Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard

Verordening beleids- en verantwoordingsfunctie Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieHoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard
OrganisatietypeWaterschap
Officiële naam regelingVerordening beleids- en verantwoordingsfunctie Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard
CiteertitelVerordening beleids- en verantwoordingsfunctie Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard
Vastgesteld dooralgemeen bestuur
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Afschrijvingstermijnen Materiële vaste activa

(ex nota ‘Afschrijvingsbeleid’, vastgesteld door de verenigde vergadering op 8 oktober 2008)

Gronden en terreinen:

Op grond wordt niet afgeschreven. Onder de categorie terreinen vallen verbeteringswerken aan terreinen zoals bestratingen, uitgaven voor groenvoorziening, hekwerken etc. Hiervoor geldt een afschrijvingstermijn van 15 jaar.

Vervoermiddelen:

Hieronder valt het wagenpark van HHSK. Vervoermiddelen worden in 7 jaar afgeschreven.

Machines, apparaten en werktuigen:

Voor machines en vaartuigen wordt een afschrijvingstermijn van 8 jaar gehanteerd, voor overig materieel 5 jaar.

Bedrijfsgebouwen:

De investeringen die onder deze categorie vallen zijn voornamelijk van bouwkundige aard en worden in 40 jaar afgeschreven.

Woonruimten:

Deze categorie is voorgeschreven in het waterschapsbesluit.

Hieronder worden dienstwoningen opgenomen die in 40 jaar worden afgeschreven. Investeringen zoals veiligheidsvoorzieningen en meubilair worden in 10 jaar afgeschreven.

Grond-, weg- en waterbouwkundige werken:

Onder deze categorie valt een breed scala aan investeringen, hieronder een opsomming:

Primaire waterkeringen 25-40 jaar (zie opm 1)

Overige waterkeringen 10-30 jaar (zie opm 1)

Elektrotechnische voorzieningen 15 jaar

Kunstwerken waterkeringen 25-30 jaar (zie opm 1)

Watergangen 40 jaar

Gemalen 40 jaar

Gemalen: mechanisch-elektrisch 15 jaar

Kunstwerken waterbeheersing 40 jaar

Saneringswerkzaamheden waterbodems 40 jaar

Transportsystemen 30 jaar

Afvalwaterzuiveringsinstallaties: bouwkundig 30 jaar / mechanisch-elektrisch 15 jaar / bouwk. mech-elektrisch 25 jaar

Rioolgemalen: bouwkundig 30 jaar / mechanisch-elektrisch 15 jaar / bouwkundig mechanisch-elektrisch 25 jaar

Slibverwerkingsinstallaties 15 jaar

Reconstructiewerkzaamheden wegen 15 jaar

Wegbruggen 30 jaar

(opm 1) ) Voor primaire en overige waterkeringen en kunstwerken op waterkeringen is geen eenduidige afschrijvingstermijn opgenomen. Afhankelijk van het soort waterkering of kunstwerk zal de afschrijvingstermijn moeten worden bepaald, dit is afhankelijk van de feitelijke omstandigheden van de investering.

Overige materiële vaste activa:

In deze categorie staan alle overige investeringen die als materiële vaste activa worden aangemerkt. Hieronder valt in ieder geval de investeringen in hard- en software.

Hardware bestaat uit personal computers, netwerkapparatuur en meldsystemen en worden afgeschreven in 5 jaar.

Software betreft de verschillende applicaties die HHSK gebruikt en worden in 6 jaar afgeschreven.

Datum ondertekening inwerkingtredingsbesluit: 24-11-2010

Bron bekendmaking inwerkingtredingsbesluit: IJssel- en Lekstreek, 2010, 49

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Waterschapswet, artikel 77

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

16-12-2010artt. 4 en 5

24-11-2010

IJssel- en Lekstreek, 2010- 49

-
01-01-200916-12-2010nieuwe regeling

08-10-2008

IJssel- en Lekstreek, 2008 - 47

-

Tekst van de regeling

Intitulé

Aanhef

Aanhef

De verenigde vergadering van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard besluit,

gelet op artikel 108 van de Waterschapswet en hoofdstuk 4 van het Waterschapsbesluit, vast te stellen:

de Verordening op de uitgangspunten voor het beleid, voor het beheer en voor de inrichting van de beleids- en verantwoordingsfunctie van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen

Artikel 1 (definities)

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    het college: het college van Dijkgraaf en Hoogheemraden van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard;

  • b.

    administratie:

    het systematisch verzamelen, vastleggen en verwerken van gegevens alsmede het verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, het functioneren en het beheersen van (onderdelen van) de organisatie van het hoogheemraadschap en ten behoeve van de verantwoording die daarover moet worden afgelegd;

  • c.

    financiële administratie:

    het onderdeel van de administratie dat omvat het systematisch maken en verwerken van aantekeningen betreffende de financiële gegevens van (onderdelen van) de organisatie van het hoogheemraadschap, teneinde te komen tot een goed inzicht in:

    - de financiële positie;

    - het financieel beheer;

    - de uitvoering van de begroting;

    - de uitvoering van investeringsprojecten;

    - het afwikkelen van vorderingen en schulden;

    alsmede tot het afleggen van rekening en verantwoording daarover;

  • d.

    rechtmatigheid:

    de mate waarin in overeenstemming met geldende wet- en regelgeving, waaronder waterschapsverordeningen alsmede besluiten van de verenigde vergadering, wordt gehandeld;

  • e.

    doelmatigheid:

    de mate waarin bepaalde prestaties met een zo beperkt mogelijke inzet van middelen worden gerealiseerd;

  • e.

    doeltreffendheid:

    de mate waarin de beoogde doelen en effecten van het beleid ook daadwerkelijk worden behaald;

  • f.

    netto-kosten: lasten die aan een bepaald programma, product c.q. kostendrager worden toegerekend en waarvan zijn afgetrokken de baten (met uitzondering van de belasting– en andere algemene opbrengsten) die aan hetzelfde programma, product c.q. kostendrager worden toegerekend;

  • g.

    beleidsproducten: de beleidsproducten die zijn opgenomen in de door de Unie van Waterschappen vastgestelde BBP-productenstructuur;

  • h.

    beheerproducten: de beheerproducten die zijn opgenomen in de door de Unie van Waterschappen vastgestelde BBP-productenstructuur;

  • i.

    Waterschapswet: de Waterschapswet zoals deze luidt na het in werking treden van de Wet modernisering waterschapsbestel van 21 mei 2007 (Staatsblad 2007, 208);

  • j.

    Waterschapsbesluit: ‘Besluit van 29 november 2007, houdende regels met betrekking tot de waterschappen‘ (Staatsblad 2007, 497).

Hoofdstuk 2 Beleidsvoorbereiding en verantwoording

Kaderstelling

Artikel 2 (beleids- en verantwoordingscyclus)

  • 1.

    De verenigde vergadering stelt de onderdelen van de beleids- en verantwoordingscyclus voor het begrotingsjaar en de periode van de meerjarenraming vast en geeft aan op welk moment de onderdelen daarvan moeten worden aangeboden en wanneer deze zullen worden behandeld.

  • 2.

    Het waterbeheersplan maakt onderdeel uit van de beleids- en verantwoordingscyclus en wordt eenmaal in de zes jaar vastgesteld.

  • 3.

    Het college zorgt er voor dat de onderdelen van de beleids- en verantwoordingscyclus voldoen aan de relevante bepalingen van hoofdstuk 4 van het Waterschapsbesluit, aan relevante overige wetgeving en aan datgene wat in deze verordening wordt bepaald.

Artikel 3 (programma’s)

De verenigde vergadering stelt een programma-indeling vast.

Beleidsbepaling

Artikel 4 (kaders meerjarenbeleid)

Het college biedt de verenigde vergadering jaarlijks ter vaststelling de bevindingen aan over de beleidsuitvoering in het voorgaande begrotingsjaar en de kaders voor het beleid in de komende begrotingsjaren.

Artikel 5 (meerjarenraming)

  • 1.

    Het college biedt de verenigde vergadering jaarlijks ter vaststelling een meerjarenraming met toelichting aan met daarin het naar programma’s onderscheiden beleid en de financiële gevolgen daarvan voor het komende begrotingsjaar en ten minste de drie daaropvolgende jaren.

  • 2.

    In het onderdeel ‘financiering’ van de toelichting van de meerjarenraming worden opgenomen:

    a. een vermogensbehoeftenplanning;

    b. een beschouwing over de rente–ontwikkeling;

    c. een rentegevoeligheidanalyse.

Artikel 6 (ontwerp-begroting en geplande investeringen)

  • 1.

    Het college biedt de verenigde vergadering jaarlijks ter vaststelling een ontwerp-begroting aan waarin voorstellen worden gedaan voor het beleid in het volgende begrotingsjaar.

  • 2.

    Het college zorgt er voor dat er bij de begrotingsbehandeling een overzicht is geagendeerd van de investeringen waarvan de start van de uitvoering c.q. het moment van aanschaffing in het begrotingsjaar is gepland. In dit overzicht zijn opgenomen de raming van de investeringsuitgaven en van de aan de investeringen gerelateerde inkomsten.

Artikel 7 (vaststelling begroting en investeringskredieten)

  • 1.

    De verenigde vergadering autoriseert met het vaststellen van de begroting de netto-kosten die per programma zijn opgenomen alsmede de dekkingsmiddelen die zijn opgenomen in de begroting naar kostendragers.

  • 2.

    Op basis van het in artikel 6, tweede lid bedoelde overzicht van investeringen stelt de verenigde vergadering vast van welke investeringen zij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De uitgaven en inkomsten van de overige investeringen worden bij de begrotingsbehandeling geautoriseerd.

  • 3.

    Voor investeringen die in de loop van het begrotingsjaar in uitvoering worden genomen en waarvoor geen autorisatie is verleend bij de begrotingsbehandeling legt het college voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel en een voorstel voor het autoriseren van een investeringskrediet aan de verenigde vergadering voor.

  • 4.

    Het college zorgt er ten aanzien van de raming van de netto-kosten naar programma´s voor dat deze netto-kosten, door middel van kostentoerekening, eenduidig kunnen worden toegewezen aan de beleidsproducten en de beheerproducten.

Uitvoering, sturing en beheersing

Artikel 8 (uitvoering begroting)

  • 1.

    Het college zorgt voor het per programma verzamelen en vastleggen van gegevens over de maatregelen die getroffen zijn en prestaties die geleverd worden, de doelstellingen en effecten die bereikt worden en de netto-kosten die gemaakt worden, opdat de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid, door de verenigde vergadering, kunnen worden getoetst.

  • 2.

    Het college zorgt er voor dat de netto-kosten van de programma’s en de investeringsuitgaven, zoals geautoriseerd door de verenigde vergadering, niet worden overschreden; met in achtneming van hetgeen in art. 9 lid 2 en 3 is opgenomen.

  • 3.

    Het college zorgt er voor dat de dekkingsmiddelen die zijn opgenomen in de begroting en de inkomsten die in investeringskredieten zijn opgenomen, zoals geautoriseerd door de verenigde vergadering, niet worden onderschreden.

Artikel 9 (ruimte bij begrotingsuitvoering)

  • 1.

    Het college is bevoegd overschrijding van geautoriseerde netto-kosten te dekken uit het bedrag voor onvoorzien uit de begroting.

  • 2.

    Het college is bevoegd, zonder voorafgaande toestemming van de verenigde vergadering, de netto-kosten van een programma met 5 procent te overschrijden met een maximum van € 250.000 van de netto-kosten indien de middeleninzet past binnen het vastgestelde beleid en indien de hiervoor benodigde financiële ruimte elders binnen de begroting kan worden gevonden. Voor het programma ‘Dekkingsmiddelen’ is het college bevoegd, zonder voorafgaande toestemming van de verenigde vergadering, de inkomsten met 1 procent te onderschrijden indien de hiervoor benodigde financiële ruimte elders binnen de begroting kan worden gevonden.Dergelijke overschrijdingen cq onderschrijdingen worden achteraf aan de verenigde vergadering gerapporteerd.

