Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Capelle aan den IJssel

Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2019

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieCapelle aan den IJssel
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2019
Citeertitel
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpalgemeen
Eigen onderwerpmaatschappeijke zorg

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Art. 14 en 16 gewijzigd miv 20-07-2019

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

artikel 2.6.6 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-2019Nieuwe regeling

17-12-2018

gmb-2019-18994

1053904

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2019

De raad van de gemeente Capelle aan den IJssel,

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders;

gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4, eerste, tweede, derde en zevende lid, 2.1.5, eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6, vierde lid, en 2.6.6, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

gezien het advies van de commissie Samenleving en Economie;

overwegende

• dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven;

• dat van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan;

• dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen;

• dat het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang, en

• dat het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving;

besluit:

1. in te trekken ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2015’;

2. vast te stellen ‘Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2019’.

 

Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2019

HOOFDSTUK 1: Begrippen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

1. Aanbieder: natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te leveren;

2. Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening waarvan, gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is dat de cliënt daarover, ook als hij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken;

3. Algemene voorziening: Aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op het versterken van zelfredzaamheid en participatie, of op opvang;

4. Beleidsregels: Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2018;

5. Besluit: Besluit maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2019;

6. Bijdrage: bijdrage in de kosten als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de wet;

7. Cliënt: persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening of aan wie een maatwerkvoorziening of pgb is verstrekt of door namens wie een melding is gedaan als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

8. Cliëntondersteuning: onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlenging op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen;

9. College: college van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den IJssel;

10. Gebruikelijke hulp: hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgeno(o)t(e), ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten;

11. Gesprek: gesprek in het kader van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet;

12. Goedkoopst adequaat: een oplossing biedend voor het opheffen en/of verminderen van de belemmeringen die de cliënt ervaart tegen de voordeligste prijs;

13. Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en

a. in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven; dan wel

b. zal staan ingeschreven; dan wel

c. het feitelijke woonadres indien de persoon met beperkingen met een briefadres is ingeschreven;

14. Ingezetene: cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente Capelle aan den IJssel, tenzij een maatwerkvoorziening wordt geboden op het gebied van beschermd wonen of opvang als bedoeld in artikel 1.2.1, eerste lid, van de wet;

15. Langdurig noodzakelijk: voor langere tijd aangewezen op de desbetreffende maatwerkvoorziening voor het opheffen en/of verminderen van de belemmeringen die de cliënt ervaart;

16. Maatschappelijke ondersteuning:

1°. bevorderen van de sociale samenhang, de mantelzorg en vrijwilligerswerk, de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking, de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente, alsmede voorkomen en bestrijden van huiselijk geweld,

2°. ondersteunen van de zelfredzaamheid en de participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen zoveel mogelijk in de eigen leefomgeving,

3°. bieden van beschermd wonen en opvang;

17. Maatwerkvoorziening: op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van een persoon afgestemd geheel van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen:

1°. ten behoeve van zelfredzaamheid, daaronder begrepen kortdurend verblijf in een instelling ter ontlasting van de mantelzorger, het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen,

2°. ten behoeve van participatie, daaronder begrepen het daarvoor noodzakelijke vervoer, alsmede hulpmiddelen en andere maatregelen,

3°. ten behoeve van beschermd wonen en opvang;

18. Mantelzorg: hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep;

19. Melding: melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, als bedoeld in artikel 2.3.2 van de Wmo 2015;

20. Participatie: deelnemen aan het maatschappelijke verkeer;

21. Pgb: persoonsgebonden budget is een bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken;

22. Persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen;

23. Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt;

24. Vertegenwoordiger: persoon of rechtspersoon die een cliënt vertegenwoordigt die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. Personen of rechtspersonen die als vertegenwoordiger als bedoeld in het eerste lid kunnen optreden zijn de curator, de mentor of de gevolmachtigde van de cliënt, dan wel, indien zodanige persoon of rechtspersoon ontbreekt, diens echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel van de cliënt, tenzij deze persoon dat niet wenst, dan wel, indien ook zodanige persoon ontbreekt, diens ouder, kind, broer of zus, tenzij deze persoon dat niet wenst;

25. Voorliggende voorziening: algemene voorziening of andere voorziening waarmee aan de hulpvraag wordt tegemoetgekomen;

26. Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

27. Woningaanpassing: bouwkundige of woontechnische ingreep in of aan een woonruimte;

28. Zelfredzaamheid: in staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.

HOOFDSTUK 2: Melding, onderzoek en aanvraag

 

Artikel 2. Melding hulpvraag

1. Een hulpvraag kan door of namens een cliënt bij het college worden gemeld.

2. Het college bevestigt de ontvangst van een melding schriftelijk.

3. In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet.

 

Artikel 3. Cliëntondersteuning

1. Het college zorgt ervoor dat ingezetenen een beroep kunnen doen op kosteloze onafhankelijke cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is.

2. Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

 

Artikel 4. Vooronderzoek

1. Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek.

2. Voor het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage.

3. Indien cliënt geen identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage kan overhandigen kan het college, als het college van oordeel is dat het niet verstrekken van ondersteuning leidt tot onwenselijke zorgmijding, op een andere manier de identiteit van cliënt vaststellen;

4. Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college in overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek als bedoeld in het eerste, tweede en derde lid.

 

Artikel 5. Persoonlijk plan

Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.

 

Artikel 6. Gesprek

1. Het college onderzoekt in een gesprek tussen deskundigen en degene door of namens wie de melding is gedaan, dan wel diens vertegenwoordiger en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers en desgewenst familie, zo spoedig mogelijk en voor zover nodig:

a. de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de cliënt;

b. het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning;

c. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp of algemeen gebruikelijke voorzieningen zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te handhaven of te verbeteren, of te voorkomen dat hij een beroep dan wel een beperkter beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;

d. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociaal netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorkomen dat hij een beroep dan wel een beperkter beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;

e. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

f. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening, zoals opgenomen in het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet, of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, of te voorkomen dat hij een beroep dan wel een beperkter beroep moet doen op een maatwerkvoorziening;

g. de mogelijkheden om door middel van (wettelijk) voorliggende voorzieningen of door samen met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en andere partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te voorzien in de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning;

h. de mogelijkheid om een maatwerkvoorziening te verstrekken;

i. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet verschuldigd zal zijn, en

j. de mogelijkheden om te kiezen voor de verstrekking van een pgb, waarbij de cliënt in begrijpelijke bewoordingen wordt ingelicht over de gevolgen van die keuze.

2. Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 5, aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek, bedoeld in het eerste lid.

3. Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure en vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken.

4. Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.

 

Artikel 7. Verslag

1. Het college zorgt voor een schriftelijk verslag met weergave van de uitkomsten van het onderzoek.

2. Binnen 3 weken na het gesprek doch uiterlijk binnen 6 weken na melding verstrekt het college aan de cliënt een verslag met weergave van de uitkomsten van het onderzoek.

 

Artikel 8. Aanvraag

1. Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden gedaan nadat het onderzoek is uitgevoerd.

2. Een cliënt of zijn vertegenwoordiger kan een aanvraag om een maatwerkvoorziening schriftelijk of elektronisch indienen bij het college. Het college merkt een ondertekend verslag van het gesprek aan als aanvraag als de cliënt dat op het verslag heeft aangegeven.

3. In afwijking van het eerste lid kan een aanvraag, door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier, worden ingediend als het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na ontvangst van de melding.

 

Artikel 9. Advisering

1. Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek naar aanleiding van de melding en/of de aanvraag, degene die of namens wie een melding of aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten:

a. Op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen;

b. Op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken.

2. Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien:

a. Het een melding of aanvraag betreft van een persoon die niet eerder een voorziening heeft gehad c.q met wie niet eerder een gesprek als bedoeld in artikel 6 is gevoerd;

b. Het een melding of aanvraag betreft van een persoon die wel eerder een voorziening heeft gehad of een gesprek zoals bedoeld in artikel 6 heeft gevoerd, maar waarvan de omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de noodzaak van een voorziening of de soort van voorziening kunnen beïnvloeden;

c. Het college dat overigens gewenst vindt.

  

HOOFDSTUK 3: Maatwerkvoorziening

 

Artikel 10. Criteria voor een maatwerkvoorziening

1. Het college verstrekt een maatwerkvoorziening indien er sprake is van een noodzaak tot compensatie van beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen, als gevolg waarvan cliënt niet voldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie, en de cliënt deze beperkingen en problemen niet of niet volledig kan wegnemen door gebruik te maken van:

a. eigen kracht en/of

b. gebruikelijke hulp en/of

c. mantelzorg en/of

d. hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of

e. met (wettelijk) voorliggende voorzieningen

f. algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of

g. algemene voorzieningen.

2. Het college kent slechts de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening toe.

 

Artikel 11. Voorwaarden en weigeringsgronden

1. Het college kan een maatwerkvoorziening weigeren:

a. voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen;

b. voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning aanspraak op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat;

c. indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is;

d. voor zover de cliënt met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen kan wegnemen;

e. voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht;

f. indien de voorziening als gevolg van de beperkingen van de cliënt voor zichzelf of voor derden onveilig is, gezondheidsrisico’s met zich meebrengt, of niet bevorderlijk is voor de gezondheid, of het functioneren van de cliënt;

g. indien deze voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met de reeds bestaande en bekende beperkingen, niet verband houdende met de overgang naar een volgende levensfase;

h. indien het een voorziening betreft die de cliënt na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld;

i. indien de aanvraag voor een voorziening een therapeutisch doel of karakter heeft;

j. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, tenzij de eerder vergoede of verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen.

2. Het college kan een maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie weigeren:

a. indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Capelle aan den IJssel;

b. indien deze niet langdurig noodzakelijk is;

c. indien de voorziening niet gericht is op ondersteuning in de directe woon- en leefomgeving in het kader van het leven van alledag.

3. Het college kan een maatwerkvoorziening voor een woonvoorziening weigeren:

a. indien de voorziening betrekking heeft op een hoger niveau dan het uitrustingsniveau in het vigerend Bouwbesluit;

b. voor zover de ondervonden beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen, het gevolg zijn van achterstallig onderhoud of opgelost kunnen worden door algemeen gebruikelijk onderhoud;

c. ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL- clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing;

d. voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing;

e. indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn beperkingen op dat moment meest geschikte en beschikbare woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college;

f. wanneer er geen sprake is van objectieve aanknopingspunten voor een causaal verband tussen de beperkingen van cliënt en de belemmeringen die hij ondervindt bij het wonen in de woning;

g. om te komen tot het basisuitrustingsniveau van een zogenoemde doelgroepenwoning wanneer er sprake is van algemeen gebruikelijke voorzieningen.

4. Een cliënt kan voor een maatwerkvoorziening in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget in aanmerking worden gebracht wanneer beperkingen, chronische psychische problemen of psychosociale problemen het gebruik van een collectief systeem onmogelijk maakt.

  

Artikel 12. Inhoud beschikking

1. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

a. welke de te verstrekken maatwerkvoorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is;

b. welke andere voorzieningen relevant zijn;

c. wat de ingangsdatum en duur van de verstrekking is;

d. of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt;

e. hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

2. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt aanvullend vastgelegd:

a. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van de pgb;

b. wat de hoogte van het pgb is en hoe daartoe is gekomen;

c. wat de omvang van de eventuele vergoeding voor onderhoud en verzekering is en hoe daartoe is gekomen;

d. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb.

