Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag (APV)

Geldend van 03-05-2012 t/m 31-12-2012

Intitulé

Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen

In deze verordening wordt verstaan dan wel mede verstaan onder:

a.

Weg:

1.

de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede de daaraan liggende en als zodanig aangeduide parkeerterreinen;

2.

de - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke pleinen en open plaatsen, parken, plantsoenen, speelweiden, bossen en andere natuurterreinen, ijsvlakten en aanlegplaatsen voor vaartuigen;

3.

de voor het publiek toegankelijke stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen, die uitsluitend tot voor bewoning in gebruik zijnde ruimte toegang geven en niet afsluitbaar zijn;

4.

andere voor het publiek toegankelijke, al dan niet afsluitbare stoepen, trappen, portieken, gangen, passages en galerijen; de afsluitbare alleen gedurende de tijd dat zij niet door of vanwege degene die daartoe naar burgerlijk recht bevoegd is, zijn afgesloten.

5.

van de weg zoals bedoeld in sub a, onder 1 tot en met 4, maakt deel uit de daartoe behorende ondergrond.

b.

Openbaar water:

alle wateren die - al dan niet met enige beperking - voor het publiek bevaarbaar of anderszins toegankelijk zijn.

c.

Rechthebbende:

eenieder die over enige zaak enige zeggenschap heeft krachtens een zakelijk of persoonlijk recht.

d.

Voertuigen:

alle voertuigen, als bedoeld in artikel 1, onder a en onder al, van het Reglementverkeersregels en verkeerstekens 1990, met uitzondering van:

1.

treinen en trams;

2.

kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen.

e.

Vaartuigen:

alle vaartuigen, daaronder mede verstaan drijvende werktuigen, alsmede woonschepen, glijboten en ponten.

f.

Bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die op de plaats van bestemming hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

g.

Gebouw:

elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

h.

Vee:

dieren die behoren tot de diersoorten genoemd in bijlage II, behorend bij artikel 55 van de Meststoffenwet.

i.

Handelsreclame:

iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen.

j.

Leiding:

een buis of kabel, bestemd voor transport van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, van energie of van informatie, met alle daarbij behorende voorzieningen, zoals mantelbuizen, kabelgoten, afsluiters, brandkranen, kasten.

Artikel 1:2 Beslistermijn

  • 1. Het bevoegd bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen acht weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.

  • 2. Het bestuursorgaan kan zijn beslissing voor ten hoogste acht weken verdagen.

Artikel 1:3 Indiening aanvraag

  • 1. Indien een aanvraag voor een vergunning of ontheffing wordt ingediend minder dan drie wekenvóór het tijdstip waarop de aanvrager de vergunning of ontheffing nodig heeft, kan het bestuursorgaan besluiten de aanvraag niet te behandelen.

  • 2. Voor bepaalde, door het bestuursorgaan aan te wijzen, vergunningen of ontheffingen kan de in het eerste lid genoemde termijn worden verlengd tot ten hoogste acht weken.

Artikel 1:4 Voorschriften en beperkingen

  • 1. Aan een krachtens deze verordening verleende vergunning , ontheffing of instemming kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen mogen slechts strekken tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning , ontheffing of instemming is vereist.

  • 2. Degene aan wie krachtens deze verordening een vergunning , ontheffing of instemming is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Artikel 1:5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing

De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden.

Artikel 1:6 Intrekking of wijziging van vergunning , ontheffing of instemming

De vergunning , ontheffing of instemming kan worden ingetrokken of gewijzigd:

  • a.

    indien ter verkrijging daarvan onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;

  • b.

    indien op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van de vergunning , ontheffing of instemming , moet worden aangenomen dat intrekking of wijziging wordt gevorderd door het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning , ontheffing of instemming is vereist;

  • c.

    indien de aan de vergunning , ontheffing of instemming verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden nagekomen;

  • d.

    indien van de vergunning , ontheffing of instemming geen gebruik wordt gemaakt binnen een daarin gestelde termijn dan wel, bij gebreke van een dergelijke termijn,

    binnen een redelijke termijn;

  • e.

    indien de houder dit verzoekt.

Artikel 1:7

Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht  (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) is van toepassing voor de volgende artikelen in deze verordening:

  • -.

    Artikel 2:9: Ontheffing van het verbod optreden als straatartiest;

  • -.

    Artikel 2:10: Vergunning voorwerpen of stoffen op, aan, in of boven de weg;

  • -.

    Artikel 2:11: Instemming voor het aanleggen, beschadigen, opbreken en veranderen van een weg;

  • -.

    Artikel 2:10A.: Leidingen;

  • -.

    Artikel 2:30: Ontheffing van sluitingstijden horeca;

  • -.

    Artikel 2:38B.: Ontheffing van het verbod inzake (nacht)verblijf aan de weg;

  • -.

    Artikel 2:72: Vergunning ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk;

  • -.

    Artikel 4:6: Ontheffing van het verbod inzake overige geluidhinder;

  • -.

    Artikel 5:2: Ontheffing van het verbod inzake parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.;

  • -.

    Artikel 5:6: Ontheffing van het verbod inzake parkeren caravans e.d.;

  • -.

    Artikel 5:7: Ontheffing van het verbod inzake parkeren reclamevoertuigen;

  • -.

    Artikel 5:8: Ontheffing van het verbod inzake parkeren grote voertuigen;

  • -.

    Artikel 5:42: Ontheffing van het verbod inzake rijden op het strand.

      

Artikel 1:8

Paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet  tijdig beslissen) is niet van toepassing op de volgende artikelen in deze verordening:

  • -.

    Artikel 2:25 Vergunning evenementen;

  • -.

    Artikel 2:28 Exploitatievergunning horeca;

  • -.

    Artikel 2:39: Exploitatievergunning speelautomatenhal;

  • -.

    Artikel 3:4: Vergunning seksinrichting en escortbedrijven.

Hoofdstuk 2 Openbare orde

Afdeling 1: Bestrijding van ongeregeldheden

Artikel 2:1 Samenscholing en ongeregeldheden

  • 1. Het is verboden op de weg deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot wanordelijkheden.

  • 2. Eenieder, die op de weg aanwezig is bij enig voorval waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, of bij een tot toeloop van publiek aanleiding gevende gebeurtenis waardoor er wanordelijkheden ontstaan of dreigen te ontstaan, dan wel zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing, is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

  • 3. Het is verboden om, wanneer een voorval, gebeurtenis of samenscholing als bedoeld in het tweede lid plaatsvindt, tezamen met anderen zich in de richting daarvan te begeven als daarbij voorwerpen worden medegevoerd, die plegen te worden gebruikt of geschikt zijn om te worden gebruikt bij wanordelijkheden, zoals een ketting, knuppel, helm of bivakmuts.

  • 4. Het is verboden zich te begeven of te bevinden op terreinen, wegen of weggedeelten die door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van wanordelijkheden zijn afgezet.

  • 5. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.

  • 6. Het bepaalde in de voorgaande leden geldt niet voor betogingen, vergaderingen en godsdienstige en levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Afdeling 2: Betoging

Artikel 2:3 Kennisgeving betogingen en vergaderingen op openbare plaatsen

  • 1. Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats, als bedoeld in artikel 1 Wet openbare manifestaties, een betoging of vergadering te houden, als bedoeld in de artikelen 3 en 4 Wet openbare manifestaties, moet vóór de openbare aankondiging van deze vergadering of betoging en tenminste 4 x 24 uur voordat deze zal worden gehouden, de burgemeester hiervan schriftelijk kennis geven.

  • 2. Indien aard of omvang van de betoging of vergadering zulks rechtvaardigen, kan de burgemeester de termijn van 4 x 24 uur bekorten.

  • 3. De kennisgeving ( Zie bijgevoegde kennisgeving ) moet tenminste bevatten:

    • a.

      naam, adres en telefoonnummer (en zo mogelijk) faxnummer en e-mailadres van de organisator en kennisgever van de vergadering of betoging;

    • b.

      doel van de vergadering of betoging;

    • c.

      datum waarop de vergadering of betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en beëindiging;

    • d.

      de plaats en, voorzover van toepassing, de gewenste route en de plaats van beëindiging;

    • e.

      het aantal te verwachten deelnemers en de wijze van samenstelling van de vergadering of betoging;

    • f.

      de middelen van vervoer van de deelnemers aan de vergadering of betoging;

    • g.

      door de organisatie zelf te nemen maatregelen om een ordelijk verloop van de vergadering of betoging te bevorderen.

  • 4. Op de kennisgeving wordt door het Regiokorps Politie Haaglanden de datum en het tijdstip van inlevering vermeld en een kopie daarvan wordt terstond overhandigd of toegezonden aan degene, die de kennisgeving heeft gedaan.

  • 5. Zo mogelijk na mondeling overleg met degene, die de kennisgeving heeft gedaan, wordt hem zo spoedig mogelijk schriftelijk de volgende stukken toegezonden:

    • a.

      de algemene voorschriften van de burgemeester op grond van de wet;

    • b.

      eventuele met de organisator gemaakte afspraken over een ordelijk verloop en eventuele door de burgemeester gestelde voorschriften of beperkingen.

Afdeling 3: Verspreiden van gedrukte stukken

Artikel 2:6 Beperking aanbieden e.d. van geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen

  • 1. Het is verboden gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen onder publiek te verspreiden dan wel openlijk aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken op of aan door het college aangewezen wegen of gedeelten daarvan.

  • 2. Het college kan de werking van het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

  • 3. Het verbod geldt niet voor het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.

  • 4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Afdeling 4: Vertoningen e.d. op de weg

Artikel 2:8 Dienstverlening

vervallen

Artikel 2:9 Straatartiest en muziek

  • 1. Het is verboden, op door de Burgemeester aangewezen wegen en tijden ( Zie uitvoeringsbesluit ) op of aan de weg als straatartiest op te treden of muziek ten gehore te brengen.

  • 2. Op andere dan de in het eerste lid vermelde plaatsen, is het verboden, zonder vergunning van de burgemeester als straatartiest op te treden of muziek ten gehore te brengen.

  • 3. Het bepaalde in het tweede lid is niet van toepassing mits degene die voornemens is deze activiteiten te verrichten voor aanvang daarvan naam en adres heeft opgegeven bij het politiebureau waar de plaats van uitvoering onder ressorteert, indien

    • a.

      met ten hoogste drie personen wordt opgetreden;

    • b.

      er geen draaiorgels, geluidversterkende apparatuur of slaginstrumenten, zoals trommels, bongo’s en dergelijke, worden gebruikt;

    • c.

      de activiteiten niet langer duren dan een half uur;

    • d.

      de activiteiten slechts worden verricht tussen 08.00 en 21.00 uur en op zondag tussen 13.00 en 21.00 uur.

  • 4. Indien op grond van dit artikel een vergunning is vereist, kan de burgemeester te dien aanzien de belangen in aanmerking nemen die zijn bedoeld in artikel 2:25, zesde lid.

Afdeling 5: Bruikbaarheid en aanzien van de weg

Artikel 2:10 Voorwerpen of stoffen op, aan, in of boven de weg

  • 1. Het is verboden zonder vergunning of instemming van het college van burgemeester en wethouders een voorwerp op, in, over of boven de weg te plaatsen, aan te brengen of te hebben, of de weg anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.

  • 2. Dit verbod is niet van toepassing op:

    • a.

      aan gebouwen bevestigde, niet voor commerciële doeleinden gebruikte vlaggen, wimpels, vlaggenstokken en dergelijke, voor zover deze voorwerpen zo zijn aangebracht, dat zij geen gevaar of hinder kunnen opleveren voor personen of goederen;

    • b.

      zonneschermen, mits aangebracht boven een trottoir en voldoen aan de voorwaarden:

      • 1.

        dat geen onderdeel zich minder dan 2,2 meter boven het trottoir of minder dan 0,5 meter binnen de buitenkant daarvan bevindt;

      • 2.

        dat geen onderdeel verder dan 1,4 meter buiten de opgaande gevel reikt;

    • c.

      voorwerpen, met uitzondering van tenten, die gedurende korte tijd op de weg worden geplaatst en daar geen gevaar of hinder opleveren voor personen of goederen;

    • d.

      voertuigen, met uitzondering van:

      • -

        voertuigen die onderdeel uitmaken van het bouwverkeer of worden gebruikt bij bouwactiviteiten;

      • -

        fietsen, bromfietsen of motorfietsen die op de weg worden geplaatst met het kennelijk doel om deze te koop aan te bieden of te verhandelen.

    • e.

      - vervallen -

    • f.

      - vervallen -

    • g.

      kleine voorwerpen met een publieke functie, die door burgemeester en wethouders bij nader besluit zijn aangewezen;

    • h.

      - vervallen -

    • i.

      voorwerpen geplaatst voor werkzaamheden en voorwerpen geplaatst ten behoeve van bouwwerkzaamheden, mits dit vooraf is gemeld bij het college van burgemeester en wethouders met het vastgestelde meldingsformulier (formulier C) en de voorwerpen:

      • -

        geen gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg of het doelmatig en veilig gebruik daarvan, en

      • -

        de voorwerpen niet langer dan 60 uur op de weg worden geplaatst.

    • j.

      voorwerpen in winkelportieken, voorzover deze voorwerpen ten dienste staan van de aan het portiek gelegen winkel(s) en voorzover deze voorwerpen geen hinder voor de omgeving opleveren;

    • k.

      voorwerpen in door burgemeester en wethouders aangewezen winkelpassages, voorzover deze voorwerpen ten dienste staan van in de passage gelegen winkels.

  • 3. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt geweigerd, indien tegen de verlening daarvan overwegend bezwaar bestaat uit een oogpunt van:

    • -

      doelmatig beheer en onderhoud van de weg, daaronder mede begrepen de bescherming van de belangen van het rij- en voetgangersverkeer en de verdeling van gebruiksmogelijkheden van de weg;

    • -

      bescherming van het uiterlijk aanzien van de gemeente, tenzij het betreffende voorwerp op grond van de Woningwet dient te worden getoetst aan de redelijke eisen van welstand;

    • -

      schade die door het gebruik aan de weg wordt toegebracht of;

    • -

      te verwachten hinder voor de omgeving als gevolg van het gebruik van de weg ten behoeve waarvan de vergunning wordt gevraagd, tenzij daarop regels bij of krachtens de Wet milieubeheer of het bepaalde in de artikelen 2:27 t/m 2:29, 2:33A en artikel 4:6 van toepassing is.

  • 4. De aanvrager van een vergunning is verplicht daarvoor gebruik te maken van een door het college van burgemeester en wethouders voor bepaalde categorieën van voorwerpen vastgesteld aanvraagformulier (formulier A).

  • 5. Een aanvraag om vergunning wordt eerst in behandeling genomen, nadat de voor de beoordeling van de aanvraag benodigde stukken zijn overgelegd conform de door het college van burgemeester en wethouders vastgestelde richtlijnen (formulier B).

  • 6. Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels stellen voor de handelingen als bedoeld in het eerste lid. Deze nadere regels strekken ter bescherming van de belangen als genoemd in het derde lid. In deze nadere regels kan voor bepaalde categorieën van voorwerpen worden bepaald dat de uitzondering als genoemd in het tweede lid onder j. of k. niet van toepassing is.

Artikel 2:10A. Leidingen

  • 1. In afwijking van het bepaalde in artikel 2:10, eerste lid, en onverminderd het bepaalde in artikel 2:11, eerste lid, is het verboden om zonder voorafgaande instemming van burgemeester en wethouders een leiding op, aan, in, boven of onder de weg te leggen, te hebben liggen of in enig opzicht te wijzigen.

  • 2. De aanvraag voor de vereiste instemming dient bij het leggen, hebben liggen of in enig opzicht te wijzigen van huisaansluitingen van leidingen, waarvan de lengte niet langer is dan 55 meter, ten minste drie werkdagen voor aanvang van de werkzaamheden door het college te zijn ontvangen. In alle overige gevallen geldt een termijn van acht weken.

  • 3. De aanvraag om instemming dient te geschieden door de eigenaar van de leiding.

  • 4. Het college van burgemeester en wethouders stelt voor de aanvraag om instemming een formulier en voorwaarden vast waaraan de aanvraag om instemming voor het leggen, hebben liggen of in enig opzicht wijzigen van leidingen dient te voldoen.

  • 5. Het college van burgemeester en wethouders stelt voor het leggen, hebben liggen of in enig opzicht wijzigen van leidingen nadere regels vast.

