Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Bernheze

Financiële verordening gemeente Bernheze 2017

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieBernheze
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingFinanciële verordening gemeente Bernheze 2017
CiteertitelFinanciële verordening gemeente Bernheze 2017
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Onbekend

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-2018Nieuwe regeling

14-12-2017

Gemeenteblad

/

Tekst van de regeling

Intitulé

Financiële verordening gemeente Bernheze 2017

 

 

De raad van de gemeente Bernheze besluit, op basis van het bijbehorende voorstel van

burgemeester en wethouders van 17 oktober 2017:

·

Vast te stellen de Financiële verordening gemeente Bernheze 2017;

 

·Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

 

·Artikel 1. Begripsbepaling

·In deze verordening wordt verstaan onder:

  • -

    Administratie het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de organisatie van de gemeente Bernheze en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd.

  • -

    Domein iedere organisatorische eenheid binnen de gemeentelijke organisatie met een eigen rechtstreekse verantwoordelijkheid aan het college.

  • -

    Grondexploitatiecomplex (GREX) een ruimtelijke plan voorzien van een grondexploitatiebegroting.

  • -

    Grondexploitatiebegroting de financiële vertaling van een grondexploitatiecomplex, waarbij de kosten en opbrengsten gefaseerd zijn in de tijd.

  • -

    Facilitair grondbeleid de bouwkavel is in het bezit van een private partij (ontwikkelaar, particulier, etc.) en wordt door deze partij ontwikkeld. De gemeente treedt alleen op als overheid, die de plannen van private partijen faciliteert als daarvoor een bestemmingswijziging noodzakelijk is;

  • -

    Doelmatigheid het streven om met een zo beperkt mogelijke inzet van de beschikbare middelen het gewenste resultaat te bereiken.

  • -

    Doeltreffendheid de mate waarin de beoogde maatschappelijke effecten van het beleid ook daadwerkelijk worden bereikt;

     

·Hoofdstuk 2. Begroting en verantwoording

 

·Artikel 2. Programma-indeling

  • 1.

    De raad kan bij de aanvang van een nieuwe raadsperiode de programma-indeling wijzigen en opnieuw vaststellen.

  • 2.

    De raad stel op voorstel van het college de taakvelden per programma vast.

  • 3.

    De programma-indeling en de taakvelden per programma staan voor de duur van een raadsperiode vast, tenzij er dringende redenen zijn tot wijziging. Bij vaststelling van de begroting worden wijzigingen explicatie vermeld.

  • 4.

    Op voorstel van het college stelt de raad, naast de verplichte beleidsindicatoren bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a van het Besluit Begroting en Verantwoording, aanvullende indicatoren per programma vast indien dit noodzakelijk is om het beleid te monitoren.

 

·Artikel 3.Inrichting begroting en jaarstukken

  • 1.

    Bij de begroting worden onder elk van de programma’s lasten en baten per taakveld opgenomen en bij de jaarstukken worden onder elk van de programma’s de gerealiseerde lasten en baten per taakveld opgenomen. De mutaties reserves worden per programma weergegeven, niet per taakveld.

  • 2.

    Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven. In de meerjarenbegroting wordt van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet voor de drie daarop volgende jaren weergegeven.

  • 3.

    In de jaarrekening bij de toelichting op de balans wordt van de investeringen met een investeringsvolume ≥ € 25.000,- het geautoriseerde investeringskrediet, de uitputting van het geautoriseerde investeringskrediet voor dat jaar en de totale uitputting weergegeven.

 

·Artikel 4. Perspectiefnota (kaders begroting)

  • 1.

    Het college biedt de raad jaarlijks een perspectiefnota aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de drie opvolgende jaren. De raad stelt deze nota uiterlijk de laatste vergadering voor het zomerreces van de raad vast.

  • 2.

    De nota kan, in overleg met de gemeenteraad, achterwege blijven in de jaren waarin er gemeenteraadsverkiezingen plaatsvinden. In de jaren waarin de nota achterwege blijft, presenteert het college een informatienota aan de raad waarin de actule financiële stand van zaken is opgenomen.

 

·Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten

  • 1.

    De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de totale lasten en de totale baten alsook de stortingen en onttrekkingen aan reserves per programma, zoals weergegeven in het overzicht van baten en lasten. Daarnaast autoriseert hij het overzicht algemene dekkingsmiddelen.

  • 2.

    De raad autoriseert met het vaststellen van de programmabegroting de investeringskredieten en geeft aan daarbij aan van welke investeringskredieten de raad op een later tijdstip een apart voorstel wil ontvangen alvorens het krediet definitief wordt geautoriseerd.

  • 3.

    Het college informeert de raad vooraf als ze verwacht dat de lasten van een programma dreigen te overschrijden, de investeringsuitgaven het geautoriseerde investeringskrediet dreigt te overschrijden, of de baten van een programma de geautoriseerde baten dreigen te onderschrijden. De raad geeft aan of hij een voorstel wil voor het wijzigen van de geautoriseerde lasten van het programma, voor het wijzigen van het geautoriseerde investeringskrediet of voor het bijstellen van het beleid.

  • 4.

    Bij de behandeling van de tussentijdse rapportages in de raad doet het college voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde baten en lasten en het wijzigen van geautoriseerde investeringskredieten en het bijstellen van het beleid.

