Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Bronckhorst

Programma van Eisen Kwaliteit Monumenten

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieBronckhorst
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingProgramma van Eisen Kwaliteit Monumenten
CiteertitelProgramma van Eisen Kwaliteit Monumenten
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpvolkshuisvesting en woningbouw
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Geen.

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

11-05-2008Nieuwe regeling

01-04-2008

Contact, 10-05-2008

College B&W, 080401

Tekst van de regeling

Intitulé

Programma van Eisen Kwaliteit Monumenten

Voorwoord

Het Programma van Eisen - Kwaliteit Monumenten 2008 (PvEM 2008) bevat restauratieve richtlijnen voor het behoud van de technische en monumentale kwaliteiten van beschermde objecten. De richtlijnen zijn bedoeld als leidraad voor planontwikkeling, planbeoordeling en de uitvoering van de verbouwings- of restauratiewerkzaamheden. Het onderstaande is geen complete restauratieve handleiding maar een beknopte leidraad voor veel voorkomende praktijkgevallen.

Verlies in de directe zin door het aanpassen of verwijderen van monumentale onderdelen of indirect doordat een aanpassing technische, fysische en/of chemische effecten hebben die schade tot gevolg hebben.

De restauratieve richtlijnen in het PvEM zijn opgesteld vanuit een behoudtechnische optiek. Uitspraken over nieuwe toevoegingen of aanpassingen worden niet gedaan, zolang er geen historische onderdelen in het geding zijn en de wijzigingen technisch, fysisch en chemisch verenigbaar zijn met het monument. De richtlijnen geven aan wanneer de vrijstellingsregeling volgens artikel 1.12 van het Bouwbesluit 2003, van toepassing is.

Het PvEM bewaakt de bouwkundige en monumentale kwaliteit van monumenten. Het is nagenoeg onmogelijk hiervoor algemene, toetsbare criteria op te stellen. Veel is afhankelijk van de ouderdom, het materiaalgebruik, de fysische condities en de monumentaliteit. Met name dit laatste begrip is niet absoluut te definiëren. Per project is door medewerkers van het gemeentelijke bureau Monumenten en Archeologie aan te geven om welke monumentale waarden het gaat.

Wetgeving

Iedere wijziging aan een beschermd monument moet worden beoordeeld door de gemeentelijke monumentencommissie en de Welstandscommissie. Veel aspecten die in het PvEM 2008 worden aangehaald zijn vergunningsplichtig ex artikel 11 van de Monumentenwet 1988 voor Rijksmonumenten of ex artikel 10 van de Monumentenverordening gemeente Bronckhorst 2006. Het volgen van de richtlijnen laat niet onverlet dat bij wijziging van een monument altijd een monumentenvergunning nodig is.

Voorts geldt te allen tijde:

Artikel 11 van de Monumentenwet 1988:

1. Het is verboden een beschermd monument te beschadigen of te vernielen.

2. Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning: a. een beschermd monument af te breken, te verstoren, te verplaatsen of in enig opzicht te wijzigen;

b. een beschermd monument te herstellen, te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze, waardoor het wordt ontsierd of in gevaar gebracht.

Indien iemand zonder vergunning en/of in afwijking van deze vergunning werkzaamheden in of aan een monument uitvoert is dit een overtreding. Artikel 61 van de Monumentenwet 1988:

Hij die opzettelijk handelt in strijd met artikel 11, 37, eerste lid, 45, eerste lid , 53 eerste lid dan wel opzettelijk handelt in strijd met een maatregel getroffen op grond van artikel 56, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of een geldboete van de vijfde categorie.

De feiten zijn misdrijven.

Gebruik

Het PvEM 2008 is gebaseerd op twee beginselen van de monumentenzorg te weten ‘behoud gaat voor vernieuwen’ en ‘de bouwgeschiedenis eerbiedigen’. De diverse onderdelen van de richtlijnen liggen in het verlengde van deze uitgangspunten.

Het PvEM 2008 bestaat uit uitgangspunten gevolgd door uitvoeringseisen, eventueel een functionele toets of aanwijzing en indien nodig een aanvullende toelichting.

Afwijken van de richtlijnen

De gemeentelijke monumentencommissie kan in gevallen waarbij de aard of het kwaliteitsniveau van de monumentale waarden niet in deze richtlijnen algemeen geregeld worden, nadere eisen stellen. Dit zal altijd leiden tot een nadere voorschriften in de monumentenvergunning.

Van de vrijstellingsregel, art. 1.12 van het Bouwbesluit 2003, kan gebruik worden gemaakt als er monumentale waarden in het geding zijn of als de aanpassing zou leiden tot gevolgschade door fysische of chemische reacties. Indien Bouw- en Woningtoezicht expliciet eist dat aan een veiligheidseis voldaan moet worden, terwijl er monumentale waarden in het geding zijn, moet er gezocht worden naar een alternatieve oplossing waarbij aan de eis tot een aanvaardbaar niveau tegemoet wordt gekomen en de aantasting van het monument tot een minimum beperkt blijft.

Op alle niet voorgeschreven richtlijnen in het PvEM zijn de gemeentelijke en provinciale uitvoeringsvoorwaarden van toepassing.

Hoofdstuk 1 Algemeen

Uitgangspunt

• Behoud gaat voor vernieuwen.

De historische bouwmaterialen, structuren en constructiewijzen vertegenwoordigen een belangrijke monumentale en historische waarde. Deze waarde dient zoveel mogelijk te worden gerespecteerd, opdat de geschiedenis en ontwikkeling van het ambachtelijke bouwen alsmede het dagelijks gebruik van een monument afleesbaar zijn. Door vervanging gaat deze afleesbaarheid voorgoed verloren.

 • Bouwhistorie eerbiedigen.

Het transformatieproces, door verandering van het gebruik of functie, dat een gebouw door de tijd heen ondergaat, heeft een grote historische waarde. Een monument ontleent veelal zijn waarde aan de bouwgeschiedenis. Latere wijzigingen of toevoegingen kunnen van groot belang zijn omdat de bouwgeschiedenis van een gebouw daaraan afleesbaar is. Door reconstructie wordt deze afleesbaarheid verstoord. In een reconstructie wordt weliswaar getracht een historisch beeld op te roepen, maar daarvoor moeten vaak historisch waardevolle onderdelen wijken.

• Toevoegingen en veranderingen aan monumenten moeten reversibel zijn.

De verandering moet in beginsel een toevoeging zijn die weer ongedaan kan worden gemaakt, zonder de monumentale waarden aan te tasten.

• Nieuw toe te passen materialen moeten compatibel zijn.

Historische materiaaltoepassingen en/of constructiewijzen zijn niet altijd verenigbaar met de hedendaagse bouwmaterialen of constructiewijzen. Zij kunnen fysische en/of chemische reacties veroorzaken die schade toebrengen aan het monument. De toe te passen technieken mogen geen mechanische, fysische of chemische schade toebrengen aan een monument.

• Vernieuwen met oude materialen blijft vernieuwen. Hergebruik van historische bouwmaterialen verdient echter wel de voorkeur.

Toelichting

• Onderdelen of elementen mogen niet worden vervangen als herstel mogelijk is.

Indien een onderdeel of element, ondanks kwaliteitsverlies, zijn functie nog vervult is vervanging geen optie. Indien een toevoeging nodig is om een onderdeel of element naar behoren te laten functioneren is dit te prevaleren boven een volledig nieuw onderdeel of element.

• De bestaande situatie is dwingend ten opzichte van een eventuele wijziging of aanpassing.

Indien de bestaande situatie niet de oorspronkelijke situatie is, kan in overleg met de gemeente de oorspronkelijke situatie worden hersteld mits er geen historisch relevante onderdelen ten behoeve van dit herstel worden verwijderd.

• Het verrichten van een bouwhistorisch onderzoek kan geëist worden om de oorspronkelijke situatie te achterhalen.

• Noviteiten mogen niet zonder meer toegepast worden in of bij een monument.

Materialen of technieken moeten hun toepasbaarheid door attest of ervaring aantonen. In geval van twijfel kan een materiaal of techniek geweigerd worden.

