Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Elburg

Verordening rioolheffing 2019

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieElburg
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening rioolheffing 2019
CiteertitelVerordening rioolheffing 2019
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerpbelastingen

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

artikel 228a van de Gemeentewet

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

28-12-2018nieuwe regeling

17-12-2018

gmb-2018-262190

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening rioolheffing 2019

De raad van de gemeente Elburg;

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 6 november 2018;

gelet op artikel 228a van de Gemeentewet;

besluit:

vast te stellen de volgende verordening: ‘Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2019’.

 

 

Artikel 1. Begripsomschrijvingen

Deze verordening verstaat onder:

a. perceel: een roerende of onroerende zaak of een zelfstandig gedeelte daarvan;

b. gemeentelijke riolering: een voorziening of combinatie van voorzieningen voor inzameling, verwerking, zuivering of transport van afvalwater, hemelwater of grondwater, in eigendom, in beheer of in onderhoud bij de gemeente;

c. verbruiksperiode: de periode waarop de afrekening van het waterbedrijf betrekking heeft;

d. water: huishoudelijk afvalwater, bedrijfsafvalwater, hemelwater, grondwater of oppervlaktewater.

 

Artikel 2. Aard van de belasting

Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan:

a. de inzameling en het transport van huishoudelijk afvalwater en bedrijfsafvalwater, alsmede de zuivering van huishoudelijk afvalwater; en

b. de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

 

Artikel 3. Belastbaar feit en belastingplicht

1. De belasting wordt geheven van de gebruiker van een perceel van waaruit water direct of indirect op de gemeentelijke riolering wordt afgevoerd, verder te noemen: gebruikersdeel.

2. Met betrekking tot het gebruikersdeel, wordt als gebruiker aangemerkt:

a. degene die naar de omstandigheden beoordeelt het perceel al dan niet krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht gebruikt;

b. ingeval een gedeelte van een perceel – niet een gedeelte als bedoeld in artikel 4 – voor gebruik is afgestaan: degene die dat gedeelte voor gebruik heeft afgestaan.

 

Artikel 4. Zelfstandige gedeelten

Indien gedeelten van een in artikel 3 bedoeld perceel blijkens hun indeling bestemd zijn om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt, wordt de belasting geheven ter zake van elk als zodanig bestemd gedeelte, met dien verstande dat indien twee of meer van die gedeelten tezamen als een geheel worden gebruikt, deze als één perceel worden aangemerkt.

 

Artikel 5. Maatstaf van heffing

1. De belasting wordt geheven naar een vast bedrag per perceel dat uitsluitend in gebruik is als een woning.

2. De belasting wordt geheven naar een vast bedrag per perceel waarvan enkel hemelwater afvloeit. Met dien verstande dat voor een perceel dat dienstbaar is aan een woning (een zelfstandig WOZ-object met de objectsoortcode 1700 en 1800) geen aanslag wordt opgelegd.

3. De belasting wordt geheven naar het aantal kubieke meters afvalwater per perceel dat vanuit het perceel wordt afgevoerd dat niet of niet uitsluitend in gebruik is als woning.

4. Het aantal kubieke meters afvalwater bedoeld onder lid 3 wordt gesteld op het aantal kubieke meters dat in de laatste aan het begin van het belastingjaar voorafgaande verbruiksperiode naar het perceel is toegevoerd of opgepompt. Ingeval de verbruiksperiode niet gelijk is aan een periode van twaalf maanden, wordt de hoeveelheid water door herleiding naar tijdsgelang bepaald. Bij die herleiding wordt een gedeelte van een kalendermaand voor een volle maand gerekend.

5. Het aantal kubieke meters water wordt verkregen door de verbruiksgegevens op te vragen bij de watermaatschappij die deze gegevens registreert en/of door middel van een door de belastingplichtige in te vullen aangifte.

6. De op de voet van het derde lid berekende hoeveelheid toegevoerd of opgepompt water wordt verminderd met de hoeveelheid water die niet is afgevoerd.

 

Artikel 6. Belastingtarieven

1. Het tarief voor het gebruikersdeel voor een perceel direct of indirect aangesloten op de gemeentelijke riolering en uitsluitend in gebruik als woning bedraagt: € 199,92.