  • 5.

    Voor investeringen waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, legt het college vooraf aan het aangaan van verplichtingen een afzonderlijk investeringsvoorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet aan de raad voor. In het investeringsvoorstel wordt tevens de voorgestelde dekking opgenomen.

  • 6.

    Een voorstel tot autorisatie van een investeringskrediet als bedoeld onder lid 5 kan achteraf plaatsvinden als het investeringsbedrag ≤ € 50.000,- en voldoet aan lid 7, sub a. De structurele consequenties worden in de eerstvolgende Perspectiefnota en/of begroting meegenomen als een onomkeerbaar besluit.

  • 7.

    Het college kan zonder voorafgaande toestemming van de raad beschikken over de post onvoorzien zoals die is opgenomen in de programmabegroting van het lopende jaar onder de volgende voorwaarden:

    • a.

      de beschikking over de post onvoorzien mag uitsluitend betrekking hebben op uitgaven die onvoorzienbaar, onuitstelbaar of onvermijdbaar (de zogenaamde 3 O’s) zijn;

    • b.

      mutaties van eenmalige of structurele lasten of baten, niet zijnde mutaties voortvloeiende uit investeringskredieten, tot en met € 25.000,-;

    • c.

      mutaties van geautoriseerde investeringskredieten tot 10% van het investeringsbedrag of tot een bedrag van € 100.000,-;

    • d.

      voordelen welke niet zijn geraamd worden toegevoegd aan de post onvoorzien;

    • e.

      het college doet zonder voorafgaande toestemming van de raad ten laste van de post onvoorzien geen uitgaven waarvan bekend is of verondersteld mag worden dat daaromtrent belangrijke politieke gevoeligheid bestaat.

    • f.

      indien aanwending van de post onvoorzien structurele financiële consequenties tot gevolg heeft worden deze consequenties in de eerst volgende Perspectiefnota en/of begroting opgenomen als een onomkeerbaar besluit.

  • 8.

    Het college is gemachtigd om zonder voorafgaande toestemming van de raad tot en met een bedrag van € 50.000,- te beschikken over een bestemmingsreserve binnen de door de raad vastgestelde specifieke kaders voor de desbetreffende reserve.

  • 9.

    Via de tussentijdse rapportages en de jaarstukken legt het college verantwoording af aan de raad over de mutaties zoals opgenomen in lid 6, lid 7 en lid 8.

  • 10.

    a. De raad stelt een grondexploitatiecomplex (grex) en grondexploitatiebegroting vast.

    • b.

      De raad verleent het college mandaat tot het vaststellen van een grondexploitatiecomplex en grondexploitatiebegroting indien de grondexploitatie over de gehele looptijd minimaal budgettair neutraal is (met een 0-resultaat, dan wel positief), het risico geen negatieve gevolgen heeft voor het benodigd gemeentelijk weerstandsvermogen en past binnen het bestaande beleid.

    • c.

      De raad draagt de bevoegdheid voor het besluit tot het maken van voorbereidingskosten voor (facilitair) grondbeleid over aan het college.

 

·Artikel 6. Tussentijdse rapportage (Bestuursrapportages)

  • 1.

    Het college informeert de raad door middel van minimaal twee tussentijdse rapportages over de realisatie van de begroting van de gemeente van het lopende boekjaar. De tussentijdse rapportages bevatten een uiteenzetting van de afwijkingen in de uitvoering en de benodigde bijsturing en bijstelling van het beleid.

  • 2.

    In de tussentijdse rapportages worden substantiële afwijkingen op het beleid, voortgang en financiën (ramingen van baten en lasten en investeringskredieten) toegelicht.

  • 3.

    In de tussentijdse rapportages worden geconstateerde en verwachte afwijkingen op de vastgestelde ramingen na wijziging van het saldo van baten en de lasten van taakvelden en investeringskredieten groter dan € 25.000,- toegelicht.

 

·Hoofdstuk 3. Financieel beleid

 

·Artikel 7.Waardering en afschrijving vaste activa

  • 1.

    Materiele vaste activa zijn te onderscheiden in: investeringen met een economisch nut en investeringen met een maatschappelijk nut.

  • 2.

    Investeringen in vaste activa worden onder aftrek van bijdragen van derden geactiveerd.

  • 3.

    Immateriële en materiële vaste activa worden afgeschreven volgens de methodiek en de termijnen zoals vermeld in bijlage 1 ‘Overzicht afschrijvingstermijnen’ bij deze verordening. In principe wordt lineair afgeschreven op basis van economische levensduur tenzij middels gemotiveerd collegebesluit hiervan wordt afgeweken.

  • 4.

    Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht.

  • 5.

    Een saldo voor agio of disagio wordt direct ten laste van de exploitatie gebracht.

  • 6.

    Immateriële en materiële vaste activa met een verkrijgingsprijs van minder dan of gelijk aan € 25.000,- worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen. Deze laatst genoemden worden altijd geactiveerd.

  • 7.

    De afschrijving start op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin het actief in gebruik genomen wordt dan wel verworven wordt.

 

·Artikel 8. Reserves en voorzieningen

  • 1.