  • 3.

    Het college is bevoegd, zonder voorafgaande toestemming van de verenigde vergadering, de voor een investering geraamde uitgaven met 10% te overschrijden en de geraamde inkomsten met 10% te onderschrijden indien deze mutaties passen binnen het vastgestelde beleid. Een dergelijke over- cq onderschrijding wordt achteraf aan de verenigde vergadering gerapporteerd.

Rapportage en interne verantwoording

Artikel 10 (actieve informatieplicht, tussentijdse rapportage en begrotingswijzigingen)

  • 1.

    Het college informeert de verenigde vergadering zo spoedig mogelijk indien de realisatie van het beleid in betekenende mate afwijkt van hetgeen in de begroting is opgenomen.

  • 2.

    Het college informeert de verenigde vergadering door middel van tussentijdse rapportages over de realisatie van het beleid dat in de begroting is opgenomen en over de uitvoering van investeringen.

  • 3.

    De inrichting van de tussentijdse rapportages sluit aan bij de programma-indeling van de begroting.

  • 4.

    De rapportages gaan in op afwijkingen van betekenende mate, zowel wat betreft de middeleninzet, de maatregelen die getroffen en prestaties die geleverd worden, als de doelstellingen en effecten die bereikt worden.

  • 5.

    In de rapportages wordt voorts in ieder geval aandacht besteed aan afwijkingen van betekenende mate van:

    - de besteding van investeringsuitgaven en realisatie van investeringsinkomsten;

    - de dekkingsmiddelen die zijn opgenomen in de begroting naar kostendragers;

    - de rente-ontwikkeling op de kapitaalmarkt.

  • 6.

    Indien noodzakelijk doet het college in de rapportages voorstellen voor wijziging van de geautoriseerde budgetten en investeringskredieten alsmede bijstellingen van het beleid. Zo nodig legt het college een voorstel tot begrotingswijziging aan de verenigde vergadering voor.

Artikel 11 (jaarverslaggeving)

  • 1.

    Het college legt na afloop van ieder begrotingsjaar aan de verenigde vergadering verantwoording af over de uitvoering van de programma’s door middel van het ter vaststelling aanbieden van het jaarverslag en de door de accountant gecontroleerde jaarrekening.

  • 2.

    De verenigde vergadering bepaalt aan de hand van de uitvoering van de programma’s of de beleidsdoelen van de programma’s voor het lopende jaar bijstelling behoeven.

  • 3.

    Het college zorgt er ten aanzien van de realisatie van de netto-kosten naar programma´s voor dat deze netto-kosten, door middel van kostentoerekening, eenduidig kunnen worden toegewezen aan de beleidsproducten en de beheerproducten.

Hoofdstuk 3 Uitgangspunten financieel beleid

Artikel 12 (financieel beleid algemeen)

  • 1.

    Het college doet voorstellen aan de verenigde vergadering die zijn gericht op een volledig en actueel beleid van het hoogheemraadschap ten aanzien van de volgende onderwerpen:

    • a.

      waardering en afschrijving van activa;

    • b.

      weerstandsvermogen, risicomanagement, reserves en voorzieningen;

    • c.

      kostentoerekening en onderbouwing tarieven;

  • 2.

    Het college zorgt er voor dat de in het eerste lid bedoelde voorstellen in overeenstemming zijn met de relevante bepalingen van hoofdstuk 4 van het Waterschapsbesluit, met andere regelgeving die van toepassing is en met de in het vervolg van deze verordening opgenomen eisen.

Artikel 13 (waardering en afschrijving van activa)

  • 1.

    Het beleid ten aanzien van waardering en afschrijving van activa omvat in ieder geval:

    • a.

      dat investeringen met verkrijgingsprijs of vervaardigingsprijs lager dan € 25.000 niet worden geactiveerd;

    • b.

      de wijze waarop het hoogheemraadschap omgaat met de verplichtingen uit het Waterschapsbesluit dat de bijdragen van eigen personeel, de rente over het tijdvak dat aan de vervaardiging van het actief kan worden toegerekend en de mogelijkheid dat een redelijk deel van de kosten van ondersteunende diensten van het hoogheemraadschap in de vervaardigingsprijs van vaste activa worden opgenomen;

    • c.

      de afbakening tussen investering en onderhoud;

    • d.

      de afschrijvingsmethode.

  • 2.

    Uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling worden lineair in 5 jaar afgeschreven voor zover de betreffende uitgaven op grond van artikel 4.63 van het Waterschapsbesluit mogen worden geactiveerd.

  • 3.

    De uitgaven groter dan € 25.000 voor het afsluiten van geldleningen worden lineair afgeschreven in de jaren van de looptijd van de betreffende geldlening. Uitgaven voor het afsluiten van overige geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht.

  • 4.

    Bijdragen in activa in eigendom van derden worden afgeschreven gedurende het aantal jaren dat de betreffende activa naar verwachting door de derde zullen worden geëxploiteerd en voor zover de betreffende uitgaven op grond van artikel 4.64 van het Waterschapsbesluit mogen worden geactiveerd.

  • 5.

    De overige materiële vaste activa worden lineair afgeschreven. De daarbij behorende afschrijvingstermijnen zijn door de verenigde vergadering vastgesteld in de ‘Nota afschrijvingsbeleid’.

Artikel 14 (weerstandsvermogen, risicomanagement, reserves en voorzieningen)

  • 1.

    Het beleid omtrent het weerstandsvermogen, risicomanagement, reserves en voorzieningen omvat in ieder geval:

    • a.

      een beschrijving van de risico´s die het hoogheemraadschap loopt;

    • b.

      de weerstandscapaciteit van het hoogheemraadschap, zijnde de middelen en mogelijkheden van het hoogheemraadschap om niet begrote kosten en risico’s te dekken;

    • c.

      het opvangen van risico’s door verzekeringen, voorzieningen, reserves, de weerstandscapaciteit of anderszins;

    • d.

      de vorming en besteding van reserves;

    • e.

      de vorming en besteding van voorzieningen;

    • f.

      de berekening en verwerking van rente over de reserves en de voorzieningen.

  • 2.

    Als element van het in het eerste lid onder d bedoelde onderdeel reserves wordt voor de reserves die onderdeel uitmaken van de algemene reserves en voor de bestemmingsreserves die niet zijn bedoeld voor tariefsegalisatie per reserve ingegaan op de aard, reden en gewenste omvang.

  • 3.

    Als element van het in het eerste lid onder e bedoelde onderdeel voorzieningen wordt per voorziening ingegaan op de aard, reden en gewenste (bij onderhoudsvoorzieningen) of noodzakelijke (bij overige voorzieningen) omvang .

Artikel 15 (kostentoerekening en onderbouwing tarieven)

  • 1.

    Het beleid omtrent kostentoerekening en onderbouwing van tarieven omvat in ieder geval:

    • a.

      een beschrijving van het kostentoerekeningssysteem;

    • b.

      de wijze waarop het hoogheemraadschap invulling geeft aan de eis uit het Waterschapsbesluit dat de kostentoerekening plaatsvindt op basis van objectieve, bedrijfseconomische criteria;

    • c.

      de kwantitatieve grondslagen die onderdeel vormen van de kostentoerekeningssystematiek;

    • d.

      de methodiek voor de berekening van de rentelasten van vaste activa;

    • e.

      de onderbouwing van de tarieven die gelden voor de door het bestuur in rekening te brengen rechten als bedoeld in artikel 115 van de Waterschapswet, zijnde rechten ter zake van:

      - het gebruik overeenkomstig de bestemming van voor de openbare dienst bestemde bezittingen van het hoogheemraadschap of van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij het hoogheemraadschap in beheer of in onderhoud zijn;

      - het genot van door of vanwege het bestuur van het hoogheemraadschap verstrekte diensten;

      - het behandelen van verzoeken tot het verlenen van vergunningen of ontheffingen;

    • f.

      de onderbouwing van de prijs van producten en diensten die het hoogheemraadschap aan derden kan leveren, waaronder ook begrepen verhuur, verkoop en erfpacht van onroerende zaken, alsmede de kosten van bestuursdwang, en waarbij onderscheid wordt gemaakt in directe kosten, indirecte kosten en toegerekende kosten;

    • g.

      de mate van kostendekkendheid van de onder e en f bedoelde tarieven.

  • 2.

    Het college zorgt er voor dat er een actueel overzicht is van de tarieven, prijzen en kosten van de in dit artikel bedoelde rechten, diensten en zaken.

Artikel 16 (financiering)

  • 1.

    Het college zorgt er voor dat bij de uitoefening van de financieringsfunctie:

    • a.

      goede ondersteuning plaatsvindt van uitsluitend de taken die in het reglement aan het hoogheemraadschap zijn opgedragen;

    • b.

      een continue toegang tot de financiële markten is;

    • c.

      voldoende financiële middelen worden aangetrokken en overtollige gelden worden uitgezet om de programma’s binnen de door de verenigde vergadering vastgestelde kaders van de meerjarenraming en de begroting te kunnen uitvoeren;

    • d.

      de volgende risico’s verbonden aan de financieringsfunctie worden beheerst: renterisico’s, kredietrisico’s, interne liquiditeitsrisico’s, koersrisico’s en valutarisico’s;

    • e.

      de kosten van de leningen zo veel mogelijk worden beperkt en er een voldoende rendement op de uitzettingen wordt bereikt;

    • f.

      een bijdrage wordt geleverd aan het bereiken van een financiële balansstructuur die dienstbaar is aan de doelstellingen van het hoogheemraadschap;

    • g.

      de interne verwerkingskosten en externe kosten bij het beheren van de geldstromen en financiële posities worden beperkt.

  • 2.

    Het risicobeheer van het hoogheemraadschap wordt gebaseerd op de volgende uitgangspunten:

    • a.

      ten opzichte van de taken die in het reglement aan het hoogheemraadschap zijn opgedragen heeft de financieringsfunctie een ondersteunende rol. Financiering volgt en is dienstbaar aan deze taken;

    • b.

      de uitvoering van de financieringsfunctie voegt geen financiële risico’s toe aan degene die zijn verbonden aan de uitvoering van de taken die in het reglement aan het hoogheemraadschap zijn opgedragen, maar is er op gericht toekomstige risico’s te verminderen of te verschuiven;

    • c.

      bij het uitzetten van middelen, het verstrekken van garanties en het aangaan van financiële participaties uit hoofde van de publieke taak bedingt het college indien mogelijk zekerheden;

    • d.

      het wettelijk kader van de Wet Financiering Decentrale Overheden (Wet Fido) wordt als uitgangspunt voor het beheersen van renterisico’s gehanteerd;

    • e.

      wat betreft de toekomstige omvang en samenstelling van de portefeuille vlottende opgenomen en verstrekte leningen wordt de kasgeldlimiet van de Wet Fido in acht genomen.

    • f.

      wat betreft de toekomstige omvang en samenstelling van de portefeuille vaste opgenomen en verstrekte leningen wordt de renterisiconorm van de Wet Fido in acht genomen;

    • g.

      de verenigde vergadering wordt geïnformeerd indien de kasgeldlimiet of de renterisiconorm dreigen te worden overschreden.

  • 3.

    Het college neemt bij de uitvoering van de financieringsfunctie de richtlijnen en limieten in acht, onder volledige naleving van wat daarover in de Wet Fido wordt bepaald.In het door het college op te stellen Treasurystatuut (art 24, lid 1, sub i), wordt aangegeven voor welke bedragen en onder welke voorwaarden het college middelen mag aantrekken en uitzetten. Over bedragen die afwijken van deze limieten en voorwaarden wordt de verenigde vergadering vooraf geïnformeerd en kan de verenigde vergadering haar zienswijze kenbaar maken.

Hoofdstuk 4 Paragrafen in begroting en jaarverslag

Artikel 17 (algemeen)

  • 1.

    Het college zorgt er voor dat de paragrafen in begroting en in het jaarverslag voldoen aan de relevante bepalingen van het Waterschapsbesluit en aan de in deze verordening opgenomen aanvullende eisen.

  • 2.

    In de hieronder genoemde paragrafen van de begroting wordt ingegaan op de wijze waarop in het begrotingsjaar invulling zal worden gegeven aan het desbetreffende onderdeel van het in artikel 12 bedoelde beleid.

  • 3.

    Indien het in het tweede lid bedoelde beleid afwijkt van de in artikel 12 bedoelde beleidkaders, wordt daarop in de betreffende paragraaf ingegaan, waarbij de reden van afwijking wordt vermeld.

  • 4.

    De paragrafen van het jaarverslag bevatten de verantwoording van hetgeen in de overeenkomstige paragrafen van de begroting is opgenomen. Indien tijdens de realisatie is afgeweken van de kaders die zijn vastgelegd in het desbetreffende onderdeel van het in artikel 12 bedoelde beleid wordt daarop specifiek ingegaan, waarbij de reden van afwijking wordt vermeld.

Artikel 18 (paragraaf weerstandsvermogen)

  • 1.

    Het college geeft in de paragraaf weerstandsvermogen van de begroting en van het jaarverslag de risico’s van materieel belang weer. Het college brengt hierbij in elk geval de risico’s in beeld en actualiseert de risico’s die worden genoemd in het beleid bedoeld in artikel 14.

  • 2.

    Het college geeft in de paragraaf weerstandsvermogen van de begroting en van het jaarverslag aan wat de weerstandscapaciteit is en in hoeverre schade en verliezen als gevolg van de risico’s van materieel belang met de weerstandscapaciteit kunnen worden opgevangen.

Artikel 19 (paragraaf bedrijfsvoering)

  • 1.

    In de bedrijfsvoeringsparagraaf in de begroting gaat het college in op de tijdelijke en actuele onderwerpen die aandacht behoeven.

  • 2.

    In de bedrijfsvoeringsparagraaf in het jaarverslag wordt gerapporteerd over nieuwe ontwikkelingen. Daarnaast wordt speciale aandacht gegeven aan:

    • a.

      de organisatie-ontwikkeling;

    • b.

      het aantal personeelsleden in dienst, onderverdeeld naar leeftijd en beloningsschaal;

    • c.

      de instroom, uitstroom en het percentage ziekteverzuim van het personeel;

    • d.

      de kosten van ingehuurde externen.

  • 3.

    Het college rapporteert in de bedrijfsvoeringsparagraaf van de begroting en het jaarverslag over de plannen en voortgang van de onderzoeken naar de doelmatigheid en doeltreffendheid.

Artikel 20 (paragraaf verbonden partijen)

In de begroting en het jaarverslag wordt in de paragraaf verbonden partijen in elk geval ingegaan op nieuwe verbonden partijen, het beëindigen van relaties met bestaande verbonden partijen, wijzigingen bij of ten aanzien van bestaande verbonden partijen en eventuele problemen bij bestaande verbonden partijen.

Artikel 21 (paragraaf financiering)

In de begroting en het jaarverslag doet het college in de paragraaf financiering in ieder geval verslag van:

  • a.

    de algemene interne en externe ontwikkelingen die van invloed zijn op de financieringsfunctie;

  • b.

    de afwijkingen ten opzichte van het in de meerjarenraming verwoorde beleid;

  • c.

    de ontwikkeling van de rente (rentevisie);

  • d.

    de liquiditeitsprognose en de financieringsbehoefte;

  • e.

    de kasgeldlimiet;

  • f.

    de renterisiconorm;

  • g.

    de rentekosten en rente-opbrengsten verbonden aan de financieringsfunctie;

  • h.

    de plannen inzake het risicobeheer, inclusief de eventuele inzet van derivaten.

Hoofdstuk 5 Administratie en organisatie

Artikel 22 (administratie)

Het college zorgt er voor dat de administratie zodanig van opzet en werking is, dat zij in ieder geval dienstbaar is aan:

  • a.

    het sturen en het beheersen van activiteiten en processen;

  • b.

    het geven van een actueel en volledig inzicht in de bezittingen van het hoogheemraadschap, waaronder ook worden begrepen de niet-geactiveerde objecten met cultuurhistorische waarde (waaronder panden, bedrijfsgebouwen, bedrijfsmiddelen en kunstvoorwerpen) alsmede overige investeringen die niet zijn geactiveerd;

  • c.

    het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van activa, voorraden, vorderingen, schulden, rechten, verplichtingen, ontvangsten, betalingen, kosten en opbrengsten;

  • d.

    het verschaffen van informatie over baten, lasten, prestaties, maatregelen en effecten aan budgethouders voor zowel de planning, de uitvoering als de verantwoording van de realisatie;

  • e.

    het doelmatig beheer van geldstromen en financiële posities;

  • f.

    de interne en externe informatievoorziening over de uitvoering van de financieringsfunctie;

  • g.

    het verkrijgen van inzicht in en bevorderen van de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde beleid in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving;

  • h.

    het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde beleid in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving;

  • i.

    de controle van de registratie van gegevens en de controle op rechtmatigheid, doelmatigheid en doeltreffendheid van het gevoerde beleid.

Artikel 23 (financiële administratie)

Het college zorgt er voor dat:

  • a.

    de inrichting en de werking van de financiële administratie voldoen aan het Waterschapsbesluit en andere relevante wet- en regelgeving;

  • b.

    de financiële administratie tijdig alle door de verenigde vergadering en het college genomen besluiten waaraan financiële gevolgen verbonden zijn alsmede alle overige gegevens en stukken verstrekt krijgt die ten behoeve van een juiste verzorging van de financiële administratie, de verslaggeving en het beheer van de vermogenswaarden nodig is;

  • c.

    de vereiste informatie tijdig verstrekt wordt aan het rijk, de provincie(s), de Europese Unie en het Centraal Bureau voor de Statistiek, alsmede aan andere instellingen die specifieke verantwoordingsverplichtingen opleggen aan het hoogheemraadschap.

Artikel 24 (organisatie en administratieve organisatie)

  • 1.

    Het college zorgt voor en legt (in een besluit) vast:

    • a.

      een eenduidige indeling van de organisatie van het hoogheemraadschap en een eenduidig toewijzing van de taken van het hoogheemraadschap aan organisatorische eenheden;

    • b.

      een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden, verantwoordelijkheden, zodat aan de eisen van interne controle wordt voldaan en de betrouwbaarheid van de verstrekte informatie aan beleids- en beheersorganen is gewaarborgd;

    • c.

      de wijze waarop wordt gewaarborgd dat de uitvoering van de begroting rechtmatig, doelmatig en doeltreffend verloopt;

    • d.

      de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten;

    • e.

      de te maken afspraken met de verantwoordelijken voor organisatorische eenheden over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen;

    • f.

      de regels voor de verlening van decharge over het gevoerde beheer van de organisatorische eenheden;

    • g.

      de interne regels (protocol) voor de inkoop en aanbesteding van werken, diensten en leveringen die waarborgen dat wordt gehandeld in overeenstemming met de Europese en nationale regels ter zake;

    • h.

      regels die aangeven welke elementen in ieder geval moeten worden opgenomen in voorstellen voor investeringsbesluiten die aan het algemeen of dagelijks bestuur worden voorgelegd;

    • i.

      regels ter uitvoering van het gestelde in artikel 16, die samen met regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening in een Treasurystatuut worden opgenomen;

    • j.

      de wijze waarop wordt voorkomen dat misbruik en oneigenlijk gebruik van regelingen en eigendommen van het hoogheemraadschap wordt gemaakt.

    • k.

      de wijze waarop de gegevensbestanden worden veilig gesteld.

  • 2.

    Het college actualiseert de in het eerste lid bedoelde organisatie en regeling zodra hiertoe aanleiding is.

Hoofdstuk 6 Slotbepalingen

Artikel 25 (inwerkingtreding)

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking met ingang van het begrotingsjaar 2009, met dien verstande dat de begroting, de jaarverslaggeving, de uitvoeringsinformatie en de informatie voor derden en de daarbij behorende toelichtingen, zoals bedoeld in de Waterschapswet, het Waterschapsbesluit en deze verordening, die betrekking hebben op het begrotingsjaar 2009 en latere begrotingsjaren voldoen aan de bepalingen van deze verordening.

  • 2.

    De meerjarenramingen die worden opgesteld in de begrotingsjaren met ingang van 2009 voldoen aan de bepalingen van deze verordening.

  • 3.

    De ‘Verordening financieel beheer Schieland en de Krimpenerwaard 2007’, die is vastgesteld door de verenigde vergadering op 27 november 2007, vervalt, met dien verstande dat zij van kracht blijft ten aanzien van de begrotingsjaren tot en met 2008.

Artikel 26 (citeertitel)

Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Verordening beleids- en verantwoordingsfunctie Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard’.

Rotterdam, 8 oktober 2008

Toelichting algemeen en artikelsgewijs

Toelichting op de Verordening beleids- en verantwoordingsfunctie

Algemeen

1 Inleiding

Artikel 108 van de nieuwe Waterschapswet stelt dat de verenigde vergadering een verordening moet vaststellen die betrekking heeft op ‘het financieel beleid, het financieel beheer en de financiële organisatie' van het hoogheemraadschap. Het artikel luidt als volgt:

  • 1. Het algemeen bestuur stelt bij verordening de uitgangspunten voor het financiële beleid, alsmede voor het financiële beheer en voor de inrichting van de financiële organisatie vast. Deze verordening waarborgt dat aan de eisen van rechtmatigheid, verantwoording en controle wordt voldaan.

  • 2. De verordening bevat in ieder geval:

  • a. regels voor waardering en afschrijving van activa;

  • b. grondslagen voor de berekening van door het waterschapsbestuur in rekening te brengen prijzen en van tarieven voor rechten als bedoeld in artikel 115;

  • c. regels inzake de algemene doelstellingen en de te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie, alsmede inzake de administratieve organisatie van de financieringsfunctie, daaronder begrepen taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening.

2 Doel en reikwijdte van de verordening

Het doel van artikel 108 is dat de verenigde vergadering de uitgangspunten vastlegt voor de uitvoering van de ‘financiële functie'. Het beleidsmatige karakter van deze functie is in de afgelopen jaren door diverse ontwikkelingen steeds groter geworden. Waar vroeger de nadruk veelal lag op beheersmatige en vooral financiële aspecten, is nu de term beleids- en verantwoordingsfunctie meer op zijn plaats.

Dit betekent ook dat de begrippen uit artikel 108 breder dan ‘financieel' moeten worden opgevat en dat artikel 108 betrekking heeft op de beleids- en verantwoordingsfunctie. Deze functie is een verzamelbegrip voor alle onderwerpen die te maken hebben met de voorbereiding van meerjarenraming en begroting, de uitvoering en beheersing van het daarin opgenomen beleid en de verantwoording daarover, zowel intern als extern. Het zijn onderwerpen waarbij vooral de verenigde vergadering een centrale rol vervult. De verenigde vergadering neemt aan de voorkant beslissingen en controleert lopende en na afloop van de uitvoering voor een bepaald begrotingsjaar op basis van de begroting. Dit maakt dat de beleids- en verantwoordingsfunctie essentieel is voor het functioneren van het hoogheemraadschap.

3 Gehanteerde uitgangspunten

Deze verordening is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:

1. de verordening werkt de taakverdeling tussen algemeen en dagelijks bestuur uit, hetgeen tot uitdrukking komt in elementen van de beleids- en verantwoordingfunctie die van toepassing zijn op de verenigde vergadering en het college, waaronder de beleids- en verantwoordingscyclus;

2. de verordening sluit aan bij de opzet van en geeft een nadere invulling aan de Bepalingen Beleidsvoorbereiding en Verantwoording Waterschappen (BBVW), de nieuwe verslaggevingregels (opvolgers van de comptabiliteitsvoorschriften);

3. met de verordening wordt een bijdrage geleverd aan de uniformiteit tussen en daarmee de vergelijkbaarheid van waterschappen.

