Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Utrecht

Besluit van Provinciale Staten van 4 februari 2013 houdende regels ter bescherming van het milieu. (Provinciale Milieuverordening Utrecht 2013) (PMV)

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieUtrecht
OrganisatietypeProvincie
Officiële naam regelingBesluit van Provinciale Staten van 4 februari 2013 houdende regels ter bescherming van het milieu. (Provinciale Milieuverordening Utrecht 2013) (PMV)
CiteertitelProvinciale Milieuverordening Utrecht 2013
Vastgesteld doorprovinciale staten
Onderwerpmilieu
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. wet Wet milieubeheer
  2. wet Provinciewet
Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

21-11-2017Wijziging artt. 1, 5, 17, 18, 28, 29; Bijlagen 1A, 2A, 2B, 3B

06-11-2017

prb-2017-5318

81BEA4DF
01-03-201721-11-2017Extra invoegen: Hoofdstuk 3A Ontgassen (incl. de bijbehorende teksten van:) Artikel 30a: Definitiebepalingen Artikel 30b Verbod ontgassen Artikel 30c Minimumconcentratie restladingsdampen Artikel 30d Voorafgaande belading Artikel 30eVeiligheidsredenen Artikel 30f Vrijstelling Artikel 30g Ontheffing Artikel 30h Nadere regels Artikel 33 Bijlage 3B vervangen door bijlage 1 een nieuwe kaart Stiltegebied Eemland (zie bijlage1) Bijlage 3B vervangen door bijlage 2 een nieuwe kaart Stiltegebied Westbroek e.o. (zie bijlage 2)

31-10-2016

prb-2016-6020

819AF073
22-12-201528-02-2017Art. 1, 6, 14, 19, 25, 27, 29, bijlage 5

07-12-2015

Provinciaal blad, 2015, 8436

8165D1B5
03-04-201522-12-2015Art. 17, 21, 22, 32, 34, 49

08-12-2014

Provinciaal blad, 2015, 1741

810B33B9
01-05-201303-04-2015nieuwe regeling

04-02-2013

Provinciaal blad, 2013, 12

80D709E7

Tekst van de regeling

Intitulé

Besluit van Provinciale Staten van 4 februari 2013 houdende regels ter bescherming van het milieu. (Provinciale Milieuverordening Utrecht 2013) (PMV)

Besluit van Provinciale Staten van 4 februari 2013 houdende regels ter bescherming van het milieu Op voorstel van Gedeputeerde Staten van 11 december 2012, nr. 80D709E7; Gelet op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en de Wet milieubeheer; Gezien het advies van de Provinciale Commissie Leefomgeving (PCL) Utrecht van 27 april 2012; Overwegende dat het nodig is de provinciale milieuverordening te actualiseren en te vereenvoudigen; Besluiten de volgende verordening vast te stellen:

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Definities

  • 1

    In deze verordening wordt verstaan onder:

    • a.

      bodemenergiesysteem: een open of gesloten bodemenergiesysteem;

    • b.

      boorput: boring of een met daartoe geschikte werktuigen aangebrachte put;

    • c.

      boringsvrije zone: beschermingsgebied aangewezen op grond van artikel 1.2, tweede lid, onder a, van de Wet milieubeheer;

    • d.

      buisleiding: buisleiding voor het transport van gas (met uitzondering van aardgas), olie of chemicaliën alsmede een leiding voor het transport van elektriciteit die wordt gekoeld met olie of chemicaliën;

    • e.

      diepinfiltratie: infiltratie van hemelwater in de bodem, op een diepte van 10 meter of meer onder het maaiveld;

    • f.

      drinkwaterbedrijf: drinkwaterbedrijf als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drink-waterwet;

    • g.

      gehandicaptenvoertuig: voertuig als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling voertuigen;

    • h.

      gesloten bodemenergiesysteem: installatie waarmee gebruik wordt gemaakt van de bodem voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door middel van een gesloten circuit van leidingen, met inbegrip van het bovengrondse deel van de installatie;

    • i.

      gewasbeschermingsmiddel: gewasbeschermingsmiddel als bedoeld in artikel 1 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

    • j.

      grond- of funderingswerk: werk in de bodem, daaronder begrepen sonderingen, het plaatsen of verwijderen van palen, dam-, scherm- of diepwanden en folies;

    • k.

      grondwaterbeschermingsgebied: beschermingsgebied aangewezen op grond van artikel 1.2, tweede lid, onder a, van de Wet milieubeheer;

    • l.

      inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer en artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

    • m.

      LAeq,1h/ LAeq, 24h: A-gewogen equivalent geluidsniveau ten opzichte van een referentiedruk van 20 Pa over een periode van 1 uur respectievelijk 24 uur, met als eenheid: dB(A);

    • n.

      langzaamverkeer: niet-motorvoertuigen (bijvoorbeeld bromfiets, brommobiel, gehandicaptenvoertuig), fietsers, voetgangers, geleiders/berijders van een dier, en motorvoertuigen met een snelheidsbeperking (zoals landbouwvoertuigen).

    • o.

      luchtvaartuig: luchtvaartuig als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wet luchtvaart;

    • p.

      motorrijtuig: voertuig als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder c, van de Wegenverkeerswet 1994;

    • q.

      niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stof: stof die als zodanig is aangewezen in bijlage 6 bij deze verordening;

    • r.

      openbare weg: weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, met uitzondering van de wegen die krachtens deze wet alleen openstaan voor voetgangers of fietsers;

    • s.

      open bodemenergiesysteem: installatie waarmee gebruik wordt gemaakt van de bodem voor de levering van warmte of koude ten behoeve van de verwarming of koeling van ruimten in bouwwerken, door grondwater te onttrekken en na gebruik in de bodem terug te brengen in de zin van de Waterwet, met inbegrip van het bovengrondse deel van de installatie;

    • t.

      parkeerplaats: locatie bestemd voor het parkeren van motorrijtuigen;

    • u.

      potentieel voor het grondwater schadelijke stof: stof die behoort tot een categorie als bedoeld in artikel 9.2.3.1, tweede lid, van de Wet milieubeheer;

    • v.

      stille kern: het feitelijk stille gebied binnen een stiltegebied, zoals op de kaart in bijlage 3 bij deze verordening is aangeduid;

    • w.

      stiltegebied: beschermingsgebied aangewezen op grond van artikel 1.2, tweede lid, onder b, van de Wet milieubeheer;

    • x.

      toestel: toestel als bedoeld in artikel 1 van de Wet geluidhinder, met uitzondering van een motorrijtuig en een vaartuig;

    • y.

      verharding: alle parkeerplaatsen, alsmede wegen, paden, pleinen en erven met een verhard oppervlak die zijn bestemd of mede bestemd voor verkeer met motorvoertuigen;

    • z.

      waterscooter: motorboot als bedoeld in artikel 1.01, onderdeel A, onder 18, van het Binnenvaartpolitieregelement;

    • aa.

      waterwingebied: beschermingsgebied aangewezen op grond van artikel 1.2, tweede lid, onder a, van de Wet milieubeheer;

    • bb.

      100-jaarsaandachtsgebied: het gebied dat als extra schil om een grondwaterbeschermingsgebied heen ligt, zoals weergegeven in bijlage 2 bij deze verordening.

  • 2

    Met betrekking tot de begrippen ‘aardwarmte’, ‘delfstoffen’, ‘opsporen van aardwarmte’, ‘opsporen van delfstoffen’’, ‘winnen van aardwarmte’ en ‘winnen van delfstoffen’ in de met de letters w, x en y aangewezen categorieën van inrichtingen in bijlage 5 bij deze verordening is artikel 1 van de Mijnbouwwet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2 Inspraak

  • 1

    Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op de voorbereiding van:

    • a.

      een provinciaal milieuprogramma of de wijziging daarvan;

    • b.

      een provinciaal milieubeleidsplan of de wijziging daarvan;

    • c.

      een wijziging van deze verordening.

  • 2

    Bij de toepassing van het eerste lid dragen Gedeputeerde Staten er zorg voor dat een ieder bij hen zijn zienswijze omtrent het ontwerp naar voren kan brengen 

Artikel 3 Toepassingsbereik agrarische bedrijfsvoering

Deze verordening is niet van toepassing op agrarische bedrijfsvoering in de gebieden die op grond van artikel 1.2, vijfde lid, van de Wet milieubeheer zijn aangewezen. 

HOOFDSTUK 2 BESCHERMING GRONDWATER MET HET OOG OP DE  WATERWINNING

Paragraaf 1 Beschermingsgebieden 

Artikel 4 Bijzondere zorgplicht grondwater

  • 1

    Een ieder is verplicht verontreiniging van het grondwater in een beschermingsgebied als bedoeld in artikel 5 te voorkomen of, voor zover verontreiniging niet kan worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

  • 2

    Degene die grondwater verontreinigt of dreigt te verontreinigen, dan wel degene onder wiens verantwoordelijkheid dit gebeurt, informeert terstond Gedeputeerde Staten en de directeur van het betrokken drinkwaterbedrijf. Daarbij wordt aangegeven welke maatregelen zijn of worden genomen ter voorkoming, beperking of ongedaanmaking van de verontreiniging.

  • 3

    Dit artikel geldt niet:

    • a.

      voor zover artikel 1.1a, artikel 9.2.1.2 of artikel 10.1 van de Wet milieubeheer of artikel 13 van de Wet bodembescherming van toepassing is;

    • b.

      met betrekking tot inrichtingen.

Artikel 5 Aanwijzing beschermingsgebieden

  • 1

    De beschermingsgebieden, bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onder a, van de Wet milieubeheer, zijn met hun onderverdeling in waterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden, boringsvrije zones of 100- jaarsaandachtsgebieden aangewezen op de lijst- en kaartbijlagen 1 en 2 bij deze verordening.

  • 2

    Gedeputeerde Staten kunnen een grens van een beschermingsgebied nader bepalen.

  • 3

    Gedeputeerde Staten kunnen een beschermingsgebied opheffen indien de waterwinvergunning die samenhangt met het betreffende gebied is ingetrokken;

  • 4

    Het betrokken drinkwaterbedrijf plaatst langs alle openbare wegen, spoorwegen en vaarwegen die toegang geven tot een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied dan wel daaraan grenzen, op of bij de grenzen van dat gebied bijbehorende borden waarvan het model is vastgesteld in bijlage 4, deel I, bij deze verordening.

  • 5

    Gedeputeerde Staten zijn bevoegd bijlage 4, deel I, bij deze verordening te wijzigen.

Paragraaf 2 Regels voor waterwingebieden

Artikel 6 Verboden inrichtingen en activiteiten vanuit die inrichtingen in waterwingebieden 

  • 1

    Het is verboden in een waterwingebied een inrichting op te richten of in werking te hebben die behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht.

  • 2

    Het eerste lid geldt wat betreft de met de letters r, w, x en y aangewezen categorieën van inrichtingen tevens voor het oprichten of hebben van een boorput vanuit die inrichting voor zover het een buiten een waterwingebied gelegen inrichting betreft en de boorput onder een waterwingebied is gelegen.

  • 3

    Het eerste lid geldt niet voor de eigenaar of exploitant van een drinkwaterbedrijf, als het oprichten of in werking hebben van de inrichting noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening.

Artikel 7 Verboden activiteiten buiten inrichtingen in waterwingebieden 

  • 1

    Het is buiten een inrichting in een waterwingebied verboden:

    • a.

      stoffen, combinaties van stoffen of vloeistoffen, preparaten of andere producten te hebben, te gebruiken, te vervoeren of op of in de bodem te brengen, waarvan degene die deze handeling verricht, weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat ze, op of in de bodem gebracht of gerakend, de bodem ver¬ontreinigen of kunnen verontreinigen;

    • b.

      een constructie of werk op of in de bodem op te richten, tot stand te brengen, aan te leggen, te hebben of te gebruiken, als daarmee verspreiding van schadelijke stoffen in de bodem of aantasting van de bescher¬mende werking van bo¬demlagen ontstaat of kan ontstaan;

    • c.

      handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd, met inbegrip van het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van een bodemenergiesysteem.

  • 2

    Onder de stoffen, bedoeld in het eerste lid, onder a, worden in elk geval begrepen aardolie en aardolieproducten, afvalstoffen, IBC-bouwstoffen, grond of baggerspecie waarvan de kwaliteit de achtergrondwaarde overschrijdt, meststoffen als bedoeld in de Meststoffenwet alsmede gewas¬beschermingsmiddelen en biociden als bedoeld in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

  • 3

    Onder de constructies of werken, bedoeld in het eerste lid, onder b, worden in elk geval begrepen boorputten, grond- en funderingswerken, wegen, parkeergelegenheden voor motorvoertuigen, kampeerterreinen, recreatiecentra, leidingen, installaties, opslagreser¬voirs, begraafplaatsen en terreinen voor de uitstrooiing van as.

Artikel 8 Vrijstellingen artikel 7

  • 1

    De verboden, gesteld in artikel 7, eerste lid, onder a en b, gelden niet voor:

    • a.

      het oprichten en hebben van boorputten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening;

    • b.

      het oprichten en hebben van boorputten voor het onttrekken van grondwater ten behoeve van een noodvoorziening;

    • c.

      aardgasleidingen;

    • d.

      het toepassen van strooizout ten behoeve van de gladheidbestrijding;

    • e.

      stoffen aanwezig in en benodigd voor het doen functioneren van motorvoer¬tui¬gen, motorwerktuigen of bromfietsen;

    • f.

      het vervoeren van stoffen in afgesloten en vloeistofdichte tanks of in een deug¬de¬lijke gesloten verpakking, mits deugdelijk geladen, afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden en op zodanige wijze dat geen gevaar voor verspreiding of verstuiving bestaat;

    • g.

      het hebben of gebruiken van geringe hoeveelheden stoffen, niet zijnde gewasbe-schermingsmiddelen of biociden, bij woningen en andere gebouwen, die dienen of gediend hebben voor normaal gebruik ter plaatse of afkomstig zijn van nor¬maal gebruik bij die woningen of gebouwen, mits bewaard in een deugdelijke verpakking en afdoende beschermd tegen invloeden van weersomstandigheden;

    • h.

      het op of in de bodem brengen van dierlijke meststoffen als gevolg van bewei¬ding;

    • i.

      het verspreiden van baggerspecie die vrijkomt bij regulier onderhoud van water¬gangen, over het aangrenzend perceel met inachtneming van het Besluit bodem¬kwaliteit;

    • j.

      het onderzoeken en saneren van de bodem met inachtneming van de Wet bodembe-scherming en de Wet milieubeheer;

    • k.

      het aanleggen en in stand houden van rioleringen door het waterleidingkanaal van het waterwingebied Bethunepolder, die aansluiten op bestaande rioleringen.

  • 2

    De verboden, gesteld in artikel 7, gelden niet voor de eigenaar of exploitant van een drinkwaterbedrijf, als de activiteit noodzakelijk is voor de openbare drinkwatervoorziening.

Artikel 9 Buitengebruikstelling boorput

  • 1

    Bij buitengebruikstelling van een boorput is de eigenaar of exploitant verplicht binnen twee weken daarna die boorput te laten afdichten door een gecertificeerd en erkend bedrijf conform BRL SIKB 2100/2101.

  • 2

    Bij verwijdering van heipalen in de gebieden, genoemd in artikel 16, tweede lid, onder a, dient het ontstane gat zoveel mogelijk te worden afgedicht met bentoniet.

  • 3

    Degene die het voornemen heeft tot afdichten als bedoeld in de vorige leden, meldt dit aan Gedeputeerde Staten. Op de melding is artikel 31 van toepassing.

Paragraaf 3 Bijzondere regels waterwingebied Bethunepolder

Artikel 10 Toepasselijke regime Bethunepolder

  • 1

    Voor het waterwingebied Bethunepolder, met uitzondering van het waterleidingkanaal, geldt niet paragraaf 2 (Regels voor waterwingebieden) maar gelden:

    • a.

      deze paragraaf (Bijzondere regels waterwingebied Bethunepolder), en

    • b.

      paragraaf 4 (Regels voor grondwaterbeschermingsgebieden).

  • 2

    Voor het waterleidingkanaal, bedoeld in het eerste lid, geldt paragraaf 2 (Regels voor waterwingebieden).

Artikel 11 Bestrijdingsmiddelen en glyfosaat Bethunepolder

  • 1

    Het is in het waterwingebied Bethunepolder, met uitzondering van het waterleidingkanaal, verboden bestrijdingsmiddelen voorhanden te hebben, in voorraad te hebben of toe te passen.

  • 2

    Het verbod, gesteld in het eerste lid, geldt niet voor het in een besloten ruimte voorhanden hebben, in voorraad hebben of toepassen van een geringe hoeveelheid van een gewasbeschermingsmiddel of biocide, als dit:

    • a.

      zonder bewerking kan worden toegepast;

    • b.

      dient of gediend heeft voor normaal gebruik ter plaatse of afkomstig is van normaal gebruik binnen een gebouw;

    • c.

      bewaard wordt in een deugdelijke verpakking, en

    • d.

      afdoende beschermd is tegen weersinvloeden.

  • 3

    Het verbod, gesteld in het eerste lid, geldt niet voor de toepassing van glyfosaat voor het bestrijden van de onkruiden grote brandnetel, ridderzuring, akkerdistel en ruwe smele in grasland, indien deze toepassing plaatsvindt:

    • a.

      als bestrijding met niet-chemische middelen redelijkerwijs niet kan worden gevergd;

    • b.

      volgens de onkruidbestrijkingsmethode;

    • c.

      door een deskundige met een licentie als bedoeld in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

    • d.

      als de weersomstandigheden dat toelaten en de hoogte van het gras redelijkerwijs geen beletsel vormt om de onkruiden aan te strijken zonder het gras te raken, en tevens

    • e.

      met inachtneming van een afstand van tenminste één meter tot geulen en greppels en tenminste twee meter tot sloten.

Artikel 12 Meldingsplicht glyfosaat Bethunepolder

  • 1

    Degene die het voornemen heeft om tijdens een groeiseizoen glyfosaat overeenkomstig artikel 11, derde lid, toe te passen, meldt dit aan Gedeputeerde Staten en het betrokken drinkwaterbedrijf.

  • 2

    Op de melding is artikel 31 van toepassing, met dien verstande dat:

    • a.

      het voornemen tot toepassing van glyfosaat tenminste twee weken van tevoren schriftelijk aan Gedeputeerde Staten wordt gemeld, en tenminste 24 uur van tevoren telefonisch aan het betrokken drinkwaterbedrijf;

    • b.

      de schriftelijke melding plaatsvindt met behulp van een daarvoor vastgesteld formulier;

    • c.

      de melding niet meer dan één groeiseizoen betreft; en

    • d.

      Gedeputeerde Staten de melder binnen vijf werkdagen een schriftelijke bevestiging van ontvangst zenden.

Artikel 13 Parkeren Bethunepolder

  • 1

    Onverminderd het gestelde bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 en in afwijking van artikel 16, eerste lid, onder i, is het in het waterwingebied Bethunepolder toegestaan om te parkeren:

    • a.

      in de wegberm langs de Nieuweweg op de door het bevoegde gezag aangewezen parkeerplaatsen ten behoeve van zomerrecreatie bij De Strook, en

    • b.

      in wegbermen en op weilanden op de door het bevoegde gezag aangewezen parkeerplaatsen ten behoeve van schaatsrecreatie.

  • 2

    Parkeerplaatsen als bedoeld in het eerste lid, onder b, worden slechts aangewezen, voor zover er geen toereikende alternatieve parkeermogelijkheden aanwezig zijn, de ondergrond van bedoelde wegbermen en weilanden bevroren is en na overleg met het drinkwaterbedrijf.

  • 3

    Bij de aanwijzing van parkeerplaatsen, bedoeld in het eerste lid, onder b, treft het bevoegd gezag alle maatregelen die nodig zijn om verontreiniging van de bodem te voorkomen of, voor zover verontreiniging niet kan worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken.

Paragraaf 4 Regels voor grondwaterbeschermingsgebieden

Artikel 14 Verboden inrichtingen en activiteiten vanuit die inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden

Het is verboden in een grondwaterbeschermingsgebied een inrichting op te richten of in werking te hebben indien die inrichting behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage 5 bij deze verordening. Dat verbod geldt wat betreft de met de letters r, w, x en y aangewezen categorieën van inrichtingen tevens voor het oprichten of hebben van een boorput vanuit die inrichting voor zover het een buiten een grondwaterbeschermingsgebied gelegen inrichting betreft en de boorput onder een grondwaterbeschermingsgebied is gelegen.

Artikel 15 Inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden

  • 1

    Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor een inrichting in een grondwaterbeschermingsgebied die behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht, in ieder geval de volgende voorschriften:

    • a.

      in de inrichting geen sprake mag zijn van een niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stof, tenzij het gaat om:

      • 1e.

        een kleine werkvoorraad van maximaal 25 liter of kilogram;

      • 2e.

        een niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stof, waarvan Gedeputeerde Staten bepaald hebben dat deze vanwege haar specifieke eigenschappen geen gevaar vormt voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de openbare drinkwatervoorziening;

      • 3e.

        een door Gedeputeerde Staten aangewezen categorie van gevallen waarin de niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stof vanwege specifieke gebruiksomstandigheden geen gevaar vormt voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de openbare drinkwatervoorziening.

    • b.

      in de inrichting uitsluitend sprake mag zijn van een potentieel voor het grondwater schadelijke stof tot de hierna aangegeven hoeveelheid:

      • 1e.

        in geval van een giftige of anderszins schadelijke stof als bedoeld in bijlage 7 bij deze verordening: de in die bijlage aangegeven hoeveelheidsdrempel;

      • 2e.

        in geval van een andere potentieel voor het grondwater schadelijke stof:

        • ­-

          maximaal 5 kubieke meter per opslageenheid bij een tot vloeistof gekoeld gas of een vloeistof;

        • maximaal 5000 kilogram per opslageenheid bij een visceuze of vaste stof.

  • 2

    Het bevoegd gezag verbindt aan een omgevingsvergunning voor een inrichting waar een potentieel voor het grondwater schadelijke stof aanwezig is als bedoeld in het eerste lid, onder b, het voorschrift dat de bodembeschermende voorzie¬ningen en maatregelen worden toegepast die de hoogst mogelijke vorm van be¬scherming bieden. Hieronder wordt verstaan dat opslag bovengronds en boven een vloeistofdichte voorziening plaatsvindt en dat proces of overslag boven een vloeistofdichte of vloeistofkerende voorziening plaatsvinden. In geval van een vloeistofkerende voorziening worden aan de omgevingsvergunning bedrijfsvoeringsvoorschriften verbonden met tenminste eenzelfde inhoud als artikel 2.3 van de Regeling algemene regels voor inrichtingen milieubeheer.

  • 3

    In aanvulling op dit artikel verbindt het bevoegd gezag aan een omgevingsvergunning voor een inrichting in een grondwaterbeschermingsgebied die behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht, voorschriften met eenzelfde inhoud als artikel 16 en 17, voor zover het een activiteit vanuit de inrichting betreft.

  • 4

    De voorschriften, bedoeld in dit artikel, zijn rechtstreeks van toepassing op inrichtingen waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, en op activiteiten binnen die inrichtingen.

  • 5

    Dit artikel is niet van toepassing, voor zover op grond van een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling reeds eenzelfde of strengere voorschriften gelden.

Artikel 16 Verboden activiteiten buiten inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden

  • 1

    Het is buiten een inrichting in een grondwaterbeschermingsgebied verboden:

    • a.

      boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben met een boordiepte van 40 meter of meer onder maaiveld;

    • b.

      grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van 40 meter of meer onder het maaiveld;

    • c.

      een buisleiding te leggen, te hebben, te vervangen, te veran¬deren of te verleggen;

    • d.

      werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd, met inbegrip van het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van een bodemenergiesysteem;

    • e.

      meststoffen op of in de bodem te brengen;

    • f.

      een begraafplaats of uitstrooiveld als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging of een dierenbegraafplaats aan te leggen of te hebben;

    • g.

      afstromend hemelwater via diepinfiltratie in het grondwater te lozen;

    • h.

      afstromend hemelwater van gebouwen en verhardingen binnen de bebouwde kom op of in de bodem te lozen;

    • i.

      een parkeerplaats voor meer dan 10 voertuigen of met een groter oppervlak dan 150 vierkante meter aan te leggen, in stand te houden, uit te breiden dan wel daarop te laten parkeren, voor zover deze niet voorzien is van een deugdelijke aaneengesloten verharding.

  • 2

    In afwijking van het eerste lid, onder a, en b, geldt:

    • a.

      voor de grondwaterbeschermingsgebieden Amersfoort-Berg, Doorn, Soestduinen en Woerden een diepte van 3 meter of meer onder maaiveld;

    • b.

      voor de grondwaterbeschermingsgebieden Driebergen, Leersum en Rhenen een diepte van 10 meter of meer onder maaiveld;

    • c.

      voor het grondwaterbeschermingsgebied Beerschoten een diepte van 30 meter of meer onder maaiveld.

  • 3

    Dit artikel is niet van toepassing, voor zover op grond van een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling reeds eenzelfde of strengere voorschriften gelden.

Artikel 17 Vrijstellingen artikel 16

  • 1

    Het verbod, gesteld in artikel 16, eerste lid, onder a en b, en tweede lid, geldt niet voor:

    • a.

      boorputten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening;

    • b.

      het oprichten en hebben van boorputten voor het onttrekken van grondwater ten behoeve van een noodvoorziening;

    • c.

      Het realiseren van horizontaal gestuurde boringen in de in artikel 16, tweede lid onder a gedefinieerde grondwaterbeschermingsgebieden, indien andere werkmethoden aantoonbaar niet toepasbaar zijn, in de volgende situaties:

      • -

        onder watergangen, waarbij de diepte van de watergang vanaf maaiveld groter is dan 2 m;

      • -

        onder kruisingen van belangrijke (spoor)wegen.

    • De volgende voorwaarden zijn hierbij van toepassing:

      • -

        de diepte van de onderkant van de boring is niet dieper dan 10 meter onder het maaiveld;

      • -

        de milieuhygiënische bodemkwaliteit ter plaatste van het in-/uittredepunt overstijgt de achtergrondwaarde niet;

      • -

        indien het boortracé een ernstige bodemverontreiniging passeert of doorboort, worden afdoende maatregelen getroffen om verspreiding tegen te gaan;

      • -

        de boorvloeistof wordt samengesteld met schoon leidingwater;

      • -

        de boorvloeistof bevat voldoende bentoniet om uitwisseling met de ondergrond zoveel mogelijk te voorkomen. Hierbij wordt het gebruik van additieven zoveel mogelijk beperkt;

      • -

        de vrijkomende grond wordt niet zonder bescherming opgeslagen of verspreid over het perceel;

      • -

        Indien de horizontale boring dient ten behoeve van de aanleg van een riool, dient de mantelbuis te worden voorzien van verklikkers die een zodanige werking hebben dat bij een eventuele breuk de inhoud van het riool aan het maaiveld uittreedt via deze verklikkers.

    • d.

      bronbemalingen;

    • e.

      het onderzoeken of saneren van de bodem in het kader van de Wet milieubeheer of de Wet bodembescherming;

    • f.

      sonderingen;

    • g.

      ontgrondingen in het kader van de Ontgrondingenwet;

    • h.

      grondwerken voor zover bij verwijdering van de grond het bodemprofiel zodanig wordt hersteld dat tenminste dezelfde beschermende werking van de bodem ontstaat als voor de grondwerken;

    • i.

      funderingswerken voor zover daarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van:

      • 1e.

        grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet;

      • 2e.

        in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaat¬selijk verbreed is en grondverdringend wordt ingebracht;

      • 3e.

        schroefpalen.

  • 2

    Het verbod voor het vervangen, veranderen of verleggen van een buisleiding, gesteld in artikel 16, eerste lid, onder c, geldt niet, als met een risico¬analyse van een deskundige overeenkomstig Richtlijn PGS 3 “Guidelines for quantitative risk assesments” is aangetoond dat de kans op grondwaterverontreiniging door dat vervangen, veranderen of verleggen gelijk blijft of kleiner wordt ten opzichte van de daaraan voorafgaande situatie.

  • 3

    Het verbod, gesteld in artikel 16, eerste lid, onder a en d, geldt niet voor een innovatief duurzaamheidsproject als:

    • a.

      aannemelijk is gemaakt dat een significante bijdrage geleverd wordt aan het verbeteren van de grondwaterkwaliteit door een koppeling te realiseren tussen duurzaam gebruik van bodemenergie en de gekozen saneringsaanpak, en

    • b.

      hiervoor vergunning kan worden verleend op grond van de Waterwet.