    In de begroting en de jaarstukken vindt géén toerekening van rente over reserves en voorzieningen aan de taakvelden plaats.

  • 2.

    Het college biedt ten minste aan het begin van elke nieuwe raadsperiode de raad een nota reserves en voorzieningen aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld. In de nota worden de kaders vermeld voor de reserves en voorzieningen.

 

·Artikel 9.Kostprijsberekening

  • 1.

    Voor het bepalen van de geraamde kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel stelsel van kostentoerekening gehanteerd. Bij deze kostentoerekening worden naast de directe kosten, de overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen voor de financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken.

  • 2.

    Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid betrokken.

  • 3.

    Voor de toerekening van overheadkosten aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken, diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een opslagpercentage op de directe loonkosten gehanteerd. Het opslagpercentage wordt berekend door het totaal van de geraamde overhead (taakveld 0.4) gecorrigeerd met onttrekkingen uit reserves ter dekking van kosten opgenomen op taakveld 0.4 te delen door de som van de totale directe kosten van de economische categorieën 4.110.001 Salarissen en sociale lasten primaire proces, 4.110.061 Salarissen en sociale lasten bestuur, 4.110.008 Salarissen en sociale lasten detachering, 4.351.000 Ingeleend personeel en 4.351.001 Ingeleend personeel IBN gecorrigeerd met onttrekkingen uit reserves, welke zijn verantwoord op de taakvelden, niet zijnde het taakveld overhead.

  • 4.

    Voor de toerekening van rente voor de financiering van de in gebruik zijn de activa, bedoeld in het eerste lid, wordt de renteomslag gehanteerd. De renteomslag wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld. Bij het bepalen van het rentepercentage voor de omslagrente wordt geen rekening gehouden met een rentevergoeding over de reserves en voorzieningen.

  • 5.

    Het percentage van de omslagrente, bedoeld in het vierde lid, wordt bepaald door de totale rentekosten van langlopende leningen en kortlopende leningen te delen door de boekwaarde van de totale activa aan het begin van het boekjaar. Voor bepaling van de totale rentekosten worden de rentekosten voor projectfinancieringen en rentekosten bouwgrondexploitatie uitgesloten en voor bepaling van de boekwaarde van de totale activa worden activa gefinancierd met projectleningen en activa bouwgrondexploitatie uitgesloten.

·

Artikel 10. Vaststelling hoogte belastingen, rechten en heffingen

1.Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de gemeentelijke belastingen, heffingen en leges. De raad stelt de tarieven vast voor 1 januari van het desbetreffende jaar.

 

·Artikel 11. Financieringsfunctie

  • 1.

    Voor de invulling van de financieringsfunctie stelt de raad het Treasurystatuut vast.

  • 2.

    In het Treasurystatuut worden regels opgenomen inzake algemene doelstellingen en de te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie, daaronder begrepen taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening.

 

·Hoofdstuk 4. Paragrafen

 

·Artikel 12. Onderhoud kapitaalgoederen

  • 1.

    Het college biedt ten minste eens in de zes jaar onderhoudsplannen aan voor wegen, bruggen, kunstwerken en openbare verlichting. Het plan geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud en de kosten van het onderhoud. De raad stelt het plan vast.

  • 2.

    Het college biedt de raad ten minste eens in de zes jaar een rioleringsplan aan. Het plan geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de uitbreiding van de riolering en de kosten van het onderhoud en de eventuele uitbreidingen. De raad stelt het plan vast.

  • 3.

    Het college biedt de raad ten minste eens in de zes jaar een onderhoudsplan gemeentelijke gebouwen aan. Het plan bevat voorstellen voor het te plegen onderhoud en de bijbehorende kosten aan de gemeentelijke gebouwen. De raad stelt het plan vast

 

·Artikel 13. Grondbeleid

1.Het college biedt de raad ten minste eens in de zes jaar een nota grondbeleid aan. De raad stelt de nota vast.

·Hoofdstuk 5. Financiële organisatie en financieel beheer

 

·Artikel 14. Administratie

  • 1.

    De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:

    • a.

      het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en in de domeinen;

    • b.

      het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden en contracten;

    • c.

      het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties;

    • d.

      het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving; en

    • e.

      de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving.

 

·Artikel 15. Financiële organisatie

  • 1.

    Het college draagt zorgt voor:

    • a.

      een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de domeinen;

    • b.

      een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden, verantwoordelijkheden;

    • c.

      de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten;

    • d.

      de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie;

    • e.

      de te maken afspraken met de domeinen over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen;

    • f.

      de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van de lasten en baten aan de taakvelden;

    • g.

      het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten; en

    • h.

      het beleid en de interne regels en de toekenning van subsidies aan instellingen.

 

·Artikel 16. Interne controle

1.Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de jaarrekening, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder a van de Gemeentewet, en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de balansmutaties, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder b van de Gemeentewet, voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college maatregelen tot herstel.

·Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

 

·Artikel 17. Intrekken oude verordening en overgangsrecht

  • 1.

    De Financiële verordening gemeente Bernheze 2015, vastgesteld op 11 december 2014, wordt ingetrokken.

  • 2.

