Regeling vervallen per 01-01-2024

Planschadeverordening Almere 2008

Geldend van 05-04-2009 t/m 31-12-2023 met terugwerkende kracht vanaf 01-07-2008

Intitulé

Planschadeverordening Almere 2008

De raad van de gemeente Almere,

Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders;

Besluit

(...)

3. Vast te stellen:

  • A.

    De Planschadeverordening Almere 2008

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    aanvrager: degene die een aanvraag om tegemoetkoming in de schade als bedoeld in artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening indient;

  • b.

    adviseur: de door het college van burgemeester en wethouders aan te wijzen persoon als bedoeld in artikel 6.1.1.1, onder c, Besluit ruimtelijke ordening;

  • c.

    adviescommissie: schadebeoordelingscommissie als bedoeld in artikel 5, derde lid, van deze verordening;

  • d.

    besluit: Besluit ruimtelijke ordening;

  • e.

    college: het college van burgemeester en wethouders;

  • f.

    gemeente: gemeente Almere;

  • g.

    planologische maatregel: oorzaak als bedoeld in artikel 6.1, tweede lid, Wet ruimtelijke ordening;

  • h.

    planschade: schade als bedoeld in artikel 6.1, eerste lid, Wet ruimtelijke ordening;

  • i.

    wet: Wet ruimtelijke ordening.

Artikel 2. Aanvraagformulier

De aanvrager maakt voor de indiening van een aanvraag om tegemoetkoming in planschade gebruik van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.

Artikel 3. Verlaging wettelijk recht

Het wettelijk recht als bedoeld in artikel 6.4, derde lid van de Wro wordt verlaagd uitsluitend ten behoeve van een aanvrager die blijkens de aangifte inkomstenbelasting of andere bescheiden in de twaalf maanden voorafgaand aan het indienen van de aanvraag een inkomen heeft genoten ten bedrage van ten hoogste 110 % van het wettelijk minimumloon, en wordt ten behoeve van hen vastgesteld op € 100,-.

Artikel 4. Opdrachtverstrekking

Binnen twaalf weken na het verstrijken van de termijnen als bedoeld in artikel 6.1.3.1 van het besluit verstrekt het college aan één of meerdere adviseurs gezamenlijk, opdracht om ter zake van een aanvraag advies uit te brengen, tenzij toepassing wordt gegeven aan artikel 6.1.3.1 van het besluit of aan artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht.

Artikel 5. Adviseur of adviescommissie

  • 1. Voor de advisering over de op de aanvraag te nemen beschikking wordt door het college een adviseur aangewezen die beschikt over voldoende deskundigheid inzake advisering op het gebied van planschade;

  • 2. Indien het college van oordeel is dat, gezien de aard, omvang en complexiteit van de aanvraag, behoefte bestaat aan extra deskundigheid op het gebied van planschade, accountancy, financieel economische bedrijfsvoering of ter zake van de waardering van onroerende zaken en van waardevermindering daarvan als gevolg van een van onroerende zaken en van waardevermindering daarvan als gevolg van een planologische verslechtering, wordt door het college een tweede en/of een derde adviseur aangewezen;

  • 3. Bij aanwijzing van meerdere adviseurs vormen deze een adviescommissie, waarvan de in het eerste lid bedoelde adviseur voorzitter is;

  • 4. De adviescommissie wijst uit haar midden een rapporteur aan.

Artikel 6. Deskundigheid en onafhankelijkheid

  • 1. Voordat een persoon als adviseur wordt aangewezen, kan het college verlangen dat deze aantoont op grond van opleiding en ervaring deskundig te zijn met betrekking tot de in artikel 5, eerste en tweede lid, bedoelde aspecten waarop deze persoon de aanvraag moet beoordelen;

  • 2. Een adviseur mag niet werkzaam zijn onder verantwoordelijk van de raad. Eveneens mag een adviseur niet betrokken zijn bij de planologische maatregel waarop de aanvraag betrekking heeft.

Artikel 7. Betrokkenheid aanvrager en andere belanghebbenden bij aanwijzing adviseur of adviescommissie

  • 1. Voordat het college de opdracht tot advisering zoals bedoeld in artikel 2 verstrekt, stelt het college de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet schriftelijk op de hoogte van de aanwijzing van:

    • a.

      een adviseur als bedoeld in artikel 5, eerste lid, of

    • b.

      een adviescommissie als bedoeld in artikel 5, derde lid;

  • 2. De aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet kunnen binnen twee weken na de mededeling als bedoeld in het eerste lid schriftelijk en voldoende gemotiveerd een verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs bij het college indienen;

  • 3. Het college beslist binnen twee weken na het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde termijn over een ingediend verzoek tot wraking van één of meerdere adviseurs.

