Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Boxtel

Verordening maatschappelijke ondersteuning Boxtel 2017 ev.

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieBoxtel
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening maatschappelijke ondersteuning Boxtel 2017 ev.
CiteertitelVerordening maatschappelijke ondersteuning Boxtel 2017 ev.
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerpWmo

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze regeling vervangt de regeling "Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Boxtel 2015"

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Onbekend

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Onbekend

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-2018Artt. 1.1, 5.2, 6.1 en 9.2

19-12-2017

Gemeenteblad 2017, 230973| 27-12-2017

Onbekend
01-01-201701-01-2018Nieuwe regeling

20-12-2016

Gemeenteblad 183669 (jaargang 2016), 28-12-2016

Onbekend

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening maatschappelijke ondersteuning Boxtel 2017 ev.

 

 

Hoofdstuk 1 Begripsomschrijvingen

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

  • 1.

    In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a.

      algemeen gebruikelijke voorziening

      een voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking, die algemeen verkrijgbaar is en die niet of niet veel duurder is dan vergelijkbare voorzieningen.

    • b.

      bijdrage

      bijdrage in de kosten als bedoeld in artikel 2.1.4 van de wet.

    • c.

      budgetplaneen

      overzicht van de door de cliënt voorgenomen besteding van het te verlenen persoonsgebonden budget.

    • d.

      college

      het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Boxtel.

    • e.

      hoofdverblijf

      de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de cliënt zijn of haar vaste woon- en verblijfplaats heeft en op welk adres de cliënt in de gemeentelijke basisregistratie personen staat ingeschreven of zal staan ingeschreven, dan wel het feitelijk woonadres.

    • f.

      ingezetene

      degene die in de basisregistratie personen staat ingeschreven in de gemeente Boxtel dan wel, indien het een inschrijving van een briefadres in de gemeente Boxtel betreft, degene die zijn feitelijke verblijfplaats in de gemeente Boxtel heeft.

    • g.

      maatwerkvoorziening

      de maatwerkvoorziening als omschreven in artikel 1.1.1 van de wet, te verstrekken als voorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget.

    • h.

      melding

      melding als bedoeld in artikel 2.3.2 eerste lid van de wet.

    • i.

      PGB

      persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet.

    • j.

      de Toegang

      het door het college aangewezen loket / sociaal team voor de toegang tot de Wmo 2015.

    • k.

      voorliggendevoorziening

      een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, die gezien haar aard en doel geacht wordt voor de cliënt toereikend en passend te zijn.

    • l.

      wet

      Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015).

    • m.

      zzp’er

      zelfstandige zonder personeel die staat ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel als verlener van diensten zoals bedoeld in de wet

  • 2.

    Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet Bestuursrecht.

Hoofdstuk 2 Procedure melding, onderzoek en aanvraag

Artikel 2.1 Melding

De melding kan schriftelijk, mondeling, telefonisch of per e-mail worden gedaan door of namens de cliënt (bijvoorbeeld door een gemachtigde of cliëntondersteuner) bij de Toegang.

Artikel 2.2 De aanvraag

De aanvraag voor een maatwerkvoorziening moet schriftelijk via een door het college vastgesteld aanvraagformulier of een ondertekend onderzoeksverslag plaatsvinden.

Artikel 2.3 Nadere regels

Het college kan nadere regels stellen over de wijze waarop wordt beoordeeld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt.

Artikel 2.4 Medewerkingsverplichting cliënt en huisgenoten

  • 1.

    Het college is in ieder geval bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor de beoordeling van de aanspraak op een maatwerkvoorziening:

    • a.

      de cliënt en diens huisgenoten op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen;

    • b.

      de cliënt en diens huisgenoten op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te laten bevragen en/of onderzoeken.

  • 2.

    De cliënt en diens huisgenoten zijn verplicht medewerking te verlenen aan de oproep als bedoeld in het eerste lid onder a en de bevraging en/of onderzoek als bedoeld in het eerste lid onder b.

Hoofdstuk 3 Te bereiken resultaten

Artikel 3.1 De te bereiken resultaten

De door het college te verstrekken maatwerkvoorzieningen op het gebied van de zelfredzaamheid en maatschappelijk participatie stellen de cliënt in staat:

  • 1.

    Een huishouden te voeren, waaronder wordt verstaan:

    • a.

      het beschikken over een “schoon en leefbaar huis”;

    • b.

      het beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften;

    • c.

      het beschikken over schone en draagbare kleding;

    • d.

      het thuis kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren.

  • 2.

    De woning normaal te kunnen gebruiken, waaronder wordt verstaan:

    • a.

      het bereiken van de woning;

    • b.

      het zich kunnen verplaatsen in en om de woning.

  • 3.

    Zich lokaal te verplaatsen per vervoermiddel.

  • 4.

    Medemensen te ontmoeten en op basis daarvan sociale verbanden aan te gaan.

  • 5.

    Zelf regie te voeren over het dagelijkse leven, waaronder wordt verstaan:

    • a.

      het voeren van regie over de zelfzorghandelingen;

    • b.

      het vermogen heeft tot sociaal functioneren in de dagelijkse leefsituaties, zoals thuis en in relatie met vrienden en familie;

    • c.

      het vermogen heeft om zelf in het structureren van zijn dag te voorzien;

    • d.

      zelf besluiten kan nemen en regie voeren.

  • 6.

    Een dagstructuur te hebben, waaronder wordt verstaan:

    • a.

      het hebben van een zinvolle dagbesteding, gericht op behoud of ontwikkeling van vaardigheden;

    • b.

      het hebben van een evenwichtig dag- en nachtritme.

  • 7.

    Om een huishouden te voeren, zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel neemt het college bij de toekenning van een maatwerkvoorziening over hulp bij het huishouden in ieder geval een besluit over de noodzaak van het verrichten dan wel het bieden van ondersteuning bij de onderstaande taken alsmede de hierbij behorende frequentie, te weten:

    • a.

      de broodmaaltijd bereiden;

    • b.

      het verrichten van licht huishoudelijk werk;

    • c.

      het verrichten van zwaar huishoudelijk werk;

    • d.

      het verzorgen van de was;

    • e.

      het regelen/doen van boodschappen;

    • f.

      de dagelijkse organisatie van het huishouden;

    • g.

      het geven van advies, instructie, voorlichting, gericht op het huishouden.

  • 8.

    Het college houdt hierbij in ieder geval ook rekening met de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt.

  • 9.

    Bij de verlening van een maatwerkvoorziening over hulp bij het huishouden aan een belang hebbende, houdt het college rekening met de gebruikelijke hulp die huisgenoten hierbij kunnen bieden.

  • 10.

    Het college kan ten aanzien van het bepaalde in dit hoofdstuk nadere regels stellen.

Hoofdstuk 4 Beoordeling van de aanspraak

Artikel 4.1 Uitgangspunt beoordeling maatwerkvoorziening

Bij het beoordelen van de aanspraak op een maatwerkvoorziening, neemt het college het onderzoeksverslag, indien aanwezig, als uitgangspunt.