    Op investeringen in de openbare ruimte met maatschappelijk nut die voor 1 januari 2017 zijn gedaan, blijft de Financiële verordening gemeente Bernheze 2015 van toepassing zoals deze gold op de dag voor de inwerkingtreding van deze verordening.

 

·Artikel 18. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt met terugwerkende kracht op 1 januari 2017 in werking.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening gemeente Bernheze 2017.

 

·Vastgesteld door de raad van de gemeente Bernheze in zijn openbare vergadering van 14 december 2017.

Jan van den Oever

griffier

Marieke Moorman

voorzitter

· Bijlage 1

·Overzicht afschrijvingstermijnen behorende bij artikel 7

·Indien investeringen worden gedaan, die niet in onderstaande tabellen zijn opgenomen of anderszins afwijken van genoemde termijnen, zal op basis van de dan beschikbare gegevens bij de aanvraag van het investeringskrediet een afschrijvingstermijn worden bepaald. Daarbij zal aansluiting worden gezocht bij de verwachte economische levensduur en/of marktconforme ervaringscijfers. Uitgangspunt is dat afschrijvingstermijnen zo goed als mogelijk aansluiten bij de gemiddelde econonomische levensduur.

·Afschrijvingsbeleid immateriële vaste activa

·Immateriële vaste activa en een verkrijgingsprijs van minder dan of gelijk aan € 25.000,- worden niet geactiveerd.

·De volgende immateriële vaste activa worden lineair afgeschreven in:

Categorieën

Max. afschr.

termijn

m.i.v. 2015

Max. afschr.

termijn

m.i.v. 2017

Bijdrage aan activa in eigendom van derden

(art 61 en 64 BBV)

 

Max. gelijk aan de afschr.termijn van de activa

Kosten voor onderzoek en ontwikkeling

(voorwaarden activatie art. 60 en 64 BBV)

5 jaren

5 jaren

·Afschrijvingsbeleid materiële vaste activa met economisch nut

·Activa met economisch nut en een verkrijgingsprijs van minder dan of gelijk aan € 25.000,- worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen. Gronden en terreinen worden altijd geactiveerd. Op gronden en terreinen wordt niet afgeschreven.

·De volgende materiële vaste activa met economisch nut worden lineair afgeschreven in:

Categorieën

Max. afschr.

termijn

m.i.v. 2015

Max. afschr.

termijn

m.i.v. 2017

Gronden en terreinen

 

 

Grond/ondergrond

Geen

afschrijving

Geen

afschrijving

Woonruimten en bedrijfsgebouwen exclusief grond

 

 

-Nieuwbouw en uitbreiding (permanent) (steen)

40 jaren

40 jaren

-Renovatie en verbouwing

25 jaren

25 jaren

-Nieuwbouw en uitbreiding (semi-permanent c.q. ander materiaal)

20 jaren

20 jaren

-Woonwagens

25 jaren

25 jaren

Begraafplaats

 

 

-Begraafplaatsen

40 jaren

40 jaren

Machines, apparaten en installaties

 

 

-C.V.-installaties

15 jaren

15 jaren

-Beveiligingssystemen

15 jaren

15 jaren

-Overige technische installaties

15 jaren

15 jaren

Overige materiële vaste activa

 

 

-1e inrichting onderwijsgebouwen

20 jaren

20 jaren

-Schoolmeubilair en -inventaris

10 jaren

10 jaren

-Kantoormeubilair en -inventaris

10 jaren

10 jaren

Sport

 

 

-Sporttoestellen en –materialen

10 jaren

10 jaren

-Sportterreinen:

 

 

ØHekwerken en groen van sportvelden

25 jaren

25 jaren

ØGras en drainage van sportvelden

20 jaren

20 jaren

-Kunstgrassportvelden toplaag

11 jaren

11 jaren

-Kunstgrassportvelden fundering

33 jaren

33 jaren

Afvalverwijdering

 

 

-Huisvuilcontainers

20 jaren

20 jaren

Riolering

 

 

-Rioolleidingen en levensduur verlengende renovaties

80 jaren

80 jaren

-Elektromechanische installaties

20 jaren

20 jaren

Vervoermiddelen

 

 

-Zware vervoersmiddelen (overig)

10 jaren

10 jaren

-Lichte vervoersmiddelen (overig)

8 jaren

8 jaren

-Groot materieel openbare werken

15 jaren

15 jaren

-Gladheidbestrijdingsmiddelen

15 jaren

15 jaren

Automatisering

 

 

-Computerapplicaties c.q. software

3 jaren

3 jaren

-Automatisering (hardware)

4 jaren

4 jaren

·Afschrijvingsbeleid materiële vaste activa met maatschappelijk nut

·Activa met maatschappelijk nut en een verkrijgingsprijs van minder dan of gelijk aan € 25.000,- worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen. Gronden en terreinen worden altijd geactiveerd. Op gronden en terreinen wordt niet afgeschreven.