  • 6. Het college van burgemeester en wethouders beslist op een aanvraag:

    • a.

      om instemming voor het leggen, hebben liggen of in enig opzicht wijzigen van een leiding binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag;

    • b.

      om instemming voor het leggen, hebben liggen of in enig opzicht wijzigen van een huisaansluiting van een leiding, waarvan de lengte niet langer is dan 55 meter, binnen drie werkdagen na ontvangst van de aanvraag.

  • 7. vervallen

  • 8. Een van rechtswege verleende instemming kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken of gewijzigd, indien het aanvraagformulier onjuiste gegevens bevat of indien de werkzaamheden onvoorziene en ontoelaatbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving hebben of dreigen te hebben en het geven van aanwijzingen als bedoeld in het tiende lid onder b, geen oplossing biedt.

  • 9. Een verleende instemming kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken of gewijzigd indien:

    • a.

      de werkzaamheden ontoelaatbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving hebben of dreigen te hebben en het geven van aanwijzingen als bedoeld in het tiende lid, onder b, geen redelijke oplossing biedt;

    • b.

      dit noodzakelijk is voor de uitvoering van werkzaamheden van de gemeente of derden;

  • 10. In spoedeisende gevallen kan, als de betrokken belangen dit vereisen:

    • a.

      de eigenaar van de leiding mondeling instemming vragen, en kan het college mondeling instemming verlenen;

    • b.

      het college van burgemeester en wethouders de eigenaar van de leiding mondelinge of schriftelijke aanwijzingen geven, die terstond dienen te worden opgevolgd;

    • c.

      het college van burgemeester en wethouders haar instemming mondeling wijzigen of intrekken.

      Een mondelinge beslissing wordt zo spoedig mogelijk op schrift gesteld en aan de eigenaar toegezonden.

  • 11. Het is verboden:

    • a.

      af te wijken van de nadere regels als bedoeld in het vijfde lid;

    • b.

      niet of niet onmiddellijk te voldoen aan de aanwijzingen als bedoeld in het tiende lid onder b.

  • 12. Het verbod uit het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      voor het Rijk bij het uitvoeren van zijn of haar publiekrechtelijke taak;

    • b.

      op een bovengrondse hoogspanningskabel;

    • c.

      voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening, de Elektriciteitswet 1998 of de Gaswet.

  • 13. De in het eerste lid bedoelde instemming is zaaksgebonden. De eigenaar van de leiding dient een overdracht van de leiding binnen twee weken te melden aan het college van burgemeester en wethouders.

  • 14. De eigenaar die leidingen voorafgaande aan de inwerkingtreding van dit artikel op, aan, in, boven of onder de weg heeft gelegd, heeft liggen of in enig opzicht heeft gewijzigd, wordt geacht daarvoor instemming te hebben verkregen van het college van burgemeester en wethouders.

Artikel 2:10B.

[vervallen]

Artikel 2:11 Aanleggen, beschadigen, opbreken en veranderen van een weg

  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 2:83 is het verboden om zonder voorafgaande instemming van het college van burgemeester en wethouders een weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg, of handelingen te verrichten die de gebruiksmogelijkheden van de weg beperken.

  • 2. Dit verbod is niet van toepassing op handelingen als bedoeld in het eerste lid ten behoeve van huisaansluitingen voor nutsvoorzieningen (telefoon, kabeltelevisie, gas, water, elektra, riool, stadsverwarming), voor zover die geen belemmerende invloed hebben op de doorstroming van verkeer, gevaar opleveren voor de bruikbaarheid van de weg, of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kunnen vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg.

  • 3. De aanvraag om instemming dient te geschieden door degene die opdracht geeft tot het uitvoeren van de handelingen.

  • 4. Het college van burgemeester en wethouders kan voor de handelingen als bedoeld in het eerste lid nadere regels vaststellen.

  • 5. Het college van burgemeester en wethouders beslist op een aanvraag:

    • a.

      om instemming voor handelingen als bedoeld in het eerste lid, binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag;

    • b.

      om instemming voor handelingen als bedoeld in het eerste lid die maximaal een oppervlakte van 25 m2 beslaan en niet langer dan 60 uur duren, mits van niet ingrijpende aard, welke, gelet op de veiligheid en doelmatigheid van de weg, niet tot hinder leiden voor motorrijtuigen, bromfietsen, fietsen en trams binnen drie werkdagen na ontvangst van de aanvraag.

  • 6. vervallen

  • 7. Het college van burgemeester en wethouders kan haar instemming weigeren:

    • a.

      indien de handeling als bedoeld in het eerste lid schade toebrengt aan de weg, een belemmerende invloed heeft op de doorstroming van verkeer, gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van de weg, of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering kan vormen voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg;

    • b.

      indien de handeling hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving, niet voldoet aan de eisen van redelijke welstand;

    • c.

      in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van in de nabijheid gelegen onroerende zaken.

  • 8. De weigeringsgronden van het zevende lid, onder a, gelden niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet. De weigeringsgronden van het zevende lid, onder b, gelden niet voor bouwwerken. De weigeringsgronden van het zevende lid, onder c, gelden niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

  • 9. Een verleende instemming kan geheel of gedeeltelijk worden ingetrokken of gewijzigd indien:

    • a.

      de handelingen als bedoeld in het eerste lid ontoelaatbare gevolgen voor de fysieke leefomgeving hebben of dreigen te hebben en het geven van aanwijzingen als bedoeld in het tiende lid, onder b, geen redelijke oplossing biedt.

    • b.

      dit noodzakelijk is voor de uitvoering van werkzaamheden van de gemeente of derden.

  • 10. In spoedeisende gevallen kan, als de betrokken belangen dit vereisen:

    • a.

      de opdrachtgever van de handelingen als bedoeld in het eerste lid mondeling instemming vragen, en kan het college mondeling instemming verlenen;

    • b.

      het college van burgemeester en wethouders de opdrachtgever en opdrachtnemer van de handelingen als bedoeld in het eerste lid mondelinge of schriftelijke aanwijzingen geven, die terstond dienen te worden opgevolgd;

    • c.

      het college van burgemeester en wethouders haar instemming mondeling wijzigen of intrekken.

  • 11. Een mondelinge beslissing wordt zo spoedig mogelijk op schrift gesteld en aan de opdrachtgever toegezonden.

  • 12. Het is verboden:

    • a.

      af te wijken van de nadere regels als bedoeld in het vierde lid;

    • b.

      niet of niet onmiddellijk te voldoen aan de aanwijzingen als bedoeld in het tiende lid onder b.

  • 13. De verplichtingen en de verboden in dit artikel gelden niet:

    • a.

      voor het Rijk bij het uitvoeren van zijn of haar publiekrechtelijke taak;

    • b.

      voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, het Provinciaal wegenreglement, de Waterschapskeur, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening, de Elektriciteitswet 1998 of de Gaswet.

Artikel 2:12 Maken, veranderen van een uitweg

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het college:

    • a.

      een uitweg te maken naar de weg;

    • b.

      van de weg gebruik te maken voor het hebben van een uitweg;

    • c.

      verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.

  • 3. De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de bruikbaarheid van de weg;

    • b.

      het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

    • c.

      de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

    • d.

      de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente.

  • 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement.

Afdeling 6: Veiligheid op de weg

Artikel 2:13 Veroorzaken van gladheid

  • 1. Het is verboden bij vorst of dreigende vorst water op de weg te werpen, uit te storten of te laten lopen.

  • 2. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 4e, van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeers-wet 1994.

Artikel 2:14 Winkelwagentjes

  • 1. De rechthebbende op een bedrijf die winkelwagentjes ter beschikking stelt, mede ten behoeve van het vervoer van winkelwaren over de weg, is verplicht ze te voorzien van de naam van het bedrijf of een ander herkenningsteken en de in de omgeving van dat bedrijf door het publiek op of langs de weg achtergelaten winkelwagentjes terstond te verwijderen of te doen verwijderen.

  • 2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

  • 3. Het is verboden zich met een winkelwagentje op de weg te bevinden buiten de onmiddellijke omgeving van het bedrijf als bedoeld in het eerste lid of, indien het bedrijf gelegen is in een winkelcentrum, buiten de onmiddellijke omgeving van dat winkelcentrum. Als onmiddellijke omgeving van het bedrijf of winkelcentrum wordt aangemerkt de weg of het weggedeelte, grenzende aan dat bedrijf of dat winkelcomplex en tevens een aan die weg of dat weggedeelte aansluitende parkeerplaats.

  • 4. Het is verboden een winkelwagentje dat is gebruikt op de weg, onbeheerd daarop achter te laten anders dan op een daartoe aangewezen plaats.

Artikel 2:15 Hinderlijke beplanting of voorwerp

Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of daaraan op andere wijze hinder of gevaar oplevert.

Artikel 2:16 Openen straatkolken e.d.

Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of enigerlei andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2:17 Kelderingangen e.d.

  • 1. Kelderingangen en andere lager dan de aangrenzende weg gelegen betreedbare delen van een bouwwerk mogen geen gevaar voor de veiligheid van de weggebruikers opleveren.

  • 2. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 427, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2:18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen

  • 1. Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van dertig meter daarvan gedurende de door het college aangewezen periode.

  • 2. Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een afstand van honderd meter daarvan, voorzover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

  • 3. Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht.

  • 4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voorzover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende, als tuin ingerichte, erven.

Artikel 2:19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp

  • 1. Het is verboden op, aan of boven het voor voetgangers of (brom)fietsers bestemde deel van de weg op enigerlei wijze prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen aan te brengen of te hebben hangen lager dan 2,2 meter boven dat gedeelte van de weg.

  • 2. Het verbod geldt niet voor prikkeldraad, schrikdraad, puntdraad of andere scherpe voorwerpen, die op grotere afstand dan 0,25 m uit de uiterste boord van de weg, op van de weg af gerichte delen van een afscheiding zijn aangebracht.

  • 3. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder weg verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.

  • 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:20 Vallende voorwerpen

Het is verboden aan een weg of enig deel van een bouwwerk een voorwerp te hebben dat niet deugdelijk beveiligd is tegen neervallen op de weg.

Artikel 2:21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting

  • 1. De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk, vanwege en overeenkomstig de aanwijzingen van het college, voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het openbaar verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

  • 2. Het college maakt van tevoren aan de rechthebbende zijn besluit bekend over te gaan tot het doen aanbrengen of wijzigen van een voorwerp, bord of voorziening als bedoeld in het eerste lid.

  • 3. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Waterstaatswet 1900, de Onteigeningswet, of de Belemmeringenwet Privaatrecht.

Artikel 2:22 Objecten onder hoogspanningslijn

  • 1. Het is verboden binnen een afstand van zes meter aan weerszijden van voor stroomgeleiding bestemde draden van bovengrondse hoogspanningslijnen voorwerpen, opgaand houtgewas of andere objecten, die niet zijn aan te merken als bouwwerken, hoger dan twee meter te plaatsen of te hebben.

  • 2. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen indien de elektrische spanning van de bovengrondse hoogspanningslijn dat toelaat.

  • 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor objecten die deel uitmaken van de hoogspanningslijn.

Artikel 2:23 Veiligheid op het ijs

  • 1. Het is verboden:

    • a.

      voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren of het verkeer; daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;

    • b.

      bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.

  • 2. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale vaarwegenverordening.

Artikel 2:23A Beweegbare bruggen

Het is verboden zonder daartoe bevoegd te zijn:

  • a.

    zich op een beweegbare brug te begeven of te bevinden, wanneer de toegang is of wordt afgesloten;

  • b.

    een afsluiting van een beweegbare brug te openen.

Afdeling 7: Toezicht op evenementen en sportwedstrijden

Artikel 2:24 Begripsomschrijving evenement

  • 1. In deze afdeling wordt onder evenement verstaan: elke voor publiek toegankelijke verrichting van vermaak, met uitzondering van:

    • a.

      bioscoopvoorstellingen;

    • b.

      markten als bedoel in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet;

    • c.

      kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

    • d.

      het in een inrichting in de zin van de Drank- en Horecawet gelegenheid geven tot dansen;

    • e.

      betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

    • f.

      activiteiten als bedoeld in artikel 2:8, 2:9 en de Verordening op de kansspelen;

    • g.

      sportwedstrijden als bedoeld in artikel 2:25B..

  • 2. Onder evenement wordt mede verstaan:

    • a.

      een herdenkingsplechtigheid;

    • b.

      braderie;

    • c.

      een optocht niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2:3, op de weg;

    • d.

      een feest of een wedstrijd op of aan de weg.

  • 3. evenemententerrein: de ruimte die in de evenementenvergunning is aangegeven om de activiteiten te laten plaatsvinden en het publiek in staat te stellen daarnaar te kijken en/of er aan deel te nemen.

  • 4. grote evenementen: evenementen waarbij naar het oordeel van de burgemeester meer dan 25.000 bezoekers worden verwacht en regelmatig terugkerende evenementen die door de burgemeester als zodanig worden aangemerkt.

Artikel 2:25 Vergunningplicht evenement

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te houden.

  • 2. Het verbod genoemd in lid 1 geldt niet voor ééndaagse evenementen, mits:

    • a.

      het evenement een straatfeest, buurtbarbeque of kleinschalige activiteit in de open lucht betreft;

    • b.

      het aantal bezoekers niet meer bedraagt dan 250;

    • c.

      het evenement tussen 10.00 en 23.00 plaatsvindt;

    • d.

      er geen samenloop is met andere evenementen in de wijk;

    • e.

      het evenement geen of een zeer geringe beperking van het gebruik van de openbare weg veroorzaakt, en het derhalve niet noodzakelijk is om één of meerdere verkeers-maatregel(en) te treffen;

    • f.

      er te allen tijde een rijloper van minimaal 3.50 meter beschikbaar blijft ten behoeve van de hulpdiensten;

    • g.

      er enkel gecertificeerde objecten van een geringe constructie worden geplaatst, bijv. een kleine partytent, springkussen, barbecue etc.;

    • h.

      er geen samenloop is met wegopbrekingen en/of de hoofdroutes van de hulpdiensten.

  • 3 . Voor het op het evenemententerrein verrichten van activiteiten, die op grond van deze of een andere gemeentelijke verordening vergunningplichtig zijn, is tijdens de duur van het evenement geen afzonderlijke vergunning nodig, mits die activiteiten vermeld zijn in de vergunning als bedoeld in het eerste lid.

  • 4 . Op een evenemententerrein mogen geen activiteiten plaatsvinden, die op grond van deze of een andere gemeentelijke verordening vergunningplichtig zijn, tenzij die activiteiten vermeld zijn in de vergunning als bedoeld in het eerste lid.

  • 5 . Tenzij de burgemeester anders bepaalt, geldt het verbod in het vierde lid niet voor activiteiten, waarvan aannemelijk is dat zij krachtens een voor onbepaalde tijd of voor een periode langer dan drie maanden verleende vergunning ook op het evenemententerrein zouden plaatsvinden, als daar geen evenement gehouden zou worden.

  • 6 . De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de openbare orde;

    • b.

      het voorkomen of beperken van overlast;

    • c.

      de verkeersveiligheid of veiligheid van personen of goederen;

    • d.

      de zedelijkheid of gezondheid.

  • 7 . Bij de toepassing van de in het zesde lid genoemde weigeringsgronden kan de burgemeester in aanmerking nemen:

    • a.

      of er behoefte bestaat aan het evenement waarvoor vergunning wordt gevraagd;

    • b.

      de mate waarin door het evenement beslag gelegd wordt op ruimte, tijd en hulpdiensten;

    • c.

      het aantal bezoekers dat verwacht wordt;

    • d.

      of de aard van het evenement zich verdraagt met het karakter of de bestemming van de gevraagde locatie;

    • e.

      of gevaar bestaat voor wanordelijkheden;

    • f.

      of gevaar bestaat voor ernstige belemmeringen voor het verkeer;

    • g.

      of gevaar bestaat voor onaanvaardbare belasting voor de omgeving als gevolg van het plaatsvinden van het evenement.

Artikel 2:25A. Aanvraag om vergunning

  • 1. Een vergunning als bedoeld in artikel 2:25, eerste lid, dient door degene die voornemens is een evenement te organiseren, te worden aangevraagd door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier.