Artikel 4.2 Criteria voor maatwerkvoorziening

  • 1.

    Er bestaat slechts aanspraak op een maatwerkvoorziening voor zover:

    • a.

      deze langdurig noodzakelijk is om de cliënt in staat te stellen tot zelfredzaamheid en/of participatie of te voorzien in de behoefte aan beschermd wonen of opvang;

    • b.

      deze als de goedkoopst passende voorziening aan te merken is.

  • 2.

    Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat:

    • a.

      indien de cliënt geen ingezetene van de gemeente Boxtel is, met uitzondering van beschermd wonen en opvang;

    • b.

      indien de noodzaak tot ondersteuning voor de cliënt redelijkerwijs vermijdbaar was;

    • c.

      indien de noodzaak tot ondersteuning voorzienbaar was, tenzij van de cliënt redelijkerwijs niet verwacht kon worden maatregelen te hebben getroffen die de maatwerkvoorziening overbodig hadden gemaakt;

    • d.

      voor zover de cliënt een beroep kan doen op een voorliggende voorziening of de voorliggende voorziening de kosten van de maatwerkvoorziening als niet noodzakelijk heeft aangemerkt;

    • e.

      indien de maatwerkvoorziening voor de persoon van de cliënt algemeen gebruikelijk is;

    • f.

      voor zover een voorziening als die waarop de aanvraag betrekking heeft reeds eerder in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling is verstrekt en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen, of tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoetkomt in de veroorzaakte kosten;

    • g.

      voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de cliënt voorafgaand aan het moment van aanvragen of het moment van beschikken heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de maatwerkvoorziening noodzakelijk is en als goedkoopst passend aan te merken valt;

    • h.

      indien de aanspraak niet is vast te stellen doordat de cliënt of zijn huisgenoten niet of onvoldoende voldoen aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 2.3.8 lid 1 en 3 van de wet of artikel 2.4;

    • i.

      indien de noodzaak tot het treffen van de voorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid en participatie, geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was voor deze verhuizing.

Artikel 4.3 Criteria in verband met wonen

  • 1.

    Geen aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat voor een cliënt die beperkingen ondervindt in het normale gebruik van de woning en/of het zich verplaatsen in en om de woning indien:

    • a.

      sprake is van een woonvoorziening in woongebouwen die specifiek gericht zijn op mensen met beperkingen en waarvan verwacht mag worden dat:

      • 1.

        reeds voorzieningen zijn getroffen in de gemeenschappelijke ruimten, of

      • 2.

        voorzieningen bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen;

    • b.

      de cliënt niet zijn hoofdverblijf heeft in de woning waarvoor de maatwerkvoorziening wordt aangevraagd;

    • c.

      de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van in de woning gebruikte materialen of de slechte staat van onderhoud;

    • d.

      de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment beschikbare, meest geschikte woning, tenzij er voorafgaand aan de verhuizing schriftelijk toestemming is verleend door het college;

    • e.

      de gevraagde voorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud aan de woning;

    • f.

      de voorziening slechts strekt ter renovatie of ter aanpassing aan de eisen van de tijd;

    • g.

      het gaat om een woningaanpassing van een hostel/pension, kloosters, (trekkers)woonwagens, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen en gehuurde kamers.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening ter compensatie van de beperkingen bij normale gebruik van de woning en het zich verplaatsen in de woning geldt het primaat van verhuizen.

Artikel 4.4 Criteria maatwerkvoorziening voor vervoer

  • 1.

    De ingezetene kan in aanmerking komen voor een vervoersvoorziening, indien hij beperkingen ondervindt in het lokaal verplaatsen en het gebruik van het openbaar vervoer of het bereiken van het openbaar vervoer niet mogelijk is.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening geldt het primaat van de collectieve voorziening, zoals het collectief vervoer.

Artikel 4.5 Criteria beschermd wonen

  • 1.

    Onverminderd de wet en het elders in deze verordening is bepaald kan een cliënt alleen in aanmerking komen voor beschermd wonen indien:

    • a.

      de cliënt een geldende psychiatrische diagnose van een arts kan overleggen, en

    • b.

      de cliënt als direct gevolg van de geldende gediagnostiseerde psychiatrische aandoening een reële noodzaak heeft tot bescherming van zichzelf of zijn omgeving.

  • 2.

    Onverminderd de wet en hetgeen elders in deze verordening is bepaald komt een cliënt niet in aanmerking voor beschermd wonen indien:

    • a.

      de cliënt zelfstandig kan wonen, zonder noodzaak voor specifieke ondersteuning die 24/7 (op afroep) beschikbare bescherming en/of begeleiding vereist, of

    • b.

      de cliënt geen medisch toetsbare psychiatrische diagnose kan overleggen op grond waarvan de noodzaak tot beschermd wonen blijkt, of

    • c.

      de cliënt wel een aantoonbaar gediagnostiseerde behoefte tot een beschermd verblijf heeft, maar waarbij de medische behandeling (nog) op de voorgrond staat en waarbij de cliënt primair onder behandeling staat voor deze aandoening.

Artikel 4.6 Criteria opvang

  • 1.

    Onverminderd de wet en het elders in deze verordening is bepaald kan een cliënt alleen in aanmerking komen voor opvang indien de regio Den Bosch de regio is waarbinnen de opvang van de cliënt het meest kansrijk is.

  • 2.

    Onverminderd de wet en het elders in deze verordening is bepaald komt een cliënt niet in aanmerking voor opvang indien:

    • a.

      de cliënt ondersteuning nodig heeft bij het uitvoeren van alledaagse levensverrichtingen, waaronder persoonlijke verzorging en het verrichten van basale huishoudelijke taken;

    • b.

      de cliënt een fysieke of zintuigelijke beperking heeft waardoor de opvang niet of onvoldoende toegankelijk is;

    • c.

      er duidelijke indicaties bestaan voor dominante verslaving of psychiatrische problematiek die niet door de instelling begeleidt kan worden en / of belastend is voor het samenwonen binnen de voorziening;

    • d.

      de cliënt ernstig verstandelijk beperkt is en daardoor binnen de instelling niet adequaat begeleid kan worden;

    • e.

      de cliënt niet akkoord wenst te gaan met de huisregels en de verblijfsvoorwaarden van de opvanginstelling waaronder het meewerken aan een zekerheidsstelling voor de betaling van de bijdrage;

    • f.

      de cliënt zich (na toegang tot de voorziening) ernstig misdraagt jegens andere cliënten in de opvangvoorziening of jegens de medewerkers van de instelling.

  • 3.

    De cliënt komt, onverminderd de wet en het elders in deze verordening is bepaald, in aanmerking voor vrouwenopvang indien:

    • a.

      de cliënt een vrouw is in de leeftijd van 18 jaar en ouder al dan niet met kinderen, en

    • b.

      de cliënt geen veilig onderdak meer heeft ten gevolge van geweld in huiselijke kring, geweld in afhankelijk relaties, eer-gerelateerd geweld of mensenhandel.

  • 4.