·De volgende materiële vaste activa met maatschappelijk nut worden lineair afgeschreven in:

Categorieën

Max. afschr.

termijn

m.i.v. 2015

Max. afschr.

termijn

m.i.v. 2017

Wegen, straten, pleinen en verkeersmaatregelen

 

 

-Eerste aanleg wegen

30 jaren

30 jaren

-Wegen (herbestraten, reconstructie, verkeersmaatregelen)

30 jaren

30 jaren

-Openbare verlichting:

 

 

ØMasten

50 jaren

50 jaren

ØArmaturen

25 jaren

25 jaren

-Verkeersinstallaties:

 

 

ØMasten en toebehoren

50 jaren

50 jaren

ØArmaturen en regelapparatuur

25 jaren

25 jaren

-Borden en bewegwijzering

10 jaren

10 jaren

-Tunnels en viaducten

40 jaren

40 jaren

Parkeren

 

 

-Parkeervoorzieningen

20 jaren

20 jaren

Bruggen

 

 

-Bruggen

50 jaren

50 jaren

Openbaar groen en recreatie

 

 

-Groenvoorzieningen:

 

 

ØBomen

40 jaren

40 jaren

ØGroen en plantsoenen

20 jaren

20 jaren

ØBanken

15 jaren

15 jaren

-Speeltoestellen

15 jaren

15 jaren

· Toelichting op de artikelen

 

·Artikel 1. Begripsbepaling

·In dit artikel wordt ingegaan op de definitie van diverse begrippen die worden gebruikt in de verordening.

 

·Artikel 2. Programma-indeling

·Dit artikel bevat bepalingen over de inrichting van de begroting en de jaarstukken. De indeling van de programma’s worden door de raad vastgesteld. Het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (hierna: BBV) bepaalt in aanvulling hierop dat de taakvelden aan de programma’s worden toebedeeld. Het eerste en tweede lid regelt dat de raad de programma’s vaststelt en de taakvelden op voorstel van het college aan de programma’s worden toebedeeld. Het derde lid bepaalt dat de programma’s en de taakvelden per programma gedurende een bestuursperiode vast staan en uitsluitend om dringende redenen tussentijds kunnen worden aangepast.

·De Regeling vaststelling beleidsindicatoren, welke zijn grondslag vindt in artikel 25, tweede lid, onder a, van het Besluit Begroting en Verantwoording (hierna: BBV) bepaalt welke beleidsindicatoren de gemeente verplicht moet opnemen per programma. De raad kan op voorstel van het college aanvullende indicatoren opnemen in de begroting. Deze aanvullende indicatoren vinden altijd hun oorsprong in de door de raad vast te stellen (beleids)nota.

·

Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken

·In dit artikel zijn aanvullend op het BBV bepalingen opgenomen voor de inrichting van de begroting. Het artikel bevat de bepaling dat de lasten en baten onder de programma’s in de begroting per taakveld worden opgenomen. In het tweede lid wordt de verplichting in het BBV (artikel 20) om in de begroting aandacht te besteden aan de investeringen nader uitgewerkt door te bepalen dat er bij de uiteenzetting van de financiële positie een overzicht van de investeringen wordt gegeven. Dit is ook nodig om de autorisatie van investeringskredieten mogelijk te maken. Bij investeringen moet ook worden gedacht aan grondexploitaties. In het derde lid wordt voor de jaarrekening het inzicht in de uitputting van investeringskredieten geregeld.

·

Artikel 4. Perspectiefnota (kaders begroting)

·Dit artikel biedt de kaders voor het opstellen van de begroting en de meerjarenraming. Hierin staan een aantal uitgangspunten die het college bij het opstellen van deze stukken in acht moet nemen. Dit in aanvulling op de bepalingen van de artikelen 189 en 193 Gemeentewet en het BBV.

·Het artikel bepaalt dat de gemeenteraad vooraf aan het opstellen van de begroting een perspectiefnota vaststelt waarin de hoofdlijnen voor het beleid en de financiële kaders voor de komende jaren zijn vastgelegd. De kaders geven richting aan het college voor het opstellen van de begroting en de meerjarenraming.

·In de jaren van gemeenteraadsverkiezingen kan er voor gekozen worden geen zelfstandige perspectiefnota uit te brengen maar in plaats daarvan bijv. een informatienota waarin de actuele stand van zaken wordt geschetst.

 

·Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten

·Dit artikel bevat nadere regels voor de autorisatie van de baten en lasten in de begroting en van de investeringskredieten. Autorisatie van de baten en lasten vindt plaats op het niveau van programma’s (eerste lid). Naast lopende uitgaven doet een gemeente investeringen, waaronder investeringen in grondexploitaties. Voor de autorisatie van de investeringskredieten is in het verleden gekozen deze bij de begrotingsbehandeling mee te nemen (tweede lid). Wel kan de raad bij de begrotingsbehandeling aangeven welke investeringskredieten hij op een later tijdstip wenst te autoriseren. Zo kan de raad de autorisatie van politiek belangrijke investeringen combineren met de behandeling van de inhoudelijke kant van het investeringsvoorstel. Het bedrag voor een dergelijke investering blijft wel op de begroting staan als voorziene uitgaaf, maar de raad autoriseert de uitgaaf nog niet. Het college is nog niet bevoegd verplichtingen voor de investering aan te gaan.

·Het college dient belangrijke dreigende overschrijdingen van geautoriseerde lasten en investeringskredieten en dreigende onderschrijdingen van geautoriseerde baten bij het bekend worden aan de raad te melden, zodat de raad kan besluiten of het budget moet worden gewijzigd of dat het beleid moet worden bijgesteld. Het behandelen van de daadwerkelijke begrotingswijzigingen en bijstellingen van beleid worden meegenomen bij de behandeling van de tussentijdse rapportages (vierde lid).