  • 2. De organisator van het evenement als bedoeld in artikel 2:25, tweede lid, stelt de burgemeester ten minste vier weken voorafgaand aan het evenement van het houden daarvan in kennis. Hij maakt hierbij tevens gebruik van een door de burgemeester vastgesteld formulier. Indien de aanvrager binnen twee weken na de schriftelijke ontvangstbevestiging geen respons ontvangt van de gemeente, is de evenementenmelding akkoord.

  • 3 . In afwijking van het bepaalde in artikel 1:3 moet een aanvraag om vergunning als bedoeld artikel 2:25, eerste lid uiterlijk acht weken voor de datum van het evenement worden ingediend, tenzij het om een groot evenement gaat. In dat laatste geval moet de aanvraag uiterlijk achttien weken voor de datum van het evenement worden ingediend.

  • 4 . In bijzondere gevallen kan de burgemeester bij een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 2:25, eerste lid ontheffing verlenen van de eis dat de aanvraag binnen de in het derde lid gestelde termijnen ingediend moet zijn.

  • 5 . De burgemeester maakt uiterlijk op 1 oktober bekend, welke grote evenementen in het volgend jaar mogen worden verwacht en voor welke ingediende en/of nog in te dienen aanvragen om vergunning voor grote evenementen, de burgemeester behoudens gewijzigde omstandigheden, voornemens is vergunning te verlenen. De burgemeester stelt daarvoor het Overzicht grote evenementen vast, nadat terzake burgemeester en wethouders en de betreffende raadscommissie(s) zijn gehoord. Indien de burgemeester na de vaststelling van het Overzicht voornemens is om het Overzicht te wijzigen en/of indien de burgemeester voornemens is vergunning te verlenen voor een groot evenement, dat niet in het Overzicht voorkomt, handelt de burgemeester overeenkomstig het bepaalde in de vorige volzin

  • 6 . Op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 2:25, eerste lid, die betrekking heeft op een groot evenement als bedoeld in artikel 2:24, vierde lid, besluit de burgemeester uiterlijk vier weken voor de datum van het evenement.

Artikel 2:25B Sportwedstrijden

  • 1. De organisator van een sportwedstrijd, als omschreven in de bij deze verordening behorendelijst ( Zie bijgevoegde lijst ) , moet ten minste dertig dagen vóór de wedstrijddatum, de burgemeester van zijn voornemen tot het houden van de wedstrijd schriftelijk kennis geven.

  • 2. Als een kennisgeving, gelet op het tijdstip, waarop de wedstrijddatum wordt vastgesteld, niet dertig dagen tevoren kan worden gedaan, geeft de organisator hiervan kennis aan de burgemeester uiterlijk zeven dagen vóór de wedstrijddatum.

  • 3. De burgemeester stelt een formulier vast voor het doen van de in het eerste lid bedoelde kennisgeving.

  • 4. De voorgeschreven kennisgeving is gedaan, zodra het in het derde lid bedoelde formuliervolledig en naar waarheid ingevuld, tijdig ingeleverd is ter plaatse als op dat formulier aangegeven en het in het vijfde lid bedoelde bewijs van ontvangst uitgereikt is.

  • 5. Degene, die de kennisgeving inlevert, ontvangt daarvan een bewijs, waarin het tijdstip van inlevering vermeld is.

  • 6. Een kennisgeving kan meerdere wedstrijden betreffen.

  • 7. Al dan niet in verband met de bij de kennisgeving verstrekte gegevens kan de burgemeester voorschriften geven ter beveiliging van personen en goederen, en ter voorkoming van wanordelijkheden, ernstige verkeersbelemmeringen of ernstige hinder voor toeschouwers of derden.

  • 8. Als de burgemeester van oordeel is, dat naar redelijke verwachting, noch door de door de organisator toegezegde maatregelen, noch door het geven van voorschriften, noch door de redelijkerwijs te nemen politiemaatregelen, onevenredige schade aan de in het zevende lid bedoelde belangen voorkomen kan worden, is de burgemeester bevoegd het houden van de wedstrijd te verbieden.

  • 9. Het is de organisator verboden een wedstrijd als bedoeld in het eerste lid te laten plaatsvinden, als:

    • a.

      de kennisgeving ervan niet overeenkomstig het bepaalde in het eerste tot en met zesde lid gedaan is;

    • b.

      gehandeld wordt in afwijking van de gegevens, die bij deze kennisgeving verstrekt zijn;

    • c.

      de door de burgemeester ingevolge het zevende lid gegeven voorschriften niet worden nagekomen;

    • d.

      de burgemeester het houden van de wedstrijd verboden heeft.

  • 10. De burgemeester kan van het bepaalde in het negende lid onder a. ontheffing verlenen.

Artikel 2:26 Ordeverstoring

Het is verboden bij een evenement als bedoeld in artikel 2:25 de orde te verstoren.

Artikel 2:26A. Ordeverstoring bij sportwedstrijden.

  • 1. Het is verboden bij een sportwedstrijd als bedoeld in artikel 2:25B. de orde te verstoren.

  • 2. Hij, die aanwezig is bij een sportwedstrijd als bedoeld in artikel 2:25B. is verplicht op last van een ambtenaar van politie de ruimte of locatie waar de sportwedstrijd plaatsvindt onmiddellijk te verlaten indien die wedstrijd plaatsvindt in strijd met het bepaalde in artikel 2:25B. of indien ter plaatse wanordelijkheden ontstaan dan wel dreigen te ontstaan.

Artikel 2:26B. Stadionomgevingsverbod.

  • 1. De burgemeester kan aan een persoon schriftelijk het verbod opleggen zich op te houden in de omgeving van het stadion vanaf vier uur vòòr het vastgestelde aanvangstijdstip tot vier uur na afloop van voetbalwedstrijden van de organisator ex artikel 2:25B. Het verbod geldt voor een bepaalde tijd welke niet langer is dan twee jaar.

  • 2. De burgemeester kan overgaan tot het opleggen van het in het vorige lid bedoelde verbod, nadat is vast komen te staan dat de persoon de openbare orde in of in de omgeving van het stadion heeft verstoord op een dag dat een wedstrijd van de organisator wordt gespeeld. Tevens kan dit verbod worden opgelegd aan personen aan wie een stadionverbod is opgelegd.

Afdeling 8: Toezicht op openbare inrichtingen

Artikel 2:27 Begripsomschrijvingen horeca-inrichtingen

  • 1. Inrichting: elke door de mens ondernomen bedrijvigheid, welke anders dan om niet binnen een zekere begrenzing pleegt te worden verricht;

  • 2. Horeca-inrichting:

    • a.

      een inrichting, zoals een restaurant, café, cafetaria, lunchroom, snackbar en een discotheek, alsmede aanverwante inrichtingen waar dranken worden geschonken of spijzen voor consumptie ter plaatse worden bereid of verstrekt, inclusief de daarbij behorende terrassen;

    • b.

      studentensociëteit: een inrichting, die wordt gedreven door een vereniging waarvan de leden staan ingeschreven bij een instelling voor hoger onderwijs, waar anders dan bedrijfsmatig dranken worden geschonken of spijzen voor directe consumptie worden bereid of verstrekt, dan wel amusement wordt geboden of de gelegenheid wordt gegeven zich te ontspannen; de vereniging beschikt over een huishoudelijk reglement, toegelaten en mogelijk het lidmaatschap zal worden ingetrokken bij wangedrag van het lid of de door hem of haar geïntroduceerde bezoeker;

    • c.

      elke andere inrichting, waarvan de bedrijvigheid in ieder geval in belangrijke mate mede gericht is op het verstrekken van etenswaren en/of dranken, ten einde deze ter plaatse te nuttigen, het bieden van amusement en het gelegenheid geven tot ontspanning.

  • 3. Ondernemer: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon voor wiens rekening en verantwoording, blijkens de registers van de Kamer van Koophandel en Fabrieken, de horeca-inrichting wordt dan wel zal worden gedreven.

  • 4. Leidinggevende: degene die met het dagelijks toezicht en de onmiddellijke leiding in de horeca-inrichting is belast en ook als zodanig staat vermeld in de vergunning als bedoeld in artikel 2:28.

  • 5. Bezoeker: een ieder die zich in een horeca-inrichting bevindt met uitzondering van:

    • a.

      de ondernemer, alsmede diens bloed- en aanverwanten; indien de ondernemer een rechtspersoon is, dan moet voor ondernemer gelezen worden: degene(n) die krachtens de inschrijving in de registers van de Kamer van Koophandel en Fabrieken bevoegd is/zijn de rechtspersoon te vertegenwoordigen;

    • b.

      de leidinggevende in de zin van artikel 1 van de Drank- en Horecawet;

    • c.

      de leidinggevende zoals omschreven in het vierde lid;

    • d.

      de personen van wie de aanwezigheid in de horeca-inrichting om dringende redenen is vereist.

  • 6. Categorieën van horeca-inrichtingen:

    a. Categorie 1: horeca-inrichtingen, die alleen zijn gericht op exploitatie gedurende de dag;

    b. Categorie 2: alle overige horeca-inrichtingen;

    c. Categorie 3: horeca-inrichtingen als bedoeld onder b die tevens zijn gericht op exploitatie in de nachtelijke uren en gelegen zijn in een uitgaanskern zoals aangegeven op een door burgemeester en wethouders vastgestelde kaart.

Artikel 2:28 Exploitatievergunning horeca-inrichting

  • 1. Het is, behoudens het bepaalde in artikel 2:28B, verboden een horeca-inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester.

  • 2. De vergunning wordt op naam gesteld van de ondernemer, is locatie-gebonden en niet overdraagbaar.

  • 3. In de vergunning wordt de naam van de leidinggevende vermeld.

  • 4. De vergunning is in de horeca-inrichting aanwezig.

Artikel 2:28A. Vrijstelling en ontheffing

  • 1. De burgemeester kan:

    • a.

      bepalen dat het exploiteren van categorieën van horeca-inrichtingen, al dan niet beperkt tot een bepaald gebied, geheel of gedeeltelijk van de exploitatie-vergunningplicht wordt vrijgesteld;

    • b.

      voorschriften verbinden aan een vrijstelling als bedoeld onder a.

  • 2. De exploitatie van een horeca-inrichting waarop een besluit als bedoeld in het eerste lid, onder a, van toepassing is, geschiedt zodanig dat daardoor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de inrichting of de openbare orde niet op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed.

Artikel 2:28B. V ergunningaanvraag

  • 1. De vergunning kan uitsluitend door de ondernemer worden aangevraagd door middel van een door de burgemeester vastgesteld formulier.

  • 2. De aanvraag vermeldt welke categorie, als bedoeld in artikel 2:27, zesde lid, op de horeca-inrichting van toepassing is.

  • 3. Bij de aanvraag om de vergunning moeten in ieder geval worden overgelegd:

    • a.

      Een locatietekening (plattegrond) in een schaal van maximaal 1:100 met de afmetingen van de horeca-inrichting en een eventueel terras;

    • b.

      een schriftelijk stuk waaruit de juridische relatie van de ondernemer met het desbetreffende perceel tot uitdrukking komt, zoals een huurovereenkomst, pachtovereenkomst of eigendomsbewijs;

    • c.

      een ondernemingsplan met informatie over de aard van de werkzaamheden, alsmede informatie over de te verkopen producten, de exploitatievorm en de beoogde doelgroep;

    • d.

      indien de aanvraag een alcoholhoudende horeca-inrichting betreft, een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet;

    • e.

      indien de aanvraag een alcoholvrije horeca-inrichting betreft, een Verklaring Omtrent het Gedrag als bedoeld in de Wet op de Justitiële Documentatie, betrekking hebbend op de ondernemer(s) en leidinggevende(n);

    • f.

      geldige legitimatiebewijzen van alle op de aanvraag vermelde leidinggevenden;

    • g.

      een op grond van de wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB) vastgesteld en ingevuld vragenformulier met de daarbij behorende bijlagen en bescheiden.

Artikel 2:28C. Weigering, intrekking en wijziging van een vergunning

  • 1. De burgemeester weigert of trekt de exploitatievergunning in indien:

    • a.

      de vestiging of de exploitatie van de horeca-inrichting in strijd is met een geldend bestemmingsplan;

    • b.

      de ondernemer of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

    • c.

      de ingediende bescheiden niet of niet langer overeenstemmen met de feiten, welke relevant zijn voor de door de burgemeester te nemen beslissing;

    • d.

      voor de horeca-inrichting een vergunning krachtens artikel 3 van de Drank- en Horecawet is vereist en die vergunning is geweigerd, ingetrokken, of de aanvraag om die vergunning buiten behandeling is gelaten.

  • 2. De burgemeester kan de exploitatievergunning geheel of gedeeltelijk weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen, indien:

    • a.

      naar zijn oordeel de openbare orde gevaar loopt of het woon- of leefklimaat in de omgeving van de horeca-inrichting door de aanwezigheid van de horeca-inrichting nadelig wordt beïnvloed;

    • b.

      de ondernemer of de leidinggevende het bij of krachtens de bepalingen in deze paragraaf geregelde overtreedt;

    • c.

      aannemelijk is dat de ondernemer of de leidinggevende betrokken is, of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de horeca-inrichting, die gevaar kunnen veroorzaken voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de horeca-inrichting,

    • d.

      de ondernemer of de leidinggevende strafbare feiten pleegt in de horeca-inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn horeca-inrichting strafbare feiten worden gepleegd;

    • e.

      de ondernemer of de leidinggevende zich schuldig maakt aan discriminatie naar ras, geslacht of seksuele geaardheid;

    • f.

      zich in of vanuit de horeca-inrichting anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat het geopend blijven van de horeca-inrichting gevaar kan veroorzaken voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de horeca-inrichting;

    • g.

      er aanwijzingen zijn dat in de horeca-inrichting personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of deVreemdelingenwet 2000 bepaalde.

  • 3. Bij de toepassing van de in het tweede lid bedoelde gronden houdt de burgemeester rekening met:

    • a.

      het karakter van de straat en van de wijk waarin de horeca-inrichting is gelegen of zal komen te liggen;

    • b.

      de aard van de horeca-inrichting;

    • c.

      de spanning waaraan het woon- of leefklimaat ter plaatse reeds blootstaat of bloot zal komen te staan door de exploitatie van de horeca-inrichting;

    • d.

      de wijze van bedrijfsvoering van de ondernemer of leidinggevende van de horeca-inrichting in deze of in andere horeca-inrichtingen.

Artikel 2:28D. Tijdelijke vergunning

  • 1. De vergunning kan voor een bepaalde termijn worden verleend:

    • a.

      indien niet met voldoende zekerheid de mate van nadelige beïnvloeding van het woon- en leefklimaat en/of de openbare orde kan worden beoordeeld;

    • b.

      indien de inrichting een tijdelijk karakter heeft.

  • 2. De burgemeester kan de termijn, als bedoeld in het vorige lid, verlengen; de termijn kan, al dan niet verlengd, de duur van drie jaar niet te boven gaan.

Artikel 2:28E. Beslistermijn

In afwijking van artikel 1:2 beslist de burgemeester binnen 13 weken na de datum waarop de burgemeester aanvraag heeft ontvangen.

Artikel 2:28F. Vervallen van de vergunning / mutaties

  • 1. Een vergunning ex artikel 2:28 vervalt, zodra het exploiteren van de horeca-inrichting is beëindigd en op een volledige aanvraag om een nieuwe vergunning voor het exploiteren van dezelfde horeca-inrichting is beslist, of, indien zodanige aanvraag niet is ingediend binnen 13 weken na het beëindigen van het exploiteren van de horeca-inrichting, bij het verstrijken van deze termijn.

  • 2. Van beëindiging van het exploiteren van de horeca-inrichting is sprake, indien:

    • a.

      de horeca-inrichting blijkens de registers van de Kamer van Koophandel en Fabrieken niet meer voor rekening van de ondernemer, op wiens naam de vergunning is gesteld, wordt geëxploiteerd;

    • b.

      op grond van andere informatie blijkt, dat de horeca-inrichting niet meer voor rekening van de ondernemer, op wiens naam de vergunning is gesteld, wordt geëxploiteerd.

  • 3. Van de beëindiging van het exploiteren van de horeca-inrichting doet de ondernemer op wiens naam de vergunning is gesteld onverwijld schriftelijk mededeling aan de burgemeester.

Artikel 2:29 Sluiting horeca-inrichting

  • 1. De burgemeester kan een horeca-inrichting tijdelijk of voor onbepaalde tijd gesloten verklaren indien:

    • a.

      die horeca-inrichting wordt geëxploiteerd zonder geldige exploitatievergunning;

    • b.

      die horeca-inrichting wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de exploitatievergunning verbonden voorschriften;

    • c.

      een van de in artikel 2:28C, tweede lid, genoemde situaties zich voordoet.

