Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Capelle aan den IJssel

Beleidsregels terugvordering en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ en invordering bestuurlijke boete 2017

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieCapelle aan den IJssel
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingBeleidsregels terugvordering en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ en invordering bestuurlijke boete 2017
CiteertitelBeleidsregels terugvordering en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ en invordering bestuurlijke boete 2017
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Vervangt de Beleidsregels terugvordering en invordering WWB, IOAW en IOAZ en invordering bestuurlijke boete 2013

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Participatiewet art. 18a, lid 7, 13, 14, art. 51, lid 2, art. 54, lid 2, tweede volzin, art. 58, lid 2, 5 t/m 8, art. 59, art. 60,lid 2, 3, 5 en6, art. 60a, lid 1 t/m 4, art. 60c
  2. Wet IOAW art.17, lid 3, tweede volzin, art. 20a, lid 7, 12. 13, art. 25, lid 2, 5 t/m 7, art. 26, art. 28, lid 2, 3 t/m 7 en art. 29a
  3. Wet IOAZ art.17, lid 3, tweede volzin, art. 20a, lid 7, 12. 13, art. 25, lid 2, 5 t/m 7, art. 26, art. 28, lid 2, 3 t/m 7 en art. 29a

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

09-12-201701-12-2017Nieuwe regeling

28-11-2017

Gemeenteblad 2017, nr. 216049

951477

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsregels terugvordering en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ en invordering bestuurlijke boete 2017

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den IJssel.

Gelet op artikel 18a, zevende, dertiende en veertiende lid, artikel 51, tweede lid, artikel 54, derde lid, tweede volzin, artikel 58, tweede en vijfde tot en met het achtste lid, artikel 59, artikel 60, tweede, derde, vijfde en zesde lid, artikel 60a, eerste tot en met het vierde lid en artikel 60c van de Participatiewet, artikel 17, derde lid, tweede volzin, artikel 20a, zevende, twaalfde en dertiende lid, artikel 25, tweede, vijfde tot en met het zevende lid, artikel 26, artikel 28, eerste, derde tot en met het zevende lid en artikel 29a van respectievelijk de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, alsmede artikel 4:81, artikel 4:98, artikel 4:113 en artikel 4:120 van de Algemene wet bestuursrecht;

besluit:

vast te stellen de Beleidsregels terugvordering en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ en invordering bestuurlijke boete 2017

 

HOOFDSTUK 1 - ALGEMEEN

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    Alle begrippen die in deze beleidsregels worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, IOAW, IOAZ en de Algemene wet bestuursrecht.

  • 2.

    In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

    • a.

      Awb: Algemene wet bestuursrecht;

    • b.

      Bbz 2004: Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004;

    • c.

      bestuurlijke boete: een onvoorwaardelijke verplichting tot betaling van een geldsom indien sprake is van een fraudevordering / verwijtbare schending van de inlichtingenplicht;

    • d.

      bruteren: het verhogen van de vordering met de loonbelasting en premies volksverzekeringen waarvoor de gemeente die de uitkering verstrekt krachtens de Wet op de loonbelasting 1964 inhoudingsplichtige is, voor zover deze belasting en premies niet verrekend kunnen worden met de door het college af te dragen loonbelasting en premies volksverzekeringen;

    • e.

      college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den IJssel

    • f.

      draagkracht: de financiële ruimte boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm;.

    • g.

      fraudevordering / verwijtbare vordering: vordering in verband met ten onrechte of tot een te hoog bedrag verleende uitkering als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht;

    • h.

      inlichtingenplicht: verplichting genoemd in artikel 17 lid 1 Participatiewet, artikel 13 lid 1 IOAW, artikel 13 lid 1 IOAZ en artikel 30c lid 2 en 3 Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;

    • i.

      IOAW: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

    • j.

      IOAZ: de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

    • k.

      PW: de Participatiewet;

    • l.

      uitkering(en): de door het college verleende bijstand in het kader van de PW en de uitkering in het kader van de IOAW en IOAZ; m. wetten: de Participatiewet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen.

 

Artikel 2 Invulling van de bevoegdheid tot herziening, intrekking, terugvordering

Het college maakt altijd gebruik van haar bevoegdheid tot herziening, intrekking en terugvordering van ten onrechte verstrekte uitkering, niet zijnde ten onrechte verstrekte uitkering wegens schending van de inlichtingenverplichting. In dat kader:

  • a.

    herziet dan wel trekt het college het recht op uitkering in, indien de uitkering tot een te hoog bedrag dan wel ten onrechte is verleend (artikel 54 lid 3 tweede volzin PW en artikel 17 lid 3 IOAW en IOAZ);

  • b.

    maakt het college ten volle gebruik van de bevoegdheid tot terugvordering zoals deze haar toekomt op grond van artikel 58 lid 2 en artikel 59 PW alsmede artikel 25 lid 2 en artikel 26 IOAW en IOAZ.

 

Artikel 3 Uitzondering voortvloeiende uit de jurisprudentie

  • 1.

    Van het bepaalde in artikel 2 aanhef en onder b wordt afgeweken op grond van de zes maanden jurisprudentie. Deze jurisprudentie houdt in dat de bevoegdheid van het college om teveel verstrekte uitkering terug te vorderen in tijd wordt beperkt indien niet adequaat wordt gereageerd op een signaal van een belanghebbende waaruit het college concreet zou moeten afleiden dat teveel of ten onrechte uitkering werd verstrekt.

  • 2.

    Onder een signaal als genoemd in lid 1 wordt verstaan relevante informatie waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van een dusdanige fout, dat het college op grond daarvan actie zou moeten ondernemen.

  • 3.

    In afwijking van het bepaalde in artikel 2 beperkt het college bij een geringe overschrijding van de vermogensgrens gedurende langere tijd, de terugvordering tot het bedrag dat niet zou zijn verleend, indien de belanghebbende de beperkte overschrijding wel tijdig zou hebben doorgegeven.

 

 

HOOFDSTUK 2 - GEHEEL OF GEDEELTELIJK AFZIEN VAN (VERDERE) TERUGVORDERING

 

Artikel 4 Geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering / geheel afzien van bestuurlijke boete in geval van dringende redenen

  • 1.

    Het college kan - geheel of gedeeltelijk - afzien van terugvordering indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn (artikel 58 lid 8 PW en artikel 25 lid 7 IOAW en IOAZ).

  • 2.

    Het college kan afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn (artikel 18a lid 7 PW en artikel 20a lid 7 IOAW en lOAZj.

  • 3.

    Dringende redenen kunnen slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van sociale of financiële consequenties voor de belanghebbende door de (terug)vordering en/of het opleggen van een bestuurlijke boete.

 

Artikel 5 Kruimelbedragen

Bij kruimelbedragen wordt onderscheid gemaakt tussen fraudevorderingen en niet-verwijtbare vorderingen. Indien de uitkering is beëindigd, geldt het volgende:

  • a.

    Bij een niet-verwijtbare vordering ziet het college af van (verdere) invordering indien - na een eventuele verrekening met een tegoed aan uitkering - de (restant) terugvordering lager is dan € 100,-.De (restant) terugvordering wordt dan buiten invordering gesteld.

  • b.

    Voor elke fraudevordering en bestuurlijke boete wordt de belanghebbende aangeschreven en aangemaand. Dit geldt ook voor geringe bedragen. Reageert de belanghebbende bij een (restant) fraudevordering en/of een bestuurlijke boete die - na een eventuele verrekening met een tegoed aan uitkering - (in totaal) lager is dan € 50,- ook niet op de aanmaning en komt hij binnen een jaar na de aanmaning niet terug in de uitkering bij de afdeling Sociale Zaken IJsselgemeenten, dan wordt van verdere invordering afgezien. De (restant) fraudevordering en/of een bestuurlijke boete wordt dan buiten invordering gesteld.

 

Artikel 6 Bruto en netto vorderingen

Hoofdregel is dat ten onrechte verstrekte bijstand netto wordt teruggevorderd tijdens het lopende kalenderjaar.

Het college maakt altijd gebruik van haar bevoegdheid tot brutering van de vordering. Dit betekent dat het college de vordering bruteert, voor zover de belasting en premies niet meer verrekend kunnen worden met de af te dragen loonbelastingen en premies volksverzekeringen (artikel 58 lid 5 PW). Na afloop van het lopende kalenderjaar wordt de uitkering gebruteerd teruggevorderd.

De vordering blijft netto, als:

  • a.

    de ten onrechte betaalde belastingen en premies nog kunnen worden verrekend met de afdrachten aan de Belastingdienst en het UWV;

  • b.

    de vordering betrekking heeft op het lopende boekjaar en belanghebbende de vordering voldoet vóór het eind van het boekjaar;

  • c.

    het terugvorderingsbesluit na 15 november van dat kalenderjaar wordt genomen. Dan wordt de vordering niet meteen het jaar erop gebruteerd, maar het kalenderjaar daarna;

  • d.

    naar aanleiding van een administratieve fout wordt teruggevorderd en de belanghebbende redelijkerwijs kon weten dat hij teveel uitkering ontving (artikel 58 lid 2 sub e PW in combinatie met artikel 58 lid 6 PW);

  • e.

    de reden van terugvordering in de loop van het kalenderjaar is ontstaan en het college heeft nagelaten belanghebbende hiervan tijdig in kennis te stellen, waardoor deze niet meer in staat was de vordering binnen het kalenderjaar terug te betalen. Dan wordt de vordering niet meteen het jaar erop gebruteerd, maar het kalenderjaar daarna;

  • f.

    naar de mening van het college de brutering onevenredig en/of onrechtvaardig voor de belanghebbende uitwerkt.

 

 

HOOFDSTUK 3 - INVORDERING

 

Artikel 7 Geen schorsende werking bij bezwaar en beroep

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 6:16 Awb heeft indiening van een bezwaar- of beroepschrift tegen de terugvordering of de bestuurlijke boete geen schorsende werking. Bij een lopende uitkering wordt de verrekening met de uitkering - hangende de bezwaar- of beroepsprocedure - gecontinueerd. Bij een beëindigde uitkering blijft de betalingsverplichting gelden en wordt een eventuele getroffen aflossingsregeling gecontinueerd.

 

Artikel 8 Verrekening in geval van lopende uitkering

  • 1.

    Voor niet-verwijtbare vorderingen maakt het college gebruik van de bevoegdheid om tot verrekening met de uitkering over te gaan (artikel 60 lid 3 PW en artikel 28 lid 3 IOAW en IOAZ).

  • 2.

    Verrekening met uitkering van Sociale Zaken IJsselgemeenten:

    • a.

      Bij een lopende uitkering wordt zowel de fraudevordering als de niet-verwijtbare vordering alsmede de bestuurlijke boete verrekend met de uitkering. De omvang van de afloscapaciteit wordt gesteld op het voor beslag vatbare bedrag.

    • b.

      Bij het vaststellen van de betalingsverplichting op een fraudevordering en/of een bestuurlijke boete met een (gezamenlijk) totaal vanaf € 5.000,- moet tevens eventueel relevant vermogen worden beoordeeld. Dit vermogen dient te worden aangewend ter aflossing van de vordering.

    • c.

      Voor leenbijstand in duurzame gebruiksgoederen geldt dat de leenbijstand wordt afgelost met het voor beslag vatbare bedrag via verrekening met de uitkering.

  • 3.

    Pseudoverrekening / verrekening met uitkering van andere gemeente, UWV of SVB:

    • a.

      Indien een belanghebbende een uitkering ontvangt van het college van een andere gemeente (dan het college dat kosten van uitkering terugvordert of een bestuurlijke boete heeft opgelegd), kan het college van die andere gemeente op verzoek van het college de vordering rechtstreeks verrekenen met de uitkering van die andere gemeente (artikel 60a lid 1 PW en artikel 28, lid 4 IOAW en IOAZ). Hiervoor is geen machtiging nodig van de belanghebbende. Op dezelfde wijze is verrekening van een vordering mogelijk met het UWV en de SVB als de belanghebbende van deze instanties een uitkering ontvangt (artikel 60a lid 2 en lid 3 PW en artikel 28 lid 4 IOAW en IOAZ).

