Regeling vervallen per 20-05-2022

Besluit van gedeputeerde staten van Zeeland houdende de Beleidsregels inzake lozing van proceswater en storten van tarra in de Oosterschelde

Geldend van 01-03-2018 t/m 19-05-2022

Intitulé

Besluit van gedeputeerde staten van Zeeland houdende de Beleidsregels inzake lozing van proceswater en storten van tarra in de Oosterschelde

Besluit van Gedeputeerde Staten van Zeeland van 4 juli 2017, nummer 17014114, tot vaststelling van beleidsregels inzake lozing van proceswater en storten van tarra in de Oosterschelde.

Gedeputeerde Staten van Zeeland,

Gelet op de artikelen 1.3, eerste lid, 2.7, tweede lid, 2.7, derde lid, 2.8 van de Wet natuurbescherming en artikel 4:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht,

Overwegende

dat het gewenst is regels op te stellen inzake het gebruik van de bevoegdheid tot het verlenen van vergunningen op grond van artikel 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming in het kader van lozing van proceswater en storten van tarra in de Oosterschelde afkomstig van de verwatering of verwerking van tweekleppige weekdieren,

Besluiten vast te stellen de volgende beleidsregels:

Hoofdstuk 1 Definities

Artikel 1

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

  • manteldieren: ongewervelde zeedieren behorende tot de Tunicata zoals zakpijpen (Ascidiacea), mantelvisjes (Appendiculiaria) en salpen (Thaliacea);

  • mariene buikpotigen: weekdieren behorende tot de Gastropoda zoals alikruiken, wulken en noordhoorns;

  • mosselveiling: de Nederlandse Mosselveiling te Yerseke;

  • Oosterschelde: de Oosterschelde en alle daarmee rechtstreeks verbonden kust- en binnenwateren;

  • probleemsoort: een soort waarvan op basis van de best beschikbare wetenschappelijke kennis kan worden aangenomen dat deze een significant negatief effect kan hebben op de instandhoudingsdoelen van een Natura 2000-gebied;

  • proceswater: water dat is gebruikt voor het vervoeren, verwateren, opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren;

  • RUD Zeeland: de Regionale Uitvoeringsdienst Zeeland;

  • schaaldieren: geleedpotige dieren behorende tot de Crustacea zoals krabben, kreeften en garnalen;

  • stekelhuidigen: stekelige ongewervelde zeedieren behorende tot de Echinodermata zoals zeekomkommers, zee-egels, zeeappels en zeesterren;

  • tarra: alles wat niet tot de tweekleppige weekdieren, manteldieren, stekelhuidigen, mariene buikpotigen of schaaldieren behoort zoals losse schelpen, zeesterren, slikmosselen, slippers, pokken, kluiten modder, stenen, afval, dode of kapotte weekdieren en ongeschikt is voor verhandeling voor menselijke consumptie, alsmede alles wat vrijkomt of overblijft bij het schonen, bewerken of verwerken van de ontvangen partij tweekleppige weekdieren;

  • tweekleppige weekdieren: plaatkieuwige weekdieren behorende tot de Bivalvia, vroeger ook wel aangeduid als de Lamellibranchiata of de Pelecypoda;

  • verwateren: het proces waarbij tweekleppige weekdieren, manteldieren, stekelhuidigen, mariene buikpotigen en schaaldieren in oesterputten of installaties op de wal worden bewaard met als doel deze zandvrij te maken (deze beleidslijn betreft niet het verwateren op verwaterpercelen);

  • Waddenzee: de Waddenzee omvattende de Nederlandse, Duitse en Deense deelgebieden;

  • behandelen: het vrij maken van het proceswater van deeltjes waarvan het lozen ongewenst is.

Hoofdstuk 2 Algemene bepalingen

Artikel 2

De bepalingen in deze beleidsregels voor tweekleppige weekdieren zijn van overeenkomstige toepassing op alle manteldieren, stekelhuidigen, mariene buikpotigen en schaaldieren.

Hoofdstuk 3 Voorwaarden voor het lozen van proceswater in de Oosterschelde

Artikel 3

Het lozen van proceswater in de Oosterschelde dat is gebruikt voor het vervoeren, verwateren opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren die afkomstig zijn uit de Nederlandse 12-mijlszone, Waddenzee, Oosterschelde, Westerschelde, Grevelingen of Veerse Meer dient op grond van het Deskundigenoordeel Verplaatsingsproblematiek Schelpdieren 2004 (de Voortoets) niet beschouwd te worden als project of handeling die de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dit Natura 2000-gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Voor deze lozingen is daarom geen vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming noodzakelijk.

Artikel 4

  • 1.

    Het lozen van proceswater in de Oosterschelde dat is gebruikt voor het vervoeren, verwateren opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren die niet afkomstig zijn uit de in artikel 3 genoemde gebieden dient op grond van het Deskundigenoordeel Verplaatsingsproblematiek Schelpdieren 2004 (de Voortoets) beschouwd te worden als project of handeling die de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dit Natura 2000-gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Deze lozingen zijn daarom op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming zonder vergunning verboden.

  • 2.