3. In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt aangegeven of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening.

4. Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening wordt in de beschikking vermeld dat de cliënt zich moet houden aan een eventueel van toepassing zijnde bruikleenovereenkomst.

 

Artikel 13. Regels voor pgb

1. Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet.

2. Onverminderd artikel 2.3.6, tweede en vijfde lid, van de wet verstrekt het college geen pgb:

a. voor zover de aanvraag betrekking heeft op kosten die de cliënt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte maatwerkvoorziening noodzakelijk was;

b. indien uit onderzoek duidelijk is geworden dat een hulpmiddel, woningaanpassing of een andere maatregel die tot een maatwerkvoorziening behoort, die zal worden ingekocht met het pgb niet langdurig adequaat is voor de cliënt;

c. voor zover deze is bedoeld voor bemiddelings- of administratiekosten in verband met het pgb;

d. voor zover het pgb is bestemd voor besteding in het buitenland, tenzij hiervoor expliciet vooraf toestemming is gegeven door het college.

3. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor een zaak wordt bepaald aan de hand van en tot het maximum van de kostprijs van de in de situatie van de cliënt goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura en is toereikend voor de aanschaf en het onderhoud daarvan.

4. Bij de vaststelling van de hoogte van het persoonsgebonden budget voor dienstverlening wordt onderscheid gemaakt tussen het tarief voor:

a. Professionals: tot deze groep behoren personen die:

i. werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s en bijbehorende competenties die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.

ii. aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel en de beschikking hebben over een beschikking geen loonheffingen (BGL). Daarnaast moeten zij ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s en bijbehorende competenties die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.

b. Het informeel netwerk: tot deze groep behoren personen uit het sociale netwerk van cliënt die hulp bieden en die niet voldoen aan de onder a. genoemde punten. Zij beschikken wel over de bijbehorende competenties die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.

5. Het persoonsgebonden budget voor personen als bedoeld in lid 4 onder a bedraagt maximaal 100% van de kostprijs van de in de situatie van de cliënt goedkoopst adequate maatwerkvoorziening in natura en is toereikend.

6. Het persoonsgebonden budget voor personen als bedoeld in lid 4 onder b bedraagt maximaal 75% van het in lid 3 genoemde tarief.

7. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor wat betreft het vervoer is gebaseerd op de autokosten volgens het Nibud (miniklasse) waarbij het uitgangspunt geldt dat 1500 kilometer op jaarbasis binnen de directe leef- en woonomgeving moet kunnen worden gereisd;

8. Een persoonsgebonden budget dient door de cliënt binnen zes maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het doel waarvoor het is verstrekt.

9. Het college kan in het Besluit nadere regels stellen over de hoogte van het persoonsgebonden budget.

 

Artikel 14. Toezicht en handhaving

1. Het college zorgt voor een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet.

2. Ter uitvoering van het eerste lid stelt het college een handhavingsbeleidsplan en een handhavingsuitvoeringsplan vast waarin beleidsuitgangspunten en prioriteiten worden aangegeven.

3. Dit handhavingsuitvoeringsplan omvat in elk geval de wijze van preventie en bestrijding van fraude, oneigenlijk gebruik en misbruik en niet-gebruik van de wet alsmede welke handhavingsinstrumenten daartoe worden ingezet en de wijze waarop deze worden toegepast.

 

Artikel 15. Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

1. Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.

2. Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een beslissing genomen op grond van deze verordening of diens rechtsvoorganger op basis van een heronderzoek herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat:

a. de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

b. de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het pgb is aangewezen;

c. de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten;

d. de cliënt niet voldoet aan de aan de maatwerkvoorziening of het pgb verbonden voorwaarden, of

e. de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt.

Het college bepaalt in de beslissing, het tijdstip waarop de beslissing in werking treedt.

3. Als het college een beslissing op grond van het tweede lid, onder a, heeft ingetrokken en de verstrekking van de onjuiste of onvolledige gegevens door de cliënt opzettelijk heeft plaatsgevonden, kan het college van de cliënt en degene die daaraan opzettelijk zijn medewerking heeft verleend, geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het ten onrechte genoten pgb.

a. Het college kan indien een besluit tot verlening van een maatwerkvoorziening is ingetrokken of herzien op grond van artikel 2.4.1 van de wet het reeds uitbetaald pgb bij dwangbevel invorderen.

  

HOOFDSTUK 4: Bijdrage in de kosten

Artikel 16. Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en pgb’s.

1. Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor huishoudelijke ondersteuning, persoonlijke verzorging en begeleiding, zolang de cliënt van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt, afhankelijk van het inkomen en vermogen van de cliënt en zijn echtgenoot.

2. In afwijking van het eerste lid is geen eigen bijdrage verschuldigd voor individuele begeleiding categorie waakvlamcontact.

3. De bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 dan wel het totaal van de bijdragen, is gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste € 17,50 per bijdrageperiode voor de cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4, derde lid, van de wet, hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 of de volgende leden geen of een lagere bijdrage is verschuldigd.

4. In afwijking van het eerste lid: bestaat de mogelijkheid voor zorgmijders de bijdrage de eerste zes maanden van hulpverlening niet te innen.

5. Voor persoonlijke verzorging en begeleiding is een lagere kostprijs vastgesteld dan de werkelijke kostprijs voor de gemeente; te weten het tarief afkomstig uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten.

6. Voor huishoudelijke ondersteuning wordt de reële kostprijs als uitgangspunt genomen voor het bepalen van de eigen bijdrage.

 

 

HOOFDSTUK 5: Kwaliteit en veiligheid

 

Artikel 17. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

1. Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van maatwerkvoorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:

a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

b. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;

c. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard en conform vastgestelde eisen opgenomen in het inkooptraject dienstverlening of bij een ander lid als toevoeging;

d. voor zover van toepassing, erop toe te zien dat de kwaliteit van de voorzieningen en de deskundigheid van beroepskrachten tenminste voldoen aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de in de toepasselijke sector erkende keurmerken.

2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek, en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de adequaatheid van de geleverde maatwerkvoorzieningen als ook de prestatielevering in relatie tot de maatwerkvoorzieningen.

 

Artikel 18. Toezichthouder

1. Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.

2. Aanbieders doen onverwijld melding van calamiteiten en geweld bij de toezichthouder;

3. Aanbieders verlenen alle medewerking aan de toezichthouder, die hij redelijkerwijs kan vragen bij de uitoefening van zijn bevoegdheden.

4. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen de door het college gecontracteerde aanbieders en aanbieders die via een pgb worden betaald.

 

Artikel 19. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden

1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:

a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de inkoopprocedure open- house en het aangaan van een overkomst met de derde; of

b. een reële prijs conform Algemene maatregel van Bestuur (AmvB) (besluit van 10 februari 2017, houdende regels ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van de voorziening en de continuïteit in de hulpverlening tussen de cliënt en de hulpverlener) die geldt als ondergrens voor die geldt als ondergrens voor:

i. een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde; en

ii. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet; en

b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

3. Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen en baseert zich op de eisen zoals gesteld in de AmvB:

a. de kosten van de beroepskracht;

b. redelijke overheadkosten;

c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

d. reis en opleidingskosten;

e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

4. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.

 

Artikel 20. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

1. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de voorziening stelt het college vast:

a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan van een overeenkomst met de derde; of

b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

i. een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, en

ii. de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

2. Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die voorziening, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onderdeel c, van de wet;

3. Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.

  

HOOFDSTUK 6: Beschermd wonen en opvang

 

Artikel 21. Beschermd wonen en opvang

1. Op beschermd wonen en opvang in de zin van artikel 1.1.1, lid 1 van de wet zijn de artikelen 1.1 onder f, 1.2 lid 3, 2.3 lid 2, 3.2.1 lid 1 onder f, 3.2.10, 3.4.4 lid 1 onder a, 3.4.4 lid 2 onder a en 4.1.5. van de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp Rotterdam 2018 van toepassing zoals die op 1 januari 2018 luiden.

2. Voor zover bepalingen in deze verordening in strijd zijn met de in het eerste lid bedoelde bepalingen, zijn uitsluitend de in het eerste lid genoemde bepalingen van toepassing en blijven de desbetreffende bepalingen buiten toepassing.

  

HOOFDSTUK 7: Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten

 

Artikel 22. Jaarlijkse waardering mantelzorgers

De jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente bestaat uit het beschikbaar stellen van een mantelzorgpas.

 

Artikel 23. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen

1. Een financiële tegemoetkoming in de meerkosten voor personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende noodzakelijke meerkosten hebben ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie wordt niet verstrekt als maatwerkvoorziening;

2. Personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende noodzakelijke meerkosten hebben ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie kunnen aanspraak maken op de collectieve aanvullende zorgverzekering van de IJsselgemeenten;

3. De vigerende criteria van de IJsselgemeenten zijn van toepassing op de aanvraag.

  

HOOFDSTUK 8: Klachten, medezeggenschap en inspraak

 

Artikel 24. Klachtregeling

1. Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle maatwerkvoorzieningen.

2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders, en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

  

Artikel 25. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

1. Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van alle maatwerkvoorzieningen.

2. Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

 

Artikel 26. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

Ingezetenen worden bij de uitvoering van de wet betrokken op de wijze die is bepaald in de Verordening Adviesraad sociaal domein Capelle aan den IJssel 2018, of diens rechtsopvolger.

  

HOOFDSTUK 9: Overgangsrecht en slotbepalingen

 

Artikel 27. Nadere regels en hardheidsclausule

1. Voor zover in deze Verordening niet anders is bepaald is het college belast met de uitvoering van deze Verordening en alle besluiten ter uitvoering van deze verordening en de wet.

2. Ter uitvoering van deze Verordening stelt het college in ieder geval het Besluit en de Beleidsregels vast.

3. Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze Verordening indien toepassing van de Verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

 

Artikel 28. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

1. De Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2015 wordt ingetrokken.

2. Een cliënt houdt recht op een lopende maatvoorziening verstrekt op grond van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2015 of diens rechtsvoorgangers, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.

 

Artikel 29. Inwerkingtreding en citeertitel

1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2019.

2. Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2019.

   

Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning Capelle aan den IJssel 2019

  

ALGEMEEN

 

Deze verordening geeft uitvoering aan de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (hierna: Wmo 2015). De verordening kenmerkt zich door te kijken naar wat redelijkerwijs verwacht mag worden van de cliënt en zijn sociaal netwerk, vervolgens zal waar nodig de gemeente in aanvulling hierop hem in staat stellen gebruik te maken van een algemene voorziening of – als dat niet volstaat – een maatwerkvoorziening waarmee een bijdrage wordt geleverd aan zijn mogelijkheden om deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer en zelfstandig te functioneren in de maatschappij.

