Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Gemeente Houten

Reglement van orde voor de werkzaamheden van de gemeenteraad

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente Houten
Officiële naam regelingReglement van orde voor de werkzaamheden van de gemeenteraad
CiteertitelReglement van orde voor de raad
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Art. 16 Gemeentewet

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

15-01-200919-04-2017Onbekend

29-09-2009

Houtens Nieuws

2009-046

Tekst van de regeling

De raad van de gemeente Houten heeft het voorstel van de burgemeester en de griffier d.d. 29 september nr. 2009-046 gelezen en besluit;

gelet op het bepaalde in artikel 16 Gemeentewet;

gelet op het raadsbesluit van 15 juli 2008, nr. 2008-033, tot voortzetting van de nieuwe werkwijze van de raad;

vast te stellen het:

REGLEMENT VAN ORDE VOOR DE VERGADERINGEN EN ANDERE WERKZAAMHEDEN VAN DE GEMEENTERAAD

Inhoudsopgave:

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Artikel 2 De voorzitter

Artikel 3 De griffier

Artikel 4 De agendacommissie

Artikel 5 Het seniorenconvent

HOOFDSTUK 2 TOELATING VAN NIEUWE LEDEN; FRACTIES

Artikel 6 Onderzoek geloofsbrieven; beëdiging

Artikel 7 Fractie

HOOFDSTUK 3 VERGADERINGEN

Paragraaf 1 Tijdstip van vergaderen; voorbereidingen

Artikel 8 Frequentie, dag, tijd en plaats van vergaderingen

Artikel 9 Oproep

Artikel 10 Agenda

Artikel 11 Ter inzage leggen van stukken

Artikel 12 Openbare kennisgeving

Paragraaf 2 Orde der vergadering; algemeen

Artikel 13 Presentie

Artikel 14 Zitplaatsen

Artikel 15 Opening vergadering; quorum

Artikel 16 Verslag

Artikel 17 Doorlopende lijst van ingekomen stukken en mededelingen

Artikel 18 Spreekplaats

Paragraaf 3 Debatraad

Artikel 19 Doel van de debatraad

Artikel 20 Statements en debat

Artikel 21 Het college

Artikel 22 Handhaving orde; schorsing

Artikel 23 Deelname aan het debat door anderen

Paragraaf 4 Besluitvormende raad

Artikel 24 Stemverklaring

Artikel 25 Algemene bepalingen over stemming

Artikel 26 Stemming over amendementen en moties

Artikel 27 Stemming over personen

Artikel 28 Herstemming over personen

Artikel 29 Beslissing door het lot

HOOFDSTUK 4 RECHTEN VAN LEDEN

Artikel 30 Amendementen

Artikel 31 Moties

Artikel 32 Voorstellen van orde

Artikel 33 Initiatiefvoorstel

Artikel 34 Collegevoorstel

Artikel 35 Interpellatie

Artikel 36 Schriftelijke vragen

HOOFDSTUK 5 BEGROTING EN REKENING

Artikel 37 Procedure begroting

Artikel 38 Procedure jaarrekening

HOOFDSTUK 6 LIDMAATSCHAP VAN ANDERE ORGANISATIES

Artikel 39 Verslag, vragen en verantwoording

HOOFDSTUK 7 BESLOTEN VERGADERING

Artikel 40 Algemeen

Artikel 41 Verslag

Artikel 42 Geheimhouding

Artikel 43 Opheffing geheimhouding

HOOFDSTUK 8 TOEHOORDERS EN PERS

Artikel 44 Toehoorders en pers

Artikel 45 Geluid- en beeldregistraties

Artikel 46 Verbod gebruik mobiele telefoons

Artikel 47 Maatregelen van orde

HOOFDSTUK 9 SLOTBEPALINGEN

Artikel 48 Uitleg reglement

Artikel 49 Citeertitel

Artikel 50 Inwerkingtreding

Toelichting reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad

------------------------------------------------------------------------------

HOOFDSTUK 1 ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In dit reglement wordt verstaan onder:

  • a.

    rondetafelgesprekken: eerste fase in de raadscyclus, waarin per geagendeerd onderwerp in een open gesprek met diverse deelnemers, waaronder inwoners, informatie wordt ingewonnen;

  • b.

    debatraad: tweede fase in de raadscyclus, waarin in ieder geval beraadslaagd wordt over geagendeerde onderwerpen;

  • c.

    besluitvormende raad: derde en laatste fase van de raadscyclus, waarin besluiten worden genomen;

  • d.

    raad: de gemeenteraad;

  • e.

    college: college van burgemeester en wethouders;

  • f.

    voorzitter: de voorzitter van de raad of diens vervanger;

  • g.

    rondetafelvoorzitter: voorzitter van een rondetafelgesprek;

  • h.

    amendement: voorstel tot wijziging van een ontwerpraadsbesluit, naar de vorm geschikt om daarin direct te worden opgenomen;

  • i.

    subamendement: voorstel tot wijziging van een aanhangig amendement, naar de vorm geschikt om direct te worden opgenomen in het amendement, waarop het betrekking heeft;

  • j.

    motie: korte en gemotiveerde verklaring over een onderwerp waardoor een oordeel, wens of verzoek wordt uitgesproken, zonder dat daaraan rechtsgevolgen zijn verbonden;

  • k.

    initiatiefvoorstel: een voorstel van een lid van de raad voor een verordening of een ander voorstel;

  • l.

    interpellatie: het vragen van inlichtingen aan het college of de burgemeester over een onderwerp als bedoeld in artikel 155, tweede lid, van de Gemeentewet, dat niet vermeld staat op de agenda.

  • m.

    statement: korte mondelinge weergave van een standpunt over een onderwerp, uitgesproken voorafgaand aan het debat over dat onderwerp;

  • n.

    debat: beraadslaging in de zin van de Gemeentewet, tijdens de debatraad

  • o.

    voorstel van orde: voorstel betreffende de orde van de vergadering.

Artikel 2 De voorzitter

De voorzitter is belast met:

  • a.

    het leiden van de vergadering;

  • b.

    het handhaven van de orde;

  • c.

    het doen naleven van het reglement van orde;

  • d.

    hetgeen de Gemeentewet of dit reglement hem verder opdraagt.

Artikel 3 De griffier

  • 1.

    De griffier is bij elke vergadering van de raad aanwezig.

  • 2.

    Bij zijn verhindering of afwezigheid wordt de griffier vervangen door de raadsadviseur of, bij diens afwezigheid, door een door de raad daartoe aangewezen ambtenaar.

  • 3.

    Hij kan, indien hij daartoe door de voorzitter wordt uitgenodigd, aan het debat als bedoeld in dit reglement deelnemen.

Artikel 4 De agendacommissie

  • 1.

    De raad heeft een agendacommissie die de voorlopige agenda vaststelt van de vergaderingen van de raad, derondetafelgesprekken en andere activiteiten van de raad, met uitzondering van de agenda van de bijpraatavonden van het college.

  • 2.

    De agendacommissie bestaat uit de voorzitter van de raad, de plaatsvervangend voorzitter van de raad, de griffier, een rondetafelvoorzitter van een collegepartij en een rondetafelvoorzitter van een niet-collegepartij.

  • 3.

    De plaatsvervangend voorzitter fungeert tevens als voorzitter van de agendacommissie. De griffier fungeert als secretaris en adviseur van de agendacommissie.

  • 4.

    De raad benoemt de leden van de agendacommissie. De raad benoemt voor deze leden tevens plaatsvervangend leden. Deze zijn eveneens rondetafelvoorzitter van een collegepartij respectievelijk niet-collegepartij.

  • 5.

    De voorzitter van de raad en de griffier hebben geen stemrecht in de agendacommissie. De andere leden hebben elk één stem in de agendacommissie.

  • 6.

    Een besluit van de agendacommissie wordt bij voorkeur in eenstemmigheid genomen.

  • 7.

    De vergaderingen van de agendacommissie zijn niet openbaar.

Artikel 5 Het seniorenconvent

  • 1.

    De raad heeft een seniorenconvent dat als klankbord dient voor de voorzitter van de raad dan wel het college en daarnaast tot taak heeft om huishoudelijke zaken die de raad betreffen te regelen, waaronder de vaststelling van de procedures als bedoeld in hoofdstuk 5 van dit reglement.

  • 2.

    Het seniorenconvent bestaat uit de voorzitter van de raad, de plaatsvervangend voorzitter van de raad, de griffier of diens plaatsvervanger en de fractievoorzitters. Het seniorenconvent wordt voorgezeten door de plaatsvervangend voorzitter van de raad.

  • 3.

    Elke fractievoorzitter wijst een lid van de raad aan dat hem bij zijn afwezigheid in het seniorenconvent vervangt.

  • 4.

    In het seniorenconvent hebben de voorzitter van de raad en de griffier geen stemrecht. Elke fractievoorzitter heeft één stem. De voorzitter van het seniorenconvent heeft geen stemrecht, tenzij deze ook de functie van fractievoorzitter bekleedt.

  • 5.

    Een besluit wordt bij meerderheid van stemmen genomen.

  • 6.

    De voorzitter roept het seniorenconvent minimaal eenmaal per jaar bijeen. Daarnaast komt het seniorenconvent bijeen wanneer minimaal drie leden daarom verzoeken.

  • 7.

