden voor de weg instellen, waarvoor de verkeerstekens worden gebruikt die in bijlage 1 van het RVV 1990 zijn opgenomen. Onder ‘weg’ vallen ook de tot de weg behorende paden, bermen en zijkanten, zoals bepaald in artikel 1 eerste lid onder b van de WVW 1994. In de APV wordt deze definitie van ‘weg’ gevolgd (artikel 1:1).

Sinds de uitspraak van het Hof Arnhem-Leeuwarden op 23-05-2016 (ECLI:NL:GHARL:2016:3927) geldt dat de plaatsing van de verbodsborden E1, E2 en E3 uit bijlage 1 bij het RVV 1990 niet het parkeren (of laten staan) in de berm of een braakliggend terrein verbieden, maar alleen het parkeren (of laten staan) op de rijbaan. Deze verbodsborden betreffen respectievelijk het parkeerverbod, het stopverbod en het verbod fietsen en bromfietsen te plaatsen. Artikel 65, tweede lid, van het RVV 1990 bepaalt dat deze verkeersborden slechts gelden voor de zijde van de weg waar zij zijn geplaatst. Volgens het hof moet ‘weg’ hier niet worden opgevat in de zin van artikel 1, eerste lid, onder b, van de WVW 1994 en beperkt het parkeerverbod volgens bord E1 zich uitsluitend tot de rijbaan. Het bovenstaande geldt ook bij gebruik van genoemde verbodsborden met de aanduiding ‘zone’.

Als een gemeente een parkeerverbod wil instellen voor andere weggedeelten dan de rijbaan, zoals voor bermen, is dus een aanvullende grondslag bij gemeentelijke verordening nodig. Artikel 2a van de WVW 1994 maakt dit mogelijk. Op grond van dit artikel kunnen gemeenten bij verordening verkeersregels stellen voor zover deze niet in strijd zijn met de WVW 1994 en verkeerstekens krachtens die wet zich daar niet toe lenen. Aan deze voorwaarden wordt voldaan als de gemeente een parkeerverbod wil instellen voor andere weggedeelten dan de rijbaan. Artikel 5:10 voorziet in de grondslag voor een verkeersbesluit met die strekking. Voor het ter plaatse kenbaar maken van een parkeerverbod dient de gemeente wel een zelf ontworpen verbodsbord te plaatsen.

Het verbod geldt niet voor voertuigen die worden gebruikt voor wegwerkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam (tweede lid).

Op basis van artikel 5:11 (zie de toelichting hieronder) is het al verboden om een voertuig te parkeren in een park of plantsoen of in een van gemeentewege aangelegde beplanting of groenstrook. Veel groenstroken zijn gelegen langs de rijbaan. Artikel 5:10 dient ter aanvulling van artikel 5:11: op basis van artikel 5:11 kan worden opgetreden tegen parkeren in een groenstrook naast de rijbaan, en op basis van artikel 5:11 kan, indien dat nodig blijkt, worden opgetreden tegen parkeren in een ander weggedeelte dan de rijbaan dat geen groenstrook is.

Artikel 5:11 Aantasting groenvoorziening door voertuigen

Het bepaalde onder artikel 5:11 stond al in de APV onder artikel 2:46 maar wordt nu overgeheveld naar artikel 5:11, zonder het artikel inhoudelijk aan te passen. Voor de verplaatsing van het artikel is gekozen, omdat artikel 5:11 betrekking heeft op parkeerovertredingen en daarom beter hoort onder afdeling 1 parkeerexcessen van hoofdstuk 5. Ook volgt artikel 5:11 over parkeren in groenvoorzieningen nu precies na artikel 5:10 dat betrekking heeft op parkeren in de berm. Deze twee artikelen liggen in elkaar verlengde en ook daarom is ervoor gekozen om de twee artikelen vlakbij elkaar te plaatsen in de APV.

Lex silencio positivo artikel 5:11 lid 3 Ontheffing rijden door een park of plantsoen of voertuig daarin doen of laten staan

Gezien het belang dat hier aan de orde is, namelijk het voorkomen van schade aan groenvoorzieningen, is het niet wenselijk om hier een lex silencio postivio toe te passen. Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht wordt daarom niet van toepassing verklaard.

Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets

Dit artikel heeft betrekking op het hinderlijk parkeren van (brom)fietsen. Lid 1 van het artikel biedt de juridische basis om op te treden indien (brom)fietsen hinderlijk of gevaarlijk staan geparkeerd.