Hoofdstuk 2 Fundering

Uitgangspunt

Een bouwwerk mag slechts worden voorzien van een nieuwe fundering als de oorspronkelijke fundering aantoonbaar slecht en/of overbelast is. De oude fundering wordt niet verwijderd.

Functionele toets

• Een funderingsrapport moet uitsluitsel bieden over de technische staat en de mate van aantasting van de fundering. De kwaliteitsniveaus van het casco-funderingsonderzoek zijn hierbij het uitgangspunt. Bij een aanschrijvingsniveau, het kwaliteitsniveau voldoet niet aan het Bouwbesluit, is een nieuwe fundering noodzakelijk. Bij een kwaliteitsniveau beperkte bruikbaarheidsduur, de betrouwbaarheid van de constructie moet gegarandeerd zijn voor een periode van 15 jaar, is een nieuwe fundering mogelijk indien er geen monumentale waarden in het geding zijn. Bij splitsingsniveau, de betrouwbaarheid van de constructie moet gegarandeerd zijn voor een periode van 25 jaar, en nieuwbouwniveau is een nieuwe fundering niet toegestaan. In het PvE 2008 zijn bruikbaarheidscriteria voor het vaststellen van het kwaliteitsniveau opgenomen.

• Indien een object een gemeenschappelijke bouwmuur heeft moet er een afstemming metde funderingssituatie van het belendende pand komen.

• Voor de beoordeling van mogelijke schade door trillingen bij het plaatsen van nieuwe palen wordt de strengste grenswaarde uit het SBR-rapport, Meet en beoordelingsrichtlijn, schade aan gebouwen ten gevolge van trillingen, deel 1, 1993 gehanteerd. Trillingsvrije systemen genieten de voorkeur.

Toelichting

• Onvoldoende draagvermogen van een fundering moet rekentechnisch worden aangetoond. De nuttige diameter van een paal bepaalt het draagvermogen, niet de mate van aantasting. Indien een aangetaste paal nog voldoende draagvermogen heeft en de fundering aan minimaal kwaliteitsniveau beperkte bruikbaarheidsduur voldoet is een nieuwe fundering niet nodig.

• Indien een nieuwe fundering wordt aangebracht, mag de oude fundering niet worden verwijderd.

Hoofdstuk 3 Constructieve onderdelen

Uitgangspunt

• Aanpassingen in een monument mogen in geen geval een wijziging of aantasting van de

hoofddraagconstructie tot gevolg hebben. Herstel van de bestaande constructie is het uitgangspunt. Indien de bestaande constructie niet toereikend is, dienen noodzakelijke versterkingen of stabiliteitsvoorzieningen in beginsel een reversibele toevoeging te zijn. Overbodig geraakte constructieve onderdelen moeten gehandhaafd blijven.

Functionele toets

• Rekentechnisch moet worden aangetoond dat een constructie niet toereikend is. Indien herstellen geen optie is kan het constructieve element of onderdeel vervangen worden door een bij de constructie van het object passend element of onderdeel.

Uitvoeringseisen

• Bij demontage van een constructie moet de stabiliteit van het geheel gewaarborgd zijn.

3.1 Houten kappen en balklagen

Uitvoeringseisen

• Onderdelen die zijn aangetast door insecten en/of schimmels mogen pas vervangen worden als de onderdelen onvoldoende draagvermogen hebben en/of bestrijding niet mogelijk is.

• Slechte onderdelen moeten niet in hun geheel worden vervangen, maar afgezaagd tot voorbij het niet aangetaste gezonde hout en aangelast (schuine lip- of haaklas; Llas = 2-2,5 hoogte balk) in dezelfde houtsoort van hetzelfde formaat. Indien meer dan 40% van een onderdeel is aangetast is volledig vervangen toegestaan.

• Het gebruik van epoxyharsen ter vervanging van balkkoppen en dergelijke is toegestaan tot maximaal 1/5e van de overspanning tot een maximum van 1,20 meter. Rekentechnisch moet worden aangetoond of de gerepareerde balk voldoende draagvermogen heeft.

• Staalconstructies of stalen hulpconstructies mogen niet worden toegepast. Staal heeft een andere uitzettingscoëfficient dan hout waardoor spanningen kunnen ontstaan. Daarnaast is de toepassing daarvan een aantasting van de oorspronkelijke constructiemethode. Indien nodig, zijn verstijvingen in overleg met de gemeente en een constructeur toegestaan.

Aanwijzingen

• De aanwezigheid van insecten of schimmels maakt niet altijd dat het ‘aangetaste’ hout moet worden vervangen. In voorkomende gevallen kan bij een beperkte aantasting met het verlagen van het vochtgehalte in het hout en/of het toepassen van een bestrijdingsmiddel worden volstaan.

3.2 Dragend metselwerk

Uitvoeringseisen

• Scheuren moet men niet dichtsmeren maar inboeten zodat de muur een constructief geheel blijft vormen. De te gebruiken stenen en mortel moeten zijn aangepast aan de fysische en chemische eigenschappen (hardheid, samenstelling) van de bestaande wand. Indien het inboetwerk niet is aangepast aan het bestaande metselwerk kunnen reacties optreden die schade veroorzaken. Voorts bestaat het risico dat het inboetwerk onvoldoende aan het bestaande werk hecht.

• Geroeste ankers mogen niet worden vervangen maar dienen ontroest en behandeld te

worden, tenzij herstel niet mogelijk is. Een controleberekening moet aantonen of een anker in die mate is gecorrodeerd dat hij niet sterk genoeg meer is.

• Indien er sprake is van een kalkmortel alleen schelpkalk toepassen, of een gelijkwaardige kalkmortel, en geen cement toevoegen. De (schelp)kalk moet voldoen aan NEN 9031. Hulpstoffen zijn niet toegestaan. Mengverhoudingen, afhankelijk van de milieuklasse en de samenstelling van het bestaande metselwerk volgens NEN 3835.

3.4 IJzer, staal

Uitvoeringseisen

• Constructieve ijzeren of stalen onderdelen dienen te worden gehandhaafd en indien nodig hersteld, tenzij aantoonbaar is dat herstel niet mogelijk is. Rekentechnisch moet worden aangetoond dat een onderdeel of element niet meer voldoet.

• In geval van vervanging of toevoeging van nieuwe stalen constructieve onderdelen moet men rekening houden met de mogelijke legeringsverschillen tussen de oude en nieuwe onderdelen in verband met contactcorrosie.

• Aan een historische ijzer- of staalconstructie mag niet gelast worden. Lassen is niet reversibel en historische ijzer- of staalconstructies bevatten overwegend een te hoog koolstofgehalte. Lassen is alleen mogelijk, indien door onderzoek blijkt dat er geen monumentale waarden in het geding zijn en de ijzer- of staalconstructie een koolstofgehalte bevat lager dan 5%.

Hoofdstuk 4 Gevels

Uitgangspunt

• De uiterlijke kwaliteiten en technische staat van een gevel zijn van groot belang voor de historische waarde en de beleving van een monument. Een zorgvuldige en terughoudende omgang met de gevel is derhalve een voorwaarde. Onzorgvuldig omgaan met de gevel leidt tot onherstelbare beschadiging. Materiaaltoepassing, metselverband, patina, textuur, vorm en uiterlijk van het voegwerk, pleisterwerk,vormen een wezenlijk bestanddeel van de historische waarde van een gevel. Conservering van de bestaande gevel dient derhalve het uitgangspunt te zijn. In geval van schade of calamiteiten bij gevels moet eerst de oorzaak van de schade worden vastgesteld en verholpen alvorens tot reparatie wordt overgegaan. Vaak wordt te snel een oorzaak aangewezen die achteraf niet juist blijkt te zijn, waardoor onnodige wijzigingen aan de gevel zijn aangebracht.

• Voor onderhoudswerk wordt verwezen naar de provinciale en de gemeentelijke uitvoeringsvoorwaarden.

Uitvoeringseisen

• Indien een monument niet voorzien is van een spouwmuur mag geen spouw aangebracht worden, ook niet bij vervanging van een gevel.