    Aan de vergunningplicht, genoemd in het eerste lid, wordt voldaan indien met betrekking tot het gebied van herkomst door de staatssecretaris van Economische Zaken voor het importeren en verwateren of uitzaaien van levende tweekleppige weekdieren in de Oosterschelde reeds een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming is verleend.

Artikel 5

  • 1.

    Gedeputeerde Staten kunnen voor het lozen van proceswater in de Oosterschelde dat is gebruikt voor het vervoeren, verwateren, opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren, die niet afkomstig zijn uit de in artikel 3 genoemde gebieden, een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming voor het lozen van onbehandeld proceswater verlenen.

  • 2.

    Een aanvraag voor een vergunning voor het lozen van onbehandeld proceswater dient in elk geval te bevatten:

    • a.

      een passende beoordeling waarin is aangetoond dat het lozen van proceswater dat is gebruikt voor het vervoeren, verwateren opslaan, schonen, be- of verwerken van deze tweekleppige weekdieren geen significante effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van de Oosterschelde;

    • b.

      een control- en managementplan met een integrale risicobeoordeling en een beschrijving van de kritische beheerspunten;

    • c.

      een schelpdier afhankelijke soorten inventarisatie van het herkomstgebied waaruit blijkt dat er geen probleemsoorten voor de Oosterschelde in het herkomstgebied zijn aangetroffen, als onderdeel van het control- en managementplan.

  • 3.

    Aan een vergunning voor het lozen van onbehandeld proceswater in de Oosterschelde dat is gebruikt voor het vervoeren, verwateren, opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren, die niet afkomstig zijn uit de in artikel 3 genoemde gebieden, worden door Gedeputeerde Staten in ieder geval de volgende voorwaarden verbonden:

    • a.

      uiterlijk vierentwintig uur voor het moment waarop de tweekleppige weekdieren bij het betreffende bedrijf aankomen, wordt hiervan per fax, per e-mail of, indien dit niet mogelijk is, schriftelijk mededeling gedaan bij de RUD Zeeland, voor deze de mosselveiling. Hierbij dient in ieder geval te worden vermeld:

      • i.

        de naam van het (deel)productiegebied waaruit de tweekleppige weekdieren afkomstig zijn, de soort en de geschatte hoeveelheid;

      • ii.

        de vermoedelijke tijd van aankomst bij het importerende en/of verwerkende bedrijf;

      • iii.

        direct na aankomst van de gemelde partij tweekleppige weekdieren stelt het importerende en/of verwerkende bedrijf onverwijld afschriften van de navolgende documenten middels fax, e-mail, post of persoonlijke overhandiging, ter beschikking aan de RUD Zeeland, voor deze de mosselveiling: het bij de betreffende partij behorende registratiedocument, het vervoersdocument en de weegbrief;

    • b.

      bedrijven houden een jaarlijkse administratie bij op basis waarvan het mogelijk is per verwaterde of verwerkte partij ten minste het volgende vast te stellen:

      • i.

        de herkomst van de partij, inclusief het nummer van het registratiedocument;

      • ii.

        het soort tweekleppig weekdier;

      • iii.

        de hoeveelheid geïmporteerde verwerkte tweekleppige weekdieren;

      • iv.

        de datum van binnenkomst;

      • v.

        de datum en het tijdstip van melding;

    • c.

      de administratie dient ten minste drie jaar te worden bewaard.

Artikel 6

  • 1.

    Gedeputeerde Staten kunnen voor het lozen van proceswater in de Oosterschelde dat is gebruikt voor het vervoeren, verwateren, opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren die niet afkomstig zijn uit de in artikel 3 genoemde gebieden, of waarvoor niet aan de in artikel 5 gestelde voorwaarden wordt voldaan, op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming een vergunning voor het lozen van behandeld proceswater verlenen.

  • 2.

    Een aanvraag voor een vergunning voor het lozen van behandeld proceswater dient in elk geval te bevatten:

    • a.

      een passende beoordeling waarin is aangetoond dat het lozen van proceswater dat is gebruikt voor het vervoeren, verwateren opslaan, schonen, be- of verwerken van deze tweekleppige weekdieren door behandeling geen significante effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van de Oosterschelde;

    • b.

      een stroomschema met een omschrijving van de te gebruiken behandelingsinstallatie;

    • c.

      een omschrijving en processchema van de behandelingsinstallatie en een tekening van het hele waterloopsysteem, waarin alle water- en afvalstromen zijn aangebracht zoals de influent,-, effluent,- en recirculatieleidingen;

    • d.

      een omschrijving van de eventueel te gebruiken UV-installatie of andere gelijkwaardige desinfecteermethode;

    • e.

      een omschrijving van de wijze waarop het procesbeheerssysteem waarborgen biedt om proceswater te scheiden of gescheiden te behandelen;

    • f.

      een omschrijving van de wijze waarop containers of productiemiddelen, zoals een sorteermachine of inpaktafel, zijn gemerkt ten behoeve van herkenning als zijnde onderdeel van de behandelingsinstallatie;

    • g.

      een omschrijving van de beoogde wijze of methode waarmee alle containers, productiemiddelen, vervoersmiddelen en ruimten gereinigd worden.