 

Er dient telkens een zorgvuldige toegangsprocedure doorlopen te worden om de hulpvraag van de cliënt, zijn behoeften en de gewenste resultaten helder te krijgen, om te achterhalen wat de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, mantelzorg of met hulp van zijn sociaal netwerk dan wel door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten kan doen om zijn zelfredzaamheid en participatie te handhaven of verbeteren, om te bepalen of zo nodig met gebruikmaking van een algemeen gebruikelijke of algemene voorziening kan worden volstaan, of dat een maatwerkvoorziening nodig is, en of sprake is van een voorliggende of andere voorziening die niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015 valt. De Wmo 2015 en deze verordening leggen deze toegangsprocedure daarom vast. Een dergelijke procedure die bovendien goed wordt uitgevoerd, zal telkens tot een juist eindoordeel moeten leiden; ondersteuning waar ondersteuning nodig is.

Indien de cliënt van mening is dat het college hem ten onrechte geen maatwerkvoorziening verstrekt of dat de maatwerkvoorziening onvoldoende bijdraagt aan de zelfredzaamheid of participatie, of dat hem opvang of beschermd wonen ten onrechte wordt onthouden, kan betrokkene daartegen vanzelfsprekend bezwaar maken en daarna eventueel in beroep gaan tegen de beslissing op zijn bezwaar. De rechter zal toetsen of de gemeente zich heeft gehouden aan de voorgeschreven procedures, het onderzoek naar de omstandigheden van betrokkene op adequate wijze heeft verricht en of de ondersteuning een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

 

Deze verordening kan niet los worden gezien van het beleidsplan, dat de raad op grond van artikel 2.1.2 van de Wmo 2015 eveneens dient vast te stellen. In dit beleidsplan wordt het door het gemeentebestuur te voeren beleid met betrekking tot maatschappelijke ondersteuning vastgelegd.

  

HOOFDSTUK 1: Begrippen

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

In verband met de leesbaarheid van deze verordening zijn voor de duidelijkheid belangrijke definities opgenomen. De definities spreken voor zich en behoeven geen verdere uitleg.

  

HOOFDSTUK 2: Melding, onderzoek en aanvraag

 

Artikel 2. Melding ondersteuningsvraag

Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet. Daarbij is onder meer bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang.

In artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet wordt al bepaald dat indien bij het college melding wordt gedaan van een vraag voor maatschappelijke ondersteuning, het college deze melding onderzoekt. Deze bepaling verankert ook in de verordening dat bij het college een melding kan worden gedaan en door wie.

 

Het eerste lid bevat regels voor de verplichte meldingsprocedure. De melding is vormvrij en kan schriftelijk, elektronisch, mondeling of telefonisch bij het college worden gedaan. Zie de algemene toelichting over mandatering door het college. De melding kan ‘door of namens de cliënt’ worden gedaan. Dit kan ruim worden opgevat. Naast de cliënt kan bijvoorbeeld diens vertegenwoordiger, mantelzorger, partner, familielid, buurman of andere betrokkene de melding doen.

Wanneer een persoon zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op voorhand duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Als de persoon alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen. Een persoon met een hulpvraag die op grond van een andere wet kan worden beantwoord, kan direct en gericht worden doorverwezen. Te denken valt hier bijvoorbeeld aan de Zorgverzekeringswet, de Participatiewet en de Leerplichtwet. Als de persoon aangeeft behoefte te hebben aan maatschappelijke ondersteuning, is het van belang dat wordt onderzocht wat de hulpvraag van betrokkene is. Een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet is noodzakelijk.

 

In het tweede lid is de verplichte ontvangstbevestiging verankerd (artikel 2.3.2, eerste lid, slotzin, van de wet. Indien de melding mondeling of telefonisch is gedaan, wordt dit ook schriftelijk bevestigd aangezien het onderzoek na een melding maximaal zes weken mag beslaan (artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet). Registratie en een schriftelijke ontvangstbevestiging van de melding is in het kader van deze termijn van belang.

 

In het derde lid is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de wet een uitzondering vervat voor spoedeisende gevallen. Het college is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding.

 

Artikel 3. Cliëntondersteuning

Het eerste lid is een uitwerking van de wettelijke verplichting van het college in artikel 2.2.4, eerste lid, onder a, en tweede lid, van de wet. De wet adresseert het college rechtstreeks en vraagt niet om hierover bij verordening een regeling op te stellen. De bepaling uit de wet is toch in de verordening opgenomen vanwege het belang om in de verordening een compleet overzicht van rechten en plichten van cliënten te geven. Hierbij is benadrukt dat de cliëntondersteuning op grond van de wet voor de cliënt kosteloos en onafhankelijk (amendement TK 2013-2014, 33841, nr. 68 Waarborgen onafhankelijke cliëntondersteuning) is. In de memorie van toelichting bij artikel 2.2.4 van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) is vermeld dat gemeenten hiermee de opdracht hebben in ieder geval een algemene voorziening voor cliëntondersteuning te realiseren, waar burgers informatie en advies over vraagstukken van maatschappelijke ondersteuning en hulp bij het verkrijgen daarvan kunnen krijgen. Ook uitgebreide vraagverheldering alsmede kortdurende en kortcyclische ondersteuning bij het maken van keuzes op diverse levensterreinen maken daarvan deel uit.

 

In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, derde lid, van de wet bepaald dat het college de betrokkene na de melding van de hulpvraag inlicht over de mogelijkheid van gratis cliëntondersteuning. De cliënt kan dan gedurende het onderzoek er gebruik van maken. Een cliëntondersteuner kan de cliënt in het gesprek helpen zijn hulpvraag te verwoorden en keuzes te maken.

Cliëntondersteuning wordt omschreven als onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van (artikel 1.1.1 Wmo 2015):

• maatschappelijke ondersteuning

• preventieve zorg

• zorg

• jeugdhulp

• onderwijs

• welzijn

• wonen

• werk en inkomen

Daarmee wordt gedoeld op activiteiten die de burger de weg wijzen in het veld van maatschappelijke ondersteuning (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, blz. 118). Het gaat om informatie en advies geven aan mensen die voor een vraag of een situatie staan die zodanig complex is dat de persoon het niet zelf of met zijn omgeving kan oplossen (toelichting bij artikel 1.1.1 Wmo 2015 / 33 841, nr. 3, blz 113). In de Wmo 2015 is dus de cliëntondersteuning voor het gehele sociale domein en andere levensdomeinen geregeld (dus ook Jeugdwet, Participatiewet en Zorgverzekeringswet).

De cliënt kan er ook voor kiezen zijn ondersteuning zelf te organiseren. Indien de cliënt zelf een professionele cliëntondersteuner inschakelt, hoeft de gemeente niet de kosten daarvan aan de cliënt te vergoeden (TK 2013-2014, 33 841, J, blz 13).

 

Artikel 4. Vooronderzoek

Deze bepaling is hier opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen.

 

Het eerste lid dient ter ambtelijke voorbereiding van het gesprek op basis van de melding waarbij in samenspraak met de cliënt bekende gegevens in kaart worden gebracht en cliënten niet worden belast met vragen over zaken die bij de gemeente al bekend zijn. Dit vooronderzoek kan afhankelijk van de inhoud van de melding meer of minder uitgebreid zijn. Tijdens het gesprek kunnen op basis van dit vooronderzoek ook al wat concrete vragen worden gesteld of aan de cliënt worden verzocht om nog een aantal stukken te overleggen.

 

De verplichting tot het overleggen van stukken, zoals vermeld in het tweede lid, is opgenomen overeenkomstig artikel 2.3.2, zevende lid, van de wet. In het kader van de rechtmatigheid is het op grond van artikel 2.3.4 van de wet in ieder geval verplicht om de identiteit van de cliënt vast te stellen aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht en is de cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening ook verplicht dat document ter inzage te geven. Bij de gegevensverzameling op grond van het eerste en tweede lid zullen de grenzen van de Algemene verordening gegevensbescherming in acht genomen moeten worden.

 

De aanleiding van het derde lid is dat in de praktijk het voorkomt dat de doelgroep van de Wmo niet in staat is om hun (wettelijke) identificatieplicht na te komen. De Wmo wordt dikwijls ingeschakeld om deze mensen toe te leiden naar ondersteuning ook op het gebied van administratie, en het eisen van een document kan leiden tot zorgmijding met ernstige gevolgen voor cliënt, eventuele duurdere zorg en soms overlast voor anderen. Om zorgmijding te voorkomen kan in deze gevallen met een kort onderzoek de identiteit worden vastgesteld. Onderdeel van de in te zetten ondersteuning is dan om binnen 6 maanden een identificatiedocument te overhandigen.

 

Op grond van het vierde lid kan worden afgezien van het vooronderzoek indien dat een onnodige herhaling van zetten zou betekenen.

 

Artikel 5. Persoonlijk plan

Overeenkomstig artikel 2,3,2, tweede lid, van de wet is de verplichting opgenomen om informatie te verschaffen over de mogelijkheid voor de cliënt om een persoonlijk plan op te stellen en deze aan het college te overhandigen. Zie ook artikel 6, tweede lid.

 

Artikel 6. Gesprek

Deze bepaling is opgenomen om een zorgvuldige procedure te waarborgen en kan worden gezien als een uitwerking van de verplichte delegatiebepaling van artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a, van de wet, waarbij onder meer is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval regels vaststelt die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het in artikel 2.1.2 bedoelde plan en de door het college te nemen besluiten of te verrichten handelingen.

 

De onderdelen van het eerste lid zijn overeenkomstig de opsomming in artikel 2.3.2 van de wet opgenomen. In artikel 2.3.2, eerste lid, wordt niet de aanduiding “het gesprek” gebruikt maar “een onderzoek in samenspraak met degene door of namens wie de melding is gedaan en waar mogelijk met de mantelzorger of mantelzorgers dan wel diens vertegenwoordiger”. De memorie van toelichting op deze bepaling (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 143) verduidelijkt dat voor een zorgvuldig onderzoek veelal sprake zal zijn van enige vorm van persoonlijk contact met betrokkene of een vertegenwoordiger van betrokkene, aangezien daardoor een adequaat totaalbeeld van de betrokkene en zijn situatie verkregen kan worden. Het eerste lid bepaalt daarom dat het onderzoek moet plaatsvinden in samenspraak met betrokkene. De vorm van het onderzoek is vrij.

In het eerste lid is verder benadrukt dat het gesprek met de cliënt wordt gevoerd door deskundigen (namens het college).

In onderdeel b is als onderwerp van gesprek ‘het gewenste resultaat van het verzoek om ondersteuning’ opgenomen. Dit is belangrijk omdat in de woorden van de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 183) “de ultieme toetssteen of de maatschappelijke ondersteuning effectief is geweest, ligt in de beantwoording van de vraag of de cliënt zelf vindt dat de verleende maatschappelijke ondersteuning heeft bijgedragen aan een verbetering van zijn zelfredzaamheid of participatie. In het wetsvoorstel Wmo 2015 staat het bereiken van dit resultaat centraal”.

 

In het tweede lid is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet verankerd dat het college een door of namens de cliënt ingediend persoonlijk plan betrekt bij het onderzoek.

 

Het gesprek is hoofdregel en hoeft uiteraard niet plaats te vinden als dit niet nodig is (zie het vierde lid). Het kan bijvoorbeeld om een cliënt gaan die al bekend is bij de gemeente en een eenvoudige ‘vervolgvraag’ heeft.

