| Overheidsorganisatie | Gemeente Moerdijk |
|---|---|
| Officiële naam regeling | Beleidsregels Bibob voor omgevingsvergunningen gemeente Moerdijk 2010 |
| Citeertitel | Beleidsregels Bibob voor omgevingsvergunningen gemeente Moerdijk 2010 |
| Vastgesteld door | college van burgemeester en wethouders |
| Onderwerp | volkshuisvesting en woningbouw |
| Eigen onderwerp |
Geen
Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 2:20 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Geen
| Datum inwerking- treding | Terugwerkende kracht t/m | Datum uitwerking- treding | Betreft | Datum ondertekening Bron bekendmaking | Kenmerk voorstel |
|---|---|---|---|---|---|
| 20-11-2010 | Nieuwe regeling | 09-10-2010 Moerdijkse Bode | Onbekend |
Het college van burgemeester en wethouders, in zijn vergadering 16 november 2010,
gelet op de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur, artikel 4:81 van de
Algemene wet bestuursrecht en artikel 2:20 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
BESLUIT
vast te stellen de volgende beleidsregel:
BELEIDSREGELS BIBOB VOOR OMGEVINGSVERGUNNINGEN GEMEENTE MOERDIJK 2010
(voor de activiteiten ‘bouwen van een bouwwerk’ en ‘het oprichten, veranderen of veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting’).
In deze beleidsregels wordt verstaan onder:
bestuursorgaan de wet toepast.
1. Het bestuursorgaan past, met inachtneming van hetgeen in deze beleidsregels daarover is bepaald,de wet toe met betrekking tot
1. het bestuursorgaan past, met inachtneming van hetgeen in deze beleidsregels daarover is bepaald, eveneens de wet toe met betrekking tot de intrekking van de in het eerste lid genoemde vergunningen.
Behalve op de in artikel 3 genoemde categorieën, past het bestuursorgaan de wet toe:
De toepassing van de wet Bibob bij een aanvraag om vergunning in de in artikel 3 genoemde gevallen zal niet worden toegepast ingeval de aanvraag om vergunning afkomstig is van:
1. In alle in artikel 3 en 4 bedoelde gevallen moet betrokkene naast de gebruikelijke aanvraagformulieren, gelijktijdig met de aanvraag de ingevulde bibob-vragenformulieren in dienen.
2. De in het eerste lid bedoelde vragenformulieren worden door het bestuursorgaan bij openbaar bekend te maken besluit vastgesteld.
3. Weigering om de in het eerste lid bedoelde bibob-vragenformulieren volledig ingevuld in te dienen kan een grond opleveren om de aanvraag te weigeren respectievelijk de beschikking in te trekken.
Het bibob-onderzoek gebeurt in een tweetal stappen:
1. Het bestuursorgaan gaat over tot het positief beschikken op de aanvraag wanneer de reguliere weigeringsgronden behorende bij de in artikel 3 genoemde vergunningen en de weigeringsgronden op grond van de wet Bibob niet van toepassing zijn.
2. Het bestuursorgaan weigert de aanvraag of gaat over tot het intrekken van beschikking als de reguliere weigeringsgronden behorende bij de in artikel 3 genoemde vergunningen van toepassing zijn.
1. Uitsluitend als geen toepassing gegeven kan worden aan artikel 6, beoordeelt het bestuursorgaan of weigering, danwel intrekking op grond van de wet Bibob mogelijk is.
2. Het bestuursorgaan kan om een advies vragen in het kader van de in het eerste lid bedoelde beoordeling of als het bestuursorgaan door het Openbaar Ministerie is gewezen op de wenselijkheid daarvan.
Het voornemen om een advies aan te vragen wordt gemotiveerd.
1. Het bestuursorgaan informeert betrokkene schriftelijk over het voornemen om een advies aan het bureau Bibob te vragen.
2. In het geval het bestuursorgaan overgaat tot het aanvragen van een advies aan het bureau Bibob,voegt het een afschrift van het in het eerste lid bedoelde schrijven toe aan de adviesaanvraag.