Een nieuw tweede lid is toegevoegd aan het artikel in de APV-wijziging 2018. Deze nieuwe bepaling maakte voorheen wel deel uit van de APV, maar is onbedoeld weggevallen en daarom nu opnieuw toegevoegd. Het tweede lid maakt het verwijderen van (brom)fietsen mogelijk die door de eigenaar of gebruiker in de openbare ruimte zijn achtergelaten nadat er technische mankementen zijn opgetreden of schade is ontstaan, zoals een verbogen of ontbrekend wiel, een ontbrekend zadel, stuur of trapper, een gebroken ketting of als de fiets zichtbaar lange tijd niet is gebruikt (weesfietsen). Reparatie kan in deze gevallen nog wel de moeite waard zijn maar wordt kennelijk niet gedaan. In de praktijk wordt, alvorens een fiets van de weg te verwijderen op grond van deze bepaling, de betreffende fiets eerst voorzien van een label om de eigenaar/gebruiker in de gelegenheid te stellen zelf de fiets te verwijderen.

Het nieuwe derde lid van dit artikel geeft het college de mogelijkheid om gebieden aan te wijzen waar fietsen en bromfietsen slechts een beperkte tijd geplaatst mogen worden, ongeacht of ze in of buiten de daartoe bestemde fietsparkeervoorzieningen zijn geplaatst. Gedacht kan worden aan gebieden met een hoge fietsparkeerdruk, zoals rondom treinstations, onderwijsinstellingen, uitgaans- en winkelgebieden. Daar is het onwenselijk dat de schaarse fietsparkeercapaciteit en overige plekken in de openbare ruimte worden ingenomen door fietsen die niet of nauwelijks worden gebruikt. De duur van de maximaal toegestane parkeertijd kan worden afgestemd op de aard van de locatie waar dit verbod geldt.

Afdeling 2 Collecteren

Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving

Algemeen

Van oudsher wordt in Nederland op ruime schaal een beroep gedaan op de liefdadigheidszin van het publiek door middel van collecten, inschrijvingen, verkoop van steunbonnetjes enz. Doorgaans gaan inzamelingsacties uit van volkomen betrouwbare instellingen. Incidenteel komt het voor dat bij de inzamelaar niet de charitatieve doelstelling voorop staat maar een ander (commercieel) belang. Hierbij wordt bij de burger de indruk gewekt dat de opbrengst naar het goede doel gaat terwijl dit voor maar een klein deel het geval is.

Buiten de sfeer van het strafrecht ligt het bestrijden van ongewenste praktijken primair op de weg van de gemeenten die het vergunningenbeleid voor inzamelingen in handen hebben. Dit is destijds verwoord in de Memorie van Toelichting (MvT) bij het wetsontwerp tot aanvulling van het Wetboek van Strafrecht met een bepaling omtrent telefonische colportage voor een goed doel (Kamerstuk 15678, Stb. 1982,12). In de MvT wordt het volgende opgemerkt: “Ook de overheid heeft een taak om het misbruik dat in sommige gevallen van de betere gevoelens van de mensen en van hun goedgeefsheid wordt gemaakt te bestrijden. Niet alleen is dit nodig ter bescherming van het publiek, maar ook ter bescherming van de bonafide charitatieve instellingen, die voor de financiering van hun activiteiten in meerdere of mindere mate zijn aangewezen op de offerzin van het publiek”.

De rol van het Centraal Bureau Fondsenwerving

Het CBF is een onafhankelijke stichting die al sinds 1925 toezicht houdt op de inzameling van geld voor goede doelen. Een van de belangrijkste taken van het CBF is het beoordelen van fondsenwervende instellingen. Vrijwel alle Nederlandse gemeenten zijn aangesloten bij het CBF. Ze worden regelmatig door het CBF geïnformeerd, of nemen zelf contact op voor nadere informatie. Het CBF is zo het eerste aanspreekpunt voor gemeenten bij nieuwe ontwikkelingen op het gebied van fondsenwerving en goede doelen. De beoordelingen van het CBF vormen een leidraad bij het verstrekken van de incidentele inzamelingsvergunningen door de gemeenten aan instellingen die niet voorkomen op het collecterooster. Via afspraken met alle gemeenten en een aantal grote nationale fondsen is in 1949 een “collectenplan” gerealiseerd. Dit plan houdt onder meer in dat het CBF jaarlijks, op voorstel van de Stichting Collectenplan, een rooster vaststelt waarin aan grote landelijk collecterende fondsen voor hun inzamelingsactie een week wordt toegewezen. De “vrije” perioden zijn beschikbaar voor andere instellingen. Een essentieel element van het rooster is de exclusiviteit. De fondsen krijgen desgevraagd als enige een inzamelingsvergunning van alle gemeenten voor de betreffende week. Slechts in goed overleg tussen betrokken instelling en de gemeente in kwestie zijn hierop uitzonderingen mogelijk.