 

Artikel 7. Verslag

Deze bepaling is opgenomen in het belang van een zorgvuldige dossiervorming en een zorgvuldige procedure en is overeenkomstig artikel 2.3.2, vijfde lid, van de wet opgenomen.

 

Het eerste lid borgt dat altijd verslag wordt opgemaakt. De invulling van deze verslagplicht is vormvrij. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, p. 32-33) staat dat de gemeente aan de cliënt een weergave van de uitkomsten van het onderzoek verstrekt om hem in staat te stellen een aanvraag te doen voor een maatwerkvoorziening. Dat moet in beginsel schriftelijk. Een goede weergave maakt het voor de gemeente inzichtelijk om een juiste beslissing te nemen op een aanvraag en draagt bij aan een inzichtelijke communicatie met de cliënt. Uiteraard zal de weergave van de uitkomsten van het onderzoek variëren met de uitkomsten van het onderzoek. Zo zal de weergave van het onderzoek bijvoorbeeld heel beperkt kunnen zijn als de cliënt van mening is goed geholpen te zijn en de uitkomst is dat geen aanvraag van een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Bij meer complexe onderzoeken zal uiteraard een uitgebreidere weergave noodzakelijk zijn.

Indien een persoonlijk plan zoals bedoeld in artikel 5, is overhandigd, wordt dit plan ook opgenomen of toegevoegd aan het verslag.

 

Soms kan een verslag al direct worden meegegeven, maar vaak zal dit toch nog moeten worden uitgewerkt. Daarom begint het tweede lid met de zinsnede “Binnen 3 weken na het gesprek doch uiterlijk binnen 6 weken na melding”. Het kan overigens ook zijn dat na een gesprek de cliënt bijvoorbeeld nog onderzoekt wat er in zijn omgeving mogelijk is, bijvoorbeeld of hij met iemand kan meerijden om boodschappen te doen, of dat hij nog een aanvullende opmerking heeft.

 

Artikel 8. Aanvraag

Ook deze bepaling is een uitwerking van artikel 2.1.3, eerste lid, en tweede lid, onder a, van de wet, waarbij is bepaald dat de gemeente bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. De wet bepaalt dat het college binnen twee weken na de ontvangst van de aanvraag de beschikking moet geven (artikel 2.3.5, tweede lid). In de Awb worden regels gegeven omtrent de aanvraag. Deze verordening wijkt daarvan niet af.

Voor de volledigheid is in het eerste lid opgenomen dat, overeenkomstig artikel 2.3.2, negende lid, van de wet, een aanvraag niet eerder kan worden gedaan dan nadat (naar aanleiding van de melding) onderzoek is uitgevoerd.

 

In het tweede lid is aangegeven dat naast de cliënt alleen een daartoe door hem gemachtigd persoon of een aanvraag kan indienen. Dit is minder ruim dan de kring van personen rond de cliënt die een melding kan doen. Zie hiervoor artikel 2 en de toelichting daarbij. Aangezien het hier gaat om de formele aanvraag om een beschikking in de zin van de Awb, is hier de formele eis van machtiging of vertegenwoordiging gesteld.

Op grond van artikel 4:1 van de Awb wordt een aanvraag tot het geven van een beschikking schriftelijk dan wel elektronisch ingediend bij het college. Een aanvraag die niet is ingediend met gebruikmaking van een aanvraagformulier of ondertekend verslag hoeft niet in behandeling genomen te worden.

 

Ter voorkoming van onnodige administratieve lasten is in het tweede lid de mogelijkheid opgenomen om een door de cliënt ondertekend verslag als aanvraag aan te merken.

 

Wanneer de gemeente het onderzoek niet heeft uitgevoerd binnen de termijn van zes weken, kan er toch een aanvraag worden ingediend. Dit volgt uit het derde lid.

 

Artikel 9. Advisering

In artikel 2.3.8, derde lid, van de wet is een medewerkingsplicht opgenomen. De cliënt is verplicht aan het college desgevraagd de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van deze wet.

 

Lid 1 van dit artikel in de verordening bepaalt dat het college bevoegd is de degene die of namens wie een melding is gedaan of die of namens wie een aanvraag is ingediend, alsmede diens huisgenoten op te roepen in persoon te verschijnen en te bevragen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken en/of bevragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn van de beoordeling van de aanspraak op een voorziening. Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een aantal artikelen enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3:5 lid 1 Algemene wet bestuursrecht geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt: een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan.

In de wet is niet geregeld dat er een adviseur benoemd moet worden. Advies zal in het kader van de uitvoering van de wet echter vaak onontbeerlijk zijn. Het college dient één of meer adviseurs aan te wijzen om in het kader van de wet advies uit te brengen. In de verordening wordt niet opgenomen wie de adviseur is. Men kan immers meer adviseurs in verschillende, zelfs wisselende situaties hebben, wat een eenduidige vermelding onmogelijk maakt.

  

HOOFDSTUK 3: Maatwerkvoorziening

 

Artikel 10. Criteria voor een maatwerkvoorziening

In dit artikel is het algemene afwegingskader dat in deze Wmo centraal staat uiteengezet. In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 1) staat: “Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het ondersteunen van de zelfredzaamheid en participatie van mensen met een beperking, chronische psychische of psychosociale problemen: die ondersteuning moet erop gericht zijn dat mensen zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. Voor mensen met chronische psychische of psychosociale problemen of voor mensen die, al dan niet in verband met risico’s voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, de thuissituatie hebben verlaten, voorzien gemeenten in de behoefte aan beschermd wonen en opvang.”

 

De criteria voor de maatwerkvoorzieningen voor beschermd wonen en opvang zijn in dit artikel niet opgenomen, De gemeente volgt hiervoor de regels van de centrumgemeente Rotterdam. Dit is verder uitgewerkt in artikel 21.

 

De nadruk ligt, nog meer dan onder de Wmo 2007, op het vergroten van de betrokkenheid van mensen bij elkaar, de mogelijkheden van mensen of hun sociale omgeving om zelf te voorzien in hulp en ondersteuning of daar waar mogelijk met behulp van vrijwilligers of andere voorliggende voorzieningen. De maatwerkvoorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning.

 

In artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel a van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt. De gemeente moet wel aan de hand van geschikte en toepasbare criteria meer in detail en concreet nader afbakenen in welke gevallen iemand een maatwerkvoorziening kan krijgen. In dit artikel en artikel 11 is deze verplichting uitgewerkt.

 

Het eerste lid bepaalt dat het college alle mogelijkheden van cliënt om op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk, met (wettelijk) voorliggende voorzieningen, met algemeen gebruikelijke voorzieningen of met algemene voorzieningen die voor cliënt beschikbaar en in de praktijk ook daadwerkelijk bruikbaar zijn eerst beoordeelt, om te kunnen vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid of participatie in aanmerking komt. Dit kan nodig zijn omdat men niet weet welke voorzieningen al voorhanden zijn. Als deze voorzieningen niet leiden tot het gewenste resultaat zal naar andere oplossingen gezocht moeten worden en komen maatwerkvoorzieningen ter beoordeling in perspectief.

 

In lid 2 van dit artikel is bepaald dat het college kan volstaan met de goedkoopst adequate voorziening. Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope voorziening te zijn. Met nadruk wordt hierbij gesteld dat met het begrip adequaat bedoeld wordt: volgens objectieve maatstaven toereikend. Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Het begrip goedkoopst adequaat geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen het beleid.

 

Artikel 11. Voorwaarden en weigeringsgronden

In rechtbankjurisprudentie is inmiddels herhaaldelijk bepaald dat afwijzingsgronden, wil er een beroep op kunnen worden gedaan, een grondslag in de verordening moeten hebben. Zie bijvoorbeeld Rechtbank Gelderland 8-11-2013, nr. ZUT 12/1823. Ook in het kader van rechtszekerheid is hier iets voor te zeggen: bij het ontbreken van afwijzingsgronden of het hanteren van zeer ruime afwijzingsgronden is het voor de cliënt niet mogelijk om zijn rechtspositie te bepalen of te voorzien. Bovendien is met dit artikel invulling gegeven aan de verplichting van artikel 2.1.3, tweede lid onder a, van de wet, omdat is aangegeven op grond van welke criteria iemand voor een maatwerkvoorziening in aanmerking kan komen.

Artikel 11, eerste lid:

 

Ad a.

Dit betreft de herhaling van het algemene toetsingskader, zoals dat in de wet centraal staat. Door het

hier te herhalen kan het dienst doen als afwijzingsgrond. Indien een persoon zijn belemmeringen kan compenseren door het anders organiseren van zijn leven en/of het huishouden dan is dit een voorbeeld van eigen kracht en is dus de verstrekking van een maatwerkvoorziening niet aan de orde. Hierbij kan gedacht worden aan herindeling van de ruimte en herschikking van inrichtingselementen (CrvB25-05-2005 nr 03/2188 LJN AT6661 en CrvB 19-04-2006 nr 04/1650 LJN AW2344).

 

Ad b.

De wet kent niet een bepaling zoals die wel was opgenomen in artikel 2 van de Wmo 2007. Het is echter wel van belang om een duidelijke afbakening te hebben met andere wetten. Vandaar dat deze bepaling in de verordening is opgenomen. Voor zover er met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, wordt er geen maatwerkvoorziening toegekend.

Uit de jurisprudentie tot stand gekomen ten tijde van de Wmo 2007 volgt dat de cliënt aanspraak moet hebben op de voorziening, om te kunnen spreken van een voorliggende voorziening (CRvB 09‐ 11‐2011, nr. 11/3583 WMO en CRvB 28‐09‐2011, nr. 10/2587 WMO). Dat wil niet zeggen dat cliënt de voorziening daadwerkelijk moet hebben, maar dat hij daarop aanspraak heeft. Er is geen sprake van een voorliggende voorziening indien de voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling is afgewezen (CRvB 03‐08‐2011, nr. 11/517 WMO) of indien vaststaat dat cliënt daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 19‐04‐2010, nr. 09/1082 WMO).

Indien de voorziening op grond van een andere specifieke wettelijke regeling slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking komt, is er sprake van een voorliggende voorziening (CRvB 22‐05‐2013, nr. 10/6782 WMO). De cliënt kan dan niet voor het overige gedeelte van de kosten een beroep doen op de Wmo.

 

Ad c.

Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken (o.a. CRvB 03‐07‐2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16‐04‐2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14‐07‐2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16‐08‐2012, nr. AWB 11/5564). Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt (CRvB 17‐11‐2009, nr. 08/3352 Wmo). De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol spelen:

• Is de voorziening gewoon te koop?

• Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht?

• Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen?

 

Ad d.

Een algemene voorziening gaat voor op verstrekking van een maatwerkvoorziening. Ook dit is een uitvloeisel van het algemene toetsingskader van de wet. Het is hier opgenomen om dienst te doen als afwijzingsgrond.

 

Ad e.