4.1 Reiniging

Uitgangspunt

• Reinigen van gevels is toegestaan indien de verontreiniging (organisch of chemisch) schade kan veroorzaken aan de gevel (metselwerk) of een gevel dermate vuil is dat de architectonische expressie volledig verloren is gegaan. Zie hiervoor ook de provinciale en de gemeentelijke uitvoeringsvoorwaarden.

• Antigraffitilagen zijn toegestaan bij een spouwmuurconstructie indien zij kleurloos (niet glanzend), dampdoorlatend en zelfopofferend zijn. Indien er geen sprake is van een spouwmuur mag een antigraffitilaag alleen toegepast worden indien het gebouw geen aantoonbare fysische schade van de beschermlaag ondervindt. Permanente en semi-permanente antigraffiti-systemen zijn niet toegestaan.

Uitvoeringseisen

• Bij de reiniging wordt een gevel in fysieke en esthetische zin gewijzigd. Bij beschermde monumenten is daarom een monumentenvergunning vereist.

• Indien een monumentale gevel met graffiti is beklad, moet eerst worden vastgesteld welk type verf is gebruikt. Vervolgens kan de reinigingstechniek worden bepaald, waarbij in ogenschouw moet worden genomen welke schade de reinigingsmethode kan aanrichten.

• Het verwijderen van graffiti door middel van stralen is niet toegestaan.

• Een antigraffitilaag mag alleen worden aangebracht met de toestemming en volgens de voorwaarden van de gemeente. 

Toelichting

• Gevelreiniging brengt in alle gevallen een zeker schaderisico met zich mee. Reiniging kan de gevel mechanisch of chemisch beschadigen wat kan leiden tot afzanden, verpoederen, schilferen en afbrokkelen. Metselwerk en vele soorten natuursteen zijn na reiniging door het verwijderen of aantasten van de bakhuid veelal meer poreus wat leidt tot grotere wateropname van de gevel, meer kans op vorstschade en een snellere en diepere vervuiling van de gevel. Wat voor de ene gevel en/of materiaal een geschikte reinigingsmethode is, kan bij een andere gevel en/of materiaal ernstige schade opleveren. Het is derhalve onmogelijk om een uniforme reinigingsmethode aan te geven. De methode van reinigen wordt bepaald in overleg met de gemeente.

• De technische noodzaak van reinigen is meestal niet aanwezig. Een reiniging enkel om esthetische redenen is niet toegestaan.

Aanwijzingen

• Voor graffitiverwijdering kan de gemeente adviseren voor zowel verwijderings- als beschermingssystemen.

• De minste beschadiging ondervindt een monument als van een gevel, welke niet van een beschermlaag is voorzien, de graffiti binnen 24 uur wordt verwijderd met de voor de verfsoort en ondergrond juiste reinigingsmethode.

4.2 Voegwerk

Uitgangspunt

• Alleen die delen van het voegwerk die slecht zijn dienen te worden vervangen.

• Een licht beschadigde voeg die zijn functie nog vervuld is te prevaleren boven een moderne voeg. Een voeg is slecht als hij zijn waterwerende functie niet meer vervult. Hardheid is geen criterium voor het vervangen van een voeg. Indien meer dan 70 % van het voegwerk slecht is, mag het voegwerk integraal worden vervangen. Indien het metselwerk een oppervlakte van minder dan 35 vierkante meter beslaat, mag het voegwerk integraal worden vervangen als 50% van het voegwerk in een slechte staat verkeert. In het geval dat de aantasting onder het bovengenoemde percentage blijft maar zeer over de gevel is verspreid, kan het voegwerk in overleg met de gemeente integraal vervangen worden.

Uitvoeringseisen

• De voeg moet worden verwijderd met gereedschap dat geen schade toebrengt aan het historisch metselwerk. Een lintvoeg dient, alvorens hij met een naaldbeitel wordt uitgehakt, eerst langs een rei met een op lage toeren draaiende diamantzaag tot de gewenste uithakdiepte te worden ingezaagd. Vervolgens kan de stootvoeg handmatig worden verwijderd. Bij metselwerk met een lintvoeg die smaller is dan 7 mm is alleen inzagen van de lintvoeg toegestaan. Een stootvoeg smaller dan 1,5 mm mag niet worden verwijderd.

• Het gebruik van een slijptol voor het verwijderen van voegwerk is niet toegestaan.

• De voegmortel moet qua samenstelling aangepast zijn aan de samenstelling en hardheid van het bestaande metselwerk.

• De voegafwerking moet identiek zijn aan de bestaande situatie.

• Indien er sprake is van een kalkmortel moet de toe te passen (schelp)kalk voldoen aan NEN 9031. Hulpstoffen zijn niet toegestaan. De mengverhoudingen moeten, afhankelijk van de milieuklasse en de samenstelling van het bestaande metsel- of voegwerk, volgens NEN 3835 zijn.

• Het gebruik van steenkalk is niet toegestaan.

• Voor herstel van het voegwerk wordt ook verwezen naar de provinciale en de gemeentelijke uitvoeringsvoorwaarden.

Aanwijzigen

• Het metselwerk moet dusdanig bevochtigd zijn dat er geen wateronttrekking aan de voegspecie optreedt.

• Het uitdrogen van vers voegwerk dient te worden voorkomen.

• Het is niet mogelijk kalk en trasvoegen aan te brengen in een periode waarin vorst kan optreden.

4.3 Reparatie, inboeting

Uitgangspunt

• Bestaand metselwerk dient geconserveerd te worden. Metselwerk mag pas vervangen worden als de onderlinge samenhang en scheurvorming herstel verhinderen.

Uitvoeringseisen

• De in te boeten stenen moeten qua hardheid, formaat, kleur en textuur aansluiten op het bestaande metselwerk. Hierbij zijn de fysische eigenschappen van de inboeting belangrijker dan de kleur. De in te boeten stenen moeten in hetzelfde verband worden verwerkt als in de bestaande situatie.

• De metselmortel moet aangepast zijn aan de samenstelling en hardheid van de bestaande mortel.

• In het geval dat bestaande beschadigde stenen verdere schade tot gevolg kunnen hebben is een reparatiemortel toegestaan mits uitgevoerd volgens de richtlijnen in de brochure RDMZ info restauratie en beheer nr. 5, 1996.

• IJzeren elementen in de gevel dient men te ontroesten en ijzeren restanten zonder functie (of decoratieve waarde) te verwijderen.

• Indien er sprake is van een kalkmortel moet de toe te passen (schelp)kalk voldoen aan NEN 9031. Hulpstoffen zijn niet toegestaan. Mengverhoudingen moeten, afhankelijk van de milieuklasse en de samenstelling van het bestaande metsel- en voegwerk, volgens NEN 3835 zijn. Het gebruik van steenkalk is niet toegestaan. 

Aanwijzingen

• Het bestaande metselwerk en de in te brengen stenen moeten dusdanig vochtig zijn dat er geen vochtuitwisseling plaats vindt.

4.4 Natuursteen

Uitgangspunt

• Indien schade aan natuursteen verdere schade aan het monument tot gevolg kan hebben, dient de steen met een daartoe geëigende reparatiemortel gerepareerd te worden. Hierbij mag de reparatieplek geen grotere omvang hebben dan 10 cm³.

• In geval van ernstige schade dan wel verwering (meer dan 10 cm³) is inboeting van een nieuw stuk natuursteen van dezelfde soort, kleur en afwerking toegestaan.

• Natuursteen mag pas vervangen worden als herstel niet mogelijk is. Ernstig aangetaste natuurstenen elementen waarvan het materiaalverlies door verwering meer dan 10% is ten opzichte van het oorspronkelijke element, mogen vervangen worden door een kopie van dezelfde steensoort. Voor ornamenten kan, indien de expressie volledig verloren is gegaan, in overleg met de gemeente, het element vervangen worden door een kopie in dezelfde steensoort.

• Indien een natuursteensoort niet meer voorradig is kan in overleg met de gemeente een alternatieve steensoort of reparatiemethode worden gezocht.

• Consolidatie van natuurstenen onderdelen met een acrylhars is alleen toegestaan als reguliere reparatiemethoden geen oplossing bieden en de dampdichtheid van de behandelde onderdelen geen schade bij het monument kunnen veroorzaken. De methode is alleen toe te passen met toestemming van de gemeente.