    De cliënt komt, onverminderd de wet en het elders in deze verordening is bepaald, in aanmerking voor crisisopvang indien:

    • a.

      de cliënt 18 jaar en ouder is al dan niet met kinderen, en

    • b.

      de cliënt in een crisissituatie is beland door huisuitzetting en/of te maken heeft met meervoudige problemen.

  • 5.

    De cliënt komt, onverminderd de wet en het elders in deze verordening is bepaald, in aanmerking voor begeleid wonen indien:

    • a.

      de cliënt 18 jaar en ouder is al dan niet met kinderen, en

    • b.

      de cliënt dak- of thuisloos is in de zin van het (nog) niet kunnen hebben van een zelfstandig huurcontract op eigen naam, en

    • c.

      de verblijfsduur van een jaar, met een eventuele gemotiveerde verlenging van een half jaar, niet is verstreken.

Hoofdstuk 5 Persoonsgebonden budget

Artikel 5.1 Criteria persoonsgebonden budget

Het college weigert de verlening van een PGB indien:

  • a.

    de cliënt geen volledig ingevuld budgetplan heeft overgelegd volgens het door het college vast-gestelde model;

  • b.

    de cliënt weigert het budgetplan desgevraagd met het college te bespreken of verschijnt zonder geldige reden niet op de afspraak om het budgetplan te bespreken;

  • c.

    de cliënt, of, indien de cliënt jonger is dan 18 jaar, één van diens ouders of voogden, surseance van betaling heeft aangevraagd of failliet is verklaard;

  • d.

    ten aanzien van de cliënt of, indien de cliënt jonger is dan 18 jaar, ten aanzien van één van diens ouders of voogden, de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard, dan wel een verzoek daartoe bij de rechtbank is ingediend;

  • e.

    de cliënt zich niet heeft gehouden aan bij de verstrekking van een eerder PGB opgelegde verplichtingen;

  • f.

    naar het oordeel van het college onvoldoende aannemelijk is dat met het PGB zal worden voorzien in toereikende ondersteuning van goede kwaliteit;

  • g.

    het ernstige vermoeden bestaat dat de cliënt problemen zal hebben met het omgaan met een PGB;

  • h.

    de cliënt het beheren van het persoonsgebonden budget overlaat aan de aanbieder die de ondersteuning levert of een persoon die werkzaam is bij of voor deze aanbieder.

Artikel 5.2 Hoogte PGB

  • 1.

    De hoogte van een PGB:

    • a.

      wordt vastgesteld aan de hand van een door de cliënt opgesteld plan inzake de besteding van het PGB;

    • b.

      wordt berekend op basis van een prijs of tarief waarmee redelijkerwijs is verzekerd dat het PGB toereikend is om veilige, doeltreffende en kwalitatief goede diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen, die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken, en wordt zo nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering, en

    • c.

      bedraagt niet meer dan de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst passende beschikbare maatwerkvoorziening in natura.

  • 2.

    Het bedrag van het PGB voor hulp bij het huishouden bedraagt maximaal:

    • a.

      100% van het tarief als bedoeld in lid 1 indien de cliënt een zorgorganisatie inschakelt met medewerkers in loondienst met de voor de sector toepasselijke cao (veelal VVT).

    • b.

      84% van het tarief als bedoeld in lid 1 indien de cliënt een zzp’er of zorgorganisatie die een lagere cao hanteert, inschakelt.

    • c.

      66% van het van het tarief als bedoeld in lid 1 indien de cliënt iemand uit het sociaal netwerk inschakelt.

  • 3.

    Het bedrag van het PGB voor begeleiding bedraagt maximaal:

    • a.

      100% van het tarief als bedoeld in lid 1

    • b.

      85% van het tarief als bedoeld in lid 1 indien de cliënt een zzp’er of zorgorganisatie die een lagere cao hanteert, inschakelt.

    • c.

      50% van het tarief als bedoeld in lid 1 indien de cliënt iemand uit het sociaal netwerk inschakelt.

  • 4.

    Het PGB voor dagbesteding bedraagt maximaal:

    • a.

      100% van het tarief als bedoeld in lid 1 indien de cliënt een zorgorganisatie inschakelt met medewerkers in loondienst met de voor de sector toepasselijke cao (veelal VVT).

    • b.

      85% van het tarief als bedoeld in lid 1 indien de cliënt een zzp’er of zorgorganisatie die een lagere cao hanteert, inschakelt.

    • c.

      50% van het tarief als bedoeld in lid 3 indien de cliënt iemand uit het sociaal netwerk inschakelt.

  • 5.

    Het persoonsgebonden budget voor kortdurend verblijf bedraagt maximaal:

    • a.

      100% van het tarief als bedoeld in lid 1 indien de cliënt een zorgorganisatie inschakelt met medewerkers in loondienst met de voor de sector toepasselijke cao (veelal VVT).

    • b.

      85% van het tarief als bedoeld in lid 1 indien de cliënt een zzp’er of een zorgorganisatie die een lagere cao hanteert, inschakelt.

    • c.

      30% van het tarief als bedoeld in lid 1 indien de cliënt iemand uit het sociaal netwerk inschakelt.

  • 6.

    Het PGB voor beschermd wonen bedraagt maximaal:

    • a.

      100% van het tarief als bedoeld in lid 1 voor beschermd wonen all-inclusive.

    • b.

      75% van het tarief als bedoeld in lid 1 voor beschermd wonen thuis.

    • c.

      40% van het tarief als bedoeld in lid 1 voor beschermd wonen begeleid.

  • 7.

    De hoogte van een PGB voor hulpmiddelen en woningaanpassingen bedraagt maximaal de huur- dan wel aanschafprijs van de goedkoopst passende maatwerkvoorziening, inclusief onderhoud, reparatie en verzekering, zoals die door het college aan de aanbieder zou zijn verschuldigd.

  • 8.

    Het College kan met betrekking tot de hoogte van een PGB nadere regels vaststellen.

Artikel 5.3 Verplichtingen

De cliënt, aan wie een PGB is verstrekt, maakt met de hulpverlener of aanbieder in een schriftelijke overeenkomst tenminste afspraken over het resultaat van de maatschappelijke ondersteuning, de kwaliteit en de wijze van declareren.

Artikel 5.4 Controle en verantwoording

Het college onderzoekt uit oogpunt van kwaliteit van de geleverde zorg, al dan niet steekproefsgewijs, de bestedingen van PGB’s.

Hoofdstuk 6 Bijdrage in de kosten

Artikel 6.1 Maatwerkvoorziening

  • 1.

    De cliënt is een bijdrage verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura of PGB.

  • 2.

    De bijdrage voor een maatwerkvoorziening wordt vastgesteld conform het landelijk Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 met dien verstande dat het college nadere regels kan vaststellen die leiden tot een verlaging van de bijdrage door aanpassing van de basisbedragen, de inkomensbedragen of de percentages uit het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

  • 3.

    De bijdrage voor een maatwerkvoorziening in natura of PGB voor een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is verschuldigd door de in artikel 2.1.5 van de wet genoemde persoon of personen.

  • 4.

    De bijdrage voor opvang wordt vastgesteld en geïnd door de instelling waar de cliënt verblijft.