Hier wordt bepaald dat de maatwerkvoorziening is gericht op een individuele cliënt. Het past hier niet om generieke voorzieningen te treffen. Daarvoor zijn de algemene maatregelen en algemene voorzieningen geschikte instrumenten. Het betekent dat er altijd één individuele aanvrager moet zijn die de voorziening aanvraagt, die voor hem of haar ook noodzakelijk moet zijn in de zin van de Wmo. De voorziening moet specifiek op de persoon van de aanvrager gericht zijn (Rechtbank Maastricht 07-04-2000, nr. 99/379 WVG Z BUC). Artikel 2.3.5, vijfde lid onder a, van de wet bepaalt dat de maatwerkvoorziening zover daartoe aanleiding bestaat is afgestemd op de omstandigheden en mogelijkheden van de cliënt. Er is per definitie pas sprake van een maatwerkvoorziening indien deze zorgvuldig is afgestemd op de behoefte, persoonskenmerken en mogelijkheden van de persoon.

 

Ad f.

Als een maatwerkvoorziening onveilig is voor de cliënt zelf of voor derden, of het de gezondheid of het functioneren van de cliënt niet ten goede komt wordt geen maatwerkvoorziening verstrekt. Dit kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als iemand beschikt over te weinig verkeersinzicht om zich veilig in het verkeer te begeven, of als iemand een maatwerkvoorziening wil op het gebied van mobiliteit terwijl hij op medische gronden zoveel als mogelijk moet bewegen.

 

Ad g.

Verwacht mag worden dat een cliënt bij keuzes die gemaakt worden rekening houdt met zijn beperkingen. . Er zullen geen maatwerkvoorzieningen worden verstrekt bij situaties die het gevolg zijn van keuzes die gemaakt zijn maar niet passen bij de individuele omstandigheden waarin de cliënt zich bevindt. Een voorbeeld is een verhuizing naar een niet geschikte woning indien de beperkingen al aanwezig zijn.

 

Ad h.

Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een voorziening realiseert nadat een melding is gedaan maar nog geen besluit is genomen op een aanvraag. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te onderzoeken noch anderszins invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd. Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst adequate voorziening beschouwt.

 

Ad i.

Voor voorzieningen met een therapeutisch doel of karakter kan aanspraak worden gemaakt op de Zorgverzekeringswet (Zvw)

  

Ad j.

Hier wordt aangegeven dat de maatwerkvoorziening geweigerd kan worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgehad, terwijl het de cliënt verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus indien de cliënt schuld treft. Ook hier kan de eigen verantwoordelijkheid van een cliënt een rol spelen. Indien bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien vervolgens bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan.

 

Artikel 11, tweede lid:

 

Ad b.

Onder b wordt bepaald dat een maatwerkvoorziening slechts kan worden toegekend indien deze langdurig noodzakelijk is. Het begrip langdurig noodzakelijk bestaat uit 2 onderdelen die los van elkaar bezien kunnen worden. De maatwerkvoorziening moet:

• noodzakelijk zijn om de beperkingen te compenseren;

• langdurig noodzakelijk zijn.

 

Naast het vereiste dat de maatwerkvoorziening langdurig nodig moet zijn, moet uit het de uitkomsten van het onderzoek blijken dat de voorziening ook noodzakelijk is om de beperkingen te compenseren. De beoordeling of een maatwerkvoorziening noodzakelijk is om de beperkingen te compenseren, is niet altijd beperkt tot het moment van de aanvraag. Wel moet duidelijk zijn binnen welke termijn de beperkingen waarvoor de voorziening wordt aangevraagd zullen optreden (CRvB 13-06-2012, nr. 10/3307 WMO).

 

Ad c.

Dit lid is gebaseerd op jurisprudentie die tot op heden onder de Wvg en Wmo naar voren is gekomen waaruit blijkt dat voor bovenregionaal verplaatsen per vervoermiddel geen resultaatsverplichting bestaat. (CRvB 30-11-2011, nr. 10/4121 WMO en CRvB 29-02-2012, nr. 10/906 WMO). De CRvB oordeelt in CRvB 30-11-2011, nr. 10/4121 WMO dat het college niet is gehouden om vervoersvoorzieningen te treffen die een cliënt in staat stellen zich bovenregionaal te verplaatsen. Het begrip verplaatsen in de directe woon- en leefomgeving moet uitgelegd worden als verplaatsingen in een straal van 15-20 kilometer rondom de woning. Waar het om gaat is dat een cliënt alledaagse verplaatsingen kan maken, zoals het doen van boodschappen, bezoek aan familieleden en bekenden in de eigen omgeving, deelnemen aan sociale activiteiten etc (CRvB LJN: AA9001 12-06-1998).

Het is vaste jurisprudentie van de CRvB dat bovenregionaal vervoer in beginsel niet valt onder de minimaal door de gemeente in acht te nemen zorg voor een maatwerkvoorziening voor wat het lokaal verplaatsen per vervoermiddel, het betreft immers het lokaal verplaatsen per vervoermiddel waar de gemeente compensatie voor dient te bieden. Er kan uitzondering hierop zijn wanneer er sprake is van een dusdanig essentieel enkel door bezoek ter plekke te onderhouden- contact dat bij gebreke daarvan sociaal isolement optreedt (CrvB LJN:BN0775 08/5422 Wmo, CrvB LJN: BQ 1738 09/3844 Wmo).

 

Artikel 11, derde lid:

In dit lid zijn enkele afwijzingsgronden opgenomen die specifiek zien op een maatwerkvoorziening die onder de Wmo 2007 zou worden aangeduid met de term 'woonvoorziening', een term die binnen de Wmo 2015 ook gebruikt kan worden.

 

Ad a.

verwijst naar het minimale uitrustingsniveau voor woning in Nederland, zowel in de sociale woningbouw als vrije sector. Deze normering is vastgelegd in het bouwbesluit 2012. Woningbouwverenigingen en beleggers maken aanvullend hun programma’s van eisen voor nieuwe woning (of renovaties); aangezien dit per woningcorporatie kan verschillen wordt verwezen naar het landelijk geldend bouwbesluit 2012.

 

Ad b.

Onder b wordt met de aard van de materialen bijvoorbeeld bedoeld het aanpassen van de woning in verband met allergene factoren en vocht- en tochtproblemen. Bij vocht- en tochtproblemen is de eigenaar van de woning de eerst aangewezene om oplossingen aan te dragen.

Ad c.

Onder c worden bepaalde woonruimten uitgesloten, wat betekent dat voor deze woonruimten geen woonvoorzieningen worden verstrekt, met uitzondering van verhuis- en inrichtingskosten. Individuele woningaanpassingen in ADL-clusters worden sinds 1 januari 2009 wel verstrekt op grond van de Wmo behalve collectieve voorzieningen in het ADL-cluster zoals het alarmintercomsysteem.

 

Ad d.

Onder d bepaalt dat de aanvraag die betrekking heeft op voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten kan worden geweigerd, tenzij het gaat om:

• het verbreden van toegangsdeuren;

• het aanbrengen van elektrische deuropeners;

• de aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang tot de woning;

• drempelhulpen en vlonders;

• het aanbrengen van een extra trapleuning;

• een opstelplaats voor een rolstoel of een vervoersvoorziening bij de toegangsdeur van het woongebouw.

Naar het oordeel van de CRvB is een dergelijke bepaling in het algemeen niet in strijd met de in de Wmo neergelegde compensatieplicht (CRvB 02-11-2011, nr. 10/6238 WMO-T). Als het college een aanvraag op grond van deze bepaling afwijst, moet het college nog wel compenseren, het college kan dan bijvoorbeeld in plaats van een voorziening in de gemeenschappelijke ruimte, verhuis- en inrichtingskosten verstrekken (CRvB 10-03-2004, nr. 02/4460 WVG).

 

Ad e.

Onder e bepaalt dat van personen met beperkingen verlangd mag worden dat zij inspanningen verrichten op het verkrijgen van een woning die zoveel als mogelijk is aangepast aan zijn beperkingen (CRvB 20-02-2002 LJN AE 3414 nr.00/5063), tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college. Van cliënt wordt verwacht dat hij zich in een zo vroeg mogelijk stadium in verbinding stelt met de gemeente zodat de gemeente de mogelijkheid krijgt om na te gaan of er voor cliënt (goedkopere) eveneens adequate oplossingen voorhanden zijn en te bepalen wat de meest adequate en zo goedkoop mogelijke oplossing is (CrvB 25-01-2006 LJN AV:1177 nr 03/5232). Er kan sprake zijn dat ten tijde van binnenkomst van de melding of aanvraag alternatieve adequate woningen beschikbaar waren (CRvB 16-02-2005, LJN: AS7560, nr. 03/455 en CRvB 28-04-2008, LJN: AO8762, nr. 02/3254).

 

Ad f.

Onder f bepaalt dat er sprake moet zijn van objectieve aanknopingspunten voor een causaal verband tussen de beperkingen van de cliënt en de belemmeringen die hij ondervindt bij bewoning van de woning.

Het ligt hierbij op de weg van cliënt dit verband door middel van objectieve feiten en omstandigheden aannemelijk te maken (CRvB 10-10-2012, nr. 11-5873 LJN BY0324).

Onder de Wmo kan er ook een resultaatsverplichting zijn, wanneer er sprake is van een causaal verband tussen de beperkingen en omgevingsfactoren. Ook hier dient dit causale verband echter wel aannemelijk gemaakt te worden. (CRvB 12-02-2014, nr. 12/3394 WMO).

 

Ad g.

Onder g bepaalt dat geen woonvoorziening kan worden getroffen in zogenoemde doelgroepenwoningen. Hierbij kan gedacht worden aan specifiek op gehandicapten en ouderen gerichte woongebouwen. Dit geldt dan voor voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten of voorzieningen die zonder noemenswaardige meerkosten kunnen worden meegenomen bij (nieuw) bouw, verbouw of renovatie. De CRvB stelt vast dat de verordeningsbepaling waarin woonvoorzieningen uitgesloten worden in specifiek voor gehandicapten of ouderen bedoelde gebouwen, een verbijzondering is van de bepaling dat geen voorziening wordt toegekend als de voorziening algemeen gebruikelijk is. Het is aan het college om aan te tonen dat de voorziening algemeen gebruikelijk is. Een voorziening in een specifiek voor gehandicapten of ouderen bedoeld woongebouw is in principe algemeen gebruikelijk als op grond van objectieve gegevens kan worden vastgesteld dat een sociale huurwoning die bestemd is voor een specifieke groep bewoners onmiskenbaar niet voldoet aan de geldende vereisten voor een dergelijke woning:

• op grond van wettelijke voorschriften,

• algemeen aanvaarbare regels of

• contractuele bepalingen

 

Artikel 11, vierde lid:

Binnen de maatwerkvoorzieningen kunnen de ‘collectief aangeboden maatwerkvoorzieningen’ nog worden onderscheiden die ondanks wat de naam doet vermoeden (weliswaar collectief aangeboden) maatwerkvoorzieningen zijn. Een voorbeeld hiervan is het collectief vervoer.

 

Artikel 12. Inhoud beschikking

De cliënt moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is het nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. In dit artikel zijn de essentialia opgenomen die in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen. Uitgangspunt van de wet is dat de cliënt een maatwerkvoorziening in ‘natura’ krijgt. Indien gewenst door de cliënt bestaat echter de mogelijkheid van het toekennen van een pgb. In de beschikking voor een maatwerkvoorziening in pgb is aanvullende informatie vastgelegd, zoals gesteld in het tweede lid.

 

Eerste lid, onder a: het beoogde resultaat is bijvoorbeeld ‘mobiliteit’ en niet ‘een scootmobiel’. Zie ook de toelichting op artikel 6, eerste lid, onder b.