  • 4

    Het verbod, gesteld in artikel 16, eerste lid, onder e, geldt niet voor het op of in de bodem brengen van:

    • a.

      dierlijke meststoffen;

    • b.

      anorganische meststoffen, compost of kalkmeststoffen als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet.

  • 5

    Het verbod, gesteld in artikel 16, eerste lid, onder f, geldt niet voor het hebben of uitbreiden van een begraafplaats, uitstrooiveld of dierenbegraafplaats, als daardoor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning niet negatief wordt beïnvloed. Bij een begraafplaats of uitstrooiveld wordt de Inspectierichtlijn Lijkbezorging in acht genomen.

  • 6

    Het verbod, gesteld in artikel 16, eerste lid, onder h, geldt niet voor het lozen van afstromend hemelwater van:

    • a.

      gebouwen waaraan vanuit het dakmateriaal, de gevels, de hemelwaterafvoer of anderszins tot aan het op de bodem brengen geen verontreinigende stoffen worden toegevoegd of redelijkerwijs kunnen worden toegevoegd;

    • b.

      verhardingen die schoon of beperkt schoon zijn dan wel verhardingen die deel uitmaken van particuliere erven en tuinen;

    • c.

      andere gebouwen en verhardingen waarbij afstromend hemelwater wordt geleid door een doelmatig werkend zuiveringssysteem waardoor de kwaliteit van het geinfiltreerde water minimaal voldoet aan de streefwaarden, genoemd in de Circulaire bodemsaneringen 2013, bijlage 1, tenzij het betreft:

      • 1e.

        gebouwen met grote gevels of daken met uitloogbare materialen die in contact staan met hemelwater;

      • 2e.

        verhardingen waar chemische onkruidbestrijding plaatsvindt;

      • 3e.

        verhardingen van bedrijfsterreinen, marktplaatsen, laad- en losplaatsen, overslagterreinen, busstations, trambanen en tunnels (met uitzondering van tunnels voor langzaamverkeer).

  • 7

    Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 18 Meldingsplicht grondwaterbeschermingsgebieden

Degene die het voornemen heeft om binnen de vrijstelling van artikel 17:

  • a.

    een horizontaal gestuurde boring uit te voeren;

  • b.

    een grond- of funderingswerk uit te voeren;

  • c.

    een buisleiding te vervangen, te veranderen of te verleggen;

  • d.

    een begraafplaats, uitstrooiveld of dierenbegraafplaats uit te breiden of te veranderen;

  • e.

    afstromend hemelwater van gebouwen en verhardingen binnen de bebouwde kom op of in de bodem te lozen, meldt dit bij Gedeputeerde Staten.

     

    Op de melding is artikel 31 van toepassing.

Paragraaf 5 Regels voor boringsvrije zones

Artikel 19 Inrichtingen en activiteiten vanuit die inrichtingen in boringsvrije zones

  • 1

    Het is verboden in een boringsvrije zone een inrichting op te richten of in werking te hebben, indiendie inrichting behoort tot de met de letters r, w, x en y aangewezen categorieën van inrichtingendie zijn opgenomen in bijlage 5 bij deze verordening.

  • 2

    Het eerste lid geldt wat betreft de met de letters r, w, x en y aangewezen categorieën van inrichtingen tevens voor het oprichten of hebben van een boorput vanuit die inrichting voor zover het een buiten een boringsvrije zone gelegen inrichting betreft en de boorput onder een boringsvrijezone is gelegen.

  • 3

    Het bevoegd gezag verbindt aan de omgevingsvergunning voor een inrichting in een boringsvrije zone die behoort tot een categorie die is aangewezen in bijlage I bij het Besluit omgevingsrecht, in ieder geval voorschriften met eenzelfde inhoud als de artikelen 20 en 21, voor zover het een activiteit vanuit de inrichting betreft. 

  • 4

    De voorschriften, bedoeld in dit artikel, zijn rechtstreeks van toepassing op inrichtingen waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist, en op activiteiten binnen die inrichtingen.

  • 5

    Dit artikel is niet van toepassing, voor zover op grond van een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling reeds eenzelfde of strengere voorschriften gelden.

Artikel 20 Verboden activiteiten buiten inrichtingen in boringsvrije zones

  • 1

    Het is buiten een inrichting in een boringsvrije zone verboden:

    • a.

      boorputten op te richten, in exploitatie te nemen of te hebben met een boordiepte van 40 meter of meer onder maaiveld;

    • b.

      grond- of funderingswerken uit te voeren of te hebben op een diepte van 40 meter of meer onder het maaiveld;

    • c.

      werken tot stand te brengen of handelingen te verrichten waardoor direct of indirect warmte aan het grondwater wordt onttrokken of toegevoegd, met inbegrip van het oprichten, in exploitatie nemen of hebben van een bodemenergiesysteem.

  • 2

    In afwijking van het eerste lid geldt:

    • a.

      voor de boringsvrije zones Amersfoort-Koedijkerweg, Rhenen en Woudenberg een diepte van 10 meter of meer onder maaiveld;

    • b.

      voor de boringsvrije zone Veenendaal een diepte van 30 meter of meer onder maaiveld.

Artikel 21 Vrijstellingen artikel 20 

  • 1

    Het verbod, gesteld in artikel 20, eerste lid, onder a en b, en tweede lid, geldt niet voor:

    • a.

      boorputten voor de controle van het grondwater ten behoeve van de openbare drinkwatervoorziening;

    • b.

      het oprichten en hebben van boorputten voor het onttrekken van grondwater ten behoeve van een noodvoorziening;

    • c.

      bronbemalingen;

    • d.

      het onderzoeken of saneren van de bodem in het kader van de Wet milieubeheer of de Wet bodembescherming;

    • e.

      sonderingen;

    • f.

      ontgrondingen in het kader van de Ontgrondingenwet;

    • g.

      grondwerken voor zover bij verwijdering van de grond het bodemprofiel zodanig wordt hersteld dat tenminste dezelfde beschermende werking van de bodem ontstaat als voor de grondwerken;

    • h.

      funderingswerken voor zover daarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van:

      • 1e.

        grondverdringende gladde geprefabriceerde palen zonder verbrede voet;

      • 2e.

        in de grond gevormde palen waarbij een hulpbuis wordt gebruikt die niet plaat¬selijk verbreed is en grondverdringend wordt ingebracht;

      • 3e.

        schroefpalen.

  • 2

    Het verbod, gesteld in artikel 20, eerste lid, onder c, geldt niet voor een open bodemenergiesysteem, als:

    • a.

      de boorputten niet dieper zijn gelegen dan in artikel 20, eerste en tweede lid, is aangegeven; en

    • b.

      hiervoor vergunning kan worden verleend op grond van de Waterwet.

  • 3

    Het verbod, gesteld in artikel 20, eerste lid, onder c, geldt niet voor een gesloten bodemenergiesysteem, als de boorputten niet dieper zijn gelegen dan in artikel 20, eerste en tweede lid, is aangegeven;

  • 4

    Het verbod, gesteld in artikel 20, eerste lid, onder a en c, geldt niet voor een innovatief duurzaamheidsproject als:

    • a.

      aannemelijk is gemaakt dat een significante bijdrage geleverd wordt aan het verbeteren van de grondwaterkwaliteit door een koppeling te realiseren tussen duurzaam gebruik van bodemenergie en de gekozen saneringsaanpak; en

    • b.

      hiervoor vergunning kan worden verleend op grond van de Waterwet.

  • 5

    Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22 Meldingsplicht boringsvrije zones

Degene die het voornemen heeft om binnen de vrijstelling van artikel 21 een grond- of funderingswerk uit te voeren, meldt dit bij Gedeputeerde Staten. Op de melding is artikel 31 van toepassing.

HOOFDSTUK 3 STILTEGEBIEDEN

Artikel 23 Bijzondere zorgplicht stiltegebieden

  • 1

    Een ieder is verplicht schade aan het bijzondere belang van een stiltegebied te voorkomen of, voor zover schade niet kan worden voorkomen, deze zoveel mogelijk te beperken.

  • 2

    Dit artikel is niet van toepassing:

    • a.

      voor zover artikel 1.1a van de Wet milieubeheer van toepassing is;

    • b.

      met betrekking tot inrichtingen.

Artikel 24 Aanwijzing stiltegebieden

  • 1

    De stiltegebieden, bedoeld in artikel 1.2, tweede lid, onder b, van de Wet milieubeheer, zijn met hun begrenzing aangewezen op de lijst- en kaartbijlagen 1 en 3 bij deze verordening.

  • 2

    Gedeputeerde Staten kun¬nen een grens van een stiltegebied nader bepalen.

  • 3

    Langs alle openbare wegen en vaarwegen die toegang geven tot een stiltegebied dan wel daaraan grenzen, worden op of bij de grenzen van dat gebied bijbehorende borden geplaatst waarvan het model is vastgesteld in bijlage 4, deel II, bij deze verordening.

  • 4

    Gedeputeerde Staten zijn bevoegd bijlage 4, deel II, bij deze verordening te wijzigen.

Artikel 25 Richtwaarden equivalent geluidsniveau 

  • 1

    Als richtwaarde voor het maximaal toelaatbare equivalente geluidsniveau vanwege een geluidsbron die binnen een stiltegebied is gesitueerd en geen onderdeel uitmaakt van een inrichting, geldt een geluidsniveau van 35 dB(A) LAeq,24h op 50 meter van de geluidsbron.

  • 2

    Als richtwaarde voor het maximaal toelaatbare equivalente geluidsniveau vanwege een geluidsbron die buiten een stiltegebied is gesitueerd en geen onderdeel uitmaakt van een inrichting, geldt een geluidsniveau van 35 dB(A) LAeq,24h op 50 meter in een stiltegebied gerekend vanaf de grens van het stiltegebied.

  • 3

    Dit artikel is niet van toepassing op een activiteit waarvoor een vrijstelling geldt als bedoeld in artikel 29, tweede lid, voor zover het de geluidsuitstraling betreft die direct met bedoelde activiteitverband houdt.

  • 4

    Gedeputeerde Staten geven voor 31 december 2018 aan in hoeverre genoemde richtwaarden herziening behoeven.

Artikel 26 Richtwaarden voor inrichtingen in en nabij stiltegebieden

  • 1

    Als richtwaarde voor het maximaal toelaatbare geluidsniveau vanwege een inrichting binnen een stiltegebied geldt een geluidsniveau van 35 dB(A) LAeq,24h op een afstand van 50 meter vanaf de grens van de inrichting.

  • 2

    Als richtwaarde voor het maximaal toelaatbare geluidsniveau vanwege een inrichting buiten een stiltegebied geldt een geluidsniveau van 35 dB(A) LAeq,24h op een afstand van 50 meter in een stiltegebied gerekend vanaf de grens van het stiltegebied.

  • 3

    Dit artikel is niet van toepassing op een inrichting waarbinnen een activiteit wordt verricht waarvoor een vrijstelling geldt als bedoeld in artikel 29, eerste lid, onder a, voor zover het de geluiduitstraling betreft die direct met bedoelde activiteit verband houdt.

  • 4

    Dit artikel is niet van toepassing, voor zover op grond van een algemene maatregel van bestuur of een ministeriële regeling reeds eenzelfde of strengere grenswaarden gelden.

  • 5

    Gedeputeerde Staten geven voor 31 december 2018 aan in hoeverre genoemde richtwaarden herziening behoeven.

Artikel 27 Doorwerking richtwaarden

  • 1

    Met de richtwaarden, genoemd in artikel 25 en 26, wordt rekening gehouden :

    • a.

      bij gebruik van de bevoegdheden, bedoeld in de artikelen 2.1, 2.2, 3.1, 3.6, 3.26, 3.38, 4.1 en 4.2 van de Wet ruimtelijke ordening;

    • b.

      bij gebruik van de bevoegdheden in een gemeentelijke verordening als bedoeld in artikel 108, eerste lid, van de Gemeentewet;

    • c.

      bij gebruik van de bevoegdheden tot het treffen van verkeersmaatregelen op basis van de Wegenverkeerswet 1994;

    • d.

      bij gebruik van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 2.4 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, met betrekking tot de activiteiten, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder e, en 2.1, eerste lid, onder i, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

    • e.

      indien een inrichting onder de bepalingen van het Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer valt.

  • 2

    Dit artikel is van toepassing, voor zover het gebruik van de bevoegdheden gevolgen heeft voor het belang waarvoor de richtwaarden zijn gesteld.

  • 3

    vervalt

Artikel 28 Verboden activiteiten buiten inrichtingen in stiltegebieden

Zonder ontheffing als bedoeld in artikel 30 is het buiten een inrichting in een stiltegebied verboden:

  • a.

    een toestel te gebruiken, indien daardoor de ervaring van de natuurlijke geluiden kan worden verstoord. Een toestel als bedoeld in de eerste volzin is in elk geval:

    • 1e.

      een airgun en andere knalapparatuur;

    • 2e.

      een motorisch aangedreven werktuig met bijbehorende transportmiddelen, te gebruiken bij seismologisch onderzoek, opsporingsonderzoek naar of ontginning van bodemstoffen;

    • 3e.

      een omroepinstallatie, sirene, hoorn en ander vergelijkbaar toestel, bestemd voor het versterken of voortbrengen van geluid;

    • 4e.

      een modelvliegtuig, modelboot en modelauto, indien aangedreven door een verbrandingsmotor;

    • 5e.

      een vuurwapen.

  • b.

    een muziekinstrument of ander vergelijkbaar geluidsapparaat, al dan niet gekoppeld aan een geluidsversterker, te gebruiken waarvan het hoogste geluidsniveau op een afstand van 50 meter meer dan 35 dB(A) LAeq,1h bedraagt;

  • c.

    met een motorrijtuig te rijden buiten de openbare weg of andere voor bestemmingsverkeer openstaande en als zodanig bestemde wegen of terreinen;

  • d.

    een toertocht voor motorrijtuigen te houden of daaraan deel te nemen;

  • e.

    met een waterscooter te varen;

  • f.

    met een vaartuig of ander vervoermiddel te varen met een hogere snelheid dan 12 kilometer per uur, indien het wordt voortbewogen door een verbrandings- of explosiemotor;

  • g.

    vuurwerk te gebruiken;

  • h.

    met een motorrijtuig of vaartuig proef te draaien;

  • i.

    te starten of te landen met een gemotoriseerd luchtvaartuig, tenzij dit wordt ingezet in het kader van uitvoering van een wettelijke taak of bij spoedeisende hulpverlening.

Artikel 29 Vrijstellingen artikel 28 

  • 1

    De verboden, gesteld in artikel 28, gelden niet voor een activiteit die rechtstreeks verband houdt met:

    • a.

      de uitoefening van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij;

    • b.

      de aanleg, het onderhoud of de exploitatie van kabels en buisleidingen voor het transport van energie of voor de openbare drinkwatervoorziening, met inbegrip van toestellen noodzakelijkvoor dat transport en voorzieningen voor de directe aansluiting van eindgebruikers in de nabije omgeving;

    • c.

      de aanleg, het onderhoud of de exploitatie van infrastructurele of telecommunicatiewerken in het gebied;

    • d.

      de bouw of het onderhoud van gebouwen in het gebied;

    • e.

      de bescherming, het onderhoud of het beheer van het gebied, inclusief dijkwerkzaamheden;

    • f.

        de openbare veiligheid of de afwending van dreigend gevaar;

    • g.

      de uitoefening van een functie met opsporingsbevoegdheid;

    • h.

      het met een motorrijtuig rijden naar en parkeren op een tijdelijk parkeerterrein met ten hoogste 30 parkeerplaatsen voor personenvoertuigen.

  • 2

    De verboden, gesteld in artikel 28, gelden niet voor:

    • a.

      het gebruik van een toestel dat wordt gebruikt in of bij een woonhuis en waarbij het hoogste geluidsniveau op een afstand van 50 meter van dat woonhuis of toestel niet meer dan 35 dB(A) LAeq,1h bedraagt;

    • b.

      het gebruik van een vuurwapen:

      • 1e.

        door een persoon met opsporingsbevoegdheid in de uitoefening van zijn functie;

      • 2e.

        in geval van nood;

      • 3e.

        in het kader van de Flora- en faunawet, met inachtneming van de daar gestelde voorschriften.

    • c.

      het gebruik van een gehandicaptenvoertuig voor het vervoer van een minder valide;

    • d.

      een toertocht met elektrisch aangedreven motorrijtuigen;

    • e.

      het varen met een elektrisch aangedreven waterscooter of vaartuig;

    • f.

      het gebruik van vuurwerk indien dat:

      • 1e.

        noodzakelijk is ter oproeping van personen of ter afwending van dreigend gevaar;

      • 2e.

        consumentenvuurwerk betreft dat wordt gebruikt op een afstand van minder dan 50 meter van het eigen woonhuis, ter gelegenheid van de jaarwisseling gedurende een bij het Vuurwerkbesluit aangewezen periode;

    • g.

      het parkeren van een motorvoertuig, bedoeld in artikel 13.

Artikel 30 Ontheffing artikel 28 

  • 1

    Gedeputeerde Staten kunnen op verzoek ontheffing verlenen van de verboden, gesteld in artikel 28.

  • 2

    Voor een activiteit binnen de stille kern van een stiltegebied wordt slechts ontheffing verleend, voor zover zwaarwegende maatschappelijke belangen daartoe nopen en alternatieven buiten die kern ontbreken.

  • 3

    Voor een activiteit buiten de stille kern van een stiltegebied wordt slechts ontheffing verleend, als rekening wordt gehouden met het karakter van het stiltegebied.

  • 4

    In afwijking van het tweede lid, kan ontheffing worden verleend voor bestaande activiteiten in een stille kern van een stiltegebied als:

    • a.

      deze activiteiten zijn aangeduid op de kaart, bedoeld in artikel 24; en

    • b.

      rekening wordt gehouden met het karakter van het stiltegebied.

  • 5

    In een stiltegebied kan slechts ontheffing worden verleend voor in totaal 12 activiteiten per kalenderjaar, elk met een maximale tijdsduur van 24 uur.

  • 6

    Een afschrift van een verleende ontheffing wordt toegezonden aan de gemeenten waarbinnen het stiltegebied ligt.

Hoofdstuk 3A ONTGASSEN

Artikel 30a Definitiebepalingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    ADN: Europees Verdrag inzake het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren (Trb. 2001, 67);

  • b.

    binnenschip: schip als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Binnenvaartwet;

  • c.

    vaarweg: voor het openbaar verkeer met schepen openstaand water in de zin van artikel 1.01, onder D, onder 5°, van het Binnenvaartpolitiereglement;

  • d.

    ladingtank: tank vast verbonden met een binnenschip waarvan de wanden hetzij door de scheepsromp zelf, hetzij door van de scheepsromp onafhankelijke wanden zijn gevormd;

  • e.

    restladingdamp: damp die na het lossen in de ladingtank achterblijft;

  • f.

    stoffen: chemische elementen, verbindingen daarvan dan wel mengsels van die elementen of verbindingen;

  • g.

    ontgassen: afvoeren van restladingdamp uit een ladingtank waarbij restladingdampen terechtkomen in de open lucht;

  • h.

    schipper: persoon als bedoeld in artikel 1.2.1 van deel 1 van het ADN;

  • i.

    vervoerder: de onderneming, bedoeld in 1.2.1 van deel 1 van het ADN.

Artikel 30b Verbod ontgassen

  • 1.

    Het is de vervoerder en de schipper verboden een ladingtank met restladingdampen van:

    • a.

      benzeen (UN-nummer 1114),

    • b.

      ruwe aardolie met meer dan 10% benzeen (UN-nummer 1267),

    • c.

      aardoliedestillaten N.E.G. met meer dan 10% benzeen of aardolieproducten N.E.G met meer dan 10% benzeen (UN 1268),

    • d.

      brandstof voor straalvliegtuigen met meer dan 10% benzeen (UN 1863),

    • e.

      brandbare vloeistoffen, N.E.G. met meer dan 10% benzeen (UN 1993), of

    • f.

      koolwaterstoffen, vloeibaar met meer dan 10% benzeen (UN 3295) vanaf een binnenschip op een vaarweg te ontgassen.

  • 2.

    Het verbod, bedoeld in het eerste lid, geldt eveneens voor stoffen met ernstige gezondheidsschadelijke eigenschappen die door Gedeputeerde Staten zijn aangewezen.

Artikel 30c Minimumconcentratie restladingsdampen

  • 1.

    Van een restladingladingsdamp als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, is sprake bij een concentratie van die damp in de ladingtank groter dan of gelijk aan 10% van de onderste explosiegrens.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten zijn bevoegd het percentage, genoemd in het eerste lid, te verlagen.

Artikel 30d Voorafgaande belading

Het verbod, bedoeld in artikel 30b, eerste lid, is niet van toepassing indien kan worden aangetoond dat de drie voorafgaande ladingen in de desbetreffende ladingtank niet bestonden uit stoffen als genoemd in artikel 30b, eerste lid, of aangewezen krachtens het tweede lid van dat artikel, dan wel indien kan worden aangetoond dat de desbetreffende ladingtank bij de voorafgaande belading voor meer dan 95% gevuld was met een andere stof dan vermeld in artikel 30b, eerste lid, of aangewezen krachtens het tweede lid van dat artikel.

Artikel 30e Veiligheidsredenen

Het verbod, bedoeld in artikel 30b, eerste lid, is niet van toepassing, wanneer het ontgassen plaatsvindt:

  • a.

    om redenen van drukverevening die om redenen van veiligheid moet plaatsvinden;

  • b.

    tijdens of na een calamiteit met het binnenschip, indien het ontgassen om redenen van veiligheid noodzakelijk is.

HOOFDSTUK 4 PROCEDURE MELDINGEN EN ONTHEFFINGEN

Artikel 31 Melding

  • 1

    Als bij of krachtens deze verordening een melding is voorgeschreven, bevat deze melding:

    • a.

      de naam en het adres van degene die de melding doet;

    • b.

      de dagtekening;

    • c.

      een beschrijving van de activiteit en locatie waarop de melding betrekking heeft, en hoe aan de geldende voorschriften kan worden voldaan;

    • d.

      de aanvangsdatum van de activiteit.

  • 2

    De melding wordt gedaan bij Gedeputeerde Staten uiterlijk zes weken voor aanvang van de actviteit waarop de melding betrekking heeft.

  • 3

    Gedeputeerde Staten zenden de melder binnen drie weken na ontvangst van de melding een schriftelijke ontvangstbevestiging. Daarin geven zij hun oordeel over de volledigheid van de melding.

  • 4

    Gedeputeerde Staten kunnen de melder vragen om aanvullende gegevens voor zover dat nodig is voor de beoordeling van de melding.

  • 5

    Als de aanvangsdatum van de activiteit afwijkt van de melding, bedoeld in het eerste lid, onder d, geeft de melder Gedeputeerde Staten hiervan uiterlijk twee weken voor de uitvoering van de activiteit kennis.

Artikel 32 Ontheffing stiltegebied 

  • 1

    Een aanvraag om een ontheffing als bedoeld in artikel 30 wordt ingediend op een door Gedeputeerde Staten vastgesteld aanvraagformulier.

  • 2

    Bij de aanvraag om een ontheffing of de aanvraag om een omgevingsvergunning voor zover deze een activiteit als bedoeld in artikel 28 betreft, worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

    • a.

      de naam en het adres van degene die de aanvraag doet;

    • b.

      de dagtekening;

    • c.

      een beschrijving van de activiteit, de locatie, de datum en tijd van de activiteit;

    • d.

      voor zover relevant een plattegrond van de activiteit;

    • e.

      de aard van het geluid en de mogelijkheden het geluid te beperken;

    • f.

      de motivering van de keuze voor de betreffende locatie, onderzochte alternatieve locaties en bezwaren daartegen;

    • g.

      in geval de locatie binnen de stille kern is gelegen: of het een activiteit betreft als bedoeld in artikel 30, vierde lid, dan wel een beschrijving van het maatschappelijk belang van de activiteit;

    • h.

      mogelijk samenhangende besluiten (bijvoorbeeld Evenementenvergunning, ontheffing Flora en Faunawet, vergunning op grond van de Natuurbeschermingswet).

  • 3

    De ontheffing kan worden verleend onder voorschriften en beperkingen ter bescherming van het betrokken milieubelang.

  • 4

    De ontheffing kan worden gewijzigd of ingetrokken als:

    • a.

      bij de aanvraag onjuiste gegevens zijn verstrekt en de ontheffing op basis van de juiste gegevens anders of niet zou zijn verleend;

    • b.

      de voorschriften of beperkingen niet of niet geheel worden nageleefd of veranderingen worden aangebracht ten opzichte van de gegevens op basis waarvan de ontheffing is verleend;

    • c.

      gewijzigde inzichten of omstandigheden dat vergen.

  • 5

    Op de voorbereiding van de ontheffing is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing, tenzij het een ontheffing van artikel 28, onder c en d, betreft. Wanneer het een ontheffing betreft van artikel 28, onder c, ten behoeve van het parkeren van motorrijtuigen op ten hoogste 300 meter van de openbare weg, is genoemde afdeling eveneens niet van toepassing.

HOOFDSTUK 5 HANDHAVING

Artikel 33 Aanduiding strafbare feiten

Een gedraging in strijd met de artikelen 6, 7, 9, 11, 14, 16, 20, 28 en 30b is een strafbaar feit.

HOOFDSTUK 6 OVERGANGSRECHT

Artikel 34 Overgangsrecht verboden inrichtingen in waterwin- of grondwaterbeschermingsgebieden 

  • 1

    De verboden tot het in werking hebben van een inrich¬ting in een waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied, gesteld in de artikelen 6 en 14, zijn niet van toepassing op een inrichting die onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling in overeenstemming met de voor die inrichting geldende regels van de provinciale milieuverordening in werking is.

  • 2

    Ten aanzien van een inrichting als bedoeld in het eerste lid blijven de onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling geldende regels van de provinciale milieuverordening van toepassing tot en met het derde jaar na de inwerkingtreding van deze regeling.

  • 3

    Indien voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid een omgevingsvergunning voor een inrichting is vereist, verbindt het bevoegd gezag binnen drie jaar na de inwerkingtreding van deze regeling aan de vergunning de voorschriften die zijn bedoeld in artikel 15. Deze regels treden in werking op de eerste dag van het vierde jaar na de inwerkingtreding van deze regeling.

  • 4

    Indien voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid geen omgevingsvergunning voor een inrichting is vereist, is artikel 15 rechtstreeks van toepassing met ingang van de eerste dag van het vierde jaar na de inwerkingtreding van deze regeling.

  • 5

    In aanvulling op het derde en vierde lid geldt voor inrichtingen voor het afleveren van vloeibare brandstoffen voor motorrijtuigen voor het wegverkeer of aan beroepsvaartuigen het voorschrift, dat aanwezige enkelwandige ondergrondse opslagtanks van vloeibare brandstoffen worden vervangen door dubbelwandige ondergrondse tanks met lekdetectie. De bovengrondse tank(s) moeten wel voorzien zijn van deugdelijke aanrijbeveiliging. In dit geval geldt artikel 15, eerste lid, onder b, sub 2, niet. Genoemd voorschrift geldt vanaf het moment dat deze tanks wettelijk verplicht moeten worden gekeurd en beoordeeld.

  • 6

    Het verbod op een niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stof geldt niet voor een inrichting bedoeld in het eerste lid, als aantoonbaar is dat de stof noodzakelijk is voor een goede bedrijfsvoering en geen alternatief beschikbaar is.

  • 7

    De hoeveelheidsdrempel voor een giftige of anderszins schadelijke stof, genoemd in bijlage 7 bij deze verordening, geldt niet voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, als aantoonbaar is dat deze stof noodzakelijk is voor een goede bedrijfsvoering en geen alternatief beschikbaar is.

  • 8

    Het is verboden een inrichting als bedoeld in het eerste lid of de werking van een der¬gelijke inrichting te veranderen, indien redelijkerwijs moet worden aangenomen dat die verandering naar aard of omvang nadelige gevolgen kan hebben voor de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning.