  • 5.

    In afwijking van het tweede lid wordt de bijdrage voor maatwerkvoorzieningen, niet zijnde beschermd wonen of opvang, op nihil gesteld voor cliënten met een bijdrageplichtig inkomen dat lager is dan 120% van het sociaal minimum.

Artikel 6.2 Algemene voorziening

Voor een algemene voorziening is geen bijdrage verschuldigd.

Artikel 6.3 Kostprijs

  • 1.

    De kostprijs van een voorziening in natura is gelijk aan de prijs waarvoor het college de voorziening in natura betrekt van een leverancier/aanbieder, inclusief de reparatie-, verzekerings- en onderhoudskosten.

  • 2.

    De kostprijs van een PGB is gelijk aan het bedrag van het PGB.

  • 3.

    Het college stelt nadere regels over (het bepalen van) de kostprijs, waarbij de kostprijs in afwijking van het eerste en tweede lid op een lager bedrag kan worden vastgesteld.

Hoofdstuk 7 Beëindiging, herziening, intrekking en terugvordering

Artikel 7.1 Beëindiging maatwerkvoorziening

Het college kan, onverminderd artikel 2.3.10 van de wet, een toegekende aanspraak op een maatvoor-ziening geheel of gedeeltelijk beëindigen, indien:

  • a.

    niet wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens de wet of de verordening;

  • b.

    de cliënt zich niet houdt aan de verplichtingen van het gebruik, verantwoording en administratie van de voorziening;

  • c.

    de cliënt is overleden;

  • d.

    de cliënt geen ingezetene meer is van de gemeente, tenzij het beschermd wonen (BW) of opvang betreft.

Artikel 7.2 Herziening en intrekking

  • 1.

    Het college kan, onverminderd artikel 2.3.10 van de wet, een besluit tot toekenning van een aanspraak op een maatwerkvoorziening geheel of gedeeltelijk herzien of intrekken indien:

    • a.

      niet is voldaan aan hetgeen is gesteld bij of krachtens de wet of deze verordening;

    • b.

      de cliënt de maatwerkvoorziening binnen zes maanden na toekenning niet heeft aangewend voor het resultaat waarvoor de maatwerkvoorziening is getroffen.

  • 2.

    Het college kan een beslissing tot verlening van een PGB intrekken indien blijkt dat de cliënt het PGB binnen zes maanden na toekenning nog niet heeft ingezet;

Artikel 7.3 Terugvordering

Het college kan, onverminderd artikel 2.4.1 van de wet, indien de aanspraak op een voorziening is herzien of ingetrokken:

  • a.

    het ten onrechte genoten betaalde PGB terugvorderen;

  • b.

    de geldwaarde van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening in natura terugvorderen.

Hoofdstuk 8 Bestrijding misbruik of oneigenlijk gebruik

Artikel 8.1 Fraudepreventie

Het college informeert de cliënt over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerk-voorziening zijn verbonden en over de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

Artikel 8.2 Onderzoek rechtmatigheid

Het college doet onderzoek naar de rechtmatigheid van de maatwerkvoorziening indien er een vermoeden bestaat van misbruik dan wel oneigenlijk gebruik van de wet.

Artikel 8.3 Nadere regels

Het college kan ten aanzien van het bepaalde in dit hoofdstuk nadere regels stellen.

Hoofdstuk 9 Kwaliteit en inspraak

Artikel 9.1 Kwaliteitseisen

  • 1.

    Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. Dat betekent dat de maatwerkvoorziening:

    • a.

      is afgestemd op de persoonlijke situatie van de cliënt;

    • b.

      is afgestemd op andere vormen van ondersteuning en zorg;

    • c.

      wordt geleverd door beroepskrachten die voldoen aan de professionele standaard;

    • d.

      wordt geleverd door personen die beschikken over de competenties en vaardigheden die nodig zijn om de gevraagde dienstverlening uit te voeren;

    • e.

      veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt gerealiseerd;

    • f.

      beantwoordt aan de stand van wetenschap en praktijk voor zover dit noodzakelijk / gebruikelijk is in de kring van beroepsgenoten en voortvloeiend uit de professionele standaard;

    • g.

      voldoet aan alle kwaliteitseisen die voortvloeien uit de van toepassing zijnde wet- en regelgeving en de aanbieder dit ook controleerbaar maakt voor de gemeente.

  • 2.

    Het college kan nadere regels vaststellen over welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

Artikel 9.2 Prijs-kwaliteitverhouding bij levering voorziening door derden

  • 1.

    Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:

    • a.

      een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of

    • b.

      een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

      • 1.

        een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en

      • 2.

        de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

  • 2.

    Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

    • a.

      overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet, en

    • b.

      rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

  • 3.

    Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs, als bedoeld in het eerste lid, op de volgende kostprijselementen:

    • a.

      de kosten van de beroepskracht;

    • b.

      redelijke overheadkosten;

    • c.

      kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

    • d.

      reis en opleidingskosten;

    • e.

      indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

    • f.

      overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

Artikel 9.3 Regeling voor klachtenafhandeling

  • 1.

    Het college regelt dat de aanbieder, waar nodig naar het oordeel van het college, een regeling voor klachtenafhandeling heeft.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klacht-regelingen van aanbieders.

Artikel 9.4 Regeling voor medezeggenschap

  • 1.

    Het college regelt dat de aanbieder, waar nodig naar het oordeel van het college, een regeling voor medezeggenschap heeft.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregeling van aanbieders.

Artikel 9.5 Betrekken van cliënten bij het beleid

Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval de adviesraad Wmo op het sociaal domein, vroegtijdig bij de voorbereiding van het beleid over maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels over de wijze waarop inspraak wordt verleend.

Hoofdstuk 10 Mantelzorgwaardering

Artikel 10.1 Mantelzorgondersteuning

Het college zorgt voor diverse vormen van ondersteuning aan en waardering van mantelzorgers. Daaronder valt onder andere het bieden van hulp bij het huishouden en het geven van informatie en advies. De ondersteuning is goed toegankelijk voor mantelzorgers.

Hoofdstuk 11 Slotbepalingen

Artikel 11.1 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van deze verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 11.2 Indexering

Het college kan de in het kader van deze verordening en het op deze verordening berustende Besluit nadere regels gemeente Boxtel geldende bedragen verhogen of verlagen.

Artikel 11.3 Evaluatie

  • 1.

    Het door het gemeente gevoerde beleid wordt minimaal eenmaal per vier jaar geëvalueerd.

  • 2.

    Indien de evaluatie daartoe aanleiding geeft wordt het beleid vervolgens aangepast.

Artikel 11.4 Overgangsrecht

  • 1.

    De Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Boxtel 2015 wordt ingetrokken met de inwerkingtreding van deze verordening.

  • 2.

    Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van een van de in het eerste lid genoemde verordeningen totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken, maar uiterlijk tot 1 januari 2018.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend onder de in het eerste lid genoemde verordeningen en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld op grond van deze verordening.

  • 4.

    Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van een van de in het eerste lid genoemde verordeningen wordt beslist met inachtneming van deze verordening.