2. Het tarief voor het gebruikersdeel voor een perceel waarvan enkel hemelwater afvloeit en welke gecategoriseerd is als een volkstuin met opstal (objectsoortcode 3210 in het kader van de Wet WOZ) bedraagt: € 50,40.

3. Het tarief voor het gebruikersdeel voor een perceel waarvan enkel hemelwater afvloeit en dienstbaar is aan een niet-woning (objectsoortcode beginnend met een 3 in het kader van de Wet WOZ met uitzondering van de objecten genoemd onder lid 2) bedraagt: € 100,80.

4. Het tarief voor het gebruikersdeel voor een perceel direct of indirect aangesloten op de gemeentelijke riolering en niet of niet uitsluitend in gebruik als een woning bedraagt voor elke volle eenheid van 200 kubieke meters water, bij een hoeveelheid water:

a. van 0 m³ tot en met 200 m³: € 199,92;

b. van 201 m³ tot en met 50.000 m³: € 153,60;

c. van 50.001 m³ tot en met 150.000 m³: € 142,20;

d. van 150.001 m³ tot en met 250.000 m³: € 114,60;

e. van 250.001 m³ of meer: € 94,20.

 

Artikel 7. Belastingjaar

Het belastingjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

 

Artikel 8. Wijze van heffing

De belasting wordt bij wege van aanslag geheven.

 

Artikel 9. Ontstaan van de belastingschuld en heffing naar tijdsgelang

1. De belasting is verschuldigd bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht.

2. Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel in de loop van het belastingjaar aanvangt, is de belasting verschuldigd over zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde deel als er in dat jaar, na de aanvang van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

3. Indien de belastingplicht met betrekking tot het perceel in de loop van het belastingjaar eindigt, bestaat aanspraak op ontheffing voor zoveel twaalfde gedeelten van het voor dat jaar verschuldigde deel als er in dat jaar, na het einde van de belastingplicht, nog volle kalendermaanden overblijven.

4. Het tweede en derde lid zijn niet van toepassing indien de belastingplichtige binnen de gemeente verhuist en aldaar een ander perceel in gebruik neemt.

 

Artikel 10. Termijnen van betaling

1. In afwijking van artikel 9, eerste lid, van de Invorderingswet 1990 moet een aanslag worden betaald in twee gelijke termijnen waarvan de eerste vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en de tweede twee maanden later.

2. In afwijking in zoverre van het eerste lid geldt, in geval het totaalbedrag van de op één aanslagbiljet verenigde aanslagen, of als het aanslagbiljet maar één aanslag bevat het bedrag daarvan, zolang de verschuldigde bedragen door middel van automatische betalingsincasso kunnen worden afgeschreven, dat de aanslagen moeten worden betaald in acht gelijke termijnen. De eerste termijn vervalt op de laatste dag van de maand volgend op de maand die in de dagtekening van het aanslagbiljet is vermeld en elk van de volgende termijnen telkens een maand later.

3. Indien de verschuldigde bedragen als genoemd in het tweede lid driemaal achtereen niet kunnen worden geïncasseerd vervalt voor het betreffende aanslagbiljet de mogelijkheid tot automatische incasso en gelden de betaaltermijnen zoals genoemd in het eerste lid, of de termijnen die de invorderingsambtenaar vaststelt.

4. De Algemene Termijnenwet is niet van toepassing op de in voorgaande leden gestelde termijnen.

 

Artikel 11. Nadere regels door het college van burgemeester en wethouders

Het college van burgemeester en wethouders kan nadere regels geven met betrekking tot de heffing en de invordering van de rioolheffing.

 

Artikel 12. Inwerkingtreding, overgangsrecht en citeertitel

1. Deze verordening treedt in werking met ingang van de eerste dag na die van de bekendmaking.

2. De datum van ingang van de heffing is 1 januari 2019.

3. De ‘Verordening op de heffing en invordering van rioolheffing 2018’ van 18 december 2017, wordt ingetrokken met ingang van de in het tweede lid genoemde datum van ingang van de heffing, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voor die datum hebben voorgedaan.

4. Deze verordening wordt aangehaald als: ‘Verordening rioolheffing 2019’.

 

 

 

Aldus vastgesteld in de openbare raadsvergadering van 17 december 2018.

De voorzitter, ir. J.N. Rozendaal

De griffier, mr. ir. M.C. Luiting