Artikel 35 Overgangsrecht activiteiten buiten inrichtingen in waterwingebieden

Het verbod tot het hebben of gebruiken van een constructie of werk in een waterwingebied, gesteld in artikel 7, eerste lid, onder b, is niet van toepassing op een construc¬tie of werk welke onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling in overeenstemming met de daarvoor geldende regels van de provinciale milieuverordening werd gehouden of gebruikt. Als de constructie of het werk bestaat uit een gebouw, een weg of een andere verharding zijn de artikelen 16, 17 en 18 van overeenkomstige toepassing vanaf het moment dat de constructie of het werk wordt onderworpen aan herstructurering of groot onderhoud.

Artikel 36 Overgangsrecht overige inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden 

  • 1

    Ten aanzien van een andere inrichting in een grondwaterbeschermingsgebied dan bedoeld in artikel 34 blijven de onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling geldende regels van de provinciale milieuverordening van toepassing tot en met het derde jaar na de inwerkingtreding van deze regeling.

  • 2

    Voor zover bij de inwerkingtreding van deze regeling de voorschriften, bedoeld in artikel 15, nog niet zijn opgenomen in de omgevingsvergunning voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat binnen drie jaar gerekend vanaf de dag van inwerkingtreding van deze regeling de omgevingsvergunning overeenkomstig deze regeling is aangepast. Deze voorschriften treden in werking op de eerste dag van het vierde jaar na de inwerkingtreding van deze regeling.

  • 3

    Indien voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid geen omgevingsvergunning is vereist, is artikel 15 rechtstreeks van toepassing met ingang van de eerste dag van het vierde jaar na de inwerkingtreding van deze regeling.

  • 4

    Het verbod op een niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stof geldt niet voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, als aantoonbaar is dat de stof noodzakelijk is voor een goede bedrijfsvoering en geen alternatief beschikbaar is.

  • 5

    De hoeveelheidsdrempel voor een giftige of anderszins schadelijke stof, genoemd in bijlage 7 bij deze verordening, geldt niet voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, als aantoonbaar is dat deze stof noodzakelijk is voor een goede bedrijfsvoering en geen alternatief beschikbaar is.

  • 6

    De leden 2 en 3 zijn niet van toepassing op een activiteit vanuit een inrichting zoals benoemd in artikel 16, als die activiteit onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling is ondernomen of vergund in overeenstemming met de toen geldende provinciale milieuverordening. Voor deze activiteit geldt het gestelde in artikel 37.

Artikel 37 Overgangsrecht activiteiten buiten inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden 

  • 1

    Artikel 16, eerste lid, onder a, b, c, d en h, is niet van toepassing op een activiteit die onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling is ondernomen of vergund in overeenstemming met de voor die activiteit geldende regels op grond van de provinciale milieuverordening, indien ten aanzien van grondwerken onderscheidenlijk boorputten artikel 17, eerste en zevende lid, in acht wordt genomen.

  • 2

    Het verbod tot het in stand houden van een parkeerplaats voor meer dan 10 voertuigen of met een groter oppervlak dan 150 vierkante meter, gesteld in artikel 16, eerste lid, onder i, geldt niet als onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling die parkeerplaats overeenkomstig de daarvoor geldende regels op grond van de provinciale milieuverordening is aangelegd. Bij uitbreiding van een bestaande parkeerplaats dient de uitbreiding deugdelijk aaneengesloten verhard te zijn.

Artikel 38 Overgangsrecht inrichtingen in boringsvrije zones 

  • 1

    Ten aanzien van een inrichting in een boringsvrije zone blijven de onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling geldende regels van de provinciale milieuverordening van toepassing tot en met het derde jaar na de inwerkingtreding van deze regeling.

  • 2

    Voor zover bij de inwerkingtreding van deze regeling de voorschriften, bedoeld in artikel 19, nog niet zijn opgenomen in de omgevingsvergunning voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, draagt het bevoegd gezag er zorg voor dat binnen drie jaar gerekend vanaf de dag van inwerkingtreding van deze regeling de omgevingsvergunning overeenkomstig deze regeling is aangepast. Deze voorschriften treden in werking op de eerste dag van het vierde jaar na de inwerkingtreding van deze regeling.

  • 3

    Indien voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid geen omgevingsvergunning is vereist, is artikel 19 rechtstreeks van toepassing met ingang van de eerste dag van het vierde jaar na de inwerkingtreding van deze regeling.

  • 4

    De leden 2 en 3 zijn niet van toepassing op een activiteit vanuit een inrichting zoals benoemd in artikel 20, als die activiteit onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling is ondernomen of vergund in overeenstemming met de toen geldende provinciale milieuverordening. Voor deze activiteit geldt het gestelde in artikel 39.

Artikel 39 Overgangsrecht activiteiten buiten inrichtingen in boringsvrije zones

De artikelen 20 en 21 zijn niet van toepassing op een activiteit die onmiddellijk voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze regeling is ondernomen of vergund in overeenstemming met de toen geldende provinciale milieuverordening. Op deze activiteit blijven bedoelde regels van toepassing, met inbegrip van het gestelde in artikel 9.

Artikel 40 Overgangsrecht richtwaarden stiltegebieden

De artikelen 25 en 26 zijn slechts van toepassing op besluiten, activiteiten en inrichtingen die tot stand komen na de inwerkingtreding van deze regeling. Hieronder wordt ook begrepen de uitbreiding van een bestaande inrichting. 

HOOFDSTUK 7 SLOTBEPALINGEN

Artikel 41 Intrekking

De Provinciale Milieuverordening Utrecht 1995 wordt ingetrokken.

Artikel 42 Inwerkingtreding 

  • 1

    Deze verordening treedt in werking op 1 mei 2013.

  • 2

    Bij besluit van Gedeputeerde Staten kan een ander tijdstip worden vastgesteld waarop door hen aan te wijzen artikelen of artikeldelen in werking treden.

Artikel 43 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Provinciale milieuverordening Utrecht 2013.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van Provinciale Staten van Utrecht van 4 februari 2013. Provinciale Staten van Utrecht,  

R.C. Robbertsen, voorzitter  

L.C.A.W. Graafhuis, griffier.

1. Inleiding

1.1. Algemeen

Op grond van artikel 1.2 van de Wet milieubeheer is de provincie verplicht een verordening ter bescherming van het milieu vast te stellen. Aan deze verplichting is invulling gegeven door middel van de Provinciale Milieuverordening Utrecht (PMV). Het voorliggende stuk betreft de toelichting op een geheel herziene en geactualiseerde verordening waarbij alleen de onderdelen grondwaterbescherming en stiltegebieden terugkomen.

1.2. Aanleidingen voor vernieuwing PMV

Doorvoeren nieuw provinciaal beleid

In de vigerende beleidsplannen voor grondwaterbescherming en stiltegebieden is aangekondigd om de milieuverordening op deze onderwerpen aan te passen:

  • -

    De bescherming van gebieden die bestemd zijn voor de winning van grondwater voor de drinkwatervoorziening: de aanpassing van de PMV was aangekondigd in het Provinciale Grondwaterplan 2008-2013;

  • -

    Stiltegebieden: in de Hoofdlijnennotitie uitvoering stiltegebiedenbeleid provincie Utrecht en de bijbehorende Uitwerkingsnotitie uitvoering stiltegebiedenbeleid provincie Utrecht, vastgesteld door Gedeputeerde Staten van Utrecht d.d. 25 oktober 2011 (verder samen te noemen Notitie stiltegebieden 2011), wordt het beleid geschetst en is de wens tot aanpassing van de PMV aangegeven.

Aanpassen aan actuele landelijke wetgeving

Ook moet de verordening aangepast worden aan de actuele landelijke wetgeving, waaronder de inwerkingtreding van de Waterwet op 22 december 2009 en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op 1 oktober 2010.

Overige redenen

Naast die wetgeving spelen er nog andere aanleidingen voor deze vernieuwing:

  • -

    De ontwikkelingen in het afvalstoffenbeleid in het Landelijk Afvalstoffenplan (LAP) maken dat er geen behoefte meer bestaat aan een afvalstoffenregeling in de PMV;

  • -

    De bestaande regeling in de PMV over bodemsanering is inmiddels opgenomen in landelijke regelingen. Er is geen noodzaak voor een verdere verscherping van deze regels. Dit hoofdstuk in de PMV wordt daarom geschrapt;

  • -

    De wens om strikt te kijken naar nut en noodzaak van de provinciale regelgeving (dereguleringstoets), om daarmee de administratieve lastendruk bij bevoegd gezag en maatschappij zo veel mogelijk te beperken en noodzakelijke regels of instructies zo helder en eenduidig mogelijk te maken;

  • -

    De wens om de PMV begrijpelijker en toegankelijker te maken;

  • -

    De noodzaak om milieubeschermingsgebieden actueel te maken.

Het gaat bij elkaar om tamelijk veel wijzigingen. Daarom is gekozen om de verordening integraal te herzien en opnieuw vast te stellen. Dit bevordert de overzichtelijkheid van de regelgeving.

1.3. Opzet van de nieuwe PMV

Algemene regels

In de PMV wordt gewerkt met algemene regels en instructienormen en worden het ontheffingsinstrument en de melding tot het uiterste beperkt. De melding dient daarbij niet als toetsinstrument vooraf maar als informatiebron voor de handhaving; het maakt gerichter toezicht mogelijk.

Nadruk op doelvoorschriften

Gekozen is om zoveel mogelijk op doelvoorschrift niveau regels op te nemen.

Er zijn enkele uitzonderingen hierop, waarin toch vanwege de behoefte aan duidelijkheid middelvoorschriften zijn opgenomen.

1.4. Wettelijke kader

1.4.1. Milieubeschermingsgebieden

Op grond van artikel 4.9 van de Wet milieubeheer duiden Provinciale Staten in het Provinciaal milieubeleidsplan (PMP) gebieden aan waarin de kwaliteit van het milieu of van een of meer onderdelen daarvan bijzondere bescherming behoeft. Het gaat hier om de zogenaamde milieubeschermingsgebieden, zijnde de grondwaterbeschermingszones en de stiltegebieden.

Het PMP bevat beleid dat richting geeft aan provinciale beslissingen met betrekking tot de milieubeschermingsgebieden. Bij de PMV wordt met dat beleid rekening gehouden. De PMV geeft regels waaraan burgers, bedrijven of andere overheden zijn gebonden. In de PMV worden de in het PMP aangeduide zones en gebieden met behulp van kaarten op een leesbaar schaalniveau vastgesteld.

1.4.2. Reikwijdte van de PMV

Grondwaterbescherming en stiltegebieden

Artikel 1.2 van de Wet milieubeheer bepaalt dat de PMV regels moet stellen:

  • -

    voor de grondwaterbescherming met het oog op de waterwinning in bij de PMV aangewezen gebieden (tweede lid, onder a); en

  • -

    voor het voorkomen of beperken van geluidhinder in bij de PMV aangewezen gebieden (tweede lid, onder b).

Verder biedt de wet ruimte voor een eigen invulling. In deze verordening zijn alleen deze onderwerpen (grondwaterbescherming voor drinkwater en stilte) opgenomen.

Verhouding tot landelijke regelgeving

Veel landelijke regelgeving is (mede) gericht op bescherming van de bodem en het grondwater. Daarmee biedt zij al bescherming aan het grondwater en is het de vraag of het binnen de beschermingszones nog mogelijk en nodig is aanvullende regels te maken. De redenering is dat, wanneer de landelijke regeling uitputtend is bedoeld en daarmee ook voor de meest kwetsbare situaties (zoals bij grondwaterwinningen) adequate regels heeft gesteld, er dan +\geen ruimte meer is voor aanvulling in de PMV. Wanneer de landelijke regels niet uitputtend of dekkend zijn om de risico’s voor de drinkwaterwinning te beperken of weg te nemen, hebben Provinciale Staten op grond van artikel 1.2 Wet milieubeheer een regelstellende taak.

Verdere grenzen van de verordenende bevoegdheid

Verder zijn er nog drie grenzen aan de PMV:

  • 1.

    Het is niet toegestaan regels te stellen ten aanzien van de samenstelling of de eigenschap-pen van producten;

  • 2.

    Het is niet toegestaan regels te stellen die betrekking hebben op de agrarische bedrijfsvoering in gebieden die door de Minister van Infrastructuur en Milieu zijn aangewezen;

  • 3.

    Er gelden restricties voor rechtstreekse regels voor inrichtingen.

Reden hiervan is het uitgangspunt van de Wet milieubeheer om degene die een inrichting drijft met zo min mogelijk milieuvoorschrif¬ten te confronte¬ren. Op dit principe is alleen een uitzondering gemaakt als het gaat om regels ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater met het oog op de waterwinning:

  • -

    ten aanzien van aangewezen categorieën van inrichtingen waarvoor geen vergunning¬plicht geldt;

  • -

    als het gaat om een verbod om in de verordening aangewezen categorieën van inrichtingen op te richten of op een aangegeven wijze te veranderen (artikel 1.2, zesde lid).

Voor vergunningsplichtige inrichtingen zijn in de verordening wel bij wijze van instructie regels opgenomen die door het vergunningverlenend gezag niet zijnde een orgaan van het Rijk in acht moeten worden genomen. Samengevat betekent dit dat in de PMV voor inrichtingen de volgende instrumenten kunnen worden ingezet: instructies (vergunningsplichtige bedrijven), algemene voorschriften (niet-vergunningsplichtige bedrijven), verboden (voor alle bedrijven) en milieukwaliteitseisen.

De verhouding tussen de PMV en de Wabo

In de PMV kunnen regels worden gesteld, inhoudende de verplichting voor het bevoegd gezag voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunningen (krachtens art. 1.3c lid 1 van de Wet milieubeheer). In de PMV zijn verschillende van deze regels opgenomen. Op die manier kan het provinciaal bestuur bereiken dat aan vergunningen voor inrichtingen beperkingen of voorschriften worden verbonden,die het nodig acht ter bescherming van het milieu. Een omgevingsvergunning wordt verleend op basis van de Wabo. Bij de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning door het bevoegd gezag zal dus niet alleen aan de Wabo en de onderliggende regelgeving getoetst moeten worden, maar ook aan de PMV. Het bevoegd gezag is verplicht de voorgeschreven voorschriften over te nemen in de omgevingsvergunning. Wanneer dergelijke instructieregels zijn gesteld in de PMV, kunnen voorschriften van de omgevingsvergunning daar alleen van afwijken voor zover dat in de PMV is toegestaan.

Relatie tot gemeenten

Voor zover de medewerking van de gemeenten bij beleid en PMV wordt gevraagd, is geen sprake van nieuwe taken maar van een normering van de taken die de gemeenten reeds op grond van hoofdstuk 8 van de Wet milieubeheer moeten uitvoeren (instructies).

Daarnaast volgt uit hoofdstuk 18 van de Wet milieubeheer en hoofdstuk 5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dat het bevoegde gezag op grond van die wetten ook belast is met de handhaving van de PMV. Dit houdt in dat, als gemeenten wettelijk verantwoordelijk zijn voor een inrichting, zij tevens belast zijn met de handhaving en uitvoering van de instructiebepalingen, de algemene voorschriften en verboden van de PMV voor die inrichtingen.

2. Algemene toelichting – grondwater

2.1. Beleidskader

Hoofdlijnen van beleid

Het beleidskader voor het beschermen van gebieden voor de winning van grondwater voor de drinkwatervoorziening is beschreven in het Grondwaterplan provincie Utrecht 2008-2013. De hoofdlijnen zijn:

  • -

    Het grondwaterbeschermingsbeleid is gericht op het behalen en/of behouden van de goede chemische toestand van het grondwater conform de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water en de Europese Grondwaterrichtlijn;

  • -

    De mate van regelgeving voor activiteiten binnen milieubeschermingsgebieden ter bescherming van waterwinningen voor drinkwater zijn afgestemd op de kwetsbaarheid van de specifieke locatie. Op deze wijze blijft de regeldruk beperkt: weinig regels bij lage kwetsbaarheid.

Aanleiding voor herziening voor het onderdeel grondwater

In het Grondwaterplan provincie Utrecht 2008-2013 is aangegeven dat de PMV voor grondwaterbescherming moet worden aangepast. Gelijktijdig hebben zich diverse ontwikkelingen voorgedaan die ook van invloed zijn op de noodzakelijke regels. Het gaat met name om:

  • -

    nieuwe wetgeving, inclusief verplichtingen die voortvloeien uit de KRW;

  • -

    het onderzoek naar de mogelijkheden van een risicobenadering voor bedrijfsmatige activiteiten;

  • -

    aanpassing van de IPO-model PMV (grondwaterbescherming);

  • -

    de rapportage van 2003 van VEWIN, VROM en IPO (“Toekomst grondwaterbescherming in Nederland”);

  • -

    relevante beleidsmatige ontwikkelingen en ontwikkelingen ten aanzien van nieuwe technieken, zoals bodemenergiesystemen en ondergrondse opslag van hemelwater.

Daarnaast heeft nieuwe landelijke regelgeving gevolgen voor de regels in de PMV, zoals:

  • -

    het Besluit bodemkwaliteit (inzake toepassing van bouwstoffen en grond- en baggerspecie);

  • -

    het Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer (Activiteitenbesluit);

  • -

    aanpassing van de Wet bodembescherming (gebiedsgericht grondwaterbeheer);

  • -

    de herziening van de meststoffenwetgeving;

  • -

    de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Stb. 2007, 125);

  • -

    de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht;

  • -

    de regelgeving voor bodemenergiesystemen (vergaand in ontwikkeling);

  • -

     regels inzake boringen (protocol mechanisch boren);

  • -

    de regels inzake hemelwaterlozingen.

2.2. Hoofdlijnen herziening

2.2.1. Risico benadering

Het kernbegrip voor de legitimering van de regels is het risico dat activiteiten aan maaiveld of in de bodem het grondwater aantasten met stoffen of anderszins, waardoor nu of op termijn het te onttrekken grondwater verslechtert. Dit kan eventueel leiden tot een overschrijding van de normen of tot het benaderen van die norm, wat dwingt tot maatregelen. Beschermen om dit risico aan te pakken gaat langs twee lijnen: preventie en saneren. Preventie gaat met milieuregels en ruimtelijke bescherming. De PMV is het preventie-instrument bij uitstek. Daarnaast geeft de Provinciale ruimtelijke verordening aan dat met dit belang bij ruimtelijke beslissingen zoals bestemmingsplannen, uitdrukkelijk rekening gehouden moet worden. Naast preventie moet met curatieve (bodemsanerings-) maatregelen daar waar al grondwaterverontreinigingen onderweg zijn naar de pompputten, een optimale bescherming worden gerealiseerd .

Deze risicogerichtheid via de PMV bestaat uit de volgende elementen:

  • -

    zorgen voor de juiste beschermingszones: alleen in gebieden waar sprake is van risico’s zijn aanvullende beschermingsregels nodig;

  • -

    alleen reguleren waar landelijke regelgeving of de natuurlijke bodembeschermende eigenschappen ontoereikend zijn, om een verslechtering of normoverschrijding te voorkomen; uiteraard gaat het dan om de gecumuleerde potentiële effecten van toe te laten activiteiten.

De voorliggende wijziging van de PMV is het resultaat van een afweging van deze effecten van de activiteiten.

2.2.2. Lastenverlichting en deregulering

Bij de onderbouwing van regelgeving gelden naast de risicoaspecten tevens de maatschappelijke en praktische aspecten van regels: geen overbodige regelgeving, geen overbodige of disproportionele administratieve lastendruk voor maatschappij (bedrijven en burgers) en overheden (provincie en gemeenten).

Om de administratieve lastendruk bij de regels voor bedrijven te vermijden is ervoor gezorgd dat er geen sprake is van een dubbele meldingsplicht. Bedrijven hebben al te maken met de regels op grond van de Wet milieubeheer en bij de niet-vergunningsplichtige bedrijven met het Activiteitenbesluit (al dan niet met een melding). Voldoende is dat sprake is van direct werkende regels van de PMV, aanvullend op regels van de Wet milieubeheer, zonder een extra meldingsplicht. Met name vanuit milieudiensten en gemeenten is aangegeven dat voor de uitvoering van de handhaving zo’n melding niet per se nodig is.

In een beperkt aantal gevallen, namelijk daar waar het gaat om activiteiten buiten inrichtingen waar de melding ondersteuning biedt bij het scheppen van overzicht van de activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden en ondersteuning gericht (vroegtijdig) provinciaal toezicht, is wel een meldingsplicht ingevoerd.

Het ontheffingsinstrument is afgeschaft voor zowel activiteiten buiten inrichtingen als binnen inrichtingen. Waar nodig, is dit vervangen door direct werkende regels of een beperkt aantal verbodsregels.

Samengevat zijn de volgende normatieve instrumenten opgenomen:

  • -

    verboden waar nodig;

  • -

    algemene voorschriften, eventueel met een meldingsplicht;

  • -

    instructies voor de vergunningverlener (die dezelfde zijn als de algemene voorschriften in de PMV waar geen Wet milieubeheer-vergunningsplicht voor bedrijven is).

2.2.3. Aanpassing begrenzingen

De kaarten van de grondwaterbeschermingszones zijn geactualiseerd. Op basis van de meest recente geohydrologische inzichten en actuele onttrekkingssituaties zijn de winningen opnieuw doorgerekend. Ook zijn beschermingszones berekend voor nieuwe winlocaties. Hieronder volgt een toelichting.

Type beschermingszones en hun aanwijzing

Rond de 29 plaatsen in de provincie Utrecht waar grondwater wordt gewonnen ten behoeve van de openbare drinkwatervoorzie¬ning, zijn grondwaterbeschermingszones vastgesteld.

De mate van bescherming van het grondwater varieert naar mate van kwetsbaarheid van de zone.

Om te komen tot een juiste afbakening en begrenzing van deze zones is onderzoek gedaan naar de geohydrologische situatie bij de bestaande en nieuwe locaties voor grondwaterwinningen voor drinkwater. De analyse van de ondergrond met zijn verblijftijden van het grondwater (de “leeftijd” van het grondwater sinds zijn “geboorte” als infiltrerend regenwater) levert een beeld op van het soort zone dat nodig is rond een winning en de begrenzingen aan maaiveld. Ook geeft deze analyse een beeld van de gewenste verticale begrenzingen van de zones.

Er zijn vier soorten beschermingsgebieden, te weten:

  • 1.

    Waterwingebied;

  • 2.

    Grondwaterbeschermingsgebied;

  • 3.

    Boringsvrije zone;

  • 4.

    100-jaarsaandachtsgebied.

Ad.1 Waterwingebied

Alle winningen hebben een waterwingebied: dit is de locatie waar de onttrekkingsputten voor drinkwater zijn gevestigd. Deze gebieden worden begrensd door de lijn van waaraf het grondwater tenminste 60 dagen in het watervoerende pakket nodig heeft om de winning te berei-ken. Deze 60 dagen lijn is gekozen omdat wordt aangeno¬men dat een verblijftijd van het grondwater in de bodem van 60 da¬gen vol¬doende is voor een zodanige afbraak van ziekteverwekkende kiemen, dat er geen gevaar voor de volksgezondheid meer dreigt. De afstand van de grens van het waterwin¬gebied tot de winputten bedraagt in principe minimaal 30 meter. Naar gelang de kwetsbaarheid van de winning zijn rond het waterwingebied of meer van de andere zones aanwezig.

Ad.2 en 3 Grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones

Grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones liggen als een schil rond de water¬winge-bieden. De grens van deze gebieden is de lijn van waaraf het grondwater een periode van 25 jaar nodig heeft om de pomp¬putten te bereiken (de 25-jaars zone). Het onderscheid tussen deze zones hangt af van het antwoord op de vraag of het grondwater waaruit gewonnen wordt, direct vanaf het oppervlak beïnvloed kan worden (grondwaterbeschermingsgebieden), of dat tussen maaiveld en het grondwaterpakket met de winning nog een voldoende afschermende kleilaag aanwezig is (boringsvrije zones).

Ad.4: 100-jaarsaandachtsgebied

In enkele kwetsbare gebieden is tevens het 100-jaarsaandachtsgebied aangewezen, als extra schil om het grondwaterbeschermingsgebied heen. Dit is alleen in die gevallen wanneer met dit gebied een substantieel groter volume aan grondwater wordt beschermd. Er zijn 11 winningen waar dit het geval is. In dit gebied geldt alleen de bijzondere zorgplicht, zoals die in zijn algemeenheid in alle milieubeschermingsgebieden geldt. Bovendien moet, net zoals in het waterwingebied en grondwaterbeschermingsgebied, bij functieveranderingen met het drinkwaterbelang rekening worden gehouden.

Bij deze 11 winningen worden de drie zones waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied en 100-jaarsaandachtsgebied gezamenlijk ook wel de 100-jaarszone genoemd. De 100-jaarszone is dat deel van het intrekgebied, waar de reistijd van het grondwater (toen het bijvoorbeeld als regen op de bodem terechtkwam) vanaf het maaiveld tot de winning maximaal 100 jaar is. Water dat ouder is en wel ooit de onttrekkingsputten voor drinkwater bereikt, hoort dus wel tot het intrekgebied van de winning, maar niet tot die 100-jaarszone.

Dieptegrenzen

In grondwaterbeschermingsgebieden zijn soms scheidende lagen aanwezig, soms niet. Bovendien zijn scheidende lagen in grondwaterbeschermingsgebieden meestal zodanig onzeker, instabiel of dun, dat deze daarmee onvoldoende natuurlijke bescherming bieden tegen stofgebruik op of in de bodem.

Om deze reden zijn in de PMV dieptegrenzen aangegeven. Deze dieptegrenzen geven aan dat bij diepere ondergrondse activiteiten, regels of verboden van toepassing kunnen worden. Het gaat om boringen en grond- en funderingswerken. Voor boringsvrije zones betreft de dieptegrens een diepte boven de afdichtende kleilaag. De activiteiten die aantasting van de afsluitende kleilaag kunnen bewerkstelligen, worden gereguleerd of verboden.

Voor het bepalen van de dieptegrenzen voor boringsvrije zones is de afdichtende kleilaag gekozen, mits deze gelegen is boven het meest ondiepe filter van de onttrekkingsputten van de waterwinning. We hanteren zoveel mogelijk de standaard dieptegrens van 40 meter.

Voor het bepalen van de dieptegrenzen voor grondwaterbeschermingsgebieden geldt dezelfde maatstaf als bij de boringsvrije zone. Waar een aanwijsbare scheidende laag ontbreekt boven het ondiepste onttrekkingspunt, wordt een veilige grens op geringe diepte gekozen, zodanig dat niet als gevolg van de bodemaantasting een snelle stroombaan ontstaat naar het onttrekkingspunt.

Onderzoek winningen

Zoals aangekondigd in het provinciale Grondwaterplan 2008-2013 en in overeenstemming met de Kaderrichtlijn Water (KRW), zijn met het bovenstaande als uitgangspunt nieuwe hydrologische berekeningen uitgevoerd door adviesbureau Royal Haskoning, met de meest actuele geohydrologische modellen om inzicht te krijgen in de ligging van de beschermingszones en rekening houdend met de in de tijd gewijzigde onttrekkingshoeveelheden. De geohydrologisch berekende informatie is door adviesbureau Tauw gebruikt voor een doorvertaling naar horizontale en verticale begrenzingen.

Voor de horizontale begrenzing van de verschillende zones op maaiveldniveau is, in samenspraak met het drinkwaterbedrijf en uitgaande van de geohydrologische gegevens, zo veel mogelijk aangesloten bij de meest nabije grenzen van kadastrale percelen en andere topografische kenmerken in het terrein. Hierbij verschuiven vrijwel alle bestaande grenzen in meerdere of mindere mate. Tevens is de verticale begrenzing bepaald, uitgaande van de principes voor de dieptegrenzen.

2.3. Regelgeving beschermingsgebieden grondwaterwinningen

Om de waterwinningen adequaat te kunnen beschermen en de maatschappelijke gevolgen zoveel mogelijk te beperken, zijn gebieden verdeeld in vier zones met een afnemend beschermingsregime:

  • -

    Waterwingebieden;

  • -

    Grondwaterbeschermingsgebieden;

  • -

    Boringsvrije zones;

  • -

    100-jaarsaandachtsgebieden.

De regels in deze gebieden zijn in de volgende sub-paragrafen toegelicht. Omdat voor de 100-jaarsaandachtsgebieden geen milieuregels op basis van de PMV gelden, worden deze niet verder toegelicht. Deze zones worden alleen gebruikt voor de ruimtelijke bescherming van waterwinningen. Binnen deze zones worden functieveranderingen binnen bestemmingsplannen beoordeeld of ze het drinkwaterbelang schaden.

2.3.1. Waterwingebieden

Het waterwingebied is het gebied direct rond de winputten. In dit gebied is de waterwinning het meest kwetsbaar voor verontreinigingen. Uitgangspunt is dat het niet acceptabel is om in de onmiddellijke nabijheid van een winning, verstoringen van de bodem of de grondwaterkwaliteit (schadelijke stoffen, temperatuureffecten e.d.) toe te staan, ook niet als de exacte invloed niet volledig bekend is.

Voor één waterwingebied, namelijk de Bethunepolder, gelden afwijkende regels t.o.v. het waterwingebiedregime. Dit wordt uitgelegd in de artikelsgewijze toelichting.

Tabel 2.1 geeft een samenvatting van de regels in waterwingebieden en wordt daaronder toegelicht.

TABEL 2.1: Regels in het waterwingebied

  • -

    Geen activiteiten/inrichtingen toegestaan met enig risico.

  • -

      Vrijstelling voor het drinkwaterbedrijf (openbare drinkwatervoorziening).

  • -

    Vrijstellingen voor bestaande infrastructuur, gebouwen e.d. en onderhoud ervan en bestaande legale boorputten enz. 

  • -

    Vrijstellingen voor boorputten grondwaterbeheer en handelingen bodemsanering, strooizout, beweiding, onderzoek bodem e.d.

  • -

     Bijzondere regels waterwingebied Bethunepolder (parkeren, bestrijdingsmiddelen, voor het overige zijn de regels van “grondwaterbeschermingsgebied” van toepassing).

Regels voor inrichtingen

In waterwingebieden geldt een absoluut verbod voor het oprichten of in werking hebben van Wet algemene bepalingen omgevingsrecht-bedrijven. Een bijzondere positie wordt ingenomen door de inrichting die wordt gedreven door het drinkwaterbedrijf. Deze is vrijgesteld van het verbod. Legaal aanwezige bedrijfsmatige activiteiten zijn vrijgesteld, onder de voorschriften van het overgangsrecht.

Regels voor activiteiten buiten inrichtingen

Het is verboden om in waterwingebieden stoffen, combinaties van stoffen of vloeistoffen, preparaten e.d. te hebben als die de bodem kunnen verontreinigen.

Een limitatieve opsomming van schadelijke stoffen is vermeden. In de beleidsuitvoering/implementatie, zal een lijst opgesteld worden om een indicatie te geven om wat voor stoffen het gaat. Deze lijst is ook een hulpmiddel om te bepalen wanneer de bijzondere zorgplicht (die op alle beschermingszones betrekking heeft) aan de orde kan zijn. Tevens verdient gladheidbestrijding in deze gebieden bijzondere aandacht. Echter hiervoor worden geen regels gesteld, maar wordt van de gebiedseigenaren/gebruikers verwacht dat zij zelf hier op een juiste manier mee omgaan en hierbij de bijzondere zorgplicht in acht nemen.

Ook mogen geen constructies of werken worden opgericht als daardoor schadelijke stoffen in de bodem kunnen worden verspreid. Daarnaast is gezien de zeer korte afstand tot de waterwinputten, een verbod opgenomen om warmte aan het grondwater te onttrekken of toe te voegen door bodemenergiesystemen. Eventuele veranderingen in waterkwaliteit, microbiologie en temperatuur door het bodemenergiesysteem zijn direct waarneembaar in de waterwinputten.

2.3.2. Grondwaterbeschermingsgebieden

In een grondwaterbeschermingsgebied kunnen activiteiten aan maaiveld of in de ondergrond binnen 25 jaar gevolgen hebben voor de waterkwaliteit van de waterwinning. Daarom zijn regels verbonden aan specifieke activiteiten. Tabel 2.2 bevat een samenvatting van regels die gelden in een grondwaterbeschermingsgebied. Per onderdeel wordt dat verder toegelicht.

Tabel 2.2: Regels in grondwaterbeschermingsgebied

 

Regels in grondwaterbeschermingsgebied 

 

1

Bedrijven (inrichtingen

1.Verbod voor 22 categorie‘ n bedrijven (43 bedrijfstypen) 2. Regels via instructies aan Wm-bevoegd gezag (vergunning) of direct werkende regels(aanvullend op Activiteitenbesluit c.s.; geen extra meldplicht): • Lijst verboden stoffen (werkvoorraad vrij) • Hoeveelheidsdrempel bij schadelijke stoffen • Compartimenteren stoffen per opslageenheid • Vloeistofdichte voorziening bij opslag, vloeistofdicht of -kerend bij proces en overslag met bodembedreigende activiteiten • Regels buiten inrichtingen zijn van toepassing als deze binnen de inrichting plaats vinden (o.a. regels voor. boorputten, grond- en funderingswerken, bodemenergie, parkeren, aan- of afkoppelen verhardingen op/van riool en verbod diepinfiltratiehemelwater) Overgangstermijn drie jaar bij bestaande bedrijven

2

Boorputten

• Verbod op boringen bij aantasting scheidende laag of ontstaan kortsluitstromen(dieptegrens) • Vrijstelling: sondering, bodemsanering, bodemonderzoek, tijdelijke bronbemaling • Bij vrijgestelde boringen wel eis over manier buitengebruikstelling • Ook als dit gebeurt in een inrichting • Overgangsrecht bestaande boorput, mits conform bij buitengebruik stellen Dieptegrens: in principe 40 meter Ð mv Uitzondering: 3 meter - mv: Woerden, Doorn, Amersfoort-Berg, Soestduinen 10 meter - mv: Driebergen, Leersum en Rhenen 30 meter - mv: Beerschoten  

3

Bodemwarmtewisselaars (gesloten systemen)

• Verbod op bodemwarmtewisselaars (gesloten systemen) • Ook als dit gebeurt in een inrichting • Overgangsrecht voor bestaande systemen (mits legaal, eis t.a.v. einde boorput)

4

Koude Warmte opslag (open systemen)

• Verbod op KWOÕ s (open systemen) • Tevens verbod in 50-jaarszone (deels gelegen buiten het GWBG) alleen in toelichting vermeld • Ook als dit gebeurt in een inrichting • Overgangsrecht mits legaal (eis bij einde boorput)

5

Grond- en fiunderingswerken

• Algemene voorschriften voor funderingspalen en herstel grondwerk bij aantasting scheidende laag of ontstaan kortsluitstromen (dieptegrens) en melding • Ook als dit gebeurt in een inrichting (melding) • Regels voor verwijderen heipalen ( met melding) • Vrijstelling voor ontgrondingen en grondwerken waarbij de opbouw van de bodem hersteld wordt (met melding) • Overgangsrecht (met eis herstel bodemprofiel bij grondwerk bij beëindiging) Dieptegrens: zie bij boorputten

6

Buisleidingen (transport gevaarlijke stoffen)

• Verbod nieuwe buisleidingen (transport gevaarlijke stoffen) • Melding veranderen bestaande buisleiding (geen risicotoename)

7

Verhardingen en gebouwen

• Afkoppelen (hemelwater) met algemene voorschriften binnen de bebouwde kom en melding (conform Leidraad Convenant afkoppelen) • Verbod op diepinfiltratie hemelwater • Verbod op onverhard parkeren op parkeerplaatsen • Beperkte vrijstelling regels parkeren in waterwingebied Bethunepolder (schaatsen,Nieuweweg) • Ook als dit gebeurt in een inrichting (geen PMV-melding) • Overgangsrecht bestaande (legale) afkoppelsituaties of onverharde parkeerplaatsen (uitbreidingen wel verharding)

8

Gewasbeschermingsmiddelen en biociden

• Verbod Bethunepolder behoudens melding voor onkruiden met glyfosaat

9

Zuiveringsslib en andere meststoffen

• Verbod op zuiveringsslib en overige organische meststoffen (secundaire meststoffen)

10

Begraafplaatsen en uitstrooivelden

• Verbod nieuwe begraafplaats en uitstrooiveld, ook dierenbegraafplaats • Uitbreiden (dieren)begraafplaats en uitstrooiveld, mits conform Inspectie richtijn (melding) • Overgangsrecht bestaand

11

Licht verontreinigde grond (grond en bagger)

• Geen regels

Gebieden: Amersfoort-Berg, Beerschoten, Bethunepolder, Bilthoven, Bunnik, Doorn, Driebergen, Groenekan, Leersum, Rhenen, Soestduinen, Woerden, Cothen, Linschoten en Zeist

Ad 1 Inrichtingen

Voor inrichtingen zijn naast de landelijke regelgeving, in grondwaterbeschermingsgebieden de volgende regels gesteld:

  • -

     een beknopte lijst met verboden typen bedrijven;

  • -

     een lijst met verboden stoffen bij bedrijven;

  • -

     stoffen die in een maximale hoeveelheid binnen bedrijven mogen worden gebruikt en opgeslagen.

Lijst van verboden typen bedrijven

In grondwaterbeschermingsgebieden moet worden voorkomen dat er bedrijven worden gevestigd die voor de kwaliteit van de bodem en het grondwater met het oog op de waterwinning een te groot risico vormen. Voor deze bedrijven geldt een absoluut verbod. Het verbod betreft categorieën van bedrijven die zijn aangewezen in bijlage 5 van de PMV. De aanwijzing is gebaseerd op een risicoanalyse met behulp van vijf criteria, welke zijn opgenomen in bijlage 1. De zwarte lijst is zo beperkt mogelijk gehouden: er zijn alleen categorieën van bedrijven verboden waarbij de best beschikbare technieken ontoereikend zijn om het bodemrisico verwaarloosbaar te maken. Het aantal verboden categorieën is ten opzichte van de tot nu toe geldende provinciale milieuverordeningen aanzienlijk beperkt.

Lijst met verboden stoffen

Naast de lijst met verboden inrichtingen, is er een lijst met verboden stoffen opgenomen in de PMV. Deze stoffen, die een ernstige gevaar voor de grondwaterkwaliteit kunnen opleveren, worden niet in het grondwaterbeschermingsgebied toegelaten. De kern van deze ‘zwarte stoffenlijst’ wordt gevormd door de in Europese regelgeving aangewezen kankerverwekkende (carcinogene), mutagene en voor de voortplanting schadelijke (reproductie-toxische) stoffen: de CMR-stoffen. In aanvulling daarop is een beperkte selectie gemaakt van stoffen die voorkomen op de lijst in bijlage XVII van de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen en de Nederlandse prioritaire stoffenlijst van het RIVM(1) . Het gaat bij die laatste lijst om stoffen met “zeer ernstige zorg” (ZEZ), waarvan een deel ook prioritair is op grond van de Kaderrichtlijn Water (KRW).

(1) Bepaald door het ministerie van VROM in het kader van de uitvoering van het project SOMS (Strategie Omgaan Met stoffen)

Stoffen met een maximale hoeveelheid

Naast een lijst met verboden stoffen, is gekozen om voor een aantal stoffen met specifieke eigenschappen, zoals hoge mobiliteit, een maximum in te stellen per bedrijf voor deze stof. Dit is gedaan om de gevolgen van mogelijke incidenten en morsingen zo beperkt mogelijk te houden.

Overige regels voor inrichtingen

Voor de opslag en werkzaamheden met bodembedreigende stoffen die geclassificeerd zijn overeenkomstig art. 9.2.3.1 van de Wet milieubeheer gelden extra regels; wat deze regels inhouden is verder toegelicht bij de artikelsgewijze toelichting.

Ad 2 Boorputten

Boorputten kunnen een risico vormen voor de drinkwaterwinning als via de boorput ongewenste stoffen in het grondwater komen. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren als chemische middelen worden gebruikt om verstopping van de boorput tegen te gaan of dat een slecht afgedichte boorput leidt tot binnendringen van mest en/of bestrijdingsmiddelen. Hier speelt mee dat een eenmaal aangelegd systeem en het beheer van het systeem moeilijk controleerbaar zijn. In de PMV is een verbod ingesteld voor:

  • -

     boren in grondwaterbeschermingsgebieden. Dit verbod geldt vanaf een specifieke diepte bij een winning;

  • -

     boren in boringsvrije zones vanaf de afdekkende kleilaag.

Maatschappelijke gevolgen boorverbod

De maatschappelijke gevolgen van het boorverbod zijn beperkt, omdat een aantal type boringen wordt vrijgesteld en  bovendien al een verbod geldt op het toepassen van bodemenergiesystemen en diepinfiltratie (zie verderop). Het verbod beperkt zich feitelijk tot beregening en industriële toepassingen. Voor deze toepassingen wordt in de praktijk vaak geen vergunning op grond van de Waterwet afgegeven, omdat deze toepassingen gezien worden als laagwaardig gebruik van het grondwater en er vaak een goed alternatief beschikbaar is zoals het winnen uit oppervlaktewater.

Boringen voor het saneren van de bodem zijn vrijgesteld van dit verbod, tevens biedt dit de mogelijkheid tot gebiedsgericht grondwaterbeheer. Bij het opstellen, vaststellen en uitvoeren van het grondwaterbeheerplan in of in de directe nabijheid van een grondwaterbeschermingsgebied e.d., dienen de betrokken partijen de duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening steeds in acht te nemen. Openbare drinkwaterwinning wordt immers aangemerkt als een groot openbaar belang.

Het verbod op boringen heeft ook gevolgen voor de toepassing van geothermiesystemen. Deze systemen winnen aardwarmte op grote diepte, vaak enkele kilometers diep. Hoewel voor geothermie de mijnbouwwetgeving van toepassing is en de minister van ELI bevoegd gezag is, betekent het boorverbod in grondwaterbeschermingsgebieden dat deze vorm van bodemenergie niet in deze gebieden wordt toegestaan. Hier conflicteert het drinkwaterbelang met het belang om de energievoorziening te verduurzamen.

Overigens dient het afdichten van boorputten plaats te vinden via het BRL SIKB protocol 2100/2101.

Ad 3 Bodemwarmtewisselaars

Voor de gesloten systemen is in 2009 al een verbod vastgelegd in de toen geldende PMV voor het toepassen in grondwaterbeschermingsgebieden en in boringsvrije zones onder de afdekkende kleilaag. Aan de toepassing van deze systemen boven de kleilaag in boringsvrije zones zijn voorwaarden verbonden. De verboden en regels blijven in deze PMV onveranderd.

Ad 4 Koude Warmte Opslag / Bodemenergiesystemen

Voor de open systemen waren tot nu toe geen regels/verboden opgenomen in de PMV. Voor deze systemen geldt het vergunningenbeleid van de provincie op grond van de Waterwet. In het beleid, zoals vastgelegd in het Grondwaterplan 2008 t/m 2013, staat aangegeven dat in zogenaamde 50-jaarszones rond de drinkwaterwinningen geen open systemen toegestaan zijn. Dit betekent dus dat de provincie geen vergunningen op grond van de Waterwet verleent voor systemen in deze zone. Bij de vergunningaanvraag moet de initiatiefnemer aantonen dat de installatie zich buiten deze 50-jaarszone bevindt. Om de initiatiefnemer te ontlasten heeft de provincie kaarten gemaakt van deze 50-jaarszone van de drinkwaterwinningen. Gedeputeerde Staten stellen deze kaarten waarschijnlijk als beleidsregel vast. Aanvragen om een Waterwetvergunning voor deze systemen zullen Gedeputeerde Staten aan deze kaarten getoetst worden.

De 50-jaarszone uit het Grondwaterplan is in bijna alle gevallen gelijk aan het grondwaterbeschermingsgebied (25-jaarszone) van de PMV. In grondwaterbeschermingsgebieden geldt een verbod voor de toepassing van KWO. Hieruit volgt dat er alleen nog aan de (kaarten van de) 50-jaarszone uit het Grondwaterplan getoetst hoeft te worden als de 50-jaarszone groter is dan het grondwaterbeschermingsgebied.

Voor boringsvrije zones geldt dat het pakket onder de afdekkende laag binnen de 50-jaarszone valt; de toepassing van KWO is hiermee verboden. Boven de kleilaag is de situatie complexer en dient getoetst te worden aan de kaarten van de 50-jaarszone.

Op zich zou dit apart geformuleerde verbod niet nodig zijn, omdat het verbod op boren ook impliceert dat bodemenergiesystemen niet geïnstalleerd mogen worden. Maar in afwijking van het boorverbod geldt het verbod op bodemenergiesystemen in grondwaterbeschermingsgebieden, ongeacht de diepte waarop dit plaatsvindt. Het gaat hier immers niet primair om aantasting van het bodemprofiel, maar om de directe of potentiële risico’s van deze systemen. Dit verbod schept duidelijkheid: alle bodemenergiesystemen in grondwaterbeschermingsgebieden zijn verboden. Eventuele nieuwe inzichten in de effecten van het toepassen van bodemenergie kunnen leiden tot een heroverweging van het verbod.

Wij hebben één uitzondering op het verbod van KWO-systemen in grondwaterbeschermingsgebieden gemaakt, namelijk voor innovatieve duurzaamheidsprojecten, waarbij de toepassing van KWO een aannemelijk positief en significant effect heeft op de natuurlijke afbraak van de verontreiniging in het betreffende grondwaterbeschermingsgebied. Als graadmeter geldt dat het moet gaan om een project dat een vergelijkbare werking heeft als de ‘Biowasmachine’ in het Utrechtse Stationsgebied, zoals dat in juni 2010 gestart is. Gelet hierop, verwachten wij op dit vlak eventueel ontwikkelingen binnen de beschermingsgebieden van Woerden, Amersfoort-Berg, Veenendaal, Zeist en Beerschoten.

Overigens wordt er op landelijk niveau gewerkt aan de AMvB Bodemenergie, de AMvB stelt ook regels voor de toepassing van bodemenergiesystemen in grondwaterbeschermingsgebieden. Echter op dit moment is nog niet geheel duidelijk wanneer deze van kracht wordt, is gekozen om tot die tijd de huidige regels te handhaven.

Ad 5 Grondwerken en funderingswerken

Bij het roeren van de grond gaat het om het uitvoeren of doen uitvoeren van werken op of in de bodem, waarbij ingrepen worden verricht of stoffen worden gebruikt die de beschermende werking van de slecht doorlatende bodemlagen kunnen aantasten. Hieronder vallen in ieder geval bodemstabiliseringswerken, en het plaatsen en verwijderen van dam-, scherm- of diepwanden en folies. Ondiepe activiteiten worden niet geregeld. Gebruik van materialen en bouw en aanleg worden beheerst door landelijke regels. De bijzondere zorgplicht fungeert daarin als vangnet.

De risico’s van het ontstaan van kortsluitstromen/lekken zijn gering als de landelijke regels worden gevolgd.Grootste risico ligt er bij verstoring van het bodemprofiel tijdens de werkzaamheden en bij verwijdering van het grondwerk. Vandaar dat er alleen een doelvoorschrift is opgenomen voor herstel van de beschermde werking van het bodemprofiel (met een meldplicht).

Grootste risico bij funderingen zijn technieken die lekstromen in de bodem mogelijk maken, zoals funderingspalen met een verbrede voet. Gladde geprefabriceerde palen en in de grond gevormde palen, zonder verbrede voet, zijn funderingstechnieken die het minste risico opleveren voor de kwaliteit van het grondwater. Er zijn echter situaties bekend waarbij gladde heipalen niet voldoen en andere technieken nodig zijn. Ook de lokale omstandigheden kunnen het nodig maken om andere technieken te gebruiken. Een te rigoureus verbod kan betekenen dat bepaalde maatschappelijk gewenste activiteiten niet door kunnen gaan. Voor dit soort situaties is een alternatief beschikbaar: de schroefpaal, waarmee minder bodembelasting wordt veroorzaakt. Met de toelating van schroefpalen wordt voorkomen dat deze activiteiten onnodig worden geblokkeerd.

Het trekken en verwijderen van heipalen heeft gevolgen voor de beschermende werking van de bodemlagen. Om ongewenste rechtstreekse kortsluiting van verontreinigingen vanaf het maaiveld naar het onderliggende watervoerende pakket te voorkomen, is er gekozen om voor de gebieden: Amersfoort-Berg, Doorn, Soestduinen en Woerden de verplichting op te nemen om bij het verwijderen van heipalen het ontstane gat af te vullen met bentoniet. Er is speciaal voor deze gebieden gekozen aangezien het grondwater hier gewonnen wordt uit het eerste watervoerend pakket dat niet beschermd wordt door een afsluitende kleilaag. Bij de andere winningen bevindt deze kleilaag zich wel op een diepte van meer dan 10m-mv en meestal op ca. 40m-mv. De kans dat deze laag wordt geperforeerd door een heipaal is praktisch nihil, omdat voor zover bekend heipalen niet door deze onderliggende kleilaag worden aangebracht uit kostenoverweging en om funderingstechnische redenen. Het verwijderen van heipalen is meldingsplichtig.

Ad 6 Buisleidingen

Transportleidingen voor transport van gevaarlijke vloeistoffen zoals kerosine vormen een belangrijke risicofactor vanwege potentiële lekkages en kans op calamiteiten. Er moet dus voorkomen worden dat transportleidingen van (milieu)gevaarlijke stoffen een grondwaterbeschermingsgebied doorkruisen. Het verbod in grondwaterbeschermingsgebieden blijft gehandhaafd. Legaal aanwezige leidingen mogen bij aanpassingen niet leiden tot een risicotoename. Hiervoor geldt een meldingsplicht bij Gedeputeerde Staten.

Ad 7 Verhardingen en gebouwen

Verhardingen zoals wegen en parkeerplaatsen en gebouwen in grondwaterbeschermingsgebieden, worden aangemerkt als risico’s en oorzaak van negatieve belasting van de bodem en het grondwater, omdat het gebruik risico’s en mogelijk bodembelasting met zich meebrengt door afstromend hemelwater dat min of meer verontreinigd is.

Regenwater dat van nature schoon is, kan onderweg verontreinigingen opnemen van (bijvoorbeeld) uitlogende bouwmaterialen, toegepaste bestrijdingsmiddelen en van het verkeer. Het afstromend water van wegen bevat zware metalen, PAK’s en minerale olie, in het afstromend hemelwater van gebouwen komen o.a. opgelost koper en zink voor. Bij een calamiteit op de weg kan een grote hoeveelheid schadelijke stoffen in de berm komen. Bij ongecontroleerde infiltratie in de berm kan dit tot vervuiling van de bodem en het grondwater leiden. En tenslotte kan het onderhoud van verhardingen en gebruik van stoffen zoals bestrijdingsmiddelen en wegenzout het grondwatersysteem belasten.

Generieke regelgeving beperkt dit risico niet altijd voldoende, gelet op het bijzondere belang en de kwetsbaarheid van de drinkwatervoorziening.

Naast inzichten in potentiële risico’s, zijn er de laatste jaren ook veranderde inzichten in hoe om te gaan met schoon of betrekkelijk schoon hemelwater. Afvoer van dit relatief schone water via het riool van de RWZI heeft nadelen en is onnodig kostenverhogend, leidt tot overbelasting van het riool en RWZI’s, leidt tot overstorten en belasting van het oppervlaktewater enz.

Rapporten en beleidsstandpunten (o.a. CIW rapport Afstromend wegwater uit 2002, beleidsbrief regenwater en riolering 2004) hebben geleid tot nieuwe landelijke regelgeving.

In 2011 is het landelijk Besluit lozen buiten inrichtingen in werking getreden, dat de bevoegdheden en normering regelt. Evenknie daarvan is het Activiteitenbesluit op grond van de Wet milieubeheer, waarin regels over lozingen en verhardingen staan binnen inrichtingen. In deze besluiten wordt enerzijds aangegeven dat lozen van afvloeiend hemelwater op de bodem wordt toegestaan, terwijl anderzijds wordt toegelicht dat in de PMV beperkingen hieraan kunnen worden gesteld vanwege het belang van de drinkwatervoorziening.

Bij gemeenten, waterschappen en provincie Utrecht was er behoefte aan nuancering van de strikte interpretatie dat in grondwaterbeschermingsgebieden en in het Infiltratiegebied Utrechtse Heuvelrug niet zou mogen worden afgekoppeld. Daarom is in 2010 een Convenant Afkoppelen Utrechtse Heuvelrug ondertekend, dat maatwerk biedt voor dit Infiltratiegebied, maar tevens voor een tiental daar inliggende grondwaterbeschermingsgebieden. De afspraken uit het convenant zijn nader uitgewerkt in een leidraad afkoppelen en infiltreren Utrechtse Heuvelrug en opgenomen in de PMV-regels voor verhardingen in alle grondwaterbeschermingsgebieden. Overigens geldt dat tunnels voor langzaamverkeer (fietsers, brommers en tractoren) onder de classificatie ‘beperkt schoon’ vallen. Wel dient dan voldaan te worden aan de andere eisen uit het convenant.

Ook de bestaande afspraken over de parkeerproblematiek in de Bethunepolder zijn deels in regels opgenomen.

Uit oogpunt van deregulering zijn de regels beperkt gehouden: in enkele gevallen is het doelmatiger gebruik te maken van de “bijzondere zorgplicht” en de uitwerking van eventueel te treffen maatregelen of voorzieningen over te laten aan de beheerder, zo mogelijk in overleg met de provincie, of, waar dit betreft gemeentelijke inrichtingen, met de gemeente. De regels voor parkeerplaatsen, Bethunepolder en diepinfiltratie zijn hieronder nader toegelicht.

Parkeerplaatsen

In de Leidraad Convenant Afkoppelen worden “schone gebouwen” en “schone/beperkt schone” verhardingen onderscheiden (parkeerplaatsen, wegen e.d.). Hier geldt geen verbod of gelden geen voorschriften in de PMV voor afkoppelen.

Het risico op lekkage en afspoelen van schadelijke stoffen van motorvoertuigen is bij de huidige stand der techniek beperkt, maar niet verwaarloosbaar. Parkeren op onverharde terreinen, dat wil zeggen: zonder aaneengesloten verharding, dus bijvoorbeeld op kale grond, gras, grind en steengranulaat, is ongewenst. Vaste parkeerplekken moeten daarom voorzien worden van een aaneengesloten verharding.

Bij een aaneengesloten verharding, zoals asfalt en strak gelegde straatklinkers, stroomt het merendeel of alle water af en kan dit worden opgevangen. Eventuele olielekkage e.d. wordt opgemerkt en opgevangen door de verharding en kan daarna worden weggevangen of uit het afstromend water worden gehaald (beheersbare situatie). Het is aan de initiatiefnemer om een adequate voorziening of maatregelen te treffen. Hierop is de bijzondere zorgplicht van toepassing.

Reeds binnen gebieden aanwezige onverharde parkeerplaatsen kunnen -mits aan twee voorwaarden wordt voldaan- blijven bestaan. De reden is dat we de maatschappelijke consequenties om overal verhardingen aan te brengen niet in verhouding vinden staan tot het belang van wegnemen van deze risico’s. Hoewel er namelijk risico's zijn van verslechtering van het grondwater, zijn de risico’s voor de ruwwaterkwaliteit en overschrijding van de drinkwaternorm echter  beperkt. Wel stellen we hieraan twee voorwaarden:

  • -

     De eerste voorwaarde is dat sprake moet zijn van een legale situatie (conform de bestaande landelijke regels en de PMV);

  • -

    Ten tweede mag bij parkeerplaatsen in een grondwaterbeschermingsgebied worden verwacht dat, bij ontbreken van voorzieningen, ten minste door de eigenaar of beheerder maatregelen worden genomen om verontreiniging van de bodem tegen te gaan of deze tijdig op te ruimen. Dit vloeit voort uit de bijzondere zorgplicht.

In geval van uitbreiding van de parkeerplaats geldt wel de verplichting van een vloeistofkerende voorziening. Het ligt dan in de rede om de gehele parkeerplaats daartoe aan te passen en optimaal te beschermen.

Regels Bethunepolder(2)

Vanwege de specifieke situatie in de Bethunepolder, waar meerdere functies bij elkaar komen -enerzijds de drinkwaterwinning, anderzijds waterrecreatie op de nabijgelegen locatie De Strook (Loosdrechtse Plassen), alsmede schaatsen in de winter op de omliggende plassen)- zijn de incidenteel voorkomende verkeers- en parkeerproblemen opgelost door een aantal situaties op te nemen in de verordening. Daarnaast zijn op ambtelijk niveau afspraken gemaakt met de gemeente Stichtse Vecht. Middels deze afspraken worden de maatregelen vastgelegd die getroffen moeten worden als ten behoeve van de recreatie geparkeerd gaat worden in de Bethunepolder (o.a. een calamiteitenplan en verkeersregelaars).

(2) Dit gaat weliswaar over het waterwingebied de Bethunepolder, maar hiervoor gelden de regels als ware het een grondwaterbeschermingsgebied. Vandaar dat dit hier aan de orde komt.

Diepinfiltratie

Bij diepinfiltratie (vanaf 10 meter onder maaiveld) wordt opgevangen hemelwater in watervoerende lagen in de ondergrond gebracht. Binnen kwetsbare grondwaterbeschermingsgebieden vormt diepinfiltratie een groot risico, omdat het niet naleven van regels, de ondeugdelijkheid van voorzieningen of het maken van fouten, vergaande gevolgen heeft. In geval van calamiteiten is het probleem ook moeilijk beheersbaar. Een eventuele verontreiniging kan immers zonder de reinigende werking (natuurlijke afbraak, adsorptie aan bodemdeeltjes) van een bodempassage direct in het watervoerende pakket doordringen. Een voorbeeld van een dergelijke fout is het per abuis aansluiten van riolering of het lozen van vuil water op een hemelwaterkolk, waardoor vuil water in een hemelwaterriool terecht kan komen. Als dit water diep wordt geïnfiltreerd, kan dit een drinkwaterbron onbruikbaar maken. De regelgeving voor het grondwater in het algemeen (generieke regelgeving) is niet toereikend voor deze gebieden. In de PMV is daarom een absoluut verbod voor diepinfiltratie van afstromend hemelwater opgenomen. Ook andere, meer incidenteel, voorkomende vormen van diepinfiltratie zijn in het algemeen niet toelaatbaar. Dat volgt uit de bijzondere zorgplicht.

Ad 8 Gewasbeschermingsmiddelen

In de Bethunepolder is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen verboden, behoudens het gebruik van glyfosaat. In de andere beschermingsgebieden zijn er geen aanvullende provinciale regels op de landelijke regelgeving. Overigens gold in Utrecht een verbod in grondwaterbeschermingsgebieden op het gebruik van een tiental stoffen. Drie omstandigheden maken dit niet meer nodig(3):

  • -

     Enkele middelen zijn inmiddels al landelijk verboden;

  • -

     Het regime voor deze middelen op basis van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden is in grondwaterbeschermingsgebieden aangescherpt;

  • -

     Een aanvullend provinciaal verbod, zonder dat uit de etikettering blijkt dat middelen verboden zijn, werkt verwarrend.

(3)Uitzondering hierop zijn de specifieke regels voor de Bethunepolder

Ad 9 Meststoffen

Meststoffen bevatten voedingsstoffen zoals fosfaat en stikstof, maar kunnen soms ook verontreinigingen met andere en soms onbekende stoffen, zoals geneesmiddelen en hormonen, bevatten. De huidige en toekomstige landelijke regels op grond van de Meststoffenwet worden toereikend geacht om de fosfaat- en stikstofbelasting ook in grondwaterbeschermingsgebieden in voldoende mate terug te dringen.

In de PMV is desondanks een verbod op het gebruik van meststoffen in grondwaterbeschermingsgebieden opgenomen vanwege het risico van mogelijk aanwezige onbekende verontreinigingen in meststoffen. Met name in en in kunnen zich verontreinigingen bevinden. Het is moeilijk controleerbaar of een partij al dan niet gedurende het transport vermengd is met andere (afval)stoffen die negatieve gevolgen kunnen hebben voor het grondwater. Verder is in ogenschouw genomen dat toepassing van deze meststoffen niet strikt noodzakelijk is omdat er minder risicovolle alternatieven voorhanden zijn (gebruik van dierlijke meststoffen en kunstmest).

Voor het gebruik van dierlijke meststoffen, bepaalde anorganische meststoffen, compost en kalkmeststoffen geldt een vrijstelling van het verbod van artikel 16 eerste lid, onder e.

Door de in de afgelopen jaren opgetreden aanscherping van het landelijk regime voor wordt de bescherming van het grondwater met het oog op de waterwinning voor die stoffen voldoende geacht. In de toekomst wordt nog verdere aanscherping van de landelijke regels verwacht. Eventuele risico’s voor de waterwinning worden daarmee voldoende beheerst. Daarom is een vrijstelling opgenomen voor dierlijke meststoffen.

De toepassing van brengt wel risico’s met zich mee vanwege de mogelijke aanwezigheid van (onbekende) verontreinigingen. Een verbod wordt echter als niet handhaafbaar beschouwd omdat eenieder ongecontroleerd kleine partijen compost kan inkopen en toepassen. Daarom is een vrijstelling opgenomen voor het gebruik van compost. Met de verzamelnaam ‘kunstmest’ kunnen producten bedoeld worden die ongewenste bijmengsels en verontreinigingen bevatten. Daarom worden alleen anorganische meststoffen toegelaten als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet.

Het gebruik van kunstmest kan leiden tot nitraatuitspoeling. Het algemene beschermingsniveau (gebruiksnormen) is echter voldoende om dit risico te ondervangen. In de reguliere bedrijfsvoering wordt kunstmest bovendien als een kostbaar product gezien waar zuinig mee wordt omgegaan. Doordat specifieke meststoffen en sporenelementen worden gebruikt, heeft de juiste toepas¬sing van kunstmest een betere benutting van bestanddelen van organische mest tot gevolg. Dit maakt dat de juiste toepassing van kunstmest zelfs gunstig kan uitwerken voor de grondwaterkwaliteit. Daarom is een vrijstelling opgenomen voor het gebruik van kunstmest, met een beperking tot genoemde stoffen als bedoeld in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet.

Ook voor kalkmeststoffen is een vrijstelling opgenomen. Kalkmeststoffen zijn organische of anorganische meststoffen die hoofdzakelijk zijn bedoeld om de juiste zuurgraad (pH) in de bodem te handhaven en de grondstructuur te verbeteren. Met de juiste zuurgraad is het mogelijk om met minder aanvoer van stikstof en fosfaat toch optimale gewasopbrengsten te realiseren. In die zin kan ook het gebruik van kalkmeststoffen een positief effect hebben op de grondwaterkwaliteit.

De vrijstelling betreft het gebruik van meststoffen, maar heeft geen betrekking op de opslag van meststoffen. In het algemeen vindt het opslaan van meststoffen plaats in een inrichting waarvoor regels gelden krachtens de Wet milieubeheer. Met toepassing van die regels kan worden volstaan.

Ad 10 Begraafplaatsen

Risicovolle stoffen betreffende de lijkbezorging voor het grondwater zijn medicijnresten, bacteriële verontreinigingen en rottingsproducten. De bestaande regels met betrekking tot begraafplaatsen en uitstrooivelden zijn gehandhaafd. Omdat de risico’s van dierenbegraafplaatsen vergelijkbaar zijn, neemt Utrecht het verbod op dierenbegraafplaatsen op in de PMV. Ook is nieuwe vestiging van (dieren)begraafplaatsen en uitstrooivelden ongewenst in kwetsbare grondwaterbeschermingsgebieden en daarmee verboden. Uitbreiding van (dieren)begraafplaatsen en uitstrooivelden moet gemeld worden bij GS.

Ad 11 Grond en bagger

In 2009 is dit onderwerp geschrapt uit de PMV. De overweging hierbij was dat de negatieve effecten op het grondwater onvoldoende zichtbaar waren, mits daarbij het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) in acht wordt genomen. Het generieke regime op basis van het Bbk biedt voldoende houvast voor een adequate bescherming. Wel zal de gemeente in haar bodembeleid rekening moeten houden met de beschermingszones voor drinkwater. Immers, de bijzondere zorgplicht kan ook activiteiten met grondverzet betreffen. Dat betekent met name bij opstelling van bodembeheernota’s en bodemkwaliteitskaarten, dat rekening wordt gehouden en aandacht is voor deze kwetsbare gebieden (zichtbaar maken). In lijn met het schrappen van grond en bagger in de PMV is er ook voor gekozen om geen verbod op te nemen voor IBC-bouwstoffen. Daarnaast is de wetgeving op dit gebied de afgelopen jaren verbeterd, waarbij de IBC-bouwstoffen gescheiden zijn en blijven van het grondwater.

2.3.3. Boringsvrije zones

In een boringsvrije zone kunnen activiteiten in de ondergrond gevolgen hebben voor de waterkwaliteit van de waterwinning. Daarom zijn regels of verbodsbepalingen voor bepaalde ondergrondse activiteiten opgesteld. Hierbij geldt in principe een vrijstelling tot een bepaalde diepte. Deze diepte is bepaald op basis van de ligging van een beschermde kleilaag boven de waterwinning. Het principe is dat deze kleilaag in tact moet blijven en activiteiten in of onder deze kleilaag verboden zijn of aan (zeer strikte) voorwaarden gebonden. Voor bovengrondse activiteiten zijn regels niet nodig, omdat de generieke wetgeving voldoende bescherming bieden. Tabel 2.3 bevat een samenvatting van regels die gelden in een boringsvrije zone.

Tabel 2.3: Regels in de boringsvrije zone

 

Regels in de boringsvrije zone 

 

1

Boorputten

• Verbod op boringen bij aantasting beschermende kleilagen (dieptegrens) • enkele vrijstellingen • Bij vrijgestelde boringen wel eis over manier buitengebruikstelling • Ook als dit gebeurt in een inrichting • Overgangsrecht bestaande boorput, mits conform bij buitengebruik stellen Dieptegrens: in principe 40 meter –mv Uitzondering 10 meter –mv: Amersfoort-Koedijkerweg, Rhenen en Woudenberg: 30 meter: Veenendaal 

2

Bodemwarmtewisselaars (gesloten systemen)

• Verbod bij systemen die beschermende kleilagen aantasten (dieptegrens) • Algemene voorschriften bij boringen boven de beschermende kleilagen (dieptegrens), met meldingsplicht • Ook als dit gebeurt in een inrichting (geen PMV-melding) • Overgangsrecht voor bestaande systemen (mits legaal, eis t.a.v. eindeboorput) Dieptegrens: zie bij boorputten

3

Koude Warmte Opslag (open systemen)

• Verbod bij systemen die beschermende kleilagen aantasten (dieptegrens) • Tevens verbod in 50-jaarszone (deels gelegen buiten de boringsvrije zone) -alleen via beleid en Waterwet vergunning- • Ook als dit gebeurt in een inrichting • Overgangsrecht mits legaal (eis bij einde boorput) Dieptegrens: zie bij boorputten

4

Grond- en funderingswerken

• Algemene voorschriften voor funderingspalen en herstel grondwerk bij aantasting scheidende laag (dieptegrens) en melding • Ook als dit gebeurt in een inrichting (melding) • Overgangsrecht (met eis voor grondwerk bij beëindiging) Dieptegrens: zie bij boorputten

Gebieden: Amersfoort-Koedijkerweg, Bilthoven, De Meern, Eempolder, Leidsche Rijn, Lexmond, Lopik, Montfoort (wordt Blokland), Nieuwegein, Rhenen, Tull en ’t Waal, Veenendaal, Vianen (wordt Vianen Panoven) en Woudenberg

Regels voor inrichtingen

Er gelden voor inrichtingen alleen regels, voor zover er sprake is van aantasting van de afdichtende kleilaag en regels voor bodemwarmtewisselaars boven die afdichtende kleilaag. Zie verder de artikelsgewijze toelichting.

Regels voor activiteiten buiten inrichtingen

Er zijn regels nodig om de scheidende lagen boven het watervoerende pakket van de waterwinning zo min mogelijk te verstoren. Het gaat daarbij om regels voor boorputten, grond- of funderingswerken en om regels voor bodemenergiesystemen (warmtetoevoeging en -onttrekking).

In principe zijn dezelfde regels die gelden voor grondwaterbeschermingsgebieden, van toepassing in boringsvrije zones, echter is wel bepaald dat de verboden niet van toepassing zijn als het watervoerende pakket waaruit het grondwater wordt gewonnen, niet wordt bereikt:

  • -

     Bij boorputten, grond- of funderingswerken is dat het geval als er een beschermende kleilaag boven de voor het drinkwater bestemde grondwater is gelegen en deze niet wordt doorboord (dieptegrens). Het verbod op boorputten betekent ook dat boringen door lagen dieper dan het watervoerend pakket waaruit drinkwater wordt gewonnen evenmin is toegestaan. Dat diepere pakket is dan ook niet beschikbaar voor bodemenergie.

  • -

     En voor warmtetoevoeging en -onttrekking als geen warmte wordt onttrokken of toegevoegd aan het watervoerend pakket waaruit het drinkwater wordt gewonnen. In elk geval mag die kleilaag niet worden doorboord (dieptegrens), zie het boorverbod. Verder geldt nog een onderscheid tussen de gesloten systemen ( bodemwarmtewisselaars) en de open systemen.

Alleen voor boringsvrije zones boven de dieptegrens (ondieper dus) zijn vanwege de restrisico’s aanvullende regels gesteld voor bodemwarmtewisselaars.

2.4. Bijzondere zorgplicht

De bijzondere zorgplicht die is opgenomen ter bescherming van de kwaliteit van het grondwater heeft betrekking op de in de verordening geregelde beschermingsgebieden. En is ‘bijzonder’ ter onderscheiding van de algemene zorgplicht voor het milieu (artikel 1.1a Wet milieubeheer, artikel 13 Wet bodembescherming, artikel 18 Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden). In de beschermingszones is sprake van een kwetsbare functie (waterwinning voor drinkwater) en een veelal kwetsbare bodem. Daarom mag extra alertheid en zorgvuldigheid worden verwacht van personen en instanties die hier maatschappelijke activiteiten ontplooien die de kwaliteit van het grondwater negatief kunnen beïnvloeden. Bekendheid geven aan de aanwezigheid, de kwetsbaarheid en betekenis van deze zones is daarom een belangrijke taak van provincie en andere instanties.

Ook al geldt er geen expliciet verbod op een activiteit in een beschermingszone, als die activiteit risico’s voor de kwaliteit van het grondwater met zich meebrengt, mag zij niet worden uitgevoerd. Alleen als het achterwege laten van die activiteit redelijkerwijs niet kan worden gevergd, mag de activiteit wel worden uitgevoerd, maar dan dienen maatregelen te worden genomen om schade te voorkomen en om, als zich toch schade zou voordoen, die schade te beperken en de gevolgen te beperken en ongedaan te maken.

De bijzondere zorgplicht is belangrijk omdat het aantal expliciete regels en verboden in de verordening beperkt is. Zo is het voorheen in de verordening opgenomen verbod om in grondwaterbeschermingsgebieden schadelijke stoffen te hebben, te gebruiken, te vervoeren, of op of in de bodem te brengen, niet in de nieuwe regeling opgenomen. De aan de nieuwe regeling ten grondslag liggende risicobenadering brengt met zich mee dat degene die een dergelijke activiteit zou willen uitvoeren, op grond van de zorgplicht zelf beoordeelt of er geen minder risicovol alternatief is en, als dat er niet is, welke maatregelen ter beperking van de risico’s moeten worden genomen. De zorgplicht is dus een belangrijk vangnet.

Een voorbeeld waar de zorgplicht van belang is, is de organisatie van festiviteiten in het landelijk gebied waarbij gebruik gemaakt wordt van aggregaten en waarvoor brandstof wordt opgeslagen. De zorgplicht vereist extra maatregelen gericht op het opvangen van eventueel gelekte brandstof of olie.

In het provinciale Grondwaterplan 2008-2013, deel II, is een bijlage Handreiking bijzondere zorgplicht opgenomen. Het bevoegd gezag handhaaft de bijzondere zorgplicht.

3. Algemene toelichting – Stiltegebieden

3.1. Achtergrond, historie en beleid stiltegebieden

Op grond van artikel 1.2 eerste lid, van de Wet milieubeheer zijn Provinciale Staten gehouden regels te stellen inzake het voorkomen of beperken van geluidhinder in bij die regels aangewezen gebieden. Deze regels zijn opgenomen in de Provinciale Milieuverordening provincie Utrecht 1995.

Deze regels reguleren twee onderwerpen.

Ten eerste de aanwijzing van de milieubeschermingsgebieden voor stilte (verder te noemen stiltegebieden). Deze gebieden zijn, ingevolge artikel 24 van de PMV, aangewezen in bijlage 3 van de PMV.

Ten tweede bevat de Verordening richtwaarden voor het geluid van activiteiten, functies en inrichtingen in of nabij stiltegebieden en regels voor gedragingen in stiltegebieden. Deze hebben als doel het voorkomen of beperken van geluidhinder in die gebieden.

Een stiltegebied is een milieubeschermingsgebied waarin de geluidsbelasting ten gevolge van menselijke activiteiten zodanig laag is, dat het ervaren van de natuurlijke geluiden in dat gebied of gedeelten daarvan niet of slechts in geringe mate wordt verstoord. In 1986 zijn de stiltegebieden in de provincie Utrecht aangewezen met als doel het beschermen van het geluidkarakter van een gebied en het waarborgen van stilte/rust voor de mens in de toekomst. De gedragsregels waren opgenomen in de Verordening stiltegebieden provincie Utrecht. Als gevolg van de komst van de Wet milieubeheer is deze Verordening overgeheveld naar de toen geldende Provinciale Milieuverordening. In het kader van deze overheveling kwam ook de wettelijke term stiltegebieden te vervallen. Deze werd in de Wet milieubeheer en de daarop gebaseerde PMV vervangen door de term milieubeschermingsgebieden. In het reguliere spraakgebruik is het begrip stiltegebieden nog steeds gangbaar. In deze verordening wordt de term stiltegebieden dan ook gecontinueerd. De ruimtelijke bescherming van stiltegebieden vindt plaats via de Provinciale Ruimtelijke Verordening.

Bij de selectie van de gebieden zijn destijds de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • 1.

    In beginsel komen gebieden met een meetbaar achtergrondgeluidsniveau tot 40 dB(A) LAeq,24h(4) in aanmerking voor aanwijzing als stiltegebied. In uitzonderingsgevallen wordt voor gedeelten van stiltegebieden een maximale geluidsbelasting van 45 dB(A) LAeq,24h aangehouden;

  • 2.

    In feitelijk stille gebieden dient een geluidsniveau van 40 dB(A) LAeq,24h of minder in principe gegarandeerd te kunnen worden;

  • 3.

    Gebieden moeten een bepaalde omvang hebben, wil het zinvol zijn om een geluidkwaliteitsnorm vast te stellen. Wij gaan daarbij uit van circa 300 ha. stillegebieden van een kleinere omvang zijn meer van lokale betekenis;

  • 4.

    In beginsel worden alleen gebieden aangewezen welke uit milieuhygiënisch (geluidsaspecten), recreatief of faunistisch oogpunt zeer waardevol zijn. Met recreatief wordt hier gedoeld op stille vormen van recreatie, zoals wandelen en fietsen. Faunistiek ziet op kleine of grote diersoorten, die voor het voortbestaan geheel of gedeeltelijk afhankelijk zijn van het ontvangen of uitzenden van geluidsignalen (o.a. uilen en zangvogels).

Voor de concrete begrenzing van de stiltegebieden is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij in het terrein herkenbare grenzen, zoals wegen, waterwegen, spoorlijnen en bebouwingsgrenzen. Voor een deel vallen de huidige aangewezen gebieden samen met Natura 2000-gebieden en zijn de stiltegebieden binnen de Ecologische Hoofdstructuur gelegen.

(4)LAeq,24h is her gemiddelde van het geluisniveau over een heel etmaal. Deze grootheid wordt door ons gehanteerd om de akoestische kwaliteit van een stiltegebied te bepalen.

Het beleid (zie Notitie Stiltegebieden 2011(5) ) is erop gericht dat activiteiten in en nabij het gebied niet leiden tot een toename van het geluidniveau in dat gebied en is dus conserverend van aard. Hierbij zijn een viertal elementen benoemd:

  • -

     Een stiltegebied moet stil blijven. Stiltebeleving is uniek en waardevol. Voor mens en natuur is de aanwezigheid van stilte belangrijk;

  • -

     Een stiltegebied mag beleefd worden. Het stiltegebiedenbeleid richt zich daarbij op de rustzoekende recreant;

  • -

     In een stiltegebied zijn gebiedseigen geluiden hoorbaar. Dit betreft geluiden behorende bij de aard van de omgeving, zoals natuurgeluiden en landbouwwerktuigen;

  • -

     Een stiltegebied leeft. De gemeente, lokale en regionale partners en bezoekers werken mee aan het in stand houden van een stiltegebied. Het stiltegebied biedt kansen aan verschillende sectoren om activiteiten uit te werken rond stilte, zodat het stiltethema door iedereen beleefd kan worden.

(5)Besluit GS 25 oktober 2011, vaststelling Notitie uitvoering stiltegebiedenbeleid provincie Utrecht

Een stiltegebied bestaat uit:

  • 1.

    Een stille kern van het gebied. In de stille kern is het geluidsniveau (exclusief gebiedseigen geluid) maximaal 40 dB(A) LAeq,24h;

  • 2.

    Een geluidsarm overgangsgebied, dat rondom de stille kern ligt. Dit gebied functioneert als buffer voor de stille kern.

Steeds waar wordt gesproken over “stiltegebied” wordt de stille kern met inbegrip van het daaromheen liggende geluidsarme overgangsgebied aangeduid.

3.2. Wijzigingen regelgeving

Deze herziening van de PMV voor het onderdeel stiltegebieden behelst in essentie vier wijzigingen.

Ten eerste worden veranderingen aangebracht in het aantal en de begrenzing van de gebieden. Daarnaast is in het Provinciaal Milieubeleidsplan provincie Utrecht 2009-2011 geconstateerd dat de handhaving van stiltegebieden moet worden verbeterd. In de Notitie stiltegebieden 2011 zijn hiertoe voorstellen opgenomen ter verbetering van de handhaving van stiltegebieden. Dit heeft ertoe geleid dat een milieukwaliteitseis (richtwaarde) is opgenomen voor het geluid van geluidsbronnen, waaronder inrichtingen, in of nabij stiltegebieden.

Verder worden de regels voor toestellen, motorrijtuigen en pleziervaartuigen op onderdelen gewijzigd. Met deze wijziging wordt de regeldruk van deze regels verminderd. Zo zal het aantal activiteiten met toestellen, waarop de PMV van toepassing is, worden beperkt, overigens zonder dat dit substantieel nadelig van invloed zal zijn op het niveau van de bescherming. Met deze regulering zullen de administratieve lasten voor burgers en bedrijfsleven verminderen. Ook de lasten voor de provincie zullen enigszins worden verminderd. Tenslotte wordt de mogelijkheid van ontheffing van de regels voor het gebruik van toestellen, motorrijtuigen en  pleziervaartuigen beperkt.

3.2.1. Aanwijzing en begrenzing stiltegebieden

In 2002 is onderzoek verricht naar de kwaliteit van de stiltegebieden. Uit deze evaluatie blijkt dat het geluidsniveau in de gebieden was toegenomen. De echte stille kern van de gebieden was in een aantal gebieden kleiner geworden. In het westen van de provincie bleek de geluidsbelasting door het vliegverkeer zo hoog te zijn dat in drie gebieden (Botshol, Zegveld en Kamerik/Kanis) in feite geen sprake meer was van een stiltegebied. In het Provinciaal Milieubeleidsplan 2004-2008 en het Streekplan Utrecht 2005-2015 (thans Structuurvisie) zijn deze gebieden niet meer opgenomen als stiltegebied. Deze gebieden worden ook niet meer aangewezen in deze PMV.

Als gevolg van de sluiting van de vliegbasis Soesterberg is in het toenmalige Streekplan Utrecht een zoekgebied voor een nieuw stiltegebied tussen Leusden en Woudenberg aangegeven. Hierover is overleg gevoerd met deze gemeenten en met de belangrijkste grondeigenaren. Er bleek bij deze partijen geen draagvlak te zijn voor de aanwijzing van een gebied. Om die reden is dit gebied niet aangewezen als stiltegebied.

In 2010 is de akoestische kwaliteit van de gebieden opnieuw onderzocht(6) . Op basis hiervan is de begrenzing van de gebieden Eemland, Westbroek en omgeving, Lage Vuursche, Loenderveense Plas, Kockengen/Teckop, Hoenkoop/Polsbroek, Willeskop/Benschop, Blokland/Broek, Hei- en Boeicop, Beverweerd/Rijsenburg, Overlangbroek, Boswachterij Leersum, Amerongse Berg en Achterbergse Hooilanden opnieuw beoordeeld.

De stille kern van het gebied Lage Vuursche is qua omvang te klein om nog als stiltegebied in aanmerking te komen. In voorgaande onderzoeken en evaluaties in de periode 1997-2005 was al duidelijk geworden dat de akoestische kwaliteit matig was. Met name de recreatieve druk op dit gebied (Kampeer- en bungalowterrein de Zeven Linden en het recreatieterrein “De Kuil”) en de omliggende infrastructuur leidt ertoe dat de stille kern slechts circa 150 ha beslaat. Dit gebied wordt dan ook niet opnieuw aangewezen als stiltegebied. Aan de westzijde van stiltegebied Westbroek en omstreken maken sinds een grenswijziging in 1998 ook verblijfsrecreatieterreinen onderdeel uit van het stiltegebied. Bij de aanwijzing van het Natura 2000-gebied is, vanwege de aanwezigheid van deze recreatieterreinen, de grens oostelijker getrokken dan de grens van het stiltegebied. Wij wijzigen de begrenzing van dit stiltegebied nu zodanig, dat genoemde recreatieterreinen er buiten vallen en de grens hier plaatselijk samenvalt met die van het Natura 2000-gebied. Stiltegebied Achterbergse Hooilanden grenst aan stiltegebied Bennekommer Meent in de provincie Gelderland, met uitzondering van het deel ten noordwesten van de Rauweveldseweg. Circa de helft van dit niet-aangrenzende gedeelte van het stiltegebied Achterbergse Hooilanden heeft een geluidsniveau van 40 dB(A) tot 45 dB(A), in de andere helft ervan is het geluidsniveau hoger dan 45 dB(A). De door ons beoogde kwaliteit van stiltegebieden is hier niet aanwezig. Wij passen de begrenzing van het stiltegebied aan en leggen de noordwestelijke grens van dit stiltegebied ter plaatse van de Rauweveldseweg. Overigens is het gebied dat niet meer wordt aangewezen als stiltegebied een Natura 2000 gebied en een TOP-gebied. In 1983 is het aangewezen als natuurmonument op grond van de  Natuurbeschermingswet. Hierdoor geniet de flora en fauna in het gebied ook bescherming zonder aanwijzing als stiltegebied. Verder zijn enkele zeer kleine wijzigingen doorgevoerd.

Op de kaart, bijlage 3, is naast de grens van het stiltegebied, ook de grens van de stille kern aangegeven. Doel hiervan is de bescherming van de stille kern te optimaliseren. Ook zijn de bestaande activiteiten in de stille kern aangegeven, die in aanmerking komen voor een ontheffing van het verbod als bedoeld in artikel 28.

(6)Rapport

3.2.2. Beoordelingsmaat en richtwaarde

Ingevolge artikel 5.5 van de Wet milieubeheer kunnen milieukwaliteitseisen worden gesteld aan stiltegebieden. Er zijn twee soorten normen die kunnen worden gesteld: grens- en richtwaarden. De eerste laat geen ruimte voor afwijkingen, de tweede alleen op basis van een gedegen afweging en motivering. In de PMV moet worden aangegeven bij welke besluiten de betreffende normen een rol spelen. Het opnemen van een kwaliteitseis in PMV is een instrument dat geschikt is voor het gebiedsgerichte beleid. Door het stellen van een kwaliteitseis kunnen de belangrijkste vormen van verstoring worden tegengaan en kan de aanwezige stilte beter worden gehandhaafd.

Algemeen uitgangspunt is dat het toelaatbare of gewenste geluidsniveau van niet-gebiedseigen geluiden in een stiltegebied 40 dB(A) is. Dit betreft een A-gewogen equivalent geluidsniveau. Een geluidsniveau van 40 dB(A) of lager wordt over het algemeen als stil ervaren. In de bufferzone rondom de stille kern is een geluidsniveau tot 45 dB(A) aanvaardbaar. Een geluidsniveau van 40 dB(A) is ook in lijn met de gewenste akoestische kwaliteit in de Ecologische Hoofdstructuur.

In de Notitie stiltegebieden 2011 is opnieuw bekrachtigd dat het beleid erop is gericht om de geluidsbelasting ten gevolge van menselijke activiteiten in de stiltegebieden onder de waarde van 40 dB(A) LAeq,24h te houden. Bij de bepaling van deze geluidsbelasting blijven buiten beschouwing de geluiden die het gevolg zijn van in het gebieden passende activiteiten, zoals landbouwactiviteiten, ook indien zij door mensen worden veroorzaakt.

Als beoordelingsgrootheid hanteren wij het 24-uurs gemiddelde geluidsniveau LAeq,24h op een hoogte van 1,5 meter boven het maaiveld. Deze hoogte is gekozen vanwege het feit dat de rustzoekende recreant een belangrijke doelgroep is. Wij hanteren geen strengere beoordeling of toetsing voor de avond- en of nachtperiode ten opzichte van de dagperiode. Bij veel andere situaties zijn de normen voor de avond en nacht wel strenger, omdat in die perioden sneller hinder en slaapverstoring optreedt. Voor bijvoorbeeld een wandelaar of fietser in het stiltegebied is die verhoogde gevoeligheid echter niet waarschijnlijk, zodat strengere toetsing niet zinvol is.

De richtwaarde van LAeq,24h = 40 dB(A) betreft het totale geluidsniveau van alle niet-gebiedseigen geluidsbronnen. Omdat in de meeste gevallen sprake is van cumulatie van het geluid van meerdere bronnen, hanteren wij per geluidsbron een richtwaarde van 35 dB(A) op een afstand van 50 meter van de geluidsbron. In de bufferzone geldt dezelfde richtwaarde als in de stille kern, ondanks het feit dat hier een hoger geluidsniveau aanvaardbaar is. De reden hiervoor is dat hier over het algemeen meer sprake is van cumulatie van het geluid van meerdere geluidsbronnen.

Teneinde te voorkomen dat geluidsbronnen buiten het stiltegebied een ongewenste aantasting van de akoestische kwaliteit in het stiltegebied veroorzaken, geldt de richtwaarde ook voor geluidsbronnen buiten het stiltegebied. Hierbij geldt de richtwaarde op een beoordelingspunt binnen het stiltegebied op een afstand van 50 meter van de grens van het stiltegebied. Er is niet gekozen voor een richtwaarde op de grens van het stiltegebied, om rechtsongelijkheid te voorkomen indien de geluidsbron grenst aan het milieubeschermingsgebied. De meest relevante besluiten waarin de richtwaarde dient door te werken zijn te vinden in de Wet ruimtelijke ordening, het inrichtingenregime van de Wm /de Wabo, de Wet luchtvaart, de Wegenverkeerswet 1994 en de APV op basis van de Gemeentewet.

Vanuit de doelstelling de lasten voor burgers en bedrijven en de administratieve lasten zoveel mogelijk te beperken, is een praktische aansluiting bij de gebruikelijke wijze van bepalen en beoordelen van geluidsniveaus gewenst. De wijze waarop het geluidsniveau vanwege een geluidsbron wordt bepaald (gemeten of berekend) en getoetst aan de richtwaarde, is afhankelijk van het type geluidsbron. Indien het industrielawaai betreft, dat wil zeggen het geluid van een inrichting -in het dagelijkse spraakgebruik meestal bedrijf- conform de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dan vinden de metingen en/of berekeningen plaats volgens de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999. In afwijking hiervan is, zoals hiervoor al is gemotiveerd, de beoordelingsperiode echter het gehele etmaal en wordt geen toeslag voor bijzondere geluiden toegepast. Wanneer het verkeerslawaai betreft, dienen de metingen en/of berekeningen plaats te vinden conform het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. Hierbij zal, afhankelijk van het doel van de vaststelling van het geluidsniveau, gemotiveerd al dan niet een aftrek op grond van artikel 110g Wet geluidhinder worden toegepast. Indien een meting van het totale geluidsniveau wordt uitgevoerd ter evaluatie van de akoestische kwaliteit, waarbij verschillende typen geluidsbronnen van belang zijn, kan aansluiting worden gezocht bij de Richtlijnen voor karakterisering en meting van het omgevingsgeluid (IL-HR-15-04). Een actualisatie van deze Richtlijn is in voorbereiding.

3.2.3. Gedragsvoorschriften

De PMV bevat regels in de vorm van gedragsvoorschriften, die de burgers moeten dwingen tot gedrag dat de stiltegebieden niet verstoort. Dit betreft verboden op het gebruik van toestellen, motorrijtuigen en pleziervaartuigen. In de lijst van artikel 28 zijn die geluidsbronnen opgenomen die door hun niet-permanente karakter moeilijk via bijvoorbeeld de ruimtelijke ordening te weren zijn. Aan de lijst zijn nieuw toegevoegd het verbod op proefdraaien met een motorrijtuig of vaartuig en het verbod om te starten en te landen met een gemotoriseerd luchtvaartuig. Het verbod op proefdraaien is toegevoegd vanwege de wijziging van de definitie van toestel, waardoor hieronder niet langer motorrijtuigen en vaartuigen vallen. In de Luchtvaartnota provincie Utrecht, vastgesteld door Provinciale Staten op 26 oktober 2009, en in de Beleidsregels ontheffingen tijdelijk en uitzonderlijk gebruik luchtvaart provincie Utrecht van 8 november 2011, is een verbod opgenomen op grond waarvan starten en landen met een gemotoriseerd luchtvaartuig in een stiltegebied niet is, of wordt toegestaan. Dit verbod wordt nu geïmplementeerd in de PMV.

Voor een aantal verboden gelden in specifieke situaties vrijstellingen, zoals bijvoorbeeld het gebruik van toestellen, motorrijtuigen etc. die worden gebruikt voor de uitoefening van land-, tuin-, of bosbouw of ten behoeve van onderhoud. De lijst van uitzonderingen op de verboden activiteiten en gedragingen is geactualiseerd en uitgebreid. De uitbreiding betreft het organiseren van en deelnemen aan toertochten met elektrisch aangedreven voertuigen, zoals scooters. De geluidsbelasting daarvan is over het algemeen zodanig dat niet kan worden gesproken van een ernstige vorm van verstoring. Daarnaast ziet de uitbreiding van de vrijstellingen vooral op activiteiten die direct verband houden met een aantal functies van het gebied. Te denken valt bijvoorbeeld aan de landbouw, de energievoorziening en dergelijke. Het gaat om activiteiten die zonder meer noodzakelijk zijn en waarvoor ontheffing door ons steeds is of zou zijn verleend. Overigens wordt nogmaals benadrukt dat de vrijstelling geen vrijbrief vormt voor een ongelimiteerde geluidsemissie. Ook degenen die deze geluiden produceren moeten het bepaalde in artikel 23, de zorgplicht, in acht nemen.

Gedeputeerde Staten kunnen ontheffing van het verbod verlenen. Overwogen is of de ontheffingverlening niet beter aan de gemeenten overgelaten kan worden. De praktijk leert dat voor veel van de genoemde toestellen en activiteiten naast een ontheffing ook een vergunning op basis van de APV van de desbetreffende gemeente vereist is. Argument hier tegen is dat de meeste stiltegebieden zijn gelegen in meer dan één gemeente. In de praktijk blijkt dat het aantal ontheffingaanvragen voor de gehele provincie dat bij Gedeputeerde Staten is ingediend, niet meer bedraagt dan enkele per jaar. Gezien het zeer geringe aantal ontheffingen per jaar is er voor gekozen de ontheffingverlening bij Gedeputeerde Staten te laten.

Wanneer is wel en wanneer is geen ontheffing mogelijk?

Mede ten behoeve van de uitvoering van het ontheffingenbeleid hebben Gedeputeerde Staten de Notitie stiltegebieden 2011 opgesteld.

Uitgangspunt is dat met name de kwaliteit in de stille kern van het stiltegebied gekoesterd wordt. Ook eenmalige activiteiten leveren een verstoring van deze stille kern op. Het verlenen van een ontheffing voor een verstorende activiteiten in de stille kern is niet in overeenstemming met het karakter van het gebied en is dan ook in principe niet mogelijk voor activiteiten en gedragingen in de stille kern. Uitzondering die hierop kunnen worden gemaakt zijn:

  • a.

    In geval van zwaarwegende maatschappelijke belangen die tot de gedraging/activiteit nopen. Daarbij geldt dan als extra voorwaarde, dat er geen mogelijkheden voor de gedraging/activiteit zijn buiten het stiltegebied, dan wel buiten de feitelijk stille kern.

  • b.

    Onder voorwaarden: bestaande activiteiten. Een aparte positie nemen bestaande activiteiten binnen stiltegebieden in. Binnen een aantal stiltegebieden worden jaarlijks terugkerende activiteiten, veelal evenementen, georganiseerd, zoals de zogenaamde schuurfeesten. Een deel hiervan vindt plaats in de stille kern van het betreffende stiltegebied. Het betreft veelal activiteiten die al vele jaren ter plaatse worden georganiseerd en die vaak locatiegebonden zijn. Het van de ene op de andere dag verbieden van deze activiteiten stuit op bezwaren van maatschappelijke aard. Op de kaarten van de stiltegebieden in bijlage 3 zijn (na overleg met de betrokken gemeente) de locaties van deze jaarlijks terugkerende activiteiten opgenomen. Deze aangeduide activiteiten komen in aanmerking voor ontheffing, ook al vinden deze plaats binnen de stille kern, mits kan worden voldaan aan de voorwaarden die in de ontheffing zijn opgenomen. Afhankelijk van de activiteit en de locatiegebondenheid daarvan zal in overleg met de betrokken gemeente worden bezien of verplaatsing naar een buiten het stiltegebied gelegen locatie op termijn tot de mogelijkheden behoort. Ook voor deze bestaande activiteiten moet een ontheffing worden aangevraagd. Bij de beslissing op de aanvraag om ontheffing voor een bestaande, op de kaart aangeduide activiteit, worden door ons de aspecten als hiervoor genoemd betrokken.

Of ontheffing voor gedragingen/activiteiten in het overgangsgebied kan worden verleend of niet, is afhankelijk van overwegingen, die enkel op het voorkomen of beperken van geluidhinder gericht zijn. Hierbij gelden in ieder geval de volgende aspecten:

  • -

    Plaats van de activiteit en mate van verstoring.

     

    Is dit aan de rand van de feitelijk stille kern? In welke mate wordt de geluidsbelasting van de stille kern door de activiteit(en) beïnvloed? Is het noodzakelijk dat de activiteit in het stiltegebied plaatsvindt? Zijn er alternatieven? Zo niet, kan de geluidemissie minder door het toepassen van stillere technieken of afschermende maatregelen?

  • -

    Nut en /of noodzaak van de activiteit.

     

    Hierbij wordt een afweging gemaakt tussen enerzijds de aard en de doelstelling van de voorgenomen activiteit (bijvoorbeeld is er sprake van een commerciële activiteit dan wel dient de activiteit een maatschappelijk belang) en anderzijds de noodzaak om verstoring van het beschermde gebied zoveel mogelijk te voorkomen of in voldoende mate te beperken.

  • -

    Tijdsduur/periode waarbinnen de activiteit zich afspeelt. Van belang is inzicht te hebben in de duur van de te organiseren activiteit. Hierbij geldt uiteraard: hoe korter het tijdsbestek, des te kleiner is de impact op het gebied. Hierbij is ook van belang of de activiteit gedurende de dag-, avond- of nachtperiode plaatsvindt. Daar waar mogelijk verdient het de voorkeur om de activiteiten in de dagperiode te laten plaatsvinden, omdat dan sprake is van een relatief hoog achtergrondniveau aan geluid (in verhouding tot de avond- en nachtperiode). Ook is van belang of de activiteit zich afspeelt in het “hoogseizoen” dan wel in het laagseizoen. In de zomer heeft de recreatieve waarde (mensen die van de rust binnen het stiltegebied willen genieten) een grotere impact dan bijvoorbeeld in de winterperiode.

  • -

    Maximum aantal activiteiten waarvoor ontheffing wordt verleend, binnen een bepaald gebied. Dit aantal is bepaald op maximaal 12 keer per kalenderjaar per stiltegebied. Het moet echt om een uitzonderingsituatie gaan. Indien ontheffing wordt verleend betekent dit dat incidenteel wordt afgeweken van het verbod om bepaalde lawaaiige toestellen in te zetten. Bekeken moet worden of binnen het gebied reeds ontheffingen voor de gevraagde periode zijn afgegeven.

Bij het verlenen van een ontheffing wijzen wij aanvragers op de mogelijkheid dat andere vergunningen of ontheffingen vereist zijn. Indien uit de aanvraag of onze beoordeling daarvan blijkt dat op voorhand onomstotelijk vaststaat dat gebruik maken van de gevraagde ontheffing in strijd is met de Natuurbeschermingswet of de Flora- en Faunawet, verlenen wij geen ontheffing.

4. Algemene bepalingen

4.1. Meldingen en ontheffingen

4.1.1. Melding

De melding komt alleen aan de orde bij het onderwerp grondwaterbescherming (hoofdstuk 2 PMV). Het instrument stelt het bevoegd gezag op de hoogte van een voorgenomen activiteit waaraan vanuit de PMV voorschriften zijn verbonden.

Uitgezonderd voor de waterwingebied Bethunepolder is de melding alleen aan de orde in grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones. Een melding is alleen aan de orde, waar voorschriften aan een activiteit worden gesteld en waar de melding dienstig is bij de achteraf beoordelen van die activiteit, met name ook bij de controle en handhaving van die regels. Ook bieden meldingen een goed overzicht van de daadwerkelijke activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden respectievelijk in boringsvrije zones. Voor de volgende situaties (activiteiten buiten inrichtingen) bestaat een melding bij Gedeputeerde Staten:

Tabel 4.1.1.: Melding bij Gedeputeerde Staten voor activiteiten buiten inrichtingen

 

Meldingen

Gebied

1.

Toepassen glyfosaat (onkruidbestrijding)

Waterwingebied Bethunepolder

2.

Uitbreiden begraafplaatsen c.s. Grondwaterbeschermingsgebieden

Grondwaterbeschermingsgebieden

3.

Buiten gebruik stellen van een boorput

Grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones

4.

Veranderen bestaande buisleiding

Grondwaterbeschermingsgebieden

5.

Verwijderen heipalen

Grondwaterbeschermingsgebieden (bij dieptegrens van 3m-mv.)

6.

Funderingswerken

Grondwaterbeschermingsgebieden en boringsvrije zones

7.

Afkoppelen hemelwater van riool

Grondwaterbeschermingsgebieden

8.

Bodemwarmtewisselaar

Boringsvrije zones

9.

Grondwerken

Grondwaterbeschermingsgebieden

4.1.2. Ontheffing

Het ontheffingsinstrument is alleen aan de orde in stiltegebieden. In grondwaterbeschermingsgebieden is het instrument afgeschaft om o.a. de administratieve lastendruk terug te dringen.

Toelichting procedure ontheffing voor stiltegebieden

Artikel 1.3 Wet milieubeheer gaat over het verlenen van ontheffingen van de verordening. Van aangewezen regels voor stiltegebieden kunnen Gedeputeerde Staten ontheffing verlenen, zoals aangegeven in hoofdstuk 3.

Als hoofdregel volgen aanvragen om ontheffing de procedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Alleen als uit een oogpunt van bescherming van het milieu redelijkerwijs geen bedenkingen zijn te verwachten, kan bij de verordening anders worden bepaald. Aan de minimumeisen die hoofdstuk 4 van de Algemene wet bestuursrecht aan de totstandkoming van beschik¬kingen stelt, zal vanzelfsprekend ook in die gevallen wel moeten worden voldaan. Afdeling. 3.4 is alleen van toepassing op ontheffingen ten behoeve van artikel 28 onder c en d (verbod voor rijden buiten de openbare weg en voor toertocht voor motorrijtuigen in stiltegebieden).

De keuze, opengelaten door artikel 1.3, vierde lid, Wet milieubeheer, voor een minimumprocedure, sluit aan bij de in de praktijk ontstane behoefte aan een lichte procedure. Wanneer ontheffing wordt gevraagd voor het gebruik van een toestel etc. in de recreatiesfeer zijn redelijkerwijs geen bezwaren te verwachten. Waar dat wel het geval is, kunnen Gedeputeerde Staten besluiten toch de uniforme openbare voorbereidingsprocedure (Afdeling 3.4 Awb) te volgen. Artikel 3.10 van de Algemene wet bestuursrecht biedt daartoe de mogelijkheid. Ten aanzien van de verboden gesteld in artikel 28 onder c en d geldt wel dat afdeling 3.4 van de Awb van toepassing is, omdat dan een grotere kans op bezwaren bestaat. Indien echter de ontheffing van artikel 28 onder c (verbod op rijden buiten de openbare weg) slechts wordt aangevraagd ten behoeve van parkeren is afdeling 3.4 niet van toepassing mits het parkeren op ten hoogste 300 m van de openbare weg plaatsvindt.

De procedureregeling in de verordening kan zeer beperkt blijven. In aanvulling op de bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht is alleen bepaald dat een aanvraag om ontheffing wordt ingediend op een door GS vastgesteld aanvraagformulier.

De verordening bevat verder nog enige bepalingen over het verlenen van een ontheffing onder beperkingen of voorschriften en de wijziging of intrekking van ontheffingen. Ook bij deze bepalingen is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij hoofdstuk 8 van de wet.

4.2. Vergoeding van kosten en schade

De Wet milieubeheer bevat een schadevergoedingsregeling. Op grond van deze regeling heeft degene die schade lijdt door een bepaling uit de PMV (bijvoorbeeld het bestrijdingsmiddelenverbod) onder bepaalde voorwaarden recht op schadevergoeding. Gedeputeerde Staten zijn belast met de beslissing op een verzoek om schadevergoeding. Gedeputeerde Staten kunnen voor een deskundige beoordeling van schadeclaims een schadebeoordelingscommissie instellen. De instelling van zo’n commissie is gebaseerd op de Provinciewet (artikel 82) en moet bij besluit van Gedeputeerde Staten plaatsvinden. In het instellingsbesluit kan naast de samenstelling ook de taak en werkwijze van de commissie geregeld worden.

In gevallen die hoofdstuk 2 van de PMV (grondwaterwinning) betreffen, heeft het drinkwaterbedrijf een actieve rol. Achtergrond daarvoor is, dat zij in beginsel de kosten draagt van de toepasselijke PMV-regels voor de waterwinning, zoals blijkt uit artikel 15.34 Wet milieubeheer. In dat artikel is bepaald dat de provincie deze kosten bij de drinkwaterbedrijven kan verhalen middels een heffing ter zake van het onttrekken van grondwater. De praktijk is echter, dat provincies liever daarvoor een afspraak maken met de drinkwaterbedrijven. De provincie Utrecht heeft hierover in het kader van een convenant een betalingsafspraak gemaakt. De bestaande afspraak zal mogelijk geactualiseerd worden naar aanleiding van deze herziening van de PMV.

Als het gaat om mogelijke schade als gevolg van regels bij inrichtingen in een grondwaterbeschermingszone, dient een verzoek om schadevergoeding te worden ingediend bij het bevoegd gezag instantie, voor vergunningsplichtige inrichtingen is dit meestal de gemeente (behalve bij provinciale inrichtingen). Dit is geregeld in artikel 2.4, in samenhang met artikel 4.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. De beoordeling hiervan moet de instemming hebben van Gedeputeerde Staten, anders moeten de kosten hiervan gedragen worden door de gemeente (overeenkomstig art. 15.20 tot en met 15.21 van de Wet milieubeheer). Gedeputeerde Staten zijn bevoegd gezag bij regels die rechtstreeks werken, zoals bij inrichtingen onder het BARIM en activiteiten buiten inrichtingen.

4.3. Handhaving

Bij activiteiten binnen een inrichting, is het bevoegd gezag voor die inrichting ook het bestuursorgaan dat belast is met de handhaving van de regels op grond van deze verordening (in de meeste gevallen zal dit de gemeente zijn). Voor activiteiten buiten inrichtingen, is Gedeputeerde Staten het bestuursorgaan dat met de handhaving is belast. Naast de handhaving die in handen ligt van Gedeputeerde Staten, vindt ook strafrechtelijke handhaving plaats door politie en justitie, met behulp van buitengewone opsporingsambtenaren (BOA’s).

4.4. Overgangsrecht

Grondwaterbescherming

Voor de regels over grondwaterbescherming is overgangsrecht (hoofdstuk 6 PMV) opgenomen voor inrichtingen en activiteiten buiten inrichtingen die ten tijde van de inwerkingtreding van deze regeling legaal, dat wil zeggen in overeenstemming met de op dat moment geldende regels van de PMV, in werking zijn respectievelijk worden uitgevoerd. In hoofdlijnen bevat het overgangsrecht het volgende:

  • -

    Voor bestaande (legale) bedrijven is de overgangstermijn om aan de regels te voldoen drie jaar;

  • -

    De reeds aanwezige verboden inrichtingen (die op grond van de eerdere PMV wel aanwezig mochten zijn) moeten binnen drie jaar voldoen aan de voorschriften voor toegestane bedrijven in grondwaterbeschermingsgebieden. Dit geldt ook voor de verboden bedrijven in waterwingebieden;

  • -

    Bij vergunningsplichtige bedrijven dient het bevoegde gezag binnen drie jaar de instructies voor die inrichting te verwerken in de vergunning;

  • -

    Voor (legale) activiteiten buiten inrichtingen is er voor de volgende activiteiten in grondwaterbeschermingsgebieden (onder voorwaarden) overgangsrecht opgenomen:

    • o

      Boorputten;

    • o

      Grond- of funderingswerken;

    • o

      Buisleidingen;

    • o

      Bodemenergie;

    • o

      Afstromend hemelwater;

    • o

      Parkeren.

Voor de overige activiteiten buiten inrichtingen is geen overgangsrecht opgenomen omdat dat niet noodzakelijk is. De details rondom het overgangsrecht (in zoverre dit noodzakelijk is) zijn opgenomen in de artikelsgewijze toelichting en genoemd bij de toelichting van de materiële regels.

De overgangstermijn van drie jaar voor bedrijven is gekozen, om enerzijds bedrijven de tijd te bieden om de noodzakelijke voorzieningen te treffen, anderzijds om tijdig de gewenste bescherming te realiseren.

Stiltegebieden

Ook voor enkele regels voor stiltegebieden is overgangsrecht opgenomen. Het betreft de richtwaarden voor inrichtingen en overige geluidsbronnen. Met de richtwaarden voor geluidsbronnen, waaronder inrichtingen, zoals opgenomen in artikel 25 en 26, hoeft alleen rekening te worden gehouden bij nieuwe besluiten, activiteiten en inrichtingen. In geval van een uitbreiding van een bestaande inrichting, is artikel 26 wel van toepassing op de uitbreiding. Op het bestaande deel van de inrichting is de richtwaarde niet van toepassing. Onder bestaande inrichting wordt verstaan: een inrichting of het deel van een inrichting waarvoor een milieu- of omgevingsvergunning is verleend en van kracht is op het moment van inwerkingtreding van deze verordening, of waarvoor een melding milieu op grond van de Wm of Wabo is gedaan op het moment van inwerkingtreding van deze verordening.

5. Artikelsgewijze toelichting

In dit hoofdstuk wordt een nadere toelichting gegeven op de artikelen, indien dit een bijdrage kan leveren aan het begrip van het artikel.

1.1 Beschermingsgebieden met het oog op de waterwinning

Artikel 4 Zorgplicht

Dit artikel bevat de uitwerking van een bijzondere zorgplicht. Deze belangrijke vangnetbepaling is toegelicht in onderdeel paragraaf 2.4. De zorgplicht op basis van de PMV kan niet opgelegd worden als er vanuit een andere wettelijke regeling al een dergelijke zorgplicht bestaat. Hiervoor is dus een uitzonderingsbepaling nodig.

Artikel 5 Aanwijzing en begrenzing beschermingsgebieden

Lid 2 bepaalt dat de begrenzing door Gedeputeerde Staten nader (kleine grenswijzigingen) bepaald kan worden. Vanzelfsprekend zal dat altijd plaatsvinden in overleg met de drinkwaterbedrijven en rekening houdend met andere belanghebbenden.

Artikel 7 Activiteiten buiten inrichtingen in waterwingebieden.

Dit artikel bevat een algemeen verbod op potentieel bodembedreigende activiteiten buiten inrichtingen in een waterwingebied, die in alle waterwingebieden van toepassing is. Vanuit het oogpunt van de rechtszekerheid wordt in het artikel een opsomming gegeven van de activiteiten waar het om gaat, alsmede van de daarop van toepassing  zijnde uitzonderingen (art. 8). Ook hier geldt een afzonderlijke uitzondering voor de activiteiten van het drinkwaterbedrijf, althans voor zover die activiteiten noodzakelijk zijn voor de waterwinning. Huizenbouw is niet expliciet verboden omdat de aanleg van noodzakelijke voorzieningen al verboden zijn, zoals de aanleg van rioleringen.

Artikel 10 Toepasselijk regime Bethunepolder

Dit artikel bevat de bijzondere beschermingsbepalingen voor de Bethunepolder. Dit gebied is door zijn uitgestrektheid, de aanwezigheid van bewoning en agrarische bedrijven en de winning van oppervlaktewater (dat als grondwater opkwelt in de polder, via de sloten uitwatert en afgemalen wordt naar het waterleidingkanaal) duidelijk anders van aard dan de andere waterwingebieden. Ook de dynamiek van het gebied (natuurwaarden, aangrenzend recreatiegebied) maakt een aangepast regime noodzakelijk.

Artikel 11/12 Bestrijdingsmiddelen en glyfosaat Bethunepolder

Er geldt een verbod op bestrijdingsmiddelengebruik. Incidenteel kan -na een daartoe ingediende melding- het middel glyfosaat voor agrarisch gebruik worden toegepast (middels de onkruidstrijkmethode, waarbij het onkruid wordt aangestreken). Bovendien moet 24 uur voor toepassing van het bestrijdingsmiddel, het drinkwaterbedrijf telefonisch mededeling worden gedaan op 0900-9394.

Artikel 13 Parkeren Bethunepolder

In dit artikel staat een regeling voor het parkeren in het gebied. Normaliter is dit in de Bethunepolder slechts toegestaan op de daarvoor ingerichte verharde parkeerplaatsen, maar ’s winters als er geschaatst wordt op de Loosdrechtse plassen is het aantal reguliere parkeerplaatsen vaak niet toereikend. Voor deze situatie zijn in het verleden goede werkafspraken gemaakt met de gemeente (als bevoegd gezag), het drinkwaterbedrijf en de  erschillende grondeigenaren, enerzijds als uitwerking van de bijzondere zorgplicht voor het waterwingebied en anderzijds met het oog op de verkeersveiligheid op de openbare weg. Daarbij is vastgelegd dat de toestemming voor het parkeren gekoppeld is aan de randvoorwaarde dat de ondergrond door bevriezing hard is. Bovendien is een calamiteitenplan vanuit de gemeente vereist (afspraken met de gemeente) , dat waarborgt dat zowel de provincie (0800-2255100) als het drinkwaterbedrijf (0900-9394) direct gewaarschuwd worden bij incidenten met mogelijke verontreiniging.

Artikel 15 Inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden

In dit artikel is opgenomen welke eisen er gesteld worden aan de opslag van potentieel voor het grondwater schadelijke stoffen. De opslag van deze stoffen dient plaats te vinden boven een vloeistofdichte voorziening. Hieronder valt een lekbak of een dubbelwandige tank, die uiteraard moeten voldoen aan de gestelde eisen van de landelijke wetgeving. Tanks mogen maximaal 5.000 liter groot zijn (compartimenteren is niet toegestaan). Daarnaast is ondergronds opslaan in tanks niet toegestaan. Proces en overslag dienen bij voorkeur plaats te vinden boven een vloeistofdichte voorziening, maar deze zijn ook toegestaan boven een vloeistofkerende voorziening als tenminste wordt voldaan aan de eisen zoals opgenomen in de landelijke wetgeving (beheermaatregelen etc.).

Onder proces wordt onder andere verstaan: werkzaamheden in (garage) werkplaatsen, spuitcabines etc. Onder overslag wordt verstaan het aftanken van voertuigen, laad- en losactiviteiten van vrachtwagens etc. Mocht landelijke regelgeving strengere eisen stellen aan bepaalde voorzieningen, dan zijn die regels uiteraard van toepassing. Verder wordt gesteld dat er een werkvoorraad van de niet toelaatbaar stoffen aanwezig mag zijn binnen de inrichting (maximaal 25 liter/kilo).

In lid 4 wordt gesteld dat de regels uit dit artikel direct van toepassing zijn op inrichtingen waarvoor geen omgevingsvergunning is vereist. Dit artikel geldt ook voor activiteiten die genoemd worden in hoofdstuk drie van het activiteitenbesluit (hiervoor is namelijk geen omgevingsvergunning verleent).

Artikel 16/17 Verboden activiteiten buiten inrichtingen en vrijstelling

Meststoffen

Verbod op bepaalde meststoffen (artikel 16 eerste lid onder e). Geldt voor zuiveringsslib en secundaire meststoffen, waarvan onbekend en onzeker is hoe zij zijn samengesteld. Vrijgesteld van dit verbod zijn dierlijke meststoffen, kunstmeststoffen en overige meststoffen.

Verhardingen en gebouwen

Art. 16 eerste lid onder h: het verbod heeft betrekking op de situatie binnen de bebouwde kom, voor toetsing, binnen/buiten de bebouwde kom, wordt de kaart bebouwde kommen wegen gebruikt. Dit onderscheid heeft te maken met het veelal ontbreken van riolering buiten de bebouwde kom in directe nabijheid van verhardingen of gebouwen. Voor buiten de bebouwde kom is gekozen om te verwijzen naar de landelijke regels, aangevuld met de bijzondere zorgplicht. Deze zorgplicht biedt de mogelijkheid maatwerk te leveren gezien de situatie. Het gaat om maatregelen of voorzieningen bij rijkswegen en provinciale wegen. Aanleg van nieuwe rijkswegen en provinciale wegen in grondwaterbeschermingsgebieden is ongewenst. Van bestaande wegen zullen maatregelen en infiltratievoorzieningen moeten worden gekozen met een voldoende kosteneffectiviteit. We geven er de voorkeur aan dat de provincie hierover intern en met Rijkswaterstaat hierover afspraken maakt. Art. 17 zesde lid: onder a en b staan vrijstellingen opgenomen omdat daar geen wezenlijke risico’s voor het grondwater gelden. De nadere karakterisering van begrippen, zoals “schone of beperkt schone verhardingen” staan toegelicht in een beslisschema in de Leidraad afkoppelen en infiltreren op de Utrechtse Heuvelrug. Onder de vrijstelling onder b vallen in elk geval vrijliggende voet- en fietspaden, schoolpleinen, kleine parkeergelegenheden voor personenauto’s in woongebieden, woonerven, toegangswegen van woonwijken. Deze oppervlakken zijn alleen schoon als de gemeente een chemievrij beleid voert voor reiniging van het openbaar terrein. In het zesde lid onder c is aangegeven, wanneer afkoppelen van verhardingen van het riool niet is toegestaan. Afkoppelen is meldingsplichtig.

Onverhard parkeren

Art. 16 eerste lid onder i: verbod op onverhard parkeren.

Er is een minimale omvang gedefinieerd van een parkeerplaats. Bestaande onverharde parkeerplaatsen, die legaal zijn aangelegd hoeven niet te worden verhard (overgangsrecht), maar hiervoor geldt uitdrukkelijk de bijzondere zorgplicht. Bij uitbreiding van de parkeerplaats zal wel tenminste een vloeistofkerende voorziening moeten worden aangebracht. Afhankelijk van de situatie zullen nadere voorzieningen of maatregelen moeten worden getroffen (bijzondere zorgplicht).

Verstoring bodem

Enkel specifieke activiteiten wordt in artikel 17 vrijgesteld van het verbod op boorputten en grondwerken: het belang van grondwatermetingen i.v.m. de waterwinning, tijdelijke bronbemaling, bodemonderzoek/aanpak vanwege de risico’s van bedrijfsactiviteiten of aanwezige bodemverontreinigingen wegen op tegen het belang om deze te verbieden. Ook sonderingen zijn vrijgesteld omdat de risico’s gering zijn. Ontgrondingen zijn vrijgesteld, omdat de provincie als bevoegd gezag vergunning verleent op basis van de Ontgrondingenwet. Wij geven er de voorkeur aan in dit kader aan te geven wanneer een ontgronding toelaatbaar is en wanneer een vergunning wordt geweigerd. Het spreekt voor zich dat de provincie terughoudend is bij het verstrekken van een vergunning in een kwetsbaar gebied. Bij verwijdering van grond bij grondwerken moet het bodemprofiel worden hersteld (lid 1 onder g) ; de buitengebruikstelling van een boorput dient op deugdelijke wijze te gebeuren. Bij funderingen zijn eisen gesteld aan het soort palen (lid 1 onder h). De vrijstelling voor “ontgrondingen” betreft de hoofdactiviteit van ontgronden, daaronder worden niet de specifieke activiteiten verstaan van het eerste lid onder a-d. Meldingen: de volgende activiteiten moeten gemeld worden: grondwerken en funderingen.

Artikel 20 -22 Activiteiten en vrijstellingen buiten inrichtingen in boringsvrije zones (bodemenergie)

Verbod op open en gesloten systemen (eerste lid). Voor gesloten systemen, die niet de dieptegrens overschrijden, gelden enkele regels en een meldplicht en (artikel 21 en 22). Voor open systemen (KWO’s) wordt in artikel 21 tweede lid geattendeerd op de Waterwetvergunning. In het vigerende beleid staat, dat de vergunning wordt geweigerd als de beoogde activiteit binnen de zogenaamde 50-jaarszone plaatsvindt.

1.2 Stiltegebieden

Artikel 23 Bijzondere zorgplicht stiltegebieden

In de bepaling 23 komt de essentie van de regelgeving met betrekking tot het voorkomen of beperken van geluidhinder in stiltegebieden tot uitdrukking: het weren van gedragingen, die zodanig lawaaiig en wezensvreemd aan een stiltegebied zijn, dat zij het stille karakter van het gebied verstoren. Overlap met geluidregeling in hogere wetgeving met betrekking tot toestellen dient te worden voorkomen.

Artikel 24 Aanwijzing stiltegebieden

Lid 2 bepaalt, dat de detailbegrenzing door Gedeputeerde Staten zonodig nader bepaald kan worden. Het gaat dan om wijzigingen die het gevolg zijn van een periodieke akoestische inventarisatie van de gebieden. Dit voorkomt een wijzigingsprocedure van de PMV door Provinciale Staten, die vanuit inhoudelijke overwegingen eigenlijk niet nodig is. Voor grootschalige wijzigingen en het intrekken of het aanwijzen van nieuwe gebieden zijn Gedeputeerde Staten nadrukkelijk niet bevoegd.

Artikel 25 Richtwaarde equivalent geluidsniveau

Dit artikel gaat over een richtwaarde. In de algemene toelichting is op de hoogte van de richtwaarde ingegaan. Op grond van artikel 5.2, vierde lid, van de Wet milieubeheer moet - bij de uitoefening van een bevoegdheid als bedoeld in artikel 27 - indien van die waarde wordt afgeweken, de motivering van het desbetreffende besluit in ieder geval vermelden welke gewichtige redenen daartoe hebben geleid. Indien GS besluiten dat de richtwaarden dienen te worden herzien, is een wijziging van de PMV nodig, waartoe GS een voorstel zullen doen aan PS. Op een wijziging van de PMV is de Awb van toepassing.

Artikel 26 Richtwaarde voor inrichtingen in stiltegebieden

Het eerste lid bevat het geluidsniveau dat als grenswaarde moet worden opgenomen in een milieuvergunning. Het bevoegd gezag kan hier alleen van afwijken, indien in de motivering van het betreffende besluit wordt vermeld welke gewichtige redenen hiertoe hebben geleid. De bepaling van het geluidsniveau dient plaats te vinden volgens de Handleiding meten en rekenen industrielawaai 1999. Voor de meeste inrichtingen geldt het vergunningvereiste van de Wabo niet. Daarvoor gelden alleen algemene regels. Deze zijn neergelegd in het Activiteitenbesluit. De regels bevatten normen die in beginsel een acceptabele geluidskwaliteit moeten verzekeren. De normen hebben betrekking op de geluidsbelasting op een woning of een ander geluidsgevoelig gebouw in de nabijheid van de inrichting. Zijn deze niet in de buurt, dan geldt in feite een heel ruime norm. Deze kunnen niet passend zijn, bijvoorbeeld omdat het omgevingsgeluid aanzienlijk lager is of de aard en de hoeveelheid van de inrichtingen in het gebied zodanig is, dat een andere norm gewenst is. In dat geval kan het bevoegd gezag gebruik maken van de mogelijkheid van maatwerkvoorschriften. Deze kunnen strenger zijn dan de algemene normen. De ligging van een inrichting in een stiltegebied is een bijzonder lokale omstandigheid. Indien het bevoegd gezag een maatwerkvoorschrift oplegt aan een inrichting in een stiltegebied, dient daarbij rekening te worden gehouden met de genoemde richtwaarde. Dit geldt ook in het geval van een inrichting buiten het stiltegebied, waarvan de geluiduitstraling van invloed is op de akoestische kwaliteit van het stiltegebied. Op grond van het derde lid is de richtwaarde niet van toepassing op inrichtingen voor de uitoefening van land-, tuin- of bosbouw of beroepsmatige visserij, met uitzondering van eventuele niet-agrarische (neven-)activiteiten. Indien GS besluiten dat de richtwaarden dienen te worden herzien, is een wijziging van de PMV nodig, waartoe GS een voorstel zullen doen aan PS. Op een wijziging van de PMV is de Awb van toepassing.

Artikel 27 Doorwerking richtwaarden

In dit artikel zijn de bevoegdheden aangewezen waar bij de uitoefening daarvan rekening moet worden gehouden met de in het voorgaande artikel opgenomen richtwaarde. Gedacht wordt aan de vergunningverlening en maatwerkvoorschriften ingevolge de Wet milieubeheer en de Wabo, vergunning- of ontheffingverlening ingevolge de APV, verkeersmaatregelen op grond van de Wegenverkeerswet alsmede aan besluiten genomen in het kader van de Wet op de ruimtelijke ordening. Volgens de Wet milieubeheer moet met een richtwaarde rekening worden gehouden.

Artikel 28 Verbodsbepalingen activiteiten buiten inrichtingen in stiltegebieden

In de lijst van deze bepaling zijn die toestellen en activiteiten opgenomen die de kwaliteit van de stiltegebieden negatief beïnvloeden en door hun niet-permanente karakter moeilijk via de ruimtelijke ordening te weren zijn. Motorrijtuigen, vaartuigen en luchtvaartuigen vallen op grond van de definitie niet onder het begrip toestel. Voor zover op dit moment te voorzien is, vallen onder het verbod van bepaling 28 geen andere toestellen dan die zijn genoemd. De lijst onder a is evenwel geen limitatieve opsomming, zoals ook blijkt uit de toevoeging ‘in elk geval’. Nieuwe lawaaiige toestellen, die nog niet op de toestellenlijst voorkomen, noch in andere regelgeving ten aanzien van het geluidsaspect gereguleerd zijn, vallen eveneens onder a.

Sub a, onder 1e en 2e: Het seismologisch onderzoek dient ter beantwoording van de vraag of zich in de ondergrond gasvoerende structuren van voldoende omvang bevinden. Het wordt uitgevoerd met zogenaamde airgunapparatuur. Hieronder wordt verstaan de apparatuur voor het door middel van de gecomprimeerde lucht onder water opwekken van trillingen. Daarnaast wordt de schotgatmethode toegepast. Bij deze laatste methode worden kleine hoeveelheden explosieve ladingen in de bodem tot ontsteking gebracht. Ook deze methode valt onder de omschrijving van de categorie. Hoewel seismologisch onderzoek doorgaans van korte duur is, wordt gevreesd voor verstoring van rust en stilte, vooral in de kwetsbare gebieden. Reden om bedoelde activiteit onder de werking van de verordening te plaatsen.

Sub a, onder 5e: Onder vuurwapens wordt verstaan vuurwapens als bedoeld in artikel 1 van de Wet wapens en munitie. Het gebruik van toestellen voor het afschieten van kleiduiven is een lawaaiige vorm van recreatie en als zodanig wezensvreemd aan een stiltegebied. Schietwapens in gebruik voor kleiduivenschietsport vallen niet onder de Jachtwet. Bij de behandeling van een aanvraag om ontheffing van het verbod schietwapens te bezigen bij het kleiduivenschieten in een milieubeschermingsgebied waar het aspectstilte wordt beschermd, zullen wij het onverenigbaar zijn van de aanwezigheid van een kleiduivenafschietinrichting in een dergelijk gebied in de beoordeling betrekken.

Sub h: Onder proefdraaien met een motorrijtuig of vaartuig wordt verstaan: een motorrijtuig of vaartuig in werking zetten, om het functioneren te kunnen controleren.

Artikel 29 Vrijstellingen artikel 28

De lijst met uitzonderingen op de in artikel 28 gestelde verboden is uitgebreid. De uitbreiding ziet vooral op de activiteiten die direct verband houden met een aantal functies van het gebied. Te denken valt bijvoorbeeld aan de energievoorziening. Het gaat om activiteiten die zonder meer noodzakelijk zijn en waarvoor ontheffing door ons ook steeds is verleend. Over de reikwijdte van de vrijstelling onder a voor agrarische activiteiten blijkt soms onduidelijkheid te bestaan. Landbouw omvat zowel akkerbouw als fruitteelt en veeteelt. Bijvoorbeeld een paardenfokkerij is een agrarische activiteit, een manege, hoveniersbedrijf of loonwerkbedrijf niet. Overigens zij nogmaals benadrukt dat de vrijstelling geen vrijbrief vormt voor een ongelimiteerde geluidsemissie.

Artikel 23 is onverkort van toepassing.

1.3 Meldingen en ontheffingen

Artikel 31 Meldingen

De melding wordt uiterlijk zes weken voor de uitvoering gedaan. De melding bevat een beschrijving van de activiteit en de bodembeschermende voorzieningen en maatregelen. Binnen drie weken na ontvangst sturen Gedeputeerde Staten een brief waarin zij aangeven of zij verwachten dat de activiteit waarvan melding wordt gedaan, gezien de ontvangen gegevens, zal voldoen aan de gestelde regels. Als de gegevens in de melding voor een beoordeling van de te nemen maatregelen onvoldoende zijn, kan om aanvullende gegevens worden gevraagd.

1.4 Overgangsrecht

Artikel 34 Overgangsrecht verboden inrichtingen

Lid 1 tot en met lid 4: Inrichtingen die op de verbodslijst staan van Bijlage 5, maar wel in overeenstemming waren met de op dat moment geldende regels van de provinciale milieuverordening, mogen hun werkzaamheden voorzetten. Wel dient binnen drie jaar de vergunning aangepast te worden, overeenkomstig artikel 15 van de regeling.

Lid 5: geeft een uitzondering op het gebruik van ondergrondse tanks voor het afleveren van brandstoffen. Deze uitzondering is opgenomen, omdat de huidige tankstations in grondwaterbeschermingsgebieden vanwege de risico’s van externe veiligheid niet kunnen voldoen aan de eis van artikel 15 tweede lid om een bovengrondse (benzine)opslag te realiseren. Deze regel zou feitelijk neerkomen op een verbod, hetgeen we onwenselijk vinden. Deze uitzondering bestaat uit het vervangen van ondergrondse enkelwandige tanks, door dubbelwandige tanks met lekdetectie, overigens geldt hiervoor niet de 5.000 liter eis. De enkelwandige ondergrondse tanks moeten vervangen worden zodra de tanks wettelijk gekeurd moeten worden. Ook al wordt de enkelwandige tank goedgekeurd, deze dient dan alsnog vervangen te worden door een dubbelwandige tank met lekdetectie.

Artikel 37 Overgangsrecht activiteiten buiten inrichtingen in grondwaterbeschermingsgebieden

Lid 1: Voor reeds bestaande (of niet gerealiseerde maar wel vergunde) boorputten, grond- of funderingswerken, buisleidingen, bodemenergiesystemen of afstromend hemelwater geldt het verbod onder artikel 16 niet, als deze activiteiten in overeenstemming met de op dat moment geldende provinciale milieuverordening in werking waren. Wel moet bij beëindiging van een grondwerk resp. een boorput het bepaalde artikel 15 derde lid en artikel 16 eerste lid in acht worden genomen.

Lid 2: Dit lid geeft een uitzondering, waarbij onverhard parkeren is toegestaan. Deze uitzondering is alleen mogelijk bij bestaande (legale) situaties. Eventuele uitbreidingen dienen wel verhard te worden. Uiteraard geldt voor het onverharde terrein de bijzondere zorgplicht. De eigenaren van de terreinen moeten al het mogelijke doen om verontreinigingen tegen te gaan of deze te herstellen.

Toelichting op bijlage 5 van de PMV

Categorieën van verboden inrichtingen

Deze lijst is opgenomen, met behulp van de onderstaande criteria:

Criterium 1.

De aard van de activiteiten binnen de bedrijven sluit bodembeschermende voorzieningen uit, bijvoorbeeld doordat er in de bodem wordt gewerkt.

Criterium 2.

Er worden in de procesvoering (d.w.z. buiten huishoudelijk gebruik) stoffen gebruikt met een hoge mobiliteit(7) en in een zodanige omvang, dat adequate preventieve maatregelen en voorzieningen moeilijk realiseerbaar zijn, zoals vloeistoffen die dichtheidsstroming (soortelijk gewicht > 1,02 kg/l) tot gevolg hebben.

Criterium 3.

De bodembeschermende voorzieningen zijn niet visueel inspecteerbaar, ofwel het is niet mogelijk een inspectie uit te voeren volgens CRU/PBV-Aanbeveling 44 op basis waarvan een PBV Verklaring Vloeistofdichte Voorziening (VVV) kan worden afgegeven.

Criterium 4.

Het oprichten of in werking hebben van de inrichting leidt tot ongewenste activiteiten buiten de inrichting maar binnen het grondwaterbeschermingsgebied. Ongewenst betekent dat door indirecte effecten (verkeersaanzuigende werking, de kans op ongelukken en calamiteiten of domino-effecten, of activiteiten met bodembedreigende stoffen waar door haar aard geen bodembeschermende voorzieningen mogelijk zijn), het risico substantieel toeneemt. Dit vierde criterium is als additioneel criterium gehanteerd, dat wil zeggen: wanneer er bezwaren zijn tegen inrichtingen op basis van criterium 1, 2, 3 of 5, maar op zichzelf nog niet voldoende zwaarwegend om ze te verbieden, dan kan de toepasselijkheid van criterium 4 de doorslag geven om toch te verbieden(8).

Criterium 5.

Er worden in de inrichting bodem- en grondwaterbedreigende stoffen gebruikt in zodanig grote hoeveelheden en installaties dat adequate voorzieningen en maatregelen moeilijk realiseerbaar zijn en de controle en handhaving van de bodembescherming bezwaarlijk complex wordt en/of een bezwaarlijk hoge controle- en handhavingsintensiteit vergt (9).

(7)Bedoeld is hier inclusief de mobiliteit van relevante afbraakproducten van deze stoffen. (8)Dit criterium is additioneel, omdat op zichzelf activiteiten buiten inrichtingen (waar criterium 4 over gaat) ook zelfstandig verboden kunnen worden.

(9)Wanneer deze of andere stoffen of instrallaties bovendien de op calamiteiten vergroten (explosie- en brandgevaarlijkheid) leidt dit eerder tot een verbod van een dergelijke catagorie inrichtingen.

De criteria zijn in hun onderlinge samenhang beoordeeld. Het voldoen aan één criterium heeft alleen dan tot een verbod geleid als sprake is van een op zichzelf niet aanvaardbaar risico, uitgedrukt in bodem- en grondwaterbedreigende stoffen die in een substantiële omvang aanwezig zijn of worden gebruikt. Bij de beoordeling of een categorie van bedrijven moet worden verboden, is gelet op de gemiddelde situatie voor die categorie. Het gaat dan om zaken zoals omvang van het bedrijf, aard en hoeveelheid van stoffen en aanwezigheid van installaties e.d., waarbij werkzaamheden plaatsvinden volgens de gangbare bedrijfsvoering van de onder die categorie vallende bedrijven en op basis van de huidige stand der techniek. Daarnaast is bij het beoordelen van deze criteria rekening gehouden met de gevolgen van grootschalige calamiteiten zoals begin 2011 bij Chemie-Pack te Moerdijk. Het risico op calamiteiten heeft bij de opstelling van de criteria als achterliggend belang meegespeeld.

 

Tabel Categorieën van verboden inrichtingen

 Categorie

Inrichting 

Reden verbod 

a.

Inrichtingen voor het winnen van mergel, zand of grind, kalkzandsteen, kalk, steenkolen, turf of andere delfstoffen

De risico’s bestaan uit: - Intensieve, grondroerende activiteiten met risico op verstoringen van grondwaterstromen; - Winning impliceert het gebruik van (zware) machines, direct op of in de bodem, waarbij een verwaarloosbaar bodemrisico niet realiseerbaar is. Categorie is verboden op basis van criterium 1.

b.

Inrichtingen voor het opslaan, overslaan en/of bewerken van steenkool, ertsen of derivaten van ertsen.

De risico’s bestaan uit: - Uitvoering van de processen en opslag van stoffen vrij van de grond boven vloeistofdichte vloeren is niet realiseerbaar, NRB+ is niet realiseerbaar (criterium 3); - Verspreiding van (stuifgevoelige) bodembelastende stoffen binnen en in de omgeving van de inrichting is niet uit te sluiten (criteria 2 en 4). Categorie is verboden op basis van de criteria 2, 3 en 4.

c.

Inrichtingen voor het vervaardigen van ruw ijzer, ruw staal, of primaire non-ferro metalen.

De risico’s bestaan uit: - Uitvoering van de processen en opslag van stoffen vrij van de grond boven vloeistofdichte vloeren is niet realiseerbaar, NRB+ is niet realiseerbaar (criterium 3). Geldt met name voor de opslag van ertsen, brandstoffen en slakken. Categorie is verboden op basis van criterium 3.

d.

Inrichtingen voor het vervaardigen van cokes uit steenkool.

De risico’s bestaan uit: - Uitvoering van de processen en opslag van stoffen vrij van de grond boven vloeistofdichte vloeren is niet realiseerbaar, NRB+ is niet realiseerbaar (criterium 3); - Verspreiding van (stuifgevoelige) bodembelastende stoffen binnen en in de omgeving van de inrichting is niet uit te sluiten (criteria 2 en 4). Categorie is verboden op basis van de criteria 2, 3 en 4.

e.

Inrichtingen voor de op- en overslag, verbranding of andere wijze van verwijdering van afvalstoffen.

- De opslag van vast, niet uitloogbaar afval is in theorie uitvoerbaar in volledig gesloten systemen, in hemelwaterdichte gebouwen onder NRB+ omstandigheden; - Echter is het differenti‘ ren in te verwijderen (en op te slaan) soorten van afval, voor deze categorie van inrichtingen moeilijk realiseerbaar en kan controle en handhaving bezwaarlijk ingewikkeld worden; - Het begrip afvalstoffen is gedefinieerd in artikel 1.1 Wm. Onder afvalstoffen vallen ook radioactieve afvalstoffen, afgedankte explosieven, afvalwater, dierlijk afval en destructiemateriaal als bedoeld in de Destructiewet en afvalstoffen die ontstaan bij opsporing, winning, behandeling en opslag van delfstoffen, alsmede afval van winningindustrieën. De categorie wordt in zijn geheel verboden op basis van de volgende risico’s : - Uitvoering van de processen en opslag van stoffen vrij van de grond boven vloeistofdichte vloeren is niet altijd realiseerbaar, NRB+ is niet realiseerbaar (criterium 3); - Verspreiding van (stuifgevoelige) bodembelastende stoffen binnen en in de omgeving van de inrichting is niet altijd uit te sluiten (criteria 2 en 4); - Controle en handhaving van de bodembescherming wordt bezwaarlijk ingewikkeld. Categorie is verboden op basis van de criteria 2, 3, 4 en 5.

f.

Inrichtingen voor het opslaan en/of storten van baggerspecie op land en/of op of in oppervlaktewateren.

De risico’s bestaan uit: - Uitvoering van de processen en opslag van stoffen vrij van de grond boven vloeistofdichte vloeren is niet realiseerbaar, NRB+ is niet realiseerbaar (criteria 1 en 3); - Verspreiding van (stuifgevoelige) bodembelastende stoffen binnen en in de omgeving van de inrichting is niet uit te sluiten (criteria 2 en 4). Categorie is verboden op basis van de criteria 1, 2, 3 en 4.

g.

Inrichtingen voor het storten of het anderszins op of in de bodem brengen van afvalstoffen.

De risico’s bestaan uit: - Uitvoering van de processen en opslag van stoffen vrij van de grond boven vloeistofdichte vloeren is niet realiseerbaar, NRB+ is niet realiseerbaar (criteria 1 en 3); - verspreiding van (stuifgevoelige) bodembelastende stoffen binnen en in de omgeving van de inrichting is niet uit te sluiten (criteria 2 en 4). Categorie is verboden op basis van de criteria 1, 2, 3 en 4. Zie voor een toelichting op het begrip afvalstoffen de toelichting bij categorie e.

h.

Inrichtingen voor het vervaardigen, onderhouden, repareren of het behandelen van de oppervlakte van schepen voor de beroepsvaart.

- Schepen voor de beroepsvaart kunnen vervaardigd / gerepareerd worden in een droogdok. Droogdokken zijn te beschouwen als vloeistofdichte voorziening omdat uittreding van vloeistoffen tegen de waterdruk (van buitenaf) niet plaats vindt, eerder zal infiltratie van water plaatsvinden. Reparaties op een scheepshelling kunnen onder NRB+ condities worden uitgevoerd mits de helling en voorzieningen voor afstromend hemelwater vloeistofdicht worden uitgevoerd; - Probleem blijft echter de verspreiding van verontreinigingen in de lucht, denk aan verwaaiing van verfresten (verfspuiten, PAK’s- of loodhoudende verven), slijpresten, antifoulings etc..; - Daarnaast geldt dat riolen nooit volledig lekdicht verondersteld worden. Ook de CUR-aanbevelingen 51 en 44 laten een zeker lekverlies voor een vloeistofdicht riool toe. Doordat (hemel)afvoer vanaf scheepshellingen en/of vanuit dokken afgevoerd zullen worden per riolering, ontstaat een risico op bodembelasting met risicostoffen zoals antifoulings, PAK’s, en/of lood afkomstig van het schoonmaken c.q. werkzaamheden aan scheepshuiden. Dit leidt tot het volgende risico: - Verspreiding van bodembelastende stoffen binnen en in de omgeving van de inrichting is niet uit te sluiten (criteria 2 en 4); - (Hemel)waterafvoeren kunnen leiden tot bodembelastingen. Categorie is verboden op basis van de criteria 1, 2, 4 en 5.

i.

Inrichtingen voor het afleveren van vloeibare brandstoffen voor motorvoertuigen voor het wegverkeer of aan beroepsvaartuigen.

- Bij deze inrichtingen zijn opslagtanks uit veiligheidsoverwegingen veelal ondergronds aangebracht. Risico is wel te verkleinen door lekdetectiesystemen, kathodische bescherming, coating, dubbele wand etc., doch voor tanks (direct op of) in de bodem is een verwaarloosbaar bodemrisico in het kader van NRB+ niet realiseerbaar; - Het tanken van voertuigen met vloeibare brandstoffen kan worden uitgevoerd boven een vloeistofdichte voorziening. Afvalwater (van de reiniging) kan in volledig gesloten systemen worden behandeld en kan worden afgevoerd of worden geloosd op een riool. Verwacht kan worden dat het afvalwater per riool wordt afgevoerd. Riolen zijn echter nooit volledig lekdicht. Ook de CUR-aanbevelingen 51 en 44 laten een zeker lekverlies voor een vloeistofdicht riool toe. Doordat afvalwater van de tankactiviteiten wordt afgevoerd per riolering, ontstaat een risico op bodembelasting met risicostoffen. Categorie is verboden op basis van de criteria 1, 2, 3 en 5.

j.

Inrichtingen voor de opslag van vloeibare brandstoffen, afgewerkte olie, gevaarlijke stoffen, CMR stoffen of andere bodembelastende stoffen in ondergrondse opslagtanks.

- Een verwaarloosbaar bodemrisico in het kader van NRB+ voor tanks direct op of in de bodem is niet realiseerbaar. Risico is te verkleinen door lekdetectiesystemen, kathodische bescherming, coating, dubbele wand etc., doch een volledig uit te sluiten bodemrisico is niet realiseerbaar. Categorie is verboden op basis van de criteria 1 en 3.

k.

Inrichtingen voor het reinigen van tankschepen. 

- Het betreft hier het inwendig reinigen van tankschepen. Het tankschip als zodanig kan worden beschouwd als een vloeistofdichte voorziening. De op- en overslag van afvalwater (van de reiniging) kan in volledig gesloten systemen worden uitgevoerd. Maar verwacht kan worden dat het afvalwater per riool wordt afgevoerd. Dan geldt dat riolen nooit volledig lekdicht verondersteld worden. Ook de CUR-aanbevelingen 51 en 44 laten een zeker lekverlies voor een vloeistofdicht riool toe. Doordat afvalwater van de reinigingsactiviteiten (vervuild met restanten lading) wordt afgevoerd per riolering, ontstaat een risico op bodembelasting met risicostoffen. Categorie is verboden op basis van de criteria 2en 5.

l.

Inrichtingen voor het inwendig reinigen mobiele tanks, tankwagens, tankcontainers of bulkcontainers.

- Het inwendig reinigen van tanks kan worden uitgevoerd boven een vloeistofdichte voorziening. Afvalwater (van de reiniging) kan in volledig gesloten systemen worden behandeld en kan worden afgevoerd of worden geloosd op een riool. Verwacht kan worden dat het afvalwater per riool wordt afgevoerd. Dan geldt dat riolen nooit volledig lekdicht verondersteld worden. Ook de CUR-aanbevelingen 51 en 44 laten een zeker lekverlies voor een vloeistofdicht riool toe. Doordat afvalwater van de reinigingsactiviteiten (vervuild met restanten lading) wordt afgevoerd per riolering, ontstaat een risico op bodembelasting met risicostoffen. Categorie is verboden op basis van de criteria 2 en 5.

m.

Zuiveringstechnische werken en bedrijfsafvalwaterzuiveringen die zelfstandig een inrichting vormen.

- Inrichtingen voor de zuivering van afvalwater omvatten veelal bassins in of direct op de bodem; - Een verwaarloosbaar bodemrisico in het kader van NRB+ voor bassins direct op of in de bodem is niet realiseerbaar. Categorie is verboden op basis van de criteria 1 en 3.

n.

Inrichtingen voor het recreatievissen of het kweken van siervis of consumptievis in een bassin dat in contact staat met bodem, grondwater of oppervlaktewater.

- Viskweek in open systemen (oppervlaktewater) kan leiden tot een (beperkte) belasting met geneesmiddelen (antibiotica), voer en mest. Er zijn in Nederland nog geen offici‘ le regels voor het gebruik van diergeneesmiddelen in de visteelt. Eenduidige gegevens over eventueel medicijngebruik staan ons niet ter beschikking. Een eenduidige beoordeling van de risico’s is daarmee nog niet mogelijk. In gesloten kweeksystemen worden recirculatiesystemen voor het zuiveren van het water toegepast. Kweekbassins zijn echter vaak direct in of op de grond geplaatst waardoor visuele inspectie op vloeistofdichtheid niet mogelijk is. Omdat een eenduidige risicobeoordeling aan de hand van beschikbare gegevens niet mogelijk is, is deze categorie van inrichtingen vooralsnog verboden.

o.

Inrichtingen voor oppervlaktebehandeling van metalen en/of kunststoffen door middel van een elektrolytisch of chemisch procédé, of het aanbrengen gesmolten metaal waarbij de gebruikte behandelingsbaden direct in of op de bodem zijn geplaatst. 

- Galvanische (cyanidehoudende) baden zijn veelal direct op of in de bodem aangebracht en daarmee niet volledig visueel inspecteerbaar. Een verwaarloosbaar bodemrisico in het kader van NRB+ voor bassins direct op of in de bodem is niet realiseerbaar. Categorie is verboden op basis van de criteria 1 en 3.

p.

Inrichtingen voor schieten in de open lucht zonder gebruikmaking van kogelvangers, met vuurwapens of wapens werkend met luchtdruk of gasdruk.

- Risico op bodembelasting met lood uit loodhoudende munitie; - De aard van de activiteiten sluit afdoende bodembeschermende voorzieningen uit; - Voor evenementen waarbij zonder kogelvanger wordt geschoten, zijn de terugwinpercentages (doorgaans 90-95%) van belang. Dit impliceert dat bij het schieten met het open schootsveld ca. 5-10% van het lood in of op de bodem blijft. Daarnaast is (voor andere takken van schietsport) handhaving moeilijk omdat alleen aan de hand van teruggevonden kogels aantoonbaar is of al dan niet met lood geschoten is. Categorie is verboden op basis van criteria 1en 5

q.

Aardolie- en aardgaswinning.

- Door het boren kunnen grondwaterverstoringen optreden en kan grondwatervervuiling, door het gebruik van boorvloeistoffen, optreden; - De aard van de activiteiten sluit afdoende bodembeschermende voorzieningen uit. Categorie is verboden op basis van criterium 1

r.

Bewerking van splijt- en kweekstoffen. 

- Risico op radioactieve belasting van bodem en grondwater; - De aard van de activiteiten sluit afdoende bodembeschermende voorzieningen uit. Categorie is verboden op basis van criterium 1

s.

Inrichtingen voor het parkeren van vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen.

- Verkeersbewegingen bestaan voor deze inrichtingen voor een groot deel uit vrachtverkeer. Hiermee worden de aan- en afvoerwegen van en naar de inrichting zwaar belast. Aanleg en onderhoud van wegen wordt onevenredig kostbaar. Het is niet redelijk/mogelijk de wegbeheerder te verplichten om afdoende extra maatregelen te treffen vanwege de aanwezigheid van een dergelijke opstelplaats; - De bodembeschermende functie van de wegen is daarnaast moeilijk handhaafbaar, wegen zouden zeer frequent geïnspecteerd moeten worden (denk aan vorstschade etc.). Categorie is verboden op basis van criteria 4 en 5.

t.

Inrichtingen voor het gebruiken van bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voertuigen of vaartuigen in wedstrijdverband of voor recreatieve doeleinden in de open lucht.

- In beginsel kan een circuit volledig vloeistofdicht worden uitgevoerd. Echter moet dan ook uitgesloten zijn dat voertuigen (als gevolg van een crash) naast het circuit kunnen komen. Het vervoer/afslepen van beschadigde voertuigen moet correct worden uitgevoerd etc. De bodembeschermende functie van het circuit is moeilijk handhaafbaar, de baan zou zeer frequent ge•nspecteerd moeten worden (denk aan ongeval en/of vorstschade etc.). Categorie is verboden op basis van criteria 4 en 5.

u.

Inrichtingen voor het gebruiken van bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voertuigen of vaartuigen in wedstrijdverband of voor recreatieve doeleinden in de open lucht.

- In beginsel kan het terrein van een autosloperij volledig vloeistofdicht worden uitgevoerd. De bodembeschermende functie van de vloer is moeilijk handhaafbaar, de vloer zou zeer frequent ge•nspecteerd moeten worden (denk aan beschadigingen en en/of vorstschade etc.). - Categorie is verboden op basis van criteria 3 en 5.

Toelichting op bijlage 6 van de PMV

Voor het grondwater niet toelaatbare schadelijke stoffen (bijlage 6 van de PMV)

Een aantal stoffen die een ernstig gevaar voor de grondwaterkwaliteit kan opleveren, wordt niet in het grondwaterbeschermingsgebied toegelaten. De kern van deze ‘zwarte stoffenlijst’ wordt gevormd door in Europese regelgeving aangewezen kankerverwekkende (carcinogene), mutagene en voor de voortplanting schadelijke (reproductie-toxische) stoffen: de CMR-stoffen. In aanvulling daarop is een beperkte selectie gemaakt van stoffen die voorkomen op de lijst in bijlage XVII van de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen en de Nederlandse prioritaire stoffenlijst van het RIVM . Het gaat bij die laatste lijst om stoffen met “zeer ernstige zorg” (ZEZ), waarvan een deel ook prioritair is op grond van de Kaderrichtlijn Water. De CMR-stoffen zijn eenvoudig identificeerbaar aan de hand van de ‘veiligheidszinnen’ die op de verpakking of op een veiligheidsblad moeten staan.

In aanvulling op de CMR-stoffen, is een aantal stoffen verboden omdat de stof aan een of meer van de volgende criteria voldoet:

  • -

    Vloeibare gehalogeneerde koolstofverbindingen: stoffen met een dichtheid groter dan water, die niet met water mengen; deze kunnen diep in het grondwater doordringen en lossen langzaam op;

  • -

    Giftig of zeer giftig;

  • -

    Moeilijk afbreekbaar;

  • -

    Moeilijk verwijderbaar.

Als laatste aanvulling zijn kwik-, organische tin- en arseenverbindingen opgenomen op deze lijst. Overige zware metalen zijn (nog) niet opgenomen in de lijst, omdat nog niet voldoende duidelijk is of de risico’s van zware metalen zodanig zijn dat een algeheel verbod nodig is. Bovenstaande stoffen zijn niet apart opgenomen op de verbodslijst, maar vallen onder de verzamelcategorie van de CMR-stoffen.

Stoffen waarvoor op grond van Europese of nationale regelgeving al een totaalverbod of zeer vergaande beperkingen gelden, bij voorbeeld op grond van de EG-verordening registratie, evaluatie en autorisatie van chemische stoffen, zijn niet opgenomen.

Voor alle verboden stoffen geldt dat, op grond van Europese of nationale regelgeving, reeds vergaande beperkingen gelden ten aanzien van -onder andere- de gehaltes en toepassing van bepaalde gevaarlijke stoffen in preparaten (mengsels) en voorwerpen, en van de stof als zodanig. Levering aan ‘het grote publiek’ is veelal reeds verboden; bepaalde professionele toepassingen zijn soms wel toegestaan. Voor het bedrijfsmatig vervaardigen of gebruiken van deze preparaten of voorwerpen zullen die stoffen in grotere hoeveelheden in het bedrijf aanwezig moeten zijn. Waar in de vorige versie van de PMV om die reden hele bedrijfstakken waren verboden, is nu het gebruik van deze stoffen verboden, in verband met het gevaar voor de drinkwatervoorziening. Het gevolg is een selectief verbod op bepaalde activiteiten waarbij die stoffen gebruikt worden.

In bijlage 6 zijn enkele uitzonderingen opgenomen van ‘zwarte’ stoffen of toepassingen die wél zijn toegelaten. Daarbij is aangesloten bij vergelijkbare uitzonderingsbepalingen in de genoemde EG-verordening. Een voorbeeld is de uitzondering voor (lees: toelating van) asbest. Deze stof is kankerverwekkend, maar is niet mobiel in de bodem en kan dus nooit in het drinkwater komen. Het gebruik van specifieke in die artikelen genoemde ‘zwarte’ stoffen is dus mogelijk in situaties waar het verbod, gezien de eigenschappen of toepassing, onnodig is, en het verbod onbillijk, voor zover dit kon worden voorzien bij het opstellen van deze verordening. Indien in de praktijk blijkt dat dit voor meer stoffen of toepassingen geldt, kan voor incidentele situaties een beroep worden gedaan op de uitzonderingsbepaling die is opgenomen in artikel 15. Het toetsingscriterium daarbij is enkel de bescherming van het grondwater met het oog op de drinkwatervoorziening. Het gebruik van deze stof zal dan nog steeds moeten voldoen aan de regels in deze verordening.

Uit het ontbreken van bepaalde stoffen op deze lijst zou -ten onrechte- afgeleid kunnen worden dat die stof wél in de bodem zou mogen komen. Een verontreiniging van de bodem is echter in alle gevallen ontoelaatbaar. Het verschil tussen “zwarte” stoffen en overige stoffen is niet een al dan niet toegestane emissie bij de ‘normale’ bedrijfsvoering, maar de inschatting van het risico voor de grondwaterkwaliteit bij calamiteiten en milieu-incidenten.

De zwarte lijst wordt voor het eerst aan deze verordening verbonden. Het effect en de effectiviteit van het verbod zal de komende jaren gevolgd en geëvalueerd worden. Onderzocht zal worden of niet alsnog bepaalde stoffen, zoals zware metalen, aan de lijst moeten worden toegevoegd, of andere afgevoerd, bijvoorbeeld naar aanleiding van nieuwe risico-evaluaties die in Europees verband worden uitgevoerd.

Toelichting op bijlage 7 van de PMV

Tabel hoeveelheidsdrempel voor stoffen (bijlage 7 van de PMV)

Aan de hand van de R- of H-zinnen en de bijbehorende gevaarssymbolen en eventuele signaalwoorden kan worden bepaald of de stof of preparaat wordt beschouwd als giftig. Een stof of preparaat wordt beschouwd als giftig indien de R- of H-zinnen worden vermeld in tabel 7.1 respectievelijk tabel 7.2 van bijlage 7.

Voor afvalstoffen met onbekende gevaarseigenschappen dient rekening te worden gehouden met de classificatie als gevaarlijke of niet-gevaarlijke afvalstof conform de Europese Afvalstoffenlijst (EURAL).

Indien een stof of preparaat op grond van de bijlagen 7.1 en 7.2 als giftig moet worden aangemerkt, is de maximaal toelaatbare hoeveelheid van deze stof (per compartiment) gelijk aan de bijbehorende drempelwaarde vermeld in tabel 7.1 of tabel 7.2. Binnen de inrichting mag deze drempelwaarde niet worden overschreden. Ook de hoeveelheid aanwezige gevaarlijke afvalstoffen binnen een inrichting wordt gelimiteerd tot de drempelwaarde.

Preparaten (mengsels) mogen voor wat betreft de bepaling van de gevaarseigenschappen worden beschouwd als zijnde een enkelvoudige stof.

Bijlagen Overzichtskaarten:

Bijlage 1A. Overzichtskaart Grondwaterbeschermingszones

Bijlage 1B. Overzichtskaart Stiltegebieden

Klik op de link: exb-2015-8187 om de kaart te bekijken.

Bijlage 2. Kaarten beschermingsgebieden met het oog op de waterwinning

Bijlage 2A. Overzichtslijst milieubeschermingsgebieden grondwater

Tabel overzichtslijst milieubeschermingsgebieden grondwater

nr.

Naam gebied

Waterwingebied

Grondwaterbeschermingsgebied

Boringsvrije zone

100- jaaraandachtsgebied

1.

Amersfoort-Berg

X

X

-

X

2.

Amersfoort-Koedijkerweg

X

-

X

-

3.

Beerschoten

X

X

-

X

4.

Bethunepolde

X

X

-

X

5.

Bilthoven

X

X

X

X

6.

Blokland

X

-

X

-

7.

Bunnik

X

X

X

X

8.

Cothen

X

X

X

-

9.

De Meern

X

-

X

-

10.

Doorn

X

X

-

X

11.

Driebergen

X

X

-

X

12.

Eempolder

X

-

X

-

13.

Groenekan

X

X

-

X

14.

Leersum

X

X

-

X

15.

Leidsche Rijn

X

-

X

-

16.

Lexmond

-

-

X

-

17.

Linschoten

X

X

X

-

18.

Lopik

X

-

X

-

19.

Montfoort

X

-

X

-

20.

Nieuwegein

X

-

X

-

21.

Rhenen

X

X

X

-

22.

Soestduinen

X

X

-

X

23.

Tull en ’t Waal

X

-

X

-

24.

Veenendaal

X

-

X

-

25.

Vianen

X

-

X

-

26.

Vianen-Panoven

X

-

X

-

27.

Woerden

X

X

-

X

28.

Woudenberg

X

-

X

-

29.

Zeist

X

X

-

X

Bijlage 2B. Detailkaarten grondwater

Amersfoort-Berg

 

Amersfoort-Koedijkerweg

 

Beerschoten

 

Bethunepolde

 

Bilthoven

 

Blokland

 

Bunnik

 

Cothen

 

De Meern

 

Doorn

 

Driebergen

 

Eempolder

 

Groenekan

 

Leersum

 

Leidsche Rijn

 

Lexmond

 

Linschoten

 

Lopik

 

Montfoort

 

Nieuwegein

 

Rhenen

 

Soestduinen

 

Tull en ’t Waal

 

Veenendaal

 

Vianen

 

Vianen-Panoven

 

Woerden

 

Woudenberg

 

Zeist

 

Bijlage 3. Kaarten stiltegebieden

Eemland

 

Westbroek en omgeving

 

Loenderveense Plas

 

Kockengen/Teckop

 

Hoenkoop/Polsbroek

 

Willeskop/Benschop

 

Blokland/Broek

 

Hei- en Boeicop

 

Beverweerd/Rijsenburg

 

Overlangbroek

 

Boswachterij Leersum

 

Amerongse Berg

 

Achterbergse Hooilanden

 

Bijlage 3A. Overzichtslijst milieubeschermingsgebieden stilte

  • 1.

    Eemland

  • 2.

    Westbroek en omgeving

  • 3.

    Loenderveense Plas

  • 4.

    Kockengen/Teckop

  • 5.

    Hoenkoop/Polsbroek

  • 6.

    Willeskop/Benschop

  • 7.

    Blokland/Broek

  • 8.

    Hei- en Boeicop

  • 9.

    Beverweerd/Rijsenburg

  • 10.

    Overlangbroek

  • 11.

    Boswachterij Leersum

  • 12.

    Amerongse Berg

  • 13.

    Achterbergse Hooilanden

Bijlage 3B. Detailkaarten stiltegebieden

Bijlage 4. Modelborden voor aanduiding van milieubeschermingsgebieden

I. Borden met betrekking tot waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden A. Oud model; op termijn te vervangen. Zie: Provinciaal blad 12 van 2013, blz. 74

B. Nieuw model; te gebruiken bij nieuwe en vervangende bebording Zie: Provinciaal blad 12 van 2013, blz. 74

II. Borden met betrekking tot stiltegebieden Zie: Provinciaal blad 12 van 2013, blz. 74

Bijlage 5. Lijst met verboden inrichtingen

Aanwijzing van categorieën van inrichtingen die niet in grondwaterbeschermingsgebied mo¬gen worden opgericht of in werking worden gehouden:

  • a.

    inrichtingen voor het winnen van mergel, zand of grind, kalkzandsteen, kalk, steenkolen, turf of andere delfstoffen;

  • b.

    inrichtingen voor het opslaan, overslaan of bewerken van steenkool, ertsen of derivaten van ertsen;

  • c.

    inrichtingen voor het vervaardigen van ruw ijzer, ruw staal, of primaire non-ferro metalen;

  • d.

    inrichtingen voor het vervaardigen van cokes uit steenkool;

  • e.

    inrichtingen voor de op- en overslag, verbranding of andere wijze van verwijdering van afvalstoffen;

  • f.

    inrichtingen voor het opslaan of storten van baggerspecie op land of op of in oppervlaktewateren;

  • g.

    inrichtingen voor het storten of het anderszins op of in de bodem brengen van afvalstoffen;

  • h.

    inrichtingen voor het vervaardigen, onderhouden, repareren of het behandelen van de oppervlakte van schepen voor de beroepsvaart;

  • i.

    inrichtingen voor het afleveren van vloeibare brandstoffen voor motorvoertuigen voor het wegverkeer of aan beroepsvaartuigen;

  • j.

    inrichtingen voor de opslag van vloeibare brandstoffen, afgewerkte olie, gevaarlijke stoffen, CMR-stoffen of andere bodembelastende stoffen in ondergrondse opslagtanks;

  • k.

    inrichtingen voor het reinigen van tankschepen;

  • l.

    inrichtingen voor het inwendig reinigen van mobiele tanks, tankwagens, tankcontainers of bulkcontainers;

  • m.

    inrichtingen waar gelegenheid wordt geboden voor het afmeren van pleziervaartuigen en waar afgewerkte olie, bilgewater, huishoudelijk afvalwater of andere afvalstoffen worden opgeslagen;

  • n.

    zuiveringstechnische werken en bedrijfsafvalwater¬zuiveringen die zelfstandig een inrichting vormen;

  • o.

    inrichtingen voor het recreatievissen of het kweken van siervis of consumptievis in een bassin dat in contact staat met bodem, grondwater of oppervlaktewater;

  • p.

    inrichtingen voor oppervlaktebehandeling van metalen of kunststoffen door middel van een elektrolytisch of chemisch procedé, of het aanbrengen van gesmolten metaal waarbij de gebruikte behandelingsbaden direct in of op de bodem zijn geplaatst;.

  • q.

    inrichtingen voor schieten in de open lucht zonder gebruikmaking van kogelvangers, met vuurwapens of wapens werkend met luchtdruk of gasdruk;

  • r.

    inrichtingen voor aardolie- of aardgaswinning;

  • s.

    inrichtingen voor de bewerking van splijt- en kweekstoffen;

  • t.

    inrichtingen voor het parkeren van vervoerseenheden met gevaarlijke stoffen;

  • u.

    inrichtingen voor het gebruiken van bromfietsen, motorvoertuigen of andere gemotoriseerde voertuigen of vaartuigen in wedstrijdverband of voor recreatieve doeleinden in de open lucht;

  • v.

    inrichtingen voor het opslaan of bewerken van meer dan vier autowrakken;

  • w.

    inrichtingen voor het opsporen of winnen van aardwarmte en delfstoffen;

  • x.

    inrichtingen voor het opsporen van locaties voor de opslag van stoffen of afvalstoffen op een diepte van meer dan 100 meter onder het maaiveld;

  • y.

    inrichtingen voor het opslaan van stoffen of afvalstoffen op een diepte van meer dan 100 meteronder het maaiveld.

Bijlage 6. Niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stoffen

  • 1.

    Als niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stoffen worden aangewezen de stoffen en mengsels die staan vermeld in de hierna opgenomen tabel.

  • 2.

    Een stof is niet een niet-toelaatbare voor het grondwater schadelijke stof indien deze deel uitmaakt van:

    • a)

      een geneesmiddel in de zin van Richtlijn 2001/83/EG of een geneesmiddel voor diergeneeskundig gebruik in de zin van Richtlijn 2001/82/EG en;

    • b)

      cosmetische producten in de zin van Richtlijn 76/768/EEG

    • c)

      de volgende brandstoffen en olieproducten:

      • -

        benzine en dieselbrandstof als bedoeld in Richtlijn 98/70/EG,

      • -

        derivaten van minerale oliën, bestemd voor gebruik als brandstof in mobiele of vaste verbrandingsinstallaties,

      • -

        brandstoffen die in een gesloten systeem worden verkocht (bijvoorbeeld flessen vloeibaar gas);

    • d)

      kunstschilderverven die onder Verordening (EG) nr. 1272/2008 vallen;

    • e)

      asbest, erioniet en vuurvaste keramische vezels;

    • f)

      derivaten van aardolie of minerale oliën die in overeenstemming met de geldende wet- en regelgeving worden gebruikt in wegverhardingen of dakbedekkingen (bijvoorbeeld asfalt).

Tabel overige stoffen en mengsels

 

Overige stoffen en mengsels waarin de volgende stoffen voorkomen in een concentratie van meer dan 0,1massa-%:

CAS nr.     

1.

Polybroombifenylen

59536-65-1

2.

Kwikverbindingen

--

3.

Arseenverbindingen

--

4.

Organische tinverbindingen

--

5.

Trichloormethaan (Chloroform)

67-66-3

6.

1.1.2-Trichloorethaan

79-00-5

7.

1,1,2,2-tetrachloorethaan

79-34-5

8.

1,1,1,2-tetrachloorethaan 630-20-6

630-20-6

9.

Pentachloorethaan

76-01-7

10.

1,1-dichlooretheen

75-35-4

11.

Hexachloorethaan

67-72-1

12.

Gechloreerde parafines met een korte keten (C10-13, SCCP’s)

85535-84-8

13.

Tolueen

108-88-3

14.

Trichloorbenzeen

12002-48-1

14a

1,2.4- Trichloorbenzeen,

120-82-1

14b

1,3,5- Trichloorbenzeen,

108-70-3

14c

1,2,3- Trichloorbenzeen

87-61-6

15.

Pentachloorbenzeen

608-93-5

16.

Broommethaan (methylbromide)

74-83-9

17.

Dichloormethaan (methyleenchloride)

75-09-2

18.

Hexachloorbutadieen

87-68-3

19.

Tetrachlooretheen

127-18-4

20.

Trichlooretheen

79-01-6

21.

Vinylbromide

593-60-2

22.

Perfluoroctanylsulfonzuren en hun zouten

--

23.

Hexachloorcyclopentadieen

77-47-4

24.

1,2 dichlooretheen (cis en trans)

540-59-0

Bijlage 7. Tabel hoeveelheidsdrempel voor stoffen

Tabel 7.1 WMS-tabel

Etiket

 

Stofcategorie met bijbehorende R-zin

 

Hoeveelheiddrempel  

Zie: Provinciaal blad 12 van 2013, blz. 79

1

 Zeer giftig (T+)

R26 R27 R28 Comb R26/27/28 R39 icm R26/27/28

 500 kg of 0,5 m3  

Zie:Provinciaal blad 12 van 2013, blz. 79

2

 Giftig (T)

R23 R24 R25 Comb R23/24/25 R39 icm R23/24/2 R48 icm R23/24/25 

 500 kg of 0,5 m3  

Zie:Provinciaal blad 12 van 2013, blz. 79

9i

Giftig voor het milieu m.u.v. als brandstof gebruikte minerale oliën  

R50 R50/53 R51/53 

5000 kg of 0,5 m3  

Geen etiket zie VIB

 

Schadelijk voor het milieu m.u.v. als brandstof gebruikte minerale oliën (1)

R52/53 R52 R53 

2000 kg of 2 m3 

Geen etiket zie EURAL-code (2)

 

Gevaarlijke afvalstoffen met niet nader gespecificeerde gevaarseigenschappen (1) 

Niet bekend 

 500 kg of 0,5 m3  

(1) Voor de toepassing van de beoordelingssystematiek worden ook deze stoffen als giftig aangemerkt. (2) Afvalstoffen worden onder de Europese Afvalstoffenlijst (EURAL) geclassificeerd als gevaarlijk of niet-gevaarlijk (de EURAL-code van gevaarlijke stoffen bevat een(1)). Indien de gevaarseigenschappen van de afvalstof wel bekend zijn wordt in eerste instantie rekening gehouden met de toegekende gevaarseigenschappen.

Tabel 7.2 Tabel CLP-verordening

Tabel 7.2 Tabel CLP-verordening

Etiket

Stofcategorie met bijbehorende H-zin

H-zin

Hoeveelheidsdrempel

Gevaarlijk Zie:Provinciaal blad 12 van 2013, blz. 80

Acute toxiciteit categorie 1 Acute toxiciteit categorie 2 Acute toxiciteit categorie 3

H300 H301 H310 H311 H330 H331

500 kg of 0,5 m3

Gevaarlijk Zie: Provinciaal blad 12 van 2013, blz. 80

Specifieke doelorgaantoxiciteit bij eenmalige blootstelling categorie 1

H370

500 kg of 0,5 m3

Gevaarlijk Zie: Provinciaal blad 12 van 2013, blz. 80

Specifieke doelorgaantoxiciteit bij herhaaldelijke blootstelling categorie 1

H372

500 kg of 0,5 m3

Waarschuwing Zie: Provinciaal blad 12 van 2013, blz. 80

Aquatisch acuut

H400

500 kg of 0,5 m3

Signaal woord niet van belang Zie: Provinciaal blad 12 van 2013, blz. 80

Aquatisch acuut categorie 1 Chronische aquatische toxiciteit categorie 1 Chronische aquatische toxiciteit categorie 2 m.u.v. als brandstof gebruikte minerale oliën (1)

H400 H410 H411

500 kg of 0,5 m3

Geen etiket zie VIB

Chronische aquatische toxiciteit categorie 3 Chronische aquatische toxiciteit categorie 4 m.u.v. als brandstof gebruikte minerale oliën (1)

H412 H413

2000 kg of 2 m3  

Geen etiket zie EURAL-code (2)

Gevaarlijke afvalstoffen met niet nader gespecificeerde gevaareigenschappen (1)

Niet bekend

500 kg of 0,5 m3

(1) Voor de toepassing van de beoordelingssystematiek worden ook deze stoffen als giftig aangemerkt. (2) Afvalstoffen worden onder de Europese Afvalstoffenlijst (EURAL) geclassificeerd als gevaarlijk of niet-gevaarlijk (de EURAL-code van gevaarlijke stoffen bevat een (1) ). Indien de gevaarseigenschappen van de afvalstof wel bekend zijn, wordt in eerste instantie rekening gehouden met de toegekende gevaarseigenschappen.