·Het kan voorkomen dat gedurende het begrotingsjaar nieuwe investeringsvoornemens op tafel komen die bij het opstellen van de begroting niet waren voorzien. Het vijfde en zesde lid regelt de autorisatie van de investeringskredieten anders dan bij vaststelling van de begroting.

·Met vaststelling van de begroting wordt het college geautoriseerd uitgaven te doen ten laste van de post onvoorzien. Met deze autorisatie kan het college zorgen voor een soepele voortgang van de bedrijfsvoering en/of besluitvormingstrajecten. In lid 7 zijn de kaders opgenomen waarbinnen het college de post onvoorzien kan inzetten.

·Door uw raad zijn een aantal bestemmingsreserves ingesteld. Met het instellen van een dergelijke reserves wordt het doel van de reserve vastgesteld. Het beschikken over reserves ligt op basis van het budgetrecht primair bij de raad. Met het vaststellen van de begroting is het college bevoegd tot beschikken over de reserves voor maximaal het bedrag opgenomen in de begroting. Op basis van lid 8 is het college gemachtigd, afwijkend van de vastgestelde beschikkingen in de begroting, te beschikken over deze bestemmingsreserves. Daarnaast is door de raad voor bepaalde egalisatiereserves (bijv. reserve Transities) besloten dat het college hierover ten alle tijden mag beschikken binnen het doel waarvoor de reserve beschikbaar is gesteld. In lid 9 is opgenomen dat het college achteraf verantwoording aflegt door middel van de bestuursrapportage over de inzet van post onvoorzien en beschikking over bestemmings- en egalisatiereserves.

·In het nieuwe BBV wordt aanbevolen in de financiële verordening nadere regels op te nemen met betrekking tot de autorisatie van grondexploitaties. Deze nadere regels hebben we opgenomen in de het tiende lid..

·Het startpunt van Bouwgrond in exploitatie (BIE) is het raadsbesluit met de vaststelling van het grondexploitatiecomplex, inclusief grondexploitatiebegroting. Vanaf dat moment wordt de BIE geopend en kunnen kosten worden geactiveerd en bijgeschreven op de voorraadpositie op de balans. Feitelijk betreffen bouwgronden in exploitatie die gronden die zich in het transformatieproces bevinden waarbij in bezit zijnde grond en (eventueel) aanwezige opstallen worden omgevormd naar bouwrijpe grond, met als oogmerk (opnieuw) te worden bebouwd. Overige projecten dienen duidelijk te worden onderscheiden van bouwgronden in exploitatie.

·Voor de versterking van het inzicht in de positie en de werking van het taakveld is de toegankelijkheid van de informatie de afgelopen periode ten aanzien van het grondbeleid verbeterd. Zo wordt de gemeenteraad  twee maal per jaar (bij de begroting en de jaarrekening) uitgebreid geïnformeerd over het taakveld bouwgrondexploitatie, terwijl het MPG (Meerjaren Prognose Grondexploitaties) een verdieping geeft over de stand van zaken van het woningbouwprogramma en de financiële consequenties. Ook tussentijdse wijzigingen worden aan de gemeenteraad gemeld.

·Bij de nota grondbeleid 2013 is bepaald dat alle initiële/eerste grondexploitaties door de raad worden vastgesteld. Daarna worden de exploitaties aangepast/geactualiseerd via de reguliere planning & controlcyclus (dus via begroting en jaarrekening). Het beleidsdeel en de paragraaf grondbeleid uit de bevatten de bouwstenen die de raad in kan zetten om op hoofdlijnen te kunnen sturen. Ook op die momenten wordt de raad dus geïnformeerd over de bouwgrondexploitatie van het betreffende bestemmingsplan. Deze instrumenten maken een integrale sturing en controle mogelijk. De gestelde kaders bij het mandaat (onder lid 10b) zorgen dat geen risico’s worden aangegaan zonder tussenkomst van de raad.

·Door de scherpere afbakening van het startmoment van een grondexploitatiecomplex in combinatie met het afschaffen van en daardoor niet meer kunnen activeren van kosten op nog niet exploitatie genomen grondexploitaties, kunnen (voorbereidings-)kosten die worden gemaakt in de periode vóórdat de grondexploitatie wordt vastgesteld door de gemeenteraad, nog niet op het onderhanden werk worden geactiveerd wanneer de betreffende BIE nog niet operationeel is. Inherent aan de voorbereidingsfase is immers dat er nog geen operationele grondexploitatie is geopend waar deze kosten aan kunnen worden toegerekend. Voorbeelden van dergelijke voorbereidingskosten zijn o.a. bestemmingsplankosten, apparaatskosten voorbereiding en planschadevergoedingen.

·Bij facilitair grondbeleid doet zich dezelfde situatie voor. De gemeente heeft hier echter geen grondpositie. Het exploitatierisico van deze plannen ligt immers bij de initiatiefnemer. Voordat er een (anterieure) overeenkomst is gesloten worden er al voorbereidende kosten gemaakt. Het kan in dit geval nog onzeker zijn of de voorbereiding daadwerkelijk tot een overeenkomst zal leiden. Om deze kosten als "nog te verrekenen"-kosten op te mogen nemen, schrijft het BBV voor, dat hierover een besluit genomen wordt. Op 16 december 2016 nam de gemeenteraad al het besluit om de bevoegdheid om te besluiten om deze voorbereidingskosten bij facilitair grondbeleid te maken te delegeren aan het college.

