Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Gelderland

Instellingsbesluit van de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Ede, Barneveld, Nijkerk, Wageningen en Scherpenzeel, en gedeputeerde staten van de provincie Gelderland houdende regels omtrent de gemeenschappelijke regeling Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst de Vallei

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieGelderland
OrganisatietypeProvincie
Officiële naam regelingInstellingsbesluit van de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Ede, Barneveld, Nijkerk, Wageningen en Scherpenzeel, en gedeputeerde staten van de provincie Gelderland houdende regels omtrent de gemeenschappelijke regeling Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst de Vallei
CiteertitelGemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst de Vallei
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

De juridisch juiste bekendmaking van deze regeling heeft op 30 maart 2016 in de Staatscourant plaatsgevonden.

Het historisch overzicht van de regeling is niet compleet.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. wet Wet gemeenschappelijke regelingen
  2. wet Gemeentewet
  3. wet Provinciewet
Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

31-03-201601-01-2019nieuwe regeling

16-12-2015

stcrt-2018-7718

Tekst van de regeling

Intitulé

Instellingsbesluit van de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Ede, Barneveld, Nijkerk, Wageningen en Scherpenzeel, en gedeputeerde staten van de provincie Gelderland houdende regels omtrent de gemeenschappelijke regeling Gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst de Vallei

"Deze bekendmaking is slechts een tekstplaatsing. De oorspronkelijke bekendmaking is op 30 maart 2016 geplaatst."

Gemeenschappelijke Regeling Omgevingsdienst De Vallei

Tekst na wijziging

Versie 20 oktober 2015

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten Ede, Barneveld, Nijkerk, Wageningen en Scherpenzeel, en het college van gedeputeerde staten van de provincie Gelderland, ieder voor zover het hun bevoegdheden betreft;

Overwegingen:

De deelnemers oefenen bevoegdheden uit op grond van onder andere de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), waaronder bevoegdheden tot het beslissen op aanvragen om omgevingsvergunningen, het houden van toezicht en het beslissen over bestuursrechtelijke handhaving van wettelijke voorschriften.

De minister van VROM heeft aangedrongen op de vorming van uitvoeringsdiensten op regionale schaal en de provincie verzocht een proces te organiseren waarin dat gestalte krijgt.

Naar aanleiding daarvan hebben de colleges van alle Gelderse gemeenten en het college van gedeputeerde staten op 3 november 2009 een intentieverklaring ondertekend. In die intentieverklaring zijn als uitgangspunten opgenomen:

  • 1.

    dat de op te richten omgevingsdiensten de vorm van een openbaar lichaam op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen krijgen;

  • 2.

    dat de omgevingsdiensten zelf geen beleidstaken uitvoeren en dat de bestuurlijke bevoegdheden door de bevoegde gezagen zelf moeten worden uitgevoerd;

  • 3.

    dat voor wat de omvang van het werkterrein van de omgevingsdiensten betreft de samenwerking wordt gebaseerd op de bestaande regionale samenwerkingsverbanden in Gelderland (de Gelderse maat).

De deelnemers hebben in het licht van de Intentieverklaring gezamenlijk besloten tot oprichting van een omgevingsdienst (regionale uitvoeringsdienst) die de juridische vorm heeft van een openbaar lichaam in de zin van de Wet gemeenschappelijke regelingen. Deze omgevingsdienst is onderdeel van een stelsel van uitvoeringsdiensten in de provincie Gelderland, waarbij bepaalde taken op bovenregionale schaal kunnen worden belegd.

De raden van de gemeenten Ede, Barneveld, Nijkerk, Wageningen en Scherpenzeel, en provinciale staten van de provincie Gelderland hebben toestemming verleend als bedoeld in artikel 51 lid 2 Wet gemeenschappelijke regelingen;

Gelet op:

het bepaalde in de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Provinciewet en de Gemeentewet;

Besluiten:

vast te stellen de navolgende gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst de Vallei;

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

  • 1.

    In deze regeling wordt verstaan onder:

    • a.

      basistaken: taken bedoeld in versie 2.3 van het Basistakenpakket regionale uitvoeringsorganisaties omgevingsrecht zoals vastgesteld door de minister van Infrastructuur en Milieu op 25 mei 2011 dan wel de rechtsopvolgers daarvan;

    • b.

      bovenregionale taken: taken die ten behoeve van de deelnemers en van deelnemers aan andere regionale uitvoeringsdiensten in Gelderland worden verricht, niet zijnde complexe taken;

    • c.

      burgemeester en wethouders: de colleges van burgemeester en wethouders van de deelnemende gemeenten;

    • d.

      complexe taken: taken ten aanzien van

      • °

        inrichtingen die worden ingedeeld in milieucategorie 4.2 en hoger als bedoeld in de VNG-uitgave Bedrijven en milieuzonering, editie 2009;

