Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Bunschoten

Gemeenschappelijke Regeling Afvalverwijdering Utrecht

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieBunschoten
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingGemeenschappelijke Regeling Afvalverwijdering Utrecht
CiteertitelGemeenschappelijke Regeling Afvalverwijdering Utrecht
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmilieu
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Datum inwerkingtreding en ondertekening zijn bij benadering vastgesteld.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Wet gemeenschappelijke regelingen

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

13-04-1995nieuwe regeling

13-04-1995

Onbekend

Onbekend

Tekst van de regeling

Intitulé

Gemeenschappelijke Regeling Afvalverwijdering Utrecht

Gedeputeerde staten van de provincie Utrecht brengen ter openbare kennis dat de raden en de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Abcoude, Amerongen, Amersfoort, Baarn, Benschop, De Bilt, Breukelen, Bunnik, Bunschoten, Cothen, Doorn, Driebergen-Rijsenburg, Eemnes, Harmelen, Houten, Kamerik, Kockengen, Langbroek, Leersum, Leusden, Linschoten, Loenen, Lopik, Maarn, Maarssen, Maartensdijk, Mijdrecht, Montfoort, Nieuwegein, Polsbroek, Renswoude, Rhenen, Snelrewaard, Soest, Utrecht, Veenendaal, Vinkeveen en Waverveen, Vleuten-De Meern, Wijk bij Duurstede, Willeskop, Wilnis, Woerden, Woudenberg, Usselstein, Zegveld, Zeist, alsmede provincialestaten en gedeputeerde staten van Utrecht, ieder voor zover zij bevoegd zijn en gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen hebben besloten tot het aangaan van de "Gemeenschappelijke regeling afvalverwijdering Utrecht".

De Kroon heeft bij Koninklijk besluit van 1 oktober 1984, nr. 12, krachtens artikel 27 van de Wet gemeenschappelijke regelingen, de desbetreffende regeling goedgekeurd.

De tekst van de thans aangegane gemeenschappelijke regeling luidt als volgt:

Begripsbepalingen

Artikel 1.

In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    de regeling: deze gemeenschappelijke regeling;

  • b.

    het openbaar lichaam: het rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam als bedoeld in artikel 3;

  • c.

    de provincie: de provincie Utrecht;

  • d.

    de gemeente: een aan deze regeling deelnemende gemeente;

  • e.

    gedeputeerde staten: het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht;

  • f.

    de minister: de minister van volkshuisvesting, ruimtelijke ordening en milieubeheer;

  • g.

    afvalstoffen: afvalstoffen bedoeld in de Wet Milieubeheer;

  • h.
  • i.

    het gebied: het territoir van alle in de provincie Utrecht gelegen gemeenten, met uitzondering van het territoir van de gemeente Loosdrecht;

  • j.

    verwerking van afvalstoffen: het vernietigen, onschadelijk maken, het geschikt maken voor hergebruik en/of andere nuttige toepassingen of definitieve verwijdering;

  • k.

    overladen: het overslaan van afvalstoffen op door AVU aangewezen locaties;

  • I.

    vervoer: het vervoer van afvalstoffen vanaf door AVU aangewezen locaties naar een verwerkingsinrichting;

  • m.

    transport: hettransport van afvalstoffen vanuit de gemeente naarde door AVU aangewezen locaties c.q. verwerkingsinrichtingen;

  • n.

    sturing: het (doen) organiseren van de verwerking van door gemeenten en/of particuliere bedrijven aangeboden afvalstoffen.

Doel

Artikel 2.

"Deze gemeenschappelijke regeling heeft tot doel op een doelmatige en uit oogpunt van milieuhygiëne verantwoorde wijze sturing en uitvoering te geven aan het afvalstoffenbeleid in de provincie Utrecht".

Naam van het openbaar lichaam

Artikel 3.

  • 1.

    Ter uitvoering van het in artikel 2 omschreven doel wordt een rechtspersoonlijkheid bezittend lichaam gevormd genaamd Openbaar lichaam afvalverwijdering Utrecht.

  • 2.

    Het openbaar lichaam is gevestigd te Utrecht.

Bestuursorganen

Artikel 4.

De bestuursorganen van het openbaar lichaam zijn:

  • a.

    het algemeen bestuur;

  • b.

    het dagelijks bestuur;

  • c.

    de voorzitter.

Taak

Artikel 5.

Het openbaar lichaam heeft, met inachtneming van de in artikel 2 vermelde doelstelling tot taak:

  • a.

    de uitvoering van het afvalstoffenbeleid in de provincie Utrecht voor wat betreft de verwerking van huishoudelijke afvalstoffen en andere categorieën van afvalstoffen waarbij voor de laatstbedoelde categorieën geldt indien en voorzover het algemeen bestuur daartoe heeft besloten;

  • b.

    ondersteuning en adviseri ng aan de deel nemers met betrekki ng tot het afvalstoffenbeleid;

  • c.

    de (zorg van de) inzameling en/of het transport van de onder a. bedoelde afvalstoffen, indien en voorzover een deelnemer heeft besloten die taak op basis van een daartoe gesloten nadere overeenkomst over te dragen aan de gemeenschappelijke regeling;.

  • d.

    het aangaan van overeenkomsten met betrekking tot de verwerking van onder a. bedoelde afvalstoffen;

  • e.

    het exploiteren of doen exploiteren van inrichtingen en installaties, noodzakelijk voor een doelmatige verwerking van de onder a. bedoelde afvalstoffen;

  • f.

    het overladen en vervoer van de onder a. bedoelde afvalstoffen;

  • g.

    de afstemming van het transport tussen de gemeente van inzameling en de plaats van overladen dan wel de plaats van een inrichting voor verwerking van afvalstoffen;

  • h.

    het vaststellen van tarieven voor overladen en voor vervoer van afvalstoffen;

  • i.

    het vaststellen van tarieven voor verwerking van onder a. bedoelde afvalstoffen.