Huidige ontwikkelingen

De vraag is of in de huidige maatschappij nog steeds behoefte is aan een beschermende overheid zowel in het kader van het toezicht op bonafide instellingen als van de beperking van het aantal inzamelingen met het oog op het voorkomen van overlast voor burgers. Er zijn verschillende redenen om deze rol van de overheid voort te zetten.

De manieren waarop wordt ingezameld zijn steeds indringender geworden: via de post (direct mail), de telefoon, het aanspreken op straat (direct dialogue), door shows op tv (het Glazen Huis) en concerten (Live Aid, ) direct of indirect aangesproken.

De goede doelen¬branche is steeds verder geprofessionaliseerd; denk aan de professionele (commerciële) en wervingsbedrijven. Deze sales¬ en marketingbedrijven zijn gericht op het werven van klanten (leden of donateurs) voor hun opdrachtgevers.

Er zijn daarnaast nog steeds kwetsbare groepen in de samenleving die enige bescherming nodig hebben. Niet voor niets wordt regelmatig aangegeven dat het bij bezoek aan de deur, voor wat voor reden dan ook, verstandig is een legitimatie te vragen. Dit alles doet vermoeden dat de gevolgen van het afschaffen van een inzamelingsvergunning ongewenst zijn. Dit is voor de gemeente dan ook de reden om de inzamelingsvergunning niet te schrappen uit de verordening.

Werven van donateurs of leden

Met de APV-wijziging 2018 zijn lid 1 en 3 aangepast door daarin expliciet het werven van donateurs of leden op te nemen. Naast de klassieke inzamelingsacties (de collectes) worden tegenwoordig ook activiteiten verricht ter werving van donateurs of leden, waarbij te kennen wordt gegeven – althans de indruk wordt gewekt – dat de uiteindelijke opbrengst geheel of ten dele bestemd is voor een liefdadig of een ideëel doel. Deze wervingsactiviteiten onderscheiden zich van inzamelingsactiviteiten door het feit dat er geen geld of zaken worden ingezameld en geen intekenlijsten worden ingevuld. In plaats daarvan werft de betreffende instelling leden of donateurs. In de praktijk bestaat onduidelijkheid over de vraag of voor deze wervingsactiviteiten nu wel of geen vergunning moet worden aangevraagd en zo ja wat voor soort vergunning daarvoor precies benodigd is. Om die reden worden wervingsacties nu expliciet geregeld in dit artikel.

Vergunningvrij collecteren voor instellingen ingedeeld in door CBF vastgesteld collecte- en wervingsrooster

Verschillende instellingen kunnen een collectevergunning bij de gemeente aanvragen.

  • 1.

    landelijke organisaties, die zijn ingedeeld in het per kalenderjaar vastgestelde collecterooster van het CBF

  • 2.

    overige organisaties, die niet zijn ingedeeld in het per kalenderjaar vastgestelde collecterooster van het CBF

In de huidige situatie hanteert de gemeente voor de verlening van een collectevergunning het landelijk collecterooster zoals dat per kalenderjaar door het CBF wordt opgesteld. De categorie waartoe een organisatie behoort is daarbij bepalend voor de vergunningverlening.

Aan de organisaties, die vallen onder categorie 1, wordt een vergunning voor de duur van één week verstrekt. Met deze vergunning mag de betreffende organisatie geld inzamelen in de collecteweek die het CBF in het landelijke collecterooster aan deze organisatie heeft toebedeeld. Dit zijn de grote landelijke collecterende fondsen.

Aan de organisaties, die vallen onder categorie 2, kan een vergunning worden verstrekt. Zij kunnen alleen collecteren in de zogenoemde “vrije periodes” van het collecterooster, oftewel in de weken die door het CBF vrij zijn gehouden en gedurende welke de grote landelijke fondsen niet collecteren. Deze organisaties dienen hun aanvraag voor een vergunning 8 weken van tevoren te doen.

In de voorgestelde wijzigingen wordt de vergunningverlening voor de categorie 1-organisaties gewijzigd. Terwijl voorheen elk jaar opnieuw een vergunning voor de duur van één week werd verstrekt aan deze organisaties, worden de categorie 1-organisaties nu vrijgesteld van de vergunningplicht. Oftewel: de fondsen die in een per kalenderjaar vastgesteld collecterooster een vaste collecteweek hebben, hoeven daarvoor niet meer een vergunning aan te vragen en kunnen vergunningvrij collecteren gedurende hun, door het collecterooster bepaalde collecteweek. Dat scheelt administratieve lasten voor zowel de organisaties als voor de gemeente.