1. Indien het bestuursorgaan een advies aanvraagt, wordt op grond van artikel 31 van de wet Bibob de wettelijke termijn waarbinnen de beschikking moet worden gegeven, opgeschort voor de duur van de periode die begint met de dag waarop het advies is aangevraagd en eindigt met de dag waarop dat advies is ontvangen, met dien verstande dat deze opschorting niet langer duurt dan vier weken nadat het bestuursorgaan een advies heeft aangevraagd.
2. De in het eerste lid genoemde beslistermijn wordt verlengd indien het bureau zijn adviestermijn op grond van artikel 15, derde lid van de wet, verlengt. Deze verlenging bedraagt maximaal vier weken.
3. Het bestuursorgaan informeert betrokkene over een verlenging als bedoeld in het tweede lid.
1. Het bestuursorgaan weigert in elk geval een aanvraag of gaat over tot intrekking van de beschikking van de overeenkomst op grond van de wet Bibob, als er sprake is van een ernstige mate van gevaar als bedoeld in artikel 3 van de wet.
2. Het bestuursorgaan kan de aanvraag weigeren of de beschikking intrekken als er sprake is van een mindere mate van gevaar die niet kan worden geweerd door het stellen van aanvullende voorwaarden en bovendien de gevolgen van deze weigering niet onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.
3. Indien het bestuursorgaan voornemens is de aanvraag te weigeren of de beschikking in te trekken wordt betrokkene in de gelegenheid gesteld daartegen zienswijzen in te brengen.
Deze beleidsregels treden in werking een dag na de bekendmaking ervan;
1. Deze beleidsregels zijn van toepassing op, na de datum van inwerkingtreding, ontvangen aanvragen en op datum van inwerkingtreding afgegeven beschikkingen als bedoeld in artikel 3 en 4 van deze beleidsregels.
2. Alle reeds verleende beschikkingen als bedoeld in artikel 4 lid c van deze beleidsregels.
Deze beleidsregels worden aangehaald als “beleidsregels Bibob voor omgevingsvergunningen gemeente Moerdijk 2010”.
Het besluit tot wijziging van deze beleidsregels wordt, met inachtneming van de bepalingen in de
Gemeentewet, bekendgemaakt in het huis aan huis blad de Moerdijkse Bode.
Vastgesteld in de vergadering van het college d.d. 9 november 2010,
de gemeentesecretaris, de burgemeester,
Drs. A.E.B. KandelDrs. W.M.J. Denie
Artikelsgewijze toelichting bij
(voor de activiteiten ‘bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1. lid 1 onder a Wabo)’ en ‘oprichten, veranderen, veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting (artikel 2.1 lid 1 onder e Wabo)’.
De wet Bibob.
De Wet Bevordering Integriteitbeoordeling door het Openbaar Bestuur (hierna: ‘wet Bibob’) geeft
bestuursorganen een instrument in handen om zich tegen het risico, dat zij ongewild criminele activiteiten faciliteren, te beschermen. De wet Bibob geeft namelijk een aantal extra mogelijkheden om deze risicoinschatting op juiste wijze uit te kunnen voeren en biedt een extra weigering- en/of intrekkinggrond, op grond waarvan vergunningen of subsidies kunnen worden geweigerd of ingetrokken.
Wat geeft de wet Bibob extra?:
Een toetsing aan de wet Bibob, geldt in beginsel als een uiterst middel om de integriteit van een
betrokken (rechts)persoon te controleren. Het bevoegd gezag moet dan ook eerst gebruik maken van de eigen instrumenten. Het bestuursorgaan kan immers ook zonder een advies van het landelijk bureau besluiten over te gaan tot weigering of intrekking. Wel kan het vragen van advies leiden tot een betere informatiepositie van het bestuursorgaan. Het bureau Bibob heeft namelijk inzage in een aantal gesloten bronnen (van o.a. de Belastingdienst, de politie, de Centrale Justitiële Documentatie Dienst, de Immigratie en Naturalisatie Dienst etc.) en kan hierdoor een diepgaander onderzoek verrichten dan het bestuursorgaan. Het vragen van een advies moet evenredig zijn gelet op de mate van gevaar en de ernst van de strafbare feiten.
De adviesaanvraag bij het landelijk bureau Bibob is geen beschikking in de zin van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb). Hiertegen staat derhalve geen bezwaar of beroep open. Wel is het de aanvrager
van een vergunning te allen tijde toegestaan de aanvraag in te trekken.