    De vergaderingen van het seniorenconvent zijn niet openbaar.

HOOFDSTUK 2 TOELATING VAN NIEUWE LEDEN; FRACTIES

Artikel 6 Onderzoek geloofsbrieven; beëdiging

  • 1.

    Bij elke benoeming van nieuwe leden van de raad stelt de raad een commissie in bestaande uit drie leden van de raad. De commissie onderzoekt de geloofsbrieven, de daarop betrekking hebbende stukken van nieuw benoemde leden en de processen-verbaal van de stembureaus.

  • 2.

    De commissie brengt na haar onderzoek van de geloofsbrieven verslag uit aan de raad en doet daarbij een voorstel voor een besluit. In het verslag wordt ook melding gemaakt van een minderheidsstandpunt.

  • 3.

    Na een raadsverkiezing roept de voorzitter de toegelaten leden van de raad op om in de eerste vergadering van de raad in nieuwe samenstelling, bedoeld in artikel 18 van de Gemeentewet, de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.

  • 4.

    In geval van een tussentijdse vacaturevervulling roept de voorzitter een nieuw benoemd lid van de raad op voor de vergadering van de raad waarin over diens toelating wordt beslist om de voorgeschreven eed of verklaring en belofte af te leggen.

Artikel 7 Fractie

  • 1.

    Leden van de raad, die door het centraal stembureau op dezelfde kandidatenlijst verkozen zijn verklaard, worden bij de aanvang van de zitting als één fractie beschouwd. Is onder een lijstnummer slechts één lid verkozen, dan wordt dit lid als een afzonderlijke fractie beschouwd.

  • 2.

    Indien boven de kandidatenlijst een aanduiding was geplaatst, voert de fractie in de raad deze aanduiding als naam. Indien geen aanduiding boven de kandidatenlijst was geplaatst, deelt de fractie in de eerste vergadering van de raad aan de voorzitter mee welke naam deze fractie in de raad wil voeren.

  • 3.

    De namen van degenen die als voorzitter van de fractie en als diens plaatsvervanger optreden worden zo spoedig mogelijk doorgegeven aan de voorzitter.

  • 4.

    a. Indien:

1° één of meer leden van een fractie als zelfstandige fractie gaan optreden;

2° twee of meer fracties als één fractie gaan optreden;

3° één of meer leden van een fractie zich aansluiten bij een andere fractie; wordt hiervan zo spoedig mogelijk schriftelijk mededeling gedaan aan de voorzitter.

b.Met de onder a beschreven veranderde situatie wordt rekening gehouden met ingang van de eerstvolgende vergadering van de raad na de mededeling daarvan.

HOOFDSTUK 3 VERGADERINGEN

Paragraaf 1 Tijdstip van vergaderen; voorbereidingen

Artikel 8 Frequentie, dag, tijd en plaats van vergaderingen
  • 1.

    De vergaderingen van de raad vinden in de regel plaats op een dinsdag, twee weken nadat de rondetafelgesprekken hebben plaatsgevonden. De vergaderingen worden gehouden in het gemeentehuis.

  • 2.

    Een vergadering bestaat uit achtereenvolgens de debatraad en de besluitvormende raad.

  • 3.

    De vergadering begint om 20.00 uur. De besluitvormende raad vindt aansluitend aan de debatraad plaats. In de regel eindigt de debatraad met een schorsing van 15 minuten. De besluitvormende raad eindigt uiterlijk om 23.00 uur.

  • 4.

    De voorzitter kan in bijzondere gevallen een andere dag en aanvangsuur bepalen of een andere vergaderplaats aanwijzen. Hij voert hierover, tenzij er sprake is van een spoedeisende situatie, overleg met de agendacommissie.

Artikel 9 Oproep
  • 1.

    De voorzitter zendt ten minste acht dagen voor een vergadering de leden van de raad een schriftelijke oproep onder vermelding van dag, tijdstip en plaats van de vergadering.

  • 2.

    De voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken, met uitzondering van de in artikel 25, eerste en tweede lid, van de Gemeentewet bedoelde stukken, worden tegelijkertijd met de schriftelijke oproep aan de leden van de raad verzonden.

  • 3.

    Indien een aanvullende agenda wordt vastgesteld als bedoeld in artikel 10, tweede lid, worden deze agenda en de daarop vermelde voorstellen zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk 48 uur voor aanvang van de vergadering aan de leden van de raad gezonden.

Artikel 10 Agenda
  • 1.

    Voordat de schriftelijke oproep wordt verzonden, stelt de agendacommissie de voorlopige agenda van de vergadering vast. Zij agendeert de onderwerpen voor de debatraad tevens voor de besluitvormende raad, tenzij:

    • a.

      met het desbetreffende onderwerp rechtstreekse belangen van derden gemoeid zijn;

    • b.

      belangen van burgers door deze agendering nadelig beïnvloed kunnen worden of

    • c.

      geen besluit vereist is.

In deze gevallen wordt het onderwerp door de agendacommissie alleen voor de debatraad geagendeerd.

  • 2.

    In spoedeisende gevallen kan de voorzitter na het verzenden van de schriftelijke oproep tot uiterlijk 48 uur voor de aanvang van een vergadering een aanvullende agenda opstellen.

  • 3.

    Bij aanvang van de debatraad stelt de raad de agenda van de debatraad vast. Bij aanvang van de besluitvormende raad stelt de raad de agenda van de besluitvormende raad vast. Op voorstel van een lid van de raad of de voorzitter kan de raad bij de vaststelling van de agenda onderwerpen aan de agenda toevoegen of van de agenda afvoeren.

  • 4.

    Voor de besluitvormende raad wordt in ieder geval geagendeerd:

    • a.

      de vaststelling van het verslag van de vorige vergadering;

    • b.

      de vaststelling van de doorlopende lijst van ingekomen stukken als bedoeld in artikel 17.

  • 5.

    Indien een voorstel aanleiding geeft tot het stellen van informatieve vragen of indien het anderszins onvoldoende voorbereid is, wordt het ter behandeling terugverwezen naar een rondetafelgesprek.

  • 6.

    Indien tijdens de vergadering een motie of amendement betreffende een voorstel wordt ingediend, dan wordt het desbetreffende agendapunt in beginsel van de agenda voor de besluitvormende raad afgevoerd en wordt het geagendeerd voor de volgende besluitvormende raad.

  • 7.

    Een motie die tijdens de debatraad wordt ingediend en die geen betrekking heeft op een onderwerp dat al voor die debatraad geagendeerd was, wordt geagendeerd na het laatste agendapunt van de debatraad respectievelijk besluitvormende raad.

  • 8.

    Bij aanvang van de besluitvormende raad kan de raad alsnog besluiten een voor besluitvorming geagendeerd voorstel te agenderen voor de eerstvolgende besluitvormende raad.

  • 9.

    Op voorstel van een lid van de raad of van de voorzitter kan de raad de volgorde van behandeling van de agendapunten wijzigen.

Artikel 11 Ter inzage leggen van stukken
  • 1.

    Stukken, die ter toelichting van de onderwerpen of voorstellen op de agenda dienen, worden gelijktijdig met het verzenden van de schriftelijke oproep voor een ieder op het gemeentehuis en in de openbare bibliotheek ter inzage gelegd. De stukken worden tevens gepubliceerd op de website van de gemeente. De voorzitter maakt van de terinzagelegging en publicatie op de website melding in de openbare kennisgeving bedoeld in artikel 12. Indien na het verzenden van de schriftelijke oproep stukken ter inzage worden gelegd, wordt hiervan mededeling gedaan aan de leden van de raad en zo mogelijk in een openbare kennisgeving.

  • 2.

    Een origineel van een ter inzage gelegd stuk wordt niet buiten het gemeentehuis gebracht.

  • 3.

    Indien omtrent stukken op grond van artikel 25, eerste of tweede lid, van de Gemeentewet geheimhouding is opgelegd, blijven deze stukken in afwijking van het eerste lid, onder berusting van de griffier of een door hem aangewezen ambtenaar en verleent de griffier of deze ambtenaar de leden van de raad inzage.

Artikel 12 Openbare kennisgeving
  • 1.

    De vergadering wordt op de voor afkondigingen in de gemeente gebruikelijke wijze ter openbare kennis gebracht.

  • 2.

    De openbare kennisgeving vermeldt:

    • a.

      de datum, aanvangstijd en plaats van de vergadering;

    • b.

      de voorlopige agenda;

    • c.

      de wijze waarop en de plaats waar een ieder de voorlopige agenda en de daarbij behorende stukken kan inzien.

Paragraaf 2 Orde der vergadering; algemeen

Artikel 13 Presentie
  • 1.

    Het college is bij elke vergadering van de raad aanwezig.

  • 2.

    Bij binnenkomst in de vergaderzaal tekent ieder lid van de raad onmiddellijk de presentielijst. Aan het einde van elke vergadering wordt die lijst door de voorzitter en de griffier door ondertekening vastgesteld.

Artikel 14 Zitplaatsen
  • 1.

    De voorzitter, de leden van de raad, de wethouders en de griffier hebben een vaste zitplaats, door de voorzitter na overleg met het seniorenconvent bij aanvang van iedere nieuwe zittingsperiode van de raad aangewezen.

  • 2.