Uitvoeringseisen

• Nieuw aan te brengen natuursteen dient eenzelfde afwerking te krijgen als in de bestaande situatie.

• Epoxyharslijmen zijn alleen voor kleine verticale scheuren (max. 1,2 mm) toegestaan.Indien het bij horizontale scheuren toegepast zou worden vormt de reparatie een waterwerende laag wat kan leiden tot vorstschade of verwering.

• Het toepassen van steenverstevigers is niet toegestaan. De laag is niet te verwijderen zonder schade en dient in verband met verwering na circa acht jaar opnieuw aangebracht te worden waardoor de textuur van het natuursteen volledig verloren gaat. Indien de laag gaat verweren en er vocht achter de verstevigingslaag komt, kan door vorst of afschilfering ernstige schade ontstaan.

Aanwijzing

• De aard van de schade geeft de reparatiemethode aan.

4.5 Stoepen

Uitgangspunt

• Historische stoepen mogen alleen vervangen worden met de toestemming van het college, na een positief advies van de monumentencommissie en de RACM. Indien een stoep slecht is moeten de natuurstenen elementen hergebruikt worden. Onderdelen mogen pas worden vervangen indien zij aantoonbaar slecht zijn en herstel niet mogelijk is.

Uitvoeringseisen

• Bij enkelvoudige breuk dienen de treden gelijmd te worden.

• Nieuw te vervaardigen onderdelen dienen eenzelfde afwerking en detaillering te krijgen als in de oorspronkelijke situatie.

• De bevestiging van balusters van trapleuningen moet in lood gebeuren. Aan historische gietijzeren traphekken mag niet gelast worden 

4.6 Afwerking

Uitgangspunt

• Het hydrofoberen van gevels is niet toegestaan, tenzij bouwkundige maatregelen geen oplossing bieden om vochtdoorslag in gevels te voorkomen.

• Op gevels mogen alleen pleisterlagen worden aangebracht als deze al aanwezig zijn of als dit historisch verantwoord is. Hoekbeschermers zijn niet toegestaan.

• Alleen gevels die geolied zijn mogen opnieuw geolied worden.

• Gevels mogen niet geschilderd of geteerd worden tenzij dit historisch verantwoord is.

• Natuursteen mag alleen geschilderd worden als dit historisch verantwoord is.

• Tegeltableaus moeten gehandhaafd blijven en mogen niet worden overgeschilderd of anderzijds weggewerkt worden op een wijze die schade aan het tableau veroorzaakt.

• Het polychromeren van gevelstenen en reliëfs is alleen toegestaan, indien ze dateren uit een tijd dat polychromeren gebruikelijk was. Bij polychromering dient men zich te laten leiden door de voorstelling of het onderschrift. Het aanbrengen van extra ornamenten of kleur, zonder dat daar -bijvoorbeeld in het reliëf of het onderschrift- aanwijzing voor is, is niet toegestaan, tenzij historisch onderzoek kan aantonen dat daarvan wel sprake was. Waar geen reliëf aanwezig is, moet gekozen worden voor een natuursteenkleur.

Uitvoeringseisen

• De toe te passen pleisters moeten damp-open zijn.

• Er moet met een damp-open product worden geschilderd, bij voorkeur een minerale verf, olieverf of eventueel met een zuivere siliconenhars-emulsieverf.

• Het schilderen van gevelstenen met olie- of siliconenemulsieverf is aan te raden, omdat verf de stenen beschermt. Het verfsysteem moet damp open zijn en moet zonder schade aan de steen te verwijderen zijn. Het gebruik van mineralogische verven op gevelstenen is niet toegestaan, omdat deze verven een reactie aangaan met de ondergrond.

• Er dient met een blanke half rauwe/half gekookte lijnolie te worden gewerkt, zonder siccatieven. Pigment mag alleen toegevoegd worden in overleg met de monumentencommissie.

• Geoliede gevels mogen niet geschilderd worden.

• Het toepassen van een gevelafwerking die niet aanwezig is in de bestaande situatie mag alleen aangebracht worden met de toestemming en volgens de voorwaarden van de gemeente.

• Het hydrofoberen van een gevel is alleen toegestaan met de toestemming en volgens de voorwaarden van de gemeente.

• De kleur en verfsoort moet in overleg met de gemeente worden bepaald.

• Indien er sprake is van voegwerkherstel of inboeting minimaal 6 weken wachten met oliën. Als een voeg niet volledig is uitgehard zal verzeping van de voeg optreden.

Toelichting

• Het is van groot belang dat historische constructies damp-open worden gehouden. Vocht uit het gebouw migreert in dampvorm door de niet geventileerde constructie. Aangezien de gebouwen dampdiffusietechnisch en thermisch, overwegend onoplosbaar, lek zijn heeft het afsluiten van een constructie ernstige gevolgen. Het vochtgehalte in de constructie zal door de remming toenemen waardoor houten elementen zoals balken of kozijnen veelal een te hoge vochtconcentratie krijgen waardoor rot kan ontstaan. Met name als bijvoorbeeld de kozijnen zelf met een dampdichte verf geschilderd zijn. IJzeren ankers in de gevel gaan ook sneller corroderen wat weer tot scheurvorming in het metselwerk zal leiden. Water dat bijvoorbeeld door inwendige condensatie in de constructie komt kan er door de waterwerende laag niet uit wat het verval versnelt. Een tweede probleem is dat bijvoorbeeld hydrofobeermiddelen verweren. Na een aantal jaren moet opnieuw gehydrofobeerd worden anders kan de gevel plaatselijk inwateren. Verder moet een gevel homogeen van aard zijn en niet te veel zouten bevatten anders is de hydrofobeerlaag op den duur niet waterdicht. Tot slot is het hydrofoberen niet reversibel.

Zie ook: TNO Bouw 94-BT-RO721, Schade aan monumenten na hydrofoberen, Delft, 1994.

4.7 Nieuwe voorzieningen

Uitgangspunt

• Voorzieningen die een niet reversibele toevoeging zijn en waarvoor in de gevel een sparing of gat moet worden aangebracht, zoals brievenkasten, bel en intercomvoorzieningen, gevelstenen, etc. zijn in beginsel niet toegestaan.

• Muurventilatieroosters of muursuskasten zijn niet toegestaan. 

• Voorzieningen die een reversibele toevoeging zijn, zoals lampen, camera’s, losse brievenkasten, reclame-uitingen, etc. mogen niet in natuurstenen onderdelen worden bevestigd. De voorzieningen moeten voldoen aan de geldende Welstandsrichtlijnen en zijn vergunningsplichtig.

• Buitenzonwering en rolluiken zijn in beginsel niet toegestaan. 

4.8 Buitentegelwerk

• Vervanging als bestaand, bij portieken, zowel voor de wanden als de vloer.

Hoofdstuk 5 Daken

Uitgangspunt

• De bestaande historische dakbedekking dient te worden gehandhaafd.

Toelichting

• De oorspronkelijke dakbedekking is vaak in samenhang met de architectonische uitdrukkingsvorm gekozen. Bestaande historische dakbedekkingen dienen daarom gehandhaafd te worden en daar waar de dakbedekking in het verleden is vervangen door een product dat historisch gezien niet toegepast had mogen worden dient deze bij een restauratie te worden vervangen door een historisch verantwoord produkt. 

5.1 Dakbeschot

Uitgangspunt

• Het bestaande dakbeschot handhaven.

• Onbeschoten kappen mogen worden beschoten.

• Het gebruik van dakplaten is in principe niet toegestaan.

Uitvoeringseisen

• Indien het bestaande dakbeschot aantoonbaar slecht is en vervangen moet worden, dienen de herstellingen in hout van dezelfde soort en afmetingen als in de bestaande toestand te worden uitgevoerd.

• Isolatie van de kap, om zodoende een warm-dak constructie te creëren, mag alleen worden toegepast indien de daklijn niet voorbij de gevellijn komt en de resterende gootbreedte minimaal 15 cm bedraagt , tenzij de goot in de oorspronkelijke toestand smaller is. Indien mogelijk is, in overleg met de gemeente, het ophogen of verbreden van de goten toegestaan.