Artikel 11.5 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2017.

Artikel 11.6 Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als “Verordening maatschappelijke ondersteuning Boxtel 2017 ev.”.

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van de gemeenteraad op 22 december 2016.

Toelichting op de “Verordening maatschappelijke ondersteuning Boxtel 2017 ev.”

HOOFDSTUK 1 BEGRIPSOMSCHRIJVINGEN

 

Artikel 1.1 Begripsomschrijvingen

 

Dit artikel bevat de begripsomschrijvingen van de begrippen die niet in de wet, het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 of de Algemene wet bestuursrecht staan omschreven.

 

Onder a Algemeen gebruikelijke voorziening

Volgens de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep is een voorziening, met name producten, algemeen gebruikelijk als het gaat om een voorziening die niet speciaal bedoeld is voor mensen met een beperking, zodat de voorziening ook op grote schaal door personen zonder een beperking wordt gebruikt, die gewoon in een normale winkel te koop is en niet speciaal in de revalidatie-vakhandel of soortgelijke winkels en die qua prijs niet (aanzienlijk) duurder is dan een vergelijkbare voorziening.

De Centrale Raad heeft aangegeven dat als het gaat om vervanging van een zaak die (nog lang) niet afgeschreven is en als het gaat om een persoon die een inkomen heeft dat door onvermijdbare kosten op grond van de beperkingen onder de bijstandsnorm komt, wellicht een uitzondering op dit principe gemaakt moet worden.

Voorbeelden van algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn: een fiets met trapondersteuning, airconditioning, inductie- en keramische kookplaten, douche, thermostatische kranen, verhoogd toilet of toiletbrilverhoger, toilet op begane grond en op slaapverdieping, wasdroger, een-hendel mengkraan.

Wel moet altijd in het individuele geval worden bekeken of de voorziening ook voor de cliënt algemeen gebruikelijk is of dat er een maatwerkvoorziening nodig is.

 

Onder e Hoofdverblijf

Waar iemand woonachtig is wordt in eerste instantie bepaald door waar iemand staat ingeschreven in de basisregistratie personen.

De zinsnede “dan wel zal staan ingeschreven” verwijst naar situaties waarin sprake is van een aanstaande verhuizing naar een andere woning die nog aangepast moet worden voordat deze daadwerkelijk wordt betrokken. De cliënt dient een feitelijk woonadres, dat afwijkt van het adres in de basisregistratie personen, aan te tonen.

 

Onder f Ingezetene

De gemeente is, voor wat betreft maatwerkvoorzieningen ten behoeve van de zelfredzaamheid en participatie, verantwoordelijk voor de ingezetenen.

 

Dit geldt overigens niet voor beschermd wonen en opvang, waarbij de cliënt zich tot iedere gemeente kan wenden. De wet definieert het begrip ‘ ingezetene’ niet. Vandaar dat de definitie in de Verordening is opgenomen. Uitgangspunt is dat sprake is van een ingezetene indien de persoon in de gemeente Boxtel  staat ingeschreven in de basisregistratie personen. Mocht sprake zijn van een briefadres in de gemeente Boxtel dan is de gemeente alleen verantwoordelijk indien deze persoon ook zijn feitelijke verblijfplaats in de gemeente Boxtel heeft.

 

Onder g Maatwerkvoorziening

Deze definitie maakt helder dat een maatwerkvoorziening in twee vormen kan worden verstrekt:

  • 1.

    Als voorziening in natura; het gaat dan meestal om verstrekking in (bruik)leen of in eigendom, of als persoonlijke dienstverlening.

  • 2.

    Als PGB; een PGB is een geldbedrag waarmee de cliënt zelf de gewenste ondersteuning kan betrekken.

 

Onder k Voorliggende voorziening

Dit is een voorziening op grond van andere wetgeving, die voorgaat op de wet. Te denken valt hierbij aan onder meer voorzieningen waarop de cliënt aanspraak kan maken op basis van de Zorgverzekeringswet (Zvw) en de Wet langdurige zorg (Wlz).

 

HOOFDSTUK 2 PROCEDUREREGELS

 

Artikel 2.1 Melding

 

Dit artikel beschrijft wie de melding kan doen en hoe de melding kan worden gedaan. De melding kan door of namens de cliënt worden gedaan. In principe kan iedereen namens de cliënt een signaal afgeven dat de cliënt behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning. Echter de melding in de zin van artikel 2.3.2 van de wet (en daarover gaat artikel 2.1) kan alleen worden gedaan door of namens de cliënt. Voor die formele eis is bewust gekozen. Het college moet namelijk binnen zes weken na een melding een uitgebreid onderzoek hebben uitgevoerd.

 

Artikel 2.2 De aanvraag

 

Deze bepaling regelt dat een aanvraag alleen schriftelijk kan worden ingediend. De cliënt heeft twee mogelijkheden: het gebruiken van een vastgesteld aanvraagformulier of het ondertekenen van het onderzoeksverslag.

 

Artikel 2.3 Nadere regels over procedure

 

In dit artikel is aangegeven dat het college nadere regels kan opstellen voor de wijze waarop wordt beoordeeld of de cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt.

 

Artikel 2.4 Medewerkingsverplichting cliënt en huisgenoten

 

Dit is een uitwerking van artikel 2.3.8 van de wet. Echter voor het beoordelen van de aanspraak op een maatwerkvoorziening kan het, bijvoorbeeld in het kader van gebruikelijke hulp, van belang zijn om ook de huisgenoten te kunnen spreken. Daarom is er voor gekozen om ook huisgenoten te kunnen oproepen om hen te bevragen dan wel te onderzoeken.

 

In het tweede lid is expliciet opgenomen dat de cliënt en diens huisgenoten medewerking moeten verlenen.

 

HOOFDSTUK 3 TE BEREIKEN RESULTATEN

 

Artikel 3.1, lid 1, lid 7, lid 8, lid 9

 

I. Algemene toelichting

Hierin wordt vastgesteld de uitwerking van de rechtsplicht van het college tot bevordering van zelfredzaamheid en maatschappelijk participatie op het gebied van het voeren van het huishouden en de hierbij behorende maatwerkvoorzieningen.

 

In lid 2 staan specifiek de resultaten benoemd die door of namens het college bereikt moeten worden wanneer het college besluit tot toekenning van maatwerkvoorzieningen in verband met de belemmeringen die een belanghebbende ondervindt bij het voeren van een huishouden.

Deze resultaten zijn dat een belanghebbende dan moet kunnen beschikken over:

  • 1.

    een schoon en leefbaar huis;

  • 2.

    goederen voor primaire levensbehoeften;

  • 3.

    schone en draagbare kleding;

  • 4.

    de mogelijkheid om thuis te kunnen zorgen voor kinderen die tot het gezin behoren.

 

Een duidelijke vaste lijn in de uitspraken over resultaatgericht indiceren van zowel de Centrale Raad van Beroep (verder te noemen: CRvB) en rechtbanken is dat besluiten over hulp bij het huishouden die enkel en alleen gebaseerd zijn op het noemen van te behalen resultaten, onrechtmatig zijn.