      • °

        inrichtingen waartoe een gpbv-installatie behoort als bedoeld in artikel 1.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht; of

      • °

        inrichtingen die vallen onder het Besluit risico's zware ongevallen 1999;

    • e.

      directeur: directeur van het openbaar lichaam;

    • f.

      gedeputeerde staten: het college van gedeputeerde staten van Gelderland;

    • g.

      gemeenteraden: de raden van de gemeenten waartoe de deelnemers behoren;

    • h.

      openbaar lichaam: het openbaar lichaam Omgevingsdienst de Vallei;

    • i.

      deelnemers: de bestuursorganen die deze regeling hebben vastgesteld;

    • j.

      provinciale staten: provinciale staten van Gelderland;

    • k.

      robuust: in overeenstemming met de kwaliteitscriteria 2.1. dan wel de daarvoor in de plaats getreden wet- en regelgeving;

    • l.

      regeling: de gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst de Vallei;

    • m.

      Wet: Wet gemeenschappelijke regelingen;

  • 2.

    Onder openbaar lichaam worden tevens de organen (algemeen bestuur, dagelijks bestuur en voorzitter) en de medewerkers van het openbaar lichaam verstaan.

  • 3.

    Onder deelnemers worden tevens begrepen de rechtspersonen waarvan deelnemers bestuursorgaan zijn.

Artikel 2 Belang

De regeling is ingesteld ter gemeenschappelijke behartiging van de belangen van de deelnemers ter zake van vergunningverlening, toezicht en handhaving in het kader van het omgevingsrecht. Onder de belangen van de deelnemers wordt tevens begrepen het belang van een goede samenwerking tussen de omgevingsdiensten in Gelderland.

Artikel 3 Openbaar lichaam

  • 1.

    Er is een openbaar lichaam, genaamd openbaar lichaam Omgevingsdienst de Vallei.

  • 2.

    Het openbaar lichaam is gevestigd in Ede.

Hoofdstuk 2 Taken, bevoegdheden en bijdragen

Artikel 4 Basistaken

  • 1.

    Ter behartiging van het belang genoemd in artikel 2 brengen de deelnemers de uitvoering van de basistaken onder bij het openbaar lichaam.

  • 2.

    Tot de basistaken kunnen behoren coördinerende, adviserende en ondersteunende taken in verband met de basistaken.

  • 3.

    Over het uitvoeren van de basistaken worden afzonderlijke overeenkomsten gesloten tussen de deelnemer en het openbaar lichaam.

Artikel 5 Overige taken in het omgevingsrecht

  • 1.

    Ter behartiging van het belang genoemd in artikel 2 kunnen de deelnemers bij het treffen van de regeling de uitvoering van overige taken in het omgevingsrecht onderbrengen bij het openbaar lichaam. De taken die de deelnemers inbrengen hebben betrekking op het Wabo-takenpakket.

  • 2.

    Tot de taken bedoeld in het eerste lid kunnen behoren coördinerende, adviserende en ondersteunende taken in verband met die taken.

  • 3.

    Het besluit van een deelnemer tot deelname aan de regeling bevat een opgave van de taken bedoeld in het eerste lid.

  • 4.

    Over het uitvoeren van de taken bedoeld in het eerste lid worden afzonderlijke overeenkomsten gesloten tussen de deelnemer die het aangaat en het openbaar lichaam.

Artikel 6 Andere taken op verzoek van deelnemer

  • 1.

    Op verzoek van een deelnemer voert het openbaar lichaam andere uitvoerende, coördinerende, adviserende en ondersteunende taken uit.

  • 2.

    Over de uitvoering van de andere taken worden afzonderlijke overeenkomsten gesloten tussen de deelnemer en het openbaar lichaam.

Artikel 7 Bovenregionale taken en complexe taken

  • 1.

    Het openbaar lichaam is gehouden bovenregionale taken en complexe taken die niet robuust kunnen worden uitgevoerd door het openbaar lichaam, te laten uitvoeren door andere regionale uitvoeringsdiensten in Gelderland die de taken aan zich hebben getrokken.

  • 2.

    Het openbaar lichaam is gehouden bovenregionale taken en complexe taken die het openbaar lichaam aan zich heeft getrokken, uit te voeren voor andere regionale uitvoeringsdiensten in Gelderland.

  • 3.

    De taken worden uitgevoerd tegen vergoeding van de tussen de regionale uitvoeringsdiensten in Gelderland overeengekomen kosten.

  • 4.

    Over de uitvoering van bovenregionale en complexe taken kunnen overeenkomsten worden gesloten tussen het openbaar lichaam en andere uitvoeringsdiensten in Gelderland.

  • 5.