    • b.

      Indien een belanghebbende bij een andere gemeente een uitkering ontvangt, dan wel bij het UWV of SVB een uitkering heeft op bijstandsniveau, wordt de afloscapaciteit gesteld op het voor beslag vatbare bedrag van de uitkering. Indien de uitkering hoger is dan de bijstandsnorm, wordt de omvang van de afloscapaciteit berekend zoals aangegeven in artikel 9. Een eventuele betalingsregeling die is getroffen met de belanghebbende wordt gerealiseerd door middel van verrekening met de uitkering van de andere uitkeringsinstantie.

  • 4.

    Bij het vaststellen van het termijnbedrag ter aflossing van de vordering moet de belanghebbende tenminste de beschikking houden over een bedrag gelijk aan de beslagvrije voet, als bedoeld in het Tweede Boek, Tweede afdeling van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

 

Artikel 9 Aflossingsregeling bij beëindigde uitkering

  • 1.

    Kan de belanghebbende de vordering niet in één keer terugbetalen, dan kan hij een voorstel tot terugbetaling doen. Met een betalingsvoorstel van de belanghebbende kan worden ingestemd voor zover daarmee de vordering binnen een periode van 3 jaar in zijn geheel kan worden afgelost en de voorgestelde aflossing tenminste € 50,- per maand bedraagt. Daarbij wordt marginaal getoetst of het voorstel redelijk is, gelet op de hoogte van het inkomen en de hoogte van de vordering.

  • 2.

    Indien de belanghebbende, bijvoorbeeld gelet op de hoogte van de vordering, geen voorstel doet waarmee de vordering binnen 3 jaar is afgelost, stelt het college de omvang van de afloscapaciteit vast aan de hand van de financiële situatie van de belanghebbende.

  • 3.

    Omvang afloscapaciteit bij niet-verwijtbare vordering

Voor de belanghebbende wordt het aflossingsbedrag vastgesteld op het voor beslag vatbare bedrag dat van toepassing zou zijn als een bijstandsuitkering zou worden ontvangen, vermeerderd met 50% van de draagkracht.

  • 4.

    Omvang afloscapaciteit bij fraudevordering en bestuurlijke boete

    • a.

      Voor de belanghebbende wordt het aflossingsbedrag vastgesteld op het voor beslag vatbare bedrag dat van toepassing zou zijn als een bijstandsuitkering zou worden ontvangen, vermeerderd met 75% van de draagkracht.

    • b.

      Eventueel relevant vermogen

Bij het vaststellen van de betalingsverplichting van een fraudevordering en een bestuurlijke boete moet tevens eventueel relevant vermogen worden beoordeeld. Dit vermogen dient te worden aangewend ter aflossing van de vordering.

  • 5.

    Bij het vaststellen van het termijnbedrag ter aflossing van de vordering moet de belanghebbende tenminste de beschikking houden over een bedrag gelijk aan de beslagvrije voet, als bedoeld in het Tweede Boek, Tweede afdeling van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

  • 6.

    Wanneer de belanghebbende nalaat inlichtingen te verstrekken die voor de invordering van de terugvordering en de bestuurlijke boete van belang zijn, vervalt de bescherming van de beslagvrije voet. Dit is bepaald in artikel 18a lid 8 PW, artikel 60 lid 6 PW, artikel 20a lid 8 IOAW en IOAZ en artikel 28 lid 6 IOAW en IOAZ.

 

Artikel 10 Tussentijdse beoordeling van een lopende betalingsverplichting

  • 1.

    Periodiek en bij een te verwachten wijziging in de omstandigheden van de belanghebbende, bijvoorbeeld als een andere vordering geheel is afgelost of als de hoogte van de inkomsten gewijzigd zou kunnen zijn, doet het college opnieuw onderzoek naar de afloscapaciteit. Indien gewijzigde omstandigheden daartoe aanleiding geven, wordt als gevolg van dit onderzoek de betalingsverplichting gewijzigd vastgesteld. De belanghebbende wordt hiervan in kennis gesteld bij beschikking. In het geval van een gewijzigde betalingsverplichting wordt deze opgelegd met ingang van de eerste dag van de maand die volgt op die van de beschikking.

  • 2.

    Belanghebbende kan een schriftelijk verzoek doen, onder bijvoeging van zijn financiële en andere relevante gegevens met bijbehorende afschriften van bewijsstukken, tot:

    • a.

      wijziging van de eerder vastgestelde betalingsverplichting, of

    • b.

      tijdelijk uitstel van de opgelegde betalingsverplichting, omdat de belanghebbende meent de eerder vastgestelde periodieke aflossingsverplichting niet te kunnen voldoen.

  • 3.

    Binnen 8 weken na ontvangst van dit verzoek neemt het college hierover een besluit en deelt dit met een beschikking aan belanghebbende mee.

  • 4.

    Het verzoek tot wijziging van de betalingsverplichting schort de lopende verplichting niet op, tenzij er sprake is van dringende redenen.

 

Artikel 11 Gevolgen bij het niet of niet meer voldoen aan de betalingsverplichting

  • 1.

    Indien de belanghebbende de schuld niet betaalt, niet bereid is tot het treffen van een betalingsregeling of een opgelegde betalingsverplichting niet nakomt, wordt belanghebbende eerst aangemaand. De gemeente hanteert daarbij de termijnen zoals deze zijn genoemd in de Awb.

  • 2.

    Wanneer de aanmaning ook niet tot betaling leidt, wordt - indien van toepassing - een overeengekomen aflossingsregeling ingetrokken en wordt de vordering ingevorderd bij dwangbevel door middel van beslaglegging.

  • 3.

    Beslaglegging gebeurt ofwel rechtstreeks door de gemeente door beslag te leggen op loon of uitkeringen, of door inschakeling van de deurwaarder.

 

Artikel 12 Rente en kosten

Indien wordt overgegaan tot beslaglegging als bedoeld in artikel 11, wordt de vordering slechts verhoogd met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebbende kosten, indien de invordering is overgedragen aan een gerechtsdeurwaarder.

 

Artikel 13 Aflossingsvolgorde bij meerdere vorderingen

  • 1.

    Volgorde van aflossing bij meerdere vorderingen

    • a.

      Indien sprake is van verrekening met de uitkering, wordt eerst de bestuurlijke boete ingevorderd, zolang de belanghebbende uitkering ontvangt.

    • b.

      Indien de belanghebbende geen uitkering meer ontvangt en er geen andere schuldeisers zijn, wordt voorrang gegeven aan invordering op de bestuurlijke boete.

    • c.

      Indien de belanghebbende geen uitkering meer ontvangt en er zich andere schuldeisers aandienen, wordt voorrang gegeven aan de terugvordering.

    • d.

      Is sprake van verschillende uitkeringsvorderingen, wordt - na invordering van de bestuurlijke boete -het eerst afgeboekt op de oudste vordering.

  • 2.

    Bedragen die door de gemeente geïnd worden, worden eerst afgeboekt op de kosten die de gemeente heeft moeten maken om te innen. Dit betreft de kosten als vermeld in artikel 12.

 

Artikel 14 Hoofdelijke aansprakelijkheid

Bij gezinsbijstand, of indien de uitkering als gezinsbijstand aan gehuwden/partners had moeten worden verleend, maar dat achterwege is gebleven wegens schending van de inlichtingenverplichting, zijn beide partners hoofdelijk aansprakelijk voor de terugvordering.

 

HOOFDSTUK 4 - KWIJTSCHELDINGSBELEID

Artikel 15 Kwijtschelding openstaande vorderingen

  • 1.

    Het college scheldt het restant van een niet-verwijtbare vordering op verzoek kwijt, indien de belanghebbende:

    • a.

      gedurende een periode van 5 jaar aaneengesloten volledig aan zijn aflossingsverplichtingen heeft voldaan, zoals bedoeld in de artikelen 8 en 9;

    • b.

      onder het in onderdeel a genoemde "aan zijn aflossingsverplichtingen heeft voldaan" wordt tevens gerekend de periode dat de belanghebbende geen of een onvolledige afloscapaciteit had, of;

    • c.

      gedurende 5 jaar niet volledig aan de opgelegde betalingsverplichting heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag alsnog heeft voldaan.

  • 2.

    Het college scheldt het restant van een fraudevordering op verzoek kwijt, indien de belanghebbende:

    • a.

      gedurende een periode van 10 jaar aaneengesloten volledig aan zijn aflossingsverplichtingen heeft voldaan, zoals bedoeld in de artikelen 8 en 9, of

  • 3.

    Als de belanghebbende tijdens de duur van de aflossingsperiode opnieuw de informatieverplichting schendt, wordt geen kwijtschelding voor de fraudevordering verleend.

  • 4.

    Kwijtschelding van een fraudevordering geschiedt slechts eenmalig. Bij een volgende fraudevordering bij dezelfde belanghebbende zal kwijtschelding niet meer aan de orde zijn.

  • 5.

    Indien bijstand in de vorm van een geldlening is verstrekt overeenkomstig artikel 50 lid 2 PW en bij verkoop van de eigen woning op basis van de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering het voor de afrekening beschikbare bedrag lager is dan het resterende bedrag van de geldlening en van de rentevordering, wordt het verschil kwijtgescholden, voor zover er naar het oordeel van het college geen sprake is van verwijtbaar handelen door de belanghebbende.

  • 6.

    Bij de kwijtschelding in lid 1 en 2 geldt dat als gedurende de aflossingsperiode sprake is van een verrekening op grond van artikel 60a lid 4 Participatiewet en artikel 28 lid 7 IOAW en IOAZ, deze verrekening als één termijnbetaling wordt aangemerkt.

  • 7.

    Belemmeringen voor kwijtschelding:

    • a.

      Het op basis van dit artikel genomen besluit tot (gedeeltelijk) afzien van terugvordering wordt ingetrokken, indien op een later tijdstip blijkt dat belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. Indien de verstreken tijd tussen het tijdstip waarop kennis wordt genomen van de onjuiste dan wel onvolledige gegevensverstrekking en de datum waarop het kwijtscheldingsbesluit kenbaar werd gemaakt 5 jaar of meer bedraagt, wordt afgezien van een besluit tot intrekking.

    • b.

      Kwijtschelding wordt niet verleend indien de vordering wordt gedekt door hypotheek of pand op een goed of goederen, of deze mogelijkheid alsnog blijkt te bestaan.

    • c.

      Vorderingen die voortvloeien uit het Bbz 2004 komen niet in aanmerking voor kwijtschelding.

    • d.

      Als de belanghebbende beschikt over vermogen, dus als het geheel van bezittingen en schulden, inclusief de schulden aan het college, positief is, is er geen aanleiding om tot kwijtschelding van vorderingen over te gaan. Van een problematische schuldsituatie is dan geen sprake, de schuld kan zonder bezwaar worden afgelost. Dit geldt voor zowel fraudevorderingen als niet-verwijtbare vorderingen.

    • e.

      De voorwaarden voor kwijtschelding gelden per vordering afzonderlijk. Artikel 16 Het afkopen van vorderingen

 

Artikel 16 Het afkopen van vorderingen

  • 1.

    Van een niet-verwijtbare vordering kan - op verzoek van de belanghebbende - van verdere terugvordering worden afgezien indien hij:

    • a.

      ten minste 2,5 jaar overeenkomstig de vastgestelde betalingsregeling op de vordering heeft afgelost en

    • b.

      een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restvordering, in één keer aflost.

  • 2.

    Als niet (volledig) aan de voorwaarden van lid 1 wordt voldaan en dit naar de mening van het college tot een onrechtvaardige uitwerking leidt, kan het college - in afwijking van deze voorwaarden - in het individuele geval toch besluiten van verdere terugvordering af te zien.

  • 3.

    Van een fraudevordering kan - op verzoek van de belanghebbende - van verdere terugvordering worden afgezien indien hij:

    • a.

      tenminste 5 jaar overeenkomstig de vastgestelde betalingsregeling op de vordering heeft afgelost en

    • b.

      een bedrag, overeenkomend met ten minste 50% van de restvordering, in één keer aflost en

    • c.

      niet opnieuw met een fraudevordering is geconfronteerd als gevolg van schending van de inlichtingenverplichting.