Door alleen die instellingen vrij te stellen van de vergunningplicht die zijn opgenomen in het landelijke collecterooster van het CBF, wordt er geborgd dat er in een bepaalde week slechts één collecte of werving wordt gehouden en worden de uitgangspunten van het gemeentelijk beleid (een gelijkmatige verdeling van activiteiten door bonafide instellingen) geborgd zonder dat het volledig instandhouden van het vergunningstelsel hiervoor noodzakelijk is.

De vrijstelling van de vergunningplicht vervalt natuurlijk wanneer de instelling niet langer op het landelijke collecterooster van het CBF vermeld staat.

De vergunningverlening voor de categorie 2-organisaties blijft vooralsnog ongewijzigd. Op basis van lid 3 sub c en lid 4 kunnen op een later tijdstip, na nog nader uit te voeren onderzoek, nadere regels worden opgesteld om te bepalen welke organisaties een vergunningsplicht blijven houden, welke organisaties enkel een meldingsplicht krijgen en/of aan welke organisaties geen vergunning wordt verleend op basis van te stellen voorwaarden.

Door college vastgesteld collecte- en wervingsrooster, lid 3b

In de APV-wijziging 2018 zijn de instellingen, die zijn ingedeeld in het per kalenderjaar vastgestelde collecte- en wervingsrooster van het Centraal Bureau Fondsenwerving (CBF), vrijgesteld van de vergunningplicht. Destijds was ervoor gekozen om dat als volgt te regelen. Allereerst was in artikel 3b opgenomen dat de instellingen vergunningsvrij kunnen collecteren/werven die zijn ingedeeld in het door het college voor het betreffende kalenderjaar vastgestelde collecte- en wervingsrooster. Vervolgens wees het college jaarlijks een collecte- en wervingsrooster aan in een apart aanwijzingsbesluit. Het college wees hiervoor het collecte- en wervingsrooster van het CBF aan. De VNG adviseerde deze procedure, omdat aan het CBF geen wetgevende bevoegdheid toekomt.

In de APV-wijziging 2020 wordt de tweeledige procedure geschrapt en wordt artikel 3b als volgt: instellingen zijn vrijgesteld van de vergunningsplicht, die zijn ingedeeld in het per kalenderjaar vastgestelde collecte- en wervingsrooster van het CBF. Door het artikel op deze manier te wijzigen, is er geen jaarlijks apart aanwijzingsbesluit meer nodig. Ondanks dat aan het CBF geen wetgevende bevoegdheid toekomt, is het juridisch mogelijk om het collecte- en wervingsrooster van het CBF direct in de APV aan te wijzen. Meerdere gemeenten hebben het op deze wijze in de APV geregeld.

Lex silencio positivo

Gezien het ideële belang van collectes, die doorgaans voor een bepaald moment zijn gepland en waarbij voor dat moment vrijwilligers e.d. zijn aangezocht, is het van belang dat er tijdig op een aanvraag wordt beslist. Wij hebben ervoor gekozen daarom wel een lex silencio positivo op te nemen. Paragraaf 4.1.3.3. Algemene wet bestuursrecht wordt van toepassing verklaard.

Afdeling 3 Venten

Artikel 5:14 Begripsbepaling

In de APV-wijziging 2018 is de formulering in lid 1 en 2 aangepast conform de model-APV van de VNG.

Artikel 5:15 Venten en dergelijke

Mede met het oog op de ontwikkelingen van de laatste tijd is gekozen voor een algeheel verbod op het venten, behoudens indien met een door het college verstrekte vergunning wordt gehandeld. Het verbod te venten zonder vergunning was overigens ook opgenomen in de vorige APV. De VNG gaat in haar model ook uit van een verbod maar zonder vergunningenvereiste. In deze verordening is gekozen voor een vergunningenstelsel om reden als vermeld in de toelichting bij artikel 2:10.

In de APV-wijziging 2018 is de definitie van venten in lid 1 geschrapt, aangezien de definitie al staat in artikel 5:14.

Lex silencio positivo

Aan de verlening of weigering van een ventvergunning ligt een relatief eenvoudige afweging ten grondslag en zullen de gevolgen van een ventvergunning doorgaans beperkt zijn. Er zijn geen dwingende redenen van algemeen belang aanwezig om van een lex silencio positivo af te zien. Paragraaf 4.1.3.3 Awb wordt op het artikel van toepassing verklaard.