  • 2. Een besluit tot sluiting wordt op, in of nabij de toegang van de horeca-inrichting aangebracht.

  • 3. Een sluiting kan op verzoek van een belanghebbende door de burgemeester worden opgeheven, wanneer later bekend geworden feiten en omstandigheden hiertoe aanleiding geven en naar zijn oordeel voldoende garanties aanwezig zijn, dat geen herhaling van de gronden die tot de sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

  • 4. Het is de ondernemer of de leidinggevende van de horeca-inrichting verboden na het van kracht worden van de sluiting bedoeld in het eerste lid, bezoekers tot de horeca-inrichting toe te laten of daarin te laten verblijven.

  • 5. Het is een ieder verboden in een bij besluit van de burgemeester gesloten horeca-inrichting als bezoeker te verblijven.

Artikel 2: 30 Sluitingstijden

  • 1. Het is verboden een horeca-inrichting, die behoort tot categorie 1, voor bezoekers geopend te hebben of aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven tussen 23.00 uur en 07.00 uur, tenzij op grond van lid 3, 5 of 6 ontheffing is verleend.

  • 2. Het is verboden een horeca-inrichting, die behoort tot categorie 2, voor bezoekers geopend te hebben en aldaar bezoekers toe te laten of te laten verblijven op vrijdagen, zaterdagen en zondagen tussen 02.30 uur en 07.00 uur en op de overige dagen van de week tussen 02.00 uur en 07.00 uur, tenzij op grond van lid 3, 5 of 6 ontheffing is verleend.

  • 3. De burgemeester kan voor een horeca-inrichting, waarvan de ondernemer ten genoegen van de burgemeester heeft aangetoond, dat de exploitatie van die horeca-inrichting geen nadelige invloed heeft op de openbare orde of op het woon- of leefklimaat in de naaste omgeving van die horeca-inrichting, ontheffing verlenen van het in het eerste en tweede lid gestelde verbod, zij het met die beperking, dat:

    • a.

      alleen een horeca-inrichting behorende tot categorie 1 in aanmerking komt voor een ontheffing voor de uren welke zijn gelegen tussen 05.00 uur en 07.00 uur;

    • b.

      alleen een horeca-inrichting behorende tot categorie 2 in aanmerking komt voor een ontheffing voor de uren gelegen tussen 02.00 uur en 04.00 uur of tussen 02.30 en 05.00 uur.

  • 4. De burgemeester kan de ontheffing bedoeld in het derde lid weigeren, tijdelijk of voor onbepaalde tijd geheel of gedeeltelijk intrekken of wijzigen, indien een van de in artikel 2:28C, eerste en tweede lid, genoemde situaties zich voordoet.

  • 5. De burgemeester kan indien naar zijn oordeel bijzondere festiviteiten van incidentele aard hiertoe aanleiding geven ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het eerste en tweede lid, zij het met die beperking, dat:

    • a.

      alleen een horeca-inrichting behorende tot categorie 2 in aanmerking komt voor een ontheffing en uitsluitend voor de uren gelegen tussen 02.00 uur en 0 6.00 uur of tussen 02.30 en 0 6 .00 uur;

    • b.

      voor een horeca-inrichting maximaal tien keer per jaar ontheffing wordt verleend;

    • c.

      de ontheffing niet geldt voor het terras;

    • d.

      een aanvraag om ontheffing uitsluitend in behandeling wordt genomen indien de ondernemer niet eerder dan dertig werkdagen en niet later dan tien werkdagen voordat de festiviteit plaatsvindt, de ontheffing heeft aangevraagd. Eerder ingediende aanvragen worden aangehouden. Later ingediende aanvragen worden buiten behandeling gelaten.

  • 6. De burgemeester kan, als naar zijn oordeel sprake is van een bijzondere omstandigheid, algemene ontheffing verlenen van de krachtens het eerste en tweede lid geldende openings- en sluitingstijden voor een bepaald gebied of voor een of meer bepaalde horeca-inrichtingen.

  • 7. Het is verboden als bezoeker te verblijven in een horeca-inrichting op een tijdstip waarop het verboden is de horeca-inrichting geopend te hebben.

Artikel 2:31 Handel in horeca-inrichting

Het is zowel de ondernemer als de leidinggevende van een horeca-inrichting verboden toe te laten dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in die inrichting enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.

Artikel 2:32 Ordeverstoring

Het is verboden in een horeca-inrichting de orde te verstoren.

Artikel 2:33 Aanwezigheid van en toezicht door ondernemer en leidinggevende

  • 1. Het is verboden een horeca-inrichting voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de ondernemer of leidinggevende in de horeca-inrichting aanwezig is.

  • 2. De ondernemer en de leidinggevende zijn verplicht er voortdurend op toe te zien dat in de horeca-inrichting en/of buiten de horeca-inrichting doch in directe relatie daarmee, geen strafbare feiten plaatsvinden.

  • 3. De burgemeester kan horeca-inrichtingen of categorieën van horeca-inrichtingen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet geldt.

Artikel 2:34 Het college als bevoegd bestuursorgaan

Indien een horeca-inrichting als bedoeld in artikel 2:27 geen inrichting is in de zin van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt niet de burgemeester, maar het college op als bevoegd bestuursorgaan ten behoeve van artikel 2:28 tot en met 2:28E. en artikel 2:29. tot en met 2:30.

Afdeling 9: Nachtverblijf en toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf

Artikel 2:35 Begripsomschrijvingen inzake nachtverblijf

In deze paragraaf wordt verstaan onder:

  • 1.

    inrichting: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft;

  • 2.

    houder: degene die een inrichting exploiteert dan wel daarin de feitelijke leiding heeft.

Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie

Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of het houden van een inrichting staakt, is verplicht binnen drie dagen daarna daarvan schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

Artikel 2:37 Nachtregister

De houder van een inrichting is verplicht een register, als bedoeld in artikel 438 van het Wetboek van Strafrecht, bij te houden dat ingericht is volgens het door de burgemeester vastgestelde model.

Artikel 2:38 Verschaffing gegevens nachtregister

Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt dan wel de kampeerder is verplicht onverwijld aan de houder van die inrichting volledig en naar waarheid zijn of haar naam, adres, woonplaats, geboortedatum, geboorteplaats, betrekking, dag van aankomst, alsmede de dag van vertrek te verstrekken.

Artikel 2:38A. Aanbieden logeergelegenheid

Het is verboden op of aan de weg op te treden tot het verschaffen of doen verschaffen van tijdelijke woon- of logeergelegenheden, ongeacht of dit gebeurt door deze gelegenheden bij het publiek aan te bevelen, of door aan het publiek hulp bij het verkrijgen daarvan aan te bieden.

Artikel 2:38B. (Nacht)verblijf aan de weg

  • 1. Het is verboden om -al dan niet gebruikmakend van enige vorm van beschutting, waar onder in ieder geval begrepen het gebruik van een auto- op of aan de weg tussen zonsondergang en zonsopgang te liggen of te slapen, danwel tussen zonsopgang en zonsondergang te liggen of te slapen, nadat door een ambtenaar van politie in het belang van de openbare orde of veiligheid is aangezegd dat dit moet worden beëindigd.

  • 2. Het is verboden op of aan de weg een voertuig, woonwagen, tent, caravan of een soortgelijk of ander onderkomen te plaatsen met het kennelijk doel dit als slaapplaats te gebruiken of daarin te overnachten danwel gelegenheid daartoe te bieden.

  • 3. Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste en tweede lid gestelde ontheffing verlenen.

Afdeling 10: Maatregelen tegen overlast en baldadigheid

Artikel 2:41 Betreden gesloten woning of lokaal

  • 1. Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

  • 2. Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten voor publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

  • 3. Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens dringende reden noodzakelijk is.

  • 4. De burgemeester is bevoegd van de in het eerste en tweede lid bedoelde verboden ontheffing te verlenen.

Artikel 2:42 Plakken en kladden

  • 1. Het is verboden de weg of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

  • 2. Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op de weg of op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is:

    • a.

      een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken, op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen;

    • b.

      met kalk, krijt, teer of een kleur of verfstof enige afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te doen aanbrengen.

  • 3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens wettelijk voorschrift.

  • 4. Het college kan aanplakborden aanwijzen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

  • 5. Het is verboden de in het vierde lid bedoelde aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

  • 6. Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud van de meningsuitingen en bekendmakingen.

  • 7. De houder van de in het tweede lid bedoelde schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

Artikel 2:43 Vervoer plakgereedschap e.d.

  • 1. Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op de weg of openbaar water te vervoeren of bij zich te hebben enig aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of verfstof of verfgereedschap.

  • 2. Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2:42.

Artikel 2:44 Vervoer inbrekerswerktuigen

  • 1. Het is verboden tussen 22.00 en 06.00 uur op de weg te vervoeren of bij zich te hebben: lopers, valse sleutels, touwladders, lantaarns of enig ander gereedschap, voorwerp of middel, dat ertoe kan dienen zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

  • 2. Het verbod is niet van toepassing indien de genoemde gereedschappen, voorwerpen of middelen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd voor de in het eerste lid bedoelde handelingen.

Artikel 2:45 Betreden en beschadiging van plantsoenen e.d.

  • 1. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden zich te bevinden in of op bij de gemeente in onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken of grasperken, buiten de daarin gelegen wegen of paden.

  • 2. Het is verboden op de weg:

    • a.

      enige schade toe te brengen aan bomen, heesters, planten of bloemen

    • b.

      op plaatsen, welke bij besluit van het college zijn aangewezen, te handelen in strijd met de aan deze kennisgeving vermelde nadere voorschriften ter voorkoming van schade als bedoeld onder a;

    • c.

      op plaatsen, welke bij besluit van het college zijn aangewezen, bij zich te hebben of te vervoeren, ter plaatse voorkomende bloemen of planten of takken van ter plaatse voorkomende bomen en heesters, tenzij deze met toestemming van de rechthebbende ter plaatse zijn verkregen of van elders afkomstig zijn.

  • 3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid genoemde verbod.

Artikel 2:46 Rijden over bermen e.d.

  • 1. Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de glooiing of de zijkant van een weg.

  • 2. Onder weg wordt verstaan wat artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994 daaronder verstaat.

  • 3. Het verbod geldt niet indien dat rijden door de omstandigheden redelijkerwijs gebillijkt wordt.

  • 4. Het verbod geldt voorts niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of het Provinciaal wegenreglement.

Artikel 2:47 Hinderlijk gedrag op of aan de weg

  • 1. Het is verboden:

    • a.

      op of aan de weg te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair en daarvoor niet bestemd straatmeubilair;

    • b.

      zich op of aan de weg of in een voor het publiek toegankelijk bouwwerk op enigerlei wijze de orde te verstoren, personen lastig te vallen of te vechten.

  • 2. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431 van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2:47A. Skaten en skateboarden

  • 1. Onder skates wordt in dit artikel verstaan: rolschaatsen en de moderne varianten van rolschaatsen zoals rollerskates, (in-line-) skates, skeelers etc.

  • 2. Burgemeester en wethouders kunnen delen van de weg aanwijzen waar het is verboden om:

    • -

      te skaten; en

    • -

      te skateboarden.

  • 3. De in het eerste lid bedoelde plaatsen kunnen worden aangewezen in het belang van:

    • -

      het doelmatig beheer en onderhoud van de weg, waaronder mede begrepen de bescherming van de belangen van het rij- en voetgangersverkeer en de verdeling vande gebruiksmogelijkheden van de weg;

    • -

      de voorkoming of opheffing van hinder, anders dan in artikel 4:6 of;

    • -

      de voorkoming van schade aan de weg en straatmeubilair.

  • 4. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten dat het verbod, zoals vervat in het tweede lid, ook geldt ten aanzien van andere, met skates en skateboards vergelijkbare voorwerpen.

Artikel 2:48 Hinderlijk gebruik van drank of softdrugs

  • 1. Het is verboden op de weg, die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied,alcoholhoudende drank te nuttigen of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben.

  • 2. Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:

    • a.

      een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Drank- en Horecawet;

    • b.

      de plaats, niet zijnde een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt krachtens artikel 35 van de Drank en Horecawet.

  • 3. Het is verboden op de weg, die deel uit maakt van een door burgemeester en wethouders aangewezen gebied softdrugs te gebruiken of openlijk voorhanden te hebben.

  • 4. Onder softdrugs worden verstaan: de middelen, genoemd in lijst II, onderdeel b, behorende bij de Opiumwet.

Artikel 2:49 Hinderlijk gedrag bij of in gebouwen

  • 1. Het is verboden:

    • a.

      zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;

    • b.

      zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te liggen.

  • 2. Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw.

Artikel 2:50 Hinderlijk gedrag in voor publiek toegankelijke ruimten

Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden en daarmee op enigerlei wijze de orde te verstoren in of op een voor het publiek toegankelijk portaal, telefooncel, wachtlokaal voor een openbaarvervoermiddel, parkeergarage, rijwielstalling of een andere soortgelijke, voor het publiek toegankelijke ruimte dan wel deze te verontreinigen of te gebruiken voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd.

Artikel 2:51 Neerzetten van fietsen e.d.

Het is verboden op of aan de weg een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek indien:

  • a.

    dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek;

  • b.

    waardoor die ingang versperd wordt.

Artikel 2:53 Bespieden van personen

  • 1. Het is verboden zich in de nabijheid van een persoon dan wel een gebouw, woonwagen of woonschip op te houden met de kennelijke bedoeling deze persoon dan wel een zich in dit gebouw, deze woonwagen of dit woonschip bevindende persoon, te bespieden.

  • 2. Het is verboden door middel van een verrekijker een zich in een gebouw, woonwagen of woonschip bevindende persoon te bespieden.

Artikel 2:56

[vervallen]

Artikel 2:57 Loslopende honden

  • 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

    • a.

      binnen de bebouwde kom op de weg zonder dat die hond aangelijnd is;

    • b.

      op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

  • 2. Het college kan bij besluit plaatsen aanwijzen, waar het in het eerste lid gestelde verbod gedurende het gehele jaar of een gedeelte daarvan niet geldt.

Artikel 2:58 Verontreiniging door honden

  • 1. De eigenaar of houder van een hond, is verplicht ervoor te zorgen dat die hond zich niet van uitwerpselen ontdoet op de weg.

  • 2. Het in het eerste lid neergelegde gebod is niet van toepassing op visueel gehandicapten, die geleid worden door een geleidehond of de houder van een hond welke is opgeleid door de Stichting Sociale Honden voor Gehandicapten Nederland of door de Stichting Servicehonden voor Auditief of Motorisch Gehandicapten en aan de houder ter beschikking is gesteld in verband met een motorisch gebrek.

  • 3. De strafbaarheid wegens overtreding van het in het eerste lid gestelde gebod wordt opgeheven indien de eigenaar of houder van de hond of degene die de hond onder zijn hoede heeft er zorg voor draagt dat de uitwerpselen onmiddellijk worden verwijderd.

  • 4. De houder of verzorger van de hond en ook degene die een hond onder zijn hoede heeft is verplicht, indien hij zich op de weg bevindt, een doeltreffend hulpmiddel bij zich te hebben dat geschikt is voor verwijdering van de uitwerpselen. Het college stelt hiervoor geschikt hulpmiddelen vast, wil het doeltreffend zijn.

  • 5. De houder of verzorger van de hond en ook degene die een hond onder zijn hoede heeft, die zich met die hond op of aan de weg bevindt, is verplicht dit hulpmiddel op eerste vordering van een toezichthoudend ambtenaar te laten zien.

Artikel 2:59 Gevaarlijke honden

  • 1. Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen op of aan de weg of op het terrein van een ander:

    • a.

      anders dan kort aangelijnd nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijngebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt;

    • b.

      anders dan kort aangelijnd en voorzien van een muilkorf nadat het college aan de eigenaar of de houder heeft bekendgemaakt dat het die hond gevaarlijk of hinderlijk acht en een aanlijn en muilkorfgebod in verband met het gedrag van die hond noodzakelijk vindt.

  • 2. In het eerste lid wordt verstaan onder:

    • a.

      muilkorf: een muilkorf als bedoeld in artikel 1, onder d, van de Regeling agressieve dieren;

    • b.

      kort aanlijnen: aanlijnen van een hond met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, die niet langer is dan 1,50 meter.