  • 4.

    De betaling van lid 1 en 3 moet plaatsvinden binnen 6 weken nadat de gemeente met het verzoek tot afkopen heeft ingestemd. Indien de betaling niet tijdig wordt ontvangen, komt het besluit tot afzien te vervallen.

  • 5.

    Voor wat betreft lid 1 en 3 is artikel 15 lid 6 eveneens van toepassing.

  • 6.

    Belemmeringen bij afkoop:

    • a.

      Het op basis van dit artikel genomen besluit om akkoord te gaan met het verzoek tot afkopen van de vordering wordt ingetrokken, indien op een later tijdstip blijkt dat belanghebbende onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid. Indien de verstreken tijd tussen het tijdstip waarop kennis wordt genomen van de onjuiste dan wel onvolledige gegevensverstrekking en de datum waarop het besluit tot afzien van de vordering kenbaar werd gemaakt 5 jaar of meer bedraagt, wordt afgezien van een besluit tot intrekking.

    • b.

      Een verzoek tot afkopen van een vordering wordt afgewezen indien de vordering wordt gedekt door hypotheek of pand op een goed of goederen, of deze mogelijkheid alsnog blijkt te bestaan.

    • c.

      Vorderingen die voortvloeien uit het Bbz 2004 komen niet in aanmerking voor afkoop.

    • d.

      Als de belanghebbende beschikt over vermogen, dus als het geheel van bezittingen en schulden, inclusief de schulden aan het college, positief is, is er geen aanleiding om akkoord te gaan met het verzoek tot afkopen van een vordering. Van een problematische schuldsituatie is dan geen sprake, de schuld kan zonder bezwaar worden afgelost. Dit geldt voor zowel fraudevorderingen als niet-verwijtbare vorderingen.

    • e.

      De voorwaarden voor het afkopen van een vordering gelden per vordering afzonderlijk.

 

Artikel 17 Geen mogelijkheid tot incasso bij zowel niet-verwijtbare als fraudevorderingen

Wanneer gedurende 5 jaar bij niet-verwijtbare vorderingen, en 10 jaar bij fraudevorderingen, niet op een vordering is afgelost en de belanghebbende naar verwachting niet zal gaan aflossen, kan ambtshalve worden besloten tot het afboeken van de vordering. Dit is aan de orde in geval dat:

  • a.

    de belanghebbende niet traceerbaar is en een periodiek adres- en/of inkomensonderzoek niet tot invorderingsmogelijkheden heeft geleid;

  • b.

    de belanghebbende in het buitenland woont en als gevolg daarvan incasso niet tot succes heeft geleid.

 

Artikel 18 Maximale aflossingsperiode van leningen voor duurzame gebruiksgoederen

  • 1.

    De hoogte van het maandelijkse aflossingsbedrag wordt als volgt vastgesteld:

    • a.

      voor personen met een periodieke uitkering wordt de aflossingsverplichting bepaald op het voor beslag vatbare bedrag, overeenkomstig het bepaalde in artikel 8;

    • b.

      indien belanghebbende geen uitkering (meer) ontvangt, geldt dat de aflossing op de wijze wordt vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in artikel 9.

  • 2.

    De belanghebbende komt in aanmerking voor buiten invorderingstelling van het restant van een lening voor duurzame gebruiksgoederen als:

    • a.

      gedurende ten minste 3 jaar aaneengesloten aan de aflossingsverplichting is voldaan;

    • b.

      onder het in onderdeel a genoemde "aan de aflossingsverplichtingen is voldaan" wordt tevens gerekend de periode dat de belanghebbende geen of een onvolledige afloscapaciteit had, of;

    • c.

      gedurende 3 jaar niet (volledig) aan zijn terugbetalingsverplichting heeft voldaan, maar het achterstallige bedrag alsnog heeft betaald.

Het buiten invorderingstelling van de restantschuld na 3 jaar gebeurt ambtshalve.

  • 3.

    De termijn van 3 jaar wordt verlengd als een belanghebbende niet gedurende 3 jaar aaneengesloten heeft afgelost, bijvoorbeeld wegens het tussentijds betalen van een bestuurlijke boete, en na de onderbreking de aflossing op de leenbijstand wordt voortgezet tot de periode van 3 jaar is bereikt.

  • 4.

    Indien leenbijstand wordt verleend terwijl op dat moment nog op een eerder verleende leenbijstand wordt afgelost, wordt de aflossing op de oudste leenbijstand voortgezet. Tegelijkertijd dient bij het verlenen van de nieuwe leenbijstand te worden besloten om de aflossing hierop voor de duur van de reeds lopende aflossing op nihil te stellen. Nadat tot buiten invorderingstelling van het restant van de oudste leenbijstandvordering is overgegaan of de leenbijstand is afgelost, dient aansluitend te worden afgelost op de nieuwe leenbijstand. Voor de maximale aflossingsperiode van 3 jaar op de nieuwe leenbijstand tellen dan de maanden waarover de aflossing op nihil werd gesteld, wel volledig mee.

  • 5.

    Op dit artikel is het bepaalde van artikel 15 lid 6 eveneens van toepassing.

  • 6.

    Er wordt niet tot een buiten invorderingstelling, als bedoeld in lid 2, overgegaan indien:

    • a.

      geen, onvolledige of onjuiste informatie is verstrekt over het inkomen, waardoor het college de hoogte van de aflossingsverplichting op een te laag bedrag heeft vastgesteld;

    • b.

      de belanghebbende verwijtbaar nalatig blijft gevraagde bewijsstukken te overleggen waardoor de rechtmatigheid van de verstrekking niet kan worden vastgesteld;

    • c.

      de belanghebbende binnen een jaar na bijstandsverlening niet kan aantonen dat hij het geld op de juiste manier heeft besteed.

 

Artikel 19 Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek

  • 1.

    Het college besluit, onverminderd het bepaalde in artikel 60c PW en artikel 29a IOAW en IOAZ (geen schuldregeling bij schending informatieverplichting, voor zover deze medewerking leidt tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van deze vordering) tot medewerking aan een schuldregeling indien:

    • a.

      redelijkerwijs te voorzien is dat de belanghebbende niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden;

    • b.

      redelijkerwijs te voorzien is dat een schuldregeling met betrekking tot alle vorderingen van de overige schuldeisers zonder een zodanig besluit niet tot stand zal komen, en

    • c.

      de vordering van de gemeente ten minste zal worden voldaan naar evenredigheid met de vorderingen van de overige schuldeisers van gelijke rang.

  • 2.

    Lid 1 is niet van toepassing indien:

    • a.

      de terugvordering van uitkering het gevolg is van schending van de inlichtingenplicht door de belanghebbende en hiervoor een bestuurlijke boete is opgelegd dan wel aangifte bij het Openbaar Ministerie is gedaan, voor zover deze medewerking leidt tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van deze vordering;

    • b.

      de vordering ziet op uitkering die is verstrekt in de vorm van een geldlening indien de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan (artikel 48 lid 2 aanhef en onder b PW);

    • c.

      de vordering wordt gedekt door hypotheek of pand op een goed of goederen, behoudens voor zover de vordering niet op die goederen verhaald kan worden.

  • 3.

    Het besluit om medewerking te verlenen aan een schuldregeling wordt ingetrokken indien:

    • a.

      niet binnen 12 maanden nadat dat besluit is bekendgemaakt, een schuldregeling tot stand is gekomen die voldoet aan de eisen gesteld in het lid 1, of

    • b.

      de belanghebbende zijn schuld aan de gemeente niet overeenkomstig de schuldregeling voldoet, of onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid.

  • 4.

    Het college maakt gebruik van de bevoegdheid de bestuurlijke boete op verzoek van belanghebbende geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden bij medewerking aan een schuldenregeling zoals omschreven in artikel 18a lid 13 PW en artikel 20a lid 12 IOAW en IOAZ.

 

 

HOOFDSTUK 5 - SLOTBEPALINGEN

Artikel 20 Inwerkingtreding

Deze beleidsregels treden in werking op 1 december 2017.

 

Artikel 21 Overgangsbepalingen

  • 1.

    Lopende terugbetalingsregelingen voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze beleidsregels blijven in stand, ongeacht of het een fraudevordering of een niet-verwijtbare vordering betreft.

  • 2.

    Bij een noodzakelijke herziening van de betalingsverplichting, die zich voordoet bij ex-klanten, wordt bij de bepaling van de omvang van de afloscapaciteit toepassing gegeven aan de bepalingen van deze beleidsregels.

  • 3.

    Een normwijziging van de uitkering valt niet onder een herziening van de betalingsverplichting.

  • 4.

    Bij een belanghebbende die de uitkering uitstroomt, wordt bij de bepaling van de omvang van de afloscapaciteit toepassing gegeven aan de bepalingen van deze beleidsregels.

  • 5.

    Bij belanghebbenden die op het moment van de inwerkingtreding van deze regels de opgelegde betalingsverplichting niet nakomen, wordt toepassing gegeven aan de nieuwe bepalingen.

  • 6.

    Voor het vaststellen van de mogelijkheid van het (gedeeltelijk) kwijtschelden van een vordering gelden de meest gunstige beleidsregels.

 

Artikel 22 Intrekking oude beleidsregels

In verband met de inwerkingtreding van de nieuwe beleidsregels worden de volgende beleidsregels per gelijke datum ingetrokken:

a.De Beleidsregels terugvordering en invordering WWB, IOAW en IOAZ en invordering bestuurlijke boete 2013

 

Artikel 23 Citeertitel

Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als "Beleidsregels terugvordering en invordering Participatiewet, IOAW en IOAZ en invordering bestuurlijke boete 2017".

Capelle aan den IJssel, 28 november 2017

Het college van burgemeester en wethouders,

de secretaris, de burgemeester

 

 

ALGEMENE TOELICHTING

Vanaf de inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand (WWB) is terugvordering van ten onrechte verstrekte uitkering een aan het college toekomende bevoegdheid. Deze bevoegdheid is overgenomen in de PW en staat ook in de IOAW en IOAZ. Het college heeft al die tijd het beleid dat zij altijd gebruik maakt van haar bevoegdheid tot herziening en/of intrekking van het recht op uitkering alsmede tot terugvordering van ten onrechte verstrekte uitkering.

Met de inwerkingtreding van de "Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving" per 1 januari 2013 is de bevoegdheid tot terugvordering gedeeltelijk omgezet in een wettelijke verplichting. Het gaat daarbij om fraude-Zverwijtbare vorderingen die het gevolg zijn van ten onrechte ontvangen uitkering in verband met schending van de inlichtingenplicht. Tevens introduceerde deze wet voor uitkeringen de bestuurlijke boete bij schending van de inlichtingenplicht. De verplichting tot terugvordering dan wel het opleggen van een bestuurlijke boete komt mede tot uiting in:

  • a.

    een verplichting tot verrekening van deze vorderingen met een eventueel recht op uitkering dan wel een Bbz-uitkering;

  • b.

    een wettelijk verbod om medewerking te verlenen aan een schuldregeling indien de vordering is ontstaan door schending van de inlichtingenverplichting en daarvoor een bestuurlijke boete is opgelegd, voor zover deze medewerking leidt tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van deze vordering;

  • c.

    een wettelijk verbod om bij medewerking aan een schuldregeling gedeeltelijke of gehele kwijtschelding te verlenen van een opgelegde bestuurlijke boete waarbij sprake was van opzet of grove schuld.

Bij de invoering van de PW per 1 januari 2015 is het toen geldende terugvorderingsbeleid onder de WWB gehandhaafd. Door de samenwerking van drie gemeenten (vanaf 1 januari 2016) binnen de Gemeenschappelijke Regeling IJsselgemeenten bleek het noodzakelijk de terug- en invorderingsregels te uniformeren en opnieuw vast te stellen.