In dit artikel wordt een aantal begrippen die in de beleidsregels worden gehanteerd, gedefinieerd.
De definities spreken voor zich.
Op 1 juni 2003 is de Wet Bevordering Integriteitbeoordelingen door het Openbaar Bestuur in werking
getreden. Het doel van deze wet is te voorkomen dat door de verlening van vergunningen, subsidies en overheidsopdrachten de gemeente onbedoeld criminele activiteiten faciliteert. Dit om te voorkomen dat de integriteit van de overheid wordt aangetast.
Criminaliteit speelt zich niet af op een eiland. Er bestaan vele raakvlakken tussen criminaliteit en wat wel genoemd wordt de “wettige omgeving”. Deze raakvlakken bieden het bestuur een goed aanknopingspunt om bij te dragen aan de preventie en bestrijding van criminaliteit. Het bestuur heeft daarbij eigen instrumenten: vergunning weigeren, vergunning intrekken, pand sluiten, een subsidie of de gunning van een opdracht weigeren. Het gebruik van deze instrumenten is vaak erg effectief. Soms effectiever dan opsporen en vervolgen. De wet Bibob biedt hierin een extra handvat.
Gemeenten zijn niet verplicht gebruik te maken van de wet Bibob. In regionaal verband zijn echter
afspraken gemaakt over de toepassing van de wet Bibob. Hierbij is afgesproken dat de deelnemende
gemeenten op een soortgelijke wijze invulling geven aan de toepassing van de wet Bibob. Dit om te
voorkomen dat bepaalde niet-wenselijke activiteiten zich van de ene naar de andere gemeente in de
regio verplaatsen. In het kader hiervan is er ook voor gekozen om de toepassing van de wet Bibob
gefaseerd in te voeren.
Niet alle bestuurlijke besluiten vallen binnen het bereik van de wet Bibob. Onder het bereik van de wet
zijn alleen gebracht: 1) vergunningen, 2) subsidies, 3) aan te besteden overheidsopdrachten.
Verder geldt dat slechts een beperkt aantal sectoren of branches binnen het toepassingsbereik van de
wet gebracht zijn. Deze sectoren en branches zijn genoemd in de wet of in het bij de wet behorend
besluit Bibob.
De wet Bibob is onder andere van toepassing verklaard op omgevingsvergunningen voorzover het de activiteit het oprichten, veranderen, veranderen van de werking of het in werking hebben van een inrichting betreft als bedoeld in artikel artikel 2.1. onder de Wabo betreft. De vergunningplicht geldt niet voor inrichtingen die bij AmvB krachtens artikel 2.1. lid 3 Wabo zijn aangewezen; hiervoor geldt een meldingsplicht op grond van artikel 8.41 Wet Milieubeheer. De wet Bibob is dan ook niet van toepassing op deze zogenaamde meldingsplichtige inrichtingen. Op gemeentelijk niveau is er derhalve maar een beperkt toepassingsbereik van de wet Bibob.
Het bibob-instrumentarium moet gezien worden als aanvullend middel. Wanneer gebleken is dat de bestaande weigering- en intrekkingsgronden van de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht (WABO) niet toereikend zijn en daardoor het eventuele misbruik van de vergunning niet kan worden voorkomen, zal toepassing van de wet Bibob de logische volgende stap zijn.
Tot op heden zijn de enige gronden om een omgevingsvergunning (gericht op de activiteit milieu) te weigeren of in te trekken gebaseerd op het belang van de bescherming van het milieu. Daarbij komt dat de omgevingsvergunning in principe inrichtingsgebonden is en niet ziet op de integriteit van de aanvrager. In die zin zal de introductie van de wet Bibob als extra instrument om een omgevingsvergunning te weigeren of in te trekken een nieuw aspect zijn binnen de vergunningverlening in de milieubranche.