    Indien daartoe aanleiding bestaat, kan de voorzitter de indeling herzien na overleg met de agendacommissie.

Artikel 15 Opening vergadering; quorum
  • 1.

    De voorzitter opent de vergadering op het vastgestelde uur, indien het daarvoor door de wet vereiste aantal leden van de raad blijkens de presentielijst aanwezig is.

  • 2.

    Wanneer een kwartier na het vastgestelde tijdstip niet het vereiste aantal leden aanwezig is, bepaalt de voorzitter, na voorlezing van de namen der afwezige leden, dag en uur van de volgende vergadering, met inachtneming van artikel 20 van de Gemeentewet.

Artikel 16 Verslag
  • 1.

    Het conceptverslag van de voorgaande vergadering wordt, zo mogelijk, aan de leden van de raad toegezonden gelijktijdig met de schriftelijke oproep.

  • 2.

    De leden, de voorzitter, de wethouders, de griffier en de gemeentesecretaris hebben het recht een voorstel tot verandering aan de raad te doen, indien het verslag onjuistheden bevat of niet duidelijk weergeven hetgeen gezegd of besloten is. Een voorstel tot verandering dient voor het vaststellen van het verslag bij de griffier te worden ingediend.

  • 3.

    Het verslag moet inhouden:

    • a.

      de namen van de voorzitter, de griffier, de wethouders en de ter vergadering aanwezige leden, alsmede van de leden die afwezig waren en overige personen die het woord gevoerd hebben;

    • b.

      een vermelding van de zaken die aan de orde zijn geweest;

    • c.

      een zakelijke samenvatting van hetgeen gezegd is met vermelding van de namen van de aanwezigen die het woord voerden;

    • d.

      een overzicht van het verloop van elke stemming, met vermelding bij hoofdelijke stemming van de namen van de leden die voor of tegen stemden, onder aantekening van de namen van de leden die zich overeenkomstig de Gemeentewet van stemming hebben onthouden;

    • e.

      de tekst van de ter vergadering ingediende initiatiefvoorstellen en burgerinitiatiefvoorstellen, voorstellen van orde, moties, amendementen en subamendementen;

    • f.

      bij het desbetreffende agendapunt de naam en de hoedanigheid van die personen aan wie het op grond van het bepaalde in artikel 24 door de raad is toegestaan deel te nemen aan het debat.

  • 4.

    Het verslag wordt opgesteld onder de zorg van de griffier.

  • 5.

    Het vastgestelde verslag worden door de voorzitter en de griffier ondertekend.

Artikel 17 Doorlopende lijst van ingekomen stukken en mededelingen
  • 1.

    Bij de raad ingekomen stukken worden op een doorlopende lijst geplaatst. Deze lijst wordt gelijktijdig met de schriftelijke oproep als bedoeld in artikel 9 aan de leden van de raad toegezonden en ter inzage gelegd.

  • 2.

    Op de doorlopende lijst van ingekomen stukken staan in ieder geval, voor zover ingekomen:

    • a.

      voorstellen aan de raad (raadsvoorstellen);

    • b.

      brieven van het college aan de raad (collegebrieven);

    • c.

      brieven en documenten van derden gericht aan de raad;

    • d.

      schriftelijke vragen op grond van artikel 36 van dit reglement en de antwoorden daarop van het college of de burgemeester.

  • 3.

    Bij de behandeling van de ingekomen stukken stelt de raad op voorstel van de agendacommissie de wijze van afdoening vast.

Artikel 18 Spreekplaats
  • 1.

    De leden van de raad en overige aanwezigen spreken vanaf hun plaats of van achter het katheder en richten zich tot de voorzitter.

  • 2.

    Bij bijzondere gelegenheden kan de voorzitter bepalen dat de leden van de raad en de overige aanwezigen vanaf een andere plaats spreken.

Paragraaf 3 Debatraad

Artikel 19 Doel van de debatraad

De debatraad is erop gericht om de raad in de gelegenheid te stellen zijn kaderstellende, controlerende en volksvertegenwoordigende taak uit te oefenen. De raad kan dit doen middels het voeren van debat tussen de leden onderling en tussen de leden en andere deelnemers aan het debat, alsmede door middel van andere instrumenten die hem tijdens de debatraad ter beschikking staan.

Artikel 20 Statements en debat
  • 1.

    De voorzitter inventariseert bij de behandeling van een onderwerp welke leden daarover het woord willen voeren. Hij stelt achtereenvolgens aan de hand van de inventarisatie enkele leden in de gelegenheid een statement te maken.

  • 2.

    Tijdens het maken van zijn statement mag de spreker niet worden geïnterrumpeerd.

  • 3.

    Nadat de statements gemaakt zijn, kunnen de leden, en anderen die daartoe genodigd zijn, daarop reageren en een bijdrage aan het debat leveren.

  • 4.

    Tijdens het debat gelden geen vaste spreektermijnen.

  • 5.

    Gedurende het debat mogen sprekers elkaar interrumperen, tenzij dit tot verstoring van de orde leidt.

  • 6.

    Voor de behandeling van een onderwerp tijdens de debatraad wordt in beginsel niet meer dan 45 minuten uitgetrokken.

  • 7.

    In het kader van de bewaking van de termijn genoemd in het vorige lid kan de voorzitter de deelnemers aan het debat, in afwijking van het bepaalde in lid 4, een spreektijd stellen of, in afwijking van het bepaalde in lid 5, bepalen dat een spreker zonder verdere interrupties zijn betoog mag afronden.

  • 8.

    De raad kan op voorstel van de voorzitter of een lid beslissen over één of meer onderdelen van een onderwerp of voorstel afzonderlijk te debatteren.

  • 9.

    Op verzoek van een lid van de raad of op voorstel van de voorzitter kan de raad besluiten het debat voor een door hem te bepalen tijd te schorsen teneinde het college of de leden de gelegenheid te geven tot onderling nader beraad.

  • 10.

    De voorzitter voert tijdens het debat zo dikwijls het woord als hij nodig acht.

Artikel 21 Het college
  • 1.

    De leden van het college kunnen aan het debat deelnemen.

  • 2.

    Het college kan tijdens de debatraad ter verantwoording worden geroepen.

Artikel 22 Handhaving orde; schorsing
  • 1.

    Indien een spreker zich beledigende of onbetamelijke uitdrukkingen veroorlooft, afwijkt van het in behandeling zijnde onderwerp, een andere spreker herhaaldelijk interrumpeert, dan wel anderszins de orde verstoort, roept de voorzitter hem tot de orde. Indien de desbetreffende spreker hieraan geen gevolg geeft, kan de voorzitter hem gedurende de vergadering over het aanhangige onderwerp het woord ontzeggen. De voorzitter stelt de spreker in de gelegenheid de woorden die ertoe hebben geleid dat hij tot de orde is geroepen, terug te nemen. De weergave hiervan wordt alsdan niet in het verslag opgenomen.

  • 2.

    De voorzitter kan ter handhaving van de orde de vergadering voor een door hem te bepalen tijd schorsen en - indien na de heropening de orde opnieuw wordt verstoord - de vergadering sluiten.

Artikel 23 Deelname aan het debat door anderen
  • 1.

    De raad kan bepalen dat anderen dan de in de vergadering aanwezige leden van de raad, wethouders, griffier en voorzitter deelnemen aan het debat.

  • 2.

    Een beslissing daartoe wordt op voorstel van de voorzitter of één van de leden van de raad genomen alvorens met het debat ten aanzien van het aan de orde zijnde agendapunt een aanvang wordt genomen.

Paragraaf 4 Besluitvormende raad

Artikel 24 Stemverklaring

Voordat de raad tijdens de besluitvormende raad tot stemming overgaat, heeft ieder lid het recht zijn uit te brengen stem kort te motiveren.

Artikel 25 Algemene bepalingen over stemming
  • 1.

    De voorzitter vraagt of stemming wordt verlangd. Indien geen stemming wordt gevraagd en ook de voorzitter dit niet verlangt, stelt de voorzitter vast dat het voorstel zonder hoofdelijke stemming is aangenomen.

  • 2.

    In de vergadering aanwezige leden kunnen aantekening in het verslag vragen, dat zij geacht willen worden te hebben tegengestemd of zich van stemming te hebben onthouden.

  • 3.

    Indien door een of meer leden stemming wordt gevraagd, doet de voorzitter daarvan mededeling.

  • 4.

    Indien een hoofdelijke stemming wordt gehouden, wordt bij loting een volgnummer van de presentielijst aangewezen; bij het daar genoemde lid begint de hoofdelijke stemming. Indien er over meer onderwerpen een hoofdelijke stemming wordt gehouden, begint de stemming steeds bij hetzelfde lid.

  • 5.

    De griffier roept de leden van de raad bij naam op hun stem uit te brengen. Nadat het overeenkomstig het vorige lid aangewezen lid zijn stem heeft uitgebracht, geschiedt de oproeping naar de volgorde van de presentielijst.

  • 6.

    Bij hoofdelijke stemming is ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden verplicht zijn stem uit te brengen.

  • 7.

    De leden brengen hun stem uit door het woord ‘voor’ of ‘tegen’ uit te spreken, zonder enige toevoeging.

  • 8.

