Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Boxmeer

Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffingen Boxmeer 2018

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieBoxmeer
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening op de heffing en de invordering van rioolheffingen Boxmeer 2018
CiteertitelVerordening rioolheffingen Boxmeer 2018
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

artikel 228a van de Gemeentewet

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

27-12-201701-01-2019Nieuwe regeling

14-12-2017

Website gemeente Boxmeer, 19 december 2017

Z/17/662547

Tekst van de regeling

Intitulé

Gemeente Boxmeer

Onderwerp:

Vaststelling van de verordening rioolheffingen Boxmeer 2018.

Nummer:

7f.

De raad van de gemeente Boxmeer;

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 24 oktober 2017;

gelet op artikel 228a van de Gemeentewet;

B E S L U I T :

vast te stellen de volgende verordening:

Verordening op de heffing en de invordering van rioolheffingen Boxmeer 2018

(Verordening rioolheffingen Boxmeer 2018)

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:

  • 1.

    perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan;

  • 2.

    gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;

  • 3.

    verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft;

  • 4.

    water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater.

Artikel 2 Aard van de belasting

Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van dekosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

1.de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater,alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en

2.de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Artikel 3 Belastbaar feit en belastingplicht

  • 1.

    De belasting wordt geheven:

    • a.

      van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat direct of indirect is aangesloten op de gemeentelijke riolering, verder te noemen: eigenarendeel; en

    • b.

      van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op degemeentelijke riolering wordt afgevoerd, verder te noemen: gebruikersdeel.

2.Met betrekking tot het eigenarendeel wordt, ingeval het perceel een onroerendezaak is, als genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt rechtaangemerkt degene die bij het begin van het belastingjaar als zodanig in dekadastrale registratie is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geengenothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

3.Met betrekking tot het gebruikersdeel, wordt als gebruiker aangemerkt:

  • a.

    degene die naar de omstandigheden beoordeeld het perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt;

  • b.

    ingeval een gedeelte van een perceel - niet een gedeelte als bedoeld in artikel 4 - voor gebruik is afgestaan: degene die dat gedeelte voor gebruik heeft afgestaan.

Artikel 4 Zelfstandige gedeelten

Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun indeling bestemd zijnom als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de belasting geheven ter zake vanelk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van diegedeelten tezamen als één geheel worden gebruikt, deze als één perceel wordenaangemerkt.

Artikel 5 Maatstaf van heffing

  • 1.

    Het eigenarendeel wordt geheven naar een vast bedrag per perceel.

  • 2.

    Het gebruikersdeel wordt geheven naar het aantal kubieke meters water dat vanuit het perceel wordt afgevoerd.

  • 3.

    Het aantal kubieke meters water wordt gesteld op het aantal kubieke meters leidingwater, grondwater en oppervlaktewater dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend.

  • 4.

    Ingeval gebruik wordt gemaakt van een pompinstallatie moet die pompinstallatie zijn voorzien van een:

    • a.

      watermeter, waarvan de hoeveelheid opgepompt water kan worden afgelezen, of

    • b.

      bedrijfsurenteller, waarvan het aantal uren dat een pompinstallatie met vaste capaciteit in bedrijf is geweest kan worden afgelezen.

De eerste volzin is niet van toepassing indien vaststelling van de hoeveelheid opgepompt water geschiedt op grond van enige andere wettelijke bepaling.

5.De op de voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is afgevoerd.

Artikel 6 Belastingtarieven

    • 1.

      Het eigenarendeel bedraagt € 100,78

    • 2.

      Het gebruikersdeel bedraagt voor elke kubieke meters water, bij een hoeveelheid water:

    • a.

      van 0 m³ tot en met 999 m³: € 0,95

    • b.

      van 1.000 m³ tot en met 9.999 m³: € 0,74

    • c.

      van 10.000 m³ tot en met 14.999 m³: € 0,66

    • d.

      van 15.000 m³ tot en met 19.999 m³: € 0,56

    • e.

      van 20.000 m³ tot en met 49.999 m³: € 0,46

    • f.

      van 50.000 m³ tot en met 99.999 m³: € 0,28

    • g.

      van 100.000 m³ tot en met 149.999 m³: € 0,04

    • h.

      van 150.000 m³ of meer: € 0,01

Artikel 7 Belastingtijdvak

  • 1.

    Het belastingtijdvak is in de gevallen waarin de heffing door middel van afrekeningen van Brabant Water N.V. plaatsvindt de verbruiksperiode zoals die voor de betrokken belastingplichtige voor het desbetreffende belastingobject.

  • 2.

    In andere gevallen dan in het eerste lid bedoeld is het belastingtijdvak gelijk aan het kalenderjaar.

Artikel 8 Wijze van heffing

  • 1.

    De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, wordt geheven bij wege van aanslag.

  • 2.

    Indien in het belastingtijdvak vanuit een eigendom minder dan 1.000 kubieke meter afvalwater is of wordt afgevoerd wordt de belasting bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, geheven bij wege van een gedagtekende schriftelijke kennisgeving. Deze kan worden gesteld op de afrekening van Brabant Water N.V.. Als dagtekening van de kennisgeving geldt in dat geval de dagtekening van de afrekening. Als kennisgeving van voorlopig gevorderde bedragen wordt aangemerkt de voorschotnota van Brabant Water N.V. of de kennisgeving op andere wijze van betaling van voorschotbedragen.

  • 3.

    De voorlopig gevorderde bedragen worden met het definitief gevorderde bedrag verrekend.

  • 4.

    Indien de belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, niet kan worden geheven door middel van de kennisgeving als bedoeld in het tweede lid wordt de belasting geheven door middel van een aanslag.

Artikel 9 Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

  • 1.

    De belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a., is verschuldigd bij de aanvang van het belastingjaar.

  • 2.

    Indien de belastingplicht met betrekking tot het gebruik van het perceel voor de belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd met ingang van de dag waarop dat perceel in gebruik wordt genomen.

  • 3.

    Indien de belastingplicht met betrekking tot het gebruik van het perceel voor de belasting als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel b, in de loop van het belastingjaar eindigt, is de belasting verschuldigd tot en met de dag waarop het gebruik van dat perceel wordt beëindigd.

Artikel 10 Termijnen van betaling

  • 1.

    In afwijking van artikel 9, eerste lid van de Invorderingswet 1990 moeten de aanslagen bedoeld in artikel 7, eerste lid, worden betaald uiterlijk op de laatste dag van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld.

  • 2.

    In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, ingeval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, meer is dan € 35,00, doch minder is dan € 4.000,00, dat de aanslagen moeten worden betaald in drie gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

  • 3.

    In gevallen bedoeld in het tweede lid, geldt in afwijking in zoverre van het aldaar bepaalde, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso van de betaalrekening van de belastingschuldige kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in acht gelijke termijnen waarvan de eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgende op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

  • 4.

    Ingeval het belastingtijdvak de verbruiksperiode is, moet het voorlopig gevorderde bedrag, alsmede het definitief gevorderde bedrag worden betaald met en op dezelfde wijze als die waarop het voorschotbedrag, onderscheidenlijk het definitieve bedrag van de afrekening van Brabant Water N.V. moet worden betaald.

  • 5.

    De Algemene termijnenwet is niet van toepassing op de in de voorgaande leden gestelde termijnen.

Artikel 11 Vrijstellingen

De belasting wordt niet geheven ter zake van percelen die in hoofdzaak worden gebruiktvoor de openbare eredienst of voor openbare bijeenkomsten van genootschappen opgeestelijke grondslag andere dan kerkgenootschappen, die rechtspersoon met volledige

rechtsbevoegdheid zijn, voor het gezamenlijk beleven van en zich bezinnen op de aan diegenootschappen ten grondslag liggende levensovertuiging.

Artikel 12 Kwijtschelding

Van de rioolheffing als bedoeld in artikel 6, lid 1, van deze verordening wordt geenkwijtschelding verleend.

Artikel 13 Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekkingtot de heffing en de invordering van de rioolheffing.

Artikel 14 Overgangsrecht

De 'Verordening rioolheffing Boxmeer 2017' van 15 december 2016 wordt ingetrokken met ingang van de in artikel 15, tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die

datum hebben voorgedaan.

Artikel 15 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op de achtste dag na die van de bekendmaking.

  • 2.

    De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2018.

Artikel 16 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als 'Verordening rioolheffingen Boxmeer 2018'.

Aldus besloten door de raad van de gemeente Boxmeer

in zijn openbare vergadering van 14 december 2017.

De raad voornoemd,

de griffier,

de voorzitter,

A.W.J.M. Cornelissen MMC

K.W.T. van Soest