·In de lijn van het gestelde onder lid 10b van dit artikel past het om het mandaat ook bij het college neer te leggen.

 

·Artikel 6. Tussentijdse rapportage (Bestuursrapportages)

·Een belangrijk onderdeel van de planning- en controlcyclus voor de raad zijn de tussentijdse rapportages. Op basis van de tussentijdse rapportages wordt de raad geïnformeerd over de uitputting van budgetten en investeringskredieten en de voortgang van de uitvoering van het beleid. Het tweede lid bevat bepalingen over de minimale inhoud van de rapportages, waarbij informatie over de grondexploitatie valt onder de investeringskredieten.

·Het derde lid bepaalt welke afwijkingen ten opzichte van de begroting het college in de tussentijdse rapportage moet toelichten.

 

·Artikel 7.Waardering en afschrijving vaste activa

·In het tweede lid, onder a, van artikel 212 Gemeentewet is opgenomen dat de financiële verordening in elk geval de regels voor waardering en afschrijving van activa bevat. Hieraan is in dit artikel invulling gegeven. Voor de bepalingen over afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen van de immateriële en materiële vaste activa wordt in de verordening verwezen naar bijlage 1 ‘Overzicht afschrijvingstermijnen’. In de bijlage zijn naast de methodiek de afschrijvingstermijnen voor de verschillende categorieën immateriële vaste activa, materiële vaste activa met economisch nut en materiële vaste activa met maatschappelijk nut opgenomen.

·Het betreffen maximale afschrijvingstermijnen. Van een maximale afschrijvingstermijn kan naar beneden worden afgeweken. Reden hiervoor is dat de levensduur van bijvoorbeeld nieuwe riolering langer is dan die van oude riolering. Door het opnemen van maximale afschrijvingstermijn kan voor oude riolering een kortere afschrijvingstermijn worden toegepast zonder hiervoor in de verordening een aparte bepaling op te nemen. Vanaf 1 januari 2017 is ook het activeren van investeringen met maatschappelijk nut verplicht.

·Het BBV laat een aanzienlijke beleidsvrijheid aan gemeenten voor het zelf vaststellen van de eigen afschrijvingsmethodieken en afschrijvingstermijnen. Natuurlijk geldt hierbij wel het criterium dat gemeenten de afschrijvingsmethodiek en afschrijvingstermijn van een actief moeten afstemmen op de verwachte levensduur. Indien dit wordt nagelaten, wordt het getrouwe beeld van de jaarrekening aangetast. Voor bepaling van de gebruiksduur hanteren we de economische levensduur. De economische levensduur is in de regel lager dan de technische levensduur. Geredeneerd vanuit het voorzichtigheidsprincipe moet de economische levensduur als basis dienen voor de afschrijvingstermijnen.

 

·Artikel 8. Reserves en voorzieningen

·Met het nieuwe BBV met ingang van 2017 moeten de overheadkosten apart worden verantwoord. Daarom is het noodzakelijk geworden kostprijzen van rechten en heffingen en van gemeentelijke goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, extracomptabel te onderbouwen. Daarmee vervalt ook de noodzaak de rentevergoeding over reserves en voorzieningen in de begroting en de jaarstukken aan de taakvelden toe te rekenen. Het eerste lid bepaalt daarom, dat voor de toerekening van rentelasten en rentebaten in de begroting en de jaarstukken aan de taakvelden geen rentevergoeding over reserves en voorzieningen wordt meegenomen.

·Het tweede lid bepaalt dat het college periodiek een Nota reserves en voorzieningen aan de raad aanbiedt. Met het vaststellen van deze nota stelt de raad de kaders vast voor de vorming van reserves en voorzieningen.

 

·Artikel 9.Kostprijsberekening

·Artikel 212 Gemeentewet bepaalt in het tweede lid, onder b, dat de verordening in ieder geval de grondslagen bevat voor de berekening van de door het gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en tarieven voor rechten als bedoeld in artikel 229b en heffingen als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. De grondslagen voor de prijzen die de gemeente bij overheidsbedrijven en derden in rekening brengt en voor de tarieven van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden gevormd door de opbouw van de kostprijs. Met de herziening van het BBV met ingang van 2017 moeten de overheadkosten apart worden verantwoord. De overheadkosten worden dus niet meer doorberekend aan de taakvelden. Daarmee vervalt de mogelijkheid om de integrale kostprijzen in de administratie van de baten en lasten op taakvelden van de begroting en de jaarstukken in beeld te brengen. De kostprijzen moeten daarom extracomptabele worden berekend en vastgelegd.

·Het eerste lid bepaalt, dat de kostprijsberekeningen extracomptabel worden vastgelegd en dat de kostprijzen bestaan uit de directe kosten en een opslag voor overhead en voor de rente over de inzet van vreemd vermogen voor de financiering van (vaste) activa die voor desbetreffende rechten en heffingen en voor de desbetreffende goederen, werken en diensten worden ingezet.