    Heeft een lid zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, dan kan hij deze vergissing nog herstellen voordat het volgende lid gestemd heeft. Bemerkt het lid zijn vergissing pas later, dan kan hij nadat de voorzitter de uitslag van de stemming bekend heeft gemaakt wel aantekening vragen dat hij zich heeft vergist; in de uitslag van de stemming brengt dit echter geen verandering.

  • 9.

    De voorzitter deelt de uitslag na afloop van de stemming mede, met vermelding van het aantal voor en tegen uitgebrachte stemmen. Hij doet daarbij tevens mededeling van het genomen besluit.

Artikel 26 Stemming over amendementen en moties
  • 1.

    Alvorens over een (sub)amendement of motie wordt gestemd, wordt het college in de gelegenheid gesteld over dat (sub)amendement of die motie te adviseren.

  • 2.

    Indien een amendement op een aanhangig voorstel is ingediend, wordt eerst over dat amendement gestemd.

  • 3.

    Indien op een amendement een subamendement is ingediend, wordt eerst over het subamendement gestemd en vervolgens over het amendement.

  • 4.

    Indien twee of meer amendementen of subamendementen op een aanhangig voorstel zijn ingediend, bepaalt de voorzitter de volgorde waarin hierover zal worden gestemd. Daarbij geldt de regel, dat het meest verstrekkende amendement of subamendement het eerst in stemming wordt gebracht.

  • 5.

    Na een stemming over een of meer (sub)amendementen vindt de stemming plaats over het voorstel, zoals het dan luidt, in zijn geheel, tenzij geen stemming wordt gevraagd. Voordat de stemming over het voorstel in zijn geheel plaatsvindt, formuleert de voorzitter het voorstel over de te nemen eindbeslissing.

  • 6.

    Indien aangaande een aanhangig voorstel een motie is ingediend, bepaalt de voorzitter de volgorde waarin over het voorstel en de motie wordt gestemd.

Artikel 27 Stemming over personen
  • 1.

    Wanneer een stemming moet worden gehouden over de benoeming, voordracht of aanbeveling van personen, benoemt de voorzitter drie leden tot commissie tot stemopneming. De commissie wordt bijgestaan door de griffier.

  • 2.

    De stemming vindt plaats middels stembriefjes.

  • 3.

    Ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet op grond van de Gemeentewet van stemming moet onthouden, is verplicht een stembriefje in te leveren. De stembriefjes dienen identiek te zijn.

  • 4.

    Er hebben zoveel stemmingen plaats als er personen zijn te benoemen, voor te dragen of aan te bevelen. De raad kan op voorstel van de voorzitter beslissen dat bepaalde stemmingen worden samengevat op één briefje of op een vooraf onder verantwoordelijkheid van de voorzitter vervaardigd stemformulier.

  • 5.

    De commissie tot stemopneming onderzoekt of het aantal ingeleverde stembriefjes gelijk is aan het aantal leden dat ingevolge het tweede lid verplicht is een stembriefje in te leveren. Wanneer de aantallen niet gelijk zijn worden de stembriefjes vernietigd zonder deze te openen en wordt een nieuwe stemming gehouden.

  • 6.

    Voor het bepalen van de volstrekte meerderheid als bedoeld in artikel 30 van de Gemeentewet worden geacht geen stem te hebben uitgebracht die leden die geen behoorlijk stembriefje hebben ingeleverd. Onder een niet behoorlijk ingevuld stembriefje wordt verstaan:

  • a.

    een blanco ingevuld stembriefje;

  • b.

    een ondertekend stembriefje;

  • c.

    een stembriefje waarop meer dan één naam is vermeld, tenzij de stemming verschillende vacatures betreft;

  • d.

    een stembriefje waarbij, indien het een benoeming op voordracht betreft, op een persoon wordt gestemd die niet is voorgedragen;

  • e.

    een stembriefje waarbij op een andere persoon wordt gestemd dan die waartoe de stemming is beperkt.

  • 7.

    In geval van twijfel over de inhoud van een stembriefje beslist de raad, op voorstel van de voorzitter.

  • 8.

    Onder de zorg van de griffier worden de stembriefjes onmiddellijk na vaststelling van de uitslag vernietigd.

Artikel 28 Herstemming over personen
  • 1.

    Wanneer bij de eerste stemming niemand de volstrekte meerderheid heeft verkregen, wordt tot een tweede stemming overgegaan.

  • 2.

    Wanneer ook bij deze tweede stemming door niemand de volstrekte meerderheid is verkregen, heeft een derde stemming plaats tussen twee personen, die bij de tweede stemming de meeste stemmen op zich hebben verenigd. Zijn bij de tweede stemming de meeste stemmen over meer dan twee personen verdeeld, dan wordt bij een tussenstemming uitgemaakt tussen welke twee personen de derde stemming zal plaatshebben.

  • 3.

    Indien bij tussenstemming of bij de derde stemming de stemmen staken, beslist terstond het lot.

Artikel 29 Beslissing door het lot
  • 1.

    Wanneer het lot moet beslissen, worden de namen van hen tussen wie de beslissing moet plaatshebben, door de voorzitter op afzonderlijke, geheel gelijke, briefjes geschreven.

  • 2.

    Deze briefjes worden, nadat zij door het stembureau zijn gecontroleerd, op gelijke wijze gevouwen, in een stembokaal gedeponeerd en omgeschud.

  • 3.

    Vervolgens neemt de voorzitter een van de briefjes uit de stembokaal. Degene wiens naam op dit briefje voorkomt, is gekozen.

HOOFDSTUK 4 RECHTEN VAN LEDEN

Artikel 30 Amendementen

  • 1.

    Ieder lid dat in de vergadering aanwezig is, kan een amendement indienen.

  • 2.

    Ieder lid dat in de vergadering aanwezig is, is bevoegd op het amendement dat door een lid is ingediend, een wijziging voor te stellen (subamendement).

  • 3.

    Elk (sub)amendement en elk voorstel moet om in behandeling genomen te kunnen worden schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend, tenzij de voorzitter - met het oog op het eenvoudige karakter van het voorgestelde - oordeelt, dat met een mondelinge indiening kan worden volstaan.

  • 4.

    Een (sub)amendement dient zodanig te zijn geformuleerd dat de tekst ervan geschikt is om in het ontwerpbesluit te worden verwerkt.

  • 5.

    Intrekking door de indiener(s) van het (sub)amendement is mogelijk, totdat de besluitvorming door de raad heeft plaatsgevonden.

Artikel 31 Moties

  • 1.

    Ieder lid dat in de vergadering aanwezig is, kan een motie indienen.

  • 2.

    Een motie moet om in behandeling genomen te kunnen worden schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend.

  • 3.

    De behandeling van een motie over een aanhangig onderwerp of voorstel vindt tegelijk met de beraadslaging over dat onderwerp of voorstel plaats.

Artikel 32 Voorstellen van orde

  • 1.

    De voorzitter en ieder lid van de raad kunnen tijdens de vergadering mondeling een voorstel van orde doen, dat kort kan worden toegelicht.

  • 2.

    Een voorstel van orde kan uitsluitend de orde van de vergadering betreffen.

  • 3.

    Over een voorstel van orde beslist de raad terstond.

Artikel 33 Initiatiefvoorstel

  • 1.

    Ieder lid heeft het recht aan de raad voorstellen te doen die buiten de agenda vallen.

  • 2.

    Zulk een initiatiefvoorstel moet schriftelijk bij de agendacommissie worden ingediend.

  • 3.

    De agendacommissie legt het voorstel ter advisering voor aan het college.

  • 4.

    Alvorens het advies van het college wordt ingewonnen, kan het voorstel in een rondetafelgesprek aan de orde worden gesteld.

  • 5.

    Nadat het college over het voorstel heeft geadviseerd, plaatst de agendacommissie het voorstel op de agenda van het eerstvolgende rondetafelgesprek dan wel van de eerstvolgende debatraad, tenzij de schriftelijke oproep hiervoor reeds verzonden is. In dit laatste geval wordt het voorstel op de agenda van het daaropvolgende rondetafelgesprek dan wel van de volgende debatraad geplaatst.

  • 6.

    De behandeling van het voorstel in de debatraad vindt plaats nadat alle op de agenda voorkomende voorstellen en onderwerpen zijn behandeld, tenzij de raad op voorstel van de voorzitter beslist dat het voorstel met het oog op de orde van de vergadering tezamen met een ander geagendeerd voorstel of onderwerp dient te worden behandeld.

Artikel 34 Collegevoorstel

  • 1.

    Een voorstel voor een verordening of een ander voorstel van het college aan de raad dat is aangeboden aan de raad, kan niet worden ingetrokken zonder motivering van het college en zonder toestemming van de raad.

  • 2.

    Indien de raad van oordeel is dat een voorstel als bedoeld in het eerste lid voor advies terug aan het college moet worden gezonden, bepaalt de raad in welke vergadering het voorstel opnieuw geagendeerd wordt.

Artikel 35 Interpellatie

  • 1.

    Indien een lid ingevolge artikel 155 lid 2 Gemeentewet inlichtingen aan het college of de burgemeester wenst te vragen over een onderwerp dat niet staat vermeld op de agenda van de raadsvergadering, dient deze bij de voorzitter een schriftelijk verzoek tot het houden van interpellatie in.

  • 2.

    Het verzoek tot het houden van een interpellatie wordt, behoudens in gevallen die naar het oordeel van de voorzitter spoedeisend zijn, ten minste 48 uur voor de aanvang van de vergadering bij de voorzitter ingediend. Het verzoek bevat een duidelijke omschrijving van het onderwerp waarover inlichtingen worden verlangd, alsmede de te stellen vragen.

  • 3.

    De voorzitter brengt de inhoud van het verzoek zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden van de raad en het college. Bij de aanvang en na de opening van de eerstvolgende vergadering na de indiening van het verzoek wordt het verzoek in stemming gebracht. Indien de raad verlof verleent voor de interpellatie, bepaalt hij op welk moment tijdens de vergadering de interpellatie zal worden gehouden.

  • 4.

    De interpellant voert eerst het woord, daarna de burgemeester en de wethouders. Interpellant, burgemeester en wethouders voeren niet meer dan tweemaal het woord. De overige leden van de raad voeren niet meer dan eenmaal het woord.

Artikel 36 Schriftelijke vragen

  • 1.

    Schriftelijke vragen worden kort en duidelijk geformuleerd. De vragen kunnen van een toelichting worden voorzien. Bij de vragen wordt aangegeven, of schriftelijke of mondelinge beantwoording wordt verlangd.

  • 2.

    De vragen worden bij de voorzitter ingediend. Deze draagt er zorg voor dat de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de overige leden van de raad en het college worden gebracht.

  • 3.

    Schriftelijke beantwoording vindt zo spoedig mogelijk plaats; in ieder geval binnen dertig dagen nadat de vragen zijn binnengekomen. Mondelinge beantwoording vindt plaats in de eerstvolgende debatraad. Indien beantwoording niet binnen deze termijnen kan plaatsvinden, stelt de burgemeester of het college de vragensteller hiervan gemotiveerd in kennis, waarbij de termijn aangegeven wordt, waarbinnen beantwoording zal plaatsvinden. Dit bericht wordt behandeld als een antwoord.

  • 4.

    De antwoorden worden door de burgemeester of het college aan de leden van de raad medegedeeld.

  • 5.

    De vragen en antwoorden worden gelijktijdig met de stukken als bedoeld in artikel 9 lid 2 aan de leden van de raad toegezonden.

  • 6.

    De vragensteller kan, bij schriftelijke beantwoording in de eerstvolgende raadsvergadering en bij mondelinge beantwoording in dezelfde raadsvergadering, na de behandeling van de op de agenda voorkomende onderwerpen nadere inlichtingen vragen omtrent het door de burgemeester of door het college gegeven antwoord, tenzij de raad anders beslist.

HOOFDSTUK 5 BEGROTING EN REKENING

Artikel 37 Procedure begroting

Onverminderd het bepaalde in de Gemeentewet geschiedt de voorbereiding, het onderzoek, de behandeling en de vaststelling van de begroting volgens een procedure die het seniorenconvent vaststelt.

Artikel 38 Procedure jaarrekening

Onverminderd het bepaalde in de Gemeentewet geschiedt de voorbereiding en het onderzoek van de jaarrekening en het jaarverslag, alsmede de vaststelling van de jaarrekening en van een eventueel indemniteitsbesluit volgens een procedure die het seniorenconvent vaststelt.

HOOFDSTUK 6 LIDMAATSCHAP VAN ANDERE ORGANISATIES

Artikel 39 Verslag, vragen en verantwoording

  • 1.

    Een lid van de raad, een wethouder, de burgemeester of de gemeentesecretaris, die door de gemeenteraad is aangewezen tot lid van het algemeen bestuur van een openbaar lichaam of van een andere Verbonden Partij, ingesteld op grond van de Wet gemeenschappelijke regelingen, heeft het recht (om in aansluiting op de behandeling van de lijst van ingekomen stukken of voor het sluiten van de vergadering) verslag te doen over zaken die in het algemeen bestuur als bedoeld aan de orde zijn. Door de raad gewenste bespreking van dit verslag kan de voorzitter verwijzen naar een rondetafelgesprek.

  • 2.

    Ieder lid van de raad kan aan een persoon als bedoeld in het eerste lid schriftelijke vragen stellen.

  • 3.

    De vragen worden bij de voorzitter ingediend. Deze draagt er zorg voor dat de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis komen van de persoon aan wie de vragen gesteld worden.

  • 4.

    Schriftelijke beantwoording vindt zo spoedig mogelijk plaats; in ieder geval binnen dertig dagen nadat de vragen zijn binnengekomen. Mondelinge beantwoording vindt plaats in de eerstvolgende debatraad. Indien beantwoording niet binnen deze termijnen kan plaatsvinden, stelt de voorzitter de vragensteller hiervan gemotiveerd in kennis, waarbij de termijn aangegeven wordt, waarbinnen beantwoording zal plaatsvinden. Dit bericht wordt behandeld als een antwoord.

  • 5.

    De antwoorden worden door de voorzitter aan de leden van de raad medegedeeld.

  • 6.

    De vragen en antwoorden worden gelijktijdig met de stukken als bedoeld in artikel 9 lid 2 aan de leden van de raad toegezonden.

  • 7.

    Wanneer een lid van de raad een persoon als bedoeld in het eerste lid ter verantwoording wenst te roepen over zijn wijze van functioneren als zodanig, besluit de raad over het toestaan daarvan. De verantwoording en informatieplicht als bedoeld in artikel 169 Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 8.

    Dit artikel is van overeenkomstige toepassing op andere organisaties of instituties, waarin de raad één van zijn leden heeft benoemd.

HOOFDSTUK 7 BESLOTEN VERGADERING

Artikel 40 Algemeen

Op een besloten vergadering zijn de bepalingen van dit reglement van overeenkomstige toepassing voor zover deze bepalingen niet strijdig zijn met het besloten karakter van de vergadering.

Artikel 41 Verslag

  • 1.

    Het verslag van een besloten vergadering is in elk geval niet openbaar zolang zij niet zijn vastgesteld. Het verslag dat niet openbaar is, wordt uitsluitend aan de leden van de raad en de leden van het college verstrekt.

  • 2.

    Dit verslag wordt zo spoedig mogelijk in een besloten vergadering ter vaststelling aangeboden. Tijdens deze vergadering neemt de raad een besluit over het al dan niet openbaar maken van dit verslag. Het vastgestelde verslag wordt door de voorzitter en de griffier ondertekend.

Artikel 42 Geheimhouding

Voor de afloop van de besloten vergadering beslist de raad overeenkomstig artikel 25, eerste lid, van de Gemeentewet of omtrent de inhoud van de stukken en het verhandelde geheimhouding zal gelden. De raad kan besluiten de geheimhouding op te heffen.

Artikel 43 Opheffing geheimhouding

Indien de raad op grond van artikel 25, derde en vierde lid, artikel 55, tweede en derde lid, of artikel 86, tweede en derde lid, van de Gemeentewet voornemens is de geheimhouding op te heffen wordt, indien daarom wordt verzocht door het orgaan dat geheimhouding heeft opgelegd, in een besloten vergadering met het desbetreffende orgaan overleg gevoerd.

HOOFDSTUK 8 TOEHOORDERS EN PERS

Artikel 44 Toehoorders en pers

  • 1.

    De toehoorders en vertegenwoordigers van de pers kunnen uitsluitend op de voor hen bestemde plaatsen openbare vergaderingen bijwonen.

  • 2.

    Het geven van tekenen van goed- of afkeuring of het op andere wijze verstoren van de orde is verboden.

Artikel 45 Geluid- en beeldregistraties

Degenen die in de vergaderzaal tijdens de raadsvergadering geluid- dan wel beeldregistraties willen maken doen hiervan mededeling aan de voorzitter en gedragen zich naar zijn aanwijzingen.

Artikel 46 Verbod gebruik mobiele telefoons

In de vergaderzaal, met inbegrip van de publieke tribune, is tijdens de vergadering het gebruik van mobiele telefoons of andere communicatiemiddelen die inbreuk kunnen maken op de orde van de vergadering niet toegestaan, tenzij de voorzitter hiervoor toestemming heeft gegeven.

Artikel 47 Maatregelen van orde

Indien de voorzitter dit nodig oordeelt, kan hij de vergadering voor een door hem te bepalen tijd schorsen ter handhaving van de orde op de publieke tribune.

HOOFDSTUK 9 SLOTBEPALINGEN

Artikel 48 Uitleg reglement

  • 1.

    In de gevallen waarin dit reglement niet voorziet of bij twijfel omtrent de toepassing van het reglement, beslist de raad op voorstel van de voorzitter.

  • 2.

    In bijzondere gevallen kan de raad met algemene stemmen besluiten af te wijken van de bepalingen van dit reglement.

Artikel 49 Citeertitel

Dit reglement kan worden aangehaald als: Reglement van orde voor de raad.

Artikel 50 Inwerkingtreding

  • 1.

    Dit reglement treedt in werking op de achtste dag na de publicatie ervan in het Houtens Nieuws.

  • 2.

    Op dat tijdstip vervalt het reglement van orde voor de vergaderingen van de raad van de gemeente Houten vastgesteld bij raadsbesluit van 9 mei 2006.

Dit is besloten in de openbare vergadering van de raad op 29 september 2009 De raad van de gemeente Houten,
de griffier, de voorzitter,
P.M.H. van RuitenbeekC.H.J. Lamers

Toelichting reglement van orde voor de vergaderingen en andere werkzaamheden van de gemeenteraad

Inleiding

De gemeenteraad van Houten heeft besloten de nieuwe werkwijze van de gemeenteraad te formaliseren in een nieuw reglement. Het belangrijkste kenmerk van deze nieuwe werkwijze is de indeling van de besluitvorming door de raad in drie fases, zijnde een informatieve fase, een meningsvormende fase (debat) en een besluitvormende fase. Als basis van dit reglement is het voormalige reglement gebruikt, alsmede het modelreglement van de VNG. De gemeenteraad is op grond van artikel 16 Gemeentewet verplicht een reglement vast te stellen. De bepalingen in het reglement mogen niet in strijd zijn met de dwingende bepalingen uit de Gemeentewet.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In dit artikel worden een aantal relevante begrippen uiteengezet.

Artikel 2 De voorzitter

De burgemeester is voorzitter van de raad. Artikel 9 van de Gemeentewet schrijft dit dwingend voor.

De burgemeester heeft het recht op grond van artikel 21 van de Gemeentewet in de vergadering aan de beraadslaging deel te nemen. Als voorzitter zorgt hij o.a. voor de handhaving van de orde in de vergadering.

Artikel 3 De griffier

De Gemeentewet eist dat de raad de vervanging van de griffier regelt (artikel 107d, eerste lid). In het tweede lid is daarover een bepaling opgenomen. In verband met artikel 22 Gemeentewet (verschoningsrecht) is in het derde lid een bepaling opgenomen met betrekking tot het deelnemen van de griffier aan de beraadslaging. Rechtspositionele bepalingen omtrent de beëdiging, woonplaats etc. zijn niet in dit reglement opgenomen, daar dat beter geregeld kan worden in de ambtsinstructie voor de griffier, die de raad vaststelt. (laatste versie vastgesteld bij raadsbesluit 2002-184).

Artikel 4 De agendacommissie

De Gemeentewet regelt niet op welke wijze de agenda van de gemeenteraad wordt vastgesteld. In artikel 19 Gemeentewet wordt slechts geregeld dat bij de oproeping voor de vergadering tegelijkertijd ook de agenda wordt verzonden. In Houten is een agendacommissie ingesteld, bestaande uit de plaatsvervangend voorzitten van de raad en een tweetal rondetafelvoorzitters. De agendacommissie is zo samengesteld dat er zowel een lid van de coalitiepartijen als van de oppositiepartijen is van de commissie. De commissie wordt voorgezeten door de plaatsvervangend voorzitter van de raad, ook een raadslid. In de praktijk verstrekt de burgemeester informatie vanuit het college.

Het uitgangspunt is dat de raad de eigen agenda bepaalt. In het bijzonder geldt dit voor de invulling van de vaste vergaderavond van de raad, de dinsdag. Maar ook als de raad in zijn geheel wordt uitgenodigd voor bijvoorbeeld een werkbezoek, dan komt dit verzoek aan de orde in de agendacommissie en wordt daar de datum vastgesteld. Als het college tijdens een rondetafelgesprek een presentatie wil geven dan komt een dergelijk verzoek ook aan de orde in de agendacommissie. Een uitzondering op de regierol van de agendacommissie betreft de invulling van de bijpraatavonden van het college. Deze avonden worden in de regel op donderdag gehouden en het college bepaalt zelf op welke manier aan deze avond invulling wordt gegeven. In de praktijk meldt het college overigens wel aan de agendacommissie welk onderwerp besproken zal worden.

Artikel 5 Het seniorenconvent

De gemeente Houten kent een seniorenconvent, waarin alle fractievoorzitters vertegenwoordigd zijn. Het seniorenconvent houdt zich bezig met huishoudelijke zaken van de raad en kan dienen als klankbord voor de voorzitter van de raad en het college. De senioren sturen ook de griffie aan. In de praktijk vindt de dagelijkse aansturing plaats door de plaatsvervangend voorzitter van de raad. In het seniorenconvent wordt slechts een enkele keer gestemd. In het reglement is bepaald dat iedere fractievoorzitter, ongeacht de grootte van de fractie, één stem heeft en dat de meerderheid beslist. In afwijking de bepalingen in artikel 4 (agendacommissie), beslist het seniorenconvent over de wijze waarop de begroting en de jaarrekening worden behandeld. Achterliggende gedachte is dat het bij deze onderwerpen niet alleen gaat om het bepalen van een tijd en een datum, maar ook om de indeling van de vergadering. Zo worden er in het seniorenconvent afspraken gemaakt over de lengte van de algemene beschouwingen en de vergaderorde.

Hoofdstuk 2 Toelating van nieuwe leden; fracties

Artikel 6 Onderzoek geloofsbrieven

Met de geloofsbrief geeft de voorzitter van het centraal stembureau aan de benoemde kennis van zijn benoeming. Bij deze brief moeten enkele in de Kieswet vereiste stukken worden gevoegd, waaruit blijkt, dat de benoemde voldoet aan de eisen om als lid van de raad toegelaten te kunnen worden. Het onderzoek van de geloofsbrieven moet in een openbare vergadering gebeuren.

Ingevolge artikel V4 Kieswet beslist de raad over de toelating van zijn leden. Daarbij is er een verschil in de procedure bij de samenstelling van een nieuwe raad of bij de vervulling van een tussentijdse vacature. De tekst van de eed of verklaring en belofte die een raadslid bij het aanvaarden van het raadslidmaatschap moet afleggen, is in artikel 14 Gemeentewet vastgelegd.

Artikel 7 Fracties

In een aantal gevallen blijkt behoefte te bestaan aan een regeling van wat onder een fractie moet worden verstaan. De Gemeentewet kent een dergelijk begrip niet maar gaat onder andere in artikel 33, tweede lid, wel uit van het bestaan van in de raad vertegenwoordigde groeperingen (recht op fractie-ondersteuning). De raadsleden die onder een gezamenlijke naam opereren worden daarbij gezien als fractie.

In de verordening voor de rondetafelgesprekken en in de verordening op de ambtelijke bijstand en fractieondersteuning wordt een breder begrip van fractie gehanteerd, namelijk de bij een groepering behorende raadsleden en de commissieleden die zijn benoemd door de gemeenteraad. Deze commissieleden mogen deelnemen aan de rondetafelgesprekken en treden dan op als vertegenwoordiger van hun fractie.

In de loop van een zittingsperiode kan het voorkomen dat leden de raad verlaten. Het beëindigen van de zitting in de raad kan verschillende oorzaken hebben (ziekte, conflict, etc.). In een dergelijk geval vindt er een verandering in de samenstelling van de fractie plaats; de fractie deelt dit dan aan de voorzitter mee.

Hoofdstuk 3 Vergaderingen

Paragraaf 1 Tijd van vergaderen; voorbereidingen

Artikel 8 Vergaderfrequentie

Ingevolge artikel 17 van de Gemeentewet vergadert de raad zo vaak hij daartoe heeft besloten en voorts indien de burgemeester het nodig oordeelt of indien ten minste een vijfde van het aantal leden van de raad schriftelijk met opgave van redenen daarom vraagt. De aanvangstijd van de debatraad is 20.00 uur, maar de aanvangstijd van de besluitvormende raad is afhankelijk van het einde van de debatraad. Als eindtijd wordt 23.00 uur aangehouden. Incidenteel kan de raad hiervan afwijken.

Artikel 9 Oproep

Raadsleden horen op tijd op de hoogte te worden gebracht van dag, tijdstip en plaats van de vergadering. Tegelijkertijd krijgen zij ook de voorlopige agenda en de stukken toegestuurd. In de praktijk ontvangen de raadsleden ook een concept agenda voor de raadsvergadering volgend op de eerstvolgende raadsvergadering. De eerste aankondiging is dus ruim van tevoren, terwijl de meest recente agenda wordt verzonden in de week voorafgaand aan de raadsvergadering op dinsdag.

Artikel 10 Agenda

De agendacommissie bepaalt in zijn overleg hoe de agenda eruit komt te zien. Dit is echter een voorlopige vaststelling van de agenda. In de dagelijkse praktijk van de gemeente zal het niet altijd mogelijk zijn om acht dagen voor de vergadering een agenda op te stellen, die ook zicht heeft op de ‘waan’ van de dag. In een dergelijke situatie kan de voorzitter na het verzenden van de schriftelijke oproep zo nodig een aanvullende agenda vaststellen. Dit kan echter niet tot op het laatste moment, maar tot uiterlijk twee dagen voor de aanvang van de vergadering.

Het derde lid heeft tot doel om de raad een actievere rol te geven in de opstelling van de raadsagenda. Individuele raadsleden kunnen via hun fractievoorzitter aan de agendacommissie onderwerpen voor de agenda voordragen. Zij kunnen echter ook bij aanvang van de raadsvergadering een voorstel doen om onderwerpen aan de agenda toe te voegen of van de agenda af te voeren. Daarmee kan het individuele raadslid in ieder geval op twee momenten invloed uitoefenen op de vaststelling van de agenda.

Het vijfde lid vloeit voort uit de verplichting van het college om de raad van voldoende informatie te voorzien. Als de raad niet voldoende op de hoogte is van de inhoud en strekking van een onderwerp dan is het niet verantwoord dat de raad zich op hoofdlijnen over dit onderwerp uitspreekt. In een dergelijk geval heeft de raad de mogelijkheid het onderwerp naar een rondetafelgesprek te verwijzen of om aan het college nadere inlichtingen of advies te vragen.

Bij de introductie van de nieuwe werkwijze is besloten om iedere fase van het besluitvormingsproces op een andere avond af te werken. Bij de evaluatie is uit efficiencyoverwegingen besloten het debat en het besluit toch op dezelfde avond te laten plaatsvinden. Er zijn echter enkele uitzonderingen genoemd in lid 1 onder a en b en in lid 6. In deze gevallen wegen andere belangen zwaarder dan het belang van snelle besluitvorming en wordt de besluitvorming toch verplaatst naar de eerstvolgende vergadering.

Artikel 11 Ter inzage leggen van stukken

In dit artikel gaat het, naast om de geheime stukken, om de zogenaamde ‘achterliggende’ stukken waarvan vaak in de raadsvoorstellen melding wordt gemaakt (ambtelijke adviezen, toelichtende nota's, etc.). Via de website worden de meeste achterliggende stukken ontsloten.

Artikel 12 Openbare kennisgeving

Met dit artikel wordt invulling gegeven aan het voorschrift van artikel 19, tweede lid Gemeentewet.

Voor wat betreft de wijze van publicatie is aangesloten bij artikel 3:12 Algemene wet bestuursrecht.

Paragraaf 2 Orde der vergadering; algemeen

Artikel 13 Presentie

De handtekeningen op de presentielijst zijn bedoeld om formeel vast te stellen, dat het vergaderquorum aanwezig is. De lijst kan niet dienen om het stemquorum vast te stellen; daarvoor geldt artikel 29 Gemeentewet.

Artikel 15 Opening vergadering; quorum

De vergadering kan beginnen, indien meer dan de helft van het aantal zitting hebbende raadsleden aanwezig is en de presentielijst heeft getekend. Artikel 20 Gemeentewet voorziet in een procedure voor een tweede vergadering indien het vereiste aantal leden niet op komt dagen.

Artikel 17 Doorlopende lijst van Ingekomen stukken en mededelingen

Omtrent de (aan de raad gerichte) ingekomen stukken worden alleen voorstellen gedaan en besluiten genomen van procedurele aard. Inhoudelijke discussie over de stukken kan de voorzitter buiten de orde verklaren. Wanneer een ingekomen stuk leidt tot inhoudelijke discussie en besluitvorming, dient dit te worden voorbereid door agendering voor een rondetafel of door agendering voor de raadsvergadering.

Artikel 18 Spreekplaats

Dit artikel behoeft geen toelichting.

Paragraaf 3 Debatraad

Artikel 19 Doel van de debatraad

In dit artikel is een ruime doelstelling opgenomen voor de debatraad. Omdat er in Houten een splitsing is gemaakt tussen de informatieve fase, de debatfase en de besluitvormende fase, is het van belang het doel van de debatraad niet te beperken tot het voorbereiden van besluitvorming. Er is eveneens ruimte voor controle van het college door het inzetten van de instrumenten zoals die staan beschreven in dit reglement en in de Gemeentewet.

Artikel 20 Statements en debat

Debatteren betekent met elkaar van gedachten wisselen over een bepaald onderwerp. Het kwam in het verleden vaak voor dat iedere partij over een onderwerp het woord wenste te voeren. Niet zelden werden daarbij standpunten van andere partijen (deels) herhaald. De raad van Houten heeft een bewuste keuze gemaakt om te stoppen met het werken in vaste spreektermijnen. In plaats daarvan wordt aan enkele sprekers de gelegenheid gegeven om een basis te leggen voor de rest van het debat in de vorm van een statement. Dit betreft een mondelinge weergave van een standpunt over een onderwerp, voorafgaand aan het debat over dat onderwerp. Het is wenselijk het aantal statements te beperken om te bevorderen dat er vooral wordt gedebatteerd over die aspecten van het onderwerp die bepalend zijn voor de besluitvorming. Andere leden kunnen op de statements reageren. De regie over het debat blijft echter wel bij de voorzitter van de raad liggen. Hij kan het debat begeleiden door bepaalde punten samen te vatten en af te ronden. Er is gekozen om een indicatie op te nemen van de maximale behandeltijd voor één onderwerp. De tijdsdruk zorgt ervoor dat er wordt gedebatteerd op hoofdlijnen. In de praktijk blijkt dat na 45 minuten debatteren er meestal geen nieuwe essentiële invalshoeken te belichten zijn.

Artikel 21 Het college

Het college kan naar believen deelnemen aan het debat. In lid 2 is expliciet opgenomen dat het college tijdens de debatraad ter verantwoording kan worden geroepen. Deze bepaling loopt vooruit op een komende wijziging van de Gemeentewet waarin wordt opgenomen dat het college altijd bij de raadsvergadering aanwezig mag zijn en niet alleen op uitnodiging. In artikel 35 van dit reglement wordt ingegaan op de mogelijkheid van het houden van een interpellatie. Dit wordt echter gezien als een relatief zwaar middel. Los van de mogelijkheid van een interpellatie kan ook bij andere gelegenheden het college door de raad ter verantwoording worden geroepen.

Artikel 22 Handhaving orde; schorsing

De bevoegdheid die in het tweede lid aan de voorzitter wordt gegeven om een spreker over een aanhangig onderwerp het woord te ontzeggen, gaat minder ver dan de mogelijkheid die artikel 26, derde lid, van de Gemeentewet biedt om aan dat lid, dat door zijn gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert, de toegang tot de vergadering te ontzeggen. De laatstgenoemde bevoegdheid van de voorzitter blijft echter onverlet. Artikel 22 is slechts een aanvulling op de Gemeentewet.

Onder interruptie is overigens niet te verstaan het geven van tekenen van goed- of afkeuring; deze uitingen worden beschouwd als verstoringen van de orde. Voor wat betreft de handhaving van de orde op de publieke tribune wordt verwezen naar artikel 47 van dit reglement.

Artikel 23 Deelname aan de beraadslaging door anderen

Deze bepaling is noodzakelijk in verband met het in artikel 22 Gemeentewet geregelde verschoningsrecht. Bij “anderen” kan in dit geval worden gedacht aan de gemeentesecretaris, maar ook aan de Commissaris van de Koningin.

Paragraaf 4 Besluitvormende raad

Artikel 24 Stemverklaring

Stemverklaringen zullen kort moeten zijn en mogen niet het karakter krijgen van een derde termijn, als laatste reactie op de vorige spreker. De stemverklaringen worden alle gegeven vóór de hoofdelijke oproep van de leden tot de stemming begint.

Artikel 25 Algemene bepalingen over stemming

Indien een lid te kennen geeft een hoofdelijke stemming te wensen, moet de stemming plaatsvinden. De raad heeft niet de bevoegdheid om van deze bepaling van artikel 32 Gemeentewet af te wijken. Vraagt niemand stemming, dan wordt het voorstel geacht te zijn aangenomen.

De regeling in het tweede lid kan toepassing krijgen, indien de uitkomst van de stemming tevoren duidelijk is en slechts enkele leden zouden tegenstemmen. Bij wie de stemming begint, is geregeld in lid 4.

Bij staking van stemmen is het bepaalde in artikel 32 Gemeentewet van toepassing. Indien de vergadering voltallig is, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen. Is de vergadering niet voltallig, dan wordt het nemen van het besluit tot een volgende vergadering uitgesteld. Als ook dan de stemmen staken, wordt het voorstel geacht niet te zijn aangenomen.

Artikel 26 Stemming over amendementen en moties

Voor meer informatie over een amendement of een motie (betekenis, indiening e.d.) wordt verwezen naar de artikelen 1, 30 en 31 van dit reglement.

Artikel 27 Stemming over personen

De Gemeentewet geeft aan, dat over benoemingen (niet ontslag) van personen of het opstellen van een voordracht of aanbeveling schriftelijk moet worden gestemd (artikel 31 Gemeentewet).

Een voordracht is voor de raad bindend; de raad heeft slechts keus tussen degenen die op de voordracht zijn vermeld. Een aanbeveling is een voorstel waarvan de raad mag afwijken. Wanneer er veel benoemingen te doen zijn (bijvoorbeeld aan het begin van een nieuwe zittingsperiode) zou een gecombineerd stembiljet kunnen worden ontworpen.

Artikel 28 en 29 herstemming over personen

Bij benoemingen is het van belang dat nog dezelfde vergadering duidelijk wordt wie wordt benoemd. Daarom wordt er niet gewacht op een volgende vergadering, maar wordt onmiddellijk een nieuwe stemming gehouden. Uiteindelijk beslist het lot.

Hoofdstuk 4 rechten van leden

Artikel 30 Amendementen

Leden van de raad kunnen aan de raad wijzigingen op het voorstel van het college voorstellen, de zogenaamde amendementen. Wanneer een amendement is ingediend, kan dit voor een ander raadslid aanleiding zijn, op dit amendement een wijziging voor te stellen, het subamendement.

Voor de stemming over amendementen wordt verwezen naar artikel 26.

Artikel 31 Moties

Een motie is een voorstel tot het doen van een uitspraak. Het kan gaan om het uitspreken van een wens (van inhoudelijke, politieke, procedurele aard) of het uitspreken van instemming dan wel afkeuring over bepaalde ontwikkelingen. Een motie betreft dus niet een concreet besluit dat op rechtsgevolg is gericht; een motie heeft geen juridische, maar een politieke betekenis. Daarom zijn burgemeester en wethouders formeel niet aan een motie gebonden of tot uitvoering ervan verplicht. Wel kan het naast zich neerleggen van een motie door het college leiden tot een vertrouwensbreuk tussen raad en college en hieruit kan het college dan zijn consequentie trekken.

Voor wat betreft de besluitvormingsprocedure over een motie wordt opgemerkt, dat over een motie een apart besluit wordt genomen. Voor de beraadslaging over een motie over een aanhangig onderwerp geldt, dat deze niet plaatsvindt in afzonderlijke termijnen, maar gelijktijdig met de beraadslaging over het onderwerp, waarop de motie betrekking heeft. In andere gevallen wordt de motie bijgeplaatst op de agenda.

Artikel 32 Voorstellen van orde

De voorzitter legt aan de raad ter beslissing voor of er inderdaad sprake is van een voorstel van orde. Over een voorstel van orde wordt in principe direct, zonder uitgebreide beraadslaging, besloten door de raad. Indien het gaat om een niet geagendeerd voorstel, dient de procedure van een initiatiefvoorstel gevolgd te worden (artikel 33).

Artikel 33 Initiatiefvoorstellen

Het is de taak van burgemeester en wethouders aan de raad de nodige voorstellen te doen. In een enkel geval komt een voorstel aan de orde van de griffie of van het seniorenconvent. Maar raadsleden kunnen ook zelf een voorstel voor een ontwerp-verordening of ontwerp-beslissing doen. Hiervoor is het recht van initiatief toegekend. Een voorstel voor een ontwerp-verordening moet de raad in behandeling nemen (artikel 147a Gemeentewet). Voor andere initiatiefvoorstellen is geen verplichte behandeling voorgeschreven. Dit betekent dat de raad (aanvullende) voorwaarden kan stellen aan het in behandeling nemen van een ander initiatiefvoorstel. De raad heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt in artikel 33. Uitgangspunt bij de behandeling van een initiatiefvoorstel is dat de drie fases worden doorlopen die bij ieder voorstel worden doorlopen, zijnde de informatiefase, de debatfase en de besluitvormende fase. Daarnaast is het van belang dat het college van burgemeester en wethouders de gelegenheid krijgt om een advies uit te brengen aan de raad over het initiatiefvoorstel. Het college wordt verondersteld vanuit de eigen deskundigheid (daarbij ondersteund door de ambtenaren) te adviseren over allerlei aspecten van een voorstel. Het gaat daarbij niet alleen om de politieke wenselijkheid van een te nemen besluit, maar ook om de praktische uitvoerbaarheid, de juridische consequenties e.d. De agendacommissie voert bij het behandelen van een initiatiefvoorstel de regie. Afhankelijk van de complexiteit van het voorstel kan worden gekozen voor een dubbele behandeling in een rondetafelgesprek. In de eerste behandeling kan de initiatiefnemer het voorstel toelichten. Bij de tweede behandeling gaat het om het voorbereiden van het besluit door de raad.

Bij de redactie van dit artikel is reeds rekening gehouden met wetgeving die is aangekondigd door de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties die inhoudt dat een advies van het college verplicht wordt gesteld alvorens de raad over een initiatiefvoorstel mag besluiten.

Artikel 34 Collegevoorstel

Sinds de wetgeving in 2002 is gewijzigd wordt er vanuit gegaan dat de gemeenteraad de eigen agenda bepaalt. In de praktijk worden de meeste voorstellen gedaan door het college van burgemeester en wethouders. In artikel 34 wordt de zelfstandige positie van de raad qua agendering gemarkeerd. Als een voorstel eenmaal is aangeboden aan de raad, dan ligt de regie voor wat betreft de behandeling bij de raad zelf. Toch kunnen er omstandigheden zijn waarin het college aanleiding ziet om een voorstel ter herzien of in te trekken. Deze mogelijkheid blijft bestaan, maar omdat de regierol bij de raad ligt, dient het college wel te motiveren waarom een voorstel van de agenda zou moeten worden gehaald. De raad dient hier vervolgens mee in te stemmen. In theorie kan de raad toch een besluit nemen, terwijl het college zich daarmee niet kan verenigen.

Artikel 35 Interpellatie

Dit artikel stelt nadere regels aan artikel 155 van de Gemeentewet. Het interpellatierecht ligt in het verlengde van het mondelinge vragenrecht. Het gaat om een recht van een volksvertegenwoordiger om tijdens een vergadering over een niet-geagendeerd onderwerp inlichtingen aan het college of de burgemeester te vragen. Daarvoor is verlof van de raad voor nodig. In het algemeen zal een dergelijk verlof niet snel worden geweigerd. Het houden van een interpellatie wordt gezien als een relatief zwaar politiek instrument.

Artikel 36 Schriftelijke vragen

Het vragenrecht geeft aan de leden van de raad het recht informatie te vragen over aangelegenheden die tot de bevoegdheid van het college of de burgemeester behoren. Het karakter van deze vragen is primair van informatieve strekking.

In de hier aangegeven procedure wordt de vragensteller in de gelegenheid gesteld nadere inlichtingen over het antwoord te vragen aan degene die het antwoord heeft gegeven. Indien de vragensteller van mening is, dat de beantwoording van de vragen tot een besluit van de raad moet leiden, kan hij het recht van initiatief of het interpellatierecht benutten om het onderwerp of het voorstel op de agenda van de raad te krijgen. In Houten kunnen de raadsleden aan de agendacommissie aangeven dat zij naar aanleiding van de beantwoording nog nadere vragen willen stellen in de eerstvolgende raadsvergadering.

Hoofdstuk 5 Begroting en rekening

Artikel 37 Procedure begroting en artikel 38 Procedure jaarrekening

In september 2008 is de agendacommissie van Houten verkleind tot 3 raadsleden. De behandeling van de begroting en de jaarrekening worden echter beschouwd als zodanig belangrijk dat in deze gevallen de procedure wordt vastgesteld in het overleg van de fractievoorzitters.

Hoofdstuk 6 Lidmaatschap van andere organisaties

Artikel 39 Verslag; verantwoording

Leden van de raad (of in voorkomende gevallen de burgemeester, een wethouder of de gemeentegemeentesecretaris), die lid zijn van een algemeen bestuur van een gemeenschappelijke regeling, verrichten aldaar hun taak zowel als leden van dat bestuur en als vertegenwoordiger van en in naam van de gemeente. Voor de wijze, waarop zij in het bestuur van de gemeenschappelijke regeling functioneren, zijn zij verantwoording verschuldigd aan de raad, die hen heeft aangewezen. Ook de gemeenschappelijke regeling dient over deze verantwoordingsplicht en over de informatieverstrekking aan de raad bepalingen te bevatten.

In het eerste lid van dit artikel is een regeling getroffen voor mondelinge verslaglegging (uiteraard kan ook een ander moment worden gekozen).

In het tweede lid wordt de mogelijkheid tot het stellen van schriftelijke vragen aangegeven, overeenkomstig de regels, daarvoor gesteld in artikel 37.

Het derde lid bevat de procedure voor de ter verantwoording roeping, die aansluit bij de regels voor inlichtingen.

Het is zinvol de bepalingen van dit artikel ook van toepassing te verklaren op andere organisaties, waarin de raad een of meer van zijn leden heeft benoemd. Hierbij valt te denken aan privaatrechtelijke rechtspersonen en vennootschappen, zoals een (raad van commissarissen van) een NV. Hierin voorziet het vierde lid.

Hoofdstuk 7 Besloten vergadering

Artikel 40 Algemeen

Een besloten vergadering van de raad is een officiële vergadering, waarbij de vergaderregels van het reglement van orde in acht genomen dienen te worden, voor zover de bepalingen niet strijdig zijn met het besloten karakter van de vergadering. In artikel 23 Gemeentewet zijn procedurevoorschriften opgenomen voor ‘het sluiten van de deuren’, de wijze waarop een vergadering een besloten vergadering wordt.

Artikel 41 Verslag

In dit artikel wordt uitwerking gegeven aan artikel 23, derde lid Gemeentewet.

Artikel 42 Geheimhouding

Hetgeen besproken wordt in een besloten vergadering, valt niet van rechtswege onder de geheimhoudingsplicht. Daarvoor is toepassing van de procedure volgens artikel 25 Gemeentewet nodig.

Artikel 43 Opheffing geheimhouding

In de aangehaalde artikelen wordt aan de raad de mogelijkheid geboden de geheimhouding van stukken op te heffen; stukken die niet per se aan hem behoeven te zijn overgelegd. In dat geval wordt aan degene die de geheimhouding heeft opgelegd (meestal het college of de burgemeester) de mogelijkheid geboden overleg te voeren met de raad in een besloten vergadering.

Hoofdstuk 8 Toehoorders en pers

Artikel 44, 45 en 46 en 47

In dit artikelen worden enkele praktische zaken geregeld met betrekking tot die personen die de raadsvergadering volgen.

Hoofdstuk 9 Slotbepalingen

Artikel 48, 49 en 50

Deze artikelen behoeven geen toelichting.