 

De reden hiervan is dat de te behalen resultaten zo open zijn geformuleerd, dat dit in strijd komt met de beginselen van rechtszekerheid en zorgvuldigheid. Kort en kernachtig, door enkel en alleen resultaatgericht indiceren, weet de cliënt niet waar die aan toe is.

Het is om deze reden dat de CRvB in zijn uitspraak van 18 mei 2016 heeft bepaald dat de gemeente op regelgevend niveau moet vaststellen wat de bijbehorende taken en frequentie zijn waarmee deze taken worden uitgevoerd.

 

II. Definities i.v.m. artikel 3.1, lid 1 en lid 7

Om te komen tot de in het eerste lid van artikel 3.1 bedoelde resultaten, is in lid 7 bepaald dat onder de taken in ieder geval dient te worden gerekend de volgende activiteiten, te weten:

  • 1.

    de broodmaaltijd bereiden;

  • 2.

    het verrichten van licht huishoudelijk werk;

  • 3.

    het verrichten van zwaar huishoudelijk werk;

  • 4.

    het verzorgen van de was;

  • 5.

    het doen van boodschappen;

  • 6.

    de dagelijkse organisatie van het huishouden;

  • 7.

    het geven van advies, instructie, voorlichting, gericht op het huishouden.

 

1. Maatstaf Schoon en leefbaar – bijbehorende taken

In artikel 3.1, lid 1 staat dat na toekenning van een maatwerkvoorziening in verband met het voeren van een huishouden, de cliënt moet kunnen beschikken over een schoon en leefbaar huis. Hieronder wordt verstaan dat het huis zodanig ‘schoon’ dient te worden gehouden dat het niet vervuilt en dat zo een basisniveau van schoon (visueel stof- en vlekvrij) wordt bereikt.

 

Het gaat hierbij om wat moet worden gedaan om het resultaat van schoon en leefbaar te kunnen bereiken. Anders gezegd, dat wil zeggen dat de woning van de cliënt schoon is volgens algemeen gebruikelijke hygiënische normen. Dit kan heel praktisch betekenen dat de aanpak niet helemaal voldoet aan de persoonlijke standaard en verwachtingen van iedere cliënt afzonderlijk.

 

Het begrip “leefbaar” staat voor opgeruimd en functioneel, bijvoorbeeld om vallen te voorkomen. De aanwezigheid van dieren of een druk interieur van het huis zijn bijvoorbeeld geen reden voor uitbreiding van de hulp.

 

2. Schoon en leefbaar huis in samenhang met de primaire leefruimten

In het kader van de Wmo 2015 dient rekening te worden gehouden met de volgende definitie van een woning, welke schoongemaakt dient te worden:

de cliënt dient gebruik te kunnen maken van een aantal elementaire woonruimten, zoals een woonkamer, slaapkamer of een als slaapvertrek in gebruik zijnde ruimte(s), keuken, sanitaire ruimtes (maximaal 1 badkamer en maximaal twee toiletten) en aangrenzende hal/trap/overloop.

 

Het gaat aldus over de primaire leefruimten in het huis die de cliënt daadwerkelijk frequent (dagelijks of in ieder geval meerdere keren per week) in gebruik heeft. Daarnaast betreft het de “binnenkant” van het huis.

Onderhoud van tuin, opruimen van een schuur, de stoep vegen, ramen zemen aan de “buitenkant” vallen hier dus niet onder.

 

3. Het kunnen beschikken over schone en draagbare kleding

In artikel 3.1, lid 1 onder c wordt als te behalen resultaat in verband met de ondersteuning bij het voeren van een huishouden, tevens benoemd het kunnen beschikken over schone en draagbare kleding. Dit houdt in dat de cliënt, indien nodig, ondersteuning ontvangt zodat deze over schone en draagbare kleding kan beschikken. Onder het kunnen beschikken over schone en draagbare kleding wordt ook het wassen van het bed- en linnengoed verstaan.

 

Concrete taken bij deze maatwerk ondersteuning zijn het sorteren, wassen en drogen van het wasgoed. Ook omvat dit strijken en het wasgoed opvouwen en opbergen.

 

Draagbare kleding houdt in dat de bovenkleding niet gekreukeld is. Daarbij is het een eigen verantwoordelijkheid van een cliënt om zo min mogelijk strijkgoed te hebben door bij voorbeeld de aanschaf van strijkarme kleding. Andere was dan bovenkleding wordt niet gestreken.

 

4. Het kunnen beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften

In zeer uitzonderlijke gevallen (maatwerk) wordt ondersteuning geboden bij het doen van boodschappen.

 

5. De maaltijdbereiding

Met dit te behalen resultaat is bedoeld dat een cliënt ondersteuning kan krijgen bij taken, zoals het klaarmaken van de broodmaaltijd (smeren, indien mogelijk klaarzetten in trommeltje in de koelkast) en het zetten van koffie of thee en/of het klaarmaken van de warme maaltijd (opwarmen in de magnetron of het koken van de warme maaltijd).

 

Eventueel ondersteuning bij het opruimen en afwassen van de gebruikte (keuken)hulpmiddelen, valt hier ook onder.

 

6. Regie

Regie wordt als onderdeel van een maatwerkvoorziening toegekend als er ondersteuning nodig is bij het voeren van een gestructureerd huishouden.

 

Concrete taken van de zorgaanbieder bij deze maatwerkondersteuning zijn het samen-op-werken van cliënt en huishoudelijke hulp tijdens de uitvoer van de schoonmaakwerkzaamheden, het aansturen van cliënt door de huishoudelijke hulp tot uitvoer van huishoudelijke werkzaamheden, het geven van instructies door de huishoudelijke hulp aan cliënt / volwassen huisgenoten (gebruikelijke hulp) met betrekking tot gebruik (technische) hulpmiddelen.

 

7. Frequentie/omvang huishoudelijke taken

Er moeten duidelijke afspraken worden gemaakt tussen zorgaanbieder en cliënt over de frequentie waarmee de taken worden uitgevoerd. Dit gesprek vindt plaats aan de hand van een door de gemeente aan de zorgaanbieder verstrekt format voor een ondersteuningsplan.

De afspraken die een cliënt maakt over de frequentie van de schoonmaak moeten zó zijn dat de onder 2 genoemde primaire leefruimten op een algemeen aanvaardbaar basisniveau schoon en leefbaar blijven. 

 

Dit kan ook heel praktisch betekenen dat de aanpak niet helemaal voldoet aan de persoonlijke standaard en verwachtingen van de cliënt. Het is aan de cliënt om samen met de zorgaanbieder keuzes te maken en prioriteiten te stellen.

 

Uitbreiding van huishoudelijke ondersteuning is mogelijk als de cliënt op grond van (ernstige) beperkingen zelf geen mogelijkheden heeft om enige huishoudelijke werkzaamheden te verrichten of medische beperkingen heeft waaruit een hoger niveau van hygiëne noodzakelijk is.

 

Bij deze zaken geldt dat wordt verwacht dat een cliënt zelf al het mogelijke in het werk heeft gesteld ter beperking van vervuiling. Zo wordt van mensen met allergieën of COPD/astma verwacht dat zij in een gesaneerd huis wonen. Pas dan is het hogere niveau van hygiëne te bereiken.