  • 3. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Regeling agressieve dieren.

Artikel 2:60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren

  • 1. Het college is bevoegd buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer gedeelten van de gemeente of bepaalde plaatsen aan te wijzen waar het ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid verboden is daarbij aangeduide dieren:

    • a.

      aanwezig te hebben; dan wel

    • b.

      aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen ter voorkoming of opheffing van overlast of schade aan de openbare gezondheid gestelde regels; dan wel

    • c.

      aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven of mede is aangegeven.

  • 2. Het is verboden op een krachtens het eerste lid aangewezen plaats een daarbij aangeduid dier of daarbij aangeduide dieren aanwezig te hebben, dan wel aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels, dan wel aanwezig te hebben tot een groter aantal dan door het college is aangegeven.

  • 3. Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste lid aangewezen gedeelte van de gemeente ontheffing verlenen van het in het tweede lid gestelde verbod.

Artikel 2:63 Duiven

  • 1. De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die duiven niet kunnen uitvliegen tussen 8.00 uur en 18.00 uur in een door het college te bepalen tijdvak dat ligt tussen 1 maart en 1 juni.

  • 2. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gesteld gebod.

  • 3. Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Provinciale ophokverordening.

Artikel 2:64 Bijen

  • 1. Het is verboden bijen te houden:

    • a.

      binnen een afstand van 30 meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen verblijven;

    • b.

      binnen een afstand van 30 meter van de weg.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet indien op een afstand van ten hoogste zes meter vanaf de korven of kasten een afscheiding is aangebracht van twee meter hoogte of zoveel hoger als noodzakelijk is om het laag uit en invliegen van de bijen te voorkomen.

  • 3. Het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod geldt niet voorzover de bijenhouder rechthebbende is op de woningen of gebouwen als bedoeld in dat lid.

  • 4. Het in het eerste lid, aanhef en onder b, gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement

  • 5. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

Afdeling 11: Bepalingen ter bestrijding van heling van goederen

Artikel 2:66 Begripsomschrijvingen inzake heling

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    handelaar: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht;

  • b.

    verkoopregister: het aantekening houden van het verkopen of op andere wijze overdragen van alle gebruikte en ongeregelde goederen door de handelaar.

Artikel 2:67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister

  • 1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en een door of namens de burgemeester gewaarmerkt register en daarin vermeldt hij onverwijld:

    • a.

      het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed;

    • b.

      de datum van verkoop of overdracht van het goed;

    • c.

      een omschrijving van het goed, daaronder begrepen - voorzover dat mogelijk is - soort, merk en nummer van het goed;

    • d.

      de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen.

  • 2. De burgemeester is bevoegd vrijstelling te verlenen van deze verplichtingen.

Artikel 2:68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437ter, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht

De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht:

  • a.

    wanneer hij overeenkomstig het bepaalde in artikel 437 ter, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de burgemeester of de door deze aangewezen ambtenaar er schriftelijk van in kennis stelt dat hij van het opkopen een beroep of gewoonte maakt, daarbij tevens schriftelijk opgave te doen van zijn woonadres en van het volledig adres van elke lokaliteit door hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik genomen;

  • b.

    de onder a bedoelde functionaris onder aanbieding van zijn register(s) onverwijld doch woonadres, zomede van het adres of de adressen van een bij hem ten behoeve van zijn onderneming in gebruik zijnde lokaliteit;

  • c.

    aan de hoofdingang van de lokaliteit waar de onderneming is gevestigd een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar voorkomen;

  • d.

    indien hij in de gelegenheid is enig goed te verkrijgen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het van misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan, hiervan onverwijld kennis te geven aan de onder a bedoelde functionaris;

  • e.

    zijn administratie op eerste aanvraag ter inzage te geven aan de burgemeester of een daartoe door de burgemeester aangewezen ambtenaar;

  • f.

    wanneer hij heeft opgehouden van het opkopen een beroep of gewoonte te maken, onderscheidenlijk het beroep van handelaar niet langer uitoefent, de onder a bedoelde functionaris hiervan onverwijld doch in ieder geval binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen.

Artikel 2:69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen

Het is de handelaar of een voor hem handelend persoon verboden enig door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen dat het onder zijn berusting is, over te dragen of daarin enige wijziging aan te brengen tenzij deze wijziging van geen invloed is op de herkenbaarheid van het goed.

Afdeling 12: Vuurwerk

Artikel 2:71 Begripsomschrijvingen

In deze afdeling wordt verstaan onder consumentenvuurwerk:

Consumentenvuurwerk waarop het Besluit van 22 januari 2002, houdende nieuwe regels met betrekking tot consumenten- en professioneel vuurwerk (Vuurwerkbesluit) van toepassing is.

Artikel 2:72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen

  • 1. Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college van de gemeente waar het bedrijf is of zal worden gevestigd.

  • 2. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid kan worden geweigerd in het belang van de openbare orde en in het belang van het voorkomen of beperken van overlast.

  • 3. Een aanvraag om vergunning als bedoeld in het eerste lid kan voorts worden geweigerd, indien een persoon verbonden aan de desbetreffende inrichting binnen de laatste drie en een half (3½) jaar een overtreding heeft begaan van hetgeen bij of krachtens de wet is geregeld omtrent het vervoer, de opslag en/of verkoop van vuurwerk.

  • 4. Het aantal vergunningen als bedoeld in het eerste lid bedraagt maximaal 75.

Artikel 2:73 Bezigen van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling

  • 1. Het is verboden consumentenvuurwerk te bezigen op een door het college in het belang van de voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.

  • 2. Het is verboden consumentenvuurwerk op of aan de weg of op een voor publiek toegankelijke plaats te bezigen indien zulks gevaar, schade of overlast kan veroorzaken.

  • 3. De in het eerste en tweede lid gestelde verboden gelden niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

  • 4. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Artikel 2:73A. Vreugdevuren

  • 1. Het is verboden op de weg te vervoeren, op de weg bij zich te dragen of anderszins voorhanden te hebben kerstbomen, autobanden en andere voorwerpen of stoffen, met het kennelijk doel deze op de weg te verbranden.

  • 2. Dit verbod geldt niet als ter plaatse en naar het bevredigend oordeel van een ambtenaar van politie wordt aangetoond, dat het vervoer en/of de opslag van de genoemde voorwerpen of stoffen gebeurt voor andere handelingen dan in het eerste lid worden genoemd.

Afdeling 13: Drugsoverlast

Artikel 2:74 Handel in en gebruik van verdovende middelen

  • 1. Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden op of aan de weg post te vatten of

    zich daar heen en weer te bewegen, alsmede zich op of aan wegen in of op een voertuig te bevinden, of daarmee heen en weer of rond te rijden met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in de artikelen 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

  • 2. Het is verboden op of aan de weg, op een voor publiek toegankelijke plaats middelen als bedoeld in de artikel 2 van de Opiumwet te gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen openlijk voor handen te hebben.

  • 3. Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing op voorwerpen en activiteiten die in het belang van de Volksgezondheid, in het bijzonder de preventie, de bestrijding van drugsverslaving of hulpverlening aan verslaafden, van overheidswege worden bevorderd of zijn goedgekeurd.

Artikel 2:74A. Overlastgevende woonpanden

  • 1. Onverminderd het bepaalde in artikel 199 van het Wetboek van Strafrecht is het verboden een op basis van artikel 174a Gemeentewet gesloten woning, een niet voor publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden, nadat dat door de burgemeester in het openbaar bekend is gemaakt.

  • 2. De burgemeester is bevoegd van het in het eerste lid bedoelde verbod ontheffing te verlenen aan door hem daartoe aangewezen rechthebbende(n) en hun bloed- en aanverwanten.

  • 3. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voor personen wier tegenwoordigheid in het perceel of op het erf om dringende reden vereist is.

Artikel 2:74B. Verzameling van personen in verband met harddrugs of heling

  • 1. Het is verboden op of aan wegen die door de burgemeester zijn aangewezen ( Zie bijgevoegd besluit ) omdat deopenbare orde dit in verband met het openlijk gebruik van of de handel in harddrugs dan heling naar zijn oordeel noodzakelijk maakt, deel te nemen aan een verzameling van meer dan 4 personen waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de verzameling verband houdt met het gebruik van of de handel in harddrugs dan wel heling.

  • 2. De aanwijzing van wegen, zoals bedoeld in het eerste lid wordt gegeven voor ten hoogste zesmaanden, welke termijn telkenmale kan worden verlengd.

  • 3. Degene die zich bevindt in een verzameling als in het eerste lid bedoeld is verplicht op een daartoe strekkend bevel van een ambtenaar van politie direct zijn weg te vervolgen of zich in de door hem aangewezen richting te verwijderen.

Artikel 2:74C. Verblijfsontzeggingen in verband met harddrugs

  • 1. Degene die in een gebied, dat door de burgemeester is aangewezen ( Zie bijgevoegd besluit ) , omdat naar zijn oordeel de openbare orde in dat gebied ernstig is verstoord door de aanwezigheid van verslaafden en/of handelaren in harddrugs, zich gedraagt in strijd met:

    • a.

      de artikelen 2:1, 2:49, en 2:79 voor zover de gedragingen in verband staan met harddrugs

    • b.

      artikel 2:74 (handel en gebruik verdovende middelen)

    • c.

      artikel 2:74B. (verzameling personen i.v.m. harddrugs of heling)

    • d.

      artikel 3:9 (tippelverbod)

    • e.

      artikel 2:48 (alcohol- en softdrugsverbod) is verplicht zich terstond uit dat gebied te verwijderen en zich daar gedurende een tijdvak vanvierentwintig uur niet te bevinden, nadat de burgemeester hem een daartoe strekkend bevel heeft gegeven.

  • 2. Degene die messen of andere voorwerpen, die als wapen kunnen worden gebruikt zoals verboden in de Wet wapens en munitie, openlijk voorhanden heeft, is verplicht zich terstond uit een door de burgemeester aangewezen gebied, als bedoeld in het eerste lid, te verwijderen en zich daar gedurende een tijdvak van vierentwintig uur niet te bevinden nadat de burgemeester hem een daartoe strekkend bevel heeft gegeven.

  • 3. Degene die in een door de burgemeester aangewezen gebied, als bedoeld in het eerste lid in een aaneengesloten periode van ten hoogste zes maanden ten minste drie ordeverstorende gedragingen heeft begaan, is verplicht zich terstond uit dat gebied te verwijderen en zich daar gedurende een tijdvak van 1 maand niet te bevinden nadat de burgemeester hem een daartoe strekkend bevel heeft gegeven.

  • 4. Degene die in een door de burgemeester aangewezen gebied, als bedoeld in het eerste lid overeenkomstig het derde lid een bevel van de burgemeester heeft gekregen zich te verwijderen uit dat gebied en die in een aaneengesloten periode van ten hoogste één jaar weer een ordeverstorende gedraging heeft begaan, is verplicht zich terstond uit dat gebied te verwijderen en zich daar gedurende een tijdvak van 2 maanden niet te bevinden nadat de burgemeester hem een daartoe strekkend bevel heeft gegeven.

  • 5. Degene die in een door de burgemeester aangewezen gebied, als bedoeld in het eerste lid overeenkomstig het vierde lid een bevel van de burgemeester heeft gekregen zich te verwijderen uit dat gebied en die in een aaneengesloten periode van ten hoogste één jaar weer een ordeverstorende gedraging heeft begaan, is verplicht zich terstond uit dat gebied te verwijderen en zich daar gedurende een tijdvak van 3 maanden niet te bevinden nadat de burgemeester hem een daartoe strekkend bevel heeft gegeven.

  • 6. Onder ordeverstorende gedragingen als bedoeld in het derde, vierde en vijfde lid worden verstaan de gedragingen als bedoeld in het eerste en tweede lid, alsmede het niet voldoen aan een opgelegd verwijderingsbevel, geweldsdelicten en diefstallen uit auto’s op of aan de weg, voor zover een verband bestaat tussen het delict en harddrugs.

Afdeling 14: Bestuurlijke ophouding

Artikel 2:75 Bestuurlijke ophouding

De burgemeester kan overeenkomstig artikel 154a Gemeentewet besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in artikel 2:1, 2:26, 2:26B., 2:45, 2:48, 2:49, 2:73, 2:73A., 2:79 of 5:34 van deze verordening groepsgewijs niet naleven.

Afdeling 15: Veiligheidsrisicogebieden

Artikel 2:76 Aanwijzing veiligheidsrisicogebied ten behoeve van preventief fouilleren

  • 1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151b Gemeentewet bij verstoring van de openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aanwijzen als veiligheidsrisicogebied.

  • 2. Alvorens de burgemeester overgaat tot het aanwijzen van een veiligheidsrisicogebied, hoort de burgemeester de betreffende raadscommissie.

  • 3 Het in het tweede lid gestelde is niet van toepassing, indien naar het oordeel van de burgemeester sprake is van een spoedeisend belang op grond waarvan zijn besluit tot het aanwijzen van een veiligheidsrisicogebied niet kan worden uitgesteld. De burgemeester hoort de betreffende raadscommissie zo spoedig mogelijk over het genomen besluit.

Afdeling 16: Cameratoezicht op openbare plaatsen

Artikel 2:77 Cameratoezicht op openbare plaatsen

  • 1. De burgemeester kan overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet besluiten tot plaatsing van vaste camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

  • 2. De burgemeester heeft de bevoegdheid als bedoeld in het eerste lid eveneens ten aanzien van andere voor een ieder toegankelijke plaatsen:

    • a.

      parkeerterreinen;

    • b.

      plaatsen die vanwege doelgebonden verblijf niet onder de definitie van openbare plaats uit artikel 1 van de Wet openbare manifestaties (Wom) vallen.

Afdeling 17: Toegankelijkheid gebouwen in geval van calamiteiten

Artikel 2:78 Sleuteladres

vervallen

Artikel 2:79 Openbare orde

  • 1. De burgemeester kan, indien de openbare orde dit naar zijn oordeel vereist, de gehele of gedeeltelijke sluiting bevelen van voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet.

  • 2. Onverminderd hetgeen in artikel 5:24 van de Algemene wet bestuursrecht is bepaald omtrent de bekendmaking, wordt het bevel tot sluiting tevens bekend gemaakt door een schrijven, waaruit van dat bevel tot sluiting blijkt, aan te brengen op of nabij de toegang(en) van het gebouw of het erf.

  • 3. Het bevel tot sluiting geldt voor bepaalde of onbepaalde tijd; in het laatste geval wordt het bevel tot sluiting opgeheven bij openbaar te maken besluit.

  • 4. Een ieder is verplicht toe te laten, dat het in het tweede lid bedoelde besluit ter plaatse wordt aangebracht en daar aangebracht blijft, zolang het bevel van kracht is.

  • 5. Het is de rechthebbende op het gebouw en/of het erf, verboden om, nadat het bevel tot sluiting bekend is gemaakt op de in het tweede lid aangegeven wijze, daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven.

  • 6. Het is een ieder verboden om, nadat het bevel tot sluiting openbaar bekend gemaakt is op de in het tweede lid aangegeven wijze, in een bij dit bevel gesloten gebouw en/of erf als bezoeker te verblijven.

Afdeling 18 de Omgevingsvergunning

Artikel 2:80

Op de in deze afdeling geregelde activiteiten is tevens van toepassing de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

Artikel 2:81

Op de in deze afdeling geregelde activiteiten zijn niet van toepassing de artikelen 1:2, 1:3 en 1:5.