De afgelopen jaren is in ruime mate onderzoek gedaan naar de mogelijkheden van criminaliteit binnen de milieubranche. Uit verschillende onderzoeken blijkt dat het werkveld milieu wel degelijk gevoelig is voor criminele handelingen. Binnen dit werkveld is met name een deel van de afvalbranche gevoelig gebleken voor criminaliteit. De redenen hiervoor zijn onder andere:
Om voornoemde redenen zal de inzet van het bibob-instrumentarium vooralsnog in ieder geval worden ingezet binnen de afvalbranche.
b.Omgevingsvergunning, activiteit het bouwen van een bouwwerk
Door het inwerking reden van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht zijn de artikel 44a Woningwet en 8.10 Wet milieubeheer komen te vervallen. Deze artikelen zijn ondergebracht in artikel 2.20 Wabo. In dit artikel is de mogelijkheid gegeven om indien er geen sprake is van een weigeringsgrond op grond van artikel 2.10 respectievelijk 2.14 van de Wabo, de aanvraag om omgevingsvergunning met betrekking tot een activiteit als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder a en e, te weigeren onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 3 van de Wet integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur. Daarnaast zijn de weigeringsgronden uit artikel 3 van de Wet Bibob ook van toepassing op de intrekking van een omgevingsvergunning (artikel 5.19 Wabo)
Ook kan bij de overdracht van de omgevingsvergunning onderzoek worden gedaan naar degene aan wie de vergunning is overgedragen.
Met de inwerkingtreding van de Wet Algemene Bepalingen Omgevingsrecht valt de omgevings-vergunning onder de werking van de wet Bibob.
Op grond van artikel 3 van de wet Bibob kan een bestuursorgaan weigeren een aangevraagde
omgevingsvergunning te verlenen dan wel een verleende omgevingsvergunning intrekken, indien ernstig gevaar bestaat dat de omgevingsvergunning mede zal worden gebruikt om uit strafbare feiten verkregen of te verkrijgen, op geld waardeerbare voordelen te benutten (lid 1 onder a) of strafbare feiten te plegen (lid 1 onder b). Deze strafbare feiten hoeven niet perse in verband te staan met de effectuering van de omgevingsvergunning. Het gaat ook om strafbare feiten die gepleegd kunnen worden, omdat er middels de effectuering van de vergunning een bepaalde situatie in het leven wordt geroepen. Een voorbeeld van een rechtstreeks verband met de effectuering van de bouwvergunning betreft het financieren van een bouwwerk met uit misdrijf verkregen geld als ook het op grote schaal realiseren van een bouwwerk met arbeiders, al of niet vanuit onderaannemers, waarover geen afdracht sociale premies plaatsvindt (zwartwerkers). Een voorbeeld van een niet-rechtstreeks verband is de bouw van een bouwwerk, dat in hoofdzaak dient voor het daarbinnen laten plaatsvinden van strafbare handelingen zoals illegale kansspelen en/of prostitutie. De omgevingsvergunning kan tevens geweigerd worden of ingetrokken worden, indien feiten en omstandigheden erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat ter verkrijging van aangevraagde dan wel verleende omgevingsvergunning een strafbaar feit is gepleegd (lid 6).
Voor het onderzoek naar de mate van risico zoals aangeduid in de vorige alinea, kan het bestuursorgaan in eerste aanleg een onderzoek uitvoeren in de haar ter beschikking staande openbare bronnen. Als dit niet tot voldoende zekerheid leidt, kan zij bij dit onderzoek de informatie betrekken, die aan haar door de vergunningaanvrager in het aanvullende (bibob)vragenformulier is aangereikt.
Indien de betrokkene weigert de gegevens te verstrekken, kan op grond van artikel 4:5 Awb de aanvraag buiten behandeling worden gesteld. Op grond van artikel 4 wet Bibob wordt, indien een beslissing genomen wordt over intrekking, de weigering het formulier in te vullen aangemerkt als ernstig gevaar.
Het risico dat een omgevingsvergunning zal worden gehanteerd voor het benutten van voordelen uit strafbare feiten of het plegen van strafbare feiten zoals hiervoor aangeduid, zal zeker niet in alle gevallen aanwezig zijn. Om die reden zal de toetsing van de vergunningaanvraag op de mate van risico als bedoeld in artikel 3 wet Bibob slechts in een beperkt aantal gevallen plaatsvinden, zoals uitgewerkt in de artikel 3, 4 en 5 van deze beleidsregels.
Bij de bestuursorganen ligt de beslissing al dan niet van de extra bevoegdheden van de wet Bibob
gebruik te maken. Vanwege deze keuzevrijheid zijn deze beleidsregels opgesteld, waarin in algemene
termen wordt aangegeven in welke gevallen een bibob-onderzoek zal plaatsvinden en in welke gevallen dit kan leiden tot een adviesaanvraag bij het landelijk bureau Bibob. Dit om duidelijkheid te scheppen naar de burgers en ondernemingen die potentieel aan een bibob-onderzoek kunnen worden onderworpen. Bovendien schept het een helder kader voor de toetsing door de democratische controle-organen van de door het bestuur in een concreet geval genomen beslissing.
Met name de afweging om tot een bibobadviesaanvraag over te gaan, dient – juist met het oog op het ingrijpende karakter van het instrument – weloverwogen en met inachtneming van de beginselen van behoorlijk bestuur te worden genomen.
Daarbij spelen proportionaliteit, subsidiariteit, rechtszekerheid en rechtsgelijkheid een belangrijke rol.
Conform deze beleidslijn zal de wet Bibob onderdeel van beleid worden bij:
·de beoordeling van aanvragen om omgevingsvergunningen (activiteit milieu) voor activiteiten als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder e van de Wabo door het College van B&W voor inrichtingen die vallen onder categorie 12,25 of 28 van bijlage I onder C van het Besluit Omgevingsrecht.
Naast de hiervoor genoemde generieke gevallen waarbij als regel een z.g. bibob-toetsing plaats zal
vinden, kan de wet (binnen de mogelijkheden van de wet) ook in bijzondere gevallen worden ingezet
als instrument in het kader van de handhaving van (lokaal) beleid. Om die reden zal, naast de hiervoor
generiek aangeduide gevallen, ook een bibob-toetsing mogelijk zijn bij een specifieke aanvraag
waarbij op basis van feiten en omstandigheden en mede gebaseerd op (aanvullend)
lokaal beleid, gemotiveerd een risico-inschatting conform de wet in dat geval geboden is.
·de beoordeling van aanvragen om omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 2.1 lid 1 onder a Wabo door het College van B&W in geval het betreft:
1 Indien de aanvraag om omgevingsvergunning leidt tot de aanvraag van een nieuwe drank- & horecavergunning, zal alleen bij deze laatste vergunningbehandeling de bibob-toetsing plaatsvinden.
Het van toepassing verklaren van de wet Bibob op de hierboven beschreven omgevingsvergunning (activiteit bouw en milieu) betekent dat het bevoegd gezag zowel bij de verlening van de vergunning alsook bij het toezicht op de naleving ervan, in de aangegeven gevallen steeds zal onderzoeken of er sprake is van ernstig gevaar als genoemd in artikel 3 wet Bibob i.c. dat de beschikking mede zal worden gebruikt om:
Op grond van artikel 3 wet Bibob kan het bevoegd gezag in die situatie een vergunning weigeren of
intrekken.
De aanwijzing van categorieën in artikel 3 van de beleidsregels betekent niet dat de gemeente zich
hiermee verplicht de toepassing van het bibob-instrumentarium te beperken tot deze aangewezen
categorieën. Het bestuursorgaan kan op grond van de in artikel 4 genoemde situaties namelijk ook
besluiten tot de inzet van het bibob-instrumentarium:
Van de bibob-toetsing wordt een aantal instanties uitgezonderd. Dit omdat het instanties betreft waarbij het gezien de aard van de instantie niet aannemelijk is dat weigeringsgronden uit de wet Bibob van toepassing zullen zijn. Gelet hierop zal geen bibob-toetsing plaatsvinden ingeval de aanvraag om
vergunning afkomstig is van:
Om bij betrokkene een bibobtoets uit te kunnen voeren, wordt betrokkene verplicht gesteld om
bibobvragen te beantwoorden. In dit kader zijn door het bestuursorgaan, met inachtneming van artikel 30 van de wet Bibob, bibobvragenlijsten opgesteld. De vragenlijsten worden door het bestuursorgaan bij openbaar bekend te maken besluit vastgesteld.