Deze beleidsregels geven een invulling van de bevoegdheden van het college tot intrekking/herziening van het recht op uitkering, tot terugvordering en invordering van ten onrechte

verstrekte uitkering, de invordering van de bestuurlijke boete, tot verrekening met de uitkering alsmede tot brutering van de vordering. In de beleidsregels wordt aangegeven hoe de omvang van de aflosverplichting wordt vastgesteld en hoe het kwijtscheldingsbeleid is ingevuld.

 

 

ARTIKELSGEWIJZETOELICHTING

 

HOOFDSTUK 1 - ALGEMEEN

Artikel 1 Begripsbepalingen

Dit artikel vermeldt de afkortingen van de relevante wetten. Tevens wordt onder andere een definitie gegeven van de fraudevordering / verwijtbare vordering en van de inlichtingenplicht.

De woorden fraudevordering en verwijtbare vordering betekenen hetzelfde. Vanwege de eenduidigheid in terminologie is er voor gekozen om in deze beleidsregels alleen te spreken over een fraudevordering.

Artikel 2 Invulling van de bevoegdheid tot herziening, intrekking en terugvordering

Het college heeft al vanaf de inwerkingtreding van de WWB als beleid dat zij altijd gebruik maakt van haar bevoegdheid tot herziening en/of intrekking van het recht op uitkering alsmede tot terugvordering van ten onrechte verstrekte uitkering, niet zijnde ten onrechte verstrekte uitkering wegens schending van de inlichtingenplicht. Op grond van de wet is het college dan immers verplicht om terug te vorderen.

Er is geen herzienings- of intrekkingsbesluit nodig in geval van bijvoorbeeld het achteraf toekennen van een WW-uitkering of het ontvangen van erfenissen. In deze situaties, als bedoeld in artikel 58 lid 2 onderdeel f sub 1 en 2 PW, kan worden volstaan met alleen een terugvorderingsbesluit.

Behorende bij kenmerk, nummer D40/951484 pagina: 10

Artikel 3 Uitzondering voortvloeiende uit de jurisprudentie

In dit artikel staat een algemene - binnen de jurisprudentie geformuleerde - uitzondering op de in artikel 2 genoemde hoofdregel beschreven: de zesmaanden jurisprudentie. Deze jurisprudentie houdt in dat de bevoegdheid van het college om teveel verstrekte uitkering terug te vorderen in tijd wordt beperkt indien niet adequaat wordt gereageerd op een signaal van een belanghebbende waaruit het college concreet zou moeten afleiden dat teveel of ten onrechte uitkering werd verstrekt. Het college heeft dan niet de vrijheid om van deze in de jurisprudentie benoemde uitzondering af te wijken.

In het kort komt de zesmaanden jurisprudentie erop neer dat het college binnen zes maanden nadat zij een signaal heeft ontvangen, over dient te gaan tot aanpassing van het recht op uitkering. Een signaal kan daarbij worden gedefinieerd als relevante informatie van de uitkeringsgerechtigde waaruit kan worden afgeleid dat sprake is van een dusdanige fout, dat het college op grond daarvan actie zou moeten ondernemen. Vindt geen aanpassing van het recht op uitkering plaats binnen de genoemde zes maanden, dan dient het college van terugvordering af te zien voor het deel dat na deze zes maanden nog te veel aan uitkering is verstrekt. De zesmaanden jurisprudentie speelt niet indien sprake is van schending van de inlichtingenplicht.

Als voorbeeld kan worden genoemd de belanghebbende die op 1 januari doorgeeft dat er een kostendeler bij hem is komen inwonen. Dan moet de norm gewijzigd worden. Indien per 1 september de normwijziging wordt doorgevoerd, kan alleen de ten onrechte verstrekte uitkering over de periode 1 januari tot 1 juli worden teruggevorderd. Voor het deel dat na 1 juli teveel aan uitkering is verstrekt, moet volgens de jurisprudentie van terugvordering worden afgezien.

Beperkte overschrijding van de vermogensgrens gedurende langere tijd

De situatie kan bestaan dat de belanghebbende niet heeft gemeld dat hij over een vermogen is gaan beschikken dat in beperkte mate de vermogensgrens overstijgt. Komt het college hierachter, dan kan zij in beginsel het recht op uitkering over de gehele periode van de overschrijding intrekken en alle uitkering terugvorderen. Vaste jurisprudentie is echter dat in deze situatie de terugvordering dient te worden beperkt tot het bedrag dat niet zou zijn verstrekt indien de belanghebbende de beperkte overschrijding van de vermogensgrens wel tijdig zou hebben gemeld. Daarbij is het aan de belanghebbende om aannemelijk te maken dat hem, als hij wel aan zijn inlichtingenplicht zou hebben voldaan, tenminste over een deel van betreffende periode uitkering zou zijn toegekend.

 

HOOFDSTUK 2 - GEHEEL OF GEDEELTELIJK AFZIEN VAN (VERDERE) TERUGVORDERING

Artikel 4 Geheel of gedeeltelijk afzien van terugvordering / geheel afzien van bestuurlijke

boete in geval van dringende redenen

Het gaat niet om dringende redenen ten tijde van het ontstaan van de vordering. Dringende redenen slaan zowel op de fraudevordering als de niet-verwijtbare vordering.

Indien sprake is van dringende redenen kan dit aanleiding zijn om de terugvordering te verlagen dan wel om van terugvordering af te zien (artikel 58 lid 8 PW en artikel 25 lid 7 IOAW en IOAZ). Ingevolge artikel 18a lid 7 PW en artikel 20a lid 7 IOAW en IOAZ kan het college afzien van het opleggen van een bestuurlijke boete ingeval van dringende redenen.

Wat dringende redenen precies zijn, laat zich niet precies omschrijven. Dit zal het college per geval apart moeten beoordelen. Dat het de belanghebbende en/of zijn gezinsleden ontbreekt aan de noodzakelijke middelen om in het bestaan te voorzien, is op zich geen voldoende voorwaarde om te kunnen spreken van dringende redenen. Er moet iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand zijn wil een afwijking van de regel gerechtvaardigd zijn. Het moet dan om een zodanige bijzondere situatie gaan dat terugvordering leidt tot onaanvaardbare financiële of sociale consequenties voor de belanghebbende. Bijvoorbeeld wanneer sprake is van een dreigende ontruiming van een aangepaste woning terwijl in het gezin een ernstig gehandicapt kind woont.

Artikel 5 Kruimelbedragen

Dit artikel is van toepassing in de situatie dat de uitkering is beëindigd. Bij een lopende uitkering worden namelijk alle vorderingen verrekend met de uitkering. Zie hiervoor artikel 8. Indien de uitkering is beëindigd, geldt bij kruimelbedragen het volgende.

Bij een niet-verwijtbare vordering ziet het college af van (verdere) invordering indien de (restant) terug te vorderen uitkering lager is dan € 100,-. Hierbij wordt rekening gehouden met een mogelijk tegoed dat de belanghebbende nog heeft aan (vakantie-)uitkering. Stel: de terugvordering bedraagt € 350,-.Het tegoed aan vakantiegeld is nog € 300,-. Na verrekening is de vordering een bedrag van € 50,-. Deze restantvordering ligt onder het kruimelbedrag van € 100,-, zodat van (verdere) invordering wordt afgezien.

Het is niet toegestaan om fraudevorderingen niet te innen, ook al gaat het om een laag bedrag. Fraude mag niet lonend zijn en alle ten onrechte verstrekte uitkering moet worden terugbetaald. Om die reden moeten belanghebbenden bij fraudevorderingen altijd worden aangeschreven en aangemaand voor een vordering. Gelet op het kosten-baten aspect wordt bij een (restant) fraudevordering en/of een bestuurlijke boete, die - na een eventuele verrekening met een tegoed aan (vakantie-)uitkering - in (totaal) lager ligt dan € 50,- daarna als volgt gehandeld. Reageert de belanghebbende ook niet op de aanmaning en komt hij binnen een jaar na de aanmaning niet meer terug in de uitkering - in dat geval dient de vordering verrekend te worden met de uitkering - wordt gelet op het kosten-baten aspect van verdere invordering afgezien.

In beide gevallen betekent het afzien van (verdere) invordering (van kruimelbedragen) dat deze geringe bedragen tot in lengte van dagen in de debiteurenadministratie staan opgenomen, terwijl hierop verder geen actie meer wordt ondernomen. Dat leidt tot een 'vervuilde' debiteurenadministratie. In de richtlijnen van de Bijstandsdebiteuren en fraudestatistiek van het CBS worden situaties beschreven om (fraude- of boete)vorderingen definitief buiten invordering te stellen. Daarin worden ook de kruimelbedragen genoemd.

Artikel 6 Bruto en netto vorderingen

Lid1

Een uitkering wordt netto uitgekeerd. De gemeente draagt hierover loonbelasting, premies volksverzekeringen en de inkomenafhankelijke bijdrage af aan de Belastingdienst en het UWV. Deze kosten tezamen vormen 'de kosten van de uitkering'. Bij terugvordering tijdens het lopende kalenderjaar kan de gemeente de loonbelasting en premies nog verrekenen met de Belastingdienst en het UWV. Daarom kan ten onrechte verstrekte uitkering tijdens het lopende kalenderjaar netto worden teruggevorderd. IOAW- en ICAZ-uitkeringen zijn bruto-uitkeringen en worden altijd bruto teruggevorderd.

Lid 2

Bij terugvordering van ten onrechte verleende uitkering op grond van de PW over voorgaande jaren vordert het college deze bruto terug. Het bedrag van de brutering kan niet eerder worden berekend dan na het einde van het kalenderjaar.

Zoals vermeld zijn terugvorderingen op grond van de IOAW en IOAZ altijd bruto.

Het college kan de betaalde inkomensafhankelijke bijdrage als bedoeld in de Zorgverzekeringswet (Zvw) niet van de belanghebbende terugvorderen. Dit is bepaald in artikel 42 lid 7 Zvw. Het college kan deze bijdrage op verzoek terugkrijgen van de Belastingdienst.

De belanghebbende kan voor teruggave van de door de bruto terugvordering teveel betaalde loonheffing en premies een verzoek indienen bij de Belastingdienst. Een dergelijk verzoek kan echter pas gehonoreerd worden voor zover de belanghebbende in een betreffend jaar ook daadwerkelijk (een deel van) zijn terugvorderingsschuld aan de gemeente heeft voldaan. Hiervoor kan de belanghebbende een schriftelijke opgave bij de gemeente vragen.

Lid 3

Dit artikel vermeldt een aantal situaties wanneer een vordering netto blijft dan wel pas een kalenderjaar later wordt gebruteerd.

Dit doet zich onder meer voor bij een administratieve vergissing. Naar vaste rechtspraak moet worden afgezien van brutering, indien sprake is van een vordering die is ontstaan buiten toedoen van belanghebbende. In artikel 58 lid 6 PW is geregeld dat bij een administratieve vergissing niet mag worden teruggevorderd als de betreffende kosten zijn gemaakt meer dan twee jaar vóór de datum van verzending van het terugvorderingsbesluit. Een voorbeeld van een administratieve vergissing doet zich bijvoorbeeld voor wanneer de gemeente twee keer dezelfde betaling aan dezelfde persoon heeft gedaan. Een andere situatie dat een vordering netto blijft, is als het belanghebbende niet kan worden verweten dat de betaling van de schuld niet reeds is voldaan in het kalenderjaar waarop deze betrekking heeft.

Dat doet zich voor als een besluit tot terugvordering tussen 15 novem ber en 1 januari van het volgende jaar wordt genomen.

De vordering blijft ook netto als het college heeft nagelaten belanghebbende (tijdig) in kennis te stellen van de vordering. De belanghebbende kon hierdoor de vordering niet in het lopende kalenderjaar terugbetalen. Ten slotte is opgenomen dat de vordering netto blijft als het bruteren van de vordering volgens het college een onevenredige uitwerking heeft of een onrechtvaardige uitkomst biedt. Dit moet aan de hand van de individuele situatie van de belanghebbende beoordeeld worden.

 

 

HOOFDSTUK 3 - INVORDERING

Voor bestuursrechtelijke geldschulden is een algemene regeling op het gebied van betaling en invordering van geldschulden aan en door bestuursorganen in de Awb opgenomen. De Awb is bij de invordering van de terugvordering en de bestuurlijke boete leidend. Daarna volgen de specifieke regelingen omtrent invordering in de PW, IOAW en IOAZ en het Bbz 2004.

