Regeling vervallen per 01-07-2021

Verordening individuele inkomenstoeslag 2015 GR Ferm Werk.

Geldend van 04-01-2017 t/m 30-06-2021 met terugwerkende kracht vanaf 01-01-2017

Intitulé

Verordening individuele inkomenstoeslag 2015

Het algemeen bestuur van Ferm Werk

  • -

    gelezen het voorstel van het dagelijks bestuur van 11 december 2014;

  • -

    gelet op artikel 8, eerste lid, onderdeel c, en derde lid, van de Participatiewet;

  • -

    gezien de zienswijze van:

  • -

    de gemeenteraad van de gemeente Woerden d.d. 10 november 2014,

  • -

    de gemeenteraad van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk d.d. 17 december 2014,

  • -

    de gemeenteraad van de gemeente Montfoort d.d. 15 december 2014,

  • -

    de gemeenteraad van de gemeente Oudewater d.d. 23 oktober 2014,

en het advies van de:

  • -

    Regionale adviesraad Werk en Bijstand d.d. 15 november 2014,

  • -

    Stichting Puree d.d. 18 november 2014,

  • -

    Participatieraad gemeente Montfoort d.d. 23 oktober 2014,

besluit vast te stellen de

Verordening individuele inkomenstoeslag2015 GR Ferm Werk

Artikel 1. Begrippen

Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en de Gemeentewet. In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    algemeen bestuur: algemeen bestuur van Ferm Werk;

  • b.

    dagelijks bestuur: dagelijks bestuur van Ferm Werk;

  • c.

    inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet, en de algemene bijstand;

  • d.

    bijstandsnorm: toepasselijke bijstandsnorm als bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de Participatiewet;

  • e.

    peildatum: datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt;

  • f.

    referteperiode: periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum.

Artikel 2. Indienen verzoek

Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, wordt ingediend middels een door de Algemeen Directeur Ferm Werk vastgesteld formulier.

Artikel 3. Langdurig laag inkomen

  • 1. Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen gemiddeld niet hoger is dan 110 procent van de toepasselijke bijstandsnorm.

  • 2. Het dagelijks bestuur kan afwijken van het gesteld in lid 1 als strikte toepassing in het individuele geval leidt tot een onbillijke of onredelijke situatie.

Artikel 4. Hoogte individuele inkomenstoeslag

  • 1. De hoogte van de individuele inkomenstoeslag bedraagt per 31 december 2016 per kalenderjaar:

    • a.

      € 378,00 voor een alleenstaande;

    • b.

      € 483,00 voor een alleenstaande ouder met uitsluitend ten laste komende kinderen tot 12 jaar;

    • c.

      € 534,00 voor een alleenstaande ouder met tenminste één ten laste komend kind vanaf 12 jaar;

    • d.

      € 534,00 voor gehuwden zonder kinderen;

    • e.

      € 584,00 voor gehuwden met uitsluitend ten laste komende kinderen tot 12 jaar;

    • f.

      € 634,00 voor gehuwden met tenminste één ten laste komend kind vanaf 12 jaar

  • 2. Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet, komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden.

  • 3. Voor toepassing van het eerste en tweede lid is de situatie op de peildatum bepalend.

  • 4. De bedragen genoemd in het eerste lid worden jaarlijks geïndexeerd overeenkomstig de ontwikkelingen van de consumentenprijsindex volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. De bedragen worden naar boven afgerond op hele euro’s.

Artikel 5. Intrekken oude verordening

De

  • -

    Verordening langdurigheidstoeslag 2012-A gemeente Woerden;

  • -

    Verordening Langdurigheidstoeslag 2013 Gemeente Bodegraven-Reeuwijk;

  • -

    Verordening langdurigheidstoeslag 2009 Gemeente Montfoort;

  • -

    Verordening langdurigheidstoeslag 2012 gemeente Oudewater;

vastgesteld in de vergadering van het algemeen bestuur d.d. 7 februari 2014, worden ingetrokken per 1 januari 2015.

Artikel 6 Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele inkomenstoeslag 2015 GR Ferm Werk.