3.1 Taakafbakening verenigde vergadering - college

De taakverdeling tussen de verenigde vergadering en het college is op hoofdlijnen als volgt te omschrijven:

  • door middel van deze verordening en de verordening op basis van de artikel 109 van de Waterschapswet geeft de verenigde vergadering het college een aantal kaders mee waarbinnen beleidsvoorstellen moeten worden gedaan en de wijze waarop het beleid moet worden uitgevoerd ;

  • de verenigde vergadering spreekt zich bij de behandeling van de meerjarenraming uit over het meerjarig beleid van het hoogheemraadschap en de financiële consequenties daarvan;

  • op basis van een voorstel van het college stelt de verenigde vergadering via de begroting het beleid van het hoogheemraadschap voor het komend jaar vast (beleidsbepaling) en de (financiële) middelen beschikbaar die maximaal bij de beleidsuitvoering mogen worden ingezet;

  • over het vastgestelde beleid en de benodigde middelen kan transparant naar de samenleving worden gecommuniceerd;

  • het is vervolgens aan het college om het beleid uit te voeren, waarbij de beschikbaar gestelde middelen mogen worden ingezet. Het college moet er voor zorgen dat deze middeleninzet rechtmatig, doeltreffend en doelmatig is: door middel van een goede uitvoering en interne organisatie moet er voor worden gezorgd dat de beleidsdoelen daadwerkelijk worden bereikt (doeltreffendheidvraag), dat dit met zo min mogelijk middeleninzet gebeurt (doelmatigheidsvraag) en dat de middelen worden ingezet zoals is toegestaan (rechtmatigheidvraag);

  • lopende het begrotingsjaar informeert het college de verenigde vergadering over de beleidsuitvoering en na afloop van het begrotingsjaar legt het college hierover verantwoording af. Hierbij wordt aangegeven of de gestelde doelen en prestaties worden c.q. zijn gehaald en welke middeleninzet gerealiseerd zal worden c.q. gerealiseerd is en hoe het met de doelmatig- en rechtmatigheid is gesteld;

  • op basis van deze rapportages kan de verenigde vergadering een oordeel geven en indien noodzakelijk het beleid en/of de uitvoering daarvan bijstellen;

  • uiteindelijk kan de verenigde vergadering verantwoording afleggen aan de samenleving.

3.2 Aansluiting verordening op opzet nieuwe verslaggevingregels

De Bepalingen Beleidsvoorbereiding en Verantwoording Waterschappen (BBVW) geven de algemene regels die de wetgever voor de beleids- en verantwoordingsfunctie stelt. In deze verordening worden de regels van het besluit vertaald naar de situatie en inzichten van ons Hoogheemraadschap.

3.3 Bijdrage aan de uniformiteit en vergelijkbaarheid van waterschappen

In het Interdepartementaal Beleidsonderzoek financiering waterbeheer (IBO) dat ten grondslag lag aan de Wet modernisering waterschapsbestel IBO, is geconcludeerd dat de in begrotingen en jaarrekeningen van de waterschappen gepresenteerde financiële posities slecht vergelijkbaar waren, omdat de waterschappen de verslaggevingregels niet uniform toepasten en de ruimte die de regels boden verschillend interpreteerden. Hierdoor konden externe partijen van de waterschappen, zoals de provincies, ministeries, vertegenwoordigers van het bedrijfsleven en ingezetenen alsmede hun koepelorganisaties, op het verkeerde been worden gezet. De kwaliteit van bedrijfsvergelijkingen wordt bepaald door de mate waarin de waterschappen op de punten waarop wordt vergeleken echt vergelijkbaar zijn. In vrijwel iedere bedrijfsvergelijking van de waterschappen wordt geconstateerd dat de vergelijkbaarheid van waterschappen nog niet optimaal is, waardoor nog niet alle mogelijkheden van de bedrijfsvergelijkingen worden benut. Waterschappen hechten een toenemend belang aan bedrijfsvergelijkingen om zichzelf te verbeteren, nog transparanter te zijn en verantwoording af te leggen. Omdat deze verordening de mogelijkheid biedt om meer uniformiteit en vergelijkbaarheid van de waterschappen te realiseren, is in Unieverband besloten deze mogelijkheid te benutten.

4 Opbouw van de verordening

De verordening kent vijf hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk worden enkele kernbegrippen gedefinieerd. Vervolgens volgt een hoofdstuk over de beleids- en verantwoordingscyclus. De verenigde vergadering stelt de kaders voor de uitvoering van het beleid. Zij doet dat vooral door het behandelen van de meerjarenraming en het daarin opgenomen beleid ten aanzien van de programma's die het hoogheemraadschap hanteert. De kern van de beleidsbepaling is de beantwoording per programma van de vragen:

  • wat willen we bereiken?

  • wat gaan we daarvoor doen?

  • wat gaat het kosten?

De meerjarenraming vormt een belangrijke basis voor het opstellen van de begroting, die uiteindelijk door de verenigde vergadering wordt vastgesteld. Het college voert vervolgens de begroting uit en zorgt voor de beheersing van deze uitvoering. Vervolgens rapporteert het college aan de verenigde vergadering, waarbij een belangrijke plaats is ingeruimd voor de vragen:

  • hebben we bereikt wat we wilden?

  • hebben we gerealiseerd wat we ons voorgenomen hadden?

  • heeft het gekost wat we hadden geraamd?

De verenigde vergadering legt in deze verordening de hoofdlijnen van de rolverdeling vast tussen zichzelf en het college en formuleert een aantal eisen waaraan het college moet voldoen.

Het derde hoofdstuk behandelt de uitgangspunten die de verenigde vergadering aan enkele belangrijke onderdelen van het financieel beleid stelt. Hierin komen onder andere investeringen (activering en afschrijving), reserves en voorzieningen, financiering en de onderbouwing van tarieven aan de orde. Dit zijn onderwerpen die (in)direct van invloed zijn op de financiële positie van het hoogheemraadschap. De artikelen in dit hoofdstuk voldoen aan het voorschrift uit artikel 108 dat de verordening in ieder geval regels stelt voor de kostprijsberekeningen, de waardering van activa en de financieringsfunctie.

In het vierde hoofdstuk komen de paragrafen van de begroting en de jaarverslaggeving aan de orde. Dit hoofdstuk geeft antwoord op de vraag welke eisen de verenigde vergadering aan de inhoud van de paragrafen stelt in aanvulling op de eisen uit de BBVW.

Het vijfde hoofdstuk bevat de uitgangspunten voor de administratieve organisatie rond de beleids- en verantwoordingsfunctie en voor de administratie. De verenigde vergadering moet er immers van op aan kunnen dat de aansturing van de ambtelijke organisatie en de taken, verantwoordelijkheden en bevoegdheden van en binnen de ambtelijke organisatie goed zijn vastgelegd. Bovendien moeten er administratieve systemen zijn die de uitvoering van het beleid, de begroting, het inzicht in de financiële positie en de toepassing van de paragrafen ondersteunen. Deze systemen dienen tevens de rapportages en verantwoording van de ambtelijke organisatie aan het college en de rapportage van het college aan de verenigde vergadering te ondersteunen. De verenigde vergadering stelt ook hiervoor de kaders. Overeenkomstig het principe ‘sturen op hoofdlijnen', dat de laatste jaren praktijk is geworden, gaat het dan vooral om eisen waaraan het college moet voldoen en niet om de meer gedetailleerde uitvoeringsregels zelf.

Toelichting op de artikelen

Artikel 1

Verschillende begrippen die in deze verordening zijn opgenomen, worden ook gebruikt in de Waterschapswet, het Waterschapsbesluit en de Wet financiering decentrale overheden. Uiteraard zijn de definities die in die regelgeving zijn opgenomen ook van toepassing op de begrippen uit dit besluit. Belangrijke andere begrippen uit deze verordening worden in dit artikel van een definitie voorzien.

Artikel 2

Lid 1

De interactie tussen verenigde vergadering en college rond beleidsvoorbereiding, kaderstelling, controle en verantwoording speelt zich in belangrijke mate af rond de onderdelen van de beleids- en verantwoordingscyclus die jaarlijks wordt doorlopen. De informatie die de verenigde vergadering tijdens de verschillende onderdelen van de cyclus krijgt, stelt dit orgaan in staat haar rol goed in te vullen.

Bij de vaststelling van de begroting 2009 bepaalt de verenigde vergadering de onderdelen van de beleids- en verantwoordingscyclus en de tijdstippen waarop deze zullen worden behandeld. Een daartoe strekkend voorstel zal tegelijkertijd met de begroting 2009 worden voorgelegd.

Lid 2

Het waterbeheersplan is een belangrijk beleidsbepalend instrument van het hoogheemraadschap. Onder de nieuwe Waterwet geeft het hoogheemraadschap daarmee voor een periode van zes jaar aan welk beleid wordt nagestreefd, wat er aan maatregelen getroffen zal worden om dat beleid te realiseren en welke financiële middelen daarmee gemoeid zijn. Het waterbeheersplan heeft ook een belangrijke externe werking en kent een verplichte inspraakprocedure. De zojuist genoemde aspecten beleidsdoelen, maatregelen en financiën zijn ook verplichte elementen van de meerjarenraming (en de begroting). Het waterbeheersplan maakt dan ook een integraal onderdeel uit van de beleidscyclus, hetgeen in het tweede lid wordt vastgelegd. In het jaar dat het waterbeheersplan wordt vastgesteld zal het beheersplan en de meerjarenraming (grotendeels) een identieke inhoud kennen. In latere jaren is de meerjarenraming het meest aangewezen instrument om het waterbeheersplan jaarlijks te evalueren en voortschrijdend bij te stellen.

Lid 3

Ook de nieuwe verslaggevingvoorschriften zijn gericht op het leveren van een bijdrage aan de mogelijkheden om de beleidsbepalende, kaderstellende, controlerende en verantwoordende rol van de verenigde vergadering te versterken. Door het toepassen van de voorschriften kunnen het beleidsmatige karakter van met name de meerjarenraming, de begroting en het jaarverslag worden vergroot en kunnen deze instrumenten van uitvoeringsinformatie worden ontdaan. Om er voor te zorgen dat deze mogelijkheden ten volle worden benut, geeft het derde lid aan dat het college verantwoordelijk wordt voor de juiste toepassing van de regels uit het Waterschapsbesluit.

Artikel 3

Een eis uit het Waterschapsbesluit is dat de begroting een ‘programmaplan' bevat, waarin alle baten en lasten van het hoogheemraadschap moeten worden opgenomen. Datzelfde geldt voor de programmaverantwoording die een onderdeel van het jaarverslag is. Eén van de gevolgen van deze eis is dat de belastingopbrengsten en andere algemene dekkingsmiddelen, zoals dividend, in een programma moeten worden verantwoord. De verenigde vergadering zal dus een programma-indeling bepalen op basis waarvan het beleid wordt gepresenteerd. De in de regelgeving gehanteerde definitie van programma is: een samenhangend geheel van activiteiten op basis waarvan de verenigde vergadering het beleid van het hoogheemraadschap vaststelt. De verenigde vergadering zal bij de vaststelling van deze verordening tevens een besluit nemen over de indeling naar programma's; zie daartoe het apart geformuleerde voorstel in bijgaande nota.

Artikel 4

Een logische eerste stap in de beleids- en verantwoordingscyclus is de evaluatie van de beleidsuitvoering in de voorafgaande periode. Dit artikel geeft aan dat dit gestalte zal worden gegeven door de behandeling door de verenigde vergadering van een document waarin de bevindingen over deze beleidsuitvoering zijn opgenomen en waarin op basis daarvan voorstellen worden gedaan voor de beleidskaders die voor de komende meerjarenperiode zouden kunnen gelden. Dit document kent het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard reeds in de vorm van de Voorjaarsnota.

Artikel 5

Lid 1

In de meerjarenraming wordt het beleid van het hoogheemraadschap voor de komende jaren integraal weergegeven en wordt aangegeven wat de financiële consequenties van dit beleid zijn, inclusief de gevolgen voor de waterschapsbelastingen die worden opgelegd. Het document is vooral van belang voor de kaderstellende en beleidsbepalende functie van de verenigde vergadering. In de besprekingen over of ter voorbereiding van de meerjarenraming geeft de verenigde vergadering het college de beleidsmatige en financiële kaders mee die gelden voor de uitwerking van het meerjarenbeleid. Conform de nieuwe verslaggevingregels bestaat het document uit twee hoofdonderdelen. Een verandering ten opzichte van de situatie onder de oude Waterschapswet is dat er nu meer eisen aan de inhoud van dit instrument worden gesteld. Dit benadrukt de belangrijke positie van de meerjarenraming in de beleidscyclus en voorts wordt hiermee nog eens duidelijk aangegeven dat de meerjarenraming geen financieel, maar een beleidsinstrument is.

In het eerste hoofdonderdeel worden het beleid en de financiële consequenties daarvan weergegeven op basis van de indeling in programma's die het hoogheemraadschap hanteert. Per programma dient expliciet te worden weergegeven welke doelstellingen het hoogheemraadschap nastreeft, wat wordt gedaan om die doelstellingen te halen en wat dat aan middeleninzet met zich meebrengt. Voor een goede, integrale beoordeling door de verenigde vergadering is het van groot belang dat de meerjarenraming naar programma's het volledige beleid en alle netto-kosten van het hoogheemraadschap omvat.

In het tweede hoofdonderdeel van de meerjarenraming worden zowel de context van het meerjarenbeleid als een nadere toelichting op enkele belangrijke gevolgen van het meerjarenbeleid weergegeven. Tot deze gevolgen behoren onder andere de investeringen die als gevolg van het meerjarenbeleid zullen moeten worden gedaan, de financiering, de exploitatiekosten alsmede de ontwikkeling van de waterschapsbelastingen.

Voor het begrotingsproces is het van groot belang dat er voldoende helderheid is over de beleidsambities en het financiële kader waarbinnen deze ambities moeten worden gerealiseerd. Met de behandeling van de meerjarenraming markeert de verenigde vergadering wat zij van dagelijks bestuur en ambtelijke organisatie verwacht.

De meerjarenraming speelt ook een belangrijke rol in de relatie met artikel 99 van de Waterschapswet dat bepaalt dat de begroting alleen niet in evenwicht mag zijn als aannemelijk kan worden gemaakt dat dit evenwicht in de eerstkomende jaren tot stand zal zijn gebracht. De meerjarenraming is het instrument waarmee het evenwicht in meerjarenperspectief kan worden aangetoond. Met evenwicht wordt hier bedoeld dat de kosten en opbrengsten van een jaar gelijk zijn.

Lid 2

Het tweede lid geeft weer uit welke onderdelen de financieringsparagraaf van de meerjarenraming moet bestaan. Deze onderdelen kennen de volgende achtergrond.

Ten behoeve van het opstellen van de meerjarenraming worden alle lange termijnontwikkelingen geanalyseerd. Op basis hiervan wordt het langetermijnbeleid van het hoogheemraadschap uitgestippeld, in de tijd uitgezet en financieel doorgerekend. Dit zal voor de hieruit voortvloeiende vermogensbehoefte ook moeten gebeuren. Om de rentekosten als onderdeel van de exploitatielasten te kunnen ramen, moet het hoogheemraadschap inschatten op welke wijze de rente zich in de toekomst zal ontwikkelen.

Omdat rente een belangrijke kostenpost van het hoogheemraadschap kan vormen, wordt in de meerjarenraming eveneens uiteengezet welke invloed veranderingen van rentepercentages en rentekosten heeft op de exploitatielasten en de tarieven.

Artikel 6

Lid 1

Het eerste lid is een kapstokbepaling die in het algemeen aangeeft wat de inhoud van de begroting is. Zoals al is aangegeven, bevat de begroting de uitwerking voor het komende jaar van het meerjarenbeleid. Het college biedt deze uitwerking in de vorm van de ontwerpbegroting aan de verenigde vergadering aan en net zoals dit geldt voor de meerjarenraming geldt ook voor dit ontwerp dat het voor het oordeel van de verenigde vergadering van groot belang is dat al het beleid waartoe het eerder heeft besloten in de ontwerpbegroting is opgenomen.

Net zoals de meerjarenraming moet ook de begroting inzicht bieden in de doelstellingen van programma's, in de beleidsuitgangspunten en hoofdlijnen van het beleid ten aanzien van enkele beheersmatige aspecten, in de financiële positie en in de te heffen belastingen. De begroting is daartoe in een aantal hoofdonderdelen verdeeld, waarvan een aantal op hun beurt weer nader zijn onderverdeeld.

In de nieuwe verslagleggingregels wordt gesproken over ‘programma' als hét indelingscriterium voor begroting, meerjarenraming en rekening. ‘Programma' is voor het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard een nieuwe term, maar laat zich makkelijk inpassen in de bestaande inrichting van begroting, meerjarenraming en rekening. Waar nu de term ‘beleidsveld' gebezigd wordt zal deze worden vervangen door ‘programma'.

De verslaggevingregels geven aan dat de volgende structuur te herkennen moet zijn:

  • a.

    het programmaplan, waarin het beleid en de financiële consequenties daarvan worden weergegeven op basis van de indeling in programma's die het hoogheemraadschap hanteert. Het ligt voor de hand dat de indeling naar programma's gelijk is aan de indeling die in de meerjarenraming is opgenomen;

  • b.

    de paragrafen die als een toelichting op het programmaplan kunnen worden beschouwd en die gezamenlijk nader inzicht geven in de financiële positie van het hoogheemraadschap;

  • c.

    de begroting naar programma's, wat in feite niet meer is dan een beknopt overzicht van de programma's die het hoogheemraadschap hanteert en wat de geraamde netto-kosten van de programma's zijn. De aanwezigheid van dit onderdeel van de begroting vloeit met name voort uit de noodzaak een dergelijk overzicht in de jaarrekening op te nemen.

  • d.

    de begroting naar kostendragers, die vooral van belang is omdat deze het vertrekpunt is voor de belastingheffing. In dit deel van de begroting worden netto-kosten namelijk gespecificeerd naar de taken die in het provinciaal reglement aan het hoogheemraadschap zijn toegewezen en waarvoor het hoogheemraadschap belasting heft. Onder de nieuwe Waterschapswet gaat het om maximaal drie kostendragers: watersysteembeheer, zuiveringsbeheer en wegenbeheer. De begroting naar kostendragers geeft allereerst aan welke netto-kosten aan een bepaalde taak worden toegerekend. Vervolgens laat de begroting zien in welke mate rekening wordt gehouden met eventuele bedragen voor onvoorziene kosten, kwijt te schelden of oninbaar te verklaren belastingopbrengsten, algemene opbrengsten (zoals dividenden) en toevoegingen en onttrekkingen aan reserves. Tot slot maakt de begroting duidelijk welke belastingopbrengsten moeten worden verkregen om de kosten van de taakuitoefening te dekken. Dit laatste bedrag is het startpunt voor de belastingheffing en -invordering;

  • e.

    de begroting naar kosten- en opbrengstsoorten, waarin de lasten en baten zijn onderscheiden naar de verschillende productiemiddelen die door een waterschap bij de realisatie van het beleid worden ingezet. Met deze indeling naar kosten- en opbrengstsoorten wordt ook een belangrijk deel van de Europese rapportageverplichtingen die voortvloeien uit de Economische en Monetaire Unie ingevuld.

De begrotingen naar programma's, naar kostendragers, en naar kosten- en opbrengstsoorten vormen de basis voor de controle van de rechtmatigheid en het getrouwe beeld van de jaarrekening door de accountant.

Lid 2

Ondanks dat in het programmaplan aandacht wordt besteed aan de investeringen die het hoogheemraadschap van plan is te gaan doen om het beleid uit te voeren, is de begroting vooral gericht op het autoriseren van de netto-kosten en belastingopbrengsten. De opname van investeringsprojecten en -bedragen in een vastgestelde begroting geeft nog geen autorisatie tot het uitvoeren van de investeringen. Het autoriseren van investeringsprojecten vraagt een aparte besluitvorming van de verenigde vergadering. Het tweede lid bepaalt dat het college ter voorbereiding van deze besluitvorming tegelijk met de ontwerp-begroting een overzicht zal moeten agenderen waarop die investeringen zijn vermeld waarvan de planning is dat zij in het begrotingsjaar zullen starten.

Artikel 7

Lid 1

De verenigde vergadering autoriseert het college met het vaststellen van de begroting om het opgenomen beleid te gaan uitvoeren. Hiermee worden alle afzonderlijke verplichtingen die in de programma's en de begroting naar kostendragers besloten liggen in materiële zin, oftewel financieel, geaccordeerd.

Conform de lijn uit de verslaggevingregels hebben de baten en lasten die zijn vermeld in de begroting naar kosten en opbrengstsoorten alleen informatieve waarde voor de verenigde vergadering en worden deze niet apart geautoriseerd. Autorisatie van de netto-kosten van de programma's betekent een impliciete autorisatie van de onderliggende baten en lasten uit de begroting naar kosten- en opbrengstsoorten.

Lid 2

In de toelichting op artikel 6 is aangegeven dat in de verenigde vergadering aparte besluitvorming over investeringsvoorstellen plaatsvindt. Dit hoeft echter niet te betekenen dat de verenigde vergadering ieder investeringsvoorstel apart behandelt. Zo is het bijvoorbeeld mogelijk dat de verenigde vergadering voor investeringen met een geringere financiële omvang en/of minder bestuurlijk-beleidsmatig belang (waaronder bijvoorbeeld vervangingsinvesteringen en voorbereidingskredieten voor projecten) zogenaamde verzamelbesluiten neemt, mits een dergelijk besluit deugdelijk is onderbouwd. In deze verordening wordt aangegeven dat er bij de behandeling van de begroting een gespecificeerd overzicht van de geplande investeringen voorligt en dat de verenigde vergadering op basis daarvan bepaalt welke van de investeringen die voor een bepaald jaar gepland staan door het college verder kunnen worden afgedaan. Met de vaststelling van de verzamelkredieten wordt het college gemachtigd de verdere besluitvorming en voorbereiding ter hand te nemen en derhalve het krediet te besteden.

Lid 3

Over de investeringen waarvan de verenigde vergadering bij de begrotingsbehandeling geen autorisatie heeft verleend, zal in de loop van het jaar besluitvorming moeten plaatsvinden. Om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen, zullen in het voorstel hiertoe, dat aan de verenigde vergadering wordt voorgelegd, niet alleen de technische aspecten worden gespecificeerd, maar zal ook worden ingegaan op het doel van de investering, het beoogd effect en de consequenties die de investering met zich meebrengt. Bij deze consequenties moeten we niet alleen denken aan de financiële gevolgen, maar ook aan de gevolgen die de investering heeft op zaken zoals de personeelsformatie, de organisatie en de werkwijze van het hoogheemraadschap. Tot het voorstel behoort ook een gespecificeerde raming van uitgaven en eventuele inkomsten zoals subsidies. Wanneer met de uitvoering van een bepaald investeringsproject meerdere jaren zijn gemoeid, zal een planning naar de jaren van uitvoering worden opgenomen, om een goede voortgangsbewaking en efficiënte financieringsactiviteiten mogelijk te maken. Nadat de verenigde vergadering een investeringsbesluit heeft genomen, kan met de uitvoering van het betreffende project worden begonnen.

Lid 4

Eén van de uitgangspunten die ten grondslag lag aan deze verordening is, zoals aangegeven, het leveren van een bijdrage aan een betere vergelijkbaarheid van de waterschappen in bedrijfsvergelijkingen. De bedrijfsvergelijkingen van de waterschappen baseren zich op de productenstructuur zoals deze in beheer is bij de Unie van Waterschappen en waarin onder andere beleidsproducten en beheerproducten zijn opgenomen (BBP-structuur). Het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard heeft zich indertijd bij deze structuur aangesloten en de begroting is dan ook conform deze structuur ingericht. Om een bedrijfsvergelijking op die producten mogelijk te maken, moet een waterschap in staat zijn de kosten eenduidig naar die producten toe te rekenen. Dit vierde lid legt de verantwoordelijkheid voor dit aspect neer bij het college.

Artikel 8

Lid 1

Lopende de uitvoering van het in de begroting opgenomen beleid zal het bestuur per programma willen nagaan of met deze uitvoering de beoogde doelstellingen en effecten alsmede maatregelen en prestaties gerealiseerd worden en wat de middeleninzet daarbij is. Wanneer deze beleidsaspecten worden geregistreerd, kan dit worden nagegaan en kan ook de doeltreffendheid en doelmatigheid van de beleidsuitvoering in beeld worden gebracht. Deze bepaling maakt het college verantwoordelijk voor een adequate registratie.

Lid 2 en 3

Er mag uiteraard geen overschrijding c.q. onderschrijding plaatsvinden van bedragen die de verenigde vergadering via het vaststellen van de begroting beschikbaar heeft gesteld, anders dan in artikel 9 lid 2 en 3 wordt bepaald. Het tweede en derde lid geven het college de opdracht hiervoor te zorgen. Het college zal zorgen dat er een systeem van budgetbeheer en -bewaking is dat waarborgt dat de netto-kosten binnen de begroting blijven en dat belangrijke wijzigingen of dreigende overschrijdingen tijdig worden gemeld aan de verenigde vergadering, zodat dit orgaan tijdig (binnen het begrotingsjaar) een besluit kan nemen. Om aan de wettelijke bepalingen rond de financiële rechtmatigheid (meer in het bijzonder het begrotingscriterium) te voldoen, is een dergelijk systeem een vereiste.

Artikel 9

Lid 1

Tijdens de beleidsuitvoering is de hoofdregel dat budgetonder- en -overschrijdingen (beleidsmatig en/of financieel) autorisatie door de verenigde vergadering behoeven en dat begrotingswijzigingen vooraf door het college ter autorisatie aan de verenigde vergadering worden voorgelegd. Hiermee wordt toestemming gevraagd voor het te realiseren beleid en voor de besteding van het benodigde bedrag. Slechts indien de omstandigheden een autorisatie vooraf niet mogelijk maken, zal achteraf een voorstel voor een begrotingswijziging moeten worden voorgelegd. Indien de verenigde vergadering daarmee instemt, wordt de besteding alsnog geautoriseerd. Alle overschrijdingen dienen voor 31 december aan de verenigde vergadering te zijn voorgelegd. Mocht dit niet zijn gelukt, dan kunnen deze bedragen bij de jaarrekening alsnog worden geautoriseerd. De verenigde vergadering dient hier dan wel expliciet op gewezen te worden. De (begrotings)overschrijdingen zullen helder in de jaarrekening tot uitdrukking moeten komen en als de verenigde vergadering de betreffende jaarrekening vaststelt, autoriseert zij de desbetreffende bedragen alsnog.

Lid 2

Over- en onderschrijdingen van budgetten zijn echter nooit geheel uit te sluiten en het is verstandig door middel van afspraken tussen verenigde vergadering en college enige flexibiliteit in te bouwen zodat de uitvoering niet bij iedere afwijking behoeft te worden stopgezet totdat de verenigde vergadering een besluit kan nemen. De bedoelde afspraken tussen verenigde vergadering en college zijn in dit artikel opgenomen. De hierin opgenomen grenzen ten aanzien van over- en onderschrijdingen, houden rekening met de omvang van de programmabudgetten (door de verenigde vergadering geautoriseerde budgetten)en de maxima zoals deze waren opgenomen in het Algemeen Delegatie Besluit.

Artikel 10

Dit artikel formaliseert een belangrijk onderdeel van de rol van de verenigde vergadering tijdens de beleidsuitvoering. In dit artikel wordt aangegeven welke informatie het college standaard zal verstrekken. Op basis van deze informatie kan de verenigde vergadering de uitvoering van de begroting volgen en besluiten of bijsturing nodig is. De stand van zaken van en prognose voor het lopende begrotingsjaar kunnen daarnaast, samen met de jaarverslaggeving van het afgelopen jaar, mede een belangrijke basis zijn voor het inzicht in en het opstellen van de komende begroting.

Lid 1

Het eerste lid gaat over de verplichting voor het college om belangrijke afwijkingen van de beleidsuitvoering ten opzichte van het vastgestelde beleid direct, dat wil zeggen zodra ze zich voordoen en buiten de afgesproken periodieke tussentijdse rapportages, aan de verenigde vergadering te melden.

Lid 2 t/m 6

Bij het vaststellen van de jaarlijkse beleids- en verantwoordingscyclus, op basis van artikel 2 van deze verordening, geeft de verenigde vergadering aan welke tussenrapportages er verschijnen en de momenten waarop deze worden aangeboden. Met het tweede tot en met het zesde lid van dit artikel geeft de verenigde vergadering de kaders voor de inhoud van de tussenrapportages. Gedurende de uitvoering van investeringsprojecten zal regelmatig over het verloop daarvan aan de verenigde vergadering worden gerapporteerd. Het vierde en vijfde lid zorgen er voor dat deze informatie in de tussentijdse rapportages wordt opgenomen. De bepalingen regelen dat in dit onderdeel van de rapportages in ieder geval aandacht wordt besteed aan de verhouding tussen de werkelijk bestede investeringsbedragen en het krediet dat voor de investering beschikbaar was gesteld. Indien het investeringskrediet dreigt te worden overschreden, zal een voorstel voor het beschikbaar stellen van een aanvullend krediet aan de verenigde vergadering moeten worden gedaan.

Artikel 11

In dit artikel komt het sluitstuk van de beleids- en verantwoordingscyclus aan de orde, namelijk de verantwoording over de begrotingsuitvoering door het college en de controle van de verenigde vergadering daarop. Dit gebeurt in belangrijke mate via het jaarverslag en de jaarrekening.

Het jaarverslag bestaat op grond van de nieuwe regelgeving uit:

  • de programmaverantwoording;

  • de paragrafen.

De jaarrekening kent als onderdelen:

  • de exploitatierekening naar programma's;

  • de exploitatierekening naar kostendragers met toelichting;

  • de exploitatierekening naar kosten- en opbrengstsoorten;

  • de balans met toelichting.

Het is belangrijk dat de indeling van de jaarverslaggeving zoveel mogelijk aansluit op die van de begroting zodat inzicht, controle en verantwoording van de verenigde vergadering worden gefaciliteerd.

De programmaverantwoording is het belangrijkste onderdeel van de jaarverantwoording, omdat daarin wordt aangegeven in welke mate het via de begroting vastgestelde beleid is gerealiseerd. De regelgeving geeft aan dat in dit onderdeel aandacht moet worden besteed aan:

  • a.

    de doelen en effecten die zijn bereikt;

  • b.

    de maatregelen die zijn getroffen en prestaties die zijn geleverd;

  • c.

    de netto-kosten die zijn gerealiseerd;

  • d.

    hoe de onder a, b en c genoemde resultaten zich verhouden tot hetgeen in de begroting werd gesteld.

Artikel 12

Artikel 108 van de Waterschapswet bepaalt dat de verenigde vergadering in deze verordening de uitgangspunten voor het financiële beleid moet vastleggen. In deze verordening is die verplichting langs twee lijnen uitgewerkt:

  • a.

    op grond van dit artikel 12 krijgt het college de opdracht te zorgen voor beleidsvoorstellen ten aanzien van de in het eerste lid genoemde onderwerpen en waarbij het college rekening moet houden met datgene wat ter zake in het Waterschapsbesluit en deze verordening (met name de artikelen 13 tot en met 16) wordt bepaald;

  • b.

    via de paragrafen van de begroting doet het college voorstellen aan de verenigde vergadering omtrent het meer operationele beleid;

De onder a bedoelde beleidsvoorstellen leiden uiteindelijk tot het door de verenigde vergadering vastgestelde financieel beleid van het hoogheemraadschap. Deze beleidsvoorstellen zijn te vinden in de door de verenigde vergadering vastgestelde:

  • Nota reserves en voorzieningen

  • Nota afschrijvingsbeleid

Met betrekking tot het onderdeel ‘Kostentoerekening' stelt u het beleid vast gelijktijdig met de vaststelling van de begroting. In de daarin opgenomen kostenverdeelstaat wordt een toelichting opgenomen op de verdeling van de kosten over de verschillende kostenplaatsen. Tenslotte zullen wij u bij de begrotingsvergadering in november 2008, de onderbouwing voor de hoogte van de legestarieven c.a. voorleggen. Wanneer het beleid op bovengenoemde onderdelen bijstelling behoeft, zullen uiteraard nieuwe voorstellen aan de verenigde vergadering worden voorgelegd.

Artikel 13

De verordening moet volgens artikel 108 Waterschapswet in elk geval bevatten: ‘regels voor waardering en afschrijving van activa'. In de nieuwe verslaggevingvoorschriften worden nadere eisen gesteld aan de wijze waarop het bestuur dient om te gaan met waardering en afschrijving van activa. Deze zijn echter nog te algemeen om in het verkeer tussen verenigde vergadering en college voldoende helderheid te hebben over het beleid met betrekking tot waardering en afschrijving van activa. Daarom worden er in de 'Nota afschrijvingsbeleid' daarover nadere afspraken gemaakt. Artikel 13 van deze verordening bevat de hoofdlijnen van dit beleid en daarmee geeft de verenigde vergadering de kaders aan voor het beleid ten aanzien van het waarderen en afschrijven van activa. Voor de inhoudelijke toelichting op dit artikel wordt verwezen naar de 'Nota afschrijvingsbeleid'.

Lid 1

Het eerste lid geeft aan uit welke vier elementen het beleid ten aanzien van het waarderen en afschrijven van activa in ieder geval bestaat. Daarnaast wordt bepaald wat de ondergrens is voor het activeren van investeringen.

Lid 2 t/m 5

Algemeen

Vanaf het tweede lid komen in dit artikel enkele afschrijvingstermijnen aan de orde. De verslaggevingvoorschriften geven aan dat deze termijnen moeten worden gebaseerd op de verwachte gebruiksduur van de betreffende activa. Alleen voor de verschillende soorten immateriële vaste activa zijn nadere regels omtrent termijnen opgenomen. Ten aanzien van de termijnen is ook nog de bepaling uit de voorschriften relevant dat een waterschap zich bij zijn jaarlijkse afschrijvingen niet mag laten leiden door een positief of negatief rekeningresultaat. Zogenaamde resultaatafhankelijke, extra afschrijvingen (versneld of vertraagd afschrijven louter op basis van financiële argumenten) zijn derhalve niet toegestaan. Verandering van afschrijvingstermijnen is slechts toegestaan als gemotiveerd kan worden dat de betreffende activa langer of korter zullen worden gebruikt dan de oorspronkelijk verwachte periode.

Lid 2

Waterschappen voeren regelmatig onderzoeks- en ontwikkelingsprojecten uit die niet leiden tot concrete objecten, maar die wel een meerjarig nut hebben. Indien de betreffende projecten aan bepaalde eisen voldoen, mogen de gerelateerde uitgaven geactiveerd worden. Het tweede lid bepaalt dat de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling lineair worden afgeschreven in 5 jaar.

Lid 3

Voor de kosten voor het afsluiten van geldleningen geeft de regelgeving aan dat de maximale afschrijvingstermijn gelijk is aan de looptijd van de lening. In het derde lid zijn nadere regels opgenomen over het activeren en afschrijven van deze uitgaven, namelijk dat uitgaven voor leningen met beperkte omvang ineens ten laste van het resultaat worden gebracht en dat voor de overige leningen een afschrijvingstermijn geldt die gelijk is aan de looptijd van de betreffende lening. Bij het grensbedrag waar beneden uitgaven voor het afsluiten van geldleningen niet worden geactiveerd is aangesloten bij het grensbedrag dat voor materiële vaste activa wordt gehanteerd (zie lid 1).

Lid 4

Het vierde lid gaat over de financiële bijdragen die het hoogheemraadschap aan investeringen van derden levert, zoals bijvoorbeeld de bijdrage aan de Maeslandtkering en subsidies voor het afkoppelen van verhardoppervlaktewater. Omdat het nut van de investering voor het hoogheemraadschap meerdere jaren bestrijkt, kan de bijdrage worden beschouwd als een vast actief en mogen de uitgaven geactiveerd worden als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Het Besluit (ministeriële beschikking) Beleidsvoorbereiding en Verantwoording Waterschappen (BBVW) geeft aan dat de afschrijvingsduur ten hoogste vijf jaar bedraagt, tenzij het hoogheemraadschap motiveert dat een andere periode passender is. Van deze laatste mogelijkheid wordt in deze verordening gebruik gemaakt door als regel te nemen dat de afschrijvingsperiode gelijk is aan het aantal jaren dat de betreffende investering in gebruik zal zijn.

Lid 5

Het vijfde lid geeft de afschrijvingsmethode en -termijnen van diverse soorten materiële vaste activa weer. De afschrijvingsmethode van deze activa is lineair. Voor de afschrijvingstermijnen van de verschillende soorten materiële vaste activa, wordt u verwezen naar de ‘Nota afschrijvingsbeleid'.

Artikel 14

Bij de taakuitoefening en in de bedrijfsvoering loopt het hoogheemraadschap risico's van uiteenlopende aard. Tegen een deel van deze risico's kan het hoogheemraadschap zich verzekeren, of moeten er voorzieningen worden gevormd, of kunnen de risico's anderszins worden opgevangen. Voor een deel van de risico's is dit echter niet het geval. De niet verzekerde risico's kunnen, als ze zich voordoen, (grote) financiële consequenties hebben. Het is dus zaak om inzicht te hebben in de risico's die we lopen, en deze te beheersen. Het uitsluiten van risico's is echter niet mogelijk. Niet verzekerde risico's die zich voordoen, moet het hoogheemraadschap opvangen met het eigen vermogen (reserves), door belastingverhoging of door ombuigingen binnen de begroting.

Via het begrip ‘weerstandsvermogen' brengt de nieuwe regelgeving de hiervoor genoemde aspecten risico's, reserves en voorzieningen bij elkaar. Het weerstandsvermogen bestaat namelijk uit de relatie tussen:

  • de weerstandscapaciteit, zijnde de middelen en mogelijkheden waarover het hoogheemraadschap beschikt of kan beschikken om niet begrote kosten te dekken;

  • alle risico's waarvoor geen maatregelen zijn getroffen en die van materiële betekenis kunnen zijn in relatie tot de financiële positie.

Deze relatie tussen enerzijds de risico's en anderzijds de reserve en voorzieningen is de reden dat zowel het beleid ten aanzien van risico's als ten aanzien van reserves en voorzieningen in dit artikel aan de orde komen en er integraal beleid van het hoogheemraadschap voor deze onderwerpen is ontwikkeld. Met deze beleidslijn kan de verenigde vergadering het kader vaststellen voor de omvang van met name de reserves. Kaders stellen voor voorzieningen is veelal niet aan de orde, omdat voorzieningen een verplichtend karakter kennen. Wel geeft het duidelijkheid om in te gaan op de wijze waarop in meer algemene zin wordt omgegaan met voorzieningen. Het beleid met betrekking tot risico's, reserve en voorzieningen is door de verenigde vergadering vastgelegd in de ‘Nota reserves en voorzieningen'. Voor de inhoudelijke toelichting op artikel 14 van deze verordening verwijzen wij dan ook naar deze nota.

Artikel 15

Nagenoeg alle kosten worden door belastingplichtigen opgebracht. Dit schept niet alleen bijzondere verplichtingen in de sfeer van transparantie en verantwoording afleggen, maar vereist ook een consistente en zo volledig mogelijke toepassing van bedrijfseconomische principes in het systeem waarmee de gemaakte kosten uiteindelijk aan de kostendragers worden toegerekend. Omdat de wijze van kostentoerekening grote invloed kan hebben op de kosten per kostendrager en daarmee op de hoogte van de waterschapslasten, is kostentoerekening een onderwerp dat ook de nodige betrokkenheid van de verenigde vergadering vereist. Dit uit zich in deze verordening als volgt:

  • de verenigde vergadering wordt, vanuit zijn kaderstellende en beleidsbepalende bevoegdheid, betrokken bij de ontwikkeling van het kostentoerekeningssysteem en stelt de hoofdlijnen van dit systeem ook vast in een onderdeel van het financieel beleid;

  • in de begroting wordt een paragraaf ‘kostentoerekening' opgenomen waarin de principes van de kostentoerekeningssystematiek van het hoogheemraadschap worden beschreven.

In artikel 15 worden hiervoor de kaders geschetst. Een belangrijk onderdeel daarvan is de wijze waarop het hoogheemraadschap invulling geeft aan de eis uit het Waterschapsbesluit dat de kostentoerekeningssystematiek zich moet baseren op bedrijfseconomische criteria.

In de onderdelen e en f van het eerste lid komen enkele bijzondere aspecten van de kostentoerekening en kostprijsberekening aan de orde. Onderdeel e is de invulling van de eis uit artikel 108, tweede lid, onderdeel b van de Waterschapswet dat in deze verordening de basis moet liggen voor de grondslagen die worden gehanteerd voor de bepaling van de tarieven voor rechten, zoals leges. De grondslag voor de hoogte van deze tarieven wordt daarmee de bestuurlijke besluitvorming door de verenigde vergadering op basis van onder meer geraamde hoeveelheden. Datzelfde geldt voor de kostprijzen van de producten en diensten die in onderdeel f worden genoemd. Het beleid met betrekking tot de kostentoerekening stelt u vast gelijktijdig met de vaststelling van de begroting. In de daarin opgenomen kostenverdeelstaat wordt een toelichting opgenomen op de verdeling van de kosten over de verschillende kostenplaatsen. Tenslotte zullen wij u bij de begrotingsvergadering in november 2008, de onderbouwing voor de hoogte van de legestarieven c.a. voorleggen.

Artikel 16

De financieringsfunctie van het hoogheemraadschap staat bloot aan snelle interne en externe ontwikkelingen en daarom kunnen er aanzienlijke risico's verbonden zijn aan de uitvoering van deze functie. Om deze risico's te beheersen en verantwoord en adequaat op ontwikkelingen te kunnen inspelen moet er een duidelijk beleidskader zijn waarbinnen de financieringsactiviteiten plaatsvinden. Eén van de gevolgen van de op 1 januari 2001 in werking getreden ‘Wet Financiering decentrale overheden' (Wet Fido) was dat het hoogheemraadschap het beleidskader met betrekking tot de financieringfunctie in een financieringstatuut moest opnemen en dat dit statuut door de verenigde vergadering moest worden vastgesteld. Het in werking treden van de Wet modernisering waterschapsbestel heeft tot gevolg dat de belangrijkste bepalingen uit ons ‘Treasurystatuut' (vastgesteld door het college op 23 augustus 2005) onderdeel gaan uitmaken van deze verordening. De verenigde vergadering zal zich via de verordening beperken tot de hoofdlijnen van het financieringsbeleid en het college opdracht geven deze hoofdlijnen verder uit te werken als het gaat om de verdere organisatie en het functioneren van de financieringsfunctie. Deze uitwerking vindt plaats in het Treasurystatuut.

De Wet Fido legt de nadruk op de bestuurlijke aansturing van de financieringsfunctie. Daarom is bij de uitwerking van de functie in deze verordening de centrale positie van de verenigde vergadering als uitgangspunt gehanteerd. Dit orgaan stelt het financieringsbeleid(skader) vast, sanctioneert de uitvoering en ziet toe op een goed verloop daarvan. Dit beleid(skader) is in dit artikel opgenomen. Deze bepalingen zijn niet de enige formele dragers van het financieringbeleid van het hoogheemraadschap. Andere instrumenten voor de bestuurlijke aansturing van de financieringfunctie zijn de financieringparagrafen in de meerjarenraming, de begroting en het jaarverslag.

Artikel 108 van de Waterschapswet stelt dat omtrent financiering in elk geval in deze verordening moeten worden opgenomen: de algemene doelstellingen en de te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringfunctie.

Lid 1

Het eerste lid gaat over de doelstellingen van de financieringsfunctie. De hoofddoelstelling is het leveren van een zo goed mogelijke bijdrage aan de uitvoering van de taken die aan het hoogheemraadschap zijn opgedragen. Dit geeft aan dat de financieringsfunctie een ondersteunende rol heeft ten opzichte van de taken waarvoor het hoogheemraadschap is opgericht en die in het provinciaal reglement aan het hoogheemraadschap zijn opgedragen.

Lid 2

In het tweede lid is de risico-attitude van het hoogheemraadschap opgenomen. De financiering van de reglementaire taken brengt financiële risico's voor het hoogheemraadschap met zich mee. De wetgever beoogt met de Wet Fido een kader aan te reiken waarmee deze risico's kunnen worden beheerst. Dit kader is voor het hoogheemraadschap een gegeven, maar binnen het wettelijk kader kan het hoogheemraadschap er voor kiezen om hogere dan wel lagere risico's te lopen. Door middel van een zogenaamde risico-attitude geeft het hoogheemraadschap aan wat zij op dit punt aanvaardbaar vindt. De risico-attitude geeft in feite de opvattingen van het hoogheemraadschap weer ten aanzien van de aard van de risico's die men wil lopen bij de uitvoering van de financieringsfunctie. De in het tweede lid opgenomen risicoattitude is gebaseerd op de volgende uitgangspunten:

  • a.

    de financieringsfunctie heeft ten opzichte van de reglementaire taken een ondergeschikte rol. Financiering volgt en is dus dienstbaar aan de publieke taken.

  • b.

    de activiteiten die in het kader van de financieringsfunctie worden ondernomen worden risicomijdend (maar daardoor nog niet passief) uitgevoerd;

  • c.

    de uitvoering van de financieringsfunctie voegt geen risico's toe aan de financiële risico's die nu eenmaal verbonden zijn aan het uitvoeren van de reglementaire taken;

  • d.

    de financieringsfunctie is er op gericht toekomstige risico's te verminderen of te verschuiven;

  • e.

    het wettelijk kader van de Wet Fido wordt als basis voor de beheersing van renterisico's gehanteerd.

In bepaalde situaties kan het noodzakelijk zijn dat gedurende een bepaalde periode wordt afgeweken van het in het tweede lid opgenomen risicoprofiel. Wanneer een dergelijke situatie zich voordoet zal de verenigde vergadering hiervan zo spoedig mogelijk op de hoogte worden gesteld.

De kasgeldlimiet en de renterisiconorm zijn in de Wet Fido geregeld. Overschrijding is niet toegestaan. Gedeputeerde staten van de provincie moeten in hun hoedanigheid van toezichthouder ingrijpen, maar kunnen onder bijzondere omstandigheden een tijdelijke overschrijding tolereren. Bij overschrijding kan een waterschap worden geconfronteerd met preventief toezicht op het sluiten van kortlopende (kasgeldlimiet) of langlopende (rente-risico-norm) leningen. De verenigde vergadering moet daarom wanneer overschrijding dreigt zo spoedig mogelijk geïnformeerd worden.

Lid 3

De wettelijke verplichtingen bepalen dat de verenigde vergadering in deze verordening ook moet aangeven binnen welke richtlijnen en limieten de doelstellingen van de treasuryfunctie moeten worden gerealiseerd. Dit gebeurt in het derde lid. Een richtlijn is een bindend voorschrift c.q. een aanwijzing voor een handelwijze. Een limiet is een type richtlijn die een uiterste grens aangeeft voor een bepaalde handeling, verantwoordelijkheid en/of bevoegdheid.Omdat het hoogheemraadschap zich wat dit soort zaken betreft vrijwel volledig aan de Wet Fido conformeert, wordt de uitvoering van de treasuryfunctie in belangrijke mate door de Wet Fido gestuurd. Daarom wordt in dit lid bepaald dat het college bij het opstellen van de richtlijnen en limieten in het Treasurystatuut, zich volledig baseert op de Wet Fido.

Artikel 17

De lijn die in deze verordening is gehanteerd is dat de verenigde vergadering het financiële beleid op hoofdlijnen vaststelt in daartoe strekkende nota's ( ‘Nota beleid reserves en voorzieningen' , ‘Nota kostentoerekening' en de ‘Nota afschrijvingsbeleid') en dat in de paragrafen van de begroting en het jaarverslag op de toepassing en uitvoering van dit beleid wordt ingegaan. In meer algemene zin bevatten de paragrafen van de begroting, naast de context van het beleid, de beleidsuitgangspunten en hoofdlijnen van het beleid ten aanzien van beheersmatige aspecten en de waterschapsbelastingen. In de gelijknamige paragrafen van het jaarverslag wordt aangegeven in welke mate het beleid is gerealiseerd en wat de redenen van eventuele afwijkingen ten opzichte van het voorgenomen beleid zijn geweest.

De regelgeving (Waterschapsbesluit en Besluit Beleidsvoorbereiding en -Verantwoording Waterschappen) geeft aan dat de begroting in ieder geval de volgende paragrafen bevat:

  • ontwikkelingen sinds het vorig begrotingsjaar;

  • uitgangspunten en normen;

  • incidentele baten en lasten;

  • kostentoerekening;

  • onttrekkingen aan ‘overige bestemmingsreserves' en voorzieningen;

  • waterschapsbelastingen;

  • weerstandsvermogen;

  • financiering;

  • verbonden partijen;

  • bedrijfsvoering;

  • EMU-saldo.

In het jaarverslag moeten in ieder geval de volgende paragrafen zijn opgenomen:

  • ontwikkelingen in het begrotingsjaar;

  • incidentele baten en lasten;

  • onttrekkingen aan ‘overige bestemmingsreserves' en voorzieningen;

  • waterschapsbelastingen;

  • weerstandsvermogen;

  • financiering;

  • verbonden partijen;

  • bedrijfsvoering;

  • investeringen;

  • EMU-saldo;

  • topinkomens.

Artikel 18

In dit artikel wordt geregeld over welke risico's en hun financiële consequenties de verenigde vergadering in de verplichte paragraaf weerstandsvermogen van de begroting en de jaarverslaggeving wil worden geïnformeerd. Het Waterschapsbesluit verplicht een aantal zaken op te nemen in de paragraaf, namelijk:

  • a.

    een inventarisatie van de weerstandscapaciteit; waarbij een beschouwing moet worden gegeven over de stand aan het begin, de mutaties en de stand aan het eind van het begrotingsjaar van de algemene reserves en de voorzieningen;

  • b.

    een inventarisatie van de risico's;

  • c.

    het beleid omtrent de weerstandscapaciteit en de risico's.

Artikel 19

Onder bedrijfsvoering wordt in de regelgeving verstaan het geheel van interne organisatie-onderdelen en processen die ondersteunend zijn aan de primaire processen van de waterschappen. De bedrijfsvoering zoals bedoeld in dit besluit, is ook essentieel voor de waarborging van de rechtmatigheid, doelmatigheid en doeltreffendheid van de beleidsuitvoering.

Het domein van de bedrijfsvoering is de verantwoordelijkheid van het college en beleid op dit gebied wordt in de eerste plaats vormgegeven door dit orgaan. Het Waterschapsbesluit geeft aan dat het college in de paragrafen van de begroting en het jaarverslag moet ingaan op de stand van zaken, beleidsvoornemens en beleidsrealisatie ten aanzien van de bedrijfsvoering, waarbij wordt ingespeeld op de informatiebehoefte van de verenigde vergadering. Op deze wijze worden aspecten van de bedrijfsvoering niet alleen transparant voor de verenigde vergadering, maar ook voor geïnteresseerden buiten de organisatie.

Met dit artikel van de verordening wordt geregeld over welke zaken met betrekking tot de bedrijfsvoering de verenigde vergadering in de verplichte paragraaf van begroting en jaarverslag zal worden geïnformeerd..

Artikel 20

Onder verbonden partijen wordt verstaan: organisaties waarmee het waterschap een bestuurlijke relatie heeft én waarin zij een financieel belang heeft. Het kan dan bijvoorbeeld gaan om NV' s, BV's, gemeenschappelijke regelingen, VOF' s, stichtingen, verenigingen en commanditaire vennootschappen. In geval van het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard zijn dat bijvoorbeeld: Gemeenschappelijk laboratorium Rijnland; Het Waterschapshuis, de stichting Bodembeheer Krimpenerwaard ed. Mede omdat er altijd een zeker (financieel) risico aan deze relaties verbonden is, is het van belang dat er voldoende inzicht wordt geboden in deze zogenaamde verbonden partijen. Daarom moet op grond van het Waterschapsbesluit in de paragraaf verbonden partijen van begroting en jaarverslag ingegaan worden op:

  • a.

    de visie op verbonden partijen in relatie tot de realisatie van de doelstellingen die zijn opgenomen in de begroting (begroting);

  • b.

    de beleidsvoornemens omtrent verbonden partijen (begroting);

  • c.

    de verantwoording van datgene wat op grond van a en b is gerealiseerd (jaarverslag).

Dit artikel van de verordening regelt over welke feiten aangaande verbonden partijen de verenigde vergadering in elk geval in de verplichte paragraaf van de begroting en het jaarverslag geïnformeerd zal worden.

Artikel 21

Als gevolg van de invoering van de Wet financiering decentrale overheden per 1 januari 2001 zijn de waterschappen al enkele jaren verplicht een financieringsparagraaf in de begroting (en de jaarverslaggeving) op te nemen. De paragraaf in de begroting is, in samenhang met hetgeen in artikel 16 van deze verordening is voorgeschreven, een belangrijk instrument voor het transparant maken, en daarmee voor het sturen, beheersen en controleren van de financieringsfunctie door de verenigde vergadering. Artikel 16 geeft de hoofdlijnen van het beleid weer. Deze hoofdlijnen vinden hun weerslag in de financieringsparagraaf in de begroting en in het jaarverslag. Een verplicht onderdeel daarvan is voorgeschreven in het Waterschapsbesluit en luidt: ‘de beleidsvoornemens (en beleidsrealisatie) ten aanzien van het risicobeheer van de financieringsfunctie'. Artikel 21 regelt over welke feiten inzake de financieringsfunctie de verenigde vergadering in elk geval in de verplichte paragraaf financiering bij de begroting en jaarstukken wil worden geïnformeerd. Uit de financieringsparagraaf moet blijken dat de uitvoering van de financieringsfunctie uitsluitend de publieke taak dient, dat het beheer prudent is en dat aan kasgeldlimiet en renterisiconorm wordt voldaan.

Artikel 22

De definitie van het begrip ´administratie´ (niet te verwarren met het begrip ‘financiële administratie' zoals in artikel 23 is uitgewerkt) die in deze verordening wordt gehanteerd is: het systematisch verzamelen, vastleggen en verwerken van gegevens alsmede het verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, het functioneren en het beheersen van (onderdelen van) de organisatie van het hoogheemraadschap en ten behoeve van de verantwoording die daarover moet worden afgelegd.

In artikel 22 worden de kaders gegeven voor de inrichting van administraties van het hoogheemraadschap. In hoofdlijnen wordt daarmee vastgesteld welk soort informatie moet kunnen worden gegenereerd en aan welke eisen de vastgelegde gegevens moeten voldoen. Deze verordening regelt niet - inherent aan de taakafbakening tussen verenigde vergadering en college - de regels en activiteiten die daarvoor in de uitvoering nodig zijn. Dat is een taak van het college. Het ligt voor de hand dat het college deze zaken wel in een besluit vastlegt voor de aansturing van de ambtelijke organisatie. Eén en ander geldt ook voor de onderwerpen die in de artikelen 23 en 24 aan de orde komen.

Artikel 23

In de nieuwe verslaggevingregels zijn diverse bepalingen opgenomen die invloed hebben op de wijze waarop deze administratie moet worden ingericht en bijgehouden, waaronder waarderingsgrondslagen, balansindeling en verplicht op te leveren financiële gegevens. Vanuit de financiële administratie moeten gegevens worden aangeleverd voor de financiële verantwoordingsinformatie aan de verenigde vergadering, maar ook aan de provincies, in hun rol als toezichthouders, het CBS, het Rijk, de Europese Unie etc. Bij ministeriële regeling worden nadere eisen gesteld aan deze verantwoordingsinformatie van waterschappen.

Artikel 24

De term ‘administratieve organisatie' staat voor het stelsel van organisatorische maatregelen dat is gericht op het tot stand brengen en het in stand houden van de goede werking van de bestuurlijke en ambtelijke informatieverzorging. In dit artikel legt de verenigde vergadering de uitgangspunten vast voor de inrichting van de administratieve organisatie, waaraan het college door het stellen van regels voor de ambtelijke organisatie invulling moet geven. De verenigde vergadering geeft geen nadere uitvoeringsregels om aan de uitgangspunten te voldoen. Deze uitvoeringsregels zijn aan het college.

Het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard werkt al geruime tijd met deze uitvoeringsregels zoals bovenbedoeld en hieronder zijn opgesomd. De uitvoeringsregels zullen in de komende maanden waar nodig worden bijgesteld op basis van de nieuwe regelgeving.

In de onderdelen a en b worden eisen gesteld aan de toedeling van taken aan organisatieonderdelen en de toewijzing van functies aan functionarissen. Onderdeel c is een belangrijke bepaling, omdat hierin het college de opdracht krijgt door middel van organisatorische maatregelen de rechtmatigheid, de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de beleidsuitvoering te waarborgen. In de onderdelen d, e en f worden eisen gesteld aan de budgettoedeling en de verantwoording daarover. Onderdeel g gaat over de inkoop van goederen en diensten en de aanbesteding van werken. Dit zijn belangrijke en kwetsbare activiteiten die een groot budgettair effect kunnen hebben. Het hanteren van een protocol is naast de desbetreffende administratieve aspecten tevens te zien als een vorm van risicobeheersing. De aansprakelijkheid kan worden beperkt en er wordt jegens derden rechtszekerheid gecreëerd. Onderdeel g legt aan het college de zorg op om regels ter zake op te stellen. De regelgeving van de Europese Unie en de nationale wetgever dienen daarbij nageleefd te worden. Doordat de regels worden vastgelegd kan de accountant bij zijn controle van de jaarstukken nagaan of de regels zijn nageleefd, het is een onderdeel van de rechtmatigheidtoets. Onderdeel i draagt het college op een financieringsstatuut (Treasurystatuut) op te stellen dat met name protocollen bevat voor de dagelijkse uitvoering.

Artikel 25

Deze verordening treedt in de plaats van de vorige op grond van het oude artikel 108 Waterschapswet opgestelde ‘Verordening financieel beheer Schieland en de Krimpenerwaard 2007'. De wetgever heeft bepaald, dat de nieuwe verordening in het begrotingsjaar 2009 van toepassing moet zijn. De oude verordening blijft nog van kracht op de begroting en jaarrekening van 2008.

Artikel 26

In dit artikel wordt de naam aangegeven waarmee men naar deze verordening kan verwijzen.

Als gevolg van de aanstaande wijziging van de Wet financiering decentrale overheden, waarvan de parlementaire behandeling in 2008 zal starten, zal de passage ‘, alsmede inzake ..... informatievoorziening' vrijwel zeker worden geschrapt. Deze verordening anticipeert reeds op deze aanstaande wijziging.