Eerste lid, onder c,: onder ‘duur’ valt de termijn waarvoor is vastgesteld dat de maatwerkvoorziening noodzakelijk is voor de cliënt ter compensatie van de belemmeringen die cliënt ondervindt.

 

Het derde lid dient uitsluitend ter informatie aan de cliënt. Het college neemt niet de hoogte van de bijdrage in de kosten in de beschikking op. Dat loopt immers via het CAK, evenals de mogelijkheid van bezwaar en beroep daartegen. Zie artikel 16 en artikel 2.1.4, zesde lid, van de wet, waarin is bepaald dat de bijdrage voor een maatwerkvoorziening dan wel een pgb, met uitzondering van die voor opvang, wordt vastgesteld en voor de gemeente geïnd door het CAK. De CRvB stelt (CRvB 29-05-2013, nr. 10/6324 WMO) dat het op de weg van het college ligt om de cliënt in het besluit tot toekenning van een voorziening, waarvoor een bijdrage in de kosten is verschuldigd, genoegzaam te informeren over de verschuldigdheid van de eigen bijdrage en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening. Dit wordt opgenomen in de beschikking.

 

In het vierde lid wordt gesteld dat cliënten die een voorziening in bruikleen krijgen verstrekt, zich dienen te houden aan de voorwaarden en verplichtingen zoals deze in bruikleenovereenkomst zijn vastgelegd. De CRvB stelt (CRvB 17-05-2017, nr. 15/7135 WMO) dat als dit in de Wmo-verordening is vastgelegd, dan is het niet nakomen van de verplichtingen uit een bruikleenovereenkomst, of beëindiging hiervan door de leverancier, een grond voor intrekking.

 

Artikel 13. Regels voor pgb

Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken.

In artikel 2.3.6. lid 2 van de wet zijn de voorwaarden opgenomen waaraan de cliënt moet voldoen om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. Deze zijn:

a. de cliënt naar het oordeel van het college op eigen kracht voldoende in staat is te achten tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat is te achten de aan een pgb verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren;

b. de cliënt zich gemotiveerd op het standpunt stelt dat hij de maatwerkvoorziening als pgb wenst geleverd te krijgen;

c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

Als aan alle wettelijke voorwaarden daartoe is voldaan, kan zelfs van een verplichting van het college worden gesproken. Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de cliënt dit gemotiveerd vraagt. Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen (zie de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 103).

 

In het tweede lid wordt verwezen naar de weigeringsgronden genoemd in artikel 2.3.6, vijfde lid. Uit de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 153) en een amendement (amendement TK 2013-2014, 33841, nr. 23 Mogelijkheid tot het gedeeltelijk weigeren van het pgb) blijkt dat het college op grond van artikel 2.3.6, vijfde lid van de wet een pgb kan weigeren:

• voor zover de kosten van het betrekken van diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, van derden hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening. De situatie waarin het door de cliënt beoogde aanbod duurder is dan het aanbod van het college betekent niet bij voorbaat dat het pgb om die reden geheel geweigerd kan worden. Cliënten kunnen zelf bijbetalen wanneer het tarief van de door hen gewenste aanbieder duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Het college kan het pgb slechts weigeren voor dat gedeelte dat duurder is dan het door het college voorgestelde aanbod. Dit kan zich bijvoorbeeld voordoen doordat de gemeente vanwege inkoopvoordelen maatwerkvoorzieningen al snel goedkoper zal kunnen leveren dan wanneer iemand zelf ondersteuning inkoopt met een pgb.

• indien het college eerder een beslissing voor het verstrekken van een maatwerkvoorziening of pgb heeft herzien in verband met het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens, het niet voldoen aan de voorwaarden die verbonden zijn aan de maatwerkvoorziening of pgb of het niet of voor een ander doel gebruiken van een pgb.

 

In het tweede lid is naast deze wettelijke weigeringsgronden een aantal aanvullende weigeringsgronden opgenomen.

 

Ad a.

Geeft aan dat het in beginsel niet mogelijk is om achteraf kosten te declareren. Volgens de CRvB is de noodzaak voor het treffen van een voorziening niet langer aanwezig, als bij indiening van de aanvraag een voorziening al is gerealiseerd. Uitzondering hierop als sprake is van een acute situatie, op grond waarvan het voor een cliënt dringend noodzakelijk was een voorziening te realiseren (CRvB, 08-02-2017, nr. 15/344 WMO). Volgens de Rechtbank Oost-Brabant reikt de compensatieplicht van het college niet zover dat het college achteraf de noodzaak dient vast te stellen van voorzieningen die al vóór het moment van de aanvraag verwezenlijkt waren. Het college mag dan stellen dat er geen te compenseren beperkingen zijn op het moment van de aanvraag (zie Rechtbank Oost-Brabant 23-05-2014, nr. 13/5864 SHE).

 

Ad b.

Voorts kan, om kapitaalvernietiging te voorkomen, uitsluitend een pgb verstrekt worden, indien de voorziening waarvoor dit budget wordt verstrekt als langdurig adequaat voor de cliënt kan worden beschouwd. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een aanvraag voor een rolstoelvoorziening waarbij de verwachting is dat deze binnen de duur van de pgb niet meer adequaat zal zijn, bijvoorbeeld vanwege een progressieve aandoening of groei bij kinderen. Dit vanwege het feit dat het college de goedkoopst adequate maatwerkvoorziening verstrekt, die gericht is op het individu en langdurig adequaat moet zijn.

Bij verstrekking in natura komt de voorziening in het depot en kan deze hergebruikt worden.

 

Ad c.

Een pgb is niet mogelijk voor de betaling van een persoon die hem ondersteunt bij het beheer van het pgb. Ook mogen er van het pgb geen administratiekosten worden betaald. Dit volgt uit de memorie van toelichting bij de Wmo 2015. Hierin staat dat de eerste voorwaarde is dat het college de aanvrager in staat acht de aan het persoonsgebonden budget verbonden taken (o.a. het sluiten van overeenkomsten en het aansturen en aanspreken van de hulpverlener op zijn verplichtingen) op een verantwoorde wijze uit te voeren. Uit het onderzoek zal moeten blijken of de budgethouder aan deze voorwaarde voldoet. De aanvrager kan zich laten vertegenwoordigen door iemand uit zijn sociale netwerk, een curator, een mentor of een gemachtigde. Het is niet de bedoeling dat de gemeente de kosten van de vertegenwoordiger, zoals een bemiddelingsbureau, financiert; het persoonsgebonden budget is daar niet voor bedoeld.

 

Ad d.

De gemeente is op grond van de Wmo 2015 verantwoordelijk voor het verlenen van maatschappelijke ondersteuning. Deze ondersteuning ziet conform artikel 1.1.1 Wmo 2015 op ondersteuning bij de zelfredzaamheid en participatie in de eigen leefomgeving. De wetgever bedoeld hiermee te zeggen dat de Wmo 2015 tot doel heeft dat mensen zo lang mogelijk thuis kunnen blijven wonen. De kosten voor ondersteuning gemaakt in het buitenland betreffen geen kosten voor ondersteuning bij de zelfredzaamheid en participatie in de eigen leefomgeving welke het college zou moeten financieren. Onder de Wmo 2007 zijn een tweetal uitspraken bekend waarin een rechtbank zich over deze vraag heeft gebogen. De rechtbank Arnhem heeft in 2010 geoordeeld dat het niet de bedoeling is geweest van de wetgever om Wmo-voorzieningen buiten de landsgrenzen mogelijk te maken. Het beleid van het college dat in uitzonderingssituaties een aanvullende tegemoetkoming voor de kosten van vervoer in en naar het buitenland kan worden verstrekt, moet volgens de rechtbank worden gekwalificeerd als begunstigend, buitenwettelijk beleid. (Rechtbank Arnhem 09-03-2010, nr. AWB 09/1043). De rechtbank Breda oordeelde dat niet is beoogd dat vervoersvoorzieningen worden getroffen die gebruikt worden buiten Nederland (Rechtbank Breda 10-01-2011, nr. 09/3902 WMO).

Het college is bevoegd om ondersteuningskosten gemaakt in het buitenland te weigeren, tenzij het college hier vooraf expliciet toestemming voor heeft verleend. Denkbaar is bijvoorbeeld de situatie waarbij een meerderjarig kind met een verstandelijke beperking met de ouders meegaat op vakantie en de ouders tijdens deze vakantieperiode begeleiding bieden bij de persoonlijke verzorging. Het college bepaalt in de Beleidsregels in welke gevallen of situaties er hiervoor toestemming word gegeven.

 

Het derde tot en met het zevende lid berusten op artikel 2.1.3, tweede lid, onder b, van de wet. Hierin staat dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald op welke wijze de hoogte van een pgb wordt vastgesteld, waarbij geldt dat de hoogte toereikend moet zijn.

De maximale hoogte van een pgb is in lid 3 begrensd op de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst adequate door het college ingekochte maatwerkvoorziening in natura. Een pgb voor een hulpmiddel, woningaanpassing of een andere maatregel die tot een maatwerkvoorziening behoren, wordt indien nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering.

In het vierde lid is vastgelegd dat voor diensten onderscheid wordt gemaakt in de tarifering tussen professionals en het informele netwerk van cliënt.

Ten aanzien van het vierde lid is van belang dat in de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34) de regering heeft aangegeven dat onder dit sociale netwerk de personen uit de huiselijke kring en andere personen met wie iemand een sociale relatie onderhoudt vallen. Met dat laatste worden personen bedoeld met wie hij regelmatig contacten onderhoudt, zoals mantelzorgers, buren, (mede)leden van een vereniging etc.. Wel is de regering van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is. Overeenkomstig de huidige Wmo-praktijk met betrekking tot informele hulp wordt hierbij in ieder geval gedacht aan diensten.

Informele hulp bij hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren is minder goed denkbaar. Ingeval ook hiervoor een pgb wordt aangevraagd is het van belang dat slechts een pgb wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt (artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet).

Bij het beoordelen van de kwaliteit als bedoeld in artikel 2.3.6, tweede lid, onder c, van de wet weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het pgb wordt verstrekt (artikel 2.3.6, derde lid, van de wet).

 

Het vijfde en zesde lid bepalen de maximale hoogte van het persoonsgebonden budget voor dienstverlening.

 

In het zevende lid is bepaald dat de hoogte voor het persoonsgebonden budget voor vervoer is gebaseerd op de autokosten volgens het Nibud. Hierbij is het uitgangspunt dat 1500 kilometer op jaarbasis binnen de directe leef- en woonomgeving moet kunnen worden gereisd. Zie de toelichting bij artikel 11, tweede lid, onder c voor een aanvulling toelichting op de directe leef- en woonomgeving.

 

Artikel 14. Toezicht en handhaving

Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening regels gesteld moeten worden voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een persoonsgebonden budget, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

Het behoort tot de gemeentelijke verantwoordelijkheid misbruik van de geboden voorzieningen te voorkomen en, waar nodig, op te treden tegen onterecht gebruik van maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budgetten. Een zorgvuldig gebruik van collectieve middelen is wezenlijk voor het

draagvlak daarvan. Het college kan niet alleen bij een aanvraag, maar ook in andere stadia concrete informatie en bewijsstukken van de cliënt vragen.