Algemene toelichting

Bestuursorganen

Op grond van artikel 5 lid 2 van de Gemeenschappelijke Regeling (GR) Ferm Werk hebben de raden en de colleges van burgemeester en wethouders hun bevoegdheden overgedragen aan de betreffende bestuursorganen van de GR Ferm Werk. Om die reden wordt in deze verordening gesproken over het algemeen bestuur waar het gaat om een bevoegdheid van de gemeenteraad en over dagelijks bestuur waar het gaat om een bevoegdheid van het college.

Achtergrond

Aan de bijstand ligt het uitgangspunt ten grondslag dat het normbedrag, bedoeld ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan met inbegrip van een component reservering, in beginsel toereikend is. Toch kan de financiële positie van mensen die langdurig op een minimuminkomen zijn aangewezen onder druk komen te staan als er na verloop van tijd geen enkel perspectief lijkt te zijn om door inkomen uit arbeid het inkomen te verhogen. Om die reden is bij de invoering van de Wet werk en bijstand (hierna: WWB) in 2004 de langdurigheidstoeslag in het leven geroepen. Sinds 1 januari 2009 is de langdurigheidstoeslag gedecentraliseerd. Ook is de langdurigheidstoeslag sinds die datum een bijzondere vorm van (categoriale) bijzondere bijstand.

Wijziging per 1 januari 2015

Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag. Het verlenen van de toeslag is dan geen gebonden bevoegdheid meer, maar een discretionaire bevoegdheid. Dit betekent dat het dagelijks bestuur een individuele inkomenstoeslag kan verlenen als een persoon voldoet aan de voorwaarden daarvoor. Het dagelijks bestuur kan in beleidsregels aangeven welke groepen niet in aanmerking komen voor individuele inkomenstoeslag en in welke gevallen personen uitzicht hebben op inkomensverbetering. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan personen aan wie in de referteperiode een maatregel is opgelegd wegens een schending van een arbeidsverplichting of een re-integratieverplichting of aan personen die uit 's Rijks kas bekostigd onderwijs volgen.

Vast te leggen regels in verordening

De individuele inkomenstoeslag is niet gerelateerd aan bepaalde kosten. Het is een inkomensondersteunende maatregel voor bepaalde personen die langdurig een laag inkomen hebben en daarbij, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht hebben op inkomensverbetering (artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet). Bij verordening moeten regels vastgesteld worden over het verlenen van een individuele inkomenstoeslag als bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet. Deze regels moeten in ieder geval betrekking hebben op de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begrippen ‘langdurig’ en ‘laag inkomen’. Op grond van deze verordening is geen sprake van een laag inkomen bij een inkomen hoger dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm. Daarnaast moet bij verordening de hoogte van de individuele inkomenstoeslag bepaald worden. Het dagelijks bestuur kan in (wetsinterpreterende) beleidsregels aangeven wanneer sprake is van 'geen uitzicht op inkomensverbetering'. Gelet op de tekst van artikel 8, tweede lid, van de Participatiewet hoeft dit criterium niet te worden vastgelegd in de verordening. Bij de beoordeling van het criterium 'geen uitzicht op inkomensverbetering' moet het dagelijks bestuur rekening houden met de omstandigheden van de persoon. In artikel 36, tweede lid, van de Participatiewet is bepaald dat tot die omstandigheden in ieder geval worden gerekend:

  • -

    de krachten en bekwaamheden van de persoon, en

  • -

    de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen.

Overgangsrecht

Per 1 januari 2015 vervangt de individuele inkomenstoeslag de langdurigheidstoeslag. Het is niet nodig om in deze verordening overgangsrecht op te nemen met betrekking tot eerder verstrekte langdurigheidstoeslagen, omdat artikel 78z van de Participatiewet voorziet in algemeen overgangsrecht met betrekking tot de wijzigingen in de Participatiewet als gevolg van de inwerkingtreding van de Invoeringswet Participatiewet en de Wet maatregelen WWB op 1 januari 2015. De individuele inkomenstoeslag en voorheen de langdurigheidstoeslag worden immers toegekend tegen een peildatum. Zaken die na de peildatum gebeuren hebben geen betekenis voor het recht op een dergelijke toeslag. Wie op een datum gelegen vóór 1 januari 2015 op basis van de toepasselijke verordening recht had op langdurigheidstoeslag, behoudt dat onverkort, ongeacht of hij voldoet aan de voorwaarden die per 1 januari 2015 zijn gesteld in artikel 36 van de Participatiewet en deze verordening. Toekenning van het recht op individuele inkomenstoeslag tegen een datum gelegen op of ná 1 januari 2015 is uitsluitend mogelijk als wordt voldaan aan de in artikel 36 van de Participatiewet en deze verordening opgenomen voorwaarden.