• In alle andere gevallen dient binnenisolatie te worden toegepast (koud-dak constructie), waarbij een goede ventilatie tussen isolatie en dakbeschot moet worden gewaarborgd.

• Afdichtingsmiddelen als kit en PUR-schuim zijn niet toegestaan.

• Historische kappen dienen voldoende te worden geventileerd.

5.2 Pannen

Uitvoeringseisen

• Bij het afnemen van de pannen dienen deze gesorteerd te worden en de bruikbare exemplaren, dat wil zeggen pannen waarvan levensverwachting 15 jaar of langer is, te worden hergebruikt.

• Mocht er een technische noodzaak zijn om tot gedeeltelijke of gehele vervanging over te gaan, dan wordt eenzelfde type pan toegepast.

• Bij een pannendak moet een bij de pannen behorende nokvorst worden toegepast en met behulp van gewapende kalkspecie te worden aangebracht.

Aanwijzingen

• Het aansmeren van pannen mag alleen in geval van noodherstel of reparatie van incidentele lekkages. Voor het aansmeren van de nok en hoekkepervorsten mag alleen gewapende kalkspecie (met varkenshaar of kunststof) worden toegepast. Het gebruik van portlandcement is niet toegestaan.

• Op een pre-industrieel pannendak hoort bij voorkeur een met de hand vervaardigde, holle pan te liggen.

• Het verdient de aanbeveling zowel de bestaande pannen als de nieuwe pannen bij elkaar te leggen. Bij veel materiaalverlies is het raadzaam met de overgebleven goede pannen één dakvlak te dekken.

• Het is aanbevelenswaardig onder de pannen een dampdoorlatende folie aan te brengen.

• Indien een dak gedekt is met een niet meer verkrijgbare pan, wordt in overleg met de gemeente een oplossing gezocht.

Toelichting

• Het historisch pannendak vormt een wezenlijk onderdeel van het monument en is mede daardoor van belang voor het beeld. De tendens om holle pannen tijdens de restauratie te vervangen door opnieuw verbeterde Hollandse of door nieuwe “oude” pannen is een ongelukkige ontwikkeling. Het eenvormige strakke uiterlijk van die pannen is wezensvreemd aan het historische dak.

5.3 Leien

Uitvoeringseisen

• Het keuren van leien op fysische, chemische en petrografische kenmerken van duurzaamheid en kwaliteit is van belang voor de instandhouding van daken. Bij vernieuwing is een keuring van elke voor één specifiek object bestemde partij leien verplicht. Deze keuring moet door een onafhankelijk onderzoeksinstituut worden verricht. De keuring moet geschieden volgens de richtlijnen van de RACM zoals omschreven in de brochure Restauratie en Beheer nr. 13 (oktober 1998).

• De oorspronkelijke wijze van dekken dient te worden gehandhaafd. Bij verandering van dekking is een vergunning noodzakelijk. De historische dekking dient te worden onderbouwd

• Kunstleien of andere producten ter vervanging van natuurleien zijn niet toegestaan.

• Voor het inboeten en vernieuwen van leibedekking wordt verwezen naar de provinciale en de gemeentelijke uitvoeringsvoorwaarden. 

Aanwijzingen

• Indien er twijfel bestaat omtrent de kwaliteit van bestaande leien, kan ook voor oude leien een keuring uitsluitsel bieden over de te verwachten levensduur. 

5.4 Zink, koper en lood

Uitgangspunt

• Koper, lood en zink moeten bij restauraties op dezelfde wijze worden toegepast als in de bestaande situatie met gebruikmaking van traditionele bevestigingsmethoden.

Uitvoeringseisen

• Het toe te passen zink is minimaal Zink 16 (1,1 mm) en koper minimaal 0,8 mm. Lood moet volgens de richtlijnen van de SIBL worden aangebracht; op loden nokken moet minimaal 25 ponds lood worden toegepast.

• Een platte kraal mag niet worden vervangen door een ronde kraal.

• Metaalwerk mag niet worden gelijmd.

• Bij vervanging van goten en hemelwaterafvoeren moet hetzelfde materiaal worden toegepast als aangetroffen is, met uitzondering van kunststof dat bij vervanging niet is toegestaan.

• Het dilateren van goten moet gebeuren door middel van een broekstuk. Indien een goot geen enkele monumentale waarde vertegenwoordigd kan in overleg met de monumentencommissie een expansiestuk toegepast worden.

Aanwijzingen

• Bij panden moeten bij vervanging vergaarbakken van het oorspronkelijke model worden toegepast, ook indien in de bestaande situatie een ander model wordt aangetroffen. Alleen als de aangetroffen vergaarbak aantoonbaar ouder dan 50 jaar is, mag een soortgelijk model worden toegepast.

• Bij panden van vóór 1900 moeten regenpijpen door middel van een stripbeugel worden bevestigd, waarbij de lengte van de oren gelijk moet zijn aan de diameter van de buis.

• In overleg met de gemeente kan zink eventueel door lood of koper worden vervangen.

5.5 Voorzieningen in het dak

Uitgangspunt

• Nieuwe dakkapellen, daklichten en doorbraken zijn alleen toegestaan indien er geen monumentale onderdelen van de kap worden aangetast.

• Bestaande schoorstenen moeten worden gehandhaafd.

Uitvoeringseisen

• De voorzieningen moeten zo mogelijk tussen de spanten en sporen worden aangebracht.

Aanwijzingen

• Bestaande rookkanalen en schoorstenen kunnen vaak gebruikt worden voor het wegwerken van moderne rookgasafvoeren, beluchtingskanalen etc. Een gemetselde schoorsteen verdient de voorkeur boven een andere schoorsteen. 

5.6 Rieten daken

Uitvoeringseisen

• De werkzaamheden dienen conform de richtlijnen van de Rietdekkerfederatie te worden uitgevoerd.

• Het rietdekkerswerk dient bij voorkeur met inlands riet te worden uitgevoerd.

• Het rietwerk dient met dun eenjarig riet met een frisgele kleur en een sterke, harde dikwandige stengel, behoudens een zeer dunne spreilaag van dikker en langer riet, te worden uitgevoerd. De in de bossen aanwezige doelen dienen zoveel mogelijk te worden verwijderd.

• Bij het dekken van het riet dient gebruik te worden gemaakt van spandraad nr. 6 in roestvrij staal of dubbel gegalvaniseerd. Binddraad nr. 18 in roestvrij staal; gegalvaniseerd draad is daarvoor niet toegestaan. Traditionele bindmethoden met wilgentenen zijn tevens toegestaan.

• Voor zover herstelwerk aan de dakconstructie plaatsvindt, waar rondhout zit of heeft gezeten, moet ook weer rondhout worden toegepast. Doorsneden in het algemeen 100 mm, h.o.h. 75 cm.

• Bij killen mogen geen zinken goten worden toegepast, doch het riet moet steeds in de killen worden doorgedekt.

• Rietvorsten dienen in een met paarden- of varkenshaar gewapende kalkspecie te worden gelegd. De wijze van nokafwerking dient in materiaal, vorm en kleur overeen te komen met de historisch juiste nokafwerking.

• De dikte van het nieuwe rietpakket moet aan de onderzijde minimaal 25 tot 28 cm bedragen, welke dikte geleidelijk mag worden verminderd naar 22 tot 24 cm. Bij de nok.

• Het toepassen van een schroefdak is in principe niet toegestaan.

• De rietvorsten moeten in een gesmoorde kleurstelling worden uitgevoerd.

Hoofdstuk 6 Gevelsparingen

Uitgangspunt

• Indien in het verleden vensters en deurpartijen zijn vervangen in een materiaal dat historisch gezien niet toegepast had mogen worden, dienen deze bij een vernieuwing te worden vervangen door een historisch verantwoord materiaal.

Uitvoeringseis

• Kozijnen van kunststof zijn niet toegestaan.

• Er dient zoveel mogelijk gebruik gemaakt te worden van de bestaande openingen.

Toelichting

• De oorspronkelijke vensters en deurpartijen zijn mede bepalend voor de verschijningsvorm van het monument. Bestaande historische vensters en deurpartijen dienen daarom gehandhaafd te worden. 