Uit het onderzoek dat Erasmus Universiteit Rotterdam heeft uitgevoerd in opdracht van de gemeente naar rechtmatigheidsrisico’s binnen het sociale domein is gebleken dat voor de aanpak van de rechtmatigheidsrisico’s het van belang is hier beleid op te ontwikkelen. Voor de handhaving van het beleid wordt aanbevolen een handhavingsinstrument te ontwikkelen.

In het tweede lid is bepaald dat het college het beleidskader, met daarin de uitgangspunten en prioriteiten, voor de handhaving zal vaststellen. Dit is de basis voor het uitvoeringsplan dat het college conform het derde lid zal stellen.

In het uitvoeringsplan bepaalt het college op welke wijze de rechtmatigheidsrisico’s worden voorkomen en bestreden. Hiertoe behoort onder andere de inzet van handhavingsinstrumenten.

 

Artikel 15 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking of terugvordering

Het eerste lid betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, vierde lid, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval regels worden gesteld voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening of een pgb, alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet.

Het behoort tot de gemeentelijke verantwoordelijkheid misbruik van de geboden voorzieningen te voorkomen en, waar nodig, op te treden tegen onterecht gebruik van maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budgetten. Een zorgvuldig gebruik van collectieve middelen is wezenlijk voor het draagvlak daarvan. Het college kan niet alleen bij een aanvraag, maar ook in andere stadia concrete informatie en bewijsstukken van de cliënt vragen.

 

In artikel 2.4.1 tot en met 2.4.4 van de wet zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het (in geldswaarde) terugvorderen van een ten onrechte verstrekte maatwerkvoorziening of pgb. Hierbij is tevens bepaald dat het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel kan invorderen. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.4.1 (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 157) wordt duidelijk dat daarnaast de mogelijkheid blijft bestaan om maatwerkvoorzieningen terug te vorderen; ‘omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt.’

  

HOOFDSTUK 4: Bijdrage in de kosten

 

Artikel 16. Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen

Deze bepaling geeft uitvoering aan de artikelen 2.1.4, eerste tot en met derde en zevende lid, en 2.1.5, eerste lid van de wet.

In het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 worden regels vastgesteld met betrekking tot deze bijdragen (artikel 2.1.4, vierde lid, van de wet). Per 1 januari 2019 is het besluit zo gewijzigd dat een maximale bijdrage van € 17,50 per vier weken voor maatwerkvoorzieningen per 1 januari 2019 van kracht is.

De bijdrageregels in de Verordening passen binnen de kaders die het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 stelt.

Er wordt een verschil gemaakt tussen enerzijds huishoudelijke ondersteuning en anderzijds begeleiding en persoonlijke verzorging omdat de kosten voor begeleiding en persoonlijke verzorging voor mensen niet te betalen is als de kostprijs wordt gevraagd. De kostprijs voor de ze maatwerkvoorzieningen is gebaseerd op de tarieven binnen de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten werden gehandhaafd. De bijdragen in de kosten van huishoudelijke ondersteuning zijn gelimiteerd tot een bedrag gelijk aan de kostprijs van de voorziening (artikel 2.1.4, derde lid, eerste zin, van de wet).

Voor zorgmijders bestaat de mogelijkheid de eigen bijdrage de eerste 6 maanden van hulpverlening niet te innen. Dit betreft zorgmijdende cliënten waarvoor Bemoeizorg om Wmo-ondersteuning vraagt en waarvan zij het nodig acht dat het niet innen van de eigen bijdrage noodzakelijk is. Dit volgt uit het Besluit van 6 december 2017 (Stb. 2017, nr. 481) waarin een wijziging van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is opgenomen voor een verruiming van de gemeentelijke beleidsruimte bij het opleggen van de bijdrage voor een cliënt. Een cliënt is geen bijdrage in de kosten verschuldigd indien het college van oordeel is dat:

  • 1.

    er voor de vast te stellen bijdrage onvoldoende betalingscapaciteit aanwezig is bij de cliënt;

  • 2.

    de verschuldigdheid van de bijdrage nadelige gevolgen heeft voor de doelstellingen van een integrale dienstverlening of persoonsgerichte aanpak van een cliënt die gericht is op het zich kunnen handhaven in de samenleving, het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving blijven of de veiligheid en leefbaarheid in de gemeente.

    In de toelichting op het wijzigingsbesluit is opgenomen dat middels dit besluit wordt geregeld dat het college de bevoegdheid heeft de bijdrage voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget (niet zijnde opvang en beschermd wonen in natura) in een individueel geval op nihil te laten vaststellen in situaties dat het opleggen van die bijdrage niet kan vanwege het (tijdelijk) ontbreken

    van betalingscapaciteit of wanneer de verschuldigdheid van de bijdrage nadelig is voor een persoonsgerichte aanpak om bepaalde specifieke doelgroepen mee te laten doen in de samenleving.

    In het verlengde hiervan is in het artikel vastgelegd dat individuele begeleiding die wordt verstrekt in de vorm van het waakvlamcontact (dat wil zeggen een lichte vorm van begeleiding om de situatie te monitoren) wordt vrijgesteld van de eigen bijdrage.

  

HOOFDSTUK 5: Kwaliteit en veiligheid

 

Artikel 17. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder. Het is aan de gemeente om in de verordening te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. Die eisen zullen ook betrekking kunnen hebben op de deskundigheid van het in te schakelen personeel. De regering benadrukt in de memorie van toelichting op artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3) dat de kwaliteitseisen die zijn vervat in de artikelen 3.1 e.v. van de wet en die zich rechtstreeks tot aanbieders richten, daarbij uitgangspunt zijn. De eis dat een voorziening van goede kwaliteit wordt verleend, biedt veel ruimte voor de gemeenten om in overleg met organisaties van cliënten en aanbieders te werken aan kwaliteitsstandaarden voor de ondersteuning.

 

In het eerste lid zijn een aantal voor de hand liggende kwaliteitseisen uitgewerkt. Overige eisen zijn gewaarborgd in het inkooptraject voor de maatwerkvoorzieningen.

 

Het in het derde lid genoemde jaarlijkse cliëntervaringsonderzoek is verplicht op grond van artikel 2.5.1, eerste lid, van de wet.

 

Artikel 18. Toezichthouder

Op grond van artikel 6.1, eerste lid, van de wet, heeft het college een toezichthouder kwaliteit aangewezen die belast is met het houden van toezicht en de naleving van het bepaalde bij de Wmo, te weten GGD Rotterdam.

 

Om de toezichthouder in staat te stellen meldingen goed te onderzoeken en het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld effectief te doen zijn, worden regels gesteld over het bij de toezichthouders melden van calamiteiten en geweld jegens cliënten; in die regels zal het met name gaan om het ‘handen en voeten’ geven aan de meldplicht. In aanvulling hierop is in het tweede lid vastgelegd dat aanbieders actief melding maken bij deze toezichthouder in het geval van calamiteiten en geweld. Aanbieders dienen aan de toezichthouder alle medewerking te verlenen die hij redelijkerwijs kan vragen bij de uitoefening zijn bevoegdheden. In artikel 6.1, tweede lid, van de wet, is vastgelegd dat de toezichthouder voor zover de vervulling van zijn taak dit noodzakelijk maakt, bevoegd is tot inzage van dossiers. Indien de verkregen informatie gegevens bevat waarvan de beroepskracht uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding verplicht is, geldt deze geheimhoudingsverplichting ook voor de toezichthouder, zoals opgenomen in artikel 6.1, derde lid, van de wet.

 

Artikel 19. Verhouding prijs en kwaliteit levering dienst door derden

Het college kan besluiten de uitvoering van de Wmo 2015 door derden te laten verrichten. Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit van diezelfde voorziening, verplicht artikel 2.6.6 van de Wmo 2015 de gemeenteraad hierover regels te stellen in de verordening. Bij het stellen van die regels moet door de gemeenteraad rekening worden gehouden met de vereiste deskundigheid van het in te schakelen personeel en de arbeidsvoorwaarden van dat personeel. In voorbereiding op de opdrachtverlening aan derden, moet het college daarom ten minste een inschatting maken van een reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders wil laten uitvoeren. Welke uitgangspunten het college hanteert bij deze schatting van een reële kostprijs, is aan het college, zo staat verwoord in de memorie van toelichting op de Wmo 2015. In het tweede lid van artikel 2.6.6 is vastgelegd dat bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels kunnen worden gesteld om deze verplichting van de gemeenteraad en het college nader te kunnen concretiseren.

 

De gemeente dient een reële prijs te betalen voor een Wmo- dienst, waarmee de aanbieder kan voldoen aan de gemeentelijke eisen aan de kwaliteit en continuïteit van deze dienst en de aanbieder kan voldoen aan de arbeidsrechtelijke verplichtingen aan de beroepskracht die deze dienst verleent aan de cliënt. De prijs die het college betaalt voor een dienst moet het ten minste mogelijk maken dat een aanbieder kan voldoen aan de door de gemeenteraad gestelde eisen aan de kwaliteit en deskundigheid en continuïteit kan leveren in de dienstverlening aan de cliënt en kan voldoen aan de kwaliteitseisen die op grond van artikel 3.1 van de Wmo 2015 op de aanbieder zien, zoals het veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht werken, afgestemd op de behoeften van de cliënt en op andere vormen van zorg of hulp die de cliënt ontvangt.

 

De gemeenteraad dient in ieder geval in de verordening vast te leggen dat het college een reële prijs vaststelt voor Wmo- diensten. De reële prijs geldt als ondergrens voor het geval het college een vaste prijs hanteert voor aanmeldingen en dienstverlening van aanbieders of als het college een minimumprijs instelt voor aanmelding en dienstverlening van aanbieders.

Het college dient een reële prijs vast te stellen overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van de dienst. Het college dient tevens bij de vaststelling van een reële prijs rekening te houden met de continuïteit in de hulpverlening. Dit met het oog op de effectiviteit van de inzet van maatschappelijke hulp en de resultaten op het gebied van versterking van de zelfredzaamheid en participatie van de cliënt.

 

Een reële prijs bestaat uit zogenoemde kostprijselementen. Een reële prijs wordt gedefinieerd en geconcretiseerd, zodat kan worden beoordeeld of in redelijkheid de kostprijselementen zijn verdisconteerd in een reële prijs.

 

Het college kent een contractvrijheid. Het college dient toe te zien op alle opdrachten die door hen worden verleend voor diensten door derden in het kader van de Wmo 2015 (zie Gemeentewet). De bestaande praktijk bestaat uit aanbieders die medewerkers in dienst hebben, beroepskrachten die als zelfstandigen zonder personeel diensten verrichten voor aanbieders en zelfstandigen zonder personeel die zich persoonlijk jegens de gemeente tot het verlenen van een dienst hebben verbonden. In het laatste geval is de zelfstandige de aanbieder.

 

Het college is verantwoordelijk voor een gelijk speelveld voor aanbieders en een eerlijke kans voor aanbieders op het verkrijgen van opdrachten voor het verlenen van diensten van maatschappelijke ondersteuning. Dit is gewaarborgd in het inkooptraject open-house.

