Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Boxtel

Verordening Welzijnsfonds Boxtel

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieBoxtel
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening Welzijnsfonds Boxtel
CiteertitelVerordening Welzijnsfonds Boxtel 2018
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerpwelzijn, fonds

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze regeling vervangt de regeling "Verordening Welzijnsfonds Boxtel 2015"

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Gemeentewet, artt. 147 en 149

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Onbekend

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

02-02-201801-01-2018Nieuwe regeling

23-01-2018

Gemeenteblad 2018, 22261 | 01-02-2018

Raadsbesl. 23-01-2018, punt 9

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening Welzijnsfonds Boxtel 2018

De raad van de gemeente Boxtel;

 

gezien het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van Boxtel;

 

gelet op artikel 147 en 149 van de Gemeentewet;

 

b e s l u i t :

 

vast te stellen de volgende:

 

Verordening Welzijnsfonds Boxtel

Artikel 1. Begrippen

  • 1.

    Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) of de Gemeentewet.

  • 2.

    In deze verordening wordt verstaan onder:

    • a.

      aanvrager: de in de gemeente Boxtel Woonachtig persoon, vanaf 18 jaar, die staat ingeschreven in de Basisregistratie Personen, die ten behoeve van zichzelf en zijn/haar gezinsleden en ten laste komende kinderen vanaf 3 jaar een bijdrage in de uitgaven/kosten op grond van deze verordening verzoekt;

    • b.

      wet: de Participatiewet;

    • c.

      college: het college van burgemeester en wethouders;

    • d.

      Peilmaand: de maand januari van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft;

    • e.

      Peildatum: de eerste januari van het kalenderjaar waarop de aanvraag betrekking heeft.

Artikel 2. Doelstelling

Deze verordening heeft tot doel aan inwoners die een inkomen hebben tot maximaal 120% van de voor hen toepasselijke bijstandsnorm een bijdrage te verstrekken voor sociaal-culturele, educatieve, sportieve en maatschappelijke activiteiten, voor henzelf en hun eventuele kinderen om zodoende de participatie aan de samenleving te bevorderen.

Artikel 3. Doelgroep

Om voor een bijdrage in aanmerking te komen moet de aanvrager op de dag van de aanvraag:

  • a.

    ingeschreven staan in de Basisregistratie personen (BRP) van de gemeente, en

  • b.

    op de peilmaand een inkomen hebben dat gelijk is aan of minder dan 120% van de voor hen toepasselijke bijstandsnorm zoals bedoeld in Hoofdstuk 3, paragraaf 3.2. van de wet, en

  • c.

    op de peildatum een bedrag aan vermogen hebben dat ligt beneden de vermogensgrens als bedoeld in artikel 34 van de wet.

  • d.

    Aanvrager komt tevens in aanmerking als er voldaan wordt aan het gestelde onder a en één van de hieronder genoemde punten, hierop is de peildatum en peilmaand niet van toepassing;

    • 1.

      Cliënten zich hebben aangemeld voor schulddienstverlening;

    • 2.

      Cliënten niet beschikken over het Vrij Te Laten Bedrag, volgens de Recofa berekening door:

      • a.

        loonbeslag;

      • b.

        verrekening huur- en zorgtoeslag;

      • c.

        maximale afloscapaciteit worden ingezet ten behoeve van schuldeisers;

      • d.

        specifieke omstandigheden door schulddienstverlener omschreven;

    • 3.

      Er sprake is van een minnelijke of wettelijke schuldregeling.

Artikel 4. Doel

De Verordening beoogt de deelname aan maatschappelijke activiteiten te bevorderen door een financiële bijdrage in de kosten van maatschappelijke activiteiten te bieden aan huishoudens die een minimuminkomen en vermogen hebben als bedoeld in artikel 1. Onder maatschappelijke activiteiten verstaan wij sociaal-culturele, educatieve of sportieve activiteiten, die beogen het sociaal isolement te voorkomen of doorbreken. De bijdrage hoeft niet te worden aangewend voor kosten die noodzakelijk zijn om sociaal-medische redenen.

Artikel 5. Hoogte bijdrage

  • a.

    De bijdrage bedraagt in 2018 € 187,- per kalenderjaar per gezinslid dat 18 jaar en ouder is.

  • b.

    De bijdrage voor een gezinslid dat 3 jaar en ouder is en jonger is dan 18 jaar bedraagt € 287,--.

  • c.

    De bijdrage is overdraagbaar aan een ander rechthebbend lid van het huishouden dat behoort tot dezelfde leeftijdsgroep.

  • d.

    Voor kinderen tot en met 2 jaar wordt geen bijdrage verstrekt.

Artikel 6. Aanpassing bedragen

De bijdrage per gezinslid bedoeld in artikel 5 sub a wordt jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro’s.

De bijdrage voor een gezinslid bedoeld in artikel 5 sub b is € 100 hoger dan de bijdrage bedoeld in artikel 5 sub a.

Artikel 7. De aanvraag

  • a.

    De aanvraag om een bijdrage moet worden ingediend op een daartoe bestemd aanvraagformulier, onder overlegging van de benodigde bewijsstukken, en kan, indien dit naar het oordeel van het college doelmatiger is, ambtshalve worden opgemaakt of op een hiervoor door het college vastgestelde werkwijze.

  • b.

    zodra een klant op de peildatum recht heeft op een uitkering levensonderhoud in het kader van de Participatiewet zal er een ambtshalve tegemoetkoming worden toegekend voor het Welzijnsfonds.

  • c.

    Zodra een inwoner na 1 januari instroomt als klant die recht heeft op een uitkering levensonderhoud in het kader van de Participatiewet kan afgeweken worden van de peildatum en kan er een tegemoetkoming naar rato voor het resterende kalenderjaar worden toegekend voor het Welzijnsfonds.

  • d.

    De bijdrage dient te worden aangevraagd uiterlijk 10 januari van het jaar volgend op het jaar waarin de kosten zijn gemaakt.

Artikel 8. Verificatie

De persoon aan wie een bijdrage is verstrekt, evenals de ouder/gemachtigde van een kind aan wie een bijdrage is verstrekt, moet met bewijsstukken kunnen aantonen dat hij de kosten daadwerkelijk heeft gemaakt. De controle zal achteraf steekproefsgewijs plaatsvinden. De controle vindt plaats tot uiterlijk 18 maanden na het besluit.

Artikel 9. Uitbetaling

De bijdrage op grond van deze regeling wordt na beoordeling aanvraag, dan wel ambtshalve toekenning vooraf in zijn geheel uitgekeerd.

Het college kan beslissen om in uitzonderlijke situaties hiervan af te wijken en over te gaan tot uitbetaling op declaratiebasis of gespreid over het jaar.

Artikel 10. Terugvordering

  • a.

    Indien de aanvrager onjuiste inlichtingen heeft verstrekt op basis waarvan aan hem ten onrechte de bijdrage is toegekend of indien aanvrager desgevraagd de bewijsstukken niet overlegt waaruit blijkt dat hij de kosten waarvoor de bijdrage werd verstrekt, daadwerkelijk heeft gemaakt, of wanneer een onverschuldigde betaling aan hem is gedaan, vordert het college de kosten van de bijdrage geheel of gedeeltelijk terug.

  • b.

    Bij de beoordeling van de hoogte van het terug te vorderen bedrag, als bedoeld in het eerste lid, houdt het college rekening met de ernst van het feit, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager.

  • c.

    Alvorens tot terugvordering over te gaan, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.

  • d.

    Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten indien:

    • -

      de vereiste spoed zich daartegen verzet;

    • -

      de belanghebbende al eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;

    • -

      er sprake is van zeer ernstige gedragingen als bedoeld in artikel 14 van de Verordening Handhaving Participatiewet IOAW en IOAZ 2017.

  • e.

    Terugvordering van de kosten als bedoeld in het eerste lid van dit artikel vindt eerst plaats nadat het college de eerder toegekende bijdrage bij een zelfstandig besluit heeft ingetrokken.

  • f.

    Het college vordert bij zelfstandig besluit vervolgens de bijdrage terug op grond van het bepaalde in artikel 6:203 Burgerlijk Wetboek.

Artikel 11. Hardheidsclausule

Door of namens het college van burgemeester en wethouders kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende worden afgeweken van de bepalingen in deze verordening, indien van toepassing hiervan tot onbillijkheden van overwegende aard leiden.

Artikel 12. Uitvoering

Het college kan ten behoeve van de uitvoering en controle nadere regels vaststellen.

Artikel 13. Inwerkingtreding en citeertitel

  • a.

    Deze verordening treedt in werking op de eerste dag na die van de bekendmaking en werkt terug tot en met 1 januari 2018.

  • b.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening Welzijnsfonds Boxtel 2018.

  • c.

    De Verordening Welzijnsfonds Boxtel 2015 wordt ingetrokken op de dag van inwerkingtreding als bedoeld in het eerste lid.

Aldus besloten in zijn openbare vergadering van 23 januari 2018.

De raad voornoemd,

de griffier,

de voorzitter,

Toelichting

Artikelsgewijze toelichting

 

Artikel 1. Begrippen

In dit artikel zijn een aantal begrippen nader omschreven.

Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.

 

Artikel 2. Doelstelling

Hiermee is doel en strekking van de regeling verwoord.

Benadrukt wordt, dat het hierbij gaat om personen met een of meerdere ten laste komende kinderen. Dus een kind waarvoor de ouder aanspraak kan maken op kinderbijslag. Na het bereiken van de 18-jarige leeftijd kan zelfstandig een beroep worden gedaan op een bijdrage in kosten die gemaakt worden in verband met sociaal- culturele, sportieve en maatschappelijke activiteiten.

 

Artikel 3. Doelgroep

Voor beoordeling van het recht op een bijdrage is de inkomenssituatie- en vermogenssituatie van de aanvrager van belang. De bepalingen van de Participatiewet zijn van toepassing.

Bij het gestelde onder d kan een uitzondering gemaakt worden op de peildatum en peilmaand. Op deze manier is het voor klanten, waarbij een besteedbaar inkomen laag is, toch mogelijk om aanspraak te maken op het Welzijnsfonds door het gehele jaar heen. De klanten die op basis van het gestelde onder d een bijdrage toegekend krijgen verkeren in de meeste gevallen al langere tijd in betalingsproblemen.

 

Artikel 4. De bijdrage

Het betreft activiteiten maatschappelijke participatie met een sportief, educatief, sociaal dan wel cultureel karakter, waarbij actief aan de samenleving wordt deelgenomen.

 

Artikel 5. Hoogte bijdrage

Per kalenderjaar bedraagt de vergoeding € 287,- per kind in de kosten van maatschappelijke participatie en € 187,- per volwassene.

 

Door de vele soorten van activiteiten die in de verordening onder het begrip van het Welzijnsfonds zijn genoemd, de mogelijke stigmatisering van de doelgroep, en vanwege hoge uitvoeringskosten is verstrekking in natura veelal niet doelmatig. Als uitgangspunt geldt dan ook een geldelijke bijdrage. Het college kan via steekproefsgewijze controle nagaan of de middelen doelmatig zijn besteed.

Het college kan in een individueel gevallen besluiten tot betaling in natura.

 

Voor kinderen tot 3 jaar wordt geen bijdrage verstrekt. Door de jonge leeftijd hebben deze kinderen nagenoeg geen kosten die betrekking hebben op het doel van deze regeling.