Artikel 5:16 Vrijheid van meningsuiting

Algemeen

Artikel 7 Grondwet bepaalt dat geen vergunning mag worden geëist voor de gebruikmaking van een zelfstandig middel van bekendmaking. In de jurisprudentie is het aanbieden van of venten met gedrukte stukken als een zelfstandig middel van bekendmaking aangemerkt. Een afzonderlijk probleem is het beoordelen of er in een concrete situatie sprake is van de uitoefening van “een zelfstandig middel van bekendmaking” in de zin van artikel 7 van de Grondwet of dat er sprake is van het te koop aanbieden van drukwerk, waarbij geen gedachten of gevoelens worden geopenbaard. Het verspreiden van handelsreclame wordt niet tot de vrijheid van drukpers gerekend, zie artikel 7, vierde lid van de Grondwet. Ook het trekken van een grens tussen het aanbieden van gedrukte stukken in het kader van de vrijheid van drukpers en het verkopen van gedrukte stukken is in de praktijk dikwijls moeilijk vast te stellen. Zo is in de jaren tachtig in een groot aantal gemeenten het verzoek gedaan tot het venten met prentbriefkaarten. De firma die in deze gemeenten haar prentbriefkaarten in het kader van een commerciële protestactie wilde verkopen was van mening dat het gedrukte stukken betrof die, gelet op artikel 7 Grondwet, zonder ventvergunning verkocht mogen worden. Hoewel bij de verkoop van deze kaarten gesuggereerd werd dat de opbrengst voor een goed doel bestemd was, bleek de opbrengst geheel ten goede te komen aan de verkoper van de prentbriefkaarten. Optreden tegen de verkoper op grond van overtreding van een APV¬bepaling waarin een ventverbod wordt vastgelegd, is in een dergelijk geval echter niet mogelijk. In een geval van verkoop van posters met reproducties van aquarellen en afbeeldingen van foto’s al dan niet voorzien van teksten, is bepaald dat deze voor geen andere uitleg vatbaar zijn dan dat zij een bepaalde uiting van kunst bevatten of ludiek van aard zijn. Bezwaarlijk kan van zulke gedrukte stukken gezegd worden dat zij geen gedachten of gevoelens openbaren als bedoeld in art. 7, eerste lid, van de Grondwet. Het stellen van beperkingen aan het venten met gedrukte stukken is onder de volgende criteria toegestaan: de beperking mag geen betrekking hebben op de inhoud van de gedrukte stukken en er dient gebruik van enige betekenis te resteren; de beperking mag niet resulteren in een algeheel verbod. Een constructie, waarbij aan een (beperkt) verbod de mogelijkheid tot het verlenen van een ontheffing is verbonden, is volgens de jurisprudentie wel toelaatbaar. De beperking van de verkoop van drukwerk waarop een mededeling staat is, gelet op artikel 7 van de Grondwet, niet mogelijk voor zover het betreft de inhoud van het drukwerk. Artikel 7 van de Grondwet beschermt immers “iedere openbaarmaking van een ¬ meer of minder weloverwogen ¬ gedachte of een gevoelen, ongeacht de intenties of motieven van degene die zich uit” (Kb 5 juni 1986, Stb. 339). Wel kan de verkoop van drukwerk in het belang van de openbare orde en veiligheid naar tijd en plaats worden ingeperkt.

Daklozenkrant

De verkoop van daklozenkranten is noch venten noch collecteren. Op grond van artikel 7 van de Grondwet kan het verkopen niet verbonden worden aan een vergunning. Wel kan de gemeente gebruik maken van artikel 2:6. Als verkoop plaats vindt op het grondgebied van bijvoorbeeld een supermarkt, dan kan de eigenaar de verkoper verzoeken weg te gaan. Het verdient aanbeveling om te overleggen met de koepelorganisaties die de daklozen vertegenwoordigt. Immers niet iedereen kan een straatkrant verkopen. De verkopers moeten in het bezit zijn van een identiteitsbewijs van de koelorganisatie waarmee ze kunnen aantonen dat ze officiële straatkantverkopers zijn.

Lex silencio positivo

Er is voor gekozen hier wel een lex silencio positivo op te nemen. De vrijheid van meningsuiting is een zaak van belang, en het zou niet wenselijk zijn als de overheid hier door niet te beslissen de zaak in het onzekere zou laten. Paragraaf 4.1.3.3. Algemene wet bestuursrecht wordt van toepassing verklaard.

Afdeling 4 Standplaatsen

Artikel 5:18 Standplaatsen en weigeringsgronden

Lid 4

In januari 2017 zijn de beleidsregels m.b.t. venten en standplaatsen gewijzigd. Een van de wijzigingen was dat de standplaatsvergunningen voortaan voor een periode van vijf jaar werden verleend. Tot dan toe werden vergunningen jaarlijks verstrekt. In het kader van deregulering en vereenvoudiging van het vergunningstelsel is in 2017 gekozen voor een termijn van vijf jaar. Het is nodig om de APV hierop aan te passen en de geldigheidsduur in het 4e lid te wijzigen van één naar maximaal 5 jaar.

Lex silencio positivo

Een vergunning voor het hebben van een standplaats zoals opgenomen in lid 1 achten wij noodzakelijk en evenredig. De vergunning dient om te voorkomen dat de openbare orde wordt verstoord en overlast wordt tegengegaan. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld: geluidsoverlast, stankoverlast, verkeershinder en overlast door zwerfafval. Er zijn dwingende redenen van algemeen belang aanwezig om van een lex silencio positivo af te zien. Indien niet tijdig wordt besloten is het onwenselijk ten aanzien van de openbare orde en de veiligheid dat een standplaats zonder enige regulering word ingenomen. Paragraaf 4.1.3.3 Awb wordt niet van toepassing verklaard.

Afdeling 5 Snuffelmarkten

Artikel 5:22 Begripsbepaling

In de APV-wijziging 2018 is de verwijzing naar de titel van het hoofdstuk gecorrigeerd.

Artikel 5:23 Organiseren van een snuffelmarkt

Het organiseren van een snuffelmarkt is als evenement aangemerkt en derhalve verplaatst naar afdeling 7 Evenementen. De artikelen 5:22 en 5:23 zijn hierdoor komen te vervallen.

In de APV-wijziging 2018 is de verwijzing naar de titel van het hoofdstuk gecorrigeerd.

Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water

In de APV-wijziging 2018 zijn de wetsverwijzingen geactualiseerd.

Afdeling 6 Openbaar water

Artikel 5:25 Ligplaats woonschepen en overige vaartuigen

Lex silencio positivo

Er zijn dwingende redenen van algemeen belang aanwezig om van een lex silencio positivo af te zien. Indien niet tijdig wordt besloten is het onwenselijk ten aanzien van de openbare orde en de veiligheid dat in en rondom het water zonder enige regulering worden ingenomen. Paragraaf 4.1.3.3 Awb wordt niet van toepassing verklaard.

Conform het Reglement Ligplaatsen Pleziervaartuigen Maassluis is in artikel 1 van dit artikel een vergunningsvereiste toegevoegd. De vergunningvereiste achten wij een goed instrument om het innemen van ligplaatsen te kunnen reguleren.

Artikel 5:28Beschadigen van waterstaatswerken en oevers

In de APV-wijziging 2018 is de formulering in lid 1 aangepast conform de model-APV van de VNG en zijn de wetsverwijzingen geactualiseerd.

Artikel 5:30a Zwemmen in openbaar water

In de APV 2017 stond dat het verboden is om zonder vergunning van het college in openbaar water te zwemmen. Met de APV-wijziging 2018 wordt de vergunningplicht voor zwemmen in openbaar water opgeheven. Het instandhouden van een vergunningplicht wijkt af van de regelgeving in andere gemeenten en wordt daarom geschrapt.

In plaats daarvan vormt de aangepaste formulering van artikel 5:30a nu een aanvulling op het bepaalde in het Binnenvaartpolitiereglement (BPR). Het BPR stelt al regelingen op het gebied van zwemmen in openbare wateren: op basis van artikel 8.08, lid 2 van het BPR is het verboden om te zwemmen in de onmiddellijke nabijheid van een brug, sluis of stuw, in gedeelten van de vaarweg bestemd voor de doorgaande scheepvaart en in havens. Het college wordt de mogelijkheid gegeven om, indien dat nodig blijkt met het oog op de veiligheid, openbare orde, of gezondheid, andere plaatsen aan te wijzen waar een zwemverbod geldt.

Vanwege de al landelijke bepaalde regelgeving kan overwogen worden om, tegelijk met het schrappen van de vergunningplicht, artikel 5:30a helemaal te laten vervallen of om de mogelijkheid van het aanwijzen van een zwemverbod in andere openbare wateren te laten bestaan. Voorgesteld wordt om voor de tweede optie te kiezen. Mocht het nodig blijken, heeft het college de bevoegdheid hiertoe om snel op te treden.