Artikel 6.

  • 1.

    Binnen het gebied zijn aan de organen van het lichaam in het kader van deze regeling opgedragen de verplichtingen en de bevoegdheden die zij binnen de grens van de Wet gemeenschappelijke regelingen kunnen hebben.

  • 2.

    De organen van de provincie behouden de bevoegdheden die hun zijn toegekend in de Afvalstoffenwet. Zij zullen naast hetgeen in een provinciaal afvalstoffenplan wordt bepaald evenwel geen aanvullende regelen stellen jegens het openbaar lichaam.

Het algemeen bestuur

a. Samenstelling

Artikel 7.

  • 1.

    Ten behoeve van de samenstelling van het algemeen en het dagelijks bestuur wordt het gebied van het openbaar lichaam verdeeld in drie regio's, waarbij:

    • regio I:

    • bestaat uit de gemeenten Abcoude, Breukelen, De Ronde Venen, Harmelen, Houten, Loenen, Lopik, Maarssen, Maartensdijk, Montfoort, Nieuwegein, Oudewater, Vleuten-De Meern, Woerden, IJsselstein en Utrecht.

    • Regio II:

    • uit de gemeenten Amersfoort, Baarn, Bunschoten, Eemnes, Leusden, Soest en Woudenberg.

    • Regio III:

    • uit de gemeenten Amerongen, Bunnik, Cothen, De Bilt, Doorn, Driebergen-Rijsenburg, Langbroek, Leersum, Maarn, Renswoude, Rhenen, Veenendaal, Wijk bij Duurstede en Zeist.

  • Het algemeen bestuur kan de regio-indeling wijzigen. Daarbij kan het ook wijziging brengen in het bepaalde in lid 3 van dit artikel. Tevens besluit het tot welke regio na het in werking treden van deze regeling toe te treden gemeenten zullen behoren.

  • 2.

    Een wijziging wordt aangebracht, wanneer zich daarvoor een meerderheid van ten minste tweederde der uitgebrachte stemmen uitspreekt.

  • 3.

    Het algemeen bestuur bestaat uit de volgende leden:

    • a.

      twee leden te benoemen door provinciale staten uit hun midden;

    • b.

      twee leden uit de stad Utrecht, te benoemen door en uit de gemeenteraad, daaronder de voorzitter van de gemeenteraad begrepen;

    • c.

      één vertegenwoordiger per deelnemende gemeente (met uitzondering van de stad Utrecht) te benoemen door en uit de gemeenteraden, de voorzitter van de gemeenteraad daaronder begrepen, van de bij deze regeling aangesloten gemeenten.

  • 4.

    Voor ieder lid wordt een plaatsvervanger benoemd.

  • 5.

    De benoeming van de plaatsvervangende leden vindttegelijkertijd en op overeenkomstige wijze plaats als de benoeming van de leden.

De volgende bepalingen zijn tevens van toepassing op de plaatsvervangende leden.

  • 6.

    De leden van het algemeen bestuur mogen:

    • a.

      niet als advocaat, procureur, gemachtigde of adviseur werkzaam zijn ten behoeve van de wederpartij van het openbaar lichaam of haar bestuur in geschillen;

    • b.

      middellijk noch onmiddellijk krachtens overeenkomst tegen beloning diensten ten behoeve van het openbaar lichaam verrichten;

    • c.

      middellijk noch onmiddellijk deelnemen aan onderhandse huur of pacht van goederen of inkomsten van het openbaar lichaam aan leveringen of aannemingen ten behoeve van het openbaar lichaam of aan het kopen van betwistte vorderingen te haren laste;

    • d.

      niet werkzaam zijn als werknemer bij het openbaar lichaam.

b. Benoeming

Artikel 8.

  • 1.

    De leden van het algemeen bestuur, bedoeld in artikel 7, worden benoemd voor vier jaar.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in de volgende leden van dit artikel, treden de leden van het algemeen bestuur af op de dag waarop de zittingsperiode van provinciale staten respectievelijk de gemeenteraden afloopt.

  • 3.

    De in artikel 7, derde lid, bedoelde staten respectievelijk gemeenteraden benoemen bij de aanvang van elke zittingsperiode ten spoedigste, doch in elk geval binnen drie maanden, nieuwe leden van het algemeen bestuur; aftredende leden kunnen opnieuw worden benoemd.

  • 4.

    Zolang de staten of de betreffende gemeenteraden niet hebben voldaan aan het in het vorige lid bepaalde, blijven de door hen of mee door hen aangewezen leden van het algemeen bestuur die hadden moeten aftreden, als zodanig fungeren totdat de staten of de betreffende gemeenteraden nieuwe leden hebben aangewezen.

  • 5.

    Onverminderd het bepaalde in het tweede lid, houdt een lid van het algemeen bestuur dat de hoedanigheid genoemd in artikel 7, derde lid verliest, daarmee tevens op lid van het algemeen bestuur te zijn.

  • 6.

    Een lid van het algemeen bestuur kan te allen tijde ontslag nemen.

  • 7.

    Indien tussentijds een plaats van een lid van het algemeen bestuur als bedoeld in artikel 7, derdelid, openvalt, voorzien/voorziet provindalestaten,respectievelijkde desbetreffende gemeenteraad ten spoedigste in de vacature.

  • 8.

    Van elke benoeming tot lid geeft het orgaan, dat het benoemingsbesluit neemt, zo spoedig mogelijk kennis aan het algemeen bestuur.

c. Werkwijze

Artikel 9.

  • 1.

    Het algemeen bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter of het dagelijks bestuur dit nodig oordeelt, of ten minste zes leden zulks schriftelijk onder opgave van de te behandelen onderwerpen verzoeken.

  • 2.

    Met inachtneming van het reglement van orde voor de vergaderingen van het algemeen bestuur, als bedoeld in artikel 17, bepaalt de voorzitter dag en plaats der vergadering en het uur van de opening en roept hij de leden op.

  • 3.

    Het algemeen bestuur mag niet beraadslagen of besluiten indien niet meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden aanwezig is.

  • 4.
    • a.

      Indien het vereiste aantal leden niet is opgekomen wordt een nieuwe vergadering belegd, op de in het tweede en vijfde lid voorgeschreven wijze. Tussen het rondzenden van de oproepingsbrieven en vergaderdatum wordt een periode van tenminste een week aangehouden.

    • b.

      De onder a. bedoelde vergadering wordt gehouden ongeacht het aantal leden dat is opgekomen. Indien het in het derde lid bedoelde quorum niet aanwezig is, kan alleen worden beraadslaagd en besloten over zaken die vermeld zijn in de oproepingsbrief voor de eerste vergadering. In dat geval is artikel 13 niet van toepassing.

  • 5.

    De openbare kennisgeving van de dag en het uur van de vergadering geschiedt door de voorzitter in één of meer dag- of nieuwsbladen.

  • Tevens wordt op verzoek van de voorzitter in de gemeenten hiervan kennisgegeven op de aldaar gebruikelijke wijze.

d. Openbaarheid vergadering

Artikel 10.

  • 1.
    • a.

      Het algemeen bestuur vergadert in het openbaar. De deuren worden gesloten wanneer ten minste eenvijfde der aanwezige leden hierom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt. Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren wordt vergaderd, indien en voor zover onderwerpen aan de orde zijn van zodanige aard, dat behandeling daarvan in een openbare vergadering, gezien de schade welke daarvoor aan algemene of bijzondere belangen kan worden toegebracht niet gerechtvaardigd moet worden geacht.

    • b.

      Het algemeen bestuur kan in een besloten vergadering, op grond van een belang genoemd in artikel 4 van de Wet openbaarheid van bestuur, omtrent het in die vergadering met gesloten deuren behandelde en omtrent de inhoud van de stukken die aan het algemeen bestuur worden overgelegd, geheimhouding opleggen. De geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen totdat het algemeen bestuur haar opheft.

    • c.

      Op grond van een belang genoemd in artikel 4 van de Wet openbaarheid van bestuur, kan de geheimhouding eveneens worden opgelegd door het dagelijks bestuur, de voorzitter en een commissie als bedoeld in artikel 19, ieder ten aanzien van stukken die zij aan het algemeen bestuur of aan leden van het algemeen bestuur overleggen. Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt.

    • d.

      De krachtens het tweede aan het algemeen bestuur opgelegde verplichting tot geheimhouding vervalt, indien de oplegging niet door het algemeen bestuur in zijn eerstvolgende vergadering die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt bekrachtigd.

    • e.

      De krachtens het tweede lid aan de leden van het algemeen bestuur opgelegde verplichting tot geheimhouding wordt door hen in acht genomen totdat het orgaan, dat de verplichting heeft opgelegd, dan wel indien het onderwerp waaromtrent geheimhouding is opgelegd aan het algemeen bestuur is voorgelegd, totdat het algemeen bestuur haar opheft. Het algemeen bestuur kan deze beslissing alleen nemen in een vergadering die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht.

  • 2.

    In een besloten vergadering wordt niet beraadslaagd, noch een besluit genomen over:

    • a.

      het vaststellen of wijzigen van de begroting;

    • b.

      het voorlopig vaststellen van de rekening;

    • c.

      het vaststellen, wijzigen of intrekken van belasting- en andere, door strafbepaling of politiedwang te handhaven verordeningen;

    • d.

      het instellen van commissies als bedoeld in artikel 19, alsmede hun samenstelling en bevoegdheden;

    • e.

      het vaststellen of wijzigen van tarieven als bedoeld in artikel 31;

    • f.

      het toetreden tot, uittreden uit of wijzigen van de regeling overeenkomstig artikel 38;

    • g.

      het reglement van orde van de vergadering van het algemeen bestuur als bedoeld in artikel 17.

  • 3.

    In een besloten vergadering wordt geen besluit genomen over:

    • a.

      het treffen, wijzigen, verlengen of opheffen van een gemeenschappelijke regeling tussen het openbaar lichaam en andere lichamen, alsmede het toetreden en uittreden;

    • b.

      het oprichten van of het deelnemen in stichtingen, maatschappen, vennootschappen en coöperatieve of andere verenigingen dan wel het ontbinden daarvan of het beëindigen van deelneming;

    • c.

      het aangaan van geldleningen en van rekening-courantovereenkomsten;

    • d.

      het uitlenen van gelden en het waarborgen van geldelijke verplichtingen door andere aan te gaan;

    • e.

      het vervreemden of bezwaren van goederen van het openbaar lichaam;

    • f.

      het onderhands verhuren, verpachten of in gebruik geven van goederen van het openbaar lichaam;

    • g.

      het onderhands aanbesteden van werken of leveranties;

    • h.

      het doen van een uitgaaf, voordat de begroting of begrotingswijziging, waarbij deze uitgaaf is geraamd, is goedgekeurd;

    • i.

      de regeling van de rechtspositie van het personeel.

e. Stemmingen

Artikel 11.

  • 1.

    De in artikel 7 bedoelde leden hebben in de vergadering van het algemeen bestuur:

    • a.

      1 stem indien afkomstig uit een gemeente tot 10.000 inwoners;

    • b.

      2 stemmen indien afkomstig uit een gemeente tot 25.000 inwoners;

    • c.

      3 stemmen indien afkomstig uit een gemeente tot 50.000 inwoners;

    • d.

      4 stemmen indien afkomstig uit een gemeente tot 75.000 inwoners;

    • e.

      5 stemmen indien afkomstig uit een gemeente tot 100.000 inwoners;

    • f.

      6 stemmen indien afkomstig uit een gemeente tot 200.000 inwoners;

    • g.

      7 stemmen indien afkomstig uit een gemeente met meer dan 200.000 inwoners, met dien verstande dat de twee leden uit de stad Utrecht gezamenlijk 7 stemmen hebben.

    • h.

      De twee leden, benoemd door en uit provinciale staten, hebben gezamenlijk een aantal stemmen, dat gelijk is aan dat van de grootste deelnemende gemeente.

  • 2.

    Als peildatum voor het aantal inwoners geldt 31 december van het voorgaande jaar.

Artikel 12.

  • 1.

    De leden onthouden zich van medestemmen over:

    • a.

      aangelegenheden, die hen, hun echtgenoten, of hun bloed- of aanverwanten, tot de derde graad ingesloten, rechtstreeks of middellijk, persoonlijk aangaan of waarin zij als gemachtigde zijn betrokken;

    • b.

      de vaststelling of goedkeuring van de rekening van een lichaam waaraan zij rekenplichtig zijn of tot welks bestuur zij behoren.

  • 2.

    Een benoeming wordt geacht iemand persoonlijk aan te gaan, wanneer zij behoorttot die personen tot welke de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt.

Artikel 13.

  • 1.

    Eenstemming is nietig, indien niet meer dan de helft van het aantal leden, dat zitting heeft en zich niet van medestemmen moet onthouden aan de stemming heeft deelgenomen.

  • 2.

    Bij een schriftelijke stemming wordt voor de toepassing van het eerste lid onder het deelnemen aan de stemming verstaan het inleveren van een stembriefje.

  • 3.

    Een stemming is geldig, ongeacht het aantal leden dat eraan heeft deelgenomen, ingeval opnieuw wordt gestemd over een voorstel of over een benoeming, voordracht of aanbeveling van een of meer personen, ten aanzien waarvan in een vroegere vergadering een stemming op grond van het eerste lid nietig was.

Artikel 14.

  • 1.

    Voor het tot stand komen van een besluit bij stemming wordt de volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht.

  • 2.

    Bij een schriftelijke stemming wordt voor de toepassing van het eerste lid onder het uitbrengen van een stem verstaan het inleveren van een behoorlijk ingevuld stembriefje.

Artikel 15.

  • 1.

    De stemming over personen voor het doen van benoemingen, voordrachten of aanbevelingen geschiedt bij gesloten en ongetekende stembriefjes.

  • 2.

    Indien de stemmen staken, wordt in dezelfde vergadering een herstemming gehouden.

  • 3.

    Staken bij de herstemming de stemmen wederom, dan beslist terstond het lot.

Artikel 16.

  • 1.

    De overige stemmingen geschieden bij hoofdelijke oproeping, wanneer de voorzitter of één der leden dit verlangt en alsdan mondeling.

  • 2.

    Bij hoofdelijke oproeping is ieder verplicht zijn stem voor of tegen uit te brengen.

  • 3.

    Indien geen stemming wordt gevraagd, is het voorstel aangenomen.

  • 4.

    Tenzij de vergadering voltallig is, wordt bij staking van stemmen het nemen van een besluit uitgesteld tot een volgende vergadering waarin de beraadslagingen kunnen worden heropend.

  • 5.

    Indien de stemmen staken in een voltallige vergadering of voor de tweede maal over hetzelfde voorstel wordt het geacht niet te zijn aangenomen.

  • 6.

    Onder een voltallige vergadering wordt voor de toepassing van dit artikel verstaan een vergadering waarin alle leden die op het moment van de stemming in het algemeen bestuur zitting hebben, voor zover zij zich niet van medestemmen moesten onthouden, een stem hebben uitgebracht.

f. Reglement van orde

Artikel 17.

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast.

  • 2.

    Het reglement van orde mag geen bepalingen bevatten, welke in strijd zijn met deze regeling.

g.Vergoeding

Artikel 18.

De leden van het Algemeen Bestuur hebben aanspraak op vergoeding van gemaakte reis- en verblijfskosten, alsmede op vergoeding voor werkzaamheden die door leden van het Algemeen Bestuur worden verricht, volgens regelen door dit bestuur vast te stellen.

h. Commissies

Artikel 19.

  • 1.

    Het algemeen bestuur kan commissies instellen.

  • 2.

    De instelling van vaste commissies van advies aan het dagelijks bestuur geschiedt door het algemeen bestuur, op voorstel van het dagelijks bestuur.

  • 3.

    Andere adviescommissies dan de in het tweede lid bedoelde commissies van advies aan het dagelijks bestuur worden door het dagelijks bestuur ingesteld.

  • 4.

    Bevoegdheden van het algemeen bestuur of van het dagelijks bestuurkunnen worden toegekend aan:

    • a.

      een functionele commissie, met het oog op de behartiging van bepaalde belangen;

    • b.

      een territoriale commissie, met het oog op de behartiging van de belangen van een deel van het gebied hetwelk daarvoor hetzij door zijn ligging, hetzij door zijn karakter in aanmerking komt.

  • 5.

    Indien aan een commissie bevoegdheden van het algemeen bestuur of van het dagelijks bestuur worden toegekend, regelt het algemeen bestuur de verantwoording aan het algemeen bestuur en voor zover zulks in verband met de aard en de omvang van de toegekende bevoegdheden nodig is, tevens de werkwijze van de commissie, de openbaarheid van vergaderingen, de voorbereiding, de uitvoering van de openbaarmaking van besluiten van de commissie, het toezicht van het algemeen bestuur of «/an het dagelijks bestuur op de uitoefening van de bevoegdheden van de commissie en de verhouding van de toegekende bevoegdheden tot die van andere organen van het openbaar I ichaam. Voor zover hel betreft een commissie waaraan bevoegdheden van het dageli|ks bestuur worden toegekend, worden deze regels vastgesteld op voorstel van het dagelijks bestuur.

  • 6.

    De raad (raden) van een of meer gemeente(n) kan (kunnen) het algemeen bestuur gemotiveerd verzoeken, met het oog op het uitvoeren van taken als bedoeld in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a. en b. en tweede lid, aanhef en onder b. een commissie als bedoeld in het vijfde lid dan wel een vaste commissievan advies en bijstand in te stellen. Binnen vier maanden na ontvangst van het verzoek doet het dagelijks bestuur daaromtrent een voorstel aan het algemeen bestuur. Het algemeen bestuur beslist pas over het verzoek nadat het in de vorige zin bedoelde voorstel is uitgebracht. Een zodanig verzoek wordt ingewilligd, tenzij een meerderheid van ten minste tweederde van de uitgebrachte stemmen in een vergadering van het algemeen bestuur tegen het instellen van de verlangde commissie wordt uitgebracht.

  • 7.

    Het algemeen bestuur regelt de samenstelling en bevoegdheden van commissies, met uitzondering van commissies bedoeld in het derde lid.

Het dagelijks bestuur

a. Samenstelling

Artikel 20.

  • 1.

    Het dagelijks bestuur bestaat uit acht leden, te weten:

    • a.

      één lid uit provinciale staten;

    • b.

      drie leden uit regio I, waarvan in ieder geval één uit de stad Utrecht;

    • c.

      twee leden uit regio II;

    • d.

      twee leden uit regio III.

  • 2.

    De benoeming van de in lid 1 bedoelde leden geschiedt door en uit het midden van het algemeen bestuur.

  • 3.

    Voor ieder lid wordt een plaatsvervanger benoemd; deze benoeming vindt tegelijkertijd en op overeenkomstige wijze plaats als de benoeming van de leden.

Artikel 21 .

  • 1.

    Het algemeen bestuur besluit bij de aanvang van elke zittingsperiode ten spoedigste, doch in elk geval binnen vier maanden over de benoeming van nieuwe leden, bedoeld in artikel 20. Aftredende leden zijn terstond herkiesbaar.

  • 2.

    Hij die ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt tevens op lid van het dagelijks bestuur te zijn.

  • 3.

    Indien tussentijds een plaats in het dagelijks bestuur openvalt, vaneen lid bedoeld in artikel 20, kiest het algemeen bestuur ten spoedigste doch in elk geval binnen vier maanden een nieuw lid.

  • 4.

    Leden van het dagelijks bestuur die aftreden of hun ontslag indienen blijven als zodanig fungeren totdat in hun opvolging is voorzien.

Artikel 22.

Indien een afwezigheid van een lid van het dagelijks bestuur van langdurige aard wordt verwacht kan het algemeen bestuur in de tijdelijke vervanging van dit lid voorzien.

b. Werkwijze

Artikel 23.

  • 1.

    Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter dit nodig oordeelt, often minste twee leden van het dagelijks bestuur zulks schriftelijk onder opgave van de te behandelen onderwerpen verzoeken, in welk geval de vergadering binnen twee weken plaatsvindt.

  • 2.

    De leden onthouden zich van medestemmen over:

    • a.

      de aangelegenheden die hen, hun echtgenoten, of hun bloed- of aanverwanten, tot de derde graad ingesloten persoonlijk aangaan, of waarin zij als gemachtigde zijn betrokken;

    • b.

      de vaststelling of goedkeuring der rekening van een lichaam waaraan zij rekenplichtig zijn of tot welk bestuur zij behoren.

  • 3.

    Een benoeming wordt geacht iemand persoonlijk aan te gaan wanneer hij behoort tot die personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt.

  • 4.

    De vergadering mag slechts beraadslagen en besluiten, indien behalve de voorzitter of zijn plaatsvervanger nog drie leden van het dagelijks bestuur tegenwoordig zijn.

  • 5.

    Over personen wordt schriftelijk, over zaken mondeling gestemd. De leden van het dagelijks bestuur brengen ieder een stem uit.

  • 6.

    Het dagelijks bestuur kan zich laten bijstaan door adviseurs.

  • 7.

    Het dagelijks bestuur kan belanghebbenden uitnodigen of toelaten om in één of meervan zijn vergaderingen hun belangen te bepleiten of van hun gevoelen te doen blijken.

  • 8.

    Het dagelijks bestuur kan een reglement van orde voor zijn vergaderingen vaststellen hetwelk de goedkeuring behoeft van het algemeen bestuur. Dit reglement mag geen bepalingen bevatten, welke in strijd zijn met deze regeling.

c. Vergoeding

Artikel 24.

  • 1.

    De leden van het dagelijks bestuur hebben aanspraak op vergoeding van gemaakte reis- en verblijfkosten volgens regelen door het algemeen bestuur te stellen.

  • 2.

    Het algemeen bestuur kan regelen vaststellen inzake de vergoeding voor werkzaamheden die door leden van het dagelijks bestuur worden verricht.

d. Bevoegdheden

Artikel 25.

  • 1.

    Het dagelijks bestuur is belast met:

    • a.

      het voorbereiden van al hetgeen aan het algemeen bestuur ter overweging en beslissing zal worden voorgelegd;

    • b.

      het uitvoeren van de besluiten van het algemeen bestuur;

    • c.

      hetvoorstaan van de belangen van het openbaar lichaam bij andere overheidslichamen en andere instellingen, diensten of personen, waarmee contact voor het openbaar lichaam van belang is;

    • d.

      het beheer van inkomsten en uitgaven van het openbaar lichaam;

    • e.

      de zorg, voor zover deze niet aan andere toekomt, voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding;

    • f.

      het nemen van alle conservatoire maatregelen zowel in als buiten rechte en het doen van alles wat nodig is ter voorkoming van vrijwaring en verlies van recht op bezit;

    • g.

      het houden van een voortdurend toezicht op het beheer en de exploitatie van het openbaar lichaam alsmede op al wat het openbaar lichaam aangaat;

    • h.

      het verstrekken van inlichtingen aan de bestuursorganen van de provincie en van de gemeenten;

    • i.

      het aanstellen, schorsen en ontslaan van personeel.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur oefent, indien het algemeen bestuur daartoe besluit en naar door dit bestuur te stellen regelen, de aan het algemeen bestuur toekomende bevoegdheden uit met uitzondering van:

    • a.

      het vaststellen en wijzigen van de begroting;

    • b.

      het voorlopig vaststellen van de rekening;

    • c.

      het vaststellen, wijzigen en intrekken van strafverordeningen;

    • d.

      het vaststellen van belastingverordeningen en de daarop gebaseerde tarieven;

    • e.

      overige tarieven.

Politieke controle

Artikel 26.

  • 1.

    Een lid van het algemeen bestuur verschaft het orgaan, dat hem/haar heeft aangewezen, alle inlichtingen, die door dat orgaan of door een of meer leden daarvan worden verlangd en wel op de wijze, te bepalen in het reglement van orde op de vergaderingen van dat orgaan.

  • 2.

    Een lid van het algemeen bestuur verschaft aan de raad, die geen lid van het algemeen bestuur aanwijst, doch namens welke raad hij mede in het bestuur zitting heeft, alle inlichtingen die door die raad of een of meer daarvan worden verlangd. Het reglement van orde als bedoeld in artikel 17 van deze regeling houdt bepalingen in omtrent de wijze waarop de inlichtingen worden verstrekt.

  • 3.

    Een lidvanhetalgemeenbestuurisverantwoordingschuldigaan het orgaan, dathem/haar heeft aangewezen, voor het door hem/haar in dat bestuur gevoerde beleid en wel op de wijze, te bepalen in het reglement van orde op de vergaderingen van het orgaan.

  • 4.

    Een lid van het algemeen bestuur is verantwoording verschuldigd aan de raad die hem weliswaar niet heeft aangewezen, doch namens welke hij wel mede in het algemeen bestuur zitting heeft.

  • Het reglement van orde als bedoeld in artikel 17 van deze regeling houdt bepalingen in omtrent de wijze waarop verantwoording wordt afgelegd en de daaraan in overleg met de raad die verantwoording heeft gevraagd te verbinden gevolgen.

  • 5.

    Het orgaan, dateenvertegenwoordigerin het algemeen bestuur heeft aangewezen, heeft de bevoegdheid dit door hem aangewezen lid te ontslaan, indien dit lid het vertrouwen van dat orgaan niet meer bezit.

  • 6.

    Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur verstrekken aan de raden van de deelnemende gemeenten alle inlichtingen, die door een of meer leden van die raden worden verlangd en wel op de wijze, te bepalen in het reglement van orde op de vergaderingen van het algemeen bestuur.

Artikel 27.

  • 1.

    De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur.

  • 2.

    Zij geven, tezamen dan wel afzonderlijk, aan het algemeen bestuur, wanneer dat bestuur of een of meer leden daarvan hierom verzoekt, alle gevraagde inlichtingen en wel op de in het reglement van orde op de vergaderingen van het algemeen bestuur te bepalen wijze.

Voorzitter

Artikel 28.

  • 1.

    Het algemeen bestuur benoemt uit zijn midden een voorzitter en een vice-voorzitter.

  • 2.

    De voorzitter is voorzitter van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur.

Artikel 29.

  • 1.

    Aan de voorzitter is de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur opgedragen.

  • 2.

    De voorzitter tekent de stukken die van het algemeen en van het dagelijks bestuur uitgaan.

  • 3.

    De voorzitter vertegenwoordigt het openbaar lichaam in en buiten rechte.

  • 4.

    Hij kan de vertegenwoordiging aan een door hem aan te wijzen gemachtigde opdragen.

  • 5.

    Hij oefent overigens alle taken uit welke voortvloeien uit een goed voorzitterschap.

Secretaris

Artikel 30.

  • 1.

    Het algemeen bestuur benoemt, schorst en ontslaat de secretaris. Benoeming van de secretaris geschiedt uit een door het dagelijks bestuur opgemaakte aanbeveling, bevattende de namen van ten minste twee personen.

  • 2.

    De secretaris staat het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter bij alles wat de hun opgedragen taken betreft, terzijde.

  • 3.

    Hij draagt zorg voor het verslag van de vergaderingen van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur.

  • 4.

    Door hem worden alle stukken die van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur uitgaan, mede ondertekend.

Financiële bepalingen

Artikel 31.

De geldmiddelen van het openbaar lichaam worden gevormd door:

  • a.

    de opbrengst van de ingevorderde bedragen op basis van de vastgestelde tarieven;

  • b.

    overige inkomsten.

Artikel 32.

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt de tarieven van overladen, vervoer en verwerking vast per categorie afvalstoffen. Een commissie als bedoeld in artikel 19, zesde lid, kan een aanbeveling met betrekking tot deze tarieven doen.

  • 2.

    De tarieven zijn per categorie afvalstoffen voor alle gemeenten gelijk, tenzij het algemeen bestuur anders besluit, waarbij in beginsel als uitgangspunt geldt dat voor gelijk afgenomen diensten gelijke tarieven gelden.

Artikel 33.

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt voorschriften vast ter zake van het geldelijke beheer en de boekhouding.

  • 2.

    Het algemeen bestuur wijst één of meer registeraccountants aan voor de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding van het openbaar lichaam.

  • 3.

    Het algemeen bestuur stelt met betrekking tot de in het voorgaande lid bedoelde controle regels vast.

Artikel 34.

  • 1.

    Het dagelijks bestuur stelt jaarlijks voor 1 maart voorafgaande aan het begrotingsjaar een ontwerp-begroting op. In deze begroting zijn de bedragen, die voor iedere gemeente afzonderlijk worden geraamd aan de hand van de door de gemeente op te geven geraamde te leveren hoeveelheden afvalstoffen, voor iedere gemeente afzonderlijk opgenomen.

  • De bij de ontwerp-begroting behorende toelichting bevat voor elke post de gronden waarop de raming van inkomsten en uitgaven berust en wijst, ingeval van aanmerkelijk verschil met de raming van het vorige jaar, de oorzaak daarvan aan.

  • 2.

    De ontwerp-begroting wordtjaarlijks voor 15 maart aan provinciale staten en de raden van de gemeenten toegezonden. Zij kunnen binnen twee maanden na dagtekening van verzending van de ontwerp-begroting hun bezwaren ter kennis brengen van het algemeen bestuur.

  • 3.

    De ontwerp-begroti ng wordt samengesteld op de grondslag, dat de exploitatiekosten van het openbaar lichaam volledig moeten worden bestreden, zulks op basis van het daarbij jaarlijks vast te stellen geschatte totaal van de te ontvangen hoeveelheden afvalstoffen.

  • 4.

    Het algemeen bestuur stelt de begroting vast binnen één maand nadat de termijn als bedoeld in het tweede lid is verstreken.

  • 5.

    Terstond na de vaststelling wordt de begroting in afschrift toegezonden aan provinciale staten en de raden van de gemeenten. Laatstgenoemden nemen de op basis van deze begroting voor de gemeenten geraamde kosten in hun begroting op. De gemeenten verplichten zich aan het begin van ieder kwartaal een evenredig deel van de aan hen toe te rekenen in de begroting geraamde bedragen aan het openbaar lichaam over te maken.

  • 6.

    Het dagelijks bestuur zendt de begroting terstond na vaststelling naar de Kroon ter goedkeuring.

  • 7.

    Met betrekking tot wijziging van de begroting is het bepaalde in de voorgaande leden - met uitzondering van de daarin genoemde data - van dit artikel, alsmede artikel 35 van overeenkomstige toepassing.

  • 8.

    Het begrotingsjaar valt samen met het kalenderjaar.

  • 9.

    De begroting ligt, zodra hij aan het algemeen bestuur is aangeboden, voor een ieder ter inzage en wordt algemeen verkrijgbaar gesteld. De terinzagelegging en verkrijgbaarstelling worden bekend gemaakt.

Artikel 35.

  • 1.

    Het dagelijks bestuur biedt jaarlijks voor 1 april de rekening over het afgelopen jaar onder toevoeging van een verslag van het onderzoek naar de deugdelijkheid van de rekening, ingesteld door de in artikel 33, tweede lid, aangeduide deskundige(n), en van hetgeen het dagelijks bestuurtezijnerverantwoording dienstig acht, met alle bijbehorende bescheiden ter voorlopige vaststelling aan het algemeen bestuur aan. De rekening gaat vergezeld van een verslag van de werkzaamheden over het afgelopen jaar.

  • 2.

    De rekening wordt jaarlijks vóór 15 april aan provinciale staten en de raden van de gemeenten toegezonden. Zij kunnen vóór 1 juni bezwaren ter kennis brengen van het algemeen bestuur.

  • 3.

    Het algemeen bestuur stelt de rekening vast uiterlijk in de maandjuni van het jaar, volgend op dat, waarvoor de rekening dient.

  • 4.

    Van de vaststelling van de rekening doet het dagelijks bestuur mededeling aan provinciale staten en aan de raden van de deelnemende gemeenten.

  • 5.

    De vaststelling van de rekening strekt het dagelijks bestuurtot decharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in geschrifte of andere onregelmatigheden.

  • 6.

    In de rekening wordt voor elk van de deelnemende gemeenten, het over het desbetreffende jaar werkelijk verschuldigde aandeel opgenomen. Dit aandeel wordt bepaald aan de hand van de werkelijke exploitatiekosten van het openbaar lichaam en de aangeleverde hoeveelheden afvalstoffen.

  • 7.

    Binnen twee maanden na vaststelling van de rekening vindt verrekening plaats van het verschil tussen het, op grond van artikel 34, vijfde lid, betaalde en het op basis van de voorlopige rekening verschuldigde.

  • 8.

    De rekening en de overige in het eerste lid bedoelde stukken liggen zodra zij het algemeen bestuur zijn overgelegd, voor een ieder ter inzage en worden algemeen verkrijgbaar gesteld. De terinzagelegging en verkrijgbaarstelling worden bekend gemaakt.

Artikel 36.

Wanneer aan het algemeen bestuur blijkt, dat de raad van een deelnemende gemeente niet voldoet, aan het bepaald in artikel 34, vijfde lid, tweede volzin, van deze regeling doet het algemeen bestuur aan gedeputeerde staten het verzoek over te gaan tot toepassing van artikel 240a van de Gemeentewet.

Archief

Artikel 37.

  • 1.

    Het dagelijks bestuur is belast met de zorg voor en het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van het lichaam en zijn organen overeenkomstig een door het algemeen bestuur met inachtneming van artikel 36, tweede lid, van de Archiefwet 1962 vast te stellen regeling.

  • 2.

    De secretaris is belast met de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden, bedoeld in het vorige lid, overeenkomstig de door het algemeen bestuur vast te stellen regeling.

Toetreding, uittreding, wijziging, opheffing

Artikel 38.

  • 1.

    Toetreding tot of uittreding vaneen deelnemer aan deze gemeenschappelijke regeling kan bij besluit van de bestuursorganen van de provincie of de desbetreffende gemeente plaatsvinden, doch slechts wanneer het algemeen bestuur bij een met ten minste twee derde der uitgebrachte stemmen vastgesteld besluit in de toe- of uittreding en de eventueel daaraan verbonden voorwaarden, bewilligt. Het algemeen bestuur bewilligt niet indien de toetreding cq. uittreding in strijd is met het provinciaal plan.

  • 2.

    Zowel het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam als provinciale staten als de raad van een gemeente kan/kunnen voorstellen doen tot wijziging van de regeling.

  • 3.

    Een wijziging wordt aangebracht wanneer de bestuursorganen van ten minste twee derde gedeelte van de aan de regeling deelnemende lichamen zich daarvoor uitspreken.

  • 4.

    De toetreding, uittreding en wijziging treden in werking op de eerste dag van de maand volgende op die waarop de inschrijving heeft plaatsgevonden in de registers bedoeld in artikel 27, eerste en tweede lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen, tenzij het algemeen bestuur anders bepaalt.

  • 5.

    Gedeputeerde staten van Utrecht zorgen voor de wettelijke voorgeschreven inzending ter goedkeuring door de Kroon.

Artikel 39.

  • 1.

    Opheffing van de gemeenschappelijke regeling kan geschieden wanneer de bestuursorganen van ten minste tweederde gedeelte van de aan de regeling deelnemende lichamen zich daarvoor uitspreken.

  • 2.

    De opheffing gaat niet eerder in dan op de eerste dag van de maand volgend op die waarop de inschrijving heeft plaatsgevonden in de registers bedoeld in artikel 27, eerste en tweede lid van de Wet gemeenschappelijke regelingen, tenzij het algemeen bestuur anders bepaalt.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur zal, nadat tot opheffing is besloten, overgaan tot de voorbereiding van de liquidatie van het openbaar lichaam en stelt daartoe zo spoedig mogelijk een ontwerp-liquidatieplan op. Het liquidatieplan wordt vastgesteld door het algemeen bestuur en behoeft de goedkeuring van de minister. Hierbij kan van de bepalingen van deze regeling worden afgeweken.

  • 4.

    Het liquidatieplan voorziet ook in de financiële en sociale gevolgen, die de opheffing voor het personeel heeft.

  • 5.

    Het dagelijks bestuur is belast met de liquidatie.

  • 6.

    Zo nodig blijven de organen van het openbaar lichaam ook na het tijdstip van opheffing in functie, totdat de liquidatie is voltooid.

Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 40.

  • 1.

    De eerste aanwijzing van de leden van het algemeen bestuur vindt plaats binnen drie maanden na de inwerkingtreding van de regeling.

  • 2.

    Binnen een maand na af loop voor de in het eerste lid bedoelde termijn roepen gedeputeerde staten de leden van het algemeen bestuur voor de eerste maal in vergadering bijeen.

  • 3.

    De begroting wordt voor de eerste maal vastgelegd voor de periode, aanvangende op de dag waarop de regeling in werking treedt, tot het einde van het kalenderjaar, dan wel wanneer het algemeen bestuur dit bepaalt, tot het einde van het volgende kalenderjaar.

  • De artikelen 34 en 36 zijn zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    De eerste rekening heeft betrekking op de periode waarvoor de eerste begroting geldt.

  • Artikel 35 is zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

Artikel 41.

  • 1.

    De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd en treedt in werking op de eerste dag van de maand, volgend op die waarin de in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen bedoelde bekendmaking in de Nederlandse Staatscourant heeft plaatsgevonden. [*]

  • 2.

    Gedeputeerde Staten dragen zorg voor de in artikel 8 van de Wet gemeenschappelijke regelingen bedoelde bekendmakingen totdat er een dagelijks bestuur van het openbaar lichaam is. De hieraan verbonden kosten komen voor rekening van het openbaar lichaam.

Artikel 42.

Deze regeling kan worden aangehaald onder de titel "Gemeenschappelijke regeling afvalverwijdering Utrecht".

Gedeputeerde Staten voornoemd.

Mr. P. van Dijke, voorzitter,

Mr. P. van Zanten, griffier.

N.B. Het besluit van het algemeen bestuur d.d. 13 april 1995 tot wijziging van de gemeenschappelijke regeling is hierin verwerkt.

Deze regeling is derhalve in werking getreden op 1 december 1984.