 

8. De taken die horen bij de ondersteuning bij het voeren van een huishouden

In het format van het ondersteuningsplan staan alle mogelijke taken opgesomd. De zorgaanbieder en de cliënt maken in een ondersteuningsplan specifieke afspraken over de uit te voeren taken en frequentie. Het college controleert of het plan voldoet aan de regels en of de cliënt hiermee voldoende gecompenseerd wordt. Het ondersteuningsplan is onderdeel van de beschikking.

 

9. Artikel 3.1, lid 8 Gebruikelijke hulp

Bij het onderzoek naar de aanvraag voor huishoudelijke hulp wordt in het kader van de Wmo niet alleen de situatie van cliënt zelf bekeken.

 

De gehele leefeenheid (inwonende personen) is verantwoordelijk voor het resultaat schoon en leefbaar huis en het hebben van schone en draagbare kleding. De inzet van de leefeenheid is voorliggend op een maatwerkvoorziening vanuit de gemeente en moet altijd eerst onderzocht te worden.

 

Gebruikelijke hulp is de normale, dagelijkse zorg die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als leefeenheid gemeenschappelijk een woning bewonen en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van het huishouden.

 

Gebruikelijke hulp is ook alleen aan de orde als er een leefeenheid is die gemeenschappelijk een woning bewoont. Uitwonende kinderen vallen hier dus buiten.

 

Bijdrage van kinderen aan het huishouden:

In geval de leefeenheid van de zorgvrager mede bestaat uit kinderen, dan gaat de indicatiesteller ervan uit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken:

  • 1.

    Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding.

  • 2.

    Kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen en kleding in de wasmand gooien.

  • 3.

    Kinderen vanaf 13 jaar kunnen naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen en bed verschonen. 

 

Van een meerderjarige gezonde huisgenoot wordt verwacht dat deze de huishoudelijke taken

overneemt wanneer de primaire verzorger uitvalt. Een 18-23 jarige wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. De huishoudelijke taken voor een eenpersoonshuishouden zijn:

  • 1.

    schoonhouden van sanitaire ruimte

  • 2.

    keuken en een kamer

  • 3.

    de was doen

  • 4.

    boodschappen regelen/doen

  • 5.

    maaltijd verzorgen

  • 6.

    afwassen en opruimen. 

 

Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden verzorgen en begeleiden.

 

10. Nadere regels op grond van artikel 3.1, lid 9

Om snel in te kunnen springen op een behoefte aan extra kaders of regels is in lid 9 aan het college de regelgevende bevoegdheid toegekend om nadere regels te stellen.

 

HOOFDSTUK 4 BEOORDELING VAN DE AANSPRAAK

 

Artikel 4.1 Uitgangspunt beoordeling maatwerkvoorziening

 

Op grond van artikel 2.3.2 lid 8 van de wet is het college verplicht de cliënt een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek te verstrekken. Bij het beoordelen van de aanspraak voor een maat-werkvoorziening welke voorzieningen getroffen gaan worden, neemt het college dat onderzoeksverslag, indien aanwezig, als uitgangspunt.

 

Een dergelijk onderzoeksverslag kan achterwege blijven indien de situatie duidelijk is en ook welke maat-werkvoorziening aan de orde is. Dat kan zich bijvoorbeeld doen bij de verlenging van een toekenning. Het college kan verder afzien van het verstrekken van de schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek indien de cliënt aangeeft geen prijs te stellen op het onderzoeksverslag. Dat kan zich onder andere voordoen als de onderzoeksprocedure ertoe heeft geleid dat de cliënt wegen heeft gevonden om zelf of met hulp van anderen te participeren.

 

Artikel 4.2 Criteria voor een maatwerkvoorziening

 

Lid 1

Onder b

De voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel passend, ook wel adequaat of compenserend genoemd, als de meest goedkope voorziening te zijn. Allereerst moet dus sprake zijn van een passende voorziening.

 

Indien meerdere voorzieningen passend zijn, wordt volstaan met het verstrekken van de goedkoopste van de passende voorzieningen.

 

Lid 2

Onder a

Uit artikel 1.2.1 van de wet volgt dat de cliënt aanspraak kan maken op een maatwerkvoorziening ten behoeve van de zelfredzaamheid of participatie in de gemeente waar hij ingezetene is voor zover het .

De wet bevat geen definitie van “ingezetene”. In de verordening is daaraan invulling gegeven door in artikel 1.1 een definitie op te nemen.

 

Onder d

De wet bevat geen bepaling, zoals artikel 2 in de Wmo, die regelt dat een aanspraak op grond van een andere wet voorgaat. Daarom is een dergelijke bepaling in de verordening opgenomen. Ook regelt de verordeningsbepaling, vergelijkbaar aan artikel 15 van de Participatiewet, dat kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt, niet via de wet worden verstrekt. Daarbij valt te denken aan rollators die niet meer vergoed worden via de basiszorgverzekering.

 

Onder e

Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt indien de maatwerkvoorziening voor de persoon van de cliënt algemeen gebruikelijk is.

Voor het begrip algemeen gebruikelijk wordt verwezen naar de toelichting op artikel 1.1.

 

Onder h

In artikel 2.3.8 van de wet is de medewerkingsplicht van de cliënt opgenomen. En in artikel 2.4 van deze verordening is voor de cliënt en , diens huisgenoten een specifieke medewerkingsplicht neergelegd. Verleent de cliënt of de huisgenoot geen medewerking dan kan de aanspraak op een maatwerkvoorziening niet worden vastgesteld.

 

Artikel 4.3 Bijzondere criteria in verband met wonen

 

Dit artikel bevat een aantal weigeringsgronden die verband houden met wonen (het normale gebruik van de woning en/of het zich verplaatsen in en om de woning).

 

Artikel 4.4 Criteria maatwerkvoorziening voor vervoer

 

Het tweede lid regelt het primaat van het collectief vervoer. Bij de beoordeling of dit primaat kan worden toegepast wordt altijd gekeken naar de individuele omstandigheden van het geval. Het primaat van het collectief vervoer is al bekend van onder de WVG en de Wmo.

 

HOOFDSTUK 5 PERSOONSGEBONDEN BUDGET

 

Artikel 5.1 Criteria PGB

 

Artikel 2.3.6 lid 2 en 4 van de wet bevatten een aantal (deels facultatieve) criteria om in aanmerking te komen voor een PGB. In aanvulling daarop bevat dit artikel een aantal weigeringsgronden voor een PGB. Deze sluiten deels aan bij de verplichting voor de cliënt om een budgetplan te overleggen, indien hij in aanmerking wil komen voor een PGB. Voor het overige zijn de weigeringsgronden afgeleid van de Regeling subsidies AWBZ.

 

Artikel 5.2 Hoogte persoonsgebonden budget

 

Dit artikel regelt de hoogte van een PGB. Daarbij regelt lid 4 onder b en c dat voor een PGB dat wordt besteed in het sociaal netwerk een lager tarief geldt.