Afdeling 7 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden

Artikel 5:32 Crossterreinen

Het gaat in het VNG-¬model en in de vorige APV om het crossen op enig terrein, niet zijnde een weg. Gelet op de praktijk is er een afweging gemaakt over het aanhouden van deze bepaling. Besloten is deze bepaling te handhaven in de APV-wijziging 2014.

In de APV-wijziging 2018 is de formulering van lid 2 aangepast conform de model-APV van de VNG.

Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden

In de APV-wijziging 2018 zijn de voorheen onder artikel 5:33 lid 1 genoemde definities overgeheveld naar artikel 1:1, is de formulering hier en daar aangepast conform de model-APV van de VNG en zijn de wetsverwijzingen geactualiseerd.

Lex silencio positivo

Gezien de belangen die met dit artikel worden beschermd: de rust en recreatie in natuurgebieden, lijkt het niet bijzonder wenselijk om hier een ontheffingsmogelijkheid zoals opgenomen in lid 6 van rechtswege in het leven te roepen. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht wordt niet van toepassing verklaard.

Afdeling 8 Verbod vuur te stoken

Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

Lex silencio positivo

Op de ontheffing zoals opgenomen in lid 3 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht om dwingende redenen ten aanzien van de openbare orde en veiligheid, niet van toepassing.

Afdeling 9 Verstrooiing van as

Artikel 5:36 Verboden plaatsen

In de APV-wijziging 2018 is de formulering in lid 3 aangepast conform de model-APV van de VNG.

Lex silencio positivo

De ontheffingsmogelijkheid genoemd in lid 3 is zeldzaam en er zijn doorgaans emoties van nabestaanden in het geding. Het is daarom mogelijk en wenselijk dat er snel en tijdig wordt beslist. Om die reden is ervoor gekozen hier wel een lex silencio positivo op te nemen. Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht wordt van toepassing verklaard.

Hoofdstuk 6 Straf¬, Overgangs¬- en Slotbepalingen

Artikel 6:1 Strafbepaling

Eerste lid - Strafbaarstelling artikelen van deze verordening

Op grond van artikel 154 van de Gemeentewet kan de raad op overtreding van zijn verordeningen straf stellen. Artikel 6:1 regelt dat het niet-naleven van de hier genoemde artikelen een strafbaar feit oplevert. De op te leggen straf mag niet zwaarder zijn dan hechtenis van ten hoogste drie maanden of een geldboete van de tweede categorie, al dan niet met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. In het Wetboek van Strafvordering (WvSr) zijn de maxima van de boetecategorieën opgenomen. Het is uiteindelijk de strafrechter die de soort en de maat van de straf in een concreet geval bepaalt, tot de grens van de door de raad gekozen boetecategorie. Op grond van artikel 91 juncto 51 van het WvSr vallen ook rechtspersonen onder de werking van de sanctiebepaling.

Eerste lid - Strafbaarstelling nadere regels en vergunningsvoorschriften

Niet alleen de overtreding van in de verordening opgenomen bepalingen wordt in artikel 6:1 lid 1 met straf bedreigd. In een aantal bepalingen wordt aan het college de bevoegdheid gedelegeerd nadere regels te stellen, en bij de bevoegdheid om een vergunning of ontheffing te verlenen, hoort tegelijk de bevoegdheid om hieraan voorschriften (verplichtingen die de houder moet naleven) of beperkingen (begrenzingen in tijd, plaats of anderszins) te verbinden. Ook het overtreden van de door het college gestelde nadere regels en het niet-naleven van voorschriften of beperkingen die aan een vergunning of een ontheffing zijn verbonden leveren strafbare feiten op. Als reactie op deze overtreding zijn verschillende bestuursrechtelijke handhavingsinstrumenten beschikbaar, zoals het intrekken van de vergunning of ontheffing. Strafrechtelijke handhaving is op basis van artikel 6:1 lid 1 eveneens mogelijk.

Tweede lid – Strafbaarstelling artikelen vallend onder Wetboek van Strafrecht

De op te leggen straf bij overtreding van de artikelen 2:67, 2:68 en 2:69, die de bestrijding van heling regelen, is bepaald in artikel 437 en 437ter in het Wetboek van Strafrecht. De op te leggen straf bij overtreding van deze artikelen wijkt af van de strafmaat van de onder lid 1 genoemde artikelen, deze artikelen worden daarom apart genoemd onder lid 2.

