Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Bernheze

VERORDENING OP DE HEFFING EN DE INVORDERING VAN ONROERENDE-ZAAKBELASTINGEN BERNHEZE 2019

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieBernheze
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVERORDENING OP DE HEFFING EN DE INVORDERING VAN ONROERENDE-ZAAKBELASTINGEN BERNHEZE 2019
CiteertitelVerordening onroerendezaakbelastingen
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerpOnroerende zaakbelasting

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

artikel 220 van de Gemeentewet

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-2019Nieuwe regeling

13-12-2018

gmb-2019-81

1293910/129687

Tekst van de regeling

Intitulé

VERORDENING OP DE HEFFING EN DE INVORDERING VAN ONROERENDE-ZAAKBELASTINGEN BERNHEZE 2019

 

 

 

De raad van de gemeente Bernheze besluit, op basis van het bijbehorende voorstel van

burgemeester en wethouders van 6 november 2018:

gelet op de artikelen 220 tot en met 220h van de Gemeentewet;

vast te stellen de volgende verordening:

VERORDENING OP DE HEFFING EN DE INVORDERING VAN ONROERENDEZAAKBELASTINGEN

BERNHEZE 2019

Artikel 1: Belastingplicht

1. Onder de naam “Onroerende-zaakbelastingen” worden terzake van binnen de

gemeente gelegen onroerende zaken twee directe belastingen geheven:

a. een gebruikersbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar een

onroerende zaak die niet in hoofdzaak tot woning dient, al dan niet krachtens

eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt, verder te noemen:

gebruikersbelasting;

b. een eigenarenbelasting van degene die bij het begin van het kalenderjaar van

een onroerende zaak het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt

recht, verder te noemen: eigenarenbelasting.

2. Bij de gebruikersbelasting wordt:

a. gebruik door degene aan wie een deel van een onroerende zaak in gebruik is

gegeven, aangemerkt als gebruik door degene die dat deel in gebruik heeft

gegeven; degene die het deel in gebruik heeft gegeven is bevoegd de belasting

als zodanig te verhalen op degene aan wie dat deel in gebruik is gegeven;

b. het ter beschikking stellen van een onroerende zaak voor volgtijdig gebruik

aangemerkt als gebruik door de degene die de onroerende zaak ter

beschikking heeft gesteld; degene die de onroerende zaak ter beschikking heeft

gesteld is bevoegd de belasting als zodanig te verhalen op degene aan wie de

zaak ter beschikking is gesteld.

3. Voor de eigenarenbelasting wordt als genothebbende krachtens eigendom, bezit of

beperkt recht aangemerkt degene die bij het begin van het kalenderjaar als zodanig in

de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen

genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

Artikel 2: Belastingobject

1. Als onroerende zaak wordt aangemerkt de onroerende zaak, bedoeld in hoofdstuk III

van de Wet waardering onroerende zaken.

2. Een onroerende zaak dient in hoofdzaak tot woning indien de waarde die op grond van

hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken is vastgesteld voor die

onroerende zaak in hoofdzaak kan worden toegerekend aan delen van die onroerende

zaak die dienen tot woning dan wel volledig dienstbaar zijn aan woondoeleinden.

Artikel 3: Maatstaf van heffing

1. De heffingsmaatstaf is de op de voet van hoofdstuk IV van de Wet waardering

onroerende zaken voor de onroerende zaak vastgestelde waarde voor het kalenderjaar

bedoeld in artikel 1.

2. Indien met betrekking tot een onroerende zaak geen waarde is vastgesteld op de voet

van hoofdstuk IV van de Wet waardering onroerende zaken wordt de heffingsmaatstaf

van die onroerende zaak bepaald met overeenkomstige toepassing van het bepaalde

bij of krachtens de artikelen 17, 18 en 20, tweede lid, van de Wet waardering

onroerende zaken.

Artikel 4: Vrijstellingen

1. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf buiten

aanmerking gelaten, voor zover dit niet reeds is geschied bij de bepaling van de in dat

artikel bedoelde waarde, de waarde van:

a. ten behoeve van de land- of bosbouw bedrijfsmatig geëxploiteerde

cultuurgrond, daaronder mede begrepen de open grond, alsmede de

ondergrond van glasopstanden, die bedrijfsmatig aangewend wordt voor de

kweek of teelt van gewassen, zonder daarbij de ondergrond als voedingsbodem

te gebruiken;

b. glasopstanden, die bedrijfsmatig worden aangewend voor de kweek of teelt van

gewassen, voor zover de ondergrond daarvan bestaat uit de in onderdeel a

bedoelde grond;

c. onroerende zaken die in hoofdzaak zijn bestemd voor de openbare eredienst of

voor het houden van openbare bezinningssamenkomsten van

levensbeschouwelijke aard, een en ander met uitzondering van delen van

zodanige onroerende zaken die dienen als woning;

d. één of meer onroerende zaken die deel uitmaken van een op voet van de

Natuurschoonwet 1928 aangewezen landgoed dat voldoet aan de in artikel 1,

derde lid, onderdeel b, van die wet bedoelde voorwaarden met uitzondering van

de daarop voorkomende gebouwde eigendommen;