Artikel 2:82 Algemene bepalingen

Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:

  • 1.

    bevoegd gezag: het gezag als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

  • 2.
    • a.

      houtopstand: één of meer bomen, hakhout of een houtwal;

    • b.

      boom: een houtachtig overblijvend gewas met een omtrek van de stam van minimaal 30 centimeter op 1.30 meter boven het maaiveld gerekend langs de stam, indien het bomen betreft op achtererven van woningen niet groter dan 50 vierkante meter en niet zichtbaar vanaf openbaar toegankelijk gebied, geldt een omtrek van de stam van minimaal 90 centimeter op 1,3 meter boven maaiveld. In geval van meerstammigheid geldt de omtrek van de dikste stam. In het kader van een herplant- of instandhoudingsplicht of vanwege de plaatsing op de lijst met monumentale bomen worden als bomen ook aangemerkt, bomen met een omtrek van kleiner dan 30 centimeter respectievelijk 90 centimeter bij voornoemde achtererven niet groter dan 50 vierkante meter;

    • c.

      dunning: velling, die uitsluitend als een voorzorgsmaatregel ter bevordering van de groei en instandhouding van de overblijvende houtopstand moet worden beschouwd indien deze houtopstand als bosperceel kan worden aangemerkt;

    • d.

      bosperceel: houtopstanden, die een zelfstandige eenheid vormen en of een grotere oppervlakte beslaan dan 10 are of, in geval van eenrijbeplanting, gerekend over het totaal aantal rijen meer dan 20 bomen omvatten zoals bedoeld in de Boswet;

    • e.

      eigenaar: de natuurlijke of rechtspersoon die eigenaar is van of een beperkt zakelijk recht heeft op de houtopstand;

    • f.

      hakhout: één of meer bomen, die na geveld te zijn opnieuw op de stronk uitlopen;

    • g.

      herplantwaarde: monetaire waardering van houtopstand conform de meest recente richtlijnen van de Nederlandse vereniging van taxateurs van bomen;

    • h.

      bomenfonds: het tijdelijk fonds voor gelden ten behoeve van herplant van houtopstanden;

    • i.

      boomziekte: een biologische aantasting van bomen of andere houtopstand door bacteriën, schimmels, insecten of ander natuurlijke oorzaak;

    • j.

      Adviesraad: de Adviesraad Monumentale Bomen, bestaande uit vertegenwoordigers van de landelijke Bomenstichting, de Algemene Vereniging voor Natuurbescherming voor ‘s-Gravenhage en omstreken en onafhankelijke boomdeskundigen;

    • k.

      monumentale houtopstand: houtopstand als bedoeld in artikel 2:85 van deze verordening;

    • l.

      kandelaberen: het terugsnoeien van een kroon met meer dan 50% tot eventueel een hoofdstam met takstompen;

    • m.

      vellen: kappen, rooien, met in begrip van verplanten, kandelaberen, het snoeien van meer dan 30% tot maximaal 50%, van het kroonvolume, alsmede het verrichten van handelingen zowel boven- als ondergronds, die de dood, ernstige beschadiging of ontsiering van houtopstand ten gevolge kunnen hebben;

    • n.

      MOR: Ministeriële regeling omgevingsrecht.

Artikel 2:83 Veranderen van de weg

Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een weg aan te leggen of verandering te brengen in de wijze van aanleg van een weg, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit is bepaald.

Artikel 2:84 Uitweg

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen.

  • 2. De vergunning kan worden geweigerd in het belang van:

    • a.

      de bruikbaarheid van de weg;

    • b.

      het veilig en doelmatig gebruik van de weg;

    • c.

      de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving;

    • d.

      de bescherming van groenvoorzieningen in de gemeente

  • 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Waterschapskeur of het Provinciaal wegenreglement.

Artikel 2:85 Lijst van monumentale bomen

  • 1. Het college stelt een lijst vast met monumentale houtopstand, die verder wordt aangeduid als: lijst van monumentale bomen. Deze lijst omvat de plaatselijke en kadastrale aanduiding, de tenaamstelling, twee foto’s met zomer- en winterbeeld van de houtopstand en een beschrijving van de houtopstand. Er wordt een kaart bijgevoegd met daarop aangeduid de beschermde houtopstand.

  • 2. De eigenaar van een houtopstand, die op de lijst staat vermeld, is verplicht schriftelijk aan de gemeente mededeling te doen van:

    • -

      de eigendomsoverdracht van de houtopstand;

    • -

      het geheel of gedeeltelijk tenietgaan van de houtopstand anders dan door velling op grond van een verleende ontheffing.

    De mededeling dient te geschieden binnen vier weken na de eigendomsoverdracht c.q. het geheel of gedeeltelijk tenietgaan.

Artikel 2:86 Adviezen en inspraak

  • 1. Alvorens het college tot vaststelling of wijziging van de lijst van monumentale bomen overgaat, wint zij omtrent haar voornemen advies in bij de Adviesraad.

  • 2. Bij het voornemen tot de vaststelling en wijziging van de lijst met monumentale bomen wordt de gelegenheid geboden om binnen 4 weken na bekendmaking van dit voornemen zienswijzen kenbaar te maken.

Artikel 2:87 Kapverbod

  • 1. Het is verboden een houtopstand zonder vergunning of, indien de houtopstand is vermeld op de lijst van monumentale bomen zonder ontheffing, van het bevoegd gezag te vellen of te doen vellen.

  • 2. Dit verbod is niet van toepassing op houtopstanden als bedoeld in artikel 15 lid 2 van de Boswet, die aantoonbaar op bosbouwkundige of bedrijfseconomische wijze worden geëxploiteerd.

  • 3. Het verbod is evenmin van toepassing op:

    • a.

      een houtopstand, die bij wijze van dunning moet worden geveld;

    • b.

      een houtopstand, die moet worden geveld krachtens de Plantenziektenwet, een aanschrijving krachtens de Woningwet of het bepaalde in het artikel 2:94;

    • c.

      het periodiek vellen van hakhout ter uitvoering van het reguliere onderhoud;

    • d.

      het periodiek terugzetten van reeds geknotte, gekandelaberde of andere lei- of snoeivormen zonder wijziging van de periodieke snoeiplaatsen;

    • e.

      het direct vellen van een houtopstand indien hiervoor door de burgemeester mondeling toestemming is gegeven vanwege acuut gevaar voor veiligheid van personen en zaken. De mondelinge toestemming wordt zo spoedig mogelijk schriftelijk gemotiveerd en aan de aanvrager alsmede belanghebbenden toegezonden.

Artikel 2:88 Weigering vergunning/ontheffing

  • 1. Het bevoegd gezag kan de vergunning of ontheffing, als bedoeld in artikel 2:87, eerste lid, weigeren dan wel onder voorschriften verlenen in het belang van:

    • -

      natuur-, educatieve en milieuwaarden;

    • -

      belevings- en gebruikswaarden.

  • 2. De aanvrager van een vergunning wordt erop gewezen dat hij dient te voldoen aan de verplichtingen van het vigerende bestemmingsplan en de regelgeving gericht op natuurbescherming.

Artikel 2:89

Op een aanvraag om ontheffing als bedoeld in artikel 2:87, eerste lid, beslist het bevoegd gezag niet alvorens zij de in artikel 2:86 genoemde Adviesraad over de aanvraag heeft gehoord. Artikel 2:86, eerste en tweede lid, is op de aanvraag van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2:90

  • 1. Een ontheffing of een vergunning dient te worden aangevraagd door, namens of met toestemming van de eigenaar of door degene die krachtens publiekrechtelijke bevoegdheid gerechtigd is over de houtopstand te beschikken.

  • 2. In aanvulling op artikel 7.5 van de MOR moet een aanvraag om ontheffing of vergunning vergezeld gaan van drie verschillende foto’s van de houtopstand van minimaal 10x15 centimeter en niet ouder dan twee maanden, waarvan tenminste twee een beeld van de houtopstand in zijn omgeving geven.

  • 3. Een vergunning vervalt indien daarvan niet binnen maximaal anderhalf jaar na het onherroepelijk zijn van die vergunning, gebruik is gemaakt.

Artikel 2:91 Bijzondere vergunningvoorschriften ter bescherming van de houtopstand

  • 1. Aan een vergunning of ontheffing zoals bedoeld in de artikelen 2:87, eerste lid, kunnen in het belang van de bescherming en het behoud van nabije houtopstanden voorschriften worden verbonden.

  • 2. Tot de in het eerste lid bedoelde voorschriften kan behoren het voorschrift:

    • a.

      dat binnen een bepaalde termijn van de vergunning gebruik dient te worden gemaakt;

    • b.

      dat binnen een bepaalde termijn en overeenkomstig de daarbij te geven aanwijzingen moet worden herplant;

    • c.

      dat pas tot vellen mag worden overgegaan indien vergunningen inzake bouw, aanleg of andere ruimtelijke herinrichting onherroepelijk zijn geworden en de feitelijke en financiële uitvoering van deze werken voldoende gewaarborgd is;

    • d.

      dat ter bescherming van flora of fauna op een aangewezen locatie gedurende een bepaalde periode niet mag worden geveld;

    • e.

      dat pas tot vellen mag worden overgegaan indien een ontheffing op grond van de Flora- en Faunawet onherroepelijk is geworden.

  • 3. Wordt een voorschrift tot herplant gegeven, dan kan daarbij tevens worden bepaald binnen welke termijn na de herplant en op welke wijze niet geslaagde herplant moet worden vervangen.

  • 4. Indien uitvoering van een herplant niet mogelijk is of naar maatstaven van redelijkheid onvoldoende compensatie biedt voor het vellen van de houtopstand wordt aan de ontheffing of vergunning het voorschrift verbonden, dat de houtopstand niet mag worden geveld alvorens een bedrag gelijk aan de herplantwaarde in het bomenfonds is gestort.

  • 5. Tot de aan de vergunning of ontheffing te verbinden voorschriften behoort het voorschrift dat ook alle rechtsopvolgers van degene aan wie een voorschrift of een verplichting als bedoeld in dit artikel is opgelegd, verplicht zijn daaraan te voldoen.

Artikel 2:92 Herplant-/instandhoudingsplicht

  • 1. Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen als bedoeld in deze verordening van toepassing is, zonder ontheffing of vergunning is geveld anders dan bij wijze van dunning, dan wel op andere wijze teniet is gegaan, kan het met betrekking tot die houtopstand tot vergunningverlening het college aan de eigenaar of de publiekrechtelijk bevoegde van de grond, waarop de houtopstand zich bevond, de verplichting opleggen te herbeplanten overeenkomstig de door hem te geven aanwijzingen en binnen een door hem te stellen termijn. Artikel 2:91, derde en vierde lid zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Indien een houtopstand waarop het verbod tot vellen van toepassing is, in het voortbestaan ernstig wordt bedreigd, is de eigenaar of de publiekrechtelijk bevoegde van de grond waarop de houtopstand zich bevindt, verplicht om overeenkomstig door het college te geven aanwijzingen binnen een door haar te stellen termijn maatregelen te nemen, waardoor die bedreiging wordt weggenomen.

  • 3. Ook alle rechtsopvolgers van degene aan wie een voorschrift of een verplichting als bedoeld in dit artikel is opgelegd, zijn verplicht daaraan te voldoen.

Artikel 2:93 Bomenfonds

  • 1. De bedragen gestort in het bomenfonds mogen slechts worden gebruikt ten behoeve van herplanten van houtopstanden ten genoegen van de vergunningverlener.

  • 2. Het college informeert de raad jaarlijks over de besteding van het bomenfonds.

Artikel 2:94 Bestrijding van boomziekten

  • 1. Indien zich op een terrein één of meer bomen of andere houtopstand bevinden, die naar het oordeel van het college gevaar opleveren van verspreiding van een boomziekte of voor vermeerdering van de insecten, die boomziekten verspreiden, is de eigenaar of de publiekrechtelijke bevoegde op aanschrijving van het college en binnen de door haar daarbij te stellen termijn verplicht:

    • a.

      de houtopstand te vellen;

    • b.

      de houtopstand ter plaatse te ontbasten en de bast te vernietigen;

    • c.

      de niet ontbaste bomen of delen daarvan te vernietigen of zodanig te behandelen, dat verspreiding van boomziekten wordt voorkomen;

    • d.

      in geval van iepziekte alle onder hierboven a, b en c genoemde maatregelen te treffen;

    • e.

      alle andere maatregelen te treffen ter voorkoming van boomziekten behoudens beperkingen bij of krachtens de Plantenziektenwet gesteld.

    • f.

      tot herbeplanting over te gaan overeenkomstig de daarbij gegeven aanwijzingen.

  • 2. Het is verboden gevelde door boomziekte aangetaste bomen, of delen daarvan voorhanden of in voorraad te hebben of te vervoeren, tenzij het betreft geheel ontbast hout of hout met een doorsnede kleiner dan 4 cm.

  • 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod als bedoeld in het tweede lid.

Artikel 2:95 Afstand tot de erfgrens

De afstand tot de erfgrenslijn als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0.5 meter voor bomen en op nihil voor heesters en heggen.

Artikel 2:96 Schadevergoeding

Op een aanvraag op grond van artikel 17 van de Boswet om schadevergoeding beslist het college. De bepalingen van de Schadevergoedingsverordening zijn hierop van overeenkomstige toepassing, indien sprake is van aantoonbaar nadeel.

Artikel 2:97 Handelsreclame

  • 1. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats

  • 2. Het is verboden zonder vergunning van het bevoegd gezag als eigenaar, beperkt zakelijk gerechtigde of gebruiker van een onroerende zaak toe te staan of te gedogen dat op of aan die onroerende zaak handelsreclame wordt gemaakt of gevoerd met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats

  • 3. Het verbod geldt niet voor onverlichte:

    • a.

      opschriften, aankondigingen of afbeeldingen in het inwendig gedeelte van een onroerende zaak, die niet kennelijk gericht zijn op zichtbaarheid vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats;

    • b.

      opschriften of aankondigingen kleiner dan 0,50 m2 en de langste zijde korter dan 1 meter die betrekking hebben op:

      • -

        een openbare verkoping of een aanleiding ter verkoop, verhuur of verpachting van een onroerende zaak, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;

      • -

        het beroep, de dienst of het bedrijf dat in of op de onroerende zaak wordt uitgeoefend of waarvoor de zaak is bestemd;

    • c.

      opschriften die betrekking hebben op de naam of aard van in uitvoering zijnde bouwwerken of op de namen van degenen die bij het ontwerp of de uitvoering van het bouwwerk betrokken zijn, mits deze opschriften zijn aangebracht op borden bij of op de in uivoering zijnde bouwwerken zelf, zulks voor zolang zij feitelijke betekenis hebben;

    • d.

      opschriften of aankondigingen op of aan onroerende zaken dienstbaar aan het openbaar vervoer, indien deze zijn aangebracht ten dienste van dat vervoer.

  • 4. Het is verboden door een opschrift, aankondiging of afbeelding als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid de veiligheid van het verkeer in gevaar te brengen of ernstige hinder voor de omgeving te veroorzaken.

  • 5. Een vergunning als bedoeld in het eerste en tweede lid kan worden geweigerd:

    • a.

      indien de handelsreclame, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan redelijke eisen van welstand;

    • b.

      in het belang van de verkeersveiligheid;

    • c.

      in het belang van de voorkoming of beperking van overlast voor gebruikers van een in de nabijheid gelegen onroerende zaak.

  • 6.

    • a.

      Het verbod in het eerste lid geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Provinciale landschapsverordening;

    • b.

      De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder a, geldt niet voor bouwwerken;

    • c.

      De weigeringsgrond van het vijfde lid, onder c, geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, escortbedrijven, straatprostitutie e.d.

Afdeling 1: Begripsomschrijvingen

Artikel 3:1 B egripsomschrijvingen

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a.

    prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;

  • b.

    prostitué(e): degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen betaling;

  • c.

    seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch-pornografische aard plaatsvinden; onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan een prostitutiebedrijf als bedoeld in Hoofdstuk 6A van de Bouwverordening;

  • d.

    escortbedrijf: de natuurlijke persoon, de groep van natuurlijke personen of de rechtspersoon die bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend;

  • e.

    exploitant: de natuurlijke persoon, de groep van natuurlijke personen of de rechtspersoon en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon bevoegde natuurlijke persoon of personen, die voor eigen rekening en risico een seksinrichting of escortbedrijf exploiteert c.q. exploiteren en die in overwegende mate de zeggenschap in de seksinrichting of het escortbedrijf uitoefent c.q. uitoefenen;

  • f.

    beheerder: de natuurlijke persoon of de groep van natuurlijke personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een seksinrichting of escortbedrijf;

  • g.

    bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van:

    • 1.

      de exploitant;

    • 2.

      de beheerder;

    • 3.

      de schoonmaker;

    • 4.

      de prostitué(e),

    • 5.

      de toezichthouder(s) krachtens artikel 6:2;

    • 6.

      andere personen wier aanwezigheid in de inrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.

Artikel 3:2 Bevoegd bestuursorgaan

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voorzover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.

Artikel 3:3 Nadere regels

Met het oog op de in artikel 3:13 genoemde belangen, kan het college over de uitoefening van de bevoegdheden in dit hoofdstuk nadere regels ( Zie bijgevoegd besluit ) vaststellen.