    Over de uitvoering van complexe taken en bovenregionale taken kunnen in daarvoor in het bijzonder aangewezen gevallen samenwerkingsovereenkomsten worden gesloten tussen een regionale uitvoeringsdienst en andere overheidsorganen.

Artikel 8 Bevoegdheden

  • 1.

    De deelnemers dragen geen publiekrechtelijke bevoegdheden over aan het openbaar lichaam.

  • 2.

    De deelnemers beslissen ieder afzonderlijk over de verlening van mandaat en volmacht aan het openbaar lichaam.

Artikel 9 beperking privaatrechtelijke bevoegdheden

Het openbaar lichaam is behoudens instemming van de deelnemers niet bevoegd tot:

  • a.

    het aangaan van geldleningen, waaronder begrepen het aangaan van rekening courant-verhoudingen met een hoger gezamenlijk maximum dan € 500.000,-;

  • b.

    het vestigen van opstal-, pand- en hypotheekrechten;

  • c.

    het afgeven van garanties of andere waarborgen;

  • d.

    het in erfpacht aannemen of uitgeven van roerende of onroerende zaken;

  • e.

    het in eigendom aannemen of uitgeven van onroerende zaken;

  • f.

    het oprichten van en het deelnemen in een rechtspersoon, met uitzondering van het oprichten van en het deelnemen in beroepsverenigingen binnen de uitvoeringsdiensten;

  • g.

    commerciële dienstverlening aan private partijen.

Artikel 10 Bijdragen

  • 1.

    De deelnemers dragen bij aan de kosten van het goed functioneren van het openbaar lichaam en het uitoefenen van de bij hem ondergebrachte taken als bedoeld in artikel 4 en artikel 5.

  • 2.

    Daarenboven vergoedt elke deelnemer de kosten voor het uitvoeren van taken als bedoeld in artikel 6.

  • 3.

    In de begroting wordt aangegeven welke bijdrage elke deelnemer verschuldigd is voor het jaar waar de begroting betrekking op heeft.

  • 4.

    De eerste vier begrotingsjaren is de bijdrage van een deelnemer als bedoeld in het eerste lid gebaseerd op het equivalente bedrag van het aantal formatieplaatsen dat nodig is voor het uitvoeren van de taken voor die deelnemer.

  • 5.

    Het algemeen bestuur stelt met een tweederde meerderheid van de stemmen een regeling vast waarin de verdeling van de kosten als bedoeld in het eerste lid vanaf het vijfde begrotingsjaar is opgenomen.

  • 6.

    De deelnemers dragen er steeds zorg voor dat het openbaar lichaam te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te voldoen.

  • 7.

    De deelnemers betalen de bijdragen als bedoeld in lid twee van dit artikel per kwartaal vooruit, te weten vijfentwintig procent van de verschuldigde bijdrage.

Hoofdstuk 3 Algemeen bestuur

Artikel 11 Samenstelling en stemverhouding

  • 1.

    Het algemeen bestuur bestaat uit 6 personen, waaronder de voorzitter.

  • 2.

    Elke deelnemer wijst uit zijn midden een lid van het algemeen bestuur aan.

  • 3.

    Elke deelnemer wijst uit zijn midden een plaatsvervangend lid van het algemeen bestuur aan.

  • 4.

    De leden van het algemeen bestuur hebben het volgende aantal stemmen:

    Ede 2, Barneveld 1, Nijkerk 1, Scherpenzeel 1, Wageningen 1, Provincie Gelderland 1

Artikel 12 Aanwijzing, schorsing en ontslag leden algemeen bestuur

  • 1.

    De deelnemers wijzen in hun eerste vergadering na inwerkingtreding van deze regeling de leden van het algemeen bestuur aan.

  • 2.

    Als tussentijds een vacature in het algemeen bestuur ontstaat, wijst de deelnemer in zijn eerstvolgende vergadering of ten spoedigste daarna een nieuw lid aan.

  • 3.

    Een lid van het algemeen bestuur kan door de deelnemer die hem heeft aangewezen ontslag worden verleend of worden geschorst als dit lid het vertrouwen van die deelnemer niet meer bezit. Het ontslag gaat onmiddellijk in.

  • 4.

    Van elke aanwijzing, schorsing of ontslag geeft de deelnemer die het aangaat terstond kennis aan de voorzitter.

  • 5.

    Een lid van het algemeen bestuur kan ontslag nemen. Hij stelt de voorzitter en de deelnemer die hem heeft aangewezen hiervan tijdig op de hoogte. Het ontslag gaat in zodra in opvolging is voorzien.

  • 6.

    Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt van rechtswege zodra het lid geen lid meer is van de deelnemer die hem heeft aangewezen.

  • 7.

    De leden 1 tot en met 6 zijn van overeenkomstige toepassing op plaatsvervangende leden.

Artikel 13 Werkwijze

  • 1.

    Het algemeen bestuur vergadert zo dikwijls als hij dat nodig oordeelt, alsmede indien het dagelijks bestuur of een lid van het algemeen bestuur daarom verzoekt, doch ten minste twee maal per jaar.

  • 2.

    In de vergadering van het algemeen bestuur kan slechts worden beraadslaagd en besloten als ten minste de helft van de leden aanwezig is.

  • 3.

    Indien het vereiste aantal leden niet aanwezig is, schrijft de voorzitter een nieuwe vergadering uit waarop lid 2 niet van toepassing is. Tussen de twee vergaderingen zit minimaal een werkdag.

  • 4.

    In een vergadering als bedoeld in lid 3 kan alleen worden beraadslaagd en besloten over andere aangelegenheden dan die waarvoor de oorspronkelijke vergadering was belegd indien meer dan de helft van de leden aanwezig is, de voorzitter niet meegerekend.

  • 5.

    Het algemeen bestuur stelt een reglement van orde vast voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden.

Artikel 14 Bevoegdheden

  • 1.

    Voor het vaststellen van de begroting is tweederde deel van de uitgebrachte stemmen vereist.

  • 2.

    Het algemeen bestuur kan instructies geven voor de werkwijze van het dagelijks bestuur.

Hoofdstuk 4 Dagelijks bestuur

Artikel 15 Dagelijks bestuur

  • 1.

    Het dagelijks bestuur bestaat naast de voorzitter uit twee andere leden.

  • 2.

    De leden van het dagelijks bestuur hebben ieder een stem. Ingeval van het staken van de uitgebrachte stemmen is de stem van de voorzitter beslissend.

Artikel 16 Aanwijzing, schorsing en ontslag leden dagelijks bestuur

  • 1.

    Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden de leden van het dagelijks bestuur aan, met uitzondering van de voorzitter die door het algemeen bestuur wordt aangewezen.

  • 2.

    Het lidmaatschap van het dagelijks bestuur eindigt zodra het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt of wanneer een ontslag uit het dagelijks bestuur ingaat.

  • 3.

    Als tussentijds een vacature in het dagelijks bestuur ontstaat, wijst het algemeen bestuur in zijn eerstvolgende vergadering of ten spoedigste daarna een nieuw lid aan.

  • 4.

    Een lid van het dagelijks bestuur, waaronder de voorzitter, kan te allen tijden ontslag nemen. Hij doet daarvan schriftelijk mededeling aan het algemeen bestuur. Het ontslag gaat in zodra in opvolging is voorzien.

  • 5.

    Het algemeen bestuur kan een lid van het dagelijks bestuur, waaronder de voorzitter, ontslag verlenen of schorsen als dat lid het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Het ontslag gaat onmiddellijk in.

Artikel 17 Werkwijze

  • 1.

    Het dagelijks bestuur vergadert zo dikwijls als de voorzitter dit nodig oordeelt of een lid van het dagelijks bestuur hierom verzoekt.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde vast voor zijn vergaderingen.

  • 3.

    In de vergadering van het dagelijks bestuur kan slechts worden beraadslaagd en besloten als ten minste de helft van de leden aanwezig is.

  • 4.

    Indien het vereiste aantal leden niet aanwezig is, schrijft de voorzitter een nieuwe vergadering uit waarop lid 3 niet van toepassing is. Tussen de twee vergaderingen zit minimaal een werkdag.

  • 5.

    In een vergadering als bedoeld in lid 4 kan alleen worden beraadslaagd en besloten over andere aangelegenheden dan die waarvoor de oorspronkelijke vergadering was belegd indien meer dan de helft van de leden aanwezig is.

  • 6.

    De vergaderingen van het dagelijks bestuur zijn niet openbaar.

Artikel 18. Bevoegdheden

  • 1.

    Onder de wettelijke bevoegdheid van het dagelijks bestuur tot het voeren van het dagelijks bestuur wordt mede verstaan:

    • a.

      het voorstaan van de belangen van de regeling en het openbaar lichaam bij andere overheden, instellingen en diensten waarmee, of personen met wie, contact met het dagelijks bestuur van belang is;

    • b.

      het beheer van activa en passiva van het openbaar lichaam.

  • 2.

    Onder de wettelijke bevoegdheid van het dagelijks bestuur om ambtenaren te benoemen wordt tevens verstaan het te werk stellen van personeel op grond van een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur stelt de rechtspositieregelingen voor de directeur en voor het overige personeel vast.

  • 4.

    Het dagelijks bestuur bepaalt de wijze waarop de directeur bij verhindering of ontstentenis wordt vervangen.

  • 5.

    Het dagelijks bestuur stelt voor de directeur een instructie vast die ten minste diens taken en de aansturing van het personeel betreft.

Hoofdstuk 5 Voorzitter

Artikel 19 Voorzitter

  • 1.

    Het algemeen bestuur wijst in zijn eerste vergadering na inwerkingtreding van deze regeling uit zijn midden de voorzitter aan.

  • 2.

    Het algemeen bestuur wijst uit zijn midden een plaatsvervangend voorzitter aan die de voorzitter vervangt bij diens verhindering of ontstentenis.

  • 3.

    Als tussentijds de functie van de voorzitter vacant wordt, wijst het algemeen bestuur in zijn eerstvolgende vergadering of ten spoedigste daarna de nieuwe voorzitter aan.

Artikel 20 Bevoegdheden

  • 1.

    De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur.

  • 2.

    De voorzitter ondertekent de stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan.

Artikel 21 Samenwerking tussen uitvoeringsdiensten

  • 1.

    De voorzitter voert geregeld overleg met de voorzitters van de dagelijkse besturen van de andere regionale uitvoeringsdiensten in Gelderland. Het overleg heeft als doel het bevorderen van een goede samenwerking tussen de uitvoeringsdiensten.

  • 2.

    De voorzitter van de Omgevingsdienst de Vallei is voorzitter van het overleg.

  • 3.

    Het overleg doet zo nodig voorstellen aan de deelnemers voor de programmering van bovenregionale taken.

Hoofdstuk 6 Informatie en verantwoording

Artikel 22 Dagelijks bestuur en voorzitter ten opzichte van het algemeen bestuur

  • 1.

    De leden van het dagelijks bestuur zijn tezamen en ieder afzonderlijk aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hen gevoerde bestuur.

  • 2.

    Zij geven gevraagd en ongevraagd aan het algemeen bestuur alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het dagelijks bestuur te voeren en gevoerde bestuur nodig is.

  • 3.

    Zij geven tezamen en ieder afzonderlijk inlichtingen aan het algemeen bestuur wanneer dit bestuur of een of meer leden daarvan hierom verzoekt.

Artikel 23 Algemeen en dagelijks bestuur ten opzichte van de raden en Provinciale Staten

  • 1.

    Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur geven aan de raden van de deelnemende gemeenten en Provinciale Staten gevraagd en ongevraagd alle inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid nodig zijn.

  • 2.

    Het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter verstrekken aan de gemeenteraden en provinciale staten alle inlichtingen die door een of meer leden van die gemeenteraden of provinciale staten worden verlangd.

  • 3.

    Het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur verstrekken aan de raden van de deelnemende gemeenten en Provinciale Staten alle inlichtingen die door een of meer leden van die raden of Provinciale Staten worden verlangd. Hij is bovendien aan de gemeenteraad of provinciale staten verantwoording verschuldigd voor het door hem gevoerde bestuur.

Artikel 24 Leden algemeen bestuur ten opzichte van deelnemers

  • 1.

    Een lid van het algemeen bestuur verschaft de deelnemer die hem als lid heeft aangewezen alle inlichtingen die door die deelnemer of door een of meer leden van die deelnemer worden verlangd.

  • 2.

    Alvorens de gevraagde inlichtingen zoals bedoeld in het eerste lid te verstrekken, kan het lid zich daarover laten adviseren door het dagelijks bestuur.

  • 3.

    Een lid van het algemeen bestuur is de deelnemer die hem als lid heeft aangewezen verantwoording verschuldigd voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde bestuur op de in het reglement van orde voor de vergaderingen van die deelnemer aangegeven wijze.

Artikel 25 Informatievoorziening uitvoeringsdiensten

Het openbaar lichaam zorgt ervoor met ingang van 1 januari 2013, of zoveel later als hij aanvangt, zijn taken uit te voeren opdat wordt voldaan aan de volgende voorwaarden ten aanzien van informatievoorziening:

  • a.

    deelnemers kunnen op elk moment beschikken over de relevante informatie met betrekking tot vergunningverlening, toezicht en handhaving ten aanzien waarvan zij het bevoegd gezag zijn;

  • b.

    de wijze van benadering en ontsluiting van die informatie is afgestemd met die van de andere regionale uitvoeringsdiensten in Gelderland, waarbij wordt gebruik gemaakt van een uniforme catalogus van producten en diensten;

  • c.

    investeringen in informatievoorziening worden zoveel als mogelijk gedaan in het licht van een samenhangend stelsel van informatievoorziening tussen de regionale uitvoeringsdiensten in Gelderland.

Artikel 26 Informatie-uitwisseling tussen uitvoeringsdiensten

De deelnemers bevorderen de ontwikkeling van een met de systemen van de andere regionale uitvoeringsdiensten in Gelderland samenhangend informatiesysteem, dat kan worden gebruikt vanaf 2014. Daarbij wordt indien redelijkerwijs mogelijk ook rekening gehouden met de systemen van externe partners.

Hoofdstuk 7 Directeur

Artikel 27 Directeur

  • 1.

    De directeur fungeert als ambtelijk secretaris voor het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur en is als zodanig het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter behulpzaam in alles dat de hun opgedragen taak aangaat.

  • 2.

    De directeur is in de vergadering van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur aanwezig.

  • 3.

    De directeur ondertekent mede de stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan.

  • 4.

    De directeur is hoofd van de ambtelijke organisatie.

Artikel 28 Samenwerking tussen uitvoeringsdiensten

  • 1.

    De directeur voert geregeld overleg met de directeuren van de andere regionale uitvoeringsdiensten in Gelderland. Het overleg heeft als doel het bevorderen van een goede samenwerking tussen de diensten.

  • 2.

    De directeur van de Omgevingsdienst de Vallei is voorzitter van het overleg.

Hoofdstuk 8 Financiële bepalingen

Artikel 29 Begrotingsprocedure

  • 1.

    De vaststelling van de begroting door het algemeen bestuur, zoals bedoeld in artikel 58, eerste lid, van de Wet geschiedt niet eerder dan acht weken nadat deze aan de raden dan wel provinciale staten van de deelnemers is verzonden.

  • 2.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 59, eerste lid, van de Wet zorgt het dagelijks bestuur vóór 15 april van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient voor de in dat lid bedoelde toezending van de ontwerpbegroting vergezeld van een behoorlijke toelichting.

  • 3.

    In de begroting wordt het door elk van de deelnemers over het desbetreffende jaar verschuldigde bedrag opgenomen.

  • 4.

    Het dagelijks bestuur houdt bij het opstellen van de ontwerpbegroting rekening met de door provinciale staten en de gemeenteraden opgestelde begrotingsrichtlijnen.

  • 5.

    De ontwerpbegroting wordt door de deelnemers voor eenieder ter inzage gelegd en algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaar stelling wordt openbaar kennis gegeven.

  • 6.

    Provinciale staten en de gemeenteraden vergaderen niet eerder dan twee weken na de openbare kennisgeving over de ontwerpbegroting. Zij kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt deze zienswijzen, voorzien van zijn reactie, toe aan de ontwerpbegroting zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.

  • 7.

    Terstond na de vaststelling van de begroting zendt het algemeen bestuur de begroting aan Provinciale staten en de gemeenteraden, die ter zake bij de minister hun zienswijze naar voren kunnen brengen.

  • 8.

    Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 1 augustus aan de minister.

  • 9.

    Dit artikel is, met uitzondering van de daarin genoemde data, van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting.

Artikel 30 Jaarrekening

  • 1.

    De vaststelling van de jaarrekening als bedoeld in artikel 58, derde lid, van de Wet geschiedt vóór 1 juli volgend op het jaar waarop deze betrekking heeft.

  • 2.

    Artikel 29 leden 2 en 7 van de regeling zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur zendt de vastgestelde jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli, aan de minister.

  • 4.

    Vaststelling van de rekening strekt het dagelijks bestuur tot décharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in geschrifte of andere onregelmatigheden.

  • 5.

    In de rekening wordt het door elk van de deelnemers over het desbetreffende jaar werkelijk verschuldigde bedrag opgenomen.

  • 6.

    Verrekening van het verschil tussen hetgeen op grond van artikel 10 van deze regeling is bepaald enerzijds en hetgeen op basis van de rekening is verschuldigd anderzijds vindt plaats zo spoedig mogelijk na de vaststelling van de rekening.

Artikel 31 Verdeling saldo

  • 1.

    Een batig saldo van de jaarrekening wordt toegevoegd aan de reserves tot een maximum van 5% van de jaarlijkse exploitatielasten of € 500.000 en wel de laagste van deze twee.

  • 2.

    Het algemeen bestuur beslist of een nadelig saldo van de jaarrekening:

    • a.

      geheel of gedeeltelijk ten laste van bestaande reserves zal worden gebracht; of

    • b.

      geheel of gedeeltelijk ten laste van de deelnemers zal worden gebracht naar rato van de begroting.

  • 3.

    Het besluit, zoals bedoeld in het tweede lid, sub b, van dit artikel, behoeft tweederde deel van de uitgebrachte stemmen.

Hoofdstuk 9 Archief

Artikel 32 Zorg en beheer archief

  • 1.

    De zorg voor en het beheer van de archiefbescheiden van het openbaar lichaam zal worden ondergebracht op de vestigingslocatie van de centrale staf van de Omgevingsdienst de Vallei.

  • 2.

    Ten aanzien van de zorg voor en het beheer van de archiefbescheiden van het openbaar lichaam, alsmede ten aanzien van het toezicht op het beheer zijn de voorschriften, zoals deze gelden op de onder lid 1 bedoelde vestigingslocatie, van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    De aan de uitvoering van het eerste lid verbonden kosten komen ten laste van het openbaar lichaam.

  • 4.

    Voor de bewaring van de op grond van artikel 12 van de Archiefwet 1995 over te brengen archiefbescheiden is het archief ter vestigingslocatie van de centrale staf de archiefbewaarplaats.

  • 5.

    Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de zorg en het beheer als bedoeld in het eerste lid.

Hoofdstuk 10 Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing

Artikel 33 Toetreding

  • 1.

    De deelnemers zijn bevoegd te beslissen over toetreding van nieuwe deelnemers tot de regeling. Het algemeen bestuur wordt in de gelegenheid gesteld hierover zijn zienswijze bekend te maken.

  • 2.

    De deelnemers regelen de voorwaarden voor toetreding.

Artikel 34 Uittreding

  • 1.

    Een deelnemer kan uittreden uit de regeling na een daartoe strekkend besluit van de deelnemer, doch niet eerder dan na vijf jaar na inwerkingtreding van de regeling.

  • 2.

    Het besluit tot uittreding wordt niet later genomen dan een jaar voorafgaand aan de datum waarop de uittreding plaatsvindt. Uittreding is slechts mogelijk met ingang van 1 januari.

  • 3.

    Het algemeen bestuur stelt een uittredingsplan vast. De daarin opgenomen verplichtingen zijn bindend.

  • 4.

    Het uittredingsplan als bedoeld in lid 3 behoeft tweederde van de uitgebrachte stemmen.

  • 5.

    Het dagelijks bestuur ziet toe op de uittreding en de vereffening van de financiële verplichtingen.

  • 6.

    Tot uittreding kan niet eerder worden besloten dan na verkregen toestemming van de raden, onderscheidelijk provinciale staten van de betrokken deelnemers.

Artikel 35 Wijziging en opheffing

  • 1.

    De regeling kan tussentijds worden gewijzigd of opgeheven als ten minste tweederde van de deelnemers daartoe besluit.

  • 2.

    De regeling kan niet eerder worden gewijzigd dan na verkregen toestemming van de raden, onderscheidelijk provinciale staten van de betrokken deelnemers.

  • 3.

    Deelnemers en het algemeen bestuur zijn bevoegd een wijziging in de regeling aan de deelnemers in overweging te geven via een daartoe strekkend voorstel. Het dagelijks bestuur zendt het voorstel van het algemeen bestuur toe aan de deelnemers.

  • 4.

    Ingeval van opheffing van de regeling stelt het algemeen bestuur vooraf, na overleg met de deelnemers, een liquidatieplan vast waarin in ieder geval wordt aangegeven wat de gevolgen zijn die de beëindiging heeft voor het personeel en de wijze waarop het positieve of negatieve saldo van het openbaar lichaam over de deelnemers wordt verdeeld.

  • 5.

    Het liquidatieplan als bedoeld in lid 3 behoeft tweederde van de uitgebrachte stemmen.

  • 6.

    Het dagelijks bestuur is belast met de vereffening van de financiële verplichtingen.

  • 7.

    Zo nodig blijven de organen van de regeling na het tijdstip van opheffing in functie totdat de liquidatie is voltooid.

Hoofdstuk 11 Klachten

Artikel 36 Klachtenregeling

Het algemeen bestuur stelt, met inachtneming van hoofdstuk 9, titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht, een interne klachtenregeling vast.

Hoofdstuk 12 Slot- en overgangsbepalingen

Artikel 37 Bijlage

Het Basistakenpakket regionale uitvoeringsorganisaties omgevingsrecht, versie 2.3, zoals vastgesteld door de minister van Infrastructuur en Milieu op 25 mei 2011 is als bijlage bij deze regeling gevoegd en maakt daarvan onderdeel uit.

Artikel 39 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze regeling of een wijziging daarvan treedt in werking de dag na de dag waarop deze op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland dragen zorg voor de in artikel 53 van de Wet bedoelde toezending en publicatie.

Artikel 40 Duur van de regeling

De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

Artikel 41 Citeertitel

Deze regeling kan worden aangehaald als: gemeenschappelijke regeling Omgevingsdienst de Vallei.

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum publicatie.

GEDEPUTEERDE STATEN VAN GELDERLAND,

BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN BARNEVELD,

BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN EDE,

BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN NIJKERK,

BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN SCHERPENZEEL,

BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN WAGENINGEN,

BIJLAGE BASISTAKENPAKKET ALS BEDOELD IN ARTIKEL 37 VAN DE ‘GR De Vallei’  

  • 1.

    De voorbereiding van de omgevingsvergunningverlening (na inwerkingtreding van de Wabo) voor activiteiten waarvoor GS momenteel bevoegd is om milieuvergunningen te verlenen op grond van de Wet milieubeheer en het Inrichtingen- en vergunningenbesluit Wet milieubeheer (betreft omgevingsvergunningen in hun geheel).

  • 2.

    De voorbereiding van de omgevingsvergunningverlening door GS voor de verwezenlijking van een project van provinciaal belang, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder ten derde, van de Wabo, van het bestemmingsplan wordt afgeweken (betreft omgevingsvergunningen in hun geheel).

  • 3.

    De voorbereiding van de omgevingsvergunningverlening voor het oprichten en in werking hebben van inrichtingen die onder het bevoegd gezag van B&W vallen of in de toekomst komen te vallen (betreft hier alleen het milieudeel van deze omgevingsvergunningen).

  • 4.

    Het milieutoezicht op de volgende omgevingsvergunningplichtige activiteiten:

    • -

      sloopwerkzaamheden in opdracht van bedrijven of instellingen,

    • -

      het oprichten en in werking hebben van een omgevingsvergunningplichtige inrichting waarvoor B&W of GS¹ het bevoegd gezag is.

    • -

      activiteiten waarvoor krachtens provinciale verordening een vergunning is vereist,

    • -

      activiteiten die op 1 januari 2009 aanlegvergunningplichtig zijn op grond van de Wro,

    • -

      activiteiten met stoffen, preparaten en GGO’s die onder een amvb op grond van titel 9.2 Wet milieubeheer vallen of producten en toestellen die onder de Wet geluidhinder, de Wet inzake de luchtverontreiniging, titel 9.4 Wet milieubeheer of titel 10.3 Wet milieubeheer vallen en die worden uitgevoerd door de houder van een omgevingsvergunning.

  • 5.

    Het milieutoezicht op niet-omgevingsvergunningplichtige inrichtingen die vallen onder de meldingsplicht van het Activiteitenbesluit of onder het Besluit landbouw, het Besluit glastuinbouw of het Vuurwerkbesluit inrichtingen en die deel uitmaken van een hierna genoemde branche of een hierna genoemde activiteit uitvoeren:

    • -

      glastuinbouw en open teelt

    • -

      veehouderijen² met uitzondering van melkrundveehouderijen

    • -

      champignonkwekerijen

    • -

      loonwerkers

    • -

      metaal- en elektrotechnische industrie

    • -

      scheepswerven

    • -

      afvalsector (opslag en be- en verwerking, inclusief autodemontage)5

    • -

      industriële vervaardiging van voedingsmiddelen

    • -

      groothandel in voedingsmiddelen

    • -

      koel- en vrieshuizen

    • -

      veilingen van landbouw-, tuinbouw- en visserijproducten

    • -

      textielindustrie

    • -

      kunststofindustrie (verwerking thermoplasten)

    • -

      schietbanen

    • -

      ijsbanen en skihellingen

    • -

      betonmortelindustrie en betonproductenindustrie, waaronder de vervaardiging van cement, gips en kalk

    • -

      windturbines

    • -

      warmtekracht- installaties

    • -

      vervaardigen papier en kartonwaren

    • -

      crematoria

    • -

      grafische industrie

    • -

      textielreinigingsbedrijven

    • -

      timmerfabrieken waar coaten plaats vindt

    • -

      chemische behandeling van natuursteen

    • -

      opslag vuurwerk

    • -

      rioolwaterzuiveringsinstallaties

    • -

      bodemsaneringen

    • -

      laboratoria

    • -

      bunkerstations

    • -

      foto-ontwikkelcentrales

    • -

      havensector

    • -

      (niet-academische) ziekenhuizen.  

  • 6.

    Het milieutoezicht bij de opsporing en winning van natuurlijke hulpbronnen voor zover het die activiteiten betreft.

  • 7.

    Het milieutoezicht bij het tot stand brengen en beheren van werken en infrastructurele voorzieningen door bedrijven of instellingen voor zover het die activiteiten betreft.

  • 8.

    Het milieutoezicht bij bedrijfsmatige activiteit en die vallen onder het Besluit bodemkwaliteit voor zover het die activiteiten betreft.

  • 9.

    Het milieutoezicht bij bodemsanering, sanering van bedrijfsterreinen en lozing van grondwater bij bodemsanering en proefbronnering voor zover het die activiteiten betreft.

  • 10.

    Het milieutoezicht bij bedrijfsmatige activiteiten 12 met betrekking tot gevaarlijke afvalstoffen, bedrijfsafvalstoffen en ingezamelde huishoudelijke afvalstoffen, asbest, vuurwerk, bouwstoffen, grond, baggerspecie, meststoffen, dierlijke vetten, radioactief schroot, destructiemateriaal, explosieven voor civiel gebruik of andere gevaarlijk stoffen, voor zover het die activiteiten betreft. Het gaat hierbij om het ketengerichte milieutoezicht.