 

HOOFDSTUK 6 BIJDRAGE IN DE KOSTEN

 

Artikel 6.1 Maatwerkvoorziening

 

Dit artikel regelt dat een cliënt bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening een bijdrage is verschuldigd. Onder de Wmo 2015 is nu ook een bijdrage voor een woningaanpassing ten behoeve van kinderen jonger dan 18 jaar verschuldigd.

 

De kaders voor de hoogte van de bijdrage zijn vastgelegd in het landelijke Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, waarbij er drie verschillende systematieken zijn voor:

  • 1.

    Maatwerkvoorzieningen ten behoeve van de zelfredzaamheid en participatie,

  • 2.

    Maatwerkvoorziening beschermd wonen (BW)

  • 3.

    Maatwerkvoorziening opvang

 

Bij beschermd wonen en opvang wordt voor de hoogte van de bijdrage de landelijke regeling (Uitvoeringsbesluit Wmo 2015) gevolgd, waarbij wordt uitgegaan van de maximale variant.

 

Bij maatwerkvoorzieningen ten behoeve van de zelfredzaamheid of participatie is gekozen voor een lager marginaal tarief (10% i.p.v. 15%), hetgeen leidt tot een lagere bijdrage.

 

Artikel 6.2 Algemene voorziening

 

Voor de algemene voorziening is de cliënt geen bijdrage verschuldigd. Wel kan de burger een kleine vergoeding moeten betalen aan de aanbieder van de algemene voorziening voor het gebruik (Hierbij valt te denken aan een vergoeding van bijvoorbeeld € 2,50 voor het gebruik van een welzijnsdienst).

 

Artikel 6.3 Kostprijs

 

In dit artikel is de wijze van berekening van de hoogte van de kostprijs weergegeven. De kostprijs is bij een voorziening in natura de prijs die de gemeente aan de leverancier/aanbieder betaalt, inclusief kosten als onderhoud, reparatie en verzekering. Bij een PGB is de kostprijs gelijk aan het bedrag van het PGB. Het college stelt nadere regels over een (eventuele) lagere kostprijs.

 

HOOFDSTUK 7 BEËINDIGING, HERZIENING, INTREKKING EN TERUGVORDERING

 

De wettelijke bepaling over met name terugvordering zijn summier en artikel 2.3.10 maakt geen duidelijk onderscheid tussen enerzijds beëindiging en anderzijds intrekking en herziening. Bij beëindiging is sprake indien de aanspraak op een maatwerkvoorziening wordt aangetast met ingang van het heden of naar de toekomst toe.

 

Het ongedaan maken van de aanspraak op een Wmo-voorzieningen over een periode in het verleden, wordt intrekken genoemd. Herzien is het over een periode in het verleden afwijkend vaststellen van de aanspraak op een maatwerkvoorziening.

 

Beëindiging heeft dus, in tegenstelling tot intrekking en herziening, geen terugwerkende kracht. Het college moet, voordat het besluit tot intrekking van een voorziening, een afweging maken tussen alle bij het te nemen besluit betrokken belangen, waarbij het belang van belanghebbende om te participeren zwaar dient te wegen.

 

In de wet is slechts één terugvorderingsgrond opgenomen. Alleen indien de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, kan het college op grond van de wet overgaan tot terugvordering. De gemeente heeft er daarom voor gekozen om de terugvorderingsgronden uit te breiden.

 

Er moet wel onderscheid worden gemaakt tussen de terugvorderingsbepaling in de wet en de terugvorderingsgronden in de verordening voor wat betreft de invordering. Bij de terugvorderingsgronden in de verordening moet de invordering langs civielrechtelijke weg geschieden. Dit betekent onder meer dat in elk afzonderlijk geval moet worden aangetoond dat er sprake is van onverschuldigde betaling (artikel 6:203 e.v. BW).

 

In de praktijk zal de onverschuldigdheid van de betaling ontstaan door het nemen van een herzienings- of intrekkingsbesluit. Bij de in de wet opgenomen terugvorderingsgrond heeft het college de mogelijkheid het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel in te vorderen. Er is sprake van een executoriale titel, waarmee direct beslag kan worden gelegd.

 

HOOFDSTUK 8 BESTRIJDING MISBRUIK OF ONEIGENLIJK GEBRUIK

 

In dit hoofdstuk is aangegeven op welke wijze het ten onrechte ontvangen van maatwerkvoorzieningen alsmede het misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet wordt bestreden. Belangrijk is om de cliënt bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening nadrukkelijk te wijzen op zijn rechten en plichten en te wijzen op de consequenties van misbruik en oneigenlijk gebruik.

 

Het college controleert de rechtmatigheid van de maatwerkvoorziening en bij het vermoeden van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet. Het college kan bij de controle onder meer gebruikmaken van huisbezoeken, risicoprofielen en bestandsvergelijkingen en de samenloopsignalen die daaruit voortkomen.

 

Hoofdstuk 9 KWALITEIT EN INSPRAAK

 

Artikel 9.1 Kwaliteitseisen

 

Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3 lid 2 onder c van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

 

De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel.

 

De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3 lid 2 onder c van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 en verder van de wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn.

 

De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.  In het eerste lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt.

 

Artikel 9.2 Prijs-kwaliteitverhouding

 

Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.6.4 van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6 lid 1 van de wet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden.

 

Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere aspecten genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat een beter beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren.

 

Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden.

 

Artikel 9.3 Regeling voor klachtenafhandeling

 

Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3 lid 2 onder e van de wet. Het college moet ervoor zorgen dat de aanbieder, indien het college dat nodig vindt, over een klachtenregeling beschikt. In dat geval ziet het college ook toe op de naleving ervan.

 

Artikel 9.4 Regeling voor medezeggenschap

 

Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3 lid 2 onder f van de wet. Het college moet ervoor zorgen dat de aanbieder, indien het college dat nodig vindt, over een regeling voor medezeggenschap beschikt. In dat geval ziet het college ook toe op de naleving ervan.

 

HOOFDSTUK 10 MANTELZORGONDERSTEUNING

 

De gemeente Boxtel geeft hier invulling aan volgens het vastgestelde mantelzorgbeleid.

 

HOOFDSTUK 11 SLOTBEPALINGEN

 

Artikel 11.1 Hardheidsclausule

 

Juist omdat het in de wet om maatwerk gaat zal het college er niet aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te verwachten is. Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke beoordeling.

 

Als desondanks de uitkomst van die zeer persoonlijke afweging toch nog leidt tot een onbillijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet.

 

Artikel 11.4 Overgangsrecht

 

Dit artikel bevat het overgangsrecht voor doorlopende voorzieningen die zijn verstrekt op basis van de Wmo en de daarbij behorende verordening.

 

Artikel 11.5 Inwerkingtreding

 

Dit artikel regelt de inwerkingtreding van deze verordening.

 

Artikel 11.6 Citeertitel

 

Dit artikel regelt tenslotte hoe deze verordening geciteerd kan worden. Het jaartal wordt in de naam opgenomen om de opeenvolgende verordeningen te kunnen onderscheiden.