Afdeling 2: Seksinrichtingen, escortbedrijven, straatprostitutie en dergelijke

Artikel 3:4 Vergunningplicht seksinrichtingen en escortbedrijven

  • 1. Het is verboden een seksinrichting of een escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning van het bevoegd bestuursorgaan.

  • 2. De aanvraag wordt met gebruikmaking van het door het bevoegde bestuursorgaan vastgestelde formulier door de exploitant (of diens gemachtigde) ingediend. In de aanvraag om vergunning wordt in ieder geval vermeld c.q. de volgende stukken overgelegd:

    • a.

      de (persoons)gegevens van de exploitant;

    • b.

      de persoonsgegevens van de beheerder(s);

    • c.

      de exploitant dient aan te tonen dat hij/zij rechtmatig verblijf in Nederland heeft;

    • d.

      een recent (maximaal drie maanden oud) uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie ter onderbouwing van het opgegeven adres van de exploitant en/of beheerder;

    • e.

      de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf;

    • f.

      een plattegrond van de seksinrichting met een schaal van tenminste 1:100 waarop duidelijk de inrichting en de bestemming van de werkruimten is aangegeven;

    • g.

      een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte die bestemd is voor de seksinrichting of het escortbedrijf;

    • h.

      indien sprake is van een prostitutiebedrijf dient ingevolge hoofdstuk 6a Bouwverordening een geschiktheidsverklaring te worden overgelegd;

    • i.

      een op grond van de wet Bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (wet BIBOB) vastgesteld en ingevuld vragenformulier met de daarbij behorende bijlagen en bescheiden.

  • 3. Per seksinrichting of escortbedrijf wordt niet meer dan één aanvraag tegelijk in behandeling genomen, voor de combinatie van seksinrichting met escortbedrijf wordt eveneens slechts één aanvraag in behandeling genomen.

  • 4. De vergunning wordt uitsluitend verleend aan de exploitant en op naam gesteld van de exploitant en beheerder; de vergunning is niet overdraagbaar.

  • 5. De vergunning wordt verleend voor de duur van twee jaren.

Artikel 3:5 Gedragseisen exploitant en beheerder

  • 1. De exploitant en de beheerder:

    • a.

      staan niet onder curatele en zijn niet ontzet uit het ouderlijke gezag of de voogdij;

    • b.

      zijn niet in enig opzicht van slecht levensgedrag; en

    • c.

      hebben de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt.

  • 2. Naast de gestelde eisen in het eerste lid, zijn de exploitant en de beheerder niet:

    • a.

      met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld;

    • b.

      binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van zes maanden of meer door de rechter in Nederland, de Nederlandse Antillen of Aruba, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten;

    • c.

      binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500,- (vijfhonderd euro) of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens dan wel mede wegens overtreding van:

      • 1.

        bepalingen gesteld bij of krachtens de Opiumwet, de Vreemdelingenwet 2000 en de Wet arbeid vreemdelingen;

      • 2.

        de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 300 tot en met 303, 416, 417, 417 bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;

      • 3.

        de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 jo. artikel 8 of jo. Artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;

      • 4.

        de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen;

      • 5.

        de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen;

      • 6.

        de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie.

    • d.

      binnen de laatste tien jaar bij tenminste één rechterlijke uitspraak onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke geldboete van € 500 (vijfhonderd euro) of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 1, 3 en 4, van het Wetboek van Strafrecht wegens dan wel mede wegens overtreding van artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht.

  • 3. Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld:

    • a.

      vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek van strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan € 375 (driehonderd en vijfenzeventig euro) bedraagt;

    • b.

      een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.

  • 4. De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:

    • a.

      bij de weigering van een vergunning gerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag van de vergunning;

    • b.

      bij de intrekking van een vergunning gerekend vanaf de datum van de intrekking van deze vergunning.

  • 5. De exploitant of beheerder is binnen de laatste 2 jaar geen exploitant of beheerder geweest van een seksinrichting of escortbedrijf waarvan de vergunning als bedoeld in artikel 3:4 is ingetrokken, tenzij aannemelijk is gemaakt dat hem terzake geen verwijt treft.

Artikel 3:6 Sluitingstijden

  • 1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te laten of te laten verblijven:

    • a.

      op maandag tot en met vrijdag tussen 01.00 uur en 07.00 uur;

    • b.

      op zaterdag en zondag tussen 01.30 uur en 07.00 uur.

  • 2. Het bevoegd bestuursorgaan kan in het belang van de openbare orde en het woon- of leefklimaat voor een bepaald gebied voor een of meer inrichtingen de in het eerste lid genoemde sluitingstijden, al dan niet tijdelijk, beperken.

  • 3. Het bevoegd bestuursorgaan kan, gelet op de locatie en de aard van de seksinrichting, ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod, zij het met die beperking dat de inrichting alleen in aanmerking komt voor een ontheffing voor de uren welke zijn gelegen tussen 01.00 uur en 05.00 uur op maandag tot en met vrijdag of tussen 01.30 en 05.00 uur op zaterdag en zondag.

  • 4. Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die inrichting krachtens het eerste lid of tweede lid gesloten dient te zijn.

  • 5. Het in het eerste of krachtens het tweede of derde lid bepaalde geldt niet voor zover krachtens het bepaalde in de Wet milieubeheer aan de seksinrichting sluitingstijden zijn voorgeschreven die op een vroeger tijdstip zijn gelegen.

Artikel 3:7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting

  • 1. Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen of in geval van strijdigheid met de bepalingen in deze paragraaf kan het bevoegd bestuursorgaan van een afzonderlijke seksinrichting -al dan niet tijdelijk- de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.

  • 2. Het is een ieder verboden een overeenkomstig het eerste lid gesloten seksinrichting te bezoeken of als bezoeker daarin te verblijven.

  • 3. Het is verboden voor de exploitant of de beheerder van een seksinrichting om bezoekers toe te laten of aldaar te laten verblijven gedurende de periode dat de inrichting overeenkomstig het eerste lid gesloten is.

  • 4 Van het bevel tot sluiting wordt een afschrift aangebracht op of nabij de toegang of toegangen van de seksinrichting. Een ieder is verplicht dit toe te laten en het afschrift te laten hangen zolang de sluiting van kracht is.

Artikel 3:8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder

  • 1. Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de ingevolge artikel 3:4 op de vergunning vermelde exploitant of beheerder in de seksinrichting aanwezig is.

  • 2. De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe te zien dat in de seksinrichting of bij de exploitatie van het escortbedrijf:

    • a.

      geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV (misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII (diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en

    • b.

      geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet 2000 bepaalde.

Artikel 3:9 Straatprostitutie

  • 1. Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken:

    • a.

      op of aan andere dan door het college aangewezen wegen of gebieden;

    • b.

      gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden.

  • 2. Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

  • 3. Met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen kan door politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen en tijden als bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.

  • 4. De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3:13, tweede lid, genoemde belangen personen aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid bij besluit verbieden zich gedurende bepaalde termijnen, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen en op de tijden bedoeld in het eerste lid.

  • 5. De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod indien dat in verband met de persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.

  • 6. Het is verboden zich te gedragen in strijd met een door de burgemeester opgelegd verbod als bedoeld in het vierde lid.

Artikel 3:11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen en dergelijke

  • 1. Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen:

    • a.

      indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt;

    • b.

      anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels.

  • 2. Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.

Afdeling 3: Beslissingstermijn; weigeringsgronden

Artikel 3:12 Beslissingstermijn

  • 1. Artikel 1:2, tweede lid, is niet van toepassing op de beslissing op een aanvraag om vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid.

  • 2. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:2, eerste lid, kan de beslissing op de aanvraag worden aangehouden indien:

    • -

      voor de seksinrichting een “geschiktheidsverklaring” als bedoeld in Hoofdstuk 6A van de Bouwverordening vereist is, en/of;

    • -

      een bouwvergunning vereist is;

      en op de aanvraag of aanvragen daarvoor nog niet is beslist.

  • 3. Tevens kan de aanvraag worden aangehouden indien op dezelfde seksinrichting een aanschrijving rust wegens strijd met het bepaalde bij of krachtens de Woningwet en aan die aanschrijving niet is voldaan.

Artikel 3:13 Weigeringsgronden

  • 1. De vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, wordt door het bevoegd bestuursorgaan geweigerd indien:

    • a.

      de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:5 gestelde eisen;

    • b.

      de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een bestemmingsplan, stadsvernieuwingsplan, voorbereidingsbesluit of leefmilieuverordening;

    • c.

      er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam (zullen) zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht, of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde;

  • 2. Het bevoegd bestuursorgaan kan de vergunning als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, dan wel de aanwijzing of vaststelling als bedoeld in artikel 3:9., eerste lid, weigeren:

    • a.

      in het belang van de openbare orde;

    • b.

      in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;

    • c.

      in het belang van het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat;

    • d.

      in het belang van de veiligheid van personen of goederen;

    • e.

      in het belang van de verkeersvrijheid of -veiligheid;

    • f.

      in het belang van de gezondheid of zedelijkheid;

    • g.

      in het belang van de arbeidsomstandigheden van de prostituee;

    • h.

      indien het pand waarin de seksinrichting is gevestigd op grond van hoofdstuk 6a van de Bouwverordening over een geschiktheidsverklaring dient te beschikken en voor dat pand geen geschiktheidsverklaring is afgegeven;

    • i.

      indien niet kan worden aangetoond dat de vestiging reeds bestond op 1 oktober 1999;

    • j.

      er strijdigheid is met de ingevolge artikel 3:3 gegeven nadere regels;

    • k.

      indien sprake is van een veroordeling in de zin van artikel 3.5, tweede lid onder d, die ouder is dan de aldaar genoemde termijn van 10 jaar;

    • l.

      indien er sprake is van strijdigheid met hetgeen bij of krachtens deze paragraaf is bepaald.

Afdeling 4: Beëindiging exploitatie; wijziging beheer

Artikel 3:14 Beëindiging exploitatie

  • 1. De vergunning vervalt zodra de exploitant als bedoeld in artikel 3:4, de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd.

  • 2. Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.

Artikel 3.15 Wijziging beheer

  • 1. Indien een beheerder als bedoeld in artikel 3:4, tweede lid, onder b, het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd, geeft de exploitant daarvan binnen een week na de feitelijke beëindiging van het beheer schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.

  • 2. Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3:13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 5: Intrekking vergunning

Artikel 3:17 Intrekking vergunning

Het bevoegd bestuursorgaan kan de vergunning intrekken indien:

  • a.

    blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvoldoende opgave is verleend;

  • b.

    de ingevolge artikel 3:4, tweede lid, onder a in de vergunning vermelde exploitant niet feitelijk de exploitatie voert;

  • c.

    de exploitant of beheerder de bepalingen in deze paragraaf, de nadere regels als bedoeld in artikel 3:3, dan wel de voorschriften, behorende bij de vergunning, overtreedt;

  • d.

    in de seksinrichting een minderjarige prostitué(e) wordt aangetroffen;

  • e.

    in de seksinrichting een prostitué(e) zonder een voor het verrichten van arbeid geldige verblijfstitel wordt aangetroffen;

  • f.

    een escortbedrijf werkzaamheden laat verrichten door een minderjarige prostitué(e) of een prostitué(e) zonder een voor het verrichten van arbeid geldige verblijfstitel;

  • g.

    er door de exploitant of beheerder onvoldoende maatregelen zijn getroffen in het belang van de veiligheid, de hygiëne en de bescherming van de gezondheid van de in de seksinrichting werkzame personen, alsmede ter bescherming van de volksgezondheid;

  • h.

    aannemelijk is dat de exploitant of beheerder betrokken is of hem ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten in of vanuit de seksinrichting, die een gevaar opleveren voor de openbare orde of een bedreiging vormen voor woon- of leefklimaat;

  • i.

    de exploitant of beheerder strafbare feiten pleegt in de inrichting, dan wel toestaat of gedoogt dat in zijn seksinrichting strafbare feiten worden gepleegd;

  • j.

    zich in of vanuit de seksinrichting of anderszins feiten hebben voorgedaan, die de vrees wettigen, dat de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf gevaar oplevert voor de openbare orde of een bedreiging vormt voor het woon- of leefklimaat in de omgeving van de seksinrichting of het escortbedrijf;

  • k.

    indien de exploitant of beheerder niet voldoet aan de in artikel 3:5 gestelde eisen;

  • l.

    indien de vergunning ten gevolge van een kennelijke misslag is verleend;

  • m.

    op grond van verandering van omstandigheden of inzichten, opgetreden na het verlenen van de vergunning, moet worden aangenomen, dat intrekking wordt gevorderd door de belangen ter bescherming waarvan de vergunning is vereist.

Hoofdstuk 4 Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente

Afdeling 1: Geluid- en lichthinder

Artikel 4:1

Reseveren

Artikel 4:2

Reserveren

Artikel 4:3

Reserveren

Artikel 4:4

Reserveren

Artikel 4:6 Overige geluidhinder

  • 1. Het is verboden toestellen of geluidsapparaten in werking te hebben of handelingen te verrichten op een zodanige wijze dat voor een omwonende of overigens voor de omgeving geluidhinder wordt veroorzaakt.

  • 2. Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.

  • 3. Het verbod geldt niet, voor zover artikel 2:56, de op de Wet milieubeheer gebaseerde voorschriften, de Wet geluidhinder, de Wegenverkeerswet 1994, de Zondagswet, het Wetboek van Strafrecht, de Luchtvaartwet, het Reglement verkeerstekens en verkeersregels 1990, de Bouwverordening of het Vuurwerkbesluit van toepassing zijn.

Afdeling 2: Bodem-, weg- en milieuverontreiniging

Artikel 4:8 Natuurlijke behoefte doen

Het is verboden binnen de bebouwde kom op of aan de weg zijn natuurlijke behoefte te doen buiten een daarvoor bestemde inrichting of plaats.

Artikel 4:9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen

Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.

Afdeling 3: Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast

Artikel 4:13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen enz.

  • 1. Het college kan buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, in de openlucht, buiten de weg gelegen plaatsen aanwijzen waar het in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, verboden is een of meer van de volgende daarbij nader aangeduide, voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben, anders dan met inachtneming van de door hem gestelde regels:

    • a.

      onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen daarvan;

    • b.

      bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;

    • c.

      caravans, kampeerwagens, boten, tenten en andere dergelijke, gewoonlijk voor recreatieve doeleinden gebezigde voorwerpen, indien het plaatsen of aanwezig hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel;

    • d.

      mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen;

  • 2. In het eerste lid wordt onder weg verstaan, hetgeen daaronder verstaan wordt in artikel 1 van de Wegenverkeerswet 1994.\

  • 3. Het is verboden op een door het college aangewezen plaats een door hem aangeduide voorwerp of stof:

    • a.

      op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben; dan wel

    • b.

      op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door hen gestelde regels.

  • 4. Het in dit artikel bepaalde geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet op de Ruimtelijke Ordening of de Provinciale Verordening.

Artikel 4:14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen

  • 1. Dit artikel verstaat onder:

    • a.

      meststoffen: meststoffen als bedoeld in artikel 1 van de Meststoffenwet;

    • b.

      emissiearm aanwenden: gebruiken van meststoffen op de wijze die is aangegeven in de bij het Besluit gebruik meststoffen behorende bijlage II, met dien verstande echter dat onder 3, punt a onder 2e gelezen moet worden: 'tijdens het uitrijden van de mest deze gelijktijdig wordt ondergewerkt';

    • c.

      grond: bouwland, maïsland en grasland.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in het Besluit gebruik meststoffen is het verboden op gronden meststoffen uit te rijden, op te brengen, te doen uitrijden of te doen opbrengen op zaterdag, ondag en op de volgende feest- en gedenkdagen: de Nieuwjaarsdag, de tweede Paas- en Pinksterdag, de beide Kerstdagen, de Hemelvaartsdag, de dag waarop de verjaardag van de Koningin wordt gevierd en de vijfde mei.

  • 3. Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing voorzover de mest emissiearm, als bedoeld in dit artikel, wordt aangewend.

  • 4. Het college kan ontheffing verlenen van de in het tweede lid gestelde verboden.

  • 5. Vervoer van meststof als dunne mest dient te geschieden in volledig gesloten transportmiddelen die in een zindelijke staat verkeren.