Wijziging leefvorm

De leefvorm (alleenstaande, alleenstaande ouder of gehuwd) van een persoon kan wijzigen binnen de referteperiode. Dit is bijvoorbeeld het geval indien gehuwden individuele inkomenstoeslag aanvragen, maar zij over een gedeelte van de referteperiode als alleenstaande moeten worden aangemerkt. Personen moeten dan ook over dat deel van de referteperiode aan de voorwaarden voldoen om voor individuele inkomenstoeslag in aanmerking te komen. Gehuwden moeten immers zowel gezamenlijk als afzonderlijk aan de voorwaarden voldoen.

Artikelsgewijze toelichting

Enkel die bepalingen die nadere toelichting behoeven worden hier behandeld.

Artikel 1. Begrippen

Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.

Inkomen

Met inkomen wordt bedoeld het inkomen zoals gedefinieerd in artikel 32 van de Participatiewet. In afwijking hiervan wordt algemene bijstand voor de beoordeling van het recht op individuele inkomenstoeslag ook in aanmerking genomen als inkomen. Bijzondere bijstand kan niet als inkomen in aanmerking worden genomen. Daarom wordt een eerder verstrekte individuele inkomenstoeslag of langdurigheidstoeslag (beide zijn vormen van bijzondere bijstand) buiten beschouwing gelaten bij de vaststelling van het inkomen.

Peildatum

De peildatum is de datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt (artikel 1 van deze verordening). Het gaat om de datum waarop een persoon langdurig een laag inkomen heeft, geen in aanmerking te nemen vermogen heeft als bedoeld in artikel 34 van de Participatiewet en, gelet op de omstandigheden van die persoon, geen uitzicht op inkomensverbetering heeft. De peildatum komt meestal overeen met de meldingsdatum. De peildatum kan in beginsel niet liggen vóór de dag waarop een persoon zich heeft gemeld om individuele inkomenstoeslag aan te vragen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden (artikel 44, eerste lid, van de Participatiewet).

Referteperiode

Verder is bepaald wat onder de referteperiode moet worden verstaan: een periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum. Zie ook de toelichting bij artikel 3 onder ‘Langdurig’.

Artikel 2 Indienen verzoek

De Wet maatregelen WWB wijzigt artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet dusdanig dat wordt gesproken van een verzoek tot verlening van individuele inkomenstoeslag kan indienen in plaats van een aanvraag. De Awb definieert “aanvraag” als een verzoek van een persoon een om besluit te nemen. Een aanvraag dient in beginsel schriftelijk te worden ingediend.

Om onduidelijkheid te voorkomen over de wijze waarop het verzoek moet worden ingediend, bepaalt artikel 2 van deze verordening dat dit moet worden gedaan middels een door het college vastgesteld formulier. Het verzoek wordt gezien als een schriftelijke aanvraag die wordt ondertekend door de aanvrager en ten minste de naam en het adres van de aanvrager bevat, de dagtekening en een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd. De aanvrager verschaft ook de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Een mondeling verzoek kan hiermee dus niet worden aangemerkt als een verzoek om individuele inkomenstoeslag zoals bedoeld in artikel 36 van de Participatiewet.

Artikel 3 Langdurig laag inkomen

Van belang bij het bepalen wat een langdurig laag inkomen is, is wat onder ‘langdurig’ en onder ‘laag’ wordt verstaan.

Langdurig

De door het algemeen bestuur vastgestelde langdurige periode voorafgaand aan de peildatum, wordt aangeduid als referteperiode. De referteperiode is vastgesteld in artikel 1 van deze verordening en bedraagt 36 maanden.

Laag inkomen

Een inkomen is laag als het gemiddeld niet hoger is dan 110% van de toepasselijke bijstandsnorm.

Bij de beoordeling of iemand aan de voorwaarden voor de individuele inkomenstoeslag voldoet, wordt het gemiddelde inkomen over de referteperiode in aanmerking genomen. Dit is mede ingegeven door doelmatigheidsoverwegingen; het beoordelen van jaarinkomens (aan de hand van jaaropgaven) is immers eenvoudiger dan het controleren van alle salaris- of uitkeringsspecificaties over een periode van drie jaar. Naast administratieve lastenverlichting voor de klant en de uitvoerders heeft middeling van inkomsten ook tot gevolg dat iemand bij wisselend inkomen de individuele inkomenstoeslag niet meteen hoeft te verliezen omdat lagere inkomens tijdens de referteperiode kunnen compenseren voor hogere.