6.1 Houten vensters en deurpartijen

Uitgangspunt

• Bestaande houten vensters en deurpartijen dienen zo veel mogelijk te worden gehandhaafd.

Uitvoeringseisen

• Het volledig vervangen van vensters of deurpartijen die nog hersteld kunnen worden of nog in goede staat verkeren, is niet toegestaan. Zijn onderdelen van een historisch venster of deurpartij slecht, dan wordt niet het gehele element maar alleen de slechte onderdelen vervangen. Een onderdeel is slecht als meer dan 40% is aangetast. De detaillering en de afmetingen van de nieuwe onderdelen van historische vensters of deurpartijen moet worden aangepast aan de bestaande detaillering en afmetingen en uitgevoerd in dezelfde houtsoort.

• Voor de reparatie van historische vensters en deurpartijen moeten oude, beproefde verbindingstechnieken worden toegepast. Het verlijmen van verbindingen is niet toegestaan. Het handhaven van een demontabele constructie heeft het voordeel dat de constructie voor reparatie altijd weer uit elkaar kan worden genomen.

• Reparaties van gedeelten van een historisch venster- of deurpartij moet gebeuren door uitstukken of aanlassen door middel van een liplas (L-las 2-2,5 x houtzwaarte) met dezelfde houtsoort als het bestaande venster of de deurpartij.

• Reparatiemortels op kunststofbasis kunnen alleen voor gaten kleiner dan 10 cm³ worden toegepast.

• Het is niet toegestaan om openingen tussen kozijn en muur met kit af te dichten. De naden tussen kozijn en gevel moeten met een damp-open voeg van kalkspecie worden afgedicht. Door kit als materiaal te gebruiken op oude houten constructies kan de mogelijkheid tot uittreding van vocht worden geblokkeerd.

• Voor schilderwerk moet men damp-open verfsystemen gebruiken, omdat oudere houtconstructies vanwege de aard van omliggende constructie vaak meer vochtbelast zijn dan de tegenwoordige constructies.

• Het aanbrengen van een doorvalbeveiliging is een wijziging van het monument en als zodanig vergunningplichtig.

Toelichting

• Historische venster- en deurpartijen horen tot de monumentale waarden van een pand. Het streven om deze onderdelen zoveel mogelijk aan de huidige normen te laten voldoen, mag nooit leiden tot aantasting van de monumentale waarden of integraal vervangen van de onderdelen. Indien een kozijn vanuit monumentaal oogpunt niet is aan te passen moet naar andere oplossingen gezocht worden. De normen van de Keurings Voorschriften voor Timmerwerk (KVT ’95) gelden niet voor historische vensters en deurpartijen.

• Indien de technische staat van het venster (kozijnen, ramen, deuren en luiken) zo slecht is dat het volledig vervangen moet worden, geldt als regel dat het nieuwe onderdeel overeenkomstig het oorspronkelijke wordt gemaakt. Aan het vernieuwen van vensters en deurpartijen in oude vorm kleven in sommige situaties bezwaren. Niet alle oude constructies voldoen zonder meer aan de eisen die onder meer de KeuringsVoorschrifen voor Timmerwerken (KVT ’95) stelt. Er zijn gecertificeerde timmerfabrikanten die oude vensters kunnen kopiëren die tevens voldoen aan de kwaliteitseisen. Wanneer op een enkel detail na, niet aan die eisen kan worden voldaan, hoeft dat geen probleem te zijn. Indien wordt afgeweken van de huidige kwaliteitsnorm kan de fabrikant een verklaring ondertekenen op welke details is afgeweken. Bij vervanging in de oude vorm kan men via artikel 1.12 van het Bouwbesluit 2003 ontheffing krijgen van de eisen waaraan een nieuw aan te brengen venster- of een deurpartij moet voldoen.

Aanwijzing

• Oude verflagen moeten niet volledig worden verwijderd maar overgeschilderd in verband met toekomstig kleuronderzoek, tenzij de diverse aanwezige verflagen gezamenlijk dermate dampdicht zijn dat in de aanwezige condities vochtproblemen te verwachten zijn.

6.2 Stalen vensters en deurpartijen

Uitgangspunt

• Stalen vensters en deurpartijen mogen alleen worden vervangen indien herstel niet mogelijk is.

Aanwijzingen

• In geval van herstel of vervanging zijn bouwtechnische verbeteringen toegestaan mits het oorspronkelijke uiterlijk gehandhaafd blijft. Detaillering en uitvoering moeten in overleg met de gemeente geschieden.

6.3 Beglazing

Uitgangspunt

• Historisch glas dient zoveel mogelijk gehandhaafd te blijven.

• Bij het aanbrengen van beschermende beglazing bij glas-in-lood vensters moet de ventilatie tussen het glas gewaarborgd zijn, waarbij zoveel mogelijk ruimte tussen het glas en het glas-in-lood wordt gelaten. Gebrandschilderd glas-in-lood mag in overleg met de monumentencommissie in een zogenaamde museale opstelling geplaatst worden. De beschermende beglazing dient te zijn ontspiegeld.

• Het gebruik van siliconenkit bij glas-in-lood is niet toegestaan.

• Bij gebrandschilderd glas mogen alkalische of ionogene reinigingsmiddelen niet worden gebruikt .

• Uitbuikend glas-in-lood mag niet in situ vlak worden geduwd.

Aanwijzingen

• Voor voorwaarden met betrekking tot de toepassingsmogelijkheden van isolerende beglazing.

Zie hoofdstuk 8 Energie besparende maatregelen, § 8.1 Ramen.

• Getrokken glas heeft de voorkeur ten opzichte van floatglas.

• Bij het aanbrengen van de door de Wet Geluidshinder vereiste voorzieningen tegen geluidsoverlast gelden dezelfde voorwaarden als bij het nemen van thermisch isolerende maatregelen. Zie hoofdstuk 8 Energie besparende maatregelen, § 8.1 Ramen.

• Waar mogelijk is het toepassen van monumentenglas als dubbele beglazing toegestaan.

Hoofdstuk 7 Interieurs

Uitgangspunt

• Historisch waardevolle roerende en onroerende interieurs dienen gehandhaafd te blijven en mogen in principe niet worden aangepast ten behoeve van nieuwe gebruikseisen en/of huidige regelgeving.

• In beginsel dienen historische kleurafwerkingen gehandhaafd te worden. Hierbij is de samenhang met andere stijlelementen van belang. De kleurkeuze moet aansluiten bij de stijlkenmerken van het interieur. Voor een verantwoorde interieurrestauratie is professioneel kleuronderzoek onontbeerlijk.

Uitvoeringseisen

• Het aanbrengen van dampdichte afwerklagen op historische binnenwanden is niet toegestaan.

Toelichting

• Oude dikke muren in een historisch vertrek hebben vaak een bufferfunctie wat betreft het opnemen van vocht. Het verloren gaan van deze bufferfunctie kan een verhoogd risico opleveren voor de vensters. Ook zal bij een damp-open afwerking de kans op schimmels sterk worden verminderd.

7.1 Brandvoorschriften

Uitgangspunt

• Om tegemoet te komen aan de eisen van brandwerendheid moet, in overleg met het Bouw- en Woningtoezicht, de Brandweer en de monumentencommissie, gezocht worden naar oplossingen waarbij geen monumentale onderdelen worden aangetast.

Uitvoeringseisen

• Brandwerende voorzieningen moeten reversibel worden uitgevoerd.

• Historische deuren mogen niet worden vervangen door brandwerende deuren. (Soms kan een bij brand opschuimende strip in de sponning voldoende blijken.)

• Monumentale trappen mogen niet worden bekleed met brandwerende materialen tenzij er geen monumentale waarden in het geding zijn.

• Gietijzeren en stalen onderdelen mogen alleen met brandwerende verf worden behandeld, als daarmee de expressie van aanwezige detaillering niet verloren gaat.

7.2 Installaties

Uitvoeringseisen

• De installaties moeten zodanig zijn aangebracht dat geen schade wordt toegebracht aan historisch waardevolle roerende en onroerende interieurs of constructieve elementen.

• De installaties moeten zodanig zijn gesitueerd dat de visuele gaafheid van het interieur niet wordt aangetast. 

7.3 Liften

Uitgangspunt

• Liften zijn slechts toegestaan in een gebouw met openbare functie en wanneer er geen monumentale waarden in het geding zijn.

Hoofdstuk 8 Energiebesparende maatregelen

Uitgangspunt

• De aanwezige monumentale waarden zijn samen met de technische en fysische condities van het monument bepalend voor de mogelijk te nemen energiebesparende maatregelen. Indien een maatregel of voorziening de monumentaliteit aantast of de technische conditie van het monument ondermijnt zal van de maatregel of voorziening moeten worden afgezien of met een minder niveau genoegen worden genomen.

Uitvoeringseisen

• Middels een fysische berekening zal moeten worden aangetoond dat het pakket van maatregelen verenigbaar is met het monument.

Aanwijzingen

• Het is van belang is dat de te nemen maatregelen op elkaar zijn afgestemd. Er zijn maatregelen denkbaar waarvan het doorvoeren in wezen vanuit monumentaal oogpunt niet bezwaarlijk zou zijn, maar die in combinatie de thermische of fysische balans verstoren.

• Naast de reguliere isolerende beglazing en isolatiematerialen zijn er diverse producten in de handel met redelijke of goede isolerende eigenschappen die, bijvoorbeeld door een geringere dikte, een oplossing zouden kunnen bieden voor problemen die zich voordoen bij het na-isoleren van monumenten. De materiaal en systeemkeuze kan mede bepalend zijn voor de mogelijkheden en de energiebesparende resultaten.

Toelichting

• De wens tot het isoleren van monumenten leidt vaak tot problemen. Aangezien ,monumentale gebouwen thermisch lek zijn zullen koudebruggen, bijvoorbeeld bij vloeren en stabiliteitswanden, onvermijdelijk zijn. Hierdoor kan inwendige condensatie optreden vaak juist bij balkopleggingen en gevelankers wat tot ernstige schade leidt.

8.1 Ramen

Uitgangspunt

• Isolerende beglazing is niet toegestaan, tenzij er geen monumentale waarden in het geding zijn.

Uitvoeringseisen

• Indien de afmeting van het bestaand raamhout voldoende is om het verantwoord aan te brengen is isolerende beglazing mogelijk.

• Indien de zwaarte van het raamhout niet toereikend is kan tot aanpassing of vervanging worden overgegaan als de bestaande ramen geen monumentale waarden vertegenwoordigen en/of in die mate in slechte technische staat verkeren dat ze niet zijn te handhaven.

• Indien isolerende beglazing niet inpasbaar is, zal voor een ander oplossing, zoals een achterzetconstructie gekozen moeten worden.

• Indien een bestaand raam geen monumentale waarden vertegenwoordigd zal het nieuwe raam in detaillering en materialisering moeten aansluiten bij het monument.

• Indien een raam wel monumentale waarden vertegenwoordigt maar, onherstelbaar aangetast is, kan isolerende beglazing worden toegepast, mits het uiterlijk en de detaillering van het bestaande raam verenigbaar zijn met isolerende beglazing. Hierbij moet het aanzicht, de dagmaten, negge, zwaarte, en detaillering vanaf de buitenzijde ongewijzigd blijven, tenzij het interieur belangrijke monumentale waarden vertegenwoordigt, dan zal ook aan de binnenzijde het uiterlijk ongewijzigd moeten blijven.

• Het bestaande raamsysteem moet gehandhaafd worden. Draai-kiepramen zijn in beginsel niet toegestaan.

• De bestaande kozijnen mogen niet ingrijpend worden aangepast of vervangen ten behoeve van tochtdichtingsvoorzieningen of geleidingssystemen.

• Schijnroeden of roedeverzwaringen zijn niet toegestaan.

• Oud glas en glas-in-lood ramen moeten worden gehandhaafd. Glas-in-loodramen mogen niet in de luchtspouw van dubbel glas worden aangebracht.

• Bij het toepassen van dubbele beglazing dienen de afstandsprofielen te worden uitgevoerd in kleur of met een zwarte rubberkern in plaats van metaal.

• Indien een raam wel monumentale waarden vertegenwoordigt en niet om technische redenen vervangen hoeft te worden en/of de detaillering niet verenigbaar is met isolerende beglazing zal er voor een achterzetraam gekozen moeten worden.

• Met een achterzetraam wordt een raam aan de binnenzijde bedoeld. Isolerende voorzieningen aan de buitenzijde zijn niet toegestaan 

• Indien een interieur belangrijke monumentale waarden vertegenwoordigt, is een achterzetraam in beginsel niet toegestaan.

• Een achterzetraam mag onderdeel uitmaken van een volledige achterzetwand  (zie §8.2 Gevels)

• De detaillering en de onderverdeling van het achterzetraam mag niet detoneren met het monumentale raam.

• Bij het toepassen van isolerende beglazing is een monumentenvergunning vereist

Aanwijzingen

• Onder isolerende beglazing wordt zowel dubbel glas als gelaagd glas met isolerende eigenschappen verstaan.

• Getrokken glas heeft de voorkeur ten opzichte van floatglas.

• Indien het raam omwille van het aanbrengen van isolerende beglazing aangepast mag worden, kan voor een binnenbeglazingssysteem worden gekozen. Buitenbeglazing geplaatst in de stopverf geniet de voorkeur.

• Het aanbrengen van isolerende beglazing heeft geen effect zonder een verbetering van de kierdichting. De aanwezige monumentale waarden kunnen er toe leiden dat geen voorzieningen mogelijk zijn.

8.2 Gevels

Uitvoeringseisen

• Het aanbrengen van isolatiemateriaal mag geen fysische veranderingen tot gevolg hebben die schade aan het monument toebrengen.

• De isolatie van de wanden moet afgestemd zijn op het totale pakket van isolatievoorzieningen. Een in verhouding tot de overige isolatievoorzieningen relatief dik isolatiepakket kan tot schade leiden.

• Voorzetwanden en binnenisolatiesystemen mogen niet worden toegepast als monumentale interieuronderdelen worden aangetast of aan het zicht ontrokken, zoals lambriseringen, wandbespanningen, monumentale plafonds en plafondlijsten.

• Buiten isolatiesystemen zijn niet toegestaan.

• Indien strijkbalken en strijkspanten dermate dicht op de gevel liggen ( > 25 mm) dat er niet afdoende isolatiemateriaal tussen het constructieonderdeel en de buitenwand kan worden aangebracht, of monumentale plafonds verhinderen dat de isolatievoorziening kan worden doorgezet moet van de isolerende maatregel worden afgezien. Een strijkspant of strijkbalk mag in beginsel niet verplaatst worden, tenzij de gevolgen voor de monumentale waarden beperkt zijn. Indien er sprake is van een houtskelet, moer- en kinderbint- constructie, of anderzijds bijzondere historische constructies is het verplaatsen van onderdelen uitgesloten.

• Een strijkbalk of strijkspant mag niet aan de “koude” zijde van de isolatie komen.

• Bij het toepassen van binnenisolatie moet ter voorkoming van inwendige condensatie aan de “warme”zijde een dampremmende folie worden aangebracht.

Toelichting

• De wens tot het isoleren van buitenmuren leidt vaak tot problemen. Aangezien monumentale gebouwen thermisch lek zijn zullen koudebruggen, bijvoorbeeld bij vloeren en stabiliteitswanden, onvermijdelijk zijn. Hierdoor kan inwendige condensatie optreden, vaak juist bij balkopleggingen en gevelankers hetgeen tot ernstige schade leidt.

8.3 Daken

Uitvoeringseisen

• Isolatie aan de buitenzijde van het dakbeschot is alleen toegestaan als de daklijn niet gelijk komt met of hoger komt dan de gevellijn van de voor- of achtergevel en de resterende gootbreedte minimaal 15 cm bedraagt. Indien mogelijk is, in overleg met de gemeente, het ophogen van de goot toegestaan.

• Isolatie aan de buitenzijde van het dakbeschot is in principe niet toegestaan indien niet onder de gevelllijn van de voor- en achtergevel kan worden gebleven.

• Indien een warm dak niet mogelijk is, kan aan de binnenzijde isolatie worden aangebracht, waarbij een goede ventilatie met buitenlucht tussen de isolatie en het dakbeschot moet worden gewaarborgd.

• Aan de warme zijde van het isolatiemateriaal moet dampremmende folie worden aangebracht.

• Afdichtingsmiddelen als kit en PUR-schuim zijn niet toegestaan.

• Historische kappen dienen voldoende geventileerd te worden.

• Een warm –dak constructie heeft de voorkeur boven een koud-dak constructie.

8.4 Vloeren

Uitvoeringseisen

• Bij monumentale interieurs, waarvan de ruimte een eenheid vormt, is een verlaagd plafond niet toegestaan.

• Voor het aanbrengen van isolerende voorzieningen mogen geen monumentale onderdelen, zoals vloeren of plafonds, verwijderd of ontmanteld worden.

• Verlaagde plafonds moeten zodanig zijn aangebracht dat de bevestigingsmiddelen eventuele monumentale onderdelen niet aantasten en installaties , zoals elektrische leidingen, niet door monumentale onderdelen, bijvoorbeeld balken, worden doorgevoerd.

• Verhoogde of zwevende vloeren mogen niet leiden tot het inkorten van monumentale deuren.

• Verhoogde en zwevende vloeren mogen niet leiden tot het aanpassen of verplaatsen van monumentale trappen.

• Monumentale onderdelen, zoals lambriseringen of plinten die onderdeel zijn van het interieur, mogen niet geheel of gedeeltelijk door verhoogde vloeren aan het zicht ontrokken worden. 

8.5 Ventilatie

Uitvoeringseisen

• Bij mechanische of balansventilatie moeten de installaties zodanig zijn aangebracht dat geen schade wordt toegebracht aan historisch waardevolle interieurs of constructieve elementen.

• De installaties moeten zodanig zijn gesitueerd dat de visuele gaafheid van het interieur niet wordt aangetast.

• Ventilatieroosters of suskasten zijn niet toegestaan. Indien het vervangen van de ramen is toegestaan mag een verholen ventilatievoorziening worden aangebracht.

• Muurventilatieroosters of muursuskasten zijn niet toegestaan.

• Indien er geen monumentale waarden in het geding zijn, kunnen ventilatievoorzieningen in de achtergevel aangebracht worden. De ventilatie dient bij voorkeur via voorzieningen op het dak te worden geregeld, maar wel op een wijze dat de monumentale waarden van de interieurs niet worden aangetast.

Aanwijzingen

• Indien een monument wordt nageïsoleerd, moet grote zorg besteed worden aan de ventilatie. Zonder een deugdelijke ventilatie kan het nageïsoleerde monument grote schade ondervinden door te hoge vochtconcentraties in het pand. De voorzieningen mogen echter geen monumentale onderdelen aantasten of ontsierend werken.

8.6 Zonne-energie

Uitgangspunt

• Zonnepanelen zijn onder strikte voorwaarden toepasbaar op hellende en platte daken.

• Zonnepanelen zijn een vergunningsplichtige aangelegenheid en mogen de monumentale waarde niet aantasten.

Uitvoeringseisen

• Bij daken die zijn gedekt met leien, koper, losanges of een zeldzame dakbedekking zijn collectoren niet toegestaan.

• Indien een dak een prominent onderdeel is van de architectuur of het monumentale voorkomen van een monument zijn voorzieningen om zonne-energie op te vangen niet toegestaan.

• Voor de maximale omvang en positie in het dak zie §5.5 Voorzieningen in het dak.

• Zonnecollectoren mogen niet in een hoek ten opzichte van het dakvlak worden aangebracht.

• Zonnecollectoren mogen niet zichtbaar zijn vanaf openbaar gebied.

• Warmtenokken e.d. zijn niet toegestaan.

• De pannen mogen niet verwijderd worden.

Hoofdstuk 9 Aanvullende uitvoeringseisen

• Indien tijdens de uitvoering van vergunde werkzaamheden historische onderdelen te voorschijn komen waarvan het bestaan voordien niet bekend was, is de vergunninghouder verplicht dit te melden bij de medewerkers van de gemeente. Indien noodzakelijk kan de medewerker van de gemeente een revisie van het bouwplan eisen in aanvulling op de verleende vergunning.

• De uitvoerenden moeten medewerkers van de gemeente de mogelijkheid bieden tijdens de werkzaamheden onderzoek uit te voeren.

• Historisch waardevolle elementen moeten tijdens restauratie- en verbouwingswerkzaamheden afdoende beschermd worden tegen beschadigingen.

• Een monument moet tijdens de uitvoering van de werkzaamheden te allen tijde afdoende tegen weersinvloeden beschermd zijn.

• Onderdelen die hergebruikt zullen worden, maar voor de uitvoering van de werkzaamheden tijdelijk worden gedemonteerd, moeten droog, geventileerd en beschermd tegen mogelijke beschadigingen worden opgeslagen.

• Stut- en stempelconstructies moeten zodanig worden aangebracht dat zij geen schade kunnen veroorzaken aan historisch waardevolle elementen.

• Steigers moeten zodanig geplaatst en bevestigd worden, dat de schade aan de gevel tot een minimum beperkt blijft. Verankeringselementen moeten bij demontage worden verwijderd en de ontstane gaten moeten gevuld worden met daartoe geëigende, bij het monument passende materialen. Steigers mogen niet aan geveltoppen worden “gehangen”.

• Veiligheidsvoorzieningen voor inspectie zijn in beginsel toegestaan mits de aan te brengen voorzieningen geen monumentale onderdelen aantasten en zij niet prominent aanwezig zijn. Veiligheidsvoorzieningen voor onderhoud zijn alleen toegestaan indien de bereikbaarheid met bijvoorbeeld hoogwerkers niet redelijkerwijs mogelijk is en de noodzaak van regulier onderhoud aanwezig is.

Aanwijzingen

• Voor veranderingen aan erfinrichtingen, hekwerken, erfscheidingen, bestratingen behoren vaak bij het monument. Bij wijziging hiervan mogen echter geen monumentale onderdelen aantasten of ontsierend werken.

Begrippenlijst (beknopt) 1  

Onderstaand worden enige van de voorgaand gebruikte begrippen verduidelijkt:

 Afzanden: losraken van zanddeeltjes uit baksteen of natuursteen.Compatibel: verenigbaar.Dampdicht: eigenschap waardoor geen waterdamp in de constructie dringt.Dampremmend: eigenschap waardoor slechts weinig waterdamp in de constructie dringt.Glas: Floatglas: volledig vlak glas.Glas: Getrokken glas: historisch glas met lichte oneffenheden.Hydrofoberen: met een chemisch middel (tijdelijk) waterafstotend maken van baksteen of  natuursteen (bijvoorbeeld gevels).Koudebrug: element met een lagere temperatuur dan de temperatuur van de overige constructie.Losanges: dakbedekking in ruitvorm (bijv. zink of cementvezelplaat).Polychromeren: (veelkleurig) schilderen (meestal gebruikt voor steenachtig materiaal).Portlandcement: chemisch hardende mortel (i.t.t. (schelp)kalkmortel).Reversibel: omkeerbaar.Sd-waarde: dampdiffussieweerstand (bijv. van verfsysteem of folie).Steenversteviger: chemisch middel voor het verstevigen van zwakke baksteen of natuursteen.Strijkbalk: vloerbalk vlak achter de gevel.Strijkspant: spant (dakbalk) vlak langs de (top)gevel.Thermische lek: gedeelte van een bouwconstructie waar warmteverlies optreedt.Vochtregulerend: eigenschap waardoor er vochtbalans kan ontstaan in de constructie (bijv.middels vochtregulerende verf).

Nuttige publicaties

Gebouwd verleden. Doorgeven of afgeven? Uitgangspunten PlanbeoordelingMonumenten DSL, oktober 2006.Infobladen restauratie en beheer RACM, ZeistInspectiehandboek. Monumentenwacht Nederland (4 delen).Brandpreventie en monumenten. Sdu, Den Haag