Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Hoogheemraadschap van Rijnland

REGLEMENT VAN ORDE VERENIGDE VERGADERING EN COMMISSIES 2019

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieHoogheemraadschap van Rijnland
OrganisatietypeWaterschap
Officiële naam regelingREGLEMENT VAN ORDE VERENIGDE VERGADERING EN COMMISSIES 2019
Citeertitelreglement van orde van de verenigde vergadering van het hoogheemraadschap van Rijnland
Vastgesteld dooralgemeen bestuur
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Onbekend

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

13-03-2019nieuwe regeling

13-03-2019

wsb-2019-3353

Tekst van de regeling

Intitulé

REGLEMENT VAN ORDE VERENIGDE VERGADERING EN COMMISSIES 2019

 

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In dit reglement wordt verstaan onder:

a. voorzitter: de voorzitter van de verenigde vergadering of diens plaatsvervanger;

b. lid: lid van de verenigde vergadering, tenzij gebruikt als lid college;

c. secretaris: de secretaris-algemeen directeur of de door het dagelijks bestuur daartoe aangewezen plaatsvervangend secretaris;

d. college: dijkgraaf en hoogheemraden;

e. amendement: voorstel tot wijziging van een ontwerpverordening of ontwerpbesluit naar de vorm geschikt om daarin direct te worden opgenomen;

f. subamendement: voorstel tot wijziging van een aanhangig amendement, naar de vorm geschikt om direct te worden opgenomen in het amendement, waarop het betrekking heeft;

g. motie: korte en gemotiveerde verklaring over een onderwerp waardoor een oordeel, wens of verzoek wordt uitgesproken;

h. voorstel van orde: voorstel betreffende de orde van de vergadering;

i. initiatiefvoorstel: een voorstel voor een verordening of een ander voorstel;

j. interpellatie: vraag om inlichtingen in een vergadering van de verenigde vergadering over enig punt van algemeen waterschapsbelang;

k. zenden, doen toekomen, ter kennis brengen, schriftelijk, enzovoorts: hieronder valt ook het gebruik van e-mail of andere elektronische communicatiemiddelen.

Dit reglement is niet van toepassing op beeldvormende en opiniërende bijeenkomsten van de verenigde vergadering, tenzij de verenigde vergadering anders bepaalt.

 

Artikel 2 De voorzitter

De voorzitter is belast met:

a. het leiden van de vergadering;

b. het handhaven van de orde;

c. het doen naleven van het reglement van orde;

d. hetgeen de Waterschapswet, het Waterschapsbesluit, het reglement van Bestuur of dit reglement hem verder opdraagt.

 

Artikel 3 De secretaris

1. De secretaris is in elke besluitvormende vergadering van de verenigde vergadering aanwezig.

2. De secretaris kan, indien daartoe door de voorzitter uitgenodigd, aan de beraadslagingen als bedoeld in dit reglement deelnemen.

3. De secretaris draagt zorg voor de verslaglegging van de vergadering.

 

Artikel 4 Commissies

1. De verenigde vergadering kent commissies voor advies.

2. De commissies adviseren de verenigde vergadering en het college desgevraagd of uit eigen beweging. Zij zijn overigens werkzaam ter bevordering van een goede samenwerking tussen de verenigde vergadering en het college.

3. Niet tot de taak van de commissies behoren die onderwerpen, die aan het oordeel van een bijzondere commissie uit de verenigde vergadering worden onderworpen, tenzij bij het besluit tot instelling van die bijzondere commissie anders is bepaald.

 

Artikel 5 Namen en taken commissies

De namen en taken van de commissies worden door de verenigde vergadering vastgesteld.

 

Artikel 6 Samenstelling commissies

1. De voorzitters van de commissies worden door de verenigde vergadering uit de leden van de verenigde vergadering aangewezen, met dien verstande dat geen leden van het college van dijkgraaf en hoogheemraden als zodanig kunnen worden aangewezen.

De commissie benoemt uit eigen midden een plaatsvervangend voorzitter.

De voorzitter of de plaatsvervangend voorzitter, indien hij ter vergadering de voorzitter vervangt, heeft in de commissie een raadgevende stem.

2. De commissieleden worden door de verenigde vergadering uit haar midden benoemd en wel:

a. op voordracht van elke fractie in de categorie ingezetenen één of meer leden, met dien verstande dat elke fractie zoveel mogelijk met een gelijk aantal leden elke commissie is vertegenwoordigd,

b. op voordracht van de categorie ongebouwd twee leden in één commissie en één lid in de overige commissies,

c. op voordracht van de categorie bedrijfsgebouwd twee leden in één commissie en één lid in de overige commissies,

d. het lid van de categorie natuurterreinen wordt benoemd tot lid van alle commissies.

3. Een lid van een fractie in de categorie ingezetenen bestaande uit drie of meer leden kan slechts worden benoemd tot lid van één commissie.

4. Eén lid van een fractie in de categorie ingezetenen bestaande uit twee leden kan worden benoemd in twee commissies.

5. Het lid van een eenpersoonsfractie in de categorie ingezetenen kan worden benoemd in alle commissies.

6. In de plaats van het in het tweede lid onder d, het vierde of het vijfde lid van dit artikel bedoelde lid, kan op voordracht van de categorie of fractie

a. namens de categorie of fractie bestaande uit één lid, één commissielid worden benoemd dat geen lid is van de verenigde vergadering;

b. als commissielid voor de onder a bedoelde commissies personen in aanmerking komen die als zodanig zijn voorgedragen door de desbetreffende fractie/categorie

7. De benoeming van een commissielid als bedoeld in het zesde lid onder a van dit artikel kan op voordracht van de categorie of fractie door de verenigde vergadering tussentijds ongedaan worden gemaakt.

 

Artikel 7 Zittingsduur en vacatures

1. De voorzitters, plaatsvervangend voorzitters en leden van de commissies hebben zitting gedurende hun zittingsperiode in de verenigde vergadering.

2. In een vacature wordt zo spoedig mogelijk voorzien volgens de procedure, zoals omschreven in artikel 6.

 

Artikel 8 Ambtelijke bijstand

1. De secretaris wijst in overleg met de respectieve voorzitters voor elke commissie een ambtelijk secretaris en zo nodig een plaatsvervangend ambtelijk secretaris aan.

2. De verdere verlening van de ambtelijke bijstand geschiedt in overleg met de voorzitters van de commissies op aanwijzing van de secretaris.

 

Artikel 9 Vergaderingen commissies

1. Op de vergaderingen van de commissies is het bepaalde in dit reglement van orde van overeenkomstige toepassing voor zover dit artikel ter zake geen afwijkende bepalingen bevat.

2. Een vergadering wordt niet gehouden indien blijkens de presentielijst minder dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is verschenen.

3. Wanneer de in het vorige lid vereiste aantal leden niet is verschenen, wordt een nieuwe vergadering belegd, met dien verstande dat er slechts vierentwintig uur tussen het tijdstip van de kennisgeving en het aanvangsuur van de vergadering behoeft te verlopen. Alsdan wordt de vergadering gehouden ongeacht het aantal leden, dat is verschenen.

4. De commissievergaderingen vinden overdag, op woensdag plaats, tenzij de commissie anders heeft bepaald.

5. De commissievergaderingen zijn openbaar, tenzij ten minste twee leden die de presentielijst hebben ondertekend verzoeken om een besloten vergadering of indien de voorzitter zulks nodig oordeelt.

6. De secretaris van de commissie zorgt ervoor dat de oproep voor de commissievergadering, zo mogelijk tegelijk met de in artikel 17 bedoelde toezending van stukken, tijdig aan de leden wordt toegezonden. De oproep vermeldt plaats, datum en uur van de vergadering, alsmede de agenda.

7. De secretaris van de commissie zorgt ervoor dat de commissievergadering door publicatie in het Waterschapsblad en door plaatsing op de website van het waterschap openbaar wordt gemaakt.

De openbare kennisgeving vermeldt:

·de datum, de aanvangstijd en plaats alsmede de agenda van de vergadering;

·de wijze waarop en de plaats waar de agenda en de daarbij behorende stukken kunnen worden ingezien;

·de mogelijkheid tot het uitoefenen van het spreekrecht als bedoeld in artikel 30.

8. Ieder commissielid is bevoegd in een naar zijn mening spoedeisend geval tijdens de vergadering voor te stellen een onderwerp aan de agenda toe te voegen. De commissie beslist of, en zo ja, in hoeverre aan dit voorstel gevolg zal worden gegeven.

9. Bij staking van de stemmen of op verzoek van één of meer commissieleden worden de verschillende meningen, die in de commissie naar voren zijn gebracht, aan de Verenigde vergadering respectievelijk het college meegedeeld.

10. Van hetgeen in de commissie is behandeld wordt onder de zorg van de secretaris van de commissie een kort verslag opgemaakt, dat na de vaststelling in de volgende vergadering door de voorzitter en de secretaris van de betreffende commissie wordt ondertekend.

11. Het ontwerpverslag van de commissievergadering wordt tijdig aan de leden van de verenigde vergadering toegezonden en waar nodig tijdens de vergadering door de voorzitter of plaatsvervangend voorzitter van de commissie toegelicht.

 

Artikel 10 Bijwonen vergaderingen door leden van het college

De leden van het college zijn bevoegd de vergaderingen bij te wonen van de commissies en hebben daarin een raadgevende stem.

 

Artikel 11 Verdeling onderwerpen

1. Onderwerpen worden in beginsel slechts in één commissie behandeld.

2. Onderwerpen die het werkterrein van meer dan één commissie raken, kunnen door de dijkgraaf worden verwezen naar meer commissies. Zij worden in dat geval door de betreffende commissies afzonderlijk behandeld, tenzij de dijkgraaf behandeling in een gecombineerde vergadering nodig oordeelt. In het laatste geval wordt de vergadering gehouden onder voorzitterschap van een door het college uit zijn midden aangewezen lid.

3. Op een gecombineerde vergadering als bedoeld in het tweede lid, zijn de bepalingen ter zake van de vaste commissies van overeenkomstige toepassing.

 

Artikel 12 Onderzoek geloofsbrieven; beëdiging

1. Bij elke benoeming van nieuwe leden van de verenigde vergadering stelt de verenigde vergadering op voordracht van de voorzitter een commissie in, bestaande uit drie leden van de verenigde vergadering. De commissie onderzoekt de geloofsbrieven, de daarop betrekking hebbende stukken van nieuw benoemde leden en het proces-verbaal van het stembureau.

2. De commissie brengt na haar onderzoek van de geloofsbrieven verslag uit aan de verenigde vergadering en doet daarbij een voorstel voor een besluit.

3. De verenigde vergadering beslist terstond over de toelating, tenzij wegens onvolledigheid of onduidelijkheid van de stukken tot verdaging wordt besloten.

4. Na een verkiezing van de verenigde vergadering roept de voorzitter de toegelaten leden op om in de eerste vergadering van de verenigde vergadering in nieuwe samenstelling, de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.

5. In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter een nieuw benoemd lid van de verenigde vergadering op voor de vergadering van de verenigde vergadering waarin over diens toelating wordt beslist om de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.

 

Artikel 13 Benoeming leden dagelijks bestuur

1. De verkiezing van de leden van het dagelijks bestuur vindt plaats tijdens de vergadering van de verenigde vergadering.

2. In de periode tussen de verkiezingsuitslag en de vergadering waarin de leden van het dagelijks bestuur worden benoemd en bij een tussentijdse vacaturevervulling, wordt aandacht besteed aan de integriteit van de kandidaat-leden dagelijks bestuur.

3. De verenigde vergadering stelt vast uit hoeveel leden het dagelijks bestuur bestaat met in achtneming van het bepaalde in de artikelen 40 en 41 van de Waterschapswet en artikel 11 van het Reglement van bestuur van het hoogheemraadschap van Rijnland.

4. De fractievoorzitter meldt de naam van zijn kandidaat of de namen van zijn kandidaten aan de voorzitter, die daarvan mededeling doet aan de verenigde vergadering.

5. Bij de verkiezing van de leden dagelijks bestuur vindt eerst de stemming plaats voor (minimaal) één zetel voor de geborgde categorieën. Vervolgens vindt de stemming plaats voor de overige zetels, zoveel als nodig is, voor de categorieën ingezetenen, ongebouwd, natuurterreinen en bedrijven gezamenlijk. Als er evenveel kandidaten zijn als door de desbetreffende categorieën te vervullen plaatsen, worden alle kandidaten als benoemd door de verenigde vergadering verklaard.

6. Bij de benoeming van een lid van het dagelijks bestuur van buiten de kring van de verenigde vergadering wordt overeenkomstig gehandeld om te onderzoeken of de kandidaat voldoet aan de eisen van de Waterschapswet.

 

Artikel 14 Tussentijds ontslag hoogheemraad

1.Op diens schriftelijke mededeling verleent de verenigde vergadering de hoogheemraad ontslag. Het ontslag gaat in met ingang van de dag, gelegen een maand na de dag waarop hij zijn ontslag heeft genomen of zoveel eerder als zijn opvolger de benoeming heeft aangenomen.

2.Het ontslagbesluit op grond van artikel 41 van de Waterschapswet treedt direct in werking, tenzij bij dit besluit anders is bepaald.

 

Artikel 15 Fracties

1. De leden van de verenigde vergadering die door het centraal stembureau op dezelfde kandidatenlijst verkozen zijn verklaard, alsmede de leden van de verenigde vergadering die zijn benoemd overeenkomstig artikel 14, eerste, tweede en derde lid, van de Waterschapswet worden bij de aanvang van de zitting als één fractie beschouwd.

2. De fractie voert in de verenigde vergadering als naam de aanduiding die boven de kandidatenlijst was geplaatst.

3. De namen van degenen die als voorzitter van de fractie optreden worden zo spoedig mogelijk doorgegeven aan de voorzitter. Zolang deze namen nog niet zijn doorgegeven worden voor de categorie Ingezetenen de lijsttrekkers geacht voorzitter te zijn en voor respectievelijk de categorieën “Ongebouwd”, “Natuurterreinen” en “Bedrijven” de oudste in leeftijd.

4. Indien:

- één of meer leden van een fractie als zelfstandige fractie gaan optreden;

- twee of meer fracties als één fractie gaan optreden;

- één of meer leden van een fractie zich aansluiten bij een andere fractie;

wordt hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan de voorzitter.

Met de veranderde situatie wordt rekening gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering van de verenigde vergadering na de mededeling daarvan.

 

Artikel 16 Vergaderfrequentie

1. De verenigde vergadering vergadert ten minste 4 maal per jaar, in beginsel te Leiden. De verenigde vergadering stelt uiterlijk in de laatste vergadering van een jaar het vergaderschema vast voor het volgende jaar.

2. De voorzitter kan in bijzondere gevallen een andere dag en aanvangsuur bepalen of een andere vergaderplaats aanwijzen.

3. Ingeval de voorzitter of het dagelijks bestuur dat nodig oordelen of één vijfde van het aantal zitting hebbende leden schriftelijk, met opgave van redenen, om een vergadering verzoekt, wordt deze vergadering binnen 14 dagen belegd.

 

Artikel 17 Oproep

1. De voorzitter zendt ten minste 12 dagen voor een vergadering, spoedeisende gevallen uitgezonderd, de leden van de verenigde vergadering een oproep onder vermelding van dag, tijdstip en plaats van de vergadering.

2. De voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken, met uitzondering van de in artikel 37, eerste en tweede lid, van de Waterschapswet bedoelde stukken, worden tegelijkertijd met de oproep aan de leden van de verenigde vergadering verzonden.

3. Het verslag van de voorgaande vergadering wordt zo mogelijk gelijktijdig met de voorlopige agenda aan de leden toegezonden.

4. De voorzitter kan na het verzenden van de oproep zo nodig een aanvullende agenda doen uitgaan. De daarop vermelde voorstellen worden zo spoedig mogelijk, uiterlijk twee maal 24 uur voor aanvang van de vergadering aan de leden gezonden.

5. De verenigde vergadering kan op voorstel van de voorzitter of een lid in spoedeisende gevallen besluiten onderwerpen die niet in de oproep zijn vermeld terstond in behandeling te nemen.

 

Artikel 18 Agenda

1. Bij aanvang van de vergadering stelt de verenigde vergadering de agenda vast.

2. Op voorstel van de voorzitter kan de verenigde vergadering bij de vaststelling van de agenda onderwerpen aan de agenda toevoegen, de volgorde van de behandeling van de agendapunten wijzigen of agendapunten van de agenda afvoeren.

 

Artikel 19 Ter inzage leggen van stukken

1. Stukken, die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen op de agenda dienen, worden gelijktijdig met het verzenden van de oproep via de website van het hoogheemraadschap openbaar gemaakt. Indien na het verzenden van de oproep stukken ter inzage worden gelegd, wordt hiervan mededeling gedaan aan de leden van de verenigde vergadering en zo mogelijk in een openbare kennisgeving.

2. Een origineel van een ter inzage gelegd stuk wordt niet buiten het kantoor van het waterschap gebracht.

3. Indien omtrent stukken op grond van artikel 37, eerste of tweede lid, van de Waterschapswet geheimhouding is opgelegd, worden deze stukken in afwijking van het eerste lid, niet openbaar, maar slechts toegankelijk voor de leden van de verenigde vergadering.

 

Artikel 20 Openbare kennisgeving

1. De vergadering wordt door publicatie in het Waterschapsblad en door plaatsing op de website van het waterschap openbaar gemaakt.

2. De openbare kennisgeving vermeldt:

. de datum, aanvangstijd en plaats, alsmede de voorlopige agenda van de vergadering;

. de wijze waarop en de plaats waar een ieder de bij de vergadering behorende stukken kan inzien;

. de mogelijkheid tot het uitoefenen van het spreekrecht als bedoeld in artikel 30;

. De voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken worden op de website van het waterschap geplaatst.

 

Artikel 21 Presentielijst

Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekent ieder lid van de verenigde vergadering de presentielijst. De secretaris draagt zorg voor het bijhouden van de presentielijst.

 

Artikel 22 Zitplaatsen

1. De voorzitter, de leden van het algemeen en dagelijks bestuur en de secretaris hebben een vaste zitplaats, door de voorzitter bij aanvang van iedere nieuwe zittingsperiode van de verenigde vergadering aangewezen.

2. Indien daartoe aanleiding bestaat, kan de voorzitter de indeling herzien.

 

Artikel 23 Opening vergadering; quorum

1. De voorzitter opent de vergadering op het vastgestelde uur, indien meer dan de helft van het aantal leden van de verenigde vergadering aanwezig is.

2. Wanneer een kwartier na het vastgestelde tijdstip niet het vereiste aantal leden aanwezig is, bepaalt de voorzitter, na voorlezing van de namen van de afwezige leden, de dag en het uur van de volgende vergadering.

 

Artikel 24 Begin bij hoofdelijke stemming

Alvorens de aangekondigde onderwerpen aan de orde te stellen deelt de voorzitter mede bij welk lid van de verenigde vergadering, de hoofdelijke stemming zal beginnen. Daartoe wordt bij loting een volgnummer van de presentielijst aangewezen; bij het daar genoemde lid begint de hoofdelijke stemming.

 

Artikel 25 Verslag

1. De verslaglegging als bedoeld in artikel 3, derde lid van dit reglement betreft een integrale opname (audioverslag) van de vergadering en een schriftelijk verslag hiervan.

2. Het schriftelijke verslag wordt zo mogelijk tegelijk met de stukken van de eerstvolgende vergadering beschikbaar gesteld.

3. Het schriftelijke verslag wordt openbaar gemaakt.

 

Artikel 26 Ingekomen stukken

1. Bij de verenigde vergadering ingekomen stukken worden op een lijst geplaatst. Deze lijst wordt aan de leden van de verenigde vergadering toegezonden en openbaar gemaakt via de website van het hoogheemraadschap.

2. De verenigde vergadering stelt, op voorstel van het dagelijks bestuur of de voorzitter, de wijze van afdoening van de ingekomen stukken vast.

 

Artikel 27 Aantal spreektermijnen

1. De beraadslaging over een onderwerp of voorstel geschiedt in ten hoogste twee termijnen, tenzij de verenigde vergadering anders beslist.

2. Elke spreektermijn wordt door de voorzitter afgesloten.

3. Een lid mag in een termijn niet meer dan één maal het woord voeren over hetzelfde onderwerp of voorstel.

4. Het derde lid is niet van toepassing op:

a. het lid van het college dat in het bijzonder is belast met het in behandeling zijnde onderwerp;

b. het lid dat een (sub)amendement, een motie of een initiatiefvoorstel heeft ingediend, voor wat betreft dat amendement, die motie of dat voorstel;

c. een lid dat toestemming krijgt van de voorzitter om een interruptie te plaatsen.

5. Bij de bepaling hoeveel malen een lid over hetzelfde onderwerp of voorstel het woord heeft gevoerd, wordt niet meegerekend het spreken over een persoonlijk feit of over een voorstel van orde.

 

Artikel 28 Spreektijd

Op voorstel van de voorzitter of een lid van het verenigde vergadering kan de verenigde vergadering voor daarbij te bepalen onderwerpen de spreektijd per fractie vaststellen.

 

Artikel 29 Handhaving orde

1. Een spreker mag in zijn betoog niet worden gestoord, tenzij :

a. de voorzitter het nodig oordeelt hem aan het opvolgen van dit reglement te herinneren;

b. een lid hem interrumpeert. De voorzitter kan bepalen dat de spreker zonder verdere interrupties zijn betoog zal afronden.

2. Indien een spreker, zich beledigende of onbetamelijke uitdrukkingen veroorlooft, afwijkt van het in behandeling zijnde onderwerp, een andere spreker herhaaldelijk interrumpeert, dan wel anderszins de orde verstoort, wordt hij door de voorzitter tot de orde geroepen. Indien de betreffende spreker, hieraan geen gevolg geeft, kan de voorzitter hem gedurende de vergadering, waarin zulks plaats heeft, over het aanhangige onderwerp het woord ontzeggen.

3. De voorzitter kan ter handhaving van de orde de vergadering voor een door hem te bepalen tijd schorsen.

4. De voorzitter kan de verenigde vergadering voorstellen aan een lid dat door zijn gedragingen de goede gang van zaken belemmert, het verdere verblijf in de vergadering te ontzeggen. Over het voorstel wordt niet beraadslaagd. Na aanneming ervan verlaat het lid de vergadering onmiddellijk; zo nodig doet de voorzitter hem verwijderen. Bij herhaling van zijn gedrag kan het lid bovendien voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering worden ontzegd.

5. De voorzitter is bevoegd toehoorders die de orde op enigerlei wijze verstoren, het verdere verblijf in de vergadering te ontzeggen; zo nodig doet de voorzitter hen verwijderen. Toehoorders, die bij herhaling de orde in de vergadering verstoren, kan de voorzitter de toegang tot de vergadering ontzeggen voor ten hoogste drie maanden.

 

Artikel 30 Spreekrecht toehoorders

1. Na de opening van de vergadering kan worden ingesproken over onderwerpen die op de agenda staan, maar ook over andere onderwerpen, met inachtneming van de volgende bepalingen.

2. Degene die van het spreekrecht gebruik wil maken, dient dit tevoren te melden bij de secretaris, onder vermelding van het onderwerp of agendapunt.

3. De voorzitter geeft de leden de gelegenheid vragen van feitelijke aard te stellen aan degene die van het spreekrecht gebruik heeft gemaakt, waarna betrokkene de vraag kan beantwoorden. Over gestelde vragen en antwoorden wordt niet beraadslaagd.

4. De voorzitter geeft het woord op volgorde van aanmelding. De voorzitter kan van de volgorde afwijken, indien dit in het belang is van de orde van de vergadering.

5. Elke inspreker krijgt maximaal vijf minuten het woord. De totale spreektijd voor de insprekers is maximaal dertig minuten. De voorzitter verdeelt de spreektijd evenredig over de sprekers als er meer dan zes sprekers zijn. De voorzitter kan tevens in bijzondere gevallen afwijken van de maximale lengte van de spreektijd.

6. De inspreker voert het woord nadat de voorzitter hem dit heeft verleend.

 

Artikel 31 Beraadslaging

1. De verenigde vergadering kan op voorstel van de voorzitter beslissen over één of meer onderdelen van een onderwerp of voorstel afzonderlijk te beraadslagen.

2. Op verzoek van een lid van de verenigde vergadering of op voorstel van de voorzitter kan de verenigde vergadering besluiten de beraadslaging voor een door hem te bepalen tijd te schorsen teneinde het dagelijks bestuur of de leden de gelegenheid te geven tot onderling nader beraad. De beraadslagingen worden hervat nadat de schorsingsperiode verstreken is.

 

Artikel 32 Deelname aan de beraadslaging door anderen

1. De verenigde vergadering kan bepalen dat anderen dan de in de vergadering aanwezige leden van de verenigde vergadering deelnemen aan de beraadslaging.

2. Een beslissing daartoe wordt op voorstel van de voorzitter genomen alvorens met de beraadslaging ten aanzien van het aan de orde zijnde agendapunt een aanvang wordt genomen.

3. Op degene die op grond van dit artikel is toegelaten deel te nemen aan de beraadslaging zijn de bepalingen van dit reglement van toepassing.

 

Artikel 33 Stemverklaring

Na het sluiten van de beraadslaging en voordat de verenigde vergadering tot stemming overgaat, heeft ieder lid het recht zijn stemgedrag te motiveren.

 

Artikel 34 Beslissing

1. Wanneer de voorzitter vaststelt dat een onderwerp of voorstel voldoende is toegelicht, sluit hij de beraadslaging, tenzij de verenigde vergadering anders beslist.

2. Nadat de beraadslaging is gesloten vindt, na een stemming over eventuele amendementen en subamendementen, de stemming plaats over het voorstel, zoals het dan luidt, in zijn geheel tenzij geen stemming wordt gevraagd.

3. Voordat de stemming over het voorstel in zijn geheel plaatsvindt, formuleert de voorzitter het voorstel over de te nemen eindbeslissing.

 

Artikel 35 Algemene bepalingen over stemming

1. De voorzitter vraagt of stemming wordt verlangd. Indien geen stemming wordt gevraagd en ook de voorzitter dit niet verlangt, stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder stemming is aangenomen.

2. In de vergadering aanwezige leden kunnen aantekening in het verslag vragen, dat zij geacht willen worden te hebben tegengestemd of zich op grond van artikel 38a Waterschapswet van stemming te hebben onthouden.

3. Indien door een of meer leden stemming wordt gevraagd, doet de voorzitter daarvan mededeling.

4. Stemming vindt plaats bij handopsteking, tenzij de voorzitter of één der leden hoofdelijke stemming verlangt.

5. De voorzitter verzoekt eerst de leden die voor zijn een hand op te steken; daarna verzoekt hij de leden die tegen zijn een hand op te steken. Wanneer de uitslag naar het oordeel van de voorzitter of slechts één lid niet duidelijk is, geschiedt alsnog stemming bij hoofdelijke oproeping.

6. Bij hoofdelijke stemming roept de voorzitter (of de secretaris) de leden van de verenigde vergadering bij naam op hun stem uit te brengen. De stemming begint bij het lid dat daarvoor overeenkomstig artikel 24 is aangewezen.

7. Bij hoofdelijke stemming is ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet van deelneming aan de stemming op grond van artikel 38a Waterschapswet moet onthouden verplicht zijn stem uit te brengen.

8. De leden brengen hun stem uit door het woord ‘voor’ of ‘tegen’ uit te spreken, zonder enige toevoeging.

9. Heeft een lid zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, dan kan hij deze vergissing nog herstellen voordat het volgende lid gestemd heeft. Bemerkt het lid zijn vergissing pas later, dan kan hij nadat de voorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft gemaakt wel aantekening vragen dat hij zich heeft vergist; in de uitslag van de stemming brengt dit echter geen verandering.

10. Tenzij de vergadering voltallig is, wordt bij staking van stemmen het nemen van een besluit uitgesteld tot een volgende vergadering, waarin de beraadslagingen kunnen worden heropend. Indien de stemmen staken in een voltallige vergadering of in een volgende vergadering bedoeld in de vorige volzin, is het voorstel niet aangenomen.

11. De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mede, met vermelding van het aantal voor en tegen uitgebrachte stemmen. Hij doet daarbij tevens mededeling van het genomen besluit.

 

Artikel 36 Stemming over amendementen en moties

1. Indien een amendement op een aanhangig voorstel is ingediend, wordt eerst over dat amendement gestemd.

2. Indien op een amendement een subamendement is ingediend, wordt eerst over het subamendement gestemd en vervolgens over het amendement.

3. Indien twee of meer amendementen of subamendementen op een aanhangig voorstel zijn ingediend, bepaalt de voorzitter de volgorde waarin hierover zal worden gestemd. Daarbij geldt de regel dat het meest verstrekkende amendement of subamendement het eerst in stemming wordt gebracht.

4. Indien aangaande een aanhangig voorstel een motie is ingediend, wordt eerst over de motie gestemd en vervolgens over het voorstel.

 

Artikel 37 Stemming over personen

1. Wanneer een stemming over personen voor het doen van een benoeming, het opstellen van een voordracht of een aanbeveling moet plaatshebben, benoemt de voorzitter 3 leden tot stembureau.

2. Ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet op grond van artikel 38a van de Waterschapswet van stemming moet onthouden is verplicht een stembriefje in te leveren. De stembriefjes dienen identiek te zijn.

3. Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te benoemen, voor te dragen of aan te bevelen. De verenigde vergadering kan op voorstel van de voorzitter beslissen dat bepaalde stemmingen worden samengevat op één briefje.

4. Het stembureau onderzoekt of het aantal ingeleverde stembriefjes gelijk is aan het aantal leden dat ingevolge het tweede lid verplicht is een stembriefje in te leveren. Wanneer de aantallen niet gelijk zijn worden de stembriefjes vernietigd zonder deze te openen en wordt een nieuwe stemming gehouden.

5. Voor het bepalen van de volstrekte meerderheid als bedoeld in artikel 38c van de Waterschapswet worden geacht geen stem te hebben uitgebracht die leden die geen behoorlijk stembriefje hebben ingeleverd.

6. Onder een niet behoorlijk ingevuld stembriefje wordt in ieder geval verstaan:

a. een blanco stembriefje;

b. een ondertekend stembriefje;

c. een stembriefje waarop meer dan één naam is vermeld, tenzij de stemming verschillende vacatures betreft;

7. In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje beslist de verenigde vergadering, op voorstel van de voorzitter.

8. Onder de zorg van de secretaris worden de stembriefjes onmiddellijk na vaststelling van de uitslag vernietigd.

 

Artikel 38 Herstemming over personen

1. Wanneer bij de eerste stemming niemand de volstrekte meerderheid heeft verkregen, wordt tot een tweede stemming overgegaan.

2. Wanneer ook bij deze tweede stemming door niemand de volstrekte meerderheid is verkregen, heeft een derde stemming plaats tussen twee personen, die bij de tweede stemming de meeste stemmen op zich hebben verenigd. Zijn bij de tweede stemming de meeste stemmen over meer dan twee personen verdeeld, dan wordt bij een tussenstemming uitgemaakt tussen welke twee personen de derde stemming zal plaatshebben.

3. Indien bij tussenstemming of bij de derde stemming de stemmen staken, beslist terstond het lot.

 

Artikel 39 Beslissing door het lot

1. Wanneer het lot moet beslissen, worden de namen van hen tussen wie de beslissing moet plaatshebben, door de voorzitter op afzonderlijke, geheel gelijke, briefjes geschreven.

2. Deze briefjes worden, nadat zij door het stembureau zijn gecontroleerd, op gelijke wijze gevouwen, in een stembokaal gedeponeerd en omgeschud.

3. Vervolgens neemt de voorzitter een van de briefjes uit de stembokaal. Degene wiens naam op dit briefje voorkomt, is gekozen.

 

Artikel 40 Amendementen

1. Ieder lid van de verenigde vergadering kan tot het sluiten van de beraadslagingen amendementen indienen. Een amendement kan het voorstel inhouden om een geagendeerd voorstel in één of meer onderdelen te splitsen, waarover afzonderlijke besluitvorming zal plaatsvinden. Er kan alleen beraadslaagd worden over amendementen die ingediend zijn door leden van de verenigde vergadering die de presentielijst getekend hebben en in de vergadering aanwezig zijn.

2. Ieder lid dat in de vergadering aanwezig is, is bevoegd op het amendement dat door een lid is ingediend, een wijziging voor te stellen (subamendement).

3. Elk (sub)amendement en elk voorstel moet om in behandeling genomen te kunnen worden schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend, tenzij de voorzitter - met het oog op het eenvoudige karakter van het voorgestelde - oordeelt, dat met een mondelinge indiening kan worden volstaan.

4. Een (sub)amendement dient zodanig te zijn geformuleerd dat de tekst ervan geschikt is om in het ontwerpbesluit te worden verwerkt.

5. Een (sub)amendement moet ondertekend door de indiener worden ingediend.

6. Intrekking, door de indiener(s), van het (sub)amendement is mogelijk, totdat de besluitvorming door de verenigde vergadering heeft plaatsgevonden.

 

Artikel 41 Moties

1. Ieder lid van de verenigde vergadering kan ter vergadering een motie indienen.

2. Een motie moet om in behandeling genomen te kunnen worden schriftelijk en ondertekend door de indiener bij de voorzitter worden ingediend.

3. De behandeling van een motie over een aanhangig onderwerp of voorstel vindt tegelijk met de beraadslaging over dat onderwerp of voorstel plaats.

4. De behandeling van een motie over een niet op de agenda opgenomen onderwerp vindt plaats nadat alle op de agenda voorkomende onderwerpen zijn behandeld.

 

Artikel 42 Voorstellen van orde

1. De voorzitter en ieder lid van de verenigde vergadering kunnen tijdens de vergadering mondeling een voorstel van orde doen, dat kort kan worden toegelicht.

2. Een voorstel van orde kan uitsluitend de orde van de vergadering betreffen.

3. Over een voorstel van orde beslist de verenigde vergadering terstond.

 

Artikel 43 Initiatiefvoorstel

1. Ieder lid heeft het recht voorstellen aan de verenigde vergadering te doen die buiten de agenda vallen.

2. Een initiatiefvoorstel moet om in behandeling genomen te kunnen worden schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend.

3. De voorzitter plaatst het voorstel op de agenda van de eerstvolgende vergadering, tenzij de schriftelijke oproep hiervoor reeds verzonden is. In dit laatste geval wordt het voorstel op de agenda van de daaropvolgende vergadering geplaatst.

4. De behandeling van het voorstel vindt plaats nadat alle op de agenda voorkomende voorstellen en onderwerpen zijn behandeld, tenzij de verenigde vergadering oordeelt dat:

a. het voorstel met het oog op de orde van de vergadering tezamen met een ander geagendeerd voorstel of onderwerp dient te worden behandeld;

b. het voorstel eerst dient te worden behandeld in een commissie;

c. het voorstel voor advies naar het dagelijks bestuur dient te worden gezonden. In dit geval bepaalt de verenigde vergadering in welke vergadering het voorstel opnieuw geagendeerd wordt.

5. De verenigde vergadering kan voorwaarden stellen aan de indiening en behandeling van een voorstel.

 

Artikel 44 Interpellatie

1. Het verzoek tot het houden van een interpellatie wordt, behoudens in naar het oordeel van de voorzitter spoedeisende gevallen, ten minste 48 uur voor de aanvang van de vergadering schriftelijk bij de voorzitter ingediend. Het verzoek bevat een duidelijke omschrijving van het onderwerp waarover inlichtingen worden verlangd alsmede de te stellen vragen.

2. De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden van de verenigde vergadering. Bij de vaststelling van de agenda van de eerstvolgende vergadering na indiening van het verzoek wordt het verzoek in stemming gebracht. de verenigde vergadering bepaalt op welk tijdstip tijdens de vergadering de interpellatie zal worden gehouden.

3. De interpellant voert niet meer dan tweemaal het woord, de overige leden van De verenigde vergadering niet meer dan eenmaal, tenzij de verenigde vergadering hen hiertoe toestemming geeft.

 

Artikel 45 Schriftelijke vragen

1. Ieder lid kan aan de voorzitter of aan het college schriftelijk vragen stellen.

2. Schriftelijke vragen worden kort en duidelijk geformuleerd. De vragen kunnen van een toelichting worden voorzien in de verenigde vergadering dan wel de betreffende inhoudelijke commissie. Bij de vragen wordt aangegeven, of schriftelijke of mondelinge beantwoording wordt verlangd.

3. De vragen worden bij de secretaris ingediend. Deze draagt er zorg voor dat de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden van de verenigde vergadering en het dagelijks bestuur of de voorzitter worden gebracht.

4. Schriftelijke beantwoording vindt zo spoedig mogelijk plaats, in ieder geval binnen zes weken, nadat de vragen zijn binnengekomen. Mondelinge beantwoording vindt plaats in de eerstvolgende verenigde vergaderingsvergadering. Indien beantwoording niet binnen deze termijnen kan plaatsvinden, stelt het dagelijks bestuur of de voorzitter de vragensteller hiervan gemotiveerd in kennis, waarbij de termijn aangegeven wordt, waarbinnen beantwoording zal plaatsvinden. Dit bericht wordt behandeld als een antwoord.

5. De antwoorden van het dagelijks bestuur of de voorzitter worden door tussenkomst van de secretaris aan de leden van de verenigde vergadering toegezonden.

6. De vragensteller kan, bij schriftelijke beantwoording in de eerstvolgende vergadering en bij mondelinge beantwoording in dezelfde vergadering, na de behandeling van de op de agenda voorkomende onderwerpen nadere inlichtingen vragen omtrent het door de voorzitter of door het dagelijks bestuur gegeven antwoord, tenzij de verenigde vergadering anders beslist.

 

Artikel 46 Inlichtingen

1. Indien een lid van de verenigde vergadering over een onderwerp inlichtingen als bedoeld in artikelen 89 en 97 van de Waterschapswet verlangt, wordt een verzoek daartoe, door tussenkomst van de secretaris schriftelijk ingediend bij het dagelijks bestuur of de voorzitter.

2. De secretaris draagt er zorg voor dat de overige leden van de verenigde vergadering een afschrift van dit verzoek krijgen.

3. De verlangde inlichtingen worden mondeling of schriftelijk in de eerstvolgende of in de daarop volgende vergadering gegeven.

4. De gestelde vragen en het antwoord vormen een agendapunt voor de vergadering, waarin de antwoorden zullen worden gegeven.

 

Artikel 47 Rondvraag

Voor de sluiting van de vergadering wordt gelegenheid geboden vragen te stellen over niet op de agenda voorkomende onderwerpen.

 

Artikel 48 Verslag en verantwoording

1. Een lid van de verenigde vergadering, een lid van het dagelijks bestuur, de voorzitter of de secretaris, die door het algemeen of dagelijks bestuur is aangewezen tot lid van de verenigde vergadering van een openbaar lichaam of van een ander gemeenschappelijk orgaan, ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen, heeft het recht (om in aansluiting op de behandeling van de lijst van ingekomen stukken òf voor het sluiten van de vergadering) verslag te doen over zaken die in de verenigde vergadering als bedoeld aan de orde zijn. Door de verenigde vergadering gewenste bespreking van dit verslag kan de voorzitter verwijzen naar de desbetreffende commissie.

2. Ieder lid van de verenigde vergadering kan aan een persoon als bedoeld in het eerste lid, schriftelijke vragen stellen. De regels voor het stellen van schriftelijke vragen zijn van overeenkomstige toepassing.

3. Wanneer een lid van de verenigde vergadering een persoon als bedoeld in het eerste lid ter verantwoording wenst te roepen over zijn wijze van functioneren als zodanig, besluit de verenigde vergadering over het toestaan daarvan. De regels voor het vragen van inlichtingen zijn van overeenkomstige toepassing.

4. De verenigde vergadering kan een door haar aangewezen lid van de verenigde vergadering van een openbaar lichaam of van een ander gemeenschappelijk orgaan als bedoeld in het eerste lid, als zodanig ontslag verlenen indien dit niet meer het vertrouwen van de verenigde vergadering bezit.

5. Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op andere organisaties of instituties, waarin het algemeen of dagelijks bestuur één van zijn leden heeft benoemd.

 

Artikel 49 algemeen

Op een besloten vergadering zijn de bepalingen van dit reglement van overeenkomstige toepassing voor zover deze bepalingen niet strijdig zijn met het besloten karakter van de vergadering.

 

Artikel 50 Verslag

1. Het vertrouwelijke verslag van een besloten vergadering wordt zo spoedig mogelijk in een besloten vergadering ter vaststelling aangeboden.

2. Tijdens deze vergadering neemt het algemeen bestuur een besluit over het al dan niet openbaar maken van dit verslag. Het vastgestelde verslag wordt door de voorzitter en de secretaris ondertekend.

 

Artikel 51 Geheimhouding

1. Voor de afloop van de besloten vergadering beslist de verenigde vergadering overeenkomstig artikel 37, derde en vierde lid, van de Waterschapswet of omtrent de inhoud van de stukken en het verhandelde geheimhouding zal gelden en daar desgewenst een termijn stellen.

2. De besluiten, die in een besloten vergadering zijn genomen, worden door de voorzitter zo spoedig mogelijk daarna bekendgemaakt, tenzij de verenigde vergadering heeft besloten dat ook ten aanzien daarvan - al dan niet voor een door haar gestelde termijn - geheimhouding zal gelden.

3. De verenigde vergadering kan besluiten de geheimhouding op te heffen. Dit besluit kan hij nemen in een vergadering die volgens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht. Indien de verenigde vergadering voornemens is de geheimhouding op te heffen, wordt, indien daarom wordt verzocht door het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd, in een besloten vergadering met het desbetreffende orgaan overleg gevoerd.

 

Artikel 52 Toehoorders en media

1. De toehoorders en vertegenwoordigers van de media kunnen uitsluitend op de voor hen bestemde plaatsen openbare vergaderingen bijwonen.

2. Het geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze verstoren van de orde is verboden.

 

Artikel 53 Geluid- en beeldregistraties

Degenen die in de vergaderzaal tijdens een openbare vergadering van de verenigde vergadering geluid- dan wel beeldregistraties willen maken doen hiervan mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar zijn aanwijzingen.

 

Artikel 54 Gebruik communicatiemiddelen

In de vergaderzaal, met inbegrip van de publieke tribune, is tijdens de vergadering het gebruik, alsmede het stand-by houden van mobiele telefoons of andere communicatiemiddelen toegestaan voor zover deze geen inbreuk maken op de orde van de vergadering, een en ander ter beoordeling van de voorzitter.

 

Artikel 55 Uitleg reglement

In de gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij twijfel over de toepassing van het reglement, beslist de verenigde vergadering op voorstel van de voorzitter.

 

Artikel 56 Inwerkingtreding

Dit reglement treedt direct na vaststelling in werking. Op dat tijdstip vervalt het reglement van orde voor de vergaderingen van de verenigde vergadering van het hoogheemraadschap van Rijnland vastgesteld bij besluit van 3 januari 2005.

Dit reglement wordt aangehaald als reglement van orde van de verenigde vergadering van het hoogheemraadschap van Rijnland.

Aldus besloten in de openbare vergadering van de verenigde vergadering op 13 maart 2019.

 

 

Bijlage

WETTELIJK KADER

Toelichting bij het Reglement van orde voor verenigde vergadering en commissie van het hoogheemraadschap Rijnland

Algemeen

Artikel 15 van het Reglement van bestuur voor hoogheemraadschap van Rijnland stelt:

“Het algemeen bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden vast.”

Nadere bepalingen ten aanzien van de inhoud van dit reglement van orde worden niet gegeven.

De Waterschapswet stelt in de artikelen 35 tot en met 37 regels omtrent de openbaarheid van vergaderingen van de verenigde vergadering en omtrent het opleggen van een plicht tot geheimhouding.

De artikelen 38 tot en met 39 van de Waterschapswet bepalen dat het stemmen zonder last plaatsvindt, geven regels omtrent stemmingen en geven de onschendbaarheid van de bestuursleden voor hetgeen ter vergadering wordt gezegd aan.

Hoewel de Waterschapswet te allen tijde naast het reglement van orde dient te worden gelezen, wordt hieronder nader ingegaan op de genoemde artikelen van de Waterschapswet. Daardoor ontstaat een compleet overzicht van de regels die van toepassing zijn op het verloop van de vergadering van de verenigde vergadering.

Fracties: ingezeten en geborgde zetels

De 21 zetels voor ingezetenen worden verdeel door middel van verkiezingen.

De 9 zetels voor geborgden worden benoemd door KvK/VNO-NCW (gebouwd; 4 zetels), LTO (ongebouwd; 4 zetels) en VBNE (natuurterreinen; 1 zetel)

Artikel 14 Waterschapswet

1. De vertegenwoordigers van de categorieën van belanghebbenden, bedoeld in artikel 12, tweede lid, onderdelen b en c, worden benoemd door de daartoe bij reglement aangewezen organisaties. Indien voor een categorie meer dan één organisatie wordt aangewezen wordt bij reglement bepaald op welke wijze de aangewezen organisaties tot een benoeming komen.

2. De vertegenwoordigers van de categorie van belanghebbenden, bedoeld in artikel 12, tweede lid, onderdeel d, worden benoemd door de Kamer van Koophandel op voordracht van de regionale raad van de regio van de Kamer van Koophandel, bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Wet op de Kamer van Koophandel, die gelegen is in het gebied van het desbetreffende waterschap. Indien binnen het gebied van een waterschap meer dan één regio gelegen is, wordt bij reglement bepaald op welke wijze de betrokken regionale raden tot een voordracht komen. Artikel 7, derde en vierde lid, van de Wet op de Kamer van Koophandel, zijn van toepassing op voordracht en benoeming krachtens dit lid met dien verstande dat voor «Onze Minister» telkens wordt gelezen: de Kamer van Koophandel.

3. De organisaties, bedoeld in de voorgaande leden, voorzien tijdig in een regeling omtrent de selectie en de benoeming van de vertegenwoordiger of vertegenwoordigers van de desbetreffende categorie van belanghebbenden en zenden de regeling ter kennisneming aan het waterschapsbestuur. Het waterschapsbestuur maakt de regelingen bekend.

Vergaderingen

Artikel 35 Waterschapswet

1. De vergadering van het algemeen bestuur wordt in het openbaar gehouden.

2. De deuren worden gesloten, wanneer tenminste een vijfde van het aantal leden dat de presentielijst heeft ondertekend daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt.

3. Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd.

4. Van een vergadering met gesloten deuren wordt een afzonderlijk verslag gemaakt dat niet openbaar wordt gemaakt, tenzij het algemeen bestuur anders beslist.

Uitgangspunt is dat de vergaderingen van de verenigde vergadering openbaar zijn. Dit sluit aan bij het bepaalde in artikel 133, lid 2, van de Grondwet waar staat dat de wet de verordenende en andere bevoegdheden van besturen van waterschappen regelt, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Een vergadering van de verenigde vergadering vindt plaats met gesloten deuren wanneer tenminste een vijfde van het aantal leden dat de presentielijst, als bedoeld in artikel 21 van dit reglement van orde, heeft getekend daarom verzoekt of de voorzitter dit nodig oordeelt. Wanneer de deuren gesloten zijn, beslist de verenigde vergadering vervolgens of de vergadering al dan niet besloten blijft. De omstandigheden die aanleiding kunnen zijn tot het sluiten van de deuren zijn niet in de wet of in het reglement van het waterschap genoemd. De verenigde vergadering dient zelf te overwegen of de belangen die met sluiting gediend zijn, dermate zwaarwegend zijn dat deze opwegen tegen het belang van de openbaarheid van de vergadering. Stukken die betrekking hebben op een vergadering met gesloten deuren zijn ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur wel verkrijgbaar, tenzij zich een uitzondering voordoet, zoals genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur.

Artikel 10 van de Wet openbaarheid bestuur luidt als volgt:

1. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit:

 a. de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen;

 b. de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden;

 c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld;

 d. persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van de Wet bescherming persoonsgegevens, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt.

2. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

 a. de betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale organisaties;

 b. de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen;

 c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten;

 d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen;

 e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer;

 f. het belang, dat de geadresseerde erbij heeft als eerste kennis te kunnen nemen van de informatie;

 g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.

3. Het tweede lid, aanhef en onder e, is niet van toepassing voorzover de betrokken persoon heeft ingestemd met openbaarmaking.

4. Het eerste lid, aanhef en onder c en d, het tweede lid, aanhef en onder e, en het zevende lid, aanhef en onder a, zijn niet van toepassing voorzover het milieu-informatie betreft die betrekking heeft op emissies in het milieu. Voorts blijft in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, het verstrekken van milieu-informatie uitsluitend achterwege voorzover het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het daar genoemde belang.

5. Het tweede lid, aanhef en onder b, is van toepassing op het verstrekken van milieu-informatie voor zover deze handelingen betreft met een vertrouwelijk karakter.

6. Het tweede lid, aanhef en onder g, is niet van toepassing op het verstrekken van milieu-informatie.

7. Het verstrekken van milieu-informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voorzover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:

 a. de bescherming van het milieu waarop deze informatie betrekking heeft;

 b. de beveiliging van bedrijven en het voorkomen van sabotage.

8. Voor zover het vierde lid, eerste volzin, niet van toepassing is, wordt bij het toepassen van het eerste, tweede en zevende lid op milieu-informatie in aanmerking genomen of deze informatie betrekking heeft op emissies in het milieu.

Van een vergadering met gesloten deuren wordt een afzonderlijk verslag gemaakt dat in principe niet openbaar is. De verenigde vergadering kan beslissen dat het verslag van deze vergadering wel openbaar is. Betreft het een verslag van de bespreking van stukken die vallen onder de geheimhoudingsplicht zoals geregeld in artikel 37 van de Waterschapswet, dan is het verslag niet openbaar.

Artikel 36 Waterschapswet

In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd of besloten over:

a. de toelating van nieuwe leden;

b. de vaststelling en wijziging van de begroting en de vaststelling van de rekening;

c. de invoering, wijziging en afschaffing van een waterschapsbelasting, en

d. de benoeming en het ontslag van leden van het dagelijks bestuur met uitzondering van de voorzitter

Dit artikel stelt duidelijk over welke zaken in een besloten vergadering niet kan worden beraadslaagd of besloten. De opgesomde onderwerpen zijn dermate belangrijk dat de beraadslaging en besluitvorming te allen tijde in een openbare vergadering dienen plaats te vinden.

Oproep vergadering, terinzagelegging en geheimhouding

Artikel 37 Waterschapswet

1. Het algemeen bestuur kan op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, geheimhouding opleggen omtrent het in een besloten vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken die aan de vergadering zijn overlegd. Geheimhouding omtrent het in een besloten vergadering behandelde wordt tijdens die vergadering overgelegd. De geheimhouding wordt door zowel hen die ter vergadering tegenwoordig waren, als door hen die op andere wijze van het behandelde of van de stukken kennis nemen, in acht genomen totdat het algemeen bestuur haar opheft.

2. Op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, kan de geheimhouding eveneens worden opgelegd door het dagelijks bestuur, de voorzitter, een commissie van het waterschap, ieder ten aanzien van de stukken die zij aan het algemeen bestuur of aan leden van dit bestuur overleggen. Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt

3. De krachtens het tweede lid van dit artikel aan het algemeen bestuur opgelegde verplichting tot geheimhouding vervalt, indien de oplegging niet door het algemeen bestuur in zijn eerstvolgende vergadering die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt bekrachtigd.

4. De krachtens het tweede lid van dit artikel aan de leden van het algemeen bestuur opgelegde verplichting tot geheimhouding wordt door hen in acht genomen totdat het orgaan dat de verplichting heeft opgelegd, dan wel indien het stuk waaromtrent de geheimhouding is opgelegd aan het algemeen bestuur is voorgelegd, totdat het algemeen bestuur haar opheft. Het algemeen bestuur kan deze beslissing alleen nemen in een vergadering die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht.

Dit artikel bepaalt dat de verenigde vergadering ten aanzien van hetgeen in een besloten vergadering wordt behandeld geheimhouding kan opleggen en deze ook weer kan opheffen. De verenigde vergadering kan deze plicht opleggen aan degenen die aanwezig zijn bij een besloten vergadering en aan hen die op andere wijze van het behandelde of van de stukken kennis nemen; dus niet alleen aan de leden van de verenigde vergadering maar ook aan bijvoorbeeld deskundigen of ambtenaren. De geheimhoudingsplicht dient in de besloten vergadering te worden opgelegd.

Het is niet mogelijk op een tijdstip na de besloten vergadering alsnog een geheimhoudingsplicht op te leggen (MvT, TK 19403, nummer 3, pagina 83). De door de verenigde vergadering opgelegde plicht tot geheimhouding dient in de eerstvolgende vergadering van de verenigde vergadering, waarbij blijkens de presentielijst als bedoeld in artikel 21 van het reglement van orde, meer dan de helft van het aantal bestuursleden aanwezig is, te worden bekrachtigd. Wordt de geheimhoudingsplicht wel bekrachtigd, dan wordt de plicht in acht genomen totdat de verenigde vergadering haar opheft. Het besluit tot opheffing kan alleen plaatsvinden in een vergadering van de verenigde vergadering waarbij, blijkens de presentielijst, meer dan de helft van het aantal leden aanwezig is. Omdat door opleggen van een geheimhoudingsplicht het grondrecht van de vrijheid van meningsuiting wordt beperkt, moet de beperking in een formeel wettelijke bepaling worden genormeerd. De inhoudelijke gronden zijn te vinden in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur (Stb. 1991, 703). De geheimhoudingsplicht geldt ook voor individuele bestuursleden die om vertrouwelijke inlichtingen hebben gevraagd (MvT, TK 19995, nr. 3, pag. 53).

Stemmen

Artikel 38 Waterschapswet

De leden van het algemeen bestuur stemmen zonder last.

De leden van het waterschapsbestuur zijn niet gebonden aan een mandaat van hun kiezers. De bestuursleden moeten hun beslissingen kunnen nemen onder evenwichtige afweging van alle belangen. Daartoe verplicht de eed (verklaring en belofte) die ze moeten afleggen hen al.

Artikel 38a Waterschapswet

1. Een lid van het algemeen bestuur neemt niet deel aan de stemming over:

a. een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken;

b. de vaststelling of goedkeuring der rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welks bestuur hij behoort.

2. Bij een schriftelijke stemming wordt onder het deelnemen aan de stemming verstaan het inleveren van een stembriefje.

3. Een benoeming gaat iemand persoonlijk aan, wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt.

4. Het eerste lid is niet van toepassing bij het besluit betreffende de toelating van de na periodieke verkiezing gekozen en benoemde leden.

Artikel 38b Waterschapswet

1. Een stemming is alleen geldig, indien meer dan de helft van het aantal leden dat zitting heeft en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen.

2. Het eerste lid is niet van toepassing:

a. ingeval opnieuw wordt gestemd over een voorstel of over een benoeming, voordracht of aanbeveling van een of meer personen ten aanzien van wie in een vorige vergadering een stemming op grond van dat lid niet geldig was;

b. voor zover het betreft onderwerpen die in een daaraan voorafgaande niet geopende vergadering aan de orde waren geweest.

Artikel 38c Waterschapswet

1. Voor het tot stand komen van een beslissing bij stemming wordt de volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht.

2. Bij een schriftelijke stemming wordt onder het uitbrengen van een stem verstaan het inleveren van een behoorlijk ingevuld stembriefje.

Met de opname van de artikelen 38a tot en met 38c uit de Waterschapswet worden bepaalde voorschriften die aanvankelijk in de reglementen van orde van de algemene besturen van de waterschappen waren opgenomen gestandaardiseerd.

Artikel 39 Waterschapswet

Zij die behoren tot het algemeen bestuur van het waterschap en anderen die deelnemen aan de beraadslaging kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor hetgeen zij in de vergadering van het algemeen bestuur hebben gezegd of schriftelijk hebben overlegd.

Benoeming en tussentijds ontslag leden dagelijks bestuur

Artikel 40 Waterschapswet

1. Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en een door het algemeen bestuur te bepalen aantal andere leden, waarvan ten minste één lid een vertegenwoordiger is van een van de categorieën van belanghebbenden bedoeld in artikel 12, tweede lid, onderdelen b, c of d.

2. Bij reglement kan worden bepaald welk aantal leden het dagelijks bestuur ten minste en ten hoogste telt.

Artikel 41 Waterschapswet

1. De leden van het dagelijks bestuur, met uitzondering van de voorzitter, worden door het algemeen bestuur benoemd.

2. De benoeming vindt plaats uit de leden van het algemeen bestuur. Indien bij de benoeming sprake is van een stemming, geschiedt deze stemming geheim.

3. Gedeputeerde staten kunnen, indien het reglement dat bepaalt, ontheffing verlenen van het bepaalde in het tweede lid. Geen ontheffing wordt verleend indien het de ombudsman of een lid van de ombudscommissie betreft als bedoeld in artikel 51b, eerste lid.

4. De leden van het dagelijks bestuur treden in ieder geval na de stemming, bedoeld in artikel J 6a van de Kieswet, af:

a. op het moment dat ten minste de helft van het door het algemeen bestuur te benoemen aantal leden van het dagelijks bestuur is benoemd en deze benoemingen zijn aanvaard; en

b. binnen drie maanden na het begin van de zittingsduur van het algemeen bestuur.

5. Het algemeen bestuur kan een of meer leden van het dagelijks bestuur, met uitzondering van de voorzitter, ontslag verlenen, indien deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezitten. Op het ontslagbesluit is artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

6. Indien het aantal leden van het dagelijks bestuur dat in functie is, minder bedraagt dan de helft van het door het algemeen bestuur vastgestelde aantal leden, treedt de voorzitter in de plaats van het dagelijks bestuur totdat dit aantal de hier bedoelde helft heeft bereikt.

Onschendbaarheid

De onschendbaarheid geldt niet alleen voor de leden van de verenigde vergadering, maar ook voor anderen die ter vergadering aanwezig zijn of stukken hebben opgesteld die ter vergadering worden besproken. Degenen die gebruikmaken van het spreekrecht als bedoeld in artikel 30 van het reglement van orde vallen niet onder dit artikel. Zij nemen formeel immers niet aan de beraadslagingen deel.