Derde lid – Strafbaarstelling artikelen vallend onder Wet algemene bepalingen omgevingsrecht

De vergunning voor het plaatsen van voorwerpen op of aan de weg voor zover deze onder de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht vallen (artikel 2:10 lid 2), voor het aanleggen of veranderen van een weg (artikel 2:11), voor het maken of veranderen van een uitweg (artikel 2:12) en voor het vellen van houtopstanden (artikel 4:11) vallen bij inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) onder de Wabo. Hiervoor worden omgevingsvergunningen afgegeven.

Het handelen zonder of in strijd met omgevingsvergunningen en het overtreden van de voorschriften van omgevingsvergunningen worden aangeduid als economische delicten en zijn strafbaar op grond van de Wet Economische Delicten (WED). Dat heeft gevolgen voor de strafmaat, die onder de WED anders is dan onder de APV. Om deze reden zijn de strafbepalingen van de APV niet van toepassing op de naleving van deze vergunningen en worden de artikelen 2:10 lid 2, 2:11, 2:12 en 4:11 niet genoemd in de opsomming van artikelen in artikel 6:1 lid 1. Om het onderscheid tussen de APV en WED onderscheid duidelijk te maken is het derde lid toegevoegd.

APV-wijziging 2018

In de APV-wijziging 2018 is de lijst van artikelen onder artikel 6:1 bijgewerkt. Dit jaar en de afgelopen jaren zijn er wijzigingen in de APV aangebracht, met onder andere de toevoeging van nieuwe artikelen en de verwijdering van artikelen. Deze aanpassingen hebben gevolgen voor de lijst onder artikel 6:1 lid 1. Deze lijst is nu in overeenstemming gebracht met de in dit jaar en afgelopen jaren doorgevoerde wijzigingen.

Artikel 6:2 Toezichthouders

In de APV-wijziging 2018 is de formulering aangepast conform de model-APV van de VNG.

Artikel 6.4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening

Eerste lid

Op de inwerkingtreding van verordeningen is de regeling van artikel 142 van de Gemeentewet van toepassing. Deze luidt dat alle verordeningen in werking treden op de achtste dag na bekendmaking, tenzij een ander tijdstip daarvoor is aangewezen. In artikel 6.4, eerste lid is als tijdstip voor inwerkingtreding de dag na publicatie van de APV in het Gemeenteblad aangewezen. De APV is een besluit van het gemeentebestuur op overtreding waarvan straf is gesteld. Een dergelijk besluit wordt op dezelfde wijze bekendgemaakt als alle overige besluiten van het gemeentebestuur die algemeen verbindende voorschriften inhouden (artikel 139 Gemeentewet). Van belang is dat de gemeente gehouden is dit besluit mee te delen aan het parket van het arrondissement waarin de gemeente is gelegen (artikel 143 Gemeentewet).

In verband met artikel 1 van het Wetboek van Strafrecht is het uiteraard niet mogelijk aan de bepalingen van een strafverordening terugwerkende kracht te verlenen.

Tweede lid

In het eerste lid van artikel 6.4 wordt geen tijdstip vermeld waarop de oude verordening wordt ingetrokken. Dat is ook niet nodig. De datum waarop de nieuwe verordening in werking treedt, is de datum waarop de oude verordening vervalt.

Artikel 6.5 Overgangsbepaling

Van belang is in de overgangsbepalingen aan te geven of bestaande vergunningen, ontheffingen, enz. al dan niet hun rechtskracht blijven behouden na de inwerkingtreding van deze verordening. Het betreft in dit artikel besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, tweede lid, dus de oude verordening. De besluiten waar het om gaat zijn vergunningen, ontheffingen (het oude eerste lid), voorschriften en beperkingen (het oude tweede lid) als bedoeld in artikel 1:4 (het oude tweede lid), nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten (het oude zevende lid).

Op aanvragen om een besluit, ingediend onder de oude verordening, wordt volgens de Algemene wet bestuursrecht beslist overeenkomstig de nieuwe verordening (toetsing ex nunc).

Op bezwaarschriften ingediend tegen besluiten genomen onder het oude recht, wordt eveneens besloten krachtens deze verordening met dien verstande dat de bezwaarde niet in een nadeliger positie mag komen dan hij onder het oude recht zou hebben gehad. (verbod van reformatio in peius).

Artikel 6.6 Citeertitel

Deze bepaling is geformuleerd overeenkomstig aanbeveling 75 van de “100 ideeën voor de gemeentelijke regelgever” (VNG, 2011).

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad van de gemeente Maassluis van 2 februari 2021.

De griffier,

Mr. R. van der Hoek

de voorzitter,

dr. T.J. Haan