Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Beesel

Verordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen Beesel

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieBeesel
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen Beesel
CiteertitelVerordening onroerendezaakbelastingen Beesel
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerpOnroerendezaakbelastingen

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze verordening vervangt de “Verordening onroerendezaakbelastingen Beesel”, zoals vastgesteld op 7 december 2015.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Gemeentewet, art. 220

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-2017nieuwe regeling

12-12-2016

Gemeenteblad, 2016, nr. 179085

Onbekend.

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen Beesel

De raad van de gemeente Beesel:

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 14 november 2016;

gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;

b e s l u i t :

Vast te stellen de:

Verordening op de heffing en de invordering van onroerendezaakbelastingen Beesel

(Verordening onroerendezaakbelastingen Beesel)

Artikel 1 Belastingplicht

  • 1.

    Onder de naam 'onroerendezaakbelastingen' heffen we twee directe belastingen voor onroerende zaken binnen de gemeente, namelijk gebruikersbelasting en eigenarenbelasting.

  • 2.

    Gebruikersbelasting heffen we van degene die per 1 januari van het jaar een onroerende zaak gebruikt al dan niet door middel van eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht;

  • 3.

    Eigenarenbelasting heffen we van degene die per 1 januari van het jaar genot heeft door middel van eigendom, bezit of beperkt recht van een onroerende zaak.

  • 4.

    Bij gebruikersbelasting hanteren we de volgende uitgangspunten:

    • a.

      Gebruikgever: degene die een deel van)een onroerende zaak in gebruik heeft gegeven;

    • b.

      Gebruiker: degene aan wie dat deel van een onroerende zaak in gebruik is gegeven;

    • c.

      Wanneer een onroerende zaak gedeeltelijk in gebruik is gegeven aan een andere gebruiker, dan heffen we de gebruikersbelasting bij de gebruikgever. De gebruikgever is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op de gebruiker;

    • d.

      Het vorige lid is ook van toepassing wanneer er sprake is van het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik.

  • 5.

    Met degene die genot heeft door middel van eigendom, bezit of beperkt recht, bedoelen we degene die per 1 januari van het jaar in de basisregistratie kadaster als zodanig is vermeld. Dit geldt niet als blijkt dat hij op dat moment op 1 januari van het jaar geen genot heeft door middel van eigendom, bezit of beperkt recht.

Artikel 2 Belastingobject

  • 1.

    Met onroerende zaak bedoelen we de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III van de Wet waardering onroerende zaken.

  • 2.

    Als bij een onroerende zaak de waarde ervan in hoofdzaak als woning kan worden aangemerkt, dan beschouwen we de gehele onroerende zaak als woning. Hierbij gaan we uit van de waarde die op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld.

Artikel 3 Heffingsmaatstaf

  • 1.

    De heffingsmaatstaf is de WOZ-waarde van de onroerende zaak op 1 januari voorafgaand aan het kalenderjaar. Deze waarde stellen we vast op basis van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken;

  • 2.

    Als voor een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op grond van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken, dan bepalen we de heffingsmaatstaf van die onroerende zaak conform de artikelen 17, 18 en 20 van deze wet.

Artikel 4 Vrijstellingen

  • 1.

    De volgende gevallen zijn vrijgesteld van heffing:

    • a.

      Voor land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde cultuurgrond. Daaronder valt mede de open grond en ondergrond van glasopstanden die bedrijfsmatig worden gebruikt voor kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de grond als voedingsbodem te gebruiken

    • b.

      glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a bedoelde grond;

    • c.

      onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van levensbeschouwelijke aard. Hiervan zijn uitgezonderd de delen van zodanige onroerende zaken die dienen als woning;

    • d.

      één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een landgoed dat conform de Natuurschoonwet 1928 als dusdanig is aangewezen en dat voldoet aan de voorwaarden in artikel 8 van het bijbehorende Rangschikkingsbesluit. Hierop zijn uitgezonderd de op het landgoed voorkomende gebouwde eigendommen;

    • e.

      natuurterreinen, die worden beheerd door rechtspersonen met volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend richten op het behoud van natuurschoon. Onder deze natuurterreinen verstaan we onder andere duinen, heidevelden, zandverstuivingen, moerassen en plassen;

    • f.

      openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, met inbegrip van kunstwerken;

    • g.

      waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen. Hierop zijn uitgezonderd de gedeelten van deze werken die dienen als woning;

    • h.

      werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen. Hierop zijn uitgezonderd de gedeelten van deze werken die dienen als woning

    • i.

      werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken.

    • j.

      onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van onderwijs;

    • k.

      straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanige gebouwde eigendommen - niet zijnde gebouwen - welke zijn geplaatst voor het belang van het publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen, banken, abri's, hekken en palen;

    • l.

      plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht. Hierop zijn uitgezonderd de gedeelten van deze onroerende zaken die dienen als woning;

    • m.

      begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria. Hierop zijn uitgezonderd de gedeelten van deze werken die dienen als woning

  • 2.

    De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van die zaken niet het genot heeft door middel van eigendom, bezit of beperkt recht.

  • 3.

    In afwijking van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Artikel 5 Belastingtarieven

De tarieven hebben we opgenomen in de verordening tarieven OZB.

Artikel 6 Wijze van heffing

We heffen de belasting door middel van aanslag.

Artikel 7 Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen worden betaald:

    • a.

      Bij niet-automatische incasso:

    • In twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede een maand later.

    • b.

      Bij automatische incasso:

    • In zoveel gelijke termijnen als er na de maand van dagtekening van het aanslagbiljet nog niet geëindigde maanden in het kalenderjaar overblijven, met dien verstande dat het aantal termijnen tenminste vier en maximaal tien bedraagt.

  • 2.

    In afwijking van het bepaalde in het eerste lid onder b geldt dat de aanslagen moeten worden betaald in twee gelijke betaaltermijnen, ingeval het totaalbedrag van de op het aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar een aanslag bevat, het bedrag van deze aanslag hoger is dan € 20.000,00.

    De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede termijn een maand later.

  • 3.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in dit artikel gestelde termijnen.

Artikel 8 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de onroerendezaakbelastingen.

Artikel 9 Overgangsrecht

De “Verordening onroerendezaakbelastingen Beesel” van 7 december 2015, wordt ingetrokken met ingang van 1 januari 2017, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

Artikel 10 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2017.

Artikel 11 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening onroerendezaakbelastingen Beesel ”.

Aldus vastgesteld door de raad van Beesel in zijn openbare vergadering van 12 december 2016.

griffier,

E.Apeldoorn-Feijts

voorzitter,

P. Dassen - Housen