Uitgangspunt invordering

Eigenlijk is het uitgangspunt dat de vordering in één keer moet worden terugbetaald. In de praktijk blijkt dit vrijwel altijd onmogelijk te zijn en kan een betalingsregeling worden getroffen. Bij een lopende uitkering kan meteen tot verrekening worden overgegaan. Bij een beëindigde uitkering moet de belanghebbende hiertoe gegevens overleggen, zoals bijvoorbeeld afschriften van loonstroken en (spaar)rekeningen, waaruit blijkt dat hij geen vermogen heeft.

In het besluit tot betaling van een terugvordering of bestuurlijke boete worden tevens de rechtsgevolgen bij niet-nakoming van de betalingsverplichting vermeld. Ook wordt in het besluit vermeld dat met nieuw aangegane schuldverplichtingen geen rekening zal worden gehouden bij het vaststellen van de omvang van de afloscapaciteit op de vordering aan de gemeente.

Artikel 7 Geen schorsende werking bij bezwaar en beroep

De invordering van het teruggevorderde bedrag aan uitkering of het bedrag van de bestuurlijke boete wordt niet geschorst nadat een bezwaar- of beroepschrift is ingediend (artikel 6:16 Awb). Dit geldt zowel bij een lopende uitkering als bij een beëindigde uitkering. Het college gaat meteen na het nemen van het besluit tot terugvordering dan wel tot oplegging van de bestuurlijke boete over tot verrekening met het recht op uitkering. Is de uitkering beëindigd en is er een aflossingsregeling getroffen, dan heeft een bezwaar- of beroepschrift ook in die situatie geen schorsende werking, ongeacht of het bezwaar of beroep is gericht tegen de terugvordering, tegen de bestuurlijke boete dan wel tegen de aflossingsregeling. Is er nog geen aflossingsregeling getroffen, dan gaan de invorderingsmaatregelen gewoon door.

 

Artikel 8 Verrekening in geval van lopende uitkering

Lid1

Voor fraudevorderingen en bestuurlijke boetes is het verrekenen met de uitkering verplicht gesteld (artikel 60 lid 4 PW en artikel 28 lid 2 IOAW en IOAZ).

Bij niet-verwijtbare vorderingen maakt het college ten volle gebruik van de bevoegdheid om tot verrekening met de uitkering over te gaan (ingevolge artikel 60 lid 3 PW en artikel 28 lid 3 IOAZ en IOAZ).

In het besluit tot terugvordering dan wel tot oplegging van de bestuurlijke boete wordt de belanghebbende mededeling gedaan over de (hoogte van de) verrekening met de uitkering.

Op grond van artikel 60a lid 4 PW en artikel 28 lid 7 IOAW en IOAZ kan het college een vordering die een belanghebbende op hem heeft, verrekenen met een vordering als bedoeld in artikel 58 en 59 PW. Dit betekent onder meer dat het college een proceskostenvergoeding verrekent met een schuld die een belanghebbende bij het college heeft. De proceskostenvergoeding is een vordering van belanghebbende op het college. De schuld van belanghebbende bij het college is een vordering van het college op belanghebbende. Deze twee vorderingen kunnen met elkaar worden verrekend.

Het kan voorkomen dat een belanghebbende zich door een advocaat met toevoeging heeft laten bijstaan. In zo'n geval kan de advocaat zich op het standpunt stellen dat de proceskostenvergoeding aan hem moet worden uitbetaald en dat het college niet mag verrekenen. De advocaat doet dan een beroep op artikel 7:15 lid 5 Awb. Dit beroep slaagt niet. Het college mag ook in zo'n geval de proceskostenvergoeding verrekenen met de vordering die het college heeft op de belanghebbende.  

De verrekening gaat namelijk voorop de betaling (CRvB 19-04-2016, nrs. 14/4611 WWBe.a., CRvB 08-11-2016, nr. 15/6690 WWB, CRvB 08-11-2016, nr. 15/7974 PW).

Als sprake is van een dergelijke verrekening dan wordt deze in de betreffende maand aangemerkt als één termijnbetaling. Dit is met name relevant voor artikel 15 (kwijtschelding), artikel 16 (afkopen) en artikel 18 (aflossing duurzame gebruiksgoederen).

Lid 2 onder a

Voor wat betreft de hoogte van het aflossingsbedrag wordt deze zowel bij fraudevorderingen, niet-verwijtbare vorderingen, bestuurlijke boetes en bij leenbijstand voor duurzame gebruiksgoederen gesteld op het voor beslag vatbare bedrag. Voor een uitkeringsgerechtigde op grond van de PW is dit op dit moment per maand het verschil tussen de feitelijk uitbetaalde uitkering en 90% van de bijstandsnorm inclusief vakantiegeld alsmede het in de maand van uitbetaling volledig gereserveerde vakantiegeld.

De bescherming die de beslagvrije voet mensen moet bieden, is de afgelopen jaren steeds meer onder druk komen te staan. Mede daarom heeft het kabinet besloten om de regels rond de beslagvrije voet te vereenvoudigen. Het wetsvoorstel Wet vereenvoudiging beslagvrije voet geeft uitvoering aan dat besluit. Kern van het wetsvoorstel bestaat uit een sterk vereenvoudigd model om de beslagvrije voet te berekenen. Het voorstel is in de eerste maanden van 2017 door zowel de Tweede als Eerste Kamer aangenomen en zal vermoedelijk niet vóór 1 januari 2018 ingaan. Op het moment dat de nieuwe wet ingaat kan hieraan uitvoering worden gegeven bij het bepalen van de hoogte van het aflossingsbedrag. Ook de overheid zal zich, bij verrekenen van vorderingen of het invorderen daarvan met een dwangbevel, moeten houden aan de regels van de beslagvrije voet zoals blijkt uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. Het is niet toegestaan om vaste aflossingspercentages te hanteren.

De praktijk heeft geleerd dat door toepassing van een lager aflossingsbedrag voor de verrekening, andere schuldeisers met een lagere preferentie op het resterende deel boven de beslagvrije voet beslag leggen. Anders gezegd, schuldeisers met een lagere preferentie worden bevoordeeld bij een lager aflossingsbedrag voor de gemeente. Dit wordt niet wenselijk geacht. Aangezien verrekening voor gaat op beslag, verdient het de voorkeur dat het gehele bedrag boven de beslagvrije voet aangewend wordt voor verrekening met de bestuurlijke boete of de terugvordering.

Indien verrekening plaatsvindt en er komt een verzoek van een andere gemeente/uitvoeringsinstantie om over te gaan tot pseudoverrekening van de bestuurlijke boete of vordering (van een andere gemeente/uitvoeringsinstantie), dan gaat verrekening voor op dit verzoek.

De invordering van de bestuurlijke boete wordt in deze beleidsregels gelijkgesteld met het invorderen van een fraudevordering.

Lid 2 onder b

Bij een grote fraudevordering en/of hoge bestuurlijke boete met een (gezamenlijk) totaal vanaf € 5.000,- moet bij het vaststellen van de betalingsverplichting tevens eventueel relevant vermogen worden beoordeeld. Hierbij kan gedacht worden aan auto's, caravans, boten, motoren, sieraden, antiek, luxe inboedel en onroerende goederen. Dit vermogen moet worden aangewend ter aflossing van de vordering. Eventueel kan beslag worden gelegd op dit vermogen. Een andere mogelijkheid is conservatoir beslag, wat aan de orde kan zijn voordat het besluit tot terugvordering wordt genomen.

Conservatoir beslag

Het is niet mogelijk om met een terugvorderingsbesluit meteen beslag te leggen. De belanghebbende heeft hierdoor ruim de gelegenheid, zijnde 6 weken na een terugvorderingsbesluit en 2 weken na een aanmaning, om eventuele beslagmogelijkheden (wegens relevant vermogen) te laten verdwijnen. Indien bij het college gegronde vrees bestaat voor verduistering van roerende of onroerende zaken, kan besloten worden conservatoir beslag te leggen. Met behulp van een advocaat kan conservatoir beslag gelegd worden voordat de belanghebbende op de hoogte is van de vordering.  

Lid 3 onder a

Als de belanghebbende inmiddels in een andere gemeente een uitkering ontvangt, kan aan die andere gemeente een verzoek worden gedaan om de vordering uit die uitkering te betalen, zonder machtiging van de belanghebbende. Een dergelijk verzoek kan ook gedaan worden aan het UWV en de SVB, indien de belanghebbende een uitkering van hen ontvangt.

Dit is geregeld in artikel 60a lid 2 en lid 3 PW en artikel 28 lid 4 IOAW en IOAZ.

Aangezien het hierbij niet gaat om verrekening van een vordering met een schuld tussen partijen, maar van verrekening met een schuld van een derde partij (andere gemeente, UWV of SVB) wordt wel gesproken van pseudo-verrekening. Alle terugvorderingen inclusief de boete komen in aanmerking voor pseudoverrekening.

Indien een verzoek tot pseudoverrekening bij een andere gemeente of uitkeringsinstantie wordt gedaan en er wordt op de betreffende uitkering beslag gelegd door een deurwaarder, dan werkt een beroep op pseudoverrekening niet tegen andere beslagleggers. De normale reguliere invorderingsmaatregelen zullen dan getroffen moeten worden. Heeft de gemeente te maken met een preferente schuldeiser, zoals de Belastingdienst met een hoge schuld, dan heeft beslagleggen geen zin en zal de gemeente de schuld op dat moment moeten laten voor wat het is. Via een hercontrole dient in de gaten gehouden te worden wanneer alsnog tot beslaglegging kan worden overgegaan. Wordt er beslag gelegd door de verzoekende gemeente, dan deelt de verzoekende gemeente mee met de andere beslagleggers in het voor beslag vatbare bedrag.

Lid 3 onder b

Bij inkomsten op bijstandsniveau wordt de aflossingscapaciteit gesteld op het voor beslag vatbare bedrag, overeenkomstig lid 2 onder a van dit artikel. Bij hogere inkomsten dan bijstandsniveau wordt de omvang van de afloscapaciteit berekend als aangegeven in artikel 9.

Lid 4

Dit bedrag moet een belanghebbende altijd overhouden. Het bedrag waar een belanghebbende minimaal over moet kunnen beschikken, heet de beslagvrije voet. Ingevolge artikel 475d lid 1 en 2 wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is dit voor een uitkeringsgerechtigde - onder de huidige wetgeving - 90% van de toepasselijke bijstandsnorm inclusief vakantietoeslag.

Volgens de huidige regels van de beslagvrije voet moet ook rekening worden gehouden met de meerkosten van de huur ten opzichte van de huurtoeslag, de meerkosten van de ziektekostenverzekering ten opzichte van de zorgtoeslag en het gemis aan kindgebonden budget (artikel 475d Rv lid 4). Uit het bovenstaande vloeit voort dat het volledig gereserveerde vakantiegeld wordt uitbetaald aan de beslaglegger dan wel aan het college indien sprake is van verrekening.

In het voorjaar van 2017 is de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet aangenomen. De ingangsdatum van deze wet is nog niet vastgesteld, doch zal niet vóór 1 januari 2018 liggen. Bij inwerkingtreding van deze nieuwe wetgeving zal de wijze van berekening van de beslagvrije voet anders worden dan hiervoor is beschreven. Hieraan zal dan toepassing worden gegeven.

In www.wwb-beslagvrijevoet.nl kunnen de benodigde gegevens ingevoerd worden, waarna deze tooi de beslagvrije voet berekent.

Artikel 9 Aflossingsregeling bij beëindigde uitkering

Dit artikel is van toepassing indien de uitkering is beëindigd. In deze situatie wordt de draagkracht van de belanghebbende berekend en een percentage daarvan genomen. De draagkracht is de financiële ruimte boven uitkeringsniveau.

Bij de omvang van de afloscapaciteit wordt onderscheid gemaakt tussen fraudevorderingen en niet-verwijtbare vorderingen. De achterliggende gedachte daarvan is dat fraude niet lonend mag zijn. Voorkomen moet worden dat het fraudebedrag als een goedkope lening kan worden gezien.