·Het tweede lid bepaalt, dat ook bijdragen aan en onttrekkingen van voorziening voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa worden betrokken bij de kostprijsberekening. Voor de gemeentelijke rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht zoals de rioolheffing en afvalstoffenheffing, worden in de kostprijsberekening ook de compensabele BTW en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid meegenomen.

·Het derde lid geeft de definitie van de kostenverdeelsleutel voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijzen van rechten en heffingen waarmee de gemeente kosten in rekening brengt zoals de afvalstoffenheffing, en voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijzen van goederen, werken en diensten die door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden geleverd.

·Het vierde, vijfde lid handelen over de toerekening van rente over de inzet van vreemd vermogen voor de financiering van activa aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en aan de kostprijs van goederen, werken en diensten die overheidsbedrijven en derden worden geleverd.

 

·Artikel 10. Vaststelling hoogte belastingen, rechten en heffingen

·Het vaststellen van de tarieven voor belastingen, rechten, leges en heffingen is een bevoegdheid van de raad. Deze bevoegdheid kan niet worden gedelegeerd (artikel 156 van de gemeentewet). Dit artikel bepaalt dat de raad de tarieven voor de belastingen, riool- en afvalstoffenheffing, leges. etc. jaarlijks vaststelt.

 

·Artikel 11. Financieringsfunctie

·Artikel 212 Gemeentewet bevat de bepaling dat de financiële verordening in elk geval regels voor de algemene doelstelling en de te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie bevat. In Bernheze zijn deze regels en richtlijnen opgenomen in het treasurystatuut, welke door de raad wordt vastgesteld.

 

·Artikel 12. Onderhoud kapitaalgoederen

·In het BBV staat in artikel 12, welke informatie de paragraaf onderhoud kapitaalgoederen in elk geval moet bevatten.

·Dit artikel bevat de bepaling dat het college ten minste eens in de zes jaar de raad onderhoudsplannen aanbiedt over het onderhoud openbare ruimte, het onderhoud riolering en het onderhoud gebouwen. Hiermee kan de raad de kaders voor het toekomstig onderhoudsniveau vaststellen.

 

·Artikel 13. Grondbeleid

·Dit artikel bepaalt dat het college minstens eens in de zes jaar aan de raad een Nota grondbeleid aanbiedt. Met de nota kan de raad de kaders voor het toekomstig grondbeleid vaststellen.

 

·Artikel 14. Administratie

·In dit artikel zijn algemene bepalingen opgenomen voor de inrichting van de gemeentelijke administratie. Op hoofdlijnen wordt opgedragen welke gegevens systematisch moeten worden vastgelegd en aan welke eisen deze gegevens en de vastlegging er van moeten voldoen.

·

Artikel 15. Financiële organisatie

·Dit artikel geeft de uitgangspunten voor de financiële organisatie en draagt het college op hiervoor zorg te dragen. Het college is op grond van artikel 160 Gemeentewet bevoegd regels te stellen over de ambtelijke organisatie. Deze bevoegdheid betreft ook het stellen van regels voor de financiële organisatie, blijkt uit het advies van de Raad van State en het Nader rapport uit 2003 over de wijziging van artikel 212 Gemeentewet.

·In dit artikel wordt een opsomming gegeven op welke terreinen van de financiële organisatie het college beleid en interne regels moet stellen.

·De uitgangspunten voor de financiële organisatie zijn nodig om voor het financieel beheer en beleid aan de eisen voor rechtmatigheid, controle en verantwoording te voldoen. Ze creëren de randvoorwaarden waarop de interne controle en de accountantscontrole kan steunen bij het onderzoek naar de rechtmatigheid van de beheershandelingen en getrouwheid van de jaarrekening.

 

·Artikel 16. Interne controle

·De accountant toetst jaarlijks of de gemeenterekening een getrouw beeld geeft van de gemeentelijke financiën en of de (financiële) beheershandelingen die eraan ten grondslag liggen rechtmatig zijn verlopen. Dit artikel draagt het college op maatregelen te treffen opdat gedurende het jaar of vooraf aan de accountantscontrole de gemeente zelf nagaat of de cijfers in de administraties een getrouw beeld geven en of de financiële beheershandelingen die aan de baten, de lasten en de balansmutaties ten grondslag liggen rechtmatig (zijn) verlopen.

 

·Artikel 17. Intrekken oude verordening en overgangsrecht

·Bij het inwerkingtreding van de nieuwe verordening moet de oude worden ingetrokken. De nieuwe verordening is van toepassing op alle stukken die betrekking hebben op het begrotingsjaar 2017 en later.

·Met ingang van 1 januari 2017 gelden vanwege de wijzigingen van het BBV andere bepalingen voor het activeren en afschrijven van nieuwe investeringen met maatschappelijk nut. In het tweede lid van artikel 17 is een overgangsbepaling opgenomen. Voor investeringen met maatschappelijk nut voor 2017 zijn de bepalingen uit de financiële verordening 2015 nog van kracht.

·

Artikel 18. Inwerkingtreding en citeertitel

·In dit artikel wordt de citeertitel gegeven, waarmee men in de gemeentelijke stukken naar deze verordening kan verwijzen.