 

Een zorgvuldig inkoopproces vraagt inzicht in de reële kosten die aanbieders van maatschappelijke ondersteuning maken bij het verlenen van diensten die voldoen aan de gestelde eisen op het gebied van kwaliteit van de voorziening en de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht. Van aanbieders wordt verwacht dat zij kwalitatief goede hulp bieden, rekening houden met de continuïteit van de ondersteuning, handelen in lijn met de uitgangspunten van goed werkgeverschap, de Wet werk en zekerheid, de Wet normering topinkomens en handelen naar de afspraken die zijn gemaakt in het sociaal akkoord tussen werkgevers, werknemers en de regering. Aanbieders zijn tevens gehouden aan de regels van de Mededingingswet. De Autoriteit Consument en Markt (ACM) controleert of aanbieders de concurrentie beperken. Bij overtreding kan de ACM een boete of andere straf opleggen.

 

In hoofdzaak gaat het erom dat het college tot een reële prijs komt in relatie tot de kwaliteit en deskundigheid. Dit vraagt om een zorgvuldig proces van de zijde van de gemeente en openheid van aanbieders over de kosten die zij maken bij het leveren van een dienst.

Het toepassen van innovatie om nieuwe ondersteuningsvormen voor cliënten mogelijk te maken is een belangrijke opdracht voor gemeenten die voortvloeit uit de Wmo 2015. Bij het vaststellen van de kwaliteitseisen voor een voorziening, waarop de reële prijs is gebaseerd, wordt het kostprijselement «loon», gebaseerd op de geldende arbeidsvoorwaarden. Met overige kostprijselementen, zoals «overhead», kan het college de beleidsruimte benutten om te komen tot innovatie (zowel kwalitatief als kwantitatief). Hierbij valt te denken aan het samenstellen van nieuwe innovatieve diensten. De keuzes die gemeenten maken op het gebied van innovatie en de ontwikkeling van nieuwe ondersteuningsvormen verschillen van gemeente tot gemeente. Differentiatie in het ondersteuningsaanbod is beoogd met de Wmo 2015 en leidt tot verschillende prijzen voor verschillende voorzieningen/diensten. Op basis van een reële prijs kunnen ook andere financieringsvormen overeengekomen worden, zoals resultaatfinanciering of populatiebekostiging. Ook in die gevallen zal een prijs moeten worden vastgesteld op basis van reële kostprijselementen.

 

Artikel 20. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

 

Algemeen:

Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door derden (aanbieders) laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de arbeidsvoorwaarden en de op grond van artikel 2.6.6, tweede lid, gestelde nadere regels in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

Met artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 is die nadere invulling gegeven aan de verplichting van artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet om bij verordening regels te stellen ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Het artikel bepaalt aan welke eisen ten minste moet worden voldaan om een goede prijs-kwaliteitverhouding te borgen. Gemeenten kunnen meer zaken hieromtrent regelen; een uitputtende regeling is in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 niet bedoeld.

 

Het vaststellen van een reële prijs door het college sorteert pas effect als duidelijk is voor welk proces het college die prijs dient te gebruiken. De vastgestelde reële prijs dient daartoe zijn plaats te krijgen in de aanbestedingsprocedure en in de overeenkomst met de derde. Er moet na gunning nog een overeenkomst met de betrokken ondernemer worden gesloten. De mededeling van de gunningsbeslissing betekent immers nog niet dat een overeenkomst tot stand is gekomen (zie ook artikel 2:129 van de Aanbestedingswet 2012). Het college dient op grond van artikel 2.114, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012 en artikel 2.6.4, tweede lid, van de wet, de overheidsopdracht te gunnen op grond van het criterium van de economisch meest voordelige inschrijving. Overigens kan het college in afwijking van artikel 2.114, tweede lid, van de Aanbestedingswet 2012 een overheidsopdracht niet enkel op grond van het criterium de laagste prijs gunnen (artikel 2.6.4, derde lid, van de wet). Het college moet bij het criterium “economisch meest voordelige inschrijving” in de aankondiging van de opdracht bekendmaken welke nadere criteria hij toepast met het oog op de toepassing van dat criterium (artikel 2:115 van de Aanbestedingswet 2012). Die nadere criteria kunnen onder meer prijs en kwaliteit betreffen. De toepassing van het criterium “prijs” betekent dat de inschrijving met de laagste prijs het beste scoort op dat criterium. De vastgestelde reële prijs wordt opgenomen in de aankondiging of de aanbestedingsstukken als eis zodat een inschrijving geen prijs bevat die lager is dan de vastgestelde reële prijs. De vaststelling van de reële prijs betreft een besluit van het college ter voorbereiding op een privaatrechtelijke rechtshandeling (gunningsbeschikking) waartegen geen beroep kan worden ingesteld (artikel 8:3 van de Awb). De reguliere rechtsbescherming bij aanbestedingsprocedures staat uiteraard gewoon open. Aan dit besluit moet een zorgvuldige afweging ten grondslag liggen (artikel 3:4 van de Awb). De inschrijvingen die niet voldoen aan de eis van de reële prijs zijn ongeldig. Het college dient ongeldige inschrijvingen ter zijde te leggen, de betrokken ondernemers komen niet meer in aanmerking voor de gunning. Het artikel vormt dus een toetsingskader voor het gunnen van de overheidsopdracht voor maatschappelijke ondersteuning en vult deze bevoegdheden op grond van de Aanbestedingswet 2012 nader in op grond van artikelen 2.6.4 en 2.6.6 van de wet. Het is dus van belang om de reële prijs goed en objectief te onderbouwen. Deze artikelen vormen een lex specialis ten opzichte van de algemene bevoegdheden van de Aanbestedingswet 2012. Artikel 5.4 maakt geen onderscheid tussen diensten in het kader van een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening.

  

HOOFDSTUK 6: Beschermd wonen en opvang

 

Artikel 21. Beschermd wonen en opvang

De gemeente heeft gelet op de bepalingen in artikel 10 van de Algemene wet bestuursrecht en in de Wmo 2015, in het bijzonder de bepalingen inzake de afhandeling van aanvragen voor beschermd wonen als gedefinieerd omschreven in artikel 1.1.1, eerste lid van de wet (en de geldende verordening) besloten dat de gemeente Rotterdam Centrumgemeente in het kader van de wet de taken op het gebied van beschermd wonen uitvoert voor inwoners van Rotterdam en de gemeente Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel, Albrandswaard, Barendrecht, Ridderkerk en Lansingerland (hierna: de regiogemeenten). De gemeente Rotterdam ontvangt als Centrumgemeente middelen om samen met de regiogemeenten in deze gemeenten te zorgen voor de invulling van beschermd wonen en opvang voor die burgers die daarvoor in aanmerking komen in het kader van de wet.

De regiogemeenten en de Centrumgemeente hebben hiervoor de nodige samenwerkingsafspraken gemaakt, die voor de periode 2018-2020 zijn vastgelegd in een regionaal beleidsplan. Op basis van deze samenwerkingsafspraken en de door de regiogemeenten genomen mandaat- en machtingsbesluiten voert het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam in mandaat het beleid en de regels voor toekenning van de voorzieningen op het gebied van beschermd wonen uit. Onderdeel van die samenwerkingsafspraken is dat bij de afhandeling van de aanvragen voor beschermd wonen in de regiogemeenten, zo veel mogelijk het beleid van de gemeente Rotterdam wordt gevolgd om zo de rechtsgelijkheid te bevorderen en te vermijden dat gelijke gevallen leiden tot verschillende uitkomsten per gemeente. Het wordt beoogd deze praktijk te formaliseren door in de verordeningen van de regiogemeenten de relevante bepalingen uit de Rotterdamse regelgeving over beschermd wonen op te nemen.

  

HOOFDSTUK 7: Waardering mantelzorgers en tegemoetkoming meerkosten

 

Artikel 22. Jaarlijkse waardering mantelzorgers

Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van de wet. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen.

 

De Stichting Welzijn Capelle (SWC) heeft van de gemeente de opdracht gekregen de mantelzorgwaardering in onze gemeente vorm te geven. De mantelzorgpas van de SWC is een middel om mantelzorgers te waarderen. De waardering bestaat uit het beschikbaar stellen van een vrij te besteden bedrag en het verkrijgen van korting bij op de pas aangesloten ondernemers.

 

Artikel 23. Tegemoetkoming meerkosten personen met een beperking of chronische problemen

Deze bepaling betreft de uitwerking van artikel 2.1.7 van de wet waarin ter gedeeltelijke vervanging van de voormalige Wtcg en CER is opgenomen dat bij verordening kan worden bepaald dat het college kan besluiten aan een persoon met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen en noodzakelijke meerkosten hebben in deze meerkosten tegemoet te komen.

In het eerste lid is opgenomen dat er geen financiële tegemoetkoming in de meerkosten wordt verstrekt aan personen met een beperking of chronisch probleem. Om personen met een beperking of chronisch probleem toch tegemoet te komen is in het tweede lid opgenomen dat zij (deels) kunnen worden gecompenseerd in de meerkosten door de aanvullende collectieve zorgverzekering van de IJsselgemeenten. Om hiervoor in aanmerking te komen gelden criteria die door de IJsselgemeenten zijn opgesteld.

     

HOOFDSTUK 8: Klachten, medezeggenschap en inspraak

 

Artikel 24. Klachtregeling

De gemeente is op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn.

 

In het eerste lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen. Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van artikel 2.1.3, tweede lid, onder d, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder a, van de wet).

In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder).

Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open.

 

In het tweede lid zijn een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot naleving van de klachtregelingen door aanbieders goed wordt uitgevoerd.

 

Artikel 25. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3., tweede lid onder e van de wet, waarin is vastgelegd dat in iedere geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling vereist is voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de cliënten van belang zijn. In dit artikel gaat het dus over medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Onder de Wmo 2015 is het stellen van regels voor welke voorzieningen dit geldt aan de gemeenten overgelaten.

In het eerste lid is opgenomen dat dit geldt voor alle voorzieningen en in het tweede lid zijn een tweetal instrumenten opgenomen waarmee het college kan toezien op de naleving van de verplichting tot medezeggenschap.

 

Artikel 26. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet.

 

Er is verwezen naar de Verordening Adviesraad sociaal domein Capelle aan den IJssel. Op deze manier wordt gewaarborgd dat er eenzelfde inspraakprocedure geldt voor het Wmo-beleid als op andere terreinen binnen het sociaal domein. De inspraak geldt voor alle ingezetenen. Dit is uitdrukkelijk de bedoeling van de wetgever, omdat iedereen op enig moment aangewezen kan raken op ondersteuning.

  

HOOFDSTUK 9: Overgangsrecht en slotbepalingen

 

Artikel 27. Nadere regels en hardheidsclausule

Juist omdat het in de Wmo om maatwerk gaat zal het college er niet aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te verwachten is, Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke beoordeling. Als desondanks die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan de aanvrager ook een beroep doen op deze clausule. Wordt de hardheidsclausule vaker voor één onderwerp gebruikt dan kan men zich afvragen of het beleid ter zake niet aangepast zou moeten worden.

 

Artikel 28. Intrekking oude Verordening en overgangsrecht

In dit artikel is het overgangsrecht op gemeentelijk niveau geregeld. In het tweede lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden.