Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Fryslân

Instellingsbesluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân houdende gemeenschappelijke regeling regionaal openbaar vervoer (Bedrijfsvoeringsorganisatie Mobiliteitsbureau Noordoost Fryslân)

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieFryslân
OrganisatietypeProvincie
Officiële naam regelingInstellingsbesluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân houdende gemeenschappelijke regeling regionaal openbaar vervoer (Bedrijfsvoeringsorganisatie Mobiliteitsbureau Noordoost Fryslân)
CiteertitelBedrijfsvoeringsorganisatie Mobiliteitsbureau Noordoost Fryslân
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. hoofdstuk IV van de Wet gemeenschappelijke regelingen
  2. titel 10.1 van de Algemene wet bestuursrecht
Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

23-03-2017nieuwe regeling

14-03-2017

stcrt-2017-16823

01399534

Tekst van de regeling

Intitulé

Instellingsbesluit van Gedeputeerde Staten van de provincie Fryslân houdende gemeenschappelijke regeling regionaal openbaar vervoer (Bedrijfsvoeringsorganisatie Mobiliteitsbureau Noordoost Fryslân)

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Achtkarspelen, Dantumadiel, Dongeradeel, Ferwerderadiel, Kollumerland c.a., Tytsjerksteradiel alsmede het college van gedeputeerde staten van Fryslân,

 

overwegende dat:

  • -

    er een gezamenlijk doel is om de leefbaarheid in de regio Noordoost Fryslân te behouden;

  • -

    één van de aspecten van leefbaarheid een goede bereikbaarheid van een ieder is;

  • -

    gemeenten in Noordoost Fryslân en provincie besloten hebben om samen te werken op het gebied van het regionale doelgroepenvervoer en openbaar vervoer;

  • -

    de verwachting is dat samenwerking de kwaliteit van dienstverlening naar zowel de eigen organisaties als de inwoners zal vergroten;

  • -

    de verwachting is dat samenwerking op termijn ook zal leiden tot kostenbesparingen en een verhoging van efficiency;

  • -

    samengewerkt wordt ter behartiging van de sturing en beheersing van hun ondersteunende processen en van uitvoeringstaken;

  • -

    besloten is om deze samenwerking vorm te geven via een bedrijfsvoeringsorganisatie

 

gelet op:

  • -

    hoofdstuk IV van de Wet gemeenschappelijke regelingen;

  • -

    titel 10.1 van de Algemene wet bestuursrecht en

  • -

    de verleende toestemming van de raden van de betrokken gemeenten en provinciale staten Fryslân voor het treffen van deze regeling

 

besluiten:

de gemeenschappelijke regeling Bedrijfsvoeringsorganisatie Mobiliteitsbureau Noordoost Fryslân te treffen als volgt:

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    Regeling: gemeenschappelijke regeling Mobiliteitsbureau Noordoost Fryslân;

  • b.

    Mobiliteitsbureau Noordoost Fryslân: de bedrijfsvoeringsorganisatie met rechtspersoonlijkheid, bedoeld in artikel 2 van de regeling;

  • c.

    Mobiliteitscentrale: de privaatrechtelijke rechtspersoon die in opdracht van het mobiliteitsbureau de aanname van ritten, planning en verdeling van ritten over beschikbare voertuigen uitvoert en advies geeft aan reizigers over beschikbare reismogelijkheden;

  • d.

    Deelnemer: de colleges van burgemeester en wethouders van Achtkarspelen, Dantumadiel, Dongeradeel, Ferwerderadiel, Kollumerland c.a., Tytsjerksteradiel alsmede het college van gedeputeerde staten van Fryslân.

  • e.

    Bestuur: het bestuur van het Mobiliteitsbureau Noordoost Fryslân als bedoeld in artikel 14a van de wet;

  • f.

    Raad: de gemeenteraad van een deelnemende gemeente;

  • g.

    Provinciale staten: provinciale staten van Fryslân;

  • h.

    Wet: Wet gemeenschappelijke regelingen;

  • i.

    Doelgroepenvervoer: vervoer voor personen die minder eenvoudig of niet zelfstandig ander vervoer kunnen gebruiken of met het openbaar vervoer kunnen reizen;

  • j.

    Openbaar vervoer: personenvervoer dat openbaar toegankelijk is en wordt uitgevoerd in opdracht van een (decentrale) overheid;

  • k.

    Opstappervervoer: flexibel, vraagafhankelijk openbaar vervoer, dat rijdt volgens een dienstregeling.

  • l.

    Vervoerssysteem: organisatiemodel waarin het doelgroepenvervoer en openbaar vervoer zoveel mogelijk wordt gecombineerd en waarbij daartoe een scheiding tussen de planning van de vervoersritten en de uitvoering van de vervoersritten is gemaakt.

Artikel 2 Bedrijfsvoeringsorganisatie

  • 1.

    Er is een bedrijfsvoeringsorganisatie als bedoeld in artikel 8 lid 3 van de wet, genaamd Mobiliteitsbureau Noordoost Fryslân

  • 2.

    De bedrijfsvoeringsorganisatie Mobiliteitsbureau Noordoost Fryslân is statutair gevestigd te Damwâld

  • 3.

    Het rechtsgebied van het Mobiliteitsbureau Noordoost Fryslân omvat het grondgebied van de deelnemende gemeenten.

Hoofdstuk 2 Belang, taken en bevoegdheden

Artikel 3 Belang

Het belang van de regeling is het realiseren van het behoud en/ of verbeteren van de leefbaarheid in de regio Noordoost Fryslân. Specifiek ziet de regeling toe op het realiseren van dit belang door het verhogen van de bereikbaarheid en het efficiënt organiseren van doelgroepenvervoer en openbaar vervoer, door het realiseren van een samenhangend vervoerssysteem in de regio.

Artikel 4 Taken

Het Mobiliteitsbureau Noordoost Fryslân heeft tot taak ten behoeve van de deelnemers zorg te dragen voor een samenhangend vervoerssysteem, waaronder in ieder geval wordt verstaan:

  • a.

    de aanbesteding van de mobiliteitscentrale en het door de deelnemers opgedragen vervoer;

  • b.

    het beheer van het contract met de mobiliteitscentrale en de contracten met de vervoerders;

  • c.

    het bewaken van de budgetten en

  • d.

    het doorontwikkelen van het vervoerssysteem: de deelnemers gevraagd en ongevraagd adviseren over de optimalisatie van het vervoerssysteem.

  • e.

    het voeren van overleg met stakeholders, om tekomen tot een zo optimaal mogelijk vervoerssysteem.

Artikel 5 Bevoegdheden

  • 1.

    Aan het bestuur van het Mobiliteitsbureau Noordoost Fryslân worden geen publiekrechtelijke bevoegdheden overgedragen.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 10:4 van de Algemene wet bestuursrecht bevorderen de deelnemers, ter uitvoering van de in artikel 4 genoemde taken, dat door de bevoegde bestuursorganen van de deelnemende gemeenten en de provincie aan het bestuur van het Mobiliteitsbureau Noordoost Fryslân mandaat wordt verleend om besluiten te nemen, volmacht wordt verleend tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen en machtiging wordt verleend tot het verrichten van handelingen die noch een besluit, noch een privaatrechtelijke rechtshandeling zijn.

Hoofdstuk 3 Bestuur

Artikel 6 Samenstelling

  • 1.

    Elke deelnemer is in het bestuur door één lid van zijn college vertegenwoordigd.

  • 2.

    Elke deelnemer wijst voor het door hem benoemde lid van het bestuur één plaatsvervanger aan.

  • 3.

    Op de plaatsvervangende leden zijn de bepalingen van dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7 Aanwijzing

  • 1.

    De colleges beslissen uiterlijk in hun eerste vergadering na aanvang van elke zittingsperiode van de raad respectievelijk provinciale staten over de aanwijzing van de leden en plaatsvervangende leden. Aftredende (plaatsvervangende) leden kunnen opnieuw als (plaatsvervangend) lid worden aangewezen.

  • 2.

    Het desbetreffende college besluit over de invulling van een tussentijdse vacature binnen acht weken.

Artikel 8 Voorzitter

  • 1.

    Het bestuur wijst uit zijn midden een voorzitter en een plaatsvervanger aan. Op de voorzitter is artikel 57d van de wet van toepassing.

  • 2.

    De voorzitter leidt de vergaderingen van het bestuur.

Artikel 9 Werkwijze van het bestuur

  • 1.

    Het bestuur stelt voor zijn vergaderingen een reglement van orde vast.

  • 2.

    Het bestuur kan de werkzaamheden onderling verdelen.

  • 3.

    Het bestuur wijst een secretaris aan.

  • 4.

    De secretaris is aanwezig bij de vergaderingen van het bestuur en heeft daarin een adviserende stem.

  • 5.

    De stukken die van het bestuur uitgaan worden door de voorzitter ondertekend en door de secretaris medeondertekend.

  • 6.

    Het bestuur vergadert minimaal vier maal per jaar en voorts zo vaak als de voorzitter dat nodig acht of tenminste een lid de voorzitter schriftelijk en met redenen omkleed hierom verzoekt. In het laatste geval wordt de vergadering binnen veertien dagen na een zodanig verzoek gehouden.

  • 7.

    Elk lid van het bestuur beschikt over één stem.

  • 8.

    Voor zover bij of krachtens deze regeling wordt besloten op basis van gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen.

  • 9.

    In afwijking van het achtste lid wordt bij unanimiteit van stemmen besloten over:

    • -

      de (ontwerp)begroting;

    • -

      de (voorlopige) jaarrekening;

    • -

      de liquidatie.

  • 10.

    Een lid van het bestuur ontvangt geen vergoeding voor zijn lidmaatschap van het bestuur.

Hoofdstuk 4 Ambtelijke organisatie Mobiliteitsbureau

Artikel 10 Organisatie

  • 1.

    Het bestuur stelt een organisatieplan vast.

  • 2.

    Het bestuur benoemt een coördinator die de dagelijkse leiding heeft over het Mobiliteitsbureau Noordoost Fryslân.

  • 3.

    Het bestuur is in ieder geval bevoegd ambtenaren te benoemen, te schorsen en te ontslaan en te besluiten tot het verrichten van privaatrechtelijke rechtshandelingen.

Hoofdstuk 5 Informatie en verantwoordingsplicht

Artikel 11 Actieve informatieplicht

Het bestuur verstrekt de raad respectievelijk provinciale staten ongevraagd alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door hem gevoerde en te voeren bestuur nodig is.

Artikel 12 Passieve informatieplicht van het bestuur

  • 1.

    Het bestuur verstrekt, via het desbetreffende college, aan de raad respectievelijk provinciale staten de door één of meer leden verlangde inlichtingen een en ander voor zover zulks niet in strijd is met het openbaar belang.

  • 2.

    Een verzoek om inlichtingen kan schriftelijk of mondeling worden ingediend bij het bestuur.

  • 3.

    Het bestuur verstrekt de gevraagde inlichtingen schriftelijk binnen acht weken na ontvangst van het verzoek.

Artikel 13 Informatieplicht van een lid van het bestuur

  • 1.

    Een lid van het bestuur voorziet, via zijn college, zijn raad, respectievelijk provinciale staten, van alle informatie die voor een juiste beoordeling van het door het lid in het bestuur gevoerde en te voeren bestuur noodzakelijk is.

  • 2.

    Het college van burgemeester en wethouders, respectievelijk het college van gedeputeerde staten, verleent daartoe de nodige medewerking door onder meer tijdig de agenda’s van vergaderingen van het bestuur, ter inzage te leggen voor de raad, respectievelijk provinciale staten.

  • 3.

    Een lid van het bestuur geeft, via zijn college, zijn raad, respectievelijk provinciale staten, de door één of meer leden verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het openbaar belang.

Artikel 14 Verantwoordingsplicht

  • 1.

    Een lid van het bestuur is aan zijn college verantwoording verschuldigd voor het door hem gevoerde bestuur.

  • 2.

    Een lid van het bestuur is aan zijn raad, danwel provinciale staten verantwoording verschuldigd voor het door hem gevoerde bestuur.

Artikel 15 Ontslag

De colleges kunnen een door hen aangewezen (plaatsvervangend) lid van het bestuur ontslag verlenen indien deze het vertrouwen van een college niet meer bezit.

Hoofdstuk 6 Financiële bepalingen

Artikel 16 Begroting

  • 1.

    Het bestuur stelt de ontwerpbegroting met toelichting op als bedoeld in artikel 59 van de wet.

  • 2.

    Het bestuur zendt de ontwerpbegroting, via de colleges, aan de raden en provinciale staten toe vóór 15 april voorafgaand aan het begrotingsjaar waarop zij betrekking heeft.

  • 3.

    De raden en provinciale staten kunnen hun zienswijze omtrent het ontwerp van de begroting, binnen acht weken na de verzending ervan aan het bestuur kenbaar maken.

  • 4.

    Het bestuur zendt de begroting onder bijvoeging van de zienswijzen van de raden en provinciale staten, zijn commentaar daarop en zo nodig een nota van wijziging uiterlijk 1 augustus aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en via de colleges ter kennisname aan de raden en provinciale staten.

Artikel 17 Begrotingswijziging

  • 1.

    Als categorieën van begrotingswijzigingen, waarop het bepaalde in de laatste volzin van artikel 59 lid 5, van de wet van toepassing is, worden aangewezen die, welke niet leiden tot een verhoging van de bijdragen van de deelnemers.

  • 2.

    Wijzigingen als bedoeld in het eerste lid worden door het bestuur, via de colleges, ter kennisname aan de raden en provinciale staten toegezonden.

Artikel 18 Tussentijdse rapportage begroting

Het bestuur rapporteert uiterlijk 15 september over de uitvoering van de lopende begroting aan de deelnemers.

Artikel 19 Financiële bijdrage deelnemers

  • 1.

    In de begroting wordt aangegeven de naar raming door elke deelnemende gemeente en provincie verschuldigde bijdrage voor het jaar, waarop de begroting betrekking heeft.

  • 2.

    Het bestuur stelt de jaarlijkse verdeling van de kosten zoals die worden opgenomen in de begroting, vast op basis van de volgende uitgangspunten:

    • a.

      de variabele vervoerkosten op basis van gebruik, vertaald in gebruikseenheden;

    • b.

      de vaste kosten van de mobiliteitscentrale op basis van het aantal leerlingen voor de regiekosten op het routevervoer en op basis van het aantal ritten voor de regiekosten van het vraagafhankelijk vervoer;

    • c.

      de vaste kosten van het mobiliteitsbureau voor de deelnemende gemeenten op basis het aantal inwoners en voor de provincie een vaste bijdrage gebaseerd op het aandeel van het Opstappervervoer in het totale vervoer.

  • 3.

    De deelnemende gemeenten en provincie nemen het in de begroting van het mobiliteitsbureau Noordoost Fryslân voor hen geraamde bedrag voor hun gemeente respectievelijk provincie op in hun begroting.

  • 4.

    De deelnemende gemeenten en provincie betalen bij wijze van voorschot vóór 15 januari, 15 april, 15 juli en 15 oktober telkens één vierde gedeelte van de voor dat jaar van de in het tweede lid bedoelde bijdrage.

Artikel 20 Algemene financiële en beleidsmatige kaders en jaarrekening

  • 1.

    Het bestuur stelt de algemene financiële en beleidsmatige kaders vast voor het daarop volgende jaar en zendt deze vóór 15 april via de colleges aan de raden en aan provinciale staten.

  • 2.

    Het bestuur stelt de jaarrekening vast in het jaar volgende op het jaar waarop deze betrekking heeft en zendt vóór 15 april de voorlopige jaarrekening van het voorgaande jaar via de colleges aan de raden en aan provinciale staten.

  • 3.

    Het bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Hoofdstuk 7 Archief

Artikel 21 Archiefbeheer

  • 1.

    Het bestuur is belast met de zorg voor archiefbescheiden en het toezicht op de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden van het Mobiliteitsbureau Noordoost Fryslân en zijn organen overeenkomstig een, met inachtneming van artikel 30, lid 1 van de Archiefwet 1995, vast te stellen verordening.

  • 2.

    Voor de bewaring van de op grond van de artikelen 12, lid 1 en 13, lid 1 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden wijst het bestuur een archiefbewaarplaats aan.

  • 3.

    De secretaris is belast met de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden als bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig de door het bestuur nader vast te stellen verordening.

Hoofdstuk 8 Toetreding, uittreding, wijziging, opheffing

Artikel 22 Toetreding

  • 1.

    Toetreding van een bestuursorgaan van een gemeente of provincie tot deze regeling geschiedt als de deelnemers in unanimiteit, daartoe besluiten.

  • 2.

    De deelnemers kunnen bij hun besluit de voorwaarden bepalen waaronder de toetreding van een gemeente of provincie mogelijk is.

  • 3.

    Toetreding van een bestuursorgaan van een gemeente of provincie is gebonden aan de volgende procedure:

    • a.

      het verzoek tot toetreding wordt ingediend bij het bestuur, dat zo spoedig mogelijk dit verzoek vergezeld van een advies doorstuurt aan de deelnemers;

    • b.

      de deelnemers besluiten over de in het eerste lid bedoelde instemming en de datum van toetreding;

    • c.

      het bestuur stelt de verzoekende partij in kennis van de genomen besluiten, als bedoeld onder b.

  • 4.

    Het toegetreden college doet zo spoedig mogelijk de nodige benoemingen overeenkomstig artikel 9.

Artikel 23 Uittreding

  • 1.

    Een deelnemer kan uittreden door toezending aan het bestuur van een daartoe strekkend besluit van deze deelnemer. Een besluit tot uittreding wordt per aangetekende kennisgeving gericht aan het bestuur.

  • 2.

    De uittreding kan, behoudens door het bestuur toegestane afwijking, slechts plaatsvinden per één januari na een termijn van minimaal 18 maanden na toezending van het besluit tot uittreding.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid kan uittreding niet plaatsvinden voor 1 januari 2021.

  • 4.

    Het bestuur regelt de gevolgen van de uittreding en stelt daartoe een uittredingsplan op.

  • 5.

    Het bestuur kan een onafhankelijke derde opdracht geven om een uittredingsplan op te stellen,

  • 6.

    Nadat op de inhoud van deze opdracht instemming is verkregen van het college van de deelnemer die wenst uit te treden. De kosten van het inschakelen van de onafhankelijke derde zijn voor rekening van de deelnemer die wenst uit te treden.

  • 7.

    Bij uittreding gedurende de looptijd van het contract met de mobiliteitscentrale en de contracten met de vervoerders zullen de financiële gevolgen van de uittreding voor rekening van de uittredende deelnemer komen.

  • 8.

    Bij een uittreding na afloop van de looptijd van het contract met de mobiliteitscentrale en de contracten met de vervoerders zullen alleen de directe kosten voor rekening van de uittredende deelnemer komen.

Artikel 24 Wijziging

  • 1.

    Deze regeling kan worden gewijzigd bij daartoe strekkende besluiten van het college van alle deelnemers.

  • 2.

    Indien het bestuur wijzigingen in de regeling wenselijk acht, doet het een daartoe strekkend voorstel aan de deelnemers.

Artikel 25 Opheffing

  • 1.

    De regeling wordt opgeheven wanneer de colleges van twee derde van de deelnemers daartoe besluiten.

  • 2.

    Een besluit als bedoeld in het eerste lid, wordt niet genomen dan nadat het bestuur daarover zijn mening kenbaar heeft gemaakt.

  • 3.

    In geval van opheffing van de regeling besluit het bestuur tot liquidatie en stelt het daarvoor een liquidatieplan vast.

  • 4.

    Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van het bestuur van de deelnemende gemeenten en provincie tot het bijdragen in de financiële gevolgen van de beëindiging. Het liquidatieplan voorziet ook in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel.

  • 5.

    Zo nodig blijft het bestuur ook na het tijdstip van de opheffing in functie, totdat de liquidatie is beëindigd.

Hoofdstuk 9 Slotbepalingen

Artikel 26 Duur van de regeling

Deze regeling wordt getroffen voor onbepaalde tijd.

Artikel 27 Evaluatie

  • 1.

    De evaluatie van de uitvoering van de regeling wordt uiterlijk 1 januari 2020 gedaan.

  • 2.

    De evaluatie geschiedt door het bestuur, gehoord de colleges, de raden en provinciale staten van de deelnemers.

Artikel 28 Toezending en bekendmaking

Gedeputeerde staten van Fryslân zijn belast met de bekendmaking als bedoeld in artikel 53 van de wet.

Artikel 29 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op de eerste dag na bekendmaking.

Artikel 30 Citeerwijze

De regeling wordt aangehaald als “Bedrijfsvoeringsorganisatie Mobiliteitsbureau Noordoost Fryslân”.

Toelichting  

Algemeen

De samenleving in Noordoost Fryslân verandert door ontgroening en dubbele vergrijzing. Er komen

minder jongeren en meer ouderen, wat zich op termijn vertaalt in een daling van het aantal huishoudens. Daarnaast dalen de bevolkingsaantallen, alhoewel dit per gemeente in de regio kan verschillen. Dit heeft effect op de voorzieningen in de regio op het gebied van onderwijs, sport, zorg, wonen en mobiliteit. Voorzieningen nemen af en de mobiliteitsbehoefte zal juist toenemen.

 

Het zorgen voor leefbaarheid door bereikbaarheid, door het optimaliseren van het vervoersaanbod is één van de opgaven benoemd in de Agenda Netwerk Noordoost 2016-2020. De regio Noordoost Fryslân heeft de afgelopen jaren al veel aandacht besteed aan de toekomst van het vervoer in de regio en in het bijzonder het kleinschalig vervoer. Van belang is dat er een samenhangend en elkaar versterkend geheel komt van doelgroepenvervoer in combinatie met (kleinschalig) openbaar vervoer.

 

Om een dergelijk samenhangend vervoerssysteem te realiseren hebben de gemeenten in de regio Noordoost Fryslân en de provincie Fryslân er voor gekozen samen te werken in een regiemodel voor vervoer. Het regiemodel is een organisatiemodel, waarbij een scheiding is gemaakt tussen beleid, regie en uitvoering.

 

 

Het beleid ten aanzien van doelgroepenvervoer en openbaar vervoer is en blijft een verantwoordelijkheid van respectievelijk de gemeenten en de provincie.

 

Binnen dit regiemodel zorgt een onafhankelijke mobiliteitscentrale voor de ritaanname en planning van het vervoer. De uitvoering van het vervoer vindt plaats door partijen die (financieel) helemaal gescheiden zijn van de partij die de mobiliteitscentrale invult. De mobiliteitscentrale en het vervoer worden in opdracht van gemeenten en provincie uitgevoerd door private partijen.

  • -

    Een mobiliteitscentrale verzorgt de operationele regie die bestaat uit de ritaanname en planning van het vervoer en verzorgt informatie aan reizigers over het vervoeraanbod.

  • -

    Meerdere vervoerders leveren voertuigcapaciteit. De voertuigen worden gedurende de inzettijd door vervoerders exclusief ter beschikking gesteld.

  • -

    De mobiliteitscentrale vervoert niet en heeft hier geen financiële belangen, de vervoerders doen niets in de mobiliteitscentrale en hebben hier geen financiële belangen.

 

Binnen het regiemodel werken de gemeenten en provincie samen in de aanbesteding van de mobiliteitscentrale en het vervoer. Het contractmanagement voor alle vervoervormen wordt samengevoegd en ondergebracht bij het mobiliteitsbureau. Het mobiliteitsbureau is de opdrachtgever voor de mobiliteitscentrale en het vervoer. Daarnaast heeft het mobiliteitsbureau als belangrijke taak om het regiemodel verder te ontwikkelen.

 

Om als mobiliteitsbureau als opdrachtgever te kunnen functioneren en de contracten met de mobiliteitscentrale en de vervoerders af te kunnen sluiten, is een organisatie met rechtspersoonlijkheid nodig. De samenwerking tussen de deelnemende gemeenten en de provincie Fryslân wordt daarom juridisch vormgegeven door het oprichten van een bedrijfsvoeringsorganisatie. Deze (lichte) vorm van gemeenschappelijk regeling kan worden ingesteld ter behartiging van de sturing en beheersing van ondersteunende processen en van uitvoeringstaken van de deelnemers. De bedrijfsvoeringsorganisatie is een rechtspersoon.

 

Het oprichten van een bedrijfsvoeringsorganisatie is een bevoegdheid van de colleges van burgemeester en wethouders, respectievelijk gedeputeerde staten. Het bestuur bestaat dan ook uit collegeleden.

 

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1 Begripsbepalingen

Dit artikel bevat enkele algemene begripsbepalingen die gelden voor de gehele gemeenschappelijke regeling.

 

Ten aanzien van het doelgroepenvervoer wordt opgemerkt dat dit type vervoer onder gemeentelijke verantwoordelijkheid wordt uitgevoerd. Het gaat hierbij onder anderen om het vervoer op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning en het leerlingenvervoer op basis van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra en de Wet op het voortgezet onderwijs. Het leerlingenvervoer omvat leerlingen van basisscholen, speciale scholen voor basisonderwijs en scholen voor (voortgezet) speciaal onderwijs.

Het openbaar vervoer, waaronder de Opstapper, is een verantwoordelijkheid van de provincie. Binnen het in te voeren regiemodel worden de verschillende vormen van vervoer gecombineerd.

 

Artikel 2 Bedrijfsvoeringsorganisatie

Het mobiliteitsbureau is een rechtspersoon. Een rechtspersoon dient formeel een vestigingsplaats te hebben. De plaats waar de rechtspersoon statutair is gevestigd, hoeft niet de plaats te zijn waar kantoor wordt gehouden.

 

Artikel 3 Belang

Het belang van de regeling sluit aan bij het doel van de reeds langer bestaande samenwerking tussen de gemeenten in de regio Noordoost Fryslân en de provincie, om de sociaaleconomische positie van de regio te verbeteren. Eén van de aspecten is het behoud c.q. de verbetering van de leefbaarheid in de regio door te zorgen voor een goede bereikbaarheid en mobiliteit van een ieder in de regio.

 

Artikel 4 Taken

Het regiemodel maakt onderscheid tussen de tactische regie en operationele regie. De focus van het mobiliteitsbureau ligt bij de tactische regie en die van de mobiliteitscentrale bij de operationele regie (ritaanname, planning en uitvoering). Op deze manier biedt het regiemodel de voorwaarden om optimale grip te hebben op de volledige vervoervraag en de planning. En zijn de mogelijkheden aanwezig om naast professioneel beheer ook actief gedurende het contract op zoek te gaan naar slimmere organisatie en daarin actief te sturen. Deze taak is gedefinieerd als ontwikkelfunctie of tactische regie.

 

Artikel 5 Bevoegdheden

Dit artikel regelt de wijze van mandatering van bevoegdheden van de colleges aan het bestuur van de bedrijfsvoeringsorganisatie Mobiliteitsbureau Noordoost Fryslân. Op basis van dit artikel wordt geregeld dat het bestuur de bevoegdheden krijgt die zij nodig heeft ter uitvoering van de taken die het mobiliteitsbureau heeft op grond van de regeling.

 

Dit is een nadere invulling van de bevoegdheden die het bestuur heeft op basis van de wet, o.a. artikel 57b.

 

Artikel 8 Voorzitter

Op grond van de wet kent de bedrijfsvoeringsorganisatie alleen een bestuur. Het hebben van een voorzitter is in de wet niet geregeld, maar ligt wel in de rede. Met dit artikel is de procedure voor het aanwijzen van een voorzitter van het bestuur vastgelegd. In het tweede lid wordt verwezen naar artikel 33d van de wet, waarmee wordt geregeld dat de voorzitter het mobiliteitsbureau in rechte vertegenwoordigt en deze vertegenwoordiging aan anderen kan opdragen.

 

Artikel 9 Werkwijze van het bestuur

In dit artikel wordt de werkwijze van het bestuur geregeld. Geregeld is het bestuur een voorzitter uit zijn midden aanwijst en dat het bestuur een secretaris aanwijst. Uitgangspunt is dat de vergaderingen van het bestuur zoveel mogelijk aansluiten bij de reeds bestaande overlegstructuur in het kader van de Agenda Netwerk Noordoost (ANNO) en concreet dat de vergaderingen van het bestuur van het Mobiliteitsbureau Noordoost en de bestuurlijke themagroep Wonen en Leven zoveel mogelijk op elkaar aansluiten. De vertegenwoordiger van het directeurenoverleg ANNO is secretaris van de bestuurlijke themagroep Wonen en Leven. Het ligt in de rede dat deze functionaris ook wordt aangewezen als secretaris van het bestuur van het Mobiliteitsbureau Noordoost.

Bij het aanwijzen van de voorzitter en de secretaris zorgt het bestuur er voor dat de voorzitter en de secretaris niet bij dezelfde gemeente werkzaam zijn en er een evenwicht is tussen de DDFK-gemeenten en Achtkarspelen en Tystsjerksteradiel.

 

Voorts is geregeld dat elke deelnemer één stem heeft. Hiermee is de gelijkwaardigheid van de deelnemers tot uitdrukking gebracht. Het uitgangspunt is dat het bestuur op basis van gewone meerderheid van stemmen besluiten neemt. Een uitzondering is gemaakt voor een aantal onderwerpen die van groot belang zijn voor het samenwerkingsverband. In het vijfde lid zijn deze onderwerpen vastgelegd. Op deze manier is ook geborgd dat alle deelnemers maximale zeggenschap hebben.

 

Artikel 10 Organisatie

Een rechtspersoon bezit van rechtswege bevoegdheden om aan het maatschappelijke verkeer deel te nemen zoals het in dienst nemen van personeel, aangaan privaatrechtelijke rechtshandelingen en maken bezwaar en instellen beroep in bestuursrechtelijke procedures.

 

Uitgangspunt is dat het Mobiliteitsbureau een kleine organisatie is, waarbij de vaste, terugkerende taken uitgevoerd worden door een kleine vaste kern van mensen. Daarnaast worden taken onderscheiden die incidenteel voorkomen of slechts gedurende een beperkte periode van het jaar of die specialistische kennis vragen. Via een overeenkomst tot opdracht kunnen deze taken worden ingehuurd. Ondersteunende (PIOFACH) diensten worden ingekocht bij de deelnemers.

 

Hoofdstuk 5 Informatie- en verantwoordingsplicht

In dit hoofdstuk is de actieve en passieve informatieplicht van enerzijds het bestuur als geheel aan de deelnemers en anderzijds een lid van het bestuur aan zijn eigen organisatie vastgelegd. In de artikelen is telkens aangegeven dat de informatie van het bestuur c.q. bestuurslid steeds via het desbetreffende college aan de raad of provinciale staten wordt aangeboden, om op die manier de informatiepositie van de colleges te borgen.

 

Hoofdstuk 6 Financiële bepalingen

In de wet zijn bepalingen opgenomen over de P&C-cyclus van een bedrijfsvoeringsorganisatie. Vanwege de leesbaarheid van de regeling is de P&C-cyclus voor het mobiliteitsbureau in de regeling op genomen.

 

Het bestuur zendt uiterlijk 15 april de algemene en financiële kaders voor het volgende begrotingsjaar aan de raden en provinciale staten. Op deze manier is de informatie beschikbaar tijdens de behandeling van de voorjaarsnota/ kadernota in de raden en provinciale staten. De voorlopige jaarrekening met het verslag van de accountant moet dan ook bij de raden en provinciale staten bekend zijn.

 

De begroting moet uiterlijk 1 augustus aan de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties worden gezonden. Voorafgaand hebben raden en provinciale staten hun zienswijze kunnen geven. Op deze manier hebben de deelnemers de mogelijkheid om tijdig de bijdrage aan de bedrijfsvoeringsorganisatie (mobiliteitsbureau, mobiliteitscentrale en vervoer) in de eigen begroting op te nemen.

 

Artikel 17 Begrotingswijziging

Met dit artikel wordt geregeld hoe met begrotingswijzigingen wordt omgegaan. Op eenvoudige begrotingswijzigingen die niet leiden tot een verhoging van de deelbijdragen van de deelnemers is niet de wensen- en bedenkingenprocedure van gemeenteraden en provinciale staten van toepassing.

 

Artikel 23 Uittreding

In dit artikel is de procedure voor de eventuele uittreding van deelnemers geregeld. In he tweede lid is een opzegtermijn voor de uittreding opgenomen. Hierbij is de voorbereidingstermijn voor een andere wijze van aanbesteding van vervoer in acht genomen.

In het derde lid is opgenomen dat uittreding niet mogelijk is voor 1 januari 2021. Dit is de eindtermijn van de eerste contractperiode voor de mobiliteitscentrale en het vervoer. Het gaat hier namelijk om een nieuwe vorm van samenwerking en organisatie van het vervoer, waarbij op deze manier geborgd wordt dat de nieuwe werkwijze voldoende tijd krijgt om te rijpen.

 

Het bestuur kan een onafhankelijke derde inschakelen om een uittredingsplan op te stellen. Gedacht kan worden aan een financieel adviseur (register accountant) ofwel een mediator.

 

Artikel 25 Opheffing

Dit artikel regelt de procedure ingeval van opheffing van de regeling. Stemming over opheffing van de regeling vindt plaats bij gekwalificeerde meerderheid. Hiermee wordt voorkomen dat slechts één van de deelnemers de opheffing kan tegenhouden.

 

Artikel 27 Evaluatie

Omdat het hier gaat om een nieuwe vorm van samenwerking en organisatie van het vervoer wordt ervoor gekozen om deze vorm en organisatie te evalueren. De evaluatie vindt uiterlijk een jaar voor het einde van de contractperiode plaats. Op deze manier is er voldoende tijd om eventuele aanpassingen in de volgende aanbesteding van de mobiliteitscentrale en het vervoer te verwerken. Daarnaast is er voor deelnemers voldoende tijd om de afweging te maken of de samenwerking wordt voortgezet.

In de evaluatie worden nadrukkelijk ook de colleges en raden en staten betrokken. Onderdeel van de evaluatie is o.a. in hoeverre raden en staten binnen het kader van het verlengd lokaal bestuur, sturing hebben kunnen uitoefenen op de samenwerking.