Tot 2009 was in de WWB een referteperiode van 5 jaar opgenomen. Bij decentralisatie van de langdurigheidstoeslag is de mogelijkheid gecreëerd om deze te verkorten tot 3 jaar. De modelverordening vermeldt beide opties. Op grond van de Wet maatregelen WWB is de inkomensgrens van 110% van de bijstandsnorm uit de wet verdwenen. In deze verordening is aangesloten bij de modelverordening en die van de voormalige IASZ-gemeenten. Dit is een verruiming voor Bo-Re. Hoger mag nu dus, maar dit wordt niet geadviseerd omdat een hogere inkomensnorm leidt tot een veel grotere doelgroep en navenante extra kosten.

Het werken met gemiddelde inkomens is overgenomen uit de IASZ-verordeningen. Het is makkelijker voor zowel de aanvrager als de uitvoering.

Op advies van de cliëntenraad Ferm Werk is in het tweede lid een clausule opgenomen waarmee in gevallen van onredelijke hardheid een uitzonderring gemaakt kan worden.

Artikel 4 Hoogte individuele inkomenstoeslag

De hoogte van de individuele inkomenstoeslag is afhankelijk van samenstelling van het huishouden. Hierbij wordt niet alleen de basisindeling voor bijstandsnormen aangehouden (alleenstaande, alleenstaande ouder en gehuwden) maar wordt ook rekening gehouden met de leeftijd van eventuele kinderen. Met ingang van 1 januari 2017 worden 6 bedragen gehanteerd voor respectievelijk een alleenstaande, een alleenstaande ouder met alleen kinderen tot 12 jaar, een alleenstaande ouder met in ieder geval één kind vanaf 12 jaar, gehuwden zonder kinderen, gehuwden met alleen kinderen tot 12 jaar en gehuwden met in ieder geval één kind vanaf 12 jaar. Reden voor uitbreiding van het aantal categorieën is dat uit onderzoek van het Nibud is gebleken dat gezinnen met (oudere) kinderen maandelijks tekortkomen.

Gehuwden

Bij gehuwden moet in het oog worden gehouden dat het recht op individuele inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Worden personen op de peildatum als gehuwden aangemerkt, dan moeten beide gehuwden voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet. Voldoet één van hen niet aan deze voorwaarden, dan bestaat voor beiden geen recht op individuele inkomenstoeslag.

Is één van de echtgenoten uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, van de Participatiewet, dan komt de rechthebbende partner wel in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag. Het gaat hier om een partner die op een van de in artikelen 11 of 13, eerste lid, van de Participatiewet genoemde gronden geen recht heeft op bijstand. Als slechts één partner recht heeft op individuele inkomenstoeslag, komt deze rechthebbende partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Dat is geregeld in het tweede lid.

Indexering

In het vierde lid is een indexeringsbepaling opgenomen zodat de individuele inkomenstoeslag de algemene prijsontwikkeling kan volgen. Hiervoor wordt het indexeringspercentage gehanteerd zoals dat is vermeld in het Handboek Grip op WWB van Kluwer Schulinck. Deze bepaling voorkomt dat de verordening telkens opnieuw moet worden vastgesteld, enkel voor indexatie van de bedragen.

De gekozen bedragen zijn in feite nog steeds ontleend aan de bedragen zoals die tot 2009 in de wet waren opgenomen. Hierop zijn sindsdien indexeringen toegepast. Nu het kabinet extra middelen beschikbaar stelt voor intensivering van armoedebeleid ligt het niet voor de hand om de bedragen te verlagen. Verhogen zou misschien kunnen, maar ook dit wordt ontraden. Immers, hoe hoger de toeslag, hoe groter de armoedeval.

Ondertekening

Aldus besloten in de vergadering van het algemeen bestuur van Ferm Werk gehouden op 18 december 2014.
Y. Koster-Dreese
voorzitter algemeen bestuur Ferm Werk
I. Korte
secretaris algemeen bestuur Ferm Werk