Hetgeen over artikel 60a lid 4 PW en artikel 28 lid 7 IOAW en IOAZ in de toelichting op artikel 8 staat beschreven zal in mindere mate voorkomen bij een beëindigde uitkering. Als zich echter toch nog een verrekening voordoet, geldt deze verrekening voor één termijnbetaling. Zie de toelichting bij artikel 8 lid 1.

Lid 1

Eerst kan de belanghebbende een betalingsvoorstel doen. Daarmee kan worden akkoord gegaan indien de vordering binnen 3 jaar in zijn geheel kan worden afgelost en het aflossingsbedrag tenminste € 50,- per maand bedraagt.

Behorende bij kenmerk, nummer D40/951484 pagina: 15

Deze optie is bedoeld voor vorderingen tot € 1.800,- en om de belanghebbende te stimuleren om in ieder geval akkoord te gaan met de minimale aflossing. Als de belanghebbende akkoord gaat, behoeft de gemeente geen aflossingsberekening te maken. Bij hogere vorderingen en indien de belanghebbende bij een lagere vordering dan € 1.800,- niet bereid is om het minimale aflossingsbedrag te betalen, moet de afloscapaciteit berekend worden.

Deze regeling kan dus voorgaan ten opzichte van hetgeen in lid 3 en 4 is bepaald. Lid 2

Bij het vaststellen van de omvang van de afloscapaciteit wordt geen rekening gehouden met het kindgebonden budget, inclusief de alleenstaande ouderkop van de Belastingdienst is (net als alle toeslagen), omdat deze onder de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) vallen en niet vatbaar zijn voor beslag.

Lid 3

Voor de berekening van het aflossingsbedrag bij een niet-verwijtbare vordering wordt eerst het voor beslag vatbare bedrag (thans 10% van de uitkeringsnorm, inclusief vakantietoeslag) genomen dat van toepassing zou zijn als een uitkering zou worden ontvangen, vermeerderd met 50% van de draagkracht. Bij het berekenen van de draagkracht wordt uitgegaan van het inkomen dat boven de van toepassing zijnde bijstandsnorm ligt en vervolgens rekening gehouden met meerkosten van de huur ten opzichte van de huurtoeslag, met de meerkosten van de ziektekostenverzekering ten opzichte van de zorgtoeslag, met het gemis van het kindgebonden budget, met alimentatiebetalingen (volgens gerechtelijke uitspraak) en met aflossingen op "oude" schulden. Voor deze "oude" schulden geldt dat deze moeten worden aangetoond en ook dat hierop reeds werd afgelost voordat sprake was van een vordering. Wordt hieraan niet voldaan, dan wordt met aflossingen op deze schulden geen rekening gehouden bij de draagkracht. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt bij schulden aan de Belastingdienst waarvoor aantoonbaar een terugbetalingsregeling is getroffen. Dit houdt verband met het feit dat schulden aan de Belastingdienst de hoogste preferentie hebben en de Belastingdienst over ruime incassobevoegdheden beschikt.

In het voorjaar van 2017 is de Wet vereenvoudiging beslagvrije voet aangenomen. De ingangsdatum van deze wet is nog niet vastgesteld, doch zal niet vóór 1 januari 2018 liggen. Bij inwerkingtreding van deze nieuwe wetgeving zal de wijze van berekening van de beslagvrije voet anders worden dan hiervoor is beschreven. Hieraan zal dan toepassing worden gegeven.

De tooi voor de berekening van de beslagvrije voet is bij de beëindigde uitkering niet van toepassing, omdat sprake is van een hoger inkomen. Er is geen sprake van gereserveerd vakantiegeld omdat verrekening met de uitkering niet aan de orde is en dus niet door het college kan worden uitbetaald.

Voor de toelichting op eventueel relevant vermogen en het conservatoir beslag, wordt verwezen naar de toelichting hierover bij artikel 8.

Lid 4

Ook bij de fraudevordering en de bestuurlijke boete wordt eerst het voor beslag vatbare bedrag (thans 10% van de uitkeringsnorm, inclusief vakantietoeslag) genomen dat van toepassing zou zijn als een uitkering zou worden ontvangen, vermeerderd met 75% van de draagkracht (zie de toelichting bij lid 3). Het geniet niet de voorkeur hiervoor 100% te hanteren. Voor deze matiging zijn diverse redenen te noemen. Er wordt veel inzet gepleegd op en aandacht besteed aan uitstroom-en armoedebeleid. Het 10 jaar lang alles invorderen boven de beslagvrije voet bij fraudevorderingen en bestuurlijke boetes blijkt op gespannen voet te staan met het uitstroom- en armoedebeleid. Het is niet de bedoeling dat een belanghebbende weer terugkomt in de uitkering omdat het voor hem geen verschil maakt of hij een uitkering dan wel inkomsten uit arbeid ontvangt. Daarnaast blijkt dat het hebben van een problematische schuldsituatie een belangrijke belemmerende factor is voor (volwaardige) participatie. Een ander punt is dat bij een wettelijke schuldsanering belanghebbenden 3 jaar lang moeten leven van de beslagvrije voet, waarna met een schone lei kan worden begonnen. De ervaring leert dat deze 3 jaar als zeer zwaar wordt ervaren. Om dit van belanghebbende bij een fraudevordering 10 jaar lang te vragen, wordt als zeer stringent beschouwd. Daarnaast hebben deze belanghebbenden met een ruimte van 25% van de draagkracht de mogelijkheid om te reserveren voor bepaalde noodzakelijke kosten, als (vervanging van) duurzame gebruiksgoederen. Hetgeen in de toelichting op lid 3 is beschreven over het rekening houden met meerkosten, "oude" schulden en de nieuwe Wet vereenvoudiging beslagvrije voet, geldt ook voor dit lid.

Lid 5

Voor een toelichting hierover wordt verwezen naar de toelichting van artikel 8 lid 4. Lid 6

De belanghebbende is verplicht inlichtingen te geven die voor de invordering van de terugvordering en de bestuurlijke boete van belang zijn. Voor wat betreft de terugvordering is dit bepaald in artikel 60 lid 1 PW en artikel 27 IOAZ en IOAZ. Voor wat betreft de bestuurlijke boete is dit bepaald in artikel 18a lid 8 PW en artikel 20a lid 8 IOAW en IOAZ.

Komt de belanghebbende deze verplichting niet na, dan geniet hij niet de bescherming van de beslagvrije voet. Dit is vastgelegd in artikel 60 lid 6 PW en artikel 28 lid 6 IOAW en IOAZ. Met dit incasso-instrument zal voorzichtig worden omgegaan. Als de belanghebbende zonder inkomen wordt gelaten, kunnen diverse andere (onwenselijke) problemen ontstaan.

De verplichting van de belanghebbende, om inlichtingen te geven die voor de invordering van de terugvordering en de bestuurlijke boete van belang zijn, moet meegedeeld worden in het besluit omtrent de aflossingsregeling.

 

Artikel 10 Tussentijdse beoordeling van een lopende betalingsverplichting

Periodiek doet het college onderzoek om te beoordelen of het aflossingsbedrag nog overeenkomt met de financiële situatie van de belanghebbende.

Bij een te verwachten wijziging in de omstandigheden van de belanghebbende, bijvoorbeeld als een vordering geheel is afgelost of als de hoogte van de inkomsten zouden kunnen wijzigen, kan het college opnieuw onderzoek doen naar de afloscapaciteit. Dit kan leiden tot een hogere, maar ook tot een lagere maandelijkse aflossing.

Niet alleen het college heeft de bevoegdheid om een lopende betalingsregeling tussentijds te beoordelen. Ook de belanghebbende kan daartoe een verzoek indienen bij het college indien sprake is van gewijzigde financiële omstandigheden.

Zoals bij artikel 9 is toegelicht, moet de verplichting van de belanghebbende, om inlichtingen te geven die voor de invordering van de terugvordering en de bestuurlijke boete van belang zijn, worden meegedeeld in het besluit omtrent de aflossingsregeling.

 

Artikel 11 Gevolgen bij het niet of niet meer voldoen aan de betalingsverplichting

Lid1

Betaalt de belanghebbende het bedrag niet dat is afgesproken, dan kan de gemeente per aangetekende brief een aanmaning sturen. De persoon krijgt zo een extra mogelijkheid van 14 dagen om alsnog te betalen. De gemeente hanteert hiervoor de termijnen die zijn vastgelegd in de Awb. Dat betekent dat na afloop van de bezwaartermijn van 6 weken na het terugvorderingsbesluit, een aanmaning wordt verstuurd met een termijn van 2 weken.

Lid 2 en 3

Betaalt de belanghebbende ook na aanmaningen nog niet, dan kan het college overgaan tot het 'invorderen via een dwangbevel'. Daarmee kan het college beslag leggen op het inkomen of op goederen van belanghebbende, degene die hoofdelijk aansprakelijk is, of de gezinsleden, voor wie de bijstandsuitkering ook bestemd was (meestal de kinderen).

Het college kan dit zelf regelen (zonder rechter of deurwaarder) met "vereenvoudigd derdenbeslag" op een deel van het inkomen en uitkering van de belanghebbende. Dit staat in artikel 60 lid 5 PW en artikel 28 lid 5 IOAW en IOAZ in samenhang met artikel 479g Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Door het leggen van genoemd beslag kan de belanghebbende niet meer vrij over zijn inkomen beschikken. Wanneer vereenvoudigd derdenbeslag niet mogelijk is en er wel andere beslagmogelijkheden zijn, zoals ander inkomen, vermogen of vermogensbestanddelen, schakelt de gemeente een deurwaarder in om beslag te leggen en de vordering te innen.

Verjaring

Bestuursrechtelijke geldschulden verjaren 5 jaar na het verstrijken van de betalingstermijn. Deze termijn kan gestuit worden waarmee een nieuwe termijn begint te lopen. De stuiting van een termijn gebeurt doorgaans door betaling door de belanghebbende of door het sturen van een aanmaning.

 

Artikel 12 Rente en kosten

Indien de belanghebbende niet tijdig betaalt, kan het college op grond van artikel 4:98 lid 1 Awb de vordering verhogen met de wettelijke rente. De wettelijk rente wordt berekend vanaf het moment waarop de belanghebbende in verzuim is. Op grond van artikel 4:113 Awb is het mogelijk om een vergoeding voor het sturen van een aanmaning in rekening te brengen. Ingevolge artikel 4:120 Awb is het mogelijk om de kosten van een dwangbevel in rekening te brengen.

Het college heeft erover gekozen om de wettelijke rente, de kosten van aanmaning en het dwangbevel niet in rekening te brengen. Dit is enerzijds in het voordeel van de belanghebbende. Anderzijds gaat het om zeer geringe bedragen en is het zeer arbeidsintensief deze geringe vordering in het debiteurensysteem op te boeken en weer af te boeken bij ontvangst van aflossingsbedragen. Alleen externe kosten worden in rekening gebracht om betaling af te dwingen, zijnde het verhogen van de vordering met de wettelijke rente en de op de invordering betrekking hebben de kosten, indien de invordering is overgedragen aan de deurwaarder.

 

Artikel 13 Aflossingsvolgorde bij meerdere vorderingen

Dit artikel geeft de inningsvolgorde aan op welke vordering het eerst moet worden afgeboekt. De omvang van de aflosverplichting wisselt en is afhankelijk van de ontstaansgrond van de vordering. Dit zal goed gecommuniceerd moeten worden naar de belanghebbende in de beschikking. Hieronder volgen enkele voorbeelden.

Indien een fraudevordering wordt vastgesteld, zit er een aantal weken tussen het besluit van de fraudevordering en het boetebesluit. Na het versturen van het terugvorderingsbesluit wordt direct gestart met het verrekenen van de fraudevordering met de uitkering. De ingehouden gelden worden afgeboekt op de fraudevordering. Zodra het boetebesluit is genomen - uitgaand van een lopende uitkering - moet worden afgeboekt op de bestuurlijke boete. De verrekening blijft dus in stand, maar er vindt een switch plaats in de afboeking op de soort vordering.

Een ander voorbeeld waarin sprake is van samenloop van meerdere vorderingen is, als tijdens de aflossing van leenbijstand duurzame gebruiksgoederen een fraudevordering wordt vastgesteld en een bestuurlijke boete wordt opgelegd. De ingehouden gelden moeten eerst worden afgeboekt op de bestuurlijke boete en wordt er ambtshalve uitstel verleend van aflossing op de leenbijstand. Is de bestuurlijke boete afgelost, dan geldt het principe dat afgeboekt moet worden op de oudste vordering. In dit voorbeeld is dat eerst de leenbijstand en daarna de fraudevordering. De wijze van afboeken moet vermeld worden in de beschikking.

Preferente vordering

De vorderingen op grond van de PW, IOAW en IOAZ en Bbz 2004 met betrekking tot levensonderhoud, zijn preferent na de vorderingen genoemd in artikel 288 boek 3 Burgerlijk Wetboek, zoals de kosten van aanvraag van faillissement, kosten van begrafenis en kosten van loon.

Aangezien verrekening voor beslag door andere schuldeisers gaat, wordt om die reden bij een lopende uitkering voorrang gegeven aan invordering op de bestuurlijke boete. Is een uitkering beëindigd en zijn er geen andere schuldeisers, wordt voorrang gegeven aan invordering op de bestuurlijke boete. Dat wordt gewijzigd als er andere schuldeisers in het spel komen. Dan wordt, gelet op het feit dat een bijstandsvordering een preferente schuld is, voorrang gegeven aan invordering op de terugvordering.

Afboeken op kosten

Indien sprake is van kosten om tot inning van de vordering te komen, moeten ontvangen betalingen eerst op deze kosten afgeboekt worden.

 

Artikel 14 Hoofdelijke aansprakelijkheid

Soms zijn meer personen aansprakelijk voor dezelfde uitkeringsschuld. Hierbij moet worden gedacht aan echtgenoten/partners alsmede de verzwegen partner. In artikel 59 PW en artikel 26 IOAW en IOAZ is de hoofdelijke aansprakelijkheid voor terugvordering geregeld.

Beide partners, die uitkering hebben ontvangen, zijn voor een opgelegde bestuurlijke boete hoofdelijk aansprakelijk. De inlichtingenplicht geldt zowel voor hen tezamen als voor ieder van hen afzonderlijk. Een verzwegen partner bij een gezinsuitkering, die zelf geen uitkering heeft ontvangen, krijgt geen bestuurlijke boete opgelegd omdat deze niet de inlichtingenverplichting heeft geschonden.

Het college spreekt beide partners gelijktijdig aan. Zolang de partners een gezin vormen, wordt het aflossingsbedrag vastgesteld op basis van de omvang van de afloscapaciteit van het gezin. Als de mede aansprakelijke partner het gezin verlaat, wordt de vordering in beginsel voor het volledige bedrag op naam van beide partners gesteld. Op basis van de omvang van de afloscapaciteit van beide partners worden afzonderlijke aflossingsbedragen vastgesteld. Als de vordering volledig is voldaan, vervalt voor de partners hun betalingsverplichting. Hoe de onderlinge aansprakelijkheid tussen de partners is geregeld, is geen zaak van het college.

 

 

HOOFDSTUK 4 - KWIJTSCHELDINGSBELEID

Artikel 15 Kwijtschelding openstaande vorderingen

Lid 1 en 2

Bij kwijtschelding van openstaande vorderingen wegens het voldaan hebben aan de betalingsverplichtingen wordt onderscheid gemaakt tussen een fraudevordering en een niet-verwijtbare vordering. Voor alle vorderingen geldt dat de belanghebbende om kwijtschelding moet verzoeken.

Bij een niet-verwijtbare vordering scheldt het college de belanghebbende op diens verzoek het restant van de vordering kwijt indien deze gedurende een periode van 5 jaar aaneengesloten volledig aan zijn aflossingsverplichting heeft voldaan. Heeft de belanghebbende niet volledig aan de betalingsverplichting voldaan, dan moet hij het achterstallige bedrag alsnog voldoen. Vermeld zij dat voor deze periode van 5 jaar ook de maanden meetellen dat het college heeft besloten de afloscapaciteit van de belanghebbende gedurende enige periode op nul te stellen, gelet op diens financiële situatie. Dit kan bijvoorbeeld - onder de huidige beslaglegregels - gebeuren als de belanghebbende een uitkering ontvangt naar de kostendelersnorm. Er is dan geen afloscapaciteit.

Iedere niet-verwijtbare vordering wordt apart beoordeeld of deze in aanmerking kan komen voor kwijtschelding. Het is niet zo dat een belanghebbende bijvoorbeeld 5 jaar aflost op vordering A en dat hiermee automatisch de kwijtschelding ook geldt voor vordering B, waarop nog niet of nauwelijks is afgelost. Voor vordering B moet de belanghebbende wederom apart voldoen aan de kwijtscheldingsregels. Kwijtschelding wordt per vordering beoordeeld. Er wordt dus geen kwijtschelding verleend voor een schuldenpakket.

Voor een fraudevordering geldt dat de belanghebbende die na een termijn van 10 jaar aaneengesloten volledig aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, op diens verzoek in aanmerking kan komen voor kwijtschelding. Heeft de belanghebbende niet volledig aan de betalingsverplichting voldaan, dan moet hij het achterstallige bedrag alsnog voldoen. Voor wat betreft de fraudevordering is dit vastgelegd in artikel 58 lid 7 sub a en b PW. Bij fraudevorderingen tellen de maanden zonder afloscapaciteit niet mee.

Overigens is voor de termijnen, waarna tot kwijtschelding kan worden overgegaan, niet van belang of de belanghebbende al of niet vrijwillig aan de opgelegde betalingsverplichting voldoet. Het gaat erom dat op de vordering (zo nodig via dwanginvordering) wordt betaald, overeenkomstig de artikelen 8 en 9 van de beleidsregels.

Voor wat betreft de mogelijkheden van kwijtschelding van een bestuurlijke boete wordt verwezen naar artikel 19.

Uitzondering op aaneengesloten aflossen

In geval van wijziging in de financiële positie van de belanghebbende, bijvoorbeeld bij het beëindigen van de uitkering wegens werkaanvaarding, ontstaat een "gat" in de aaneengesloten periode van aflossen. De belanghebbende wordt na het beëindigen van de uitkering aangeschreven voor het vaststellen van een nieuw aflossingsbedrag. Dit financiële onderzoek kan enige maanden in beslag nemen. Het vaststellen van het nieuwe aflossingsbedrag gaat in per de eerste van de maand na het versturen van de betreffende beschikking. Het aflossingsbedrag wordt niet opgelegd aansluitend aan de beëindigingsdatum van de uitkering, omdat men anders, buiten diens toedoen, meteen met een achterstand wordt geconfronteerd.

De periode dat derhalve een "gat" ontstaat, dat wil zeggen niet aaneengesloten wordt afgelost, wordt niet meegerekend met de periode van 5 of 10 jaar. Bij leenbijstand voor duurzame gebruiksgoederen (zie artikel 18) geldt dat dit "gat" ook niet wordt meegerekend bij de maximale aflosperiode van 36 maanden.

Hoofdelijke aansprakelijkheid

Bij hoofdelijke aansprakelijkheid geldt dat de voorwaarden voor kwijtschelding per persoon per vordering worden beoordeeld. Het besluit tot kwijtschelding heeft uitsluitend betrekking op degene die om kwijtschelding heeft verzocht. De medeschuldenaar blijft aansprakelijk voor het betalen van de (resterende) schuld.

Hoofdelijke medeschuldenaren zijn ten opzichte van elkaar verplicht tot bijdrage in de schuld. Deze verplichting kan ertoe leiden dat een besluit tot kwijtschelding tot gevolg heeft dat een vordering ontstaat tussen de medeschuldenaren (een zogeheten regresvordering). Dit heeft echter geen gevolgen voor de positie van het college ten opzichte van de overblijvende medeschuldenaar.

Lid 5

Kwijtschelding geldlening bij een eigen woning

Vanaf het moment waarop belanghebbende bij verkoop van zijn woning over de opbrengst kan beschikken zal de resterende geldlening aan de gemeente in één keer moeten worden terugbetaald (zie ook de 2e alinea onder het kopje 'Belemmeringen voor kwijtschelding').

Als bij verkoop van de eigen woning op basis van de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering het voor de afrekening beschikbare bedrag lager is dan het resterende bedrag van de geldlening en van de rentevordering, wordt het verschil kwijtgescholden, voor zover er geen sprake is van verwijtbaar handelen door de belanghebbende. Van verwijtbaar handelen zou sprake kunnen zijn bij een executoriale verkoop door de bank. De belanghebbende zal moeten aantonen wat de reden van deze verkoop is? Is de belanghebbende verwijtbaar zijn aflossingsverplichtingen niet nagekomen? Of is er sprake van een andere schuldeiser? Of is de waarde van de woning aanzienlijk gedaald, waardoor er geen sprake van verwijtbaarheid zou kunnen zijn.

Bij verkoop van de woning tegen een prijs overeenkomstig de waarde in het economisch verkeer bij vrije oplevering komt, voor zover de opbrengst daartoe toereikend is, aan belanghebbende in ieder geval het bedrag toe dat op grond van artikel 34 lid 2 onder d PW juncto artikel 50 PW bij de vaststelling van de geldlening op de waarde van de woning in mindering is gebracht.

Wanneer de woning wordt verkocht tegen een prijs die doelbewust beneden de geldende marktwaarde ligt, is er geen aanleiding om het bescheiden vermogen aan betrokkene toe te kennen en evenmin om het resterende bedrag van de lening kwijt te schelden.

Lid 6

Verrekening bij een vordering van de belanghebbende

Op grond van artikel 60a lid 4 PW en artikel 28 lid 7 IOAW en IOAZ kan het college een vordering die een belanghebbende op hem heeft, verrekenen met een vordering als bedoeld in artikel 58 en 59 PW. Dit betekent onder meer dat het college een proceskostenvergoeding verrekent met een schuld die een belanghebbende bij het college heeft. De proceskostenvergoeding is een vordering van belanghebbende op het college. De schuld van belanghebbende bij het college is een vordering van het college op belanghebbende. Deze twee vorderingen kunnen met elkaar worden verrekend.

Het kan voorkomen dat een belanghebbende zich door een advocaat met toevoeging heeft laten bijstaan. In zo'n geval kan de advocaat zich op het standpunt stellen dat de proceskostenvergoeding aan hem moet worden uitbetaald en dat het college niet mag verrekenen. De advocaat doet dan een beroep op artikel 7:15 lid 5 Awb. Dit beroep slaagt niet. Het college mag ook in zo'n geval de proceskostenvergoeding verrekenen met de vordering die het college heeft op de belanghebbende. De verrekening gaat namelijk voorop de betaling (CRvB 19-04-2016, nrs. 14/4611 WWBe.a., CRvB 08-11-2016, nr. 15/6690 WWB, CRvB 08-11-2016, nr. 15/7974 PW).

Als sprake is van een dergelijke verrekening dan wordt deze in de betreffende maand aangemerkt als één termijnbetaling. Dit is ook relevant voor artikel 16 (afkopen) en artikel 18 (aflossing duurzame gebruiksgoederen).

Lid 7

Belemmeringen voor kwijtschelding

Een eerder op grond van dit artikel verleende kwijtschelding wordt ingetrokken indien later blijkt dat deze intrekking is gebaseerd op onjuiste of onvolledige gegevens door toedoen van belanghebbende. Is echter 5 jaar of meer verstreken tussen het tijdstip waarop de onjuiste dan wel onvolledige gegevensverstrekking bekend wordt en de datum waarop het kwijtscheldingsbesluit kenbaar werd gemaakt, wordt afgezien van een besluit tot intrekking.

Het college zal een schuld waarvoor een krediethypotheek is afgesloten, behoudens het gestelde in lid 5, niet kwijtschelden. Immers, bij de start van de uitkering is er een vermogen aanwezig. Omdat het vermogen vastzit in een woning (of woonboot of woonwagen) wordt de uitkering in het kader van de PW als lening verstrekt. Om de terugbetaling te garanderen wordt een hypotheek- of pandovereenkomst getekend, zodat in die situaties de vordering wordt gedekt door hypotheek of pand.

Gelet op de aard van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) heeft de invordering van de rentedragende of renteloze geldlening een verplichtend karakter. Voor een lening ingevolge het Bbz 2004 - voor het starten, behouden of het ondersteunen van een eigen bedrijf - wordt geen kwijtschelding verleend. De omvang van de aflossingsverplichting wordt individueel bepaald. Het Bbz 2004 kent een bijzonder regime waarbinnen uitkeringen die aanvankelijk als geldlening zijn verstrekt, afhankelijk van de bedrijfsresultaten, alsnog in een uitkering om niet omgezet kunnen worden.

Ook moet eventueel aanwezig vermogen worden meegenomen bij de beoordeling van het verzoek om kwijtschelding. Als de belanghebbende beschikt over vermogen is er geen aanleiding om tot kwijtschelding van een vordering over te gaan.

Benadeling van gemeente als schuldeiser

Om misbruik of oneigenlijk gebruik van de mogelijkheden tot kwijtschelding te voorkomen, moet een verzoek om van verdere incasso af te zien, afgewezen worden als de belanghebbende zonder redelijk belang de positie van de gemeente als schuldeiser heeft benadeeld. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn als:

• vermogen wordt weggeschonken;

• de afloscapaciteit zonder noodzaak is of wordt verkleind door het aangaan van extra financiële verplichtingen;

• andere schuldeisers zonder redelijk belang zijn of worden bevoordeeld.

Bij een financieel onderzoek naar de omvang van de afloscapaciteit kunnen belanghebbenden worden voorgelicht over de mogelijkheden tot kwijtschelding. Voor een eventuele (gedeeltelijke) kwijtschelding van een bestuurlijke boete gelden strengere voorwaarden. Deze zijn opgenomen in artikel 18a lid 13 PW. Zie hiervoor artikel 19.

Artikel 16 Het afkopen van vorderingen

Lid 1 t/m 3

Een belanghebbende kan op verzoek de mogelijkheid krijgen de openstaande restschuld(-en) in één keer af te kopen. Deze situatie kan zich voordoen in geval de belanghebbende in het buitenland verblijft of voornemens is daarheen te vertrekken. Het afkopen van een vordering is wel aan bepaalde voorwaarden verbonden. Voor een fraudevordering wordt deze mogelijkheid geboden in artikel 58 lid 7 onder d PW en in artikel 25 lid 6 onder d IOAW en IOAZ. Het is aan het college hier verder invulling aan te geven.

Voor het afkopen van een restvordering moet een belanghebbende bij een niet-verwijtbare vordering tenminste 2,5 jaar conform de vastgestelde betalingsverplichting hebben afgelost en bij een

fraudevordering tenminste 5 jaar. Daarnaast moet een bedrag van tenminste 50% van de restvordering worden afgelost.

Lid 4

Vindt de betaling niet plaats binnen 6 weken nadat het college met het verzoek tot afkopen akkoord is gegaan, komt het besluit tot afkoop te vervallen.

Behorende bij kenmerk, nummer D40/951484 pagina: 21

Lid 5

Zie voor dit lid de toelichting op artikel 15 lid 6 - Verrekening bij een vordering van de belanghebbende (lid 6)

Lid 6

Belemmeringen bij afkoop

Voor een toelichting hierover wordt verwezen naar de toelichting op artikel 15, onder het kopje "Belemmeringen voor kwijtschelding", wat gelijkluidend is. Daarbij moet in plaats van "kwijtschelden" "het afkopen" worden gelezen.

Artikel 17 Geen mogelijkheid tot incasso bij zowel niet-verwijtbare als fraudevorderingen

Er staat ook een aantal schulden open waarbij de verblijfplaats en het inkomen van de belanghebbende onbekend zijn. Er wordt periodiek geprobeerd de verblijfplaats en het inkomen van de betreffende belanghebbende te achterhalen.

Als ondanks alle inspanningen om de vordering te innen, niets is geïncasseerd en onaannemelijk is dat op enig moment toch nog betaling zal volgen, kan ambtshalve worden besloten de vordering af te boeken:

• als de verblijfplaats van de belanghebbende nog steeds onbekend is, en

• de belanghebbende 5 jaar lang (voor niet-verwijtbare vorderingen) of 10 jaar lang (voor fraudevorderingen) geen aflossing heeft gedaan, en

• de gemeente ook niet verwacht dat er nog een terugbetaling zal komen.

Om de verjaring van een (fraude)vordering te voorkomen kan een stuitingshandeling worden gedaan. Een stuitingshandeling kan zijn (artikel 4:106 Awb):

  • 1.

    Een aanmaning sturen (dan moet wel het adres van de belanghebbende bekend zijn);

  • 2.

    Een beschikking tot verrekening of een dwangbevel sturen;

  • 3.

    Door een daad van tenuitvoerlegging van een dwangbevel (beslaglegging).

De bekendmaking van een dwangbevel kan op digitale wijze in de Staatscourant en de betekening moet dan via een deurwaarder aan het parket van de ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij de Rechtbank Rotterdam.

De betekening is gebaseerd op artikel 4:123 Awb juncto artikel 45 e.v. van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en in het specifiek artikel 54 Rv.

Aangezien hier kosten aan zijn verbonden, zal per situatie een afweging gemaakt moeten worden of hiervan gebruik wordt gemaakt. Hierbij kan bedacht worden dat de kosten van invordering van de deurwaarder (aanzienlijk) lager moeten zijn dan de hoogte van de vordering.

Indien de belanghebbende op enig moment een aflossing doet, erkent hij de vordering. Hierdoor is de verjaring wederom voor 5 jaar gestuit.

Voor wat betreft de fraudevordering is in artikel 58 lid 7 sub c PW en in artikel 25 lid 6 sub c IOAW en IOAZ de bevoegdheid voor het college opgenomen om van (verdere) terugvordering af te zien indien de belanghebbende gedurende 10 jaar geen betalingen heeft verricht en niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment zal gaan verrichten.

Artikel 18 Maximale aflossingsperiode van leningen voor duurzame gebruiksgoederen

Bij duurzame gebruiksgoederen moet gedacht worden aan de aanschaf van huisraad, zoals een gasfornuis, koelkast, wasmachine. Als voor deze kosten bijzondere bijstand wordt verstrekt, is dit meestal in de vorm van leenbijstand. Bij het vaststellen van het aflossingsbedrag moet eerst een berekening worden gemaakt van de beslagvrije voet.

Er kunnen geen vaste maandelijkse bedragen worden vastgesteld voor het voor beslag vatbare deel, omdat dit mee wijzigt met de wijzigingen in de uitkeringsnormen én dit afhankelijk is van de hoogte van de beslagvrije voet. Voor de berekening hiervan wordt verwezen naar de toelichting op artikel 8 lid 4.

Het college kan het restant van een lening voor duurzame gebruiksgoederen (leenbijstand) buiten invordering stellen. Dat gebeurt ambtshalve na 3 jaar als de belanghebbende volgens de vastgestelde terugbetalingsregeling aaneengesloten heeft afgelost.

Vermeld zij dat voor de periode van 3 jaar ook de maanden meetellen dat het college heeft besloten de afloscapaciteit van de belanghebbende gedurende enige periode op nul te stellen, gelet op diens financiële situatie.

Uitzondering op aaneengesloten aflossen

Voor de toelichting over dit punt wordt verwezen naar de toelichting hierover bij artikel 15. Op het moment dat de belanghebbende zijn betalingsverplichtingen niet nakomt wordt overgegaan tot terugvordering en is het hele bedrag direct opeisbaar. De termijn van 3 jaar komt dan te vervallen en de 5 jaar termijn dient te worden aangehouden. De vordering blijft als leenbijstand staan, alleen de 3 jaar termijn is niet meer van toepassing. Dit betekent ook dat een kwijtschelding na een termijn van 5 jaar alleen mogelijk is op verzoek van de belanghebbende. Dient de belanghebbende dit verzoek niet in dan blijft de vordering staan.

Lid 5

Zie voor dit lid de toelichting op artikel 15 lid 6 - Verrekening bij een vordering van de belanghebbende (lid 6)

Er wordt niet overgegaan tot een buiten invorderingstelling als de belanghebbende bij het bepalen van de hoogte van de aflossing onjuiste of onvolledige informatie heeft gegeven. Dit geldt ook als de belanghebbende niet kan aantonen dat hij het geld op de juiste manier heeft besteed. Hij heeft bijvoorbeeld geld ontvangen voor het kopen van een bed, maar in plaats daarvan is iets anders gekocht.

Artikel 19 Kwijtschelding wegens schuldenproblematiek

Dit artikel geeft de mogelijkheid tot het kwijtschelden van niet-verwijtbare vorderingen in geval van een problematische schuldensituatie. De schuldregeling moet tot stand zijn gekomen door een professionele schuldhulpverleningsorganisatie.

Lid1

Geeft aan onder welke voorwaarden medewerking wordt verleend aan een eventuele schuldregeling. Lid 2

Geeft aan bij welke vorderingen het college geen medewerking geeft aan een schuldregeling.

Op zich kunnen alle vorderingen worden meegenomen bij een verzoek om kwijtschelding wegens schuldenproblematiek. Echter, wettelijk is bepaald dat geen medewerking aan de totstandkoming van een schuldregeling kan worden verleend indien het een fraudevordering betreft en daarvoor een bestuurlijke boete is opgelegd of strafrechtelijk aangifte is gedaan (artikel 60c PW en artikel 29a IOAW en IOAZ), en voor zover deze medewerking leidt tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding van deze vordering. Andere uitzonderingen zijn vorderingen die gedekt zijn door pand of hypotheek alsmede vorderingen wegens verstrekte bijstand in de vorm van een geldlening als gevolg van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voorde voorziening in het bestaan.

Lid 3

In dit lid staan de situaties beschreven wanneer een besluit tot medewerking aan een schuldregeling wordtingetrokken.

Lid 4

Tot 1 januari 2017 was het niet mogelijk een boete kwijt te schelden. Per 1 januari 2017 is in artikel 18a lid 13 Participatiewet en artikel 20a lid 12 IOAW en IOAZ aan het college de bevoegdheid verleend om de bestuurlijke boete geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden aan het einde van een minnelijke schuldregeling. De gedachte hierachter is dat een belanghebbende op deze wijze een bredere toegang tot de minnelijke schuldregeling heeft. Ook heeft het succesvol doorlopen van de minnelijke schuldregeling met deze nieuwe regeling een bevredigender resultaat voor zowel de schuldenaar als de overige schuldeisers

Dit gebeurt op verzoek van de belanghebbende aan wie de bestuurlijke boete is opgelegd en indien geen sprake is geweest van opzet of grove schuld. Hierbij geldt voorts de voorwaarde dat binnen een jaar nadat de bestuurlijke boete is opgelegd niet nogmaals een overtreding van de inlichtingenverplichting is begaan.

Als belanghebbende zich niet houdt aan de afspraken in het kader van een schuldregeling, kan de kwijtschelding worden ingetrokken of herzien.

Indien binnen vijfjaar na het besluit tot kwijtschelding wederom een overtreding is begaan wegens schending van de inlichtingenplicht, wordt het besluit tot kwijtschelding ingetrokken of herzien (artikel 18a lid 14 PW en artikel 20a lid 13 IOAW en IOAZ).

 

HOOFDSTUK 5 - SLOTBEPALINGEN

Artikel 20 Inwerkingtreding

Dit artikel behoeft geen verdere toelichting

 

Artikel 21 Overgangsbepalingen

De leden van dit artikel behoeven geen nadere toelichting.

 

Artikel 22 Intrekking oude beleidsregels

Door de inwerkingtreding van deze beleidsregels zijn oude beleidsregels overbodig geworden en worden deze ingetrokken.

 

Artikel 23 Citeertitel

Dit artikel behoeft geen verdere toelichting.