  • 3.

    Aan een vergunning voor het lozen van behandeld proceswater worden door Gedeputeerde Staten in ieder geval de volgende voorwaarden verbonden:

    • a.

      uiterlijk vierentwintig uur voor het moment waarop de tweekleppige weekdieren bij het betreffende bedrijf aankomen, wordt hiervan per fax, per e-mail of, indien dit niet mogelijk is, schriftelijk mededeling gedaan bij de RUD Zeeland, voor deze de mosselveiling. Hierbij dient in ieder geval te worden vermeld:

      • i.

        de naam van het (deel)productiegebied waaruit de tweekleppige weekdieren afkomstig zijn, de soort en de hoeveelheid;

      • ii.

        de vermoedelijke tijd van aankomst bij het importerende en/of verwerkende bedrijf;

    • b.

      direct na aankomst van de gemelde partij tweekleppige weekdieren stelt het importerende en/of verwerkende bedrijf onverwijld afschriften van de navolgende documenten middels fax, e-mail, post of persoonlijke overhandiging, ter beschikking aan de RUD Zeeland, voor deze de mosselveiling: het bij de betreffende partij behorende registratiedocument, het vervoersdocument en de weegbrief;

    • c.

      bedrijven houden een administratie bij zoals beschreven onder artikel 5, derde lid, onder b. In aanvulling op de genoemde administratieve verplichtingen onder artikel 5, derde lid, onder b, dient in deze administratie ook te zijn opgenomen:de datum/data waarop en de hoeveelheden waarin een partij, die niet afkomstig is uit de in artikel 3 genoemde gebieden, of waarvan niet aan de in artikel 5 gestelde voorwaarden wordt voldaan, het bedrijf verlaat.Het bepaalde onder artikel 5, derde lid, onder c, is van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    Aan een vergunning voor het lozen van behandeld proceswater kunnen door Gedeputeerde Staten aanvullende voorwaarden worden verbonden, waaronder:

    • a.

      het water of lekwater dat vrij komt van gebruikte vervoermiddelen, los of vast materiaal zoals bakken, manden, sorteer- of inpakmachines wordt op een in de passende beoordeling getoetste wijze behandeld;

    • b.

      alle kranen van leidingen waarmee buitenom de filters of de behandelingsinstallatie onbehandeld proceswater geloosd kan worden, zijn in gesloten toestand verzegeld;

    • c.

      in de bodem van de behandelingsinstallatie is een voorziening aangebracht die het mogelijk maakt om water via het waterfilter of het waterbehandelingssysteem af te voeren;

    • d.

      alle in gebruik zijnde afvoergoten, kranen en leidingen in het deel van het productiegebouw en de koelcellen die onderdeel vormen van de behandelingsinstallatie moeten in verbinding staan met het waterbehandelingssysteem;

    • e.

      het materiaal, waaronder containers of de productiemiddelen zoals een sorteermachine of inpaktafel, dat in de behandelingsinstallatie wordt gebruikt, is te allen tijde permanent gemerkt en duidelijk herkenbaar en mag niet eerder buiten de behandelingsinstallatie worden gebruikt, voordat het op een in de passende beoordeling getoetste wijze is gereinigd;

    • f.

      tarra, voor transport gebruikte verpakkingsmateriaal, filtermateriaal, alsmede het materiaal van biologische filters of het materiaal van de behandelingsinstallatie wordt afgevoerd naar een daarvoor bestemde (afval)verwerker, of wordt op een andere in de passende beoordeling getoetste wijze afgevoerd dan wel onschadelijk gemaakt en van alle transporten wordt een administratie bijgehouden;

    • g.

      uitsluitend bevoegd personeel mag toegang krijgen tot de behandelingsinstallatie.

Hoofdstuk 4 Voorwaarden voor het storten van tarra in de Oosterschelde

Artikel 7

Het storten van tarra in de Oosterschelde dat afkomstig is van het vervoeren, verwateren opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren die afkomstig zijn uit de Nederlandse 12-mijlszone, Waddenzee, Oosterschelde, Westerschelde, Grevelingen of Veerse Meer dient op grond van het Deskundigenoordeel Verplaatsingsproblematiek Schelpdieren 2004 (Voortoets) niet beschouwd te worden als project of handeling die de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dit Natura 2000-gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Voor het storten van deze tarra is daarom geen vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming noodzakelijk.

Artikel 8

  • 1.

    Het storten van tarra in de Oosterschelde dat afkomstig is van het vervoeren, verwateren opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren die niet afkomstig zijn uit de in artikel 7 genoemde gebieden dient op grond van het Deskundigenoordeel Verplaatsingsproblematiek Schelpdieren 2004 (Voortoets) beschouwd te worden als project of handeling die de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in dit Natura 2000-gebied kan verslechteren of een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen. Het storten van deze tarra is daarom op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming zonder vergunning verboden.

  • 2.