Artikel 8. Werkwijze adviseur of adviescommissie

  • 1. Het college stelt aan de adviseur of de adviescommissie alle op de aanvraag betrekking hebbende informatie, alsmede de voor de beoordeling daarvan naar het oordeel van de adviseur of van de adviescommissie noodzakelijke bescheiden ter beschikking;

  • 2. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie organiseert één of meerdere hoorzittingen, waar de aanvrager en de gemeentelijke vertegenwoordiger(s) in de gelegenheid worden gesteld de aanvraag toe te lichten, onderscheidenlijk de voor de advisering over de aanvraag relevante informatie te verschaffen, dan wel een standpunt van de gemeente over de aanvraag aan de adviseur of de adviescommissie kenbaar te maken. Eventuele andere betrokken bestuursorganen, alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet worden eveneens in de gelegenheid gesteld hun standpunt kenbaar te maken;

  • 3. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie bepaalt het tijdstip waarop de adviseur of de adviescommissie de situatie ter plaatse zal bezichtigen en nodigt de aanvrager voor de plaatsopneming uit;

  • 4. Ten behoeve van een taxatie van een bij de aanvraag betrokken onroerende zaak, wordt door de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie met de aanvrager een afspraak gemaakt;

  • 5. Van de in het tweede lid bedoelde hoorzitting en van de in het derde lid bedoelde bezichtiging wordt door, dan wel onder verantwoordelijkheid van, de adviseur of de voorzitter van de adviescommissie een verslag gemaakt, dat onderdeel vormt van het uit te brengen advies;

  • 6. Alvorens een advies uit te brengen zendt de adviseur of de adviescommissie binnen twaalf weken na de dagtekening van de opdracht tot advisering een concept daarvan aan de gemeente, aan de aanvrager, aan eventuele andere betrokken bestuursorganen en aan de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet. De adviseur of de voorzitter van de adviescommissie kan deze termijn onder opgaaf van redenen met een daarbij aan te geven termijn met ten hoogste vier weken verlengen;

  • 7. De gemeente, de aanvrager, eventuele andere betrokken bestuursorganen alsmede de belanghebbenden als bedoeld in artikel 6.4a, tweede en derde lid, van de wet worden in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na de toezending van het concept advies schriftelijk hierop te reageren;

  • 8. In het geval tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie binnen vier weken na het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde termijn een advies uit aan het college, waarbij de betreffende reacties zijn betrokken;

  • 9. In het geval geen of niet tijdig reacties zijn ingediend, brengt de adviseur of de adviescommissie binnen twee weken na het verstrijken van de in het achtste lid bedoelde termijn een advies uit aan het college.

Artikel 9. Datum uitbetaling/regeling vergoeding

Indien het college een schadevergoeding vaststelt, bepaalt het de datum vóór welke de vergoeding moet worden uitbetaald of geregeld.

Artikel 10. Overgangsrecht

  • 1. Deze verordening is niet van toepassing ten aanzien van aanvragen om schadevergoeding ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening die zijn ingediend voor 1 september 2005. Ten aanzien van deze aanvragen blijft de ‘Procedureverordening planschadevergoeding 2000’, vastgesteld bij raadsbesluit van 28 september 2000, van toepassing;

  • 2. Deze verordening is niet van toepassing ten aanzien van aanvragen om schadevergoeding ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening die zijn ingediend op of na 1 september 2005 en voor 1 juli 2008 of die ingevolge artikel II, tweede en derde lid, van de wet van 8 juni 2005, Stb. 305, tot wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (verjaring van en heffing bij planschade vergoedingsaanpraken, alsmede planschadevergoedingsovereenkomsten), nog tot 1 september 2010 kunnen worden ingediend. Ten aanzien van deze aanvragen blijft de procedureregeling Almere 2005’, vastgesteld bij collegebesluit d.d. 19 juli 2005, van toepassing.

Artikel 11. Inwerkingtreding

  • 1. Deze verordening treedt in werking op de dag na die van bekendmaking en werkt terug tot en met 1 juli 2008;2

  • 2. Bij de inwerkingtreding van deze verordening vervallen:

    • a.

      de ‘Procedureverordening planschadevergoeding 2000’, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 28 september 2000 met dien verstande dat deze van toepassing blijft op aanvragen zoals bedoeld in artikel 10 lid 1 (tweede volzin) van deze verordening;

    • b.

      de ‘Verordening tot wijziging van recht als bedoeld in artikel 49 derde lid Wet op de Ruimtelijke Ordening’, vastgesteld bij raadsbesluit d.d. 15 september 2005.

Artikel 12. Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als “Planschadeverordening Almere 2008”.

Ondertekening

Almere, 19 maart 2009
De raad voornoemd,
De griffier,
De voorzitter,
J.D. Pruim A. Jorritsma-Lebbink