e. natuurterreinen, waaronder mede worden verstaan duinen, heidevelden,

zandverstuivingen, moerassen en plassen, die door rechtspersonen met

volledige rechtsbevoegdheid welke zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het

behoud van natuurschoon ten doel stellen, beheerd worden;

f. openbare land- en waterwegen en banen voor openbaar vervoer per rail, een

en ander met inbegrip van kunstwerken;

g. waterverdedigings- en waterbeheersingswerken die worden beheerd door

organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke rechtspersonen, met

uitzondering van de delen van zodanige werken die dienen als woning;

h. werken die zijn bestemd voor de zuivering van riool- en ander afvalwater en die

worden beheerd door organen, instellingen of diensten van publiekrechtelijke

rechtspersonen, met uitzondering van de delen van zodanige werken die

dienen als woning;

i. werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder

dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die

niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken;

j. onroerende zaken voor zover die bestemd zijn te worden gebruikt voor de

publieke dienst van de gemeente, met uitzondering van delen van zodanige

onroerende zaken die bestemd zijn te worden gebruikt voor het geven van

onderwijs;

k. straatmeubilair, waaronder begrepen alle zodanig gebouwde eigendommen –

niet zijnde gebouwen – welke zijn geplaatst ten gerieve of in het belang van het

publiek, ten dienste van het verkeer of ter verfraaiing van de gemeente, zoals

lichtmasten, verkeersinstallaties, standbeelden, monumenten, fonteinen,

banken, abri’s, hekken en palen;

l. plantsoenen, parken en waterpartijen, die bij de gemeente in beheer zijn of

waarvan de gemeente het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt

recht, met uitzondering van delen van zodanige onroerende zaken die dienen

als woning;

m. begraafplaatsen, urnentuinen en crematoria, met uitzondering van delen van

zodanige onroerende zaken die dienen als woning.

2. De vrijstelling met betrekking tot de in onderdeel j van het eerste lid bedoelde

onroerende zaken voor de eigenarenbelasting geldt niet voor zover de gemeente van

die zaken niet het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht.

3. In afwijking in zoverre van artikel 3 wordt bij de bepaling van de heffingsmaatstaf voor

de gebruikersbelasting buiten aanmerking gelaten de waarde van gedeelten van de

onroerende zaak die in hoofdzaak tot woning dienen dan wel in hoofdzaak dienstbaar

zijn aan woondoeleinden.

4. De belasting bedoeld in artikel 1 lid 1 onder a wordt niet geheven ten aanzien van

bouwterreinen.

Artikel 5: Belastingtarieven

1. Het tarief van de belasting bedraagt een percentage van de heffingsmaatstaf. Het

percentage bedraagt voor:

a. de gebruikersbelasting 0,2271%;

b. bij de eigenarenbelasting:

- voor onroerende zaken die in hoofdzaak tot woning dienen 0,1232%;

- voor onroerende zaken die niet in hoofdzaak tot woning dienen

0,2882%.

2. Voor belastingbedragen tot € 5,00 vindt geen invordering plaats.

3. voor de toepassing van het bepaalde in het tweede lid wordt het totaal van de op een

aanslagbiljet verenigde verschuldigde bedragen onroerende-zaakbelastingen of andere

heffingen aangemerkt als één belastingbedrag.

Artikel 6: Wijze van heffing

De belastingen worden bij wege van aanslag geheven.

Artikel 7: Ontstaan van de belastingschuld

De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar.

Artikel 8: Termijnen van betaling

1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen

worden betaald in twee gelijke termijnen, waarvan de eerste vervalt op de laatste dag

van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is

vermeld en de tweede twee maanden later.

2. In afwijking van het eerste lid moeten, indien een machtiging voor automatische incasso

is afgegeven en zolang de verschuldigde bedragen via automatische incasso kunnen

worden afgeschreven, de aanslagen worden betaald in tien gelijke maandelijkse

termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op die

van de dagtekening van het aanslagbiljet en de volgende termijnen telkens een maand

later.

3. In afwijking van het tweede lid is betaling via automatische incasso alleen mogelijk voor

zover het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde belastingaanslagen en

bestuurlijke boetes minder is dan € 5.000,00.

4. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden

gestelde termijnen.

Artikel 9: Nadere regels door het Dagelijks Bestuur

Het Dagelijks Bestuur van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant kan nadere regels geven

met betrekking tot de heffing en de invordering van onroerende-zaakbelastingen.

Artikel 10: Overgangsbepaling, inwerkingtreding en citeertitel

1. De Verordening Onroerende-zaakbelastingen Bernheze 2018 van 15 maart 2018 wordt

ingetrokken met ingang van de in het derde lid genoemde datum van ingang van de

heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich

voor die datum hebben voorgedaan.

2. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de

bekendmaking..

3. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2019.

4. Deze verordening wordt aangehaald als ‘Verordening Onroerende-zaakbelastingen

Bernheze 2019’.

Vastgesteld door de raad van de gemeente Bernheze in zijn openbare vergadering van

13 december 2018.

Leandra Kilian Marieke Moorman

Plv. griffier Voorzitter