    Aan de vergunningplicht, genoemd in het eerste lid, wordt voldaan indien met betrekking tot het gebied van herkomst door de staatssecretaris van Economische Zaken voor het importeren en verwateren of uitzaaien van levende tweekleppige weekdieren in de Oosterschelde reeds een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming is verleend.

Artikel 9

  • 1.

    Gedeputeerde Staten kunnen voor het storten van tarra in de Oosterschelde dat afkomstig is van het vervoeren, verwateren, opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren die niet afkomstig zijn uit de in artikel 7 genoemde gebieden, een vergunning op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wet natuurbescherming verlenen.

  • 2.

    Een aanvraag voor een vergunning voor het storten van tarra dient in elk geval te bevatten:

    • a.

      een passende beoordeling waarin is aangetoond dat het storten van tarra afkomstig van het vervoeren, verwateren, opslaan, schonen, be- of verwerken van deze tweekleppige weekdieren geen significante effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van de Oosterschelde;

    • b.

      een control- en managementplan met een integrale risicobeoordeling en een beschrijving van de kritische beheerspunten;

    • c.

      een schelpdier afhankelijke soorten inventarisatie van het herkomstgebied waaruit blijkt dat er geen probleemsoorten voor de Oosterschelde in het herkomstgebied zijn aangetroffen, als onderdeel van het control- en managementplan.

  • 3.

    Een passende beoordeling dient in elk geval een omschrijving te bevatten van de wijze waarop tarra die niet in de Oosterschelde gestort mag worden, gescheiden wordt behandeld en afgevoerd naar een verwerker zodat verzekerd is dat deze tarra niet wordt vermengd met andere tarra.

  • 4.

    Aan een vergunning voor het storten van tarra worden door Gedeputeerde Staten in ieder geval de volgende voorwaarden verbonden:

    • a.

      bedrijven houden een administratie bij zoals beschreven onder artikel 5, derde lid, onder b. Het bepaalde onder artikel 5, derde lid, onder c, is van overeenkomstige toepassing;

    • b.

      bedrijven houden daarnaast een jaarlijkse tarra-administratie bij op basis waarvan het mogelijk is het volgende vast te stellen: de hoeveelheid en herkomst van partijen tarra die zijn afgevoerd naar een verwerker, inclusief het nummer van het registratiedocument, de datum, de naam van de verwerker en een bewijs van aflevering;

    • c.

      de tarra-administratie dient ten minste drie jaar te worden bewaard.

Hoofdstuk 5 Slotbepaling

Artikel 10 Bekendmaking en inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 maart 2018.

Artikel 11 Citeertitel

Dit besluit wordt aangehaald als besluit van Gedeputeerde Staten van Zeeland van 4 juli 2017 tot vaststelling van de “Beleidsregels inzake lozing van proceswater en storten van tarra in de Oosterschelde”.

Ondertekening

Aldus besloten in de openbare vergadering van Gedeputeerde Staten van 4 juli 2017.

Voorzitter, Drs. J.M.M. Polman

Secretaris, A.W. Smit

Uitgegeven, 6 juli 2017

De secretaris, A.W. Smit

Toelichting beleidsregels inzake lozing van proceswater en tarra in de Oosterschelde

Algemeen

Aanleiding en achtergrond

Met de import van tweekleppige weekdieren, en het uitzaaien en/of verwerken hiervan, bestaat het risico van de insleep van andere organismen, onder andere zogenaamde probleemsoorten. Probleemsoorten zijn gedefinieerd als organismen waarvan op basis van de best beschikbare wetenschappelijke kennis kan worden aangenomen dat deze een significant negatief effect kunnen hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied, zoals de Oosterschelde.

Audit Schelpdiertransporten

Om de route van insleep van probleemsoorten in de Oosterschelde in kaart te brengen is eind 2011 de Audit Schelpdiertransporten uitgevoerd in opdracht van het Team Invasieve Exoten en de Directie Regionale Zaken van het ministerie van Economische Zaken. In de audit worden drie mogelijke bronnen genoemd.

Als eerste brongebied worden de oesterputten in Yerseke aangeduid. De oesterputten worden niet alleen gebruikt voor het verwateren en opslaan van oesters uit de Oosterschelde of Grevelingen, ook schaal- en schelpdieren uit buitenlandse herkomstgebieden worden hier verwaterd of tijdelijk opgeslagen. Omdat de oesterputten in verbinding staan met de Oosterschelde voor het innemen en lozen van water bestaat het risico op de introductie van probleemsoorten.

De tweede bron is het lozen van water afkomstig van de verwerking van partijen buitenlandse tweekleppige weekdieren. Dit water, dat in aanraking is gekomen met buitenlandse schaal- of schelpdieren, kan probleemsoorten of hun larven bevatten.

Het storten van tarra in de Oosterschelde vanuit de oesterputten en schelpdierverwerkende bedrijven is de derde mogelijke bron. Tarra is alles wat niet tot de tweekleppige weekdieren, manteldieren, stekelhuidigen, mariene buikpotigen of schaaldieren behoort zoals losse schelpen, zeesterren, slikmosselen, slippers, pokken, kluiten modder, stenen, afval, dode of kapotte weekdieren en ongeschikt is voor verhandeling voor menselijke consumptie, alsmede alles wat vrijkomt of overblijft bij het schonen, bewerken of verwerken van de ontvangen partij tweekleppige weekdieren. Tarra is een potentieel belangrijke bron van probleemsoorten, omdat veel van deze probleemsoorten op en aan tweekleppige weekdieren leven.

Wettelijke kaders t.a.v. importeren en uitzaaien of verwerken van buitenlandse tweekleppige weekdieren

Activiteiten die mogelijk de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in Natura 2000-gebieden kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen, zijn vergunningplichtig in het kader van de Wet natuurbescherming. Voor het importeren en uitzaaien van buitenlandse oesters en mosselen worden al geruime tijd vergunningen verleend door het ministerie van Economische Zaken. Voor het lozen van proceswater en het storten van tarra dat vrijkomt bij de verwerking geldt dit niet.

Tot eind 2013 bestond een tweede instrument voor het voorkomen van de introductie van probleemsoorten, namelijk de Verordening Quarantainevoorzieningen Levende Tweekleppige Weekdieren 2007), uitgevoerd door het Productschap Vis. Deze verordening vond zijn grondslag in de bescherming van de voedselveiligheid, en diende ter voorkoming van de introductie van toxische dinoflagellaten, schelpdier- of virusziekten, virussen of andere levende organismen. Als een bedrijf dat buitenlandse schelpdieren importeert en verwerkt een erkenning als quarantainevoorziening had, stelde de Provincie Zeeland zich op het standpunt dat een aparte vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming (tot 1 januari 2017 nog de Natuurbeschermingswet 1998) niet nodig was. Met het verbod op het lozen van ongezuiverd proceswater (en afvoer van tarra) bestond voor deze bedrijven immers geen kans op het veroorzaken van significant negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de Oosterschelde als Natura 2000-gebied. Vanwege de opheffing van de productschappen zijn met ingang van 1 januari 2014 de EU-regelingen die Productschap Vis verzorgde overgenomen door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. De Verordening Quarantainevoorzieningen is niet overgenomen in de regelgeving van de Rijksoverheid omdat de stuurgroep 'Opheffing Publiekrechtelijke Bedrijfsorganisatie' concludeerde dat het ministerie van Economische Zaken geen direct belang had bij deze regelgeving en de Wet natuurbescherming (tot 1 januari 2017 nog de Natuurbeschermingswet 1998), die onverkort van kracht is, al voorziet in de noodzakelijke regelgeving.

Doel beleidsregels inzake lozing van proceswater en storten van tarra in de Oosterschelde

Deze beleidsregels lichten toe op welke wijze Gedeputeerde Staten gebruik zullen maken van de bevoegdheid om vergunningen te verlenen op grond van art. 2.7, tweede lid van de Wet natuurbescherming met betrekking tot het lozen van proceswater en het storten van tarra afkomstig van de verwerking van tweekleppige weekdieren op de wal of in de oesterputten. Onder het lozen van proceswater wordt tevens verstaan het leeg laten lopen van c.q. het lozen van water uit de oesterputten in de Oosterschelde. De zelfstandige norm is door de Wet natuurbescherming in artikel 2.7, tweede lid gegeven: het is verboden om zonder vergunning van Gedeputeerde Staten activiteiten te verrichten die een (significant) verstorend of verslechterend effect kunnen hebben op de habitattypen of soorten gelet op de instandhoudingsdoelstellingen waarvoor het gebied is aangewezen.

Bij toepassing van de beleidsregels blijft het voor bedrijven ook noodzakelijk om te beoordelen of door andere overheidsorganisaties regels zijn gesteld en vergunningen of ontheffingen moeten worden aangevraagd.

Systematiek beleidsregels

De beleidsregels kennen een trapsgewijze systematiek voor het beoordelen van vergunningplicht, namelijk:

  • Voor partijen die afkomstig zijn uit gebieden die als veilig beschouwd worden, is geen vergunning nodig. Proceswater mag onbehandeld geloosd worden en tarra mag zonder vergunning gestort worden op de aangewezen stortlocaties, zie respectievelijk artikel 3 en 8;

  • Een vergunning is noodzakelijk voor partijen die niet afkomstig zijn uit gebieden die als veilig beschouwd worden, maar waar door middel van een schelpdier afhankelijke soorten inventarisatie is aangetoond dat er geen risico op de introductie van probleemsoorten bestaat. Met deze vergunning mag proceswater onbehandeld geloosd worden en tarra mag gestort worden op de aangewezen stortlocaties, zie respectievelijk artikel 4 en 9.

    Aan deze vergunningplicht is voldaan als reeds een vergunning voor het uitzaaien of verwateren op verwaterpercelen van deze partijen is verleend door de staatsecretaris van Economische Zaken;

  • Een vergunning is noodzakelijk voor partijen die niet afkomstig zijn uit gebieden die als veilig beschouwd worden en waarvoor geen schelpdier afhankelijke soorten inventarisatie beschikbaar is. Proceswater mag alleen geloosd worden na behandeling in een getoetste behandelingsinstallatie en tarra moet afgevoerd worden naar een verwerkingsbedrijf.

Handhaving

Gedeputeerde Staten zijn bevoegd voor het toezicht op de naleving van de Wet natuurbescherming, maar deze bevoegdheid is gemandateerd aan de Regionale Uitvoeringsdienst Zeeland (RUD Zeeland). De toezichthouders van de RUD Zeeland beschikken over een aantal algemene toezichtsbevoegdheden op grond van de Algemene wet bestuursrecht (afdeling 5.2, toezicht op de naleving). Toezichthouders van de RUD Zeeland zijn namens Gedeputeerde Staten bevoegd om toezicht te houden op vergunningen verleend in het kader van de Wet natuurbescherming of het ten onrechte ontbreken hiervan. Dit omvat ook het inzien van de administratie van bedrijven die aangeven geen vergunning nodig te hebben aangezien de activiteiten onder artikel 3 en 7 van de beleidsregels zouden vallen.

Hoofdstuk 1. Definities

Artikel 1

Dit artikel bevat de definities van termen die centraal staan in de beleidsregels.

Hoofdstuk 2. Algemene bepalingen

Artikel 2

In dit artikel wordt de reikwijdte van de beleidsregels bepaald. De beleidsregels hebben betrekking op tweekleppige weekdieren als ook op manteldieren, stekelhuidigen, mariene buikpotigen en schaaldieren.

Hoofdstuk 3. Voorwaarden voor het lozen van proceswater in de Oosterschelde

Artikel 3

In dit artikel is aangegeven dat het voor een ieder toegestaan is om zonder vergunning proceswater dat is gebruikt voor het vervoeren, verwateren, opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren, manteldieren, stekelhuidigen, mariene buikpotigen en schaaldieren uit de in dit artikel genoemde gebieden te lozen in de Oosterschelde.

Op grond van het Deskundigenoordeel Verplaatsingsproblematiek Schelpdieren 2004 (Expertisecentrum LNV, nr. 301) betreft dit partijen die afkomstig zijn uit de Nederlandse 12-mijlszone, Waddenzee, Oosterschelde, Westerschelde, Grevelingen of Veerse Meer. Uitgangspunt is dat deze gebieden ten tijde van het opstellen van de beleidsregels als veilig worden beschouwd. Dat wil zeggen dat er geen risico is op verslechterende of significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de Oosterschelde door het lozen van proceswater. Uit de administratie van de bedrijven dient de herkomst van deze partijen herleidbaar te zijn, zodat de RUD Zeeland kan controleren of de partij daadwerkelijk onder de vrijstelling van vergunningplicht valt.

Artikel 4

Dit artikel bepaalt dat het voor een ieder verboden is om zonder vergunning proceswater dat is gebruikt voor het vervoeren, verwateren, opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren, manteldieren, stekelhuidigen, mariene buikpotigen en schaaldieren die niet afkomstig zijn uit de in artikel 3 genoemde gebieden te lozen in de Oosterschelde. Voor deze gebieden bestaat het risico op de insleep van probleemsoorten en daarom dient een aparte toetsing plaats te vinden.

In het tweede lid van dit artikel wordt bepaald dat aan de genoemde vergunningplicht in artikel 4, eerste lid is voldaan als reeds een vergunning voor het uitzaaien of verwateren op verwaterpercelen van deze partijen is verleend door de staatssecretaris van Economische Zaken. In dat geval hoeft er voor deze partijen geen aparte vergunning voor het lozen van proceswater aangevraagd te worden bij de Provincie Zeeland.

De handeling zoals vergund door de staatssecretaris van Economische Zaken is weliswaar anders dan het lozen van proceswater, maar het toetsingskader vanuit de Wet natuurbescherming is gelijk. De integrale risicobeoordeling (toetsing) is daarmee ook gelijk voor beide handelingen. Bij toepassing van het tweede lid is het noodzakelijk dat het control- en managementplan met de integrale risicobeoordeling en beheersmaatregelen aansluit bij het lozen van proceswater.

Voor het lozen van proceswater van elke partij die niet afkomstig is uit een gebied waarvoor door de staatssecretaris van Economische Zaken een vergunning voor uitzaaien of verwateren is verleend, wordt niet voldaan aan de vergunningplicht zoals omschreven in artikel 4, tweede lid. Voor deze partij(en) moet een vergunning aangevraagd worden conform artikel 5.

Artikel 5

Dit artikel bepaalt dat Gedeputeerde Staten een vergunning kunnen verlenen voor het lozen van onbehandeld proceswater van die partijen niet vallend onder artikel 3 of 4, tweede lid. Voor de partijen die vallen onder artikel 5 is toetsing van het herkomstgebied op probleemsoorten de basis voor de vergunning.

In het tweede lid van dit artikel is aangegeven welke informatie een vergunningaanvraag voor het lozen van onbehandeld proceswater in ieder geval dient te bevatten.

Onder a is aangegeven dat een passende beoordeling zoals bedoeld in artikel 2.8, eerste lid van de Wet natuurbescherming moet worden meegezonden, waarin is aangetoond dat het lozen van het onbehandelde proceswater geen significante effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van de Oosterschelde.

Onder b is aangegeven dat de aanvraag ook een control- en managementplan moet bevatten met een integrale risico beoordeling en een beschrijving van kritische beheersmaatregelen. Hierin dient te worden beschreven hoe het risico op mogelijke effecten wordt geminimaliseerd en welke maatregelen worden getroffen indien in het herkomstgebied toch probleemsoorten worden aangetroffen. Onder c wordt aangegeven dat een schelpdier afhankelijke soorten inventarisatie van het herkomstgebied, zoals omgeschreven in de meest recente versie van het Schelpdier Import Monitoring Protocol (SIMP), onderdeel moet zijn van het control- en managementplan. Uit deze inventarisatie moet blijken dat er geen probleemsoorten zijn aangetroffen in het herkomstgebied.

In het derde lid van dit artikel wordt bepaald dat een meldplicht bestaat voor de partijen die onder artikel 5 vallen. De onder a genoemde gegevens moeten gemeld worden bij de Nederlandse Mosselveiling te Yerseke ten behoeve van de RUD Zeeland. Onder b wordt aangegeven welke gegevens in de administratie van de bedrijven moet worden opgenomen. In het kader van preventie, toezicht en handhaving is de RUD Zeeland bevoegd deze administratie te allen tijde op te vragen c.q. in te zien.

Artikel 6

In dit artikel wordt bepaald dat Gedeputeerde Staten een vergunning kunnen verlenen voor het lozen van behandeld proceswater van die partijen die niet vallen onder artikel 3 of artikel 4, tweede lid of artikel 5. Voor de partijen die vallen onder artikel 6 is de basis niet de toetsing van het herkomstgebied op probleemsoorten maar het zodanig behandelen van proceswater waardoor het risico op de insleep van probleemsoorten wordt weggenomen alvorens het proceswater in contact kan komen met het oppervlaktewater.

In het tweede lid van dit artikel is aangegeven welke stukken en onderbouwing een vergunningaanvraag voor het lozen van behandeld proceswater in ieder geval dient te bevatten. Onder a is aangegeven dat een passende beoordeling, zoals bedoeld in artikel 2.8, eerste lid van de Wet natuurbescherming, moet worden meegezonden, waarin is aangetoond dat het lozen van het proceswater door de behandelwijze geen (significant) verstorende of verslechterende heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. De wijze van behandeling staat de initiatiefnemer vrij mits deze getoetst is in een passende beoordeling en hierin is onderbouwd dat deze het risico op significant negatieve effecten voldoende wegneemt.

De overige stukken die meegezonden moeten worden bij de aanvraag hebben als doel om inzichtelijk te krijgen welke productiemiddelen en delen van het bedrijf aangemerkt moeten worden als behandelingsinstallatie en wat de specifieke bedrijfsomstandigheden zijn waarbij passende voorwaarden gesteld kunnen worden ter voorkoming van de insleep van probleemsoorten.

In het derde lid van dit artikel zijn een aantal aanvullende voorwaarden opgenomen met betrekking tot de onder artikel 5, derde lid genoemde meldplicht en administratie. In het kader van preventie, toezicht en handhaving is de RUD Zeeland bevoegd deze administratie ten alle tijden op te vragen c.q. in te zien.

In het vierde lid van dit artikel worden voorwaarden genoemd die onderdeel kunnen zijn van de te verlenen vergunning. Dit is geen limitatieve opsomming maar geeft een richting aan welke voorwaarden zouden kunnen worden opgenomen. Gedeputeerde Staten schrijven geen norm voor ten aanzien van de behandeling van het proceswater. Het bevoegd gezag schrijft niet vooraf voor wat wel of niet als een significant negatief effect wordt beschouwd. Dit moet namelijk blijken uit de passende beoordeling die bij de vergunningaanvraag wordt ingediend. De bewijslast ligt in dit geval bij de aanvrager net zoals dat geldt in artikel 5 door middel van de passende beoordeling en schelpdier afhankelijke soorten inventarisatie. Een behandelingssysteem bestaat normaliter uit meerdere componenten waarvan een mechanische behandeling (filtratie) een onderdeel is, vaak gevolgd door een fysische behandeling (UV, cavitatie). De toepasbare zuiveringsmethoden zijn ook onderhevig aan vernieuwingen, zeker nu de ballaswaterconventie per 8 september 2017 vigerend wordt.

Hoofdstuk 4. Voorwaarden voor het storten van tarra in de Oosterschelde

Artikel 7

In dit artikel is aangegeven dat het voor een ieder toegestaan is om zonder vergunning tarra die is vrijgekomen bij het vervoeren, verwateren, opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren, manteldieren, stekelhuidigen, mariene buikpotigen en schaaldieren uit de in dit artikel genoemde gebieden te storten in de Oosterschelde.