De vragen in deze vragenlijsten hebben onder andere betrekking op de financiering van de inrichting, het eigendom van het pand waar een inrichting in is gevestigd en eventuele andere schulden die een
aanvrager kan hebben. Met de informatie die naar aanleiding van deze vragen wordt aangeleverd kan het bestuursorgaan o.a. proberen meer zicht te krijgen op de zakelijke relaties van de aanvrager. Het
bestuursorgaan zal – pas nadat is gebleken dat weigering van de aanvraag niet mogelijk is met behulp van de reguliere weigeringsgronden - moeten beoordelen of er redenen aanwezig zijn de aanvraag te weigeren op grond van de wet Bibob of dat er redenen aanwezig zijn om een advies aan te vragen.
Het onderzoek naar de aanwezigheid van gevaar en de daaruit voortkomende toepassingsmogelijkheden van de weigering- of intrekkingsgronden ex artikel 3 wet Bibob gebeurt in een tweetal stappen:
Dit onderzoek behelst in ieder geval de controle en analyse van;
De bibob-gronden vormen een aanvulling op de reeds bestaande mogelijkheden om een
vergunning te weigeren of in te trekken. Het bevoegd gezag zal echter altijd eerst de bestaande weigerings- en intrekkingsgronden onderzoeken en, zo mogelijk, toepassen.
Als het bevoegd gezag op basis van het eigen onderzoek genoeg aanwijzingen heeft dat een
situatie als bedoeld in artikel 3 van de wet Bibob zich voordoet, zal het de vergunning weigeren of intrekken. Bij een “mindere mate van gevaar” dat de (aangevraagde) vergunning wordt gebruikt voor het plegen van strafbare feiten en witwaspraktijken kan het bevoegd gezag extra voorwaarden aan de vergunning verbinden.
Een weigering om de gevraagde extra informatie aan te leveren danwel onvolledig aan te leveren leidt tot het buiten behandeling stellen van de nieuwe aanvraag danwel de mogelijkheid tot het intrekken van de reeds verstrekte vergunning (artikel 4 wet Bibob).
2.Aanvullend op deze extra verstrekte informatie zal een advies bij het landelijke bureau Bibob
worden gevraagd indien:
Het bepaalde in dit artikel met betrekking tot het regulier afhandelen van aanvrager spreekt voor zich.
Dat toepassing van de wet Bibob slechts mogelijk is, indien alle het bestuursorgaan beschikbare
mogelijkheden zijn benut, is opgenomen in het eerste lid van artikel 9. Ingevolge het tweede lid van artikel 9 bestaan er twee aanleidingen die in een concreet geval kunnen leiden tot een verzoek om advies aan het bureau Bibob:
De bepaling in artikel 10 dat het voornemen om een advies aan te vragen bij het bureau Bibob moet
worden gemotiveerd spreekt voor zich.
Indien het bestuursorgaan van oordeel is dat een verzoek om advies gerechtvaardigd is, wordt de
betrokkene / aanvrager schriftelijk van dit voornemen op de hoogte gebracht. Deze informatieplicht is in het eerste lid van artikel 11 opgenomen, om betrokkene te informeren over de opschorting van de
beslistermijn die het gevolg is van een adviesaanvraag. Indien wordt overgegaan tot het aanvragen van een advies, moet de adviesaanvraag worden voorzien van een afschrift van de mededelingsbrief aan betrokkene. Het bureau Bibob neemt een verzoek om advies namelijk niet in behandeling indien
betrokkene daarover niet vooraf is geïnformeerd.
De bepalingen in dit artikel volgen uit artikel 31 van de wet Bibob.
De bepalingen in dit artikel volgen uit het bepaalde in de wet Bibob.
De bepaling in artikel 14 met betrekking tot de inwerkingtreding van deze beleidsregels spreekt voor zich.
In het eerste lid van artikel 15 is opgenomen dat lopende aanvragen volgens het “oude regime”
afgehandeld worden. In gevallen dat dit niet wenselijk is, moet na het verlenen van de vergunning worden bekeken of het besluit teruggedraaid moet worden middels een intrekking van de beschikking.
De bepaling in artikel 16 met betrekking tot de citeertitel van deze beleidsregels spreekt voor zich.
De bepalingen in artikel 17 met betrekking tot het bekendmaken en ter inzage leggen van deze
beleidsregels spreken voor zich.