 

Artikel 6. Aanpassing bedragen

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

 

Artikel 7. De aanvraag

Onder a wordt met het overleggen van de benodigde bewijsstukken bedoeld, de gegevens die nodig zijn om een noodzakelijke inkomens- en vermogenstoets te houden.

Met wat opgenomen is onder c wordt bedoeld; wanneer klant in de loop van het jaar in aanmerking komt voor een uitkering levensonderhoud in het kader van de Participatiewet, kan er ambtshalve een tegemoetkoming Welzijnsfonds naar rato worden toegekend. De berekening ziet er als volgt uit; de hoogte van de jaartegemoetkoming delen door 12 en vervolgens vermenigvuldigen met de resterende maanden van het kalenderjaar. Hierbij dient teruggegaan te worden op de eerste dag van de maand, waarin de uitkering levensonderhoud is toegekend.

 

Voorbeeld:

Aan de klant is per 14 april een toekenning afgegeven voor een uitkering levensonderhoud. De hoogte van het Welzijnsfonds voor dat jaar is vastgesteld op € 187,--.

€ 187,-- : 12 maanden x 9 maanden (vanaf 1 april tot en met 31 december)= € 140,25.

 

Artikel 8. Verificatie

De bijdrage wordt vooraf aan klant uitgekeerd. Om de doelmatigheid te kunnen controleren zullen er steekproeven achteraf worden gehouden. Het is daarom van belang dat klant deze bewijsstukken bewaard. Een steekproef kan gehouden worden tot 18 maanden na verstrekking van de bijdrage.

 

Artikel 9. Uitbetaling

Om zoveel mogelijk mensen gebruik te kunnen laten maken van het Welzijnsfonds is gekozen voor een regelarme regeling. Belanghebbende hoeft bij een aanvraag niet op declaratiebasis aan te tonen welke kosten zijn gemaakt voor het Welzijnsfonds. Na beoordeling van een aanvraag dan wel ambtshalve toekenning zal het gehele bedrag voor het Welzijnsfonds vooraf aan belanghebbende worden overgemaakt.

In uitzonderlijke gevallen kan het college ervoor kiezen om een uitbetaling toch op declaratiebasis of gespreid plaats te laten vinden.

 

Artikel 10. Terugvordering

  • 1.

    Wanneer achteraf wordt geconstateerd dat een bijdrage is toegekend op basis van door de cliënt verstrekte onjuiste informatie, wordt de bijdrage teruggevorderd indien de bijdrage niet zou zijn verstrekt wanneer de juiste informatie zou hebben geleid tot een afwijzing.

  • 2.

    Ook wanneer blijkt dat de cliënt bij aanvraag of wanneer hem nadien daarom is verzocht niet in staat is om de bewijsstukken te overleggen, wordt de bijdrage teruggevorderd.

  • 3.

    Terugvordering kan ook plaatsvinden wanneer de gemeente onverschuldigd betalingen heeft gedaan. Bij de terugvordering wordt rekening gehouden met de ernst van het feit, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de cliënt. De cliënt dient hierover te worden gehoord, tenzij er sprake is van omstandigheden als bedoeld onder d.

  • 4.

    Omdat besluiten in het kader van deze regeling geen besluiten zijn krachtens een wet, dient terugvordering plaats te vinden op grond van het Burgerlijk Wetboek.

 

Artikel 11. Hardheidsclausule

In de verordening zijn de hoofdlijnen voor het gemeentelijk minimabeleid vastgelegd. Er kunnen zich echter concrete gevallen voordoen waarin de verordening niet voorziet. Dit artikel bepaalt dat het college in dergelijke situaties beslist in afwijking van de verordening.

Dit past bij de individualiseringsgedachte van de Participatiewet. Redelijkheid is hierbij het uitgangspunt. Bij de besluitvorming wordt in de geest van de wet en de verordening gehandeld.

 

Artikel 12. Uitvoering

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

 

Artikel 13. Inwerkingtreding en citeertitel

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.