Op grond van het Deskundigenoordeel Verplaatsingsproblematiek Schelpdieren 2004 (Expertisecentrum LNV, nr. 301) betreft dit partijen die afkomstig zijn uit de Nederlandse 12-mijlszone, Waddenzee, Oosterschelde, Westerschelde, Grevelingen of Veerse Meer. Uitgangspunt is dat deze gebieden ten tijde van het opstellen van de beleidsregels als veilig worden beschouwd. Dat wil zeggen dat er geen risico is op verslechterende of significante effecten op de instandhoudingsdoelstellingen van de Oosterschelde door het lozen van proceswater. Uit de administratie van de bedrijven dient de herkomst van de partijen schelpdieren herleidbaar te zijn, zodat de RUD Zeeland kan controleren of de vrijstelling van vergunningplicht legitiem is.

Artikel 8

Dit artikel bepaalt dat het voor een ieder verboden is om zonder vergunning tarra die is vrijgekomen bij het vervoeren, verwateren, opslaan, schonen, be- of verwerken van tweekleppige weekdieren, manteldieren, stekelhuidigen, mariene buikpotigen en schaaldieren die niet afkomstig zijn uit de in artikel 3 genoemde gebieden te lozen in de Oosterschelde. Voor deze gebieden bestaat het risico op de insleep van probleemsoorten en daarom dient een aparte beoordeling plaats te vinden.

In het tweede lid van dit artikel wordt bepaald dat aan de genoemde vergunningplicht artikel 8, eerste lid is voldaan als reeds een vergunning voor het uitzaaien of verwateren op verwaterpercelen van deze partijen is verleend door de staatssecretaris van Economische Zaken. In dat geval dient er voor deze partijen geen aparte vergunning voor het storten van tarra aangevraagd te worden bij de Provincie Zeeland.

De handeling zoals vergund door de staatssecretaris van Economische Zaken is weliswaar anders dan het storten van tarra, maar het toetsingskader vanuit de Wet natuurbescherming is gelijk. De integrale risicobeoordeling (toetsing) is daarmee ook gelijk voor beide handelingen. Bij toepassing van het tweede lid is het noodzakelijk dat het control- en managementplan met de integrale risicobeoordeling en beheersmaatregelen aansluiten bij het storten van tarra.

Voor het storten van tarra van elke partij die niet afkomstig is uit een gebied waarvoor door de staatssecretaris van Economische Zaken een vergunning voor uitzaaien of verwateren is verleend, wordt niet voldaan aan de vergunningplicht zoals omschreven in artikel 4, tweede lid. Voor deze partij(en) moet een vergunning aangevraagd worden conform artikel 9.

Artikel 9

Dit artikel bepaalt dat Gedeputeerde Staten een vergunning kunnen verlenen voor het storten van tarra afkomstig van die partijen niet vallend onder artikel 7 of 8, tweede lid. Voor de partijen die vallen onder artikel 9 is toetsing van het herkomstgebied op probleemsoorten de basis voor de vergunning.

In het tweede lid van dit artikel is aangegeven welke stukken en onderbouwing een vergunningaanvraag voor het storten van tarra in ieder geval dient te bevatten. Onder a is aangegeven dat passende beoordeling, zoals bedoeld in artikel 2.8, eerste lid van de Wet natuurbescherming, moet worden meegezonden waarin is aangetoond dat het storten van tarra geen (significant) verstorende of verslechterende effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van de Oosterschelde.

Onder b is aangegeven dat de aanvraag ook een control- en managementplan moet bevatten met een integrale risico beoordeling en een beschrijving van kritische beheersmaatregelen. Hierin dient te worden beschreven hoe het risico op mogelijke effecten wordt geminimaliseerd en welke maatregelen worden getroffen indien in het herkomstgebied toch probleemsoorten worden aangetroffen. Onder c wordt aangegeven dat een schelpdier afhankelijke soorten inventarisatie van het herkomstgebied, zoals omschreven in de meest recente versie van het Schelpdier Import Monitoring Protocol, onderdeel moet zijn van het control- en managementplan. Uit deze inventarisatie moet blijken dat er geen probleemsoorten zijn aangetroffen in het herkomstgebied.

Tarra afkomstig van partijen die niet vallen onder artikel 7, 8 of artikel 9, eerste en tweede lid mag niet gestort worden in de Oosterschelde, maar dient gescheiden te worden behandeld en afgevoerd te worden naar een verwerker. Een omschrijving van de wijze waarop dit gebeurt dient in een passende beoordeling te zijn opgenomen. Het gescheiden houden en afvoeren van deze tarra dient ter voorkoming van vermenging met andere tarra.

In het vierde lid van dit artikel zijn een aanvullende voorwaarden opgenomen met betrekking tot de onder artikel 5, derde lid, onder c, genoemde administratie. In het kader van preventie, toezicht en handhaving is de RUD Zeeland bevoegd deze administratie te allen tijde op te vragen c.q. in te zien.

Artikel 10

In dit artikel wordt bepaald dat de beleidsregels per 1 maart 2018 in werking zullen treden. Er is sprake van een vertraagde inwerkingtreding om de Provincie Zeeland en bedrijfsleven voldoende tijd te bieden voor het indienen van aanvragen, toetsing en vergunningverlening. Vanaf 1 maart 2018 treedt de beleidsregel formeel in werking en vanaf dat moment kan er toezicht en handhaving plaatsvinden door de RUD Zeeland.