Artikel 4:16

[vervallen]

Hoofdstuk 5 Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente

Afdeling 1: Parkeerexcessen

Artikel 5:1 Begripsomschrijvingen inzake parkeerexcessen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

  • a.

    weg: de weg, als bedoeld in artikel 1, eerste lid onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;

  • b.

    voertuigen: alle voertuigen met uitzondering van:

    • 1.

      treinen en trams;

    • 2.

      fietsen, bromfietsen;

    • 3.

      invalidenvoertuigen in de zin van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

    • 4.

      kruiwagens, kinderwagens en dergelijke kleine voertuigen, rolstoelen;

  • c.

    parkeren: het laten stilstaan van een voertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van passagiers of voor het onmiddellijk laden of lossen van goederen.

Artikel 5:2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d.

  • 1. Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen, te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:

    • a.

      drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een dezer voertuigen; dan wel

    • b.

      de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.

  • 2. Onder verhuren als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan:

    • a.

      het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;

    • b.

      het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.

  • 3. Tot de voertuigen bedoeld in het eerste lid worden niet gerekend:

    • a.

      voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer dan een uur vergen, zulks gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;

    • b.

      voertuigen gebezigd voor persoonlijk gebruik van de in het eerste lid genoemde persoon.

  • 4. Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5:3 Te koop aanbieden van voertuigen

  • 1. Het is verboden op door het college aangewezen wegen of weggedeelten een voertuig te parkeren met het kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.

  • 2. Het college kan ontheffing van dit verbod verlenen.

Artikel 5:4 Defecte voertuigen

Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.

Artikel 5:6 Caravans e.d.

  • 1. Het is verboden een woonwagen, kampeerwagen, caravan, camper, magazijnwagen, aanhangwagen, keetwagen of ander dergelijk voertuig dat voor de recreatie dan wel anderszins uitsluitend of mede voor andere dan verkeersdoeleinden wordt gebezigd:

    • a.

      langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben;

    • b.

      op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  • 2. Het college kan wegen en weggedeelten aanwijzen waar voor bepaalde categorieën voor bepaalde perioden, het onder het eerste lid onder a bedoelde verbod niet geldt

  • 3. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid, aanhef en onder a, gestelde verbod.

  • 4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Provinciaal wegenreglement of de Provinciale landschapsverordening.

Artikel 5:7 Parkeren van reclamevoertuigen

  • 1. Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.

  • 2. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5:8 Parkeren van grote voertuigen

  • 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente.

  • 2. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte.

  • 3. Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag, dagelijks van 07.00 tot 18.00 uur.

  • 4. Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.

Artikel 5:9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen

  • 1. Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan.

  • 2. Dit verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.

Artikel 5:10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen

  • 1. Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen daar te parkeren waar bewoners of gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden.

  • 2. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet milieubeheer.

Artikel 5:11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen

vervallen

Artikel 5:12 Overlast van fiets of bromfiets

  • 1. Het is verboden fietsen of bromfietsen buiten de daarvoor bestemde parkeervoorzieningen te laten staan op een door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter voorkoming of opheffing van overlast, dan wel ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid, aangewezen weg of weggedeelte.

  • 2. Het is verboden fietsen of bromfietsen die rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en in een verwaarloosde toestand verkeren, op de weg te laten staan.

  • 3. Het is verboden fietsen of bromfietsen te laten staan in parkeervoorzieningen op een door het college aangewezen weg of weggedeelten, langer dan een door het college te bepalen periode.

Afdeling 2: Collecteren

Artikel 5:13 Inzameling van geld of goederen

  • 1. Het is verboden een openbare inzameling van geld of goederen te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden.

  • 2. Onder een inzameling van geld of goederen wordt mede verstaan: het bij het aanbieden van goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of gedrukte stukken, dan wel bij het aanbieden van diensten aanvaarden van geld of goederen, indien daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd.

  • 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor een inzameling die in besloten kring gehouden wordt.

  • 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor:

    • a.

      instellingen die zijn vermeld op het landelijke collecterooster van het Centraal Bureau Fondsenwerving en die geld of goederen inzamelen in de aan hen door het Centraal Bureau Fondsenwerving toegewezen periode, of;

    • b.

      in de gemeente Den Haag gevestigde verenigingen en stichtingen, die krachtens statuten en activiteiten een doel nastreven dat van algemeen (gemeenschaps)belang is en die geld of goederen inzamelen buiten de periodes die door het Centraal Bureau Fondsenwerving zijn toegewezen aan gecertificeerde instellingen;

     

    en indien wordt voldaan aan elk van de volgende voorwaarden:

    • 1.

      De collectanten moeten in bezit zijn van een door de politie afgestempeld legitimatiebewijs;

    • 2.

      De gebruikte collectebussen moeten zijn voorzien van een duidelijk opschrift waaruit de naam en doelstelling van de instelling blijkt;

    • 3.

      Op de weg mag niet na zonsondergang en aan de huizen niet na 21.00 uur worden gecollecteerd;

    • 4.

      Uiterlijk een week voor aanvang van de inzameling moet aan het college melding worden gedaan van de inzameling onder vermelding van de naam van de inzamelende instelling, naam contactpersoon en het doel, de plaats, datum en het tijdstip van de inzameling;

    • 5.

      De verplichtingen en de verboden in dit artikel gelden niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet Milieubeheer of de op deze wet gebaseerde Afvalstoffenverordening.     

Afdeling 3: Openbaar water

Artikel 5:24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water

  • 1. Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water.

  • 2. Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college.

  • 3. De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving van de aard en omvang van het voorwerp.

  • 4. Het verbod in het eerste lid geldt niet voorzover in de daarin geregelde onderwerpen wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken, de Provinciale vaarwegenverordening, de Telecommunicatiewet of de daarop gebaseerde Telecommunicatieverordening.

Artikel 5:28 Beschadigen van waterstaatswerken

  • 1. Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij de gemeente in beheer zijnde vaarten, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen.

  • 2. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening.

Artikel 5:29 Reddingsmiddelen

Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.

Artikel 5:30 Veiligheid op het water

  • 1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.

  • 2. Het verbod geldt niet voorzover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Provinciale vaarwegenverordening.

Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen

  • 1. Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden.

  • 2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken.

Afdeling 4: Gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden

Artikel 5:33 Beperking verkeer in natuurgebieden

  • 1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig als bedoeld in artikel 1, onder z, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990, een bromfiets als bedoeld in artikel 1, onder i, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 of met een fiets of een paard.

  • 2. Het college kan terreinen aanwijzen waarvoor het in het eerste lid gestelde verbod niet van toepassing is. Het kan daarbij regels stellen ten aanzien van het gebruik van deze terreinen:

    • a.

      in het belang van het voorkomen van overlast;

    • b.

      in het belang van de bescherming van natuur- of milieuwaarden;

    • c.

      in het belang van de veiligheid van het publiek.

  • 3. Het verbod in het eerste lid geldt niet voor bestuurders van motorvoertuigen en bromfietsen en voor fietsers of berijders van paarden:

    • a.

      ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten;

    • b.

      die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de door het college aangewezen plaatsen;

    • c.

      die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd;

    • d.

      van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen gelegen binnen de door het college aangewezen plaatsen;

    • e.

      voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.

  • 4. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet:

    • a.

      op wegen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994;

    • b.

      binnen de bij of krachtens de Provinciale verordening 'Stiltegebieden' aangewezen stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'.

  • 5. Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Afdeling 5: Verbod vuur te stoken

Artikel 5:34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken

  • 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben.

  • 2. Het verbod geldt niet voor zover het betreft:

    • a.

      verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;

    • b.

      sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven;

    • c.

      vuur voor koken, bakken en braden,

    alles voor zover dat geen gevaar, overlast of hinder voor de omgeving oplevert.

  • 3. De burgemeester kan van dit verbod ontheffing verlenen.

  • 4. De ontheffing kan worden geweigerd:

    • a.

      in het belang van de openbare orde en veiligheid;

    • b.

      ter bescherming van de woon- en leefomgeving;

  • 5. Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht. 

Afdeling 6: Verstrooiing van as

Artikel 5:35 Begripsomschrijving

In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.

Artikel 5:36 Verboden plaatsen

  • 1. Incidentele asverstrooiing is verboden op:

    • a.

      verharde delen van de weg;

    • b.

      gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen;

    • c.

      op het strand en in zee, gedurende de periode van 15 mei tot 1 oktober, tussen zonsopgang en zonsondergang;

    • d.

      speel- en ligweiden;

    • e.

      kinderspeelplaatsen.

  • 2. Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere plaatsen dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.

  • 3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen.

Artikel 5:37 Hinder of overlast

Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.

Afdeling 7: Aangelegenheden betreffende het toezicht op het strand

Artikel 5:38 Zwemmen in zee.

Het is verboden:

  • a.

    zich bij het baden of zwemmen in zee te bevinden met een voorwerp bestemd of gebruikt om zich daarmede drijvende te houden;

  • b.

    zich van een strandhoofd af in zee te begeven of in de naaste omgeving daarvan te baden of te zwemmen.

Artikel 5:39 Strandstoelen e.d.

vervallen

Artikel 5:40 Spelen op het strand

Het is verboden op het strand of bij het baden of zwemmen in zee enig spel of enige sport te beoefenen als daarvan gevaar of overlast voor personen dan wel beschadiging van goederen is te duchten.

Artikel 5:41 Varen in zee.

  • 1. Het is verboden:

    • a.

      een vaartuig op het strand te hebben of te brengen;

    • b.

      zich met een vaartuig in zee tussen de strandhoofden te bevinden.

    • c.

      om tot een afstand van 1000 meter, loodrecht gemeten vanaf de laagwaterlijn richting zee, te waterskiën, een waterscooter (jetski) te gebruiken en/of te parasailen.

  • 2. Dit verbod geldt niet op de door burgemeester en wethouders bij besluit ( Zie uitvoeringsbesluit ) vastgestelde plaatsen en tijden ten aanzien van de in dat besluit genoemde categorie van vaartuigen, mits daarbij de door burgemeester en wethouders vastgestelde voorschriften in acht worden genomen.

  • 3 Burgemeester en wethouders kunnen van het in het eerste lid bedoelde verbod ontheffing verlenen.

Artikel 5:42 Rijden op het strand.

  • 1. Het is verboden:

    • a.

      het strand te berijden met een motorvoertuig;

    • b.

      een motorvoertuig op het strand te plaatsen of te laten staan.

    • c.

      het strand te berijden met een door wind voortbewogen voertuig;

    • d.

      op het strand bromfietsen te berijden, te plaatsen of te laten staan;

    • e.

      tussen 19.00 uur en 10.00 uur te slapen op het strand.

  • 2. Het is verboden gedurende het tijdvak van 15 mei tot 1 oktober op het strand:

    • a.

      fietsen te berijden, te plaatsen of te laten staan, tussen 07.00 uur en 19.00 uur;

    • b.

      te rijden met rij- of trekdieren of wagens tussen 07.00 uur en 19.00 uur.

  • 3. Onverminderd het bepaalde in lid 2 onder b. is het verboden anders dan stapvoets het strand te berijden met rij- of trekdieren of bespannen wagens.

  • 4. Burgemeester en wethouders kunnen ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid, en van het verbod, neergelegd in het tweede lid en het derde lid.

Hoofdstuk 6 Straf-, overgangs- en slotbepalingen

Artikel 6:1 Strafbepaling

  • 1. Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak: artikel 2:1, 2:3, 2:6, 2:10, 2:10B., 2:11, 2:12, 2:18, 2:25, 2:25B., 2:26, 2:26A., 2:26B., 2:28, 2:29, 2:30, 2:31, 2:32, 2:33, 2:36, 2:37, 2:38, 2:41, 2:44, 2:48, 2:49, 2:50, 2:67, 2:68, 2:69, 2:72, 2:73, 2:73A., 2:74, 2:74A., 2:74B., 2:74C., 2:75, 2:79, 3:3, 3:4, 3:6, 3:7, 3:8, 3:9, 3:11, 3:14, 3:15, 4:3, 4:4, 4:6, 4:13, 4:14, 5:2, 5:3, 5:7, 5:8, 5:9, 5:13, 5:24, 5:34, 5:36, 5:37, 5:39, 5:42, eerste lid, 5:42, derde lid.

  • 2. Overtreding van het bij of krachtens de volgende artikelen bepaalde en de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie: artikel 2:8, 2:9, 2:13, 2:14, 2:15, 2:16, 2:17, 2:19, 2:20, 2:21, 2:22, 2:23, 2:23A., 2:42, 2:43, 2:45, 2:46, 2:47, 2:47A., 2:51, 2:53, 2:56, 2:57, 2:58, 2:59, 2:60, 2:63, 2:64, 4:8, 4:9, 5:4, 5:6, 5:10, 5:11, 5:12, 5:28, 5:29, 5:30, 5:31, 5:33, 5:38, 5:40, 5:41, 5:42, tweede lid.

Artikel 6:2 Toezichthouders

Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn belast:

  • 1.

    de Inspecteurs Openbare Ruimte, de Boswachters, Controleurs Binnenwateren en de Controleurs Openbare Ruimte werkzaam bij de Dienst Stadsbeheer.

  • 2.

    Voorts zijn met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening belast de bij besluit van het college dan wel de burgemeester aan te wijzen personen.

Artikel 6:3 Binnentreden woningen

Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.

Artikel 6:4 Inwerkingtreding nieuwe en intrekking oude verordening

  • 1. Deze verordening treedt in werking met ingang van een door burgemeester en wethouders nader te bepalen datum.

  • 2. Met ingang van de in het lid 1 bedoelde datum wordt de Algemene politieverordening voor 's-Gravenhage 1982 (5/1982) ingetrokken.

Artikel 6:5 Overgangsbepaling

  • 1. Vergunningen en ontheffingen - hoe ook genaamd - verleend krachtens verordeningen bedoeld in artikel 6:4, tweede lid, blijven - indien en voorzover het gebod of verbod waarop de vergunning of ontheffing betrekking heeft, ook vervat is in deze verordening en voorzover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - van kracht totdat de termijn, waarvoor zij werden verleend, is verstreken of totdat zij met inachtneming van hetgeen terzake in de vergunning of ontheffing is bepaald worden ingetrokken.

  • 2. Voorschriften en beperkingen opgelegd krachtens verordeningen bedoeld in artikel 6:4, tweede lid, blijven - indien en voorzover de bepalingen ingevolge welke deze voorschriften en bepalingen zijn opgelegd, ook zijn vervat in deze verordening en voorzover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken - van kracht totdat de termijn, waarvoor zij werden verleend, is verstreken of totdat zij met inachtneming van hetgeen terzake in het voorschrift of de beperking is bepaald worden ingetrokken.

  • 3. Indien voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening een aanvraag om een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - op grond van een verordening bedoeld in artikel 6:4, tweede lid, is ingediend en voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening nog niet op die aanvraag is beslist, wordt daarop de overeenkomstige bepaling van de onderhavige verordening toegepast.

  • 4. Op een aanhangig beroep of bezwaarschrift, betreffende een vergunning of ontheffing, bedoeld in het eerste lid, dan wel een voorschrift of beperking bedoeld in het tweede lid dat voor of na het tijdstip bedoeld in artikel 6:4, eerste lid, is ingekomen binnen de voordien geldende beroepstermijn, wordt beslist met toepassing van de verordening bedoeld in artikel 6:4, tweede lid.

  • 5. In afwijking van het in het eerste lid bepaalde, blijft een vergunning of ontheffing - hoe ook genaamd - van kracht, totdat onherroepelijk is beslist op een aanvraag voor een, krachtens een in deze verordening overeenkomstig opgenomen gebod of verbod vereiste, vergunning of ontheffing, indien deze aanvraag ten minste acht weken voor afloop van de in het eerste lid genoemde termijn bij het bevoegde bestuursorgaan is ingediend.

  • 6. Gebods- of verbodsbepalingen waarvoor een vergunning of ontheffing vereist is krachtens deze verordening en niet voorkomend in een verordening als bedoeld in artikel 6:4, tweede lid, zijn niet van toepassing:

    • a.

      gedurende acht weken na het in werking treden van deze verordening;

    • b.

      ook na de onder a. bepaalde termijn, voorzover degene die de vergunning of ontheffing nodig heeft, binnen deze termijn een aanvraag heeft ingediend, totdat onherroepelijk op deze aanvraag is beslist.

  • 7. De intrekking van de verordening bedoeld in artikel 6:4, tweede lid, heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordening genomen nadere regels, beleidsregels en aanwijzingsbesluiten, indien en voorzover de rechtsgrond waarop de aanwijzingsbesluiten zijn gebaseerd ook vervat is in deze verordening en voorzover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken.

Artikel 6:6 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag.