Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Kerkrade

Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Kerkrade 2019

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieKerkrade
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Kerkrade 2019
CiteertitelVerordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Kerkrade 2019
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze regeling vervangt de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Kerkrade 2017

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Wet maatschappelijke ondersteuning 2015

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

beleidsregels en beleidsplan Wmo 2019

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-04-2019nieuwe regeling

27-03-2019

gmb-2019-76226

19Rb007

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Kerkrade 2019

De raad van de gemeente Kerkrade

 

gelezen het voorstel van het college van burgemeester en wethouders van 19 februari 2019;

 

gelet op de artikelen 2.1.3, 2.1.4 eerste, derde en zevende lid, 2.1.5 eerste lid, 2.1.6, 2.1.7, 2.3.6 vierde lid en 2.6.6 eerste lid van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 en artikel 3.8 tweede lid en artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015;

 

overwegende dat het noodzakelijk is om cliënten te ondersteunen als zij dusdanige beperkingen ondervinden bij hun maatschappelijke participatie en zelfredzaamheid dat zij niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg, met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen hierin geheel of gedeeltelijk kunnen voorzien;

 

overwegende dat het noodzakelijk is om cliënten met psychische of psychosociale problemen en belanghebbenden die de thuissituatie hebben verlaten, al dan niet in verband met risico's voor hun veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, te ondersteunen bij het zich handhaven in de samenleving als zij niet op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg , of met hulp van het sociale netwerk of met gebruikmaking van algemene voorzieningen hierin geheel of gedeeltelijk kunnen voorzien;

 

overwegende dat het noodzakelijk is om bij verordening regels te stellen met betrekking tot de invulling van de plicht tot ondersteuning;

 

besluit vast te stellen de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Kerkrade 2019.

HOOFDSTUK 1: Begrippen

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze verordening wordt verstaan onder:

1. Algemeen gebruikelijke voorziening:

Een voorziening waarvan, gelet op de omstandigheden, aannemelijk is dat de cliënt daarover, ook als hij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken.

2. Aanbieder:

Natuurlijke persoon of rechtspersoon die jegens het college gehouden is een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening te leveren.

3. Bijdrage in de kosten:

Bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

4. Budgetplan:

Beschrijving van de motivatie voor de keuze van een persoonsgebonden budget (pgb) en weergave van doelen aangevuld met de wijze waarop de besteding en beheer van het gewenste pgb gaat plaatsvinden.

5. Centrumgemeente: gemeente Heerlen.

6. Collectieve maatwerkvoorziening:

Wmo-voorziening die individueel wordt verstrekt, maar die toch door meerdere personen tegelijk wordt gebruikt.

7. Dagactiviteit:

Een structurele tijdsbesteding met een welomschreven doel waarbij de cliënt actief wordt betrokken en die hij zinvol en nuttig vindt.

8. Formele ondersteuning:

de ondersteuning verleend door een daartoe opgeleide professional of een instelling, niet zijnde een familielid.

9. Gemeenschappelijke ruimten:

Gedeelte(n) van een woongebouw, niet behorende tot de onderscheiden woningen, bestemd en noodzakelijk om de woning van de persoon met beperkingen vanaf de toegang van het woongebouw te bereiken.

10. Gebruikelijke hulp:

Hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten.

11. Hoofdverblijf:

De woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft en in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven dan wel zal staan ingeschreven, dan wel het feitelijk woonadres indien de persoon met beperkingen met een postadres is ingeschreven.

12. Hulpvraag:

Behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

13. Informele ondersteuning

de ondersteuning verleend door een persoon die behoort tot het sociale netwerk of

een niet daartoe opgeleid persoon.

14. Ingezetene:

Cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente Kerkrade.

15. Leefeenheid:

Geheel aan personen, daaronder begrepen de partner/echtgenoot en andere inwonenden (bijvoorbeeld kinderen), waarmee de cliënt op hetzelfde adres woonachtig is, anders dan in een commerciële huurders- of kostgangerrelatie.

16. Mantelzorg:

Hulp ten behoeve van zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen, opvang, jeugdhulp, het opvoeden en opgroeien van jeugdigen en zorg en overige diensten als bedoeld in de Zorgverzekeringswet, die rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie en niet wordt verleend in het kader van een hulpverlenend beroep.

17. Melding:

Kenbaar maken van de hulpvraag aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015.

18. Nadere regels Wmo:

Uitwerkingsbesluit maatschappelijke ondersteuning.

19. Normaal gebruik van de woning:

Activiteiten in en om de woning die tot de elementaire woonfuncties behoren.

20. Participatie:

Deelnemen aan het maatschappelijk verkeer.

21. PGB:

Persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015; bedrag waaruit namens het college betalingen worden gedaan voor diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot een maatwerkvoorziening behoren, en die een cliënt van derden heeft betrokken.

22. Persoonlijk plan:

Plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, onder a tot en met g van de Wet Maatschappelijke ondersteuning 2015, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen.

23. Sociaal netwerk:

Personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt.

24. Team opvang en beschermd wonen (TOBW):

Het loket waar een cliënt zich kan melden voor maatschappelijke opvang en begeleid wonen en dat deze melding verder in behandeling neemt.

25. Uitvoeringsbesluit:

Uitvoeringsbesluit Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

26. Wet:

Wet maatschappelijke ondersteuning 2015.

27. Wettelijke voorliggende voorziening:

Wettelijke regeling, anders dan de Wet maatschappelijke ondersteuning, waarmee ondersteuning kan worden bekostigd waarop de cliënt is aangewezen.

28. Woonvoorziening:

Aanpassing die gericht is op het opheffen of aanzienlijk verminderen van de belemmeringen die een persoon met beperkingen ondervindt bij het normale gebruik van de woonruimte.

29. Zelfredzaamheid:

In staat zijn tot het uitvoeren van de noodzakelijke algemene dagelijkse levensverrichtingen en het voeren van een gestructureerd huishouden.

HOOFDSTUK 2: Procedureregels (melding en onderzoek)

Artikel 2. Toepassingsbereik

Het college bepaalt met inachtneming van de artikelen 2.3.1 tot en met 2.3.5 van de wet bij nadere regeling op welke wijze in samenspraak met de cliënt wordt vastgesteld of de cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt.

Artikel 3. Melding

  • 1.

    Een hulpvraag kan door of namens een cliënt vormvrij bij het college worden gemeld.

  • 2.

    Het college bevestigt schriftelijk de ontvangst van de melding.

  • 3.

    In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.

Artikel 4. Cliëntondersteuning

  • 1.

    Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van kosteloze cliëntondersteuning.

  • 2.

    Het college wijst de cliënt en zijn eventuele mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

Artikel 5. Persoonlijk plan

  • 1.

    Het college informeert de cliënt over de mogelijkheid tot het indienen van een persoonlijk plan en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.

  • 2.

    Het college betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek als bedoeld in artikel 7 van deze verordening.

Artikel 6. Informatie en identificatie

  • 1.

    De cliënt dan wel diens vertegenwoordiger verschaft het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

  • 2.

    Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 7, stelt het college de identiteit van de cliënt (en indien van toepassing van de vertegenwoordiger van de cliënt) vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

Artikel 7. Onderzoek

  • 1.

    Een (telefonisch) gesprek maakt deel uit van het onderzoek. Het gesprek wordt in eerste instantie gevoerd met de cliënt, dan wel zijn vertegenwoordiger, voor zover mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig zijn directe (sociale) omgeving.

  • 2.

    Het college onderzoekt:

    a. de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;

    b. de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

    c. de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

    d. de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

    e. de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

    f. de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;

    g. welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.1.4 van de wet, verschuldigd zal zijn.

  • 3.

    Tijdens het gesprek wordt aan de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een pgb en wat de gevolgen van die keuze zijn.

  • 4.

    Het college wijst de cliënt dan wel zijn vertegenwoordiger op de mogelijkheid om een aanvraag als bedoeld in artikel 9 van deze verordening in te dienen.

  • 5.

    Het college verstrekt de cliënt dan wel diens vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek, waaronder een verslag van het gesprek als bedoeld in het eerste lid.

  • 6.

    Als de hulpvraag genoegzaam bekend is, kan het college onverminderd het bepaalde in artikel 2.3.2 van de wet, in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.

  • 7.

    Als de cliënt in aanmerking wenst te komen voor een maatwerkvoorziening, kan hij dit aangeven op het door hem ondertekende verslag. Dit ondertekende verslag wordt bij de gemeente gezien als aanvraag.

Artikel 8. Advisering

  • 1.

    Het college is bevoegd, voor zover zij dit van belang acht voor het onderzoek, degene door of namens wie een melding of aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten:

    a. Op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen.

    b. Op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken.

  • 2.

    Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien:

    a. Het een melding of aanvraag betreft van een persoon die niet eerder een voorziening heeft gehad c.q. met wie niet eerder een gesprek als bedoeld in artikel 7 van deze verordening is gevoerd.

    b. Het een melding of aanvraag betreft van een persoon die wel eerder een voorziening heeft gehad of een gesprek zoals bedoeld in artikel 7 van deze verordening heeft gevoerd, maar waarvan de medische omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de noodzaak van een voorziening of de soort van voorziening kunnen beïnvloeden.

    c. Het college dat overigens gewenst vindt.

  • 3.

    Een persoon zoals hierboven bedoeld is verplicht aan het college of de door hem aangegeven adviesinstantie die gegevens te verschaffen of te doen verschaffen, die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de melding of aanvraag.

Artikel 9. Aanvraag

  • 1.

    Het college kan een ondertekend verslag van het gesprek aanmerken als aanvraag als de cliënt dat op het verslag heeft aangegeven.

  • 2.

    De cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening, verstrekt het college desgevraagd terstond een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

  • 3.

    Indien de cliënt niet binnen 8 weken na verzending van het verslag door het college, een aanvraag voor een maatwerkvoorziening indient, start opnieuw een meldingsprocedure, indien de cliënt alsnog in aanmerking wenst te komen voor een maatwerkvoorziening.

HOOFDSTUK 3: Maatwerkvoorziening

Artikel 10. Criteria voor maatwerkvoorziening

  • 1.

    Een cliënt komt in aanmerking voor een maatwerkvoorziening:

    a. ter compensatie van de beperkingen, chronische psychische of psychosociale problemen, als gevolg waarvan cliënt niet voldoende in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en voor zover de cliënt deze beperkingen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen:

    - op eigen kracht;

    - met gebruikelijke hulp;

    - met mantelzorg;

    - met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk;

    - met gebruikmaking van algemeen gebruikelijke voorzieningen; of

    - met gebruikmaking van algemene voorzieningen.

    De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in het voorgaande hoofdstuk bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld tot zelfredzaamheid of participatie en zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kan blijven.

    Hiermee wordt in ieder geval bedoeld dat hij

    - kan leven in een schoon en leefbaar huis,

    - kan wonen in een geschikt huis,

    - een huishouden kan voeren,

    - kan beschikken over goederen voor primaire levensbehoeften,

    - kan beschikken over schone, draagbare en doelmatige kleding, bed- en linnengoed,

    - zich kan verplaatsen in en om de woning,

    - zich lokaal kan verplaatsen,

    - contacten kan hebben met medemensen,

    - kan deelnemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten,

    - en zo mogelijk een bijdrage kan leveren aan buurt/maatschappij.

    b. ter compensatie van de problemen bij het zich handhaven in de samenleving van de cliënt met psychische of psychosociale problemen en de cliënt die de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico's voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld, voor zover de cliënt deze problemen naar het oordeel van het college niet kan verminderen of wegnemen,:

    - op eigen kracht;

    - met gebruikelijke hulp;

    - met mantelzorg;

    - met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk; of

    - met gebruikmaking van algemene voorzieningen.

    De maatwerkvoorziening levert, rekening houdend met de uitkomsten van het in het voorgaande hoofdstuk bedoelde onderzoek, een passende bijdrage aan het voorzien in de behoefte van de cliënt aan beschermd wonen of opvang en aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt in staat wordt gesteld zich zo snel mogelijk weer op eigen kracht te handhaven in de samenleving en zo mogelijk een bijdrage kan leveren aan buurt/maatschappij.

    Voor alle maatwerkvoorzieningen geldt bovendien dat;

  • 2.

    Aanspraak maken op een maatwerkvoorziening slechts mogelijk is voor zover deze als de goedkoopst adequate voorziening kan worden aangemerkt.

  • 3.

    Een collectieve maatwerkvoorziening gaat voor op een individuele maatwerkvoorziening.

Artikel 11. Voorwaarden en weigeringsgronden

  • 1.

    Een maatwerkvoorziening kan worden geweigerd:

    a. indien uit het onderzoek, als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, blijkt dat er geen sprake is van (langdurige) beperkingen en/of belemmeringen in de zelfredzaamheid en/of participatie van de cliënt;

    b. indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Kerkrade.

    c. indien het college door de cliënt niet in staat wordt gesteld om door middel van onderzoek, als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, vast te stellen of er een resultaatsverplichting is voor het college

    d. voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling of een regeling bestaat en dit leidt tot voldoende compensatie om het gewenste resultaat te bereiken;

    e. voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen;

    f. voor zover de cliënt met behulp van algemene voorzieningen de beperkingen kan wegnemen;

    g. indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is en er aan de zijde van de cliënt geen sprake is van aantoonbare meerkosten in vergelijking met de situatie voorafgaand aan het optreden van de beperkingen;

    h voor zover de melding niet tijdig is gedaan en/of voor zover de melding betrekking heeft op kosten die de cliënt voorafgaand aan de indiening van de aanvraag heeft gemaakt en niet meer is na te gaan of de ingekochte voorziening noodzakelijk, tenzij het college hiervoor schriftelijk toestemming heeft verleend;

    i. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is, waarbij in principe de volgende afschrijvingstermijnen gelden:

    voor woonvoorzieningen:

    - sanitair 25 jaar

    - natte cel 20 jaar (afschrijvingsregeling tussen 20 en 30 jaar)

    - keuken 15 jaar

    - toilet en kranen 15 jaar

    - aanbouw 25 jaar

    voor overige hulpmiddelen:

    - rolstoelen en vervoersvoorzieningen 7 jaar

    - kinderhulpmiddelen, douche- en toilethulpmiddelen 5 jaar

    De genoemde afschrijvingstermijnen zijn richtlijnen. Dit betekent dat in individuele situaties voor een specifieke voorziening een afwijkende afschrijvingstermijn kan worden bepaald. Indien na de geldende afschrijvingstermijn uit een technische controle door de aanbieder blijkt dat de maatwerkvoorziening nog adequaat is, bestaat geen aanspraak op een vervangende voorziening. Uitzonderingen op bovengenoemde regel zijn:

    - de eerder vergoede of verstrekte voorziening is verloren gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;

    - de cliënt komt geheel of gedeeltelijk tegemoet in de veroorzaakte kosten;

    j. voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht;

    k. de cliënt niet adequaat, binnen de eigen mogelijkheden, heeft ingespeeld op de aanwezige beperkingen en het verloop hiervan;

    l. indien de gevraagde voorziening een anti revaliderend effect heeft op het functioneren van de cliënt of dat behandeling kan bijdragen aan de probleemoplossing.

  • 2.

    Een maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening kan worden geweigerd indien:

    a. er geen rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de ondervonden beperkingen en één of meer bouwkundige of woon-technische kenmerken van de door de cliënt bewoonde woning;

    b. de beperkingen niet in de woning zelf, in de noodzakelijke gebruiksruimte(n) in verband met het normale gebruik van de woning (waartoe ook de toegankelijkheid van de woning moet worden begrepen) worden ondervonden of de gevraagde maatwerkvoorziening in de verplaatsing in de woning niet gericht is op het bereiken van de noodzakelijke gebruiksruimte(n);

    d. voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;

    e. het aanpassingen betreft van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers;

    f. voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten in (woon)gebouwen die zijn aangemerkt als woongebouw voor gehandicapten, minder- validen en ouderen

    g. voor zover het voorzieningen betreft in gemeenschappelijke ruimten, anders dan:

    - het verbreden van toegangsdeuren;

    - het aanbrengen van elektrische deuropeners;

    - aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang van het gebouw (mits de woningen in het woongebouw te bereiken zijn met een rolstoel);

    - het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders;

    h. indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is;

    i. indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college;

    j. de noodzaak tot het treffen van een maatwerkvoorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud of alleen bedoeld is ter renovatie van de woning of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan een woning mogen worden gesteld;

    k. bij de (nieuw)bouw rekening gehouden had kunnen worden met het aanbrengen van een of meer voorzieningen die de toegankelijkheid garanderen en op weinig ingrijpende wijze en zonder of met beperkte (meer)kosten tot stand zouden kunnen worden gebracht;

    l. de woning naar verwachting binnen 2 jaar wordt gesloopt.

    m. de woonvoorziening betrekking heeft op een woonwagen waarbij:

    - de technische levensduur van de woonwagen minder dan 5 jaar is en/of;

    - de standplaats binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt en/of;

    - de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag niet op een binnen de gemeente Kerkrade formeel als zodanig aangemerkte standplaats staat.

  • 3.

    Een maatwerkvoorziening in de vorm van huishoudelijke ondersteuning kan worden geweigerd voor zover deze geen betrekking heeft op de ruimten die gericht zijn op het normale gebruik van de woning.

Artikel 12. Beschikking

  • 1.

    In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening, wordt rekening houdend met de keuzevrijheid van de cliënt, aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura vermeldt de beschikking in ieder geval:

    a. welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt (en in welke leveringsvorm) en wat het beoogde resultaat daarvan is;

    b. de ingangsdatum en de duur van de verstrekking;

    c. wie de maatwerkvoorziening levert;

    d. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening;

    e. op welke wijze bezwaar gemaakt kan worden tegen het besluit.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van pgb vermeldt de beschikking in ieder geval:

    a. welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt (en in welke leveringsvorm) en welk resultaat met het pgb behaald moet worden;

    b. of de cliënt bekwaam wordt geacht een pgb te ontvangen;

    c. welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    d. wat de hoogte van het pgb is en hoe dit tot stand is gekomen;

    e. wat de duur is van de verstrekking waarop het pgb ziet;

    f. de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb;

    g. of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening;

    h. op welke wijze bezwaar gemaakt kan worden tegen het besluit.

Artikel 13. Persoonsgebonden budget - nadere voorwaarden

  • 1.

    De aanvraag voor een pgb dient onderbouwd te worden met een budgetplan. Dit dient gelijktijdig met de aanvraag ingediend te worden.

    In het budgetplan dient opgenomen te zijn:

    a. waarom de cliënt een pgb wenst, en;

    b. op welke wijze de ondersteuning zal bijdragen tot de doelen, waarvoor de maatwerkvoorziening bedoeld is, en;

    c. waar middels het pgb de ondersteuning zal worden ingekocht en in geval er sprake is van een (professionele) aanbieder, de aanbieder akkoord gaat met het aangaan van een derdenbeding, en;

    d. hoe de kwaliteit van de ondersteuning wordt gewaarborgd.

  • 2.

    Aanvullend geldt bij een pgb voor hulp bij het huishouden, begeleiding, dagactiviteit, kortdurend verblijf en vervoer als voorwaarden:

    a. de cliënt wordt bekwaam geacht een pgb te beheren als aan de volgende criteria wordt voldaan:

    - de cliënt is, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, in staat de eigen situatie te overzien, zelf de zorg te kiezen, zelf zorg te regelen en aan te sturen, en de kwaliteit en voortgang van de zorg te bewaken;

    - de cliënt is, dan wel met hulp uit zijn sociale netwerk of van zijn vertegenwoordiger, goed op de hoogte van de rechten en plichten die horen bij het beheer van een pgb en hij is in staat de aan het pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze uit te voeren. Deze taken omvatten onder andere het opstellen van een budgetplan, het afsluiten van een zorgovereenkomst, het nakomen van werkgeversverplichtingen en het afleggen van verantwoording over de besteding van het pgb;

    b. de volgende omstandigheden niet op de cliënt of vertegenwoordiger van toepassing zijn: aantoonbare schuldenproblematiek, aantoonbare gok- of drugsverslaving, aantoonbare fraude in het verleden, aantoonbaar analfabetisme of onvoldoende taal- of rekenvaardigheid, medisch aantoonbare sterke vergeetachtigheid/ verstandelijke beperking/ psychische stoornis, het leiden van een zwervend bestaan (welke een belemmering oplevert voor het beheer van een pgb);

    c. Indien een wettelijk vertegenwoordiger of iemand anders de belangen van de cliënt behartigt als budgethouder, dient deze te voldoen aan de in het tweede lid onder a en b gestelde voorwaarden;

    d. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de diensten en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren en die de cliënt van het budget wil betrekken, veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

  • 3.

    Bij ondersteuning geleverd door een andere aanbieder dan personen uit het sociaal netwerk dient aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan:

    a. de (door de aanbieder in het kader van de geboden voorziening aangewezen) beroepskracht is vakbekwaam;

    b. de normen voor verantwoorde zorg zoals omschreven in het Kwaliteitskader Verantwoorde Zorg;

    c. het gebruik van een hulpverleningsplan of plan van aanpak afgestemd op de persoonlijke situatie van de cliënt;

    d. systematische kwaliteitsbewaking is geborgd;

    e. de aanbieder en/of zijn werknemers beschikken over een verklaring omtrent het gedrag (VOG) als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, die niet eerder is afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip, waarop betrokkene voor de organisatie of ondernemer ging werken.

    f. er is een meldingsprocedure ten aanzien van calamiteiten en geweld, de meldcode huiselijk geweld en kindermishandeling;

  • 4.

    Bij ondersteuning geleverd door personen uit het sociaal netwerk dient aan de volgende voorwaarden te zijn voldaan:

    a. deze persoon beschikt over een verklaring omtrent het gedrag (VOG) als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, die niet eerder is afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkene start met de uitvoering van de betreffende ondersteuning;

    b. er is een afspraak over het melden van calamiteiten en geweld;

    c. de persoon uit het sociaal netwerk heeft op geen enkele wijze druk op de budgethouder uitgeoefend;

    d. de persoon dient in staat te zijn om de gevraagde ondersteuning te bieden;

    e. er zijn geen gegronde redenen om aan te nemen dat de persoon die de ondersteuning moet bieden overbelast is of dreigt te geraken.

  • 5.

    Besteding van een pgb:

    a. Het pgb moet worden besteed aan het doel waarvoor het pgb is verstrekt en mag niet worden besteed aan;

    - een voorziening die voor de cliënt algemeen gebruikelijk wordt geacht;

    - administratieve bemiddelingsbureaus, andere tussenpersonen of belangenbehartigers;

    - de bijdrage in de kosten, zoals bedoeld in artikel 17 van deze verordening;

    - reiskosten

    - feestdagen- of andere eenmalige uitkeringen.

    b. Het pgb moet binnen zes maanden na toekenning zijn aangewend voor de bekostiging van het resultaat waarvoor de verlening heeft plaatsgevonden. In geval van een woonvoorziening kan van deze termijn worden afgeweken in overleg met het college.

  • 6.

    Een cliënt aan wie een pgb is toegekend sluit met de aanbieder een zorgovereenkomst, waarin onder andere afspraken zijn opgenomen over de wijze van declareren waarbij betaling aan de hand van maandloon niet is toegestaan.

    Een declaratie van een aanbieder bevat in ieder geval:

    a. een overzicht van de dagen waarop is gewerkt;

    b. het uurtarief;

    c. het Burgerservicenummer en de naam en het adres van de cliënt;

    d. het nummer waarmee die aanbieder staat ingeschreven bij de Kamer van Koophandel met de branche- standaard bedrijfsindeling van de beroepsgroep gezondheidszorg en welzijn;

    e. verder dient de declaratie zowel door de aanbieder en de budgethouder te worden ondertekend.

  • 7.

    In de zorgovereenkomst, als bedoeld in het zesde lid, sluit de aanbieder zich aan bij de afspraken die zijn vastgelegd in beschikking over de kwaliteit en het resultaat van de maatschappelijke ondersteuning middels het ondertekenen van het derdenbeding.

Artikel 14. Persoonsgebonden budget – weigeringsgronden

  • 1.

    Een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb kan worden geweigerd indien:

    a. blijkt dat de cliënt of zijn vertegenwoordiger/budgethouder onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid, of;

    b. de cliënt niet voldoet aan de aan het pgb budget verbonden voorwaarden genoemd in artikel 13, of;

    c. de cliënt het pgb niet of voor een ander doel heeft gebruikt;

    d. een maatwerkvoorziening noodzakelijk is vanwege een spoedeisende situatie

    e. de cliënt het beheer uitvoert met hulp van de betrokken ondersteuner zelf of daaraan verbonden personen en daarmee ongewenste belangenverstrengeling kan ontstaan;

    f. de budgethouder of diens vertegenwoordiger een bespreking van het budgetplan weigert of, na daartoe te zijn opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt.

  • 2.

    Geen recht op een pgb bestaat indien het pgb zal worden aangewend voor begeleiding in groepsverband met of zonder vervoer.

Artikel 15. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

  • 1.

    Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een dienst door een derde als bedoeld in artikel 2.6.4 van de wet en de eisen die gesteld worden aan de kwaliteit van de dienst stelt het college vast:

    a. een vaste prijs, die geldt voor een inschrijving als bedoeld in de Aanbestedingswet 2012 en het aangaan overeenkomst met derde; of

    b. een reële prijs die geldt als ondergrens voor:

    - een inschrijving en het aangaan overeenkomst met de derde, en

    - de vaste prijs, bedoeld in onderdeel a.

  • 2.

    Het college stelt de prijzen, bedoeld in het eerste lid, vast:

    a. overeenkomstig de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht, bedoeld in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet, en

    b. rekening houdend met de continuïteit in de hulpverlening, bedoeld in artikel 2.6.5, tweede lid, van de wet, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners.

  • 3.

    Het college baseert de vaste prijs of de reële prijs op de volgende kostprijselementen:

    a. de kosten van de beroepskracht;

    b. redelijke overheadkosten;

    c. kosten voor niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing, werkoverleg;

    d. reis en opleidingskosten;

    e. indexatie van de reële prijs voor het leveren van een dienst;

    f. overige kosten als gevolg van door de gemeente gestelde verplichtingen voor aanbieders waaronder rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen.

  • 4.

    Het college kan het eerste lid, onderdeel b, buiten beschouwing laten indien bij de inschrijving aan de derde de eis wordt gesteld een prijs voor de dienst te hanteren die gebaseerd is op hetgeen gesteld is in het tweede en derde lid. Daarover legt het college verantwoording af aan de gemeenteraad.

  • 5.

    Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met:

    a. de marktprijs van de voorziening, en

    b. de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals:

    - aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening;

    - instructie over het gebruik van de voorziening;

    - onderhoud van de voorziening, en verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden.

  • 6.

    Het college bepaalt met welke derde als bedoeld in het eerste lid hij een overeenkomst aangaat.

Artikel 16. Hoogte PGB

  • 1.

    De hoogte van het pgb voor een zaak wordt bepaald aan de hand van en tot het maximum van de kostprijs van de in de situatie van de cliënt goedkoopst adequate voorziening in natura en is toereikend voor de aanschaf daarvan, rekening houdende met een reële termijn van de technische afschrijving en van de onderhouds- en verzekeringskosten.

  • 2.

    Met betrekking tot beschermd wonen en maatschappelijke opvang geldt:

    a. Het college bepaalt met inachtneming van de artikelen 2.3.1 tot en met 2.3.5 van de wet bij nadere regeling op welke wijze in samenspraak met de cliënt wordt vastgesteld of de cliënt voor een voorziening in het kader van beschermd wonen en opvang in aanmerking komt.

    b. Voor wat betreft de PGB-tarieven van beschermd wonen en opvang wordt verwezen naar de vigerende verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Heerlen. De hoogte van de kostprijs van beschermd wonen wordt vastgesteld door de raad van de centrumgemeente Heerlen en is vastgelegd in de verordening maatschappelijke ondersteuning Heerlen.

  • 3.

    De hoogte van het pgb voor dienstverlening is afgeleid van de tarieven waarvoor het college deze diensten heeft gecontracteerd (natura tarieven). Hierbij is rekening gehouden met overheadkosten en andere kostencomponenten conform artikel 15 van deze verordening, waarbij er een onderscheid wordt gemaakt tussen formele en informele ondersteuning;

    a. Het pgb voor ondersteuning bij het huishouden, dat formeel wordt geboden, is voor basishulp €15,43 per uur en voor plushulp €18,78 per uur.

    b. Het pgb voor ondersteuning bij het huishouden, dat informeel wordt geboden, is zowel voor basishulp als ook plushulp €12,50 per uur.

    c. Het pgb voor begeleiding, dat formeel wordt geboden, is voor:

    - lichte ondersteuning: € 39,84 per uur;

    - midden ondersteuning: € 45,00 per uur;

    - zware ondersteuning: € 58,68 per uur.

    d. Het pgb voor begeleiding, dat informeel wordt geboden, is voor zowel lichte, midden als ook zware ondersteuning € 20,- per uur;

    e. Het pgb voor dagbesteding, dat formeel wordt geboden is:

    - voor lichte ondersteuning: € 28,44 per dagdeel;

    - voor midden ondersteuning: € 40,50 per dagdeel;

    - voor zware ondersteuning: € 47,70 per dagdeel.

    f. Noodzakelijk zittend vervoer van huis naar de dagbestedingslocatie wordt apart geïndiceerd, waarbij het tarief zijnde vervoer zonder rolstoel per dag €7,38 en vervoer met rolstoel per dag €18,31 bedraagt.

    g. Het pgb voor kortdurend verblijf in een instelling is €67,50 per etmaal.

  • 4.

    De tarieven genoemd onder lid 3 zijn all-in tarieven. Dat wil zeggen dat alle kosten zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verzekering(en) en reiskosten zijn opgenomen in de tarieven.

  • 5.

    Het pgb moet in ieder geval toereikend zijn om maatschappelijke ondersteuning in te kunnen kopen die voldoet aan de kwaliteitseisen zoals bedoeld in de wet en die in redelijkheid geschikt is voor het doel waarvoor het pgb wordt toegekend.

Artikel 17. Financiële maatwerkvoorziening

De maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming voor hulp uit het sociaal netwerk (informele ondersteuning) die wordt geboden tijdens kortdurend verblijf bedraagt €141,- per maand. Dit bedrag kan beschikbaar gesteld worden voor maximaal 1 persoon uit het sociaal netwerk van de belanghebbende.

HOOFDSTUK 4: Bijdrage in de kosten

Artikel 18. Bijdrage in de kosten

  • 1.

    Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd:

    a. voor het gebruik van een algemene voorziening, niet zijnde cliëntondersteuning;

    b. voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel een pgb.

  • 2.

    Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening, zolang hij van de maatwerkvoorziening gebruik maakt of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt, overeenkomstig de bedragen en percentages van het landelijk Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

  • 3.

    De kostprijs van een maatwerkvoorziening is:

    a. de huurprijs die het college verschuldigd is aan de aanbieder inclusief de eventueel bijkomende kosten zoals instandhoudingskosten;

    b. de koopprijs die het college verschuldigd is aan de aanbieder (al dan niet naar rato in verband met de economische afschrijvingstermijn (genoemd in artikel 11 eerste lid onder i van deze verordening) inclusief onderhoudskosten;

    c. voor diensten, niet zijnde beschermd wonen of opvang, het tarief welke het college verschuldigd is aan de aanbieder, behoudens de hiervan uitgezonderde diensten:

    - voor Begeleiding wordt de bijdrage berekend over een bedrag van €15,- per uur;

    - voor Dagactiviteit wordt de bijdrage berekend over een bedrag van €15,- per dagdeel;

    - voor Kortdurend Verblijf wordt de bijdrage berekend over een bedrag van €15,- per etmaal.

    d. de kostprijs van een pgb en gelijk aan het bedrag van het pgb in de betreffende budgetperiode.

  • 4.

    De bijdrage voor het collectief vraagafhankelijk vervoer is opgebouwd uit een opstaptarief en een zone- of kilometertarief waarbij het tarief van het regulier openbaar vervoer niet wordt overschreden.

  • 5.

    De bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 dan wel het totaal van de bijdragen, is gelijk aan de kostprijs, tot aan ten hoogste maximaal € 17,50 per bijdrageperiode voor de cliënt of de gehuwde cliënten tezamen, tenzij overeenkomstig artikel 2.1.4, derde lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015, of hoofdstuk 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 geen of een lagere bijdrage is verschuldigd.

  • 6.

    Als een maatwerkvoorziening wordt verstrekt ten behoeve van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is de bijdrage in de kosten verschuldigd door:

    b. de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en

    c. degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.

  • 7.

    In afwijking van het vorige lid is in ieder geval geen bijdrage verschuldigd indien de ouders van het gezag over de cliënt zijn ontheven of ontzet.

  • 8.

    In de gevallen, bedoeld in artikel 2.1.4 zevende lid van de wet, worden de bijdragen in de kosten voor een maatwerkvoorziening door het CAK vastgesteld en geïnd.

  • 9.

    De hoogte van de bijdrage voor een algemene voorziening wordt bepaald aan de hand van en tot maximaal de kostprijs van de voorziening.

  • 10.

    De bijdrage voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang wordt door de centrumgemeente vastgesteld en geïnd.

Artikel 19. Hoogte eigen bijdrage algemene voorzieningen

Een cliënt is een bijdrage verschuldigd in de kosten van de was- en strijkservice: voor de algemene voorziening “was- en strijkservice” is een eigen bijdrage verschuldigd ter hoogte van €2,50 per week.

Artikel 20. Grensbedrag primaat van verhuizen

Indien de kosten van een woonruimteaanpassing meer bedragen dan € 6.000,- dient het primaat van verhuizen in overweging genomen te worden.

HOOFDSTUK 5: Toezicht en handhaving

Artikel 21. Nieuwe feiten en omstandigheden

Onverminderd artikel 2.3.8 van de wet doet een cliënt uit eigen beweging of op verzoek, zonder uitstel, mededeling aan het college van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing als bedoeld in artikel 2.3.5 of 2.3.6 van de wet.

Artikel 22 Beëindiging

  • 1.

    Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een toegekende aanspraak op maatwerkvoorziening beëindigen, indien:

    a. niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens de wet of de verordening;

    b. de cliënt langdurig / blijvend wordt opgenomen in een instelling;

    c. de cliënt zich niet houdt aan de verplichtingen verbonden aan het gebruik van de maatwerkvoorziening;

    d. indien de cliënt vanwege een verhuizing niet meer in de gemeente Kerkrade woont;

    e. de cliënt is overleden.

  • 2.

    In geval een maatwerkvoorziening voor dienstverlening wordt geboden via een PGB geldt:

    a. Bij opname in een ziekenhuis of instelling wordt het pgb tot 8 weken na opname ter beschikking gesteld, ondanks de gewijzigde situatie. Na deze 8 weken wordt op basis van de dan geldende situatie een heroverweging gedaan over de benodigde zorg en wijze van financiering.

    b. Bij verblijf in het buitenland verstrekt de gemeente voor een periode van maximaal 6 weken een pgb als de cliënt binnen deze periode weer terugkeert naar Nederland. Na zes weken wordt een heroverweging gedaan over de benodigde zorg en wijze van financiering.

Artikel 23. Herziening of intrekking

Onverminderd artikel 2.3.10 van de wet kan het college een besluit tot toekenning van een maatwerkvoorziening herzien of intrekken indien:

a. niet is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens de wet of de verordening;

b. blijkt dat de cliënt aan wie een pgb is toegekend niet heeft voldaan aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 13 van deze verordening;

c. de cliënt langer dan 8 weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet.

Artikel 24. Terugvordering

  • 1.

    Onverminderd artikel 2.4.1 van de wet kan het college, nadat het besluit tot toekenning van een maatwerkvoorziening is herzien of ingetrokken:

    a. het ten onrechte of tot een te hoog bedrag genoten pgb terugvorderen;

    b. de geldwaarde van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening in natura

    c. vorderen of deze maatwerkvoorziening terugvorderen dan wel terughalen;

  • 2.

    De vordering kan worden geïnd door middel van verrekening, als bedoeld in artikel 3.3 derde lid van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

  • 3.

    De extra kosten die het college maakt bij toepassing van het eerste lid onder b, kan het college verhalen op de cliënt.

Artikel 25. Wangedrag en onzorgvuldig gebruik

Bij herhaald en ernstig wangedrag bij het ontvangen van diensten of bij herhaald onzorgvuldig gebruik van een in bruikleen verstrekte maatwerkvoorziening, kan het college -al dan niet tijdelijke- maatregelen treffen jegens cliënt ter bescherming van de medewerker van een aanbieder of ter voorkoming van (verdere) schade aan de in bruikleen verstrekte maatwerkvoorziening.

Artikel 26. Fraudepreventie

Het college zet in op fraudepreventie, dat in ieder geval omvat:

a. het informeren van cliënten over de rechten en plichten die zijn verbonden aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening en over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik;

b. het aanwijzen van toezichthouders en hen -indien wenselijk- betrekken bij gesprekken met cliënten;

c. het vroegtijdige opsporen van misbruik of oneigenlijk gebruik.

Artikel 27. Controle gebruik maatwerkvoorzieningen en besteding pgb

  • 1.

    Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan.

  • 2.

    Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting voor ten hoogste dertien weken van betalingen uit het pgb als er ten aanzien van een cliënt een ernstig vermoeden is gerezen dat er sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 2.3.10, eerste lid, onder a, d of e van de wet.

  • 3.

    Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een geheel of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb indien de cliënt langer dan 8 weken is verblijft in een instelling als bedoeld in de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet.

  • 4.

    Het college kan in het Besluit nadere regels stellen met betrekking tot de controle op de besteding.

HOOFDSTUK 6: Kwaliteit en veiligheid

Artikel 28. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, waaronder voldoende deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door:

    a. het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

    b. het verstrekken van de voorziening met respect voor en inachtneming van de rechten van de cliënt;

    c. het veilig, doeltreffend en doelmatig verstrekken van een voorziening;

    d. het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg en ondersteuning;

    e. erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen door een aangewezen toezichthouder.

Artikel 29. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

  • 1.

    Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de levering van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.

  • 2.

    Aanbieders (ook PGB aanbieders) melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.

  • 3.

    De toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

HOOFDSTUK 7: Klachten, medezeggenschap en inspraak

Artikel 30. Klachtregeling

  • 1.

    Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten met betrekking tot de door hun aangeboden voorzieningen/diensten.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 31. Medezeggenschap

  • 1.

    Aanbieders dienen te beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn ten aanzien van de door hun aangeboden voorzieningen/diensten.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van deze eisen door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 32. Betrekken van ingezetenen bij het beleid

  • 1.

    Het college betrekt ingezetenen van de gemeente en/of afgevaardigden van de ingezetenen, waaronder in ieder geval cliënten of hun vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning.

  • 2.

    Het college stelt ingezetenen vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3.

    Het college zorgt ervoor dat ingezetenen kunnen deelnemen aan periodiek overleg, waarbij zij onderwerpen voor de agenda kunnen aanmelden, en dat zij worden voorzien van de voor een adequate deelname aan het overleg benodigde informatie en ondersteuning.

  • 4.

    Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede en derde lid.

HOOFDSTUK 8: Waardering mantelzorgers

Artikel 33. Jaarlijkse waardering mantelzorgers

  • 1.

    Mantelzorgers van cliënten in de gemeente kunnen door middel van een aanvraag bij het college voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking worden gebracht;

  • 2.

    De jaarlijkse blijk van waardering heeft een waarde van ten hoogste €200,- en wordt door het college jaarlijks na overleg met het Platform Maatschappelijke Ondersteuning vastgesteld;

  • 3.

    Het college kan bij nadere regeling regels stellen over op welke wijze zorg wordt gedragen voor de jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente.

HOOFDSTUK 9: Overgangsrecht en slotbepalingen

Artikel 34. Nadere regels en hardheidsclausule

  • 1.

    In gevallen, de uitvoering van deze verordening betreffend, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

  • 2.

    Het college kan nadere regels stellen over de uitvoering van deze verordening.

  • 3.

    Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 35. Intrekking oude verordening

  • 1.

    De verordening: “ Maatschappelijke ondersteuning Gemeente Kerkrade 2017” wordt ingetrokken.

  • 2.

    Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de verordening “Maatschappelijke ondersteuning Gemeente Kerkrade 2017”, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen, waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend onder de verordening “Maatschappelijke ondersteuning Gemeente Kerkrade 2017” en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

  • 4.

    Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de verordening Maatschappelijke ondersteuning Gemeente Kerkrade 2017” wordt beslist met inachtneming van die verordening

Artikel 36. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 1 april 2019.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Kerkrade 2019.

Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Kerkrade in zijn openbare vergadering van 27 maart 2019.

De burgemeester, De griffier,

J.J.M. Som B. van der Wijst-Triepels

Toelichting Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Kerkrade 2019

HOOFDSTUK 1: Begrippen

 

Artikel 1. Begripsbepalingen

1. Algemeen gebruikelijke voorziening:

Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken (zie o.a. CRvB 03-07-2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16-04-2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16-08-2012, nr. AWB 11/5564).

Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt (zie CRvB 17-11-2009, nr. 08/3352 WMO). De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol spelen:

Is de voorziening gewoon te koop?

Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht?

Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen?

 

2. Aanbieder:

Geen nadere toelichting

 

3. Bijdrage in de kosten:

Uit artikel 2.1.4 van de wet vloeit de bevoegdheid voort tot het vragen van een bijdrage in de kosten. Cliënten zullen voor hun ondersteuning, als de gemeente daarvoor kiest, een bijdrage moeten betalen. Deze bijdrage kan, als het een maatwerkvoorziening betreft, afhankelijk worden gesteld van het inkomen en het vermogen. Op grond van artikel 2.1.4 vierde 4 van de wet zijn bij Algemene Maatregel van Bestuur nadere regels (Uitvoeringsbesluit Wmo 2015) gesteld. Daarin is bepaald wat de ruimte is die de gemeenteraad (het college bij delegatie door de gemeenteraad) heeft voor het bepalen van de omvang van de eigen bijdrage.

Het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 regelt dat alle cliënten met één of meer maatwerkvoorzieningen uit de wet ongeacht inkomen of vermogen, vanaf 2019 maximaal

€ 17,50 aan eigen bijdrage per periode gaan betalen. Uitgezonderd zijn de cliënten die gebruik maken van beschermd wonen (zorg in natura) en maatschappelijke opvang. Zij blijven een inkomensafhankelijke eigen bijdrage betalen. De maximale periodebijdrage van

€ 17,50 geldt bovendien niet voor niet AOW- gerechtigde meerpersoonshuishoudens. Voor deze groep is de eigen bijdrage op nihil gesteld.

Ook voor een algemene voorziening kan eventueel een bijdrage van de cliënt in de kosten worden gevraagd (m.u.v. cliëntondersteuning), maar deze bijdrage kan, anders dan die voor een maatwerkvoorziening, niet inkomensafhankelijk zijn.

 

4. Budgetplan:

Indien iemand bij de gemeente Kerkrade een pgb aanvraagt dient diegene als onderdeel van die aanvraag een volledig ingevuld en ondertekend budgetplan mee testuren. In dit plan wordt aangegeven waarom een pgb wordt aangevraagd en welke ondersteuning diegene daarmee wil inkopen. Uit het budgetplan moet blijken welke doelen worden nagestreefd en op welke wijze en binnen welke termijn dit wordt ingevuld. Indien de cliënt niet in staat is om de aan het pgb verbonden verplichtingen zelf na te komen moet uit het budgetplan duidelijk blijken wie hem hierin gaat ondersteunen.

 

5. Centrumgemeente:

De verantwoordelijkheid voor beschermd wonen ligt bij alle gemeenten. Voor beschermd wonen is tussen Rijk en de VNG afgesproken om net als bij opvang te werken met centrumgemeenten.

 

6. Collectieve maatwerkvoorziening:

Tot nu toe is het collectief (vraagafhankelijk) vervoer (CVV) het meest duidelijke voorbeeld. CVV is geen algemene voorziening, omdat de normale aanvraagprocedure geldt, er een beschikking wordt afgegeven en bezwaar en beroep mogelijk is.

 

7. Dagactiviteit:

Dit houdt een structurele tijdsbesteding in met een welomschreven doel waarbij de cliënt actief wordt betrokken en die hem zingeving verleent. Dit wordt gezien als maatschappelijk nuttige activiteiten. Hieronder wordt niet verstaan een reguliere dag structurering zoals die in de woon-/verblijfsituatie wordt geboden of een welzijnsactiviteit zoals zang, bingo, uitstapjes en dergelijke.

 

8. Formele ondersteuning

Van formele ondersteuning is sprake als de ondersteuning verleend wordt door onderstaande personen, met uitzondering van bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad van de cliënt:

a. personen die werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staat in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken, of;

b. personen die aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel. Daarnaast moeten ze ten aanzien van de voor het pgb uit te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.

 

9. Gemeenschappelijke ruimten:

Geen nadere toelichting.

 

10. Gebruikelijke hulp:

Onder echtgenoot wordt ook verstaan de partner met wie een duurzaam huishouden wordt gevoerd.

 

11. Hoofdverblijf:

Geen nadere toelichting.

 

12. Hulpvraag:

De hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.1.4 eerste lid van de wet. Als iemand die behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning zich tot het college wendt, is het van belang dat allereerst wordt onderzocht wat de hulpvraag van betrokkene is. Wanneer de betrokkene zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op voorhand duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 vierde lid van de wet is noodzakelijk.

 

13. Informele ondersteuning:

• Ondersteuning die geboden wordt door personen, al dan niet uit het sociaal netwerk, die niet voldoen aan de criteria zoals genoemd met betrekking tot formele ondersteuning;

• Ondersteuning die wordt geboden door personen die wel voldoen aan de criteria als genoemd onder formele ondersteuning (a en b), maar bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad zijn van cliënt.

 

14. Ingezetene:

De cliënt kan als hij ingezetene is van de gemeente Kerkrade in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie (artikel 1.2.1 van de wet). Om voor een maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen en opvang in aanmerking te komen moet de cliënt in ieder geval ingezetene van Nederland zijn, maar niet persé van de gemeente. Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich, voor een maatwerkvoorziening, moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit de jurisprudentie bij de Wmo 2007 (CRvB 22-09-2010, nr. 09/1743 WMO ) volgt dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats, waarbij een inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) belangrijk is maar niet doorslaggevend.

 

15. Leefeenheid:

Geen nadere toelichting.

 

16. Mantelzorg:

Geen nadere toelichting.

 

17. Melding:

Eenieder kan zich melden bij zijn gemeente met een hulpvraag. Door het melden maakt de cliënt de hulpvraag aan het college kenbaar. In vervolg op deze melding zal het college in samenspraak met de cliënt zo spoedig mogelijk een onderzoek (laten) instellen. Indien een ingezetene alleen informeert naar bijvoorbeeld de beschikbaarheid van een algemene voorziening of kenbaar maakt gebruik te willen maken van een algemene voorziening, is er geen aanleiding om een onderzoek in te stellen.

 

18. Nadere regels Wmo:

Geen nadere toelichting.

 

19. Normaal gebruik van de woning:

Onder het normale gebruik van de woning wordt bedoeld het kunnen verrichten van de elementaire woonfuncties gericht op zelfredzaamheid (eten, slapen, lichaamsreiniging en koken), het verrichten van belangrijke huishoudelijke taken, horizontale en verticale verplaatsingen in en om de woning, waaronder ook de toegang van de woning. Daar kan onder omstandigheden tevens de berging, de toegang tot de tuin of balkon van de woning worden verstaan.

Voorbeelden van elementaire woonfuncties volgens de jurisprudentie zijn:

- wonen, douchen en slapen (zie CRvB 27-03-2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ5695);

- de veiligheid in en rond de woning en de toegankelijkheid van de woning (zie Rechtbank 's-Hertogenbosch 19-03-2010, ECLI:NL:RBSHE:2010:BL9340 en Rechtbank 's-Hertogenbosch 07-06-2010, nr. AWB 09/2976 WMO);

- toegankelijkheid van de woning (CRvB 25-05-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1929);

- het gebruik maken van de keuken (zie Vzr. Rechtbank Alkmaar 30-12-2008, nrs. 08/3200 Wmo e.a.);

- het aan- en uitkleden, wassen en verschonen van een baby, die geheel van de verzorging door een belanghebbende afhankelijk is (zie CRvB 02-08-2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AY6560);

- het doen van essentiële huishoudelijke werkzaamheden, zoals de was en het strijken en opbergen ervan (zie CRvB 06-08-1999, nr. 98/3172 WVG en CRvB 07-06-2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT8015);

- slapen, eten en lichaamsreiniging (zie CRvB 24-12-1999, 98/7777 WVG);

- dat kinderen zonder gevaar voor eigen gezondheid in de woonruimte kunnen spelen (zie CRvB 23-04-1999, ECLI:NL:CRVB:1999:AA8552), waartoe ook de tuin wordt gerekend(CRvB 19-11-1999, 98/4307 WVG).

Geen elementaire woonfunctie is:

  • de bereikbaarheid van een hobbykamer of studeerkamer (zie CRvB 07-06-2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT8015, Rechtbank Gelderland 07-06-2013, ECLI:NL:RBGEL:2013:CA3199 en Rechtbank Alkmaar 01-07-2010, nr. 09/157 WMO)

 

20. Participatie:

Geen nadere toelichting.

 

21. PGB:

Geen nadere toelichting

 

22. Persoonlijk plan:

In het plan kan de cliënt – al dan niet tezamen met zijn persoonlijke netwerk - de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 tweede lid onder a tot en met e van de wet, en de maatschappelijke ondersteuning die door hem wordt gewenst, beschrijven. De omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 tweede lid onder a tot en met e van de wet, worden onderzocht door het college. Doordat de cliënt hieromtrent voorafgaand aan het onderzoek door het college een persoonlijk plan kan overleggen, is het college direct bekend met de wijze waarop de cliënt zelf vorm wil geven aan zijn persoonlijk arrangement dat nodig is om zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren. Door de cliënt een persoonlijk plan te laten opstellen, wordt de eigen regie en de betrokkenheid van het sociale netwerk van cliënten in de wet versterkt.

 

23. Sociaal netwerk:

Geen nadere toelichting

 

24. Team Opvang en Beschermd wonen (TOBW):

Het TOBW is ondergebracht onder de verantwoording van de centrumgemeente (Heerlen).

 

25. Uitvoeringsbesluit:

Geen nadere toelichting.

 

26. Wet:

Geen nadere toelichting.

 

27. Wettelijke voorliggende voorziening:

Geen nadere toelichting.

 

28. Woonvoorziening:

Aanpassing die gericht is op het opheffen of aanzienlijk verminderen van restricties die een persoon met beperkingen ondervindt bij het normale gebruik van de woonruimte. Dit kunnen onroerende woonvoorzieningen zijn (aanpassingen van bouwkundige of woon technische aard) of roerende woonvoorzieningen (een losse woonvoorziening, niet aard- en nagelvast met de woning verbonden).

 

29. Zelfredzaamheid:

Geen nadere toelichting.  

 

HOOFDSTUK 2: Procedureregels (melding, onderzoek, aanvraag)

 

Artikel 2. Toepassingsbereik

Deze bepaling behoeft geen toelichting.

 

Artikel 3. Melding

De cliënt doet een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning: de hulpvraag. De melding is, zo blijkt uit de Memorie van Toelichting, niet gebonden aan een vorm of locatie. De melding kan elektronisch of telefonisch worden gedaan en zowel op het gemeentehuis als bijvoorbeeld op locatie bij het sociale wijkteam.

De melding kan door of namens de cliënt worden gedaan, wat betekent dat ook iemand uit de omgeving van de cliënt als vertegenwoordiger kan optreden.

In het tweede lid is vermeld dat het college de ontvangst bevestigt, ofschoon dit ook blijkt uit artikel 2.3.2 eerste lid van de wet. Uit wet noch toelichting blijkt dat de bevestiging van de ontvangst van de melding schriftelijk moet. De gemeente Kerkrade kiest hiervoor in verband met de registratie en zorgvuldigheid.

In het derde lid is overeenkomstig artikel 2.3.3 van de wet een uitzondering vervat voor spoedeisende gevallen. Het college is op grond van de wet verplicht in dergelijke gevallen een passende tijdelijke maatwerkvoorziening te verstrekken in afwachting van de uitkomsten van het onderzoek dat volgt na de melding.

 

Artikel 4. Cliëntondersteuning

De verplichtingen die in dit artikel genoemd worden, zijn ook neergelegd in de artikelen 2.2.4, eerste lid onder a en 2.3.2 derde lid van de wet. In de bevestiging van de melding wordt de cliënt gewezen op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

Cliëntondersteuning is gedefinieerd in artikel 1.1.1 van de wet. De cliëntondersteuning is gratis.

 

Artikel 5. Persoonlijk plan

Het persoonlijk plan neemt in de volgorde van de procedure een specifieke plaats in. Het persoonlijk plan is in de wet opgenomen door middel van een amendement (TK 2013-2014, 33841 nr. 70). De cliënt kan voorafgaand aan het onderzoek door het college een persoonlijk plan overleggen. Hierdoor is het college direct bekend met de wijze waarop de cliënt zelf vorm wil geven aan zijn persoonlijk arrangement waarvan hij denkt dat dit nodig is om zelfredzaam te kunnen zijn en te participeren. Hiermee komt de regie bij de cliënt te liggen. Het indienen van een persoonlijk plan is een mogelijkheid, maar geen verplichting voor de cliënt.

 

Artikel 6. Informatie en identificatie

Voor deze bepaling geldt dat de verplichtingen voortvloeien uit de wet, concreet de artikelen 2.3.2 zevende lid en 2.3.4 eerste lid . Analoog aan artikel 4:2 Algemene wet bestuursrecht, dat voor de aanvraagfase van een besluit regelt dat de aanvrager de nodige gegevens moet verstrekken, is met lid 1 van artikel 6 geregeld dat de cliënt daartoe ook in de voorafgaande onderzoeksfase gehouden is. In de Memorie van Toelichting op artikel 2.3.4. eerste lid van de wet is beschreven welke documenten onder artikel 1 Wet op de identificatieplicht vallen, zoals bedoeld in het tweede lid van artikel 6.

 

In artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht worden de volgende documenten genoemd:

1. een geldig reisdocument of een Nederlandse identiteitskaart;

2. de documenten waarover een vreemdeling ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 moet beschikken ter vaststelling van zijn identiteit, nationaliteit en verblijfsrechtelijke positie;

3. een geldig nationaal, diplomatiek of dienstpaspoort dat is afgegeven door het daartoe bevoegde gezag in een andere lidstaat van de Europese Gemeenschappen of in een andere staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, voor zover de houder de nationaliteit van die andere lidstaat bezit;

4. een geldig rijbewijs.

 

Bovenstaande geldt zowel voor de cliënt als voor zijn vertegenwoordiger.

 

Artikel 7. Onderzoek

Het onderzoek vormt de kern van de procedure. De wet beschrijft in artikel 2.3.2 vierde lid de zaken die tijdens het onderzoek aan bod moeten komen. Het gesprek wordt in de wet niet expliciet genoemd, maar impliciet wordt er vanuit gegaan dat persoonlijk contact tussen gemeente en cliënt plaatsvindt. In dit artikel wordt benadrukt dat in principe wordt uitgegaan van een gesprek als onderdeel van het onderzoek. Als echter de hulpvraag voldoende bekend is, kan het college in overleg met de cliënt afzien van een gesprek.

In het vierde lid is bepaald dat de weergave van het onderzoek ook een verslag van het gesprek bevat. Dit kan een beknopte weergave zijn van hetgeen besproken is.

In het gesprekverslag heeft de cliënt de mogelijkheid om aan te geven of hij het eens is met de inhoud van het gespreksverslag. Indien gewenst kan de cliënt op het formulier aanvullingen weergeven.

 

Er wordt een brug geslagen tussen de melding en de aanvraag, doordat de cliënt de mogelijkheid heeft het ondertekend verslag (eventueel met aanvullingen) te laten aanmerken als aanvraag. Dit zorgt ervoor dat de cliënt vrijwel drempelvrij doorstroomt van de onderzoeksfase naar de aanvraagfase en voorkomt onnodige handelingen en juridisering.

 

Artikel 8. Advisering

Lid 1 van dit artikel in de verordening bepaalt dat het college bevoegd is degene door of namens wie een melding of aanvraag is ingediend op te roepen, in persoon te verschijnen en te bevragen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en te laten onderzoeken en/of bevragen door een of meer daartoe aangewezen deskundigen. Dit alles met de beperking dat dit in het belang moet zijn van het onderzoek. Dit geldt ook voor de overige personen uit de leefeenheid van de cliënt.

Afdeling 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht, geeft in een aantal artikelen enige algemene bepalingen over (externe) advisering. Artikel 3:5 eerste lid Algemene wet bestuursrecht geeft aan dat in deze afdeling onder adviseur verstaan wordt: een persoon of college, bij of krachtens wettelijk voorschrift belast met het adviseren inzake door een bestuursorgaan te nemen besluiten en niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van dat bestuursorgaan.

In de wet is niet geregeld dat er een adviseur benoemd moet worden. Advies zal in het kader van de uitvoering van de wet echter vaak onontbeerlijk zijn. Het college dient één of meer adviseurs aan te wijzen om in het kader van de wet advies uit te brengen. In de verordening wordt niet opgenomen wie de adviseur is. Men kan immers meer adviseurs in verschillende, zelfs wisselende situaties hebben, wat een eenduidige vermelding onmogelijk maakt.

 

Artikel 9. Aanvraag

Zoals opgenomen in de wet kan de aanvraag pas worden ingediend na het onderzoek of na het verstrijken van de zes wekentermijn. Artikel 2.3.5, eerste lid van de wet maakt duidelijk dat de aanvraag gericht is op een maatwerkvoorziening. Andere oplossingen die tot tevredenheid kunnen bijdragen aan zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie kunnen zonder aanvraag en dus zonder beschikking worden ingezet. Met dit artikel wordt ook uitgewerkt de verplichting, neergelegd in artikel 2.1.3, eerste lid en tweede lid, onder a van de wet, waarin is bepaald dat de gemeenteraad bij verordening in ieder geval bepaalt op welke wijze wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt.

 

HOOFDSTUK 3: Maatwerkvoorziening

 

Artikel 10. Criteria voor maatwerkvoorziening

In dit artikel is het algemene afwegingskader dat in deze Wmo centraal staat nogmaals uiteengezet. De nadruk ligt, nog meer dan onder de Wmo 2007, op de eigen kracht en hulp van anderen. De maatwerkvoorziening vormt slechts het sluitstuk van de maatschappelijke ondersteuning.

 

In artikel 2.1.3 tweede lid onder a van de wet is bepaald dat de raad bij verordening moet aangeven op basis van welke criteria het college kan vaststellen of een cliënt voor een maatwerkvoorziening voor zelfredzaamheid, participatie, beschermd wonen of opvang in aanmerking komt. In de memorie van toelichting op deze bepaling (TK 2013-2014, 33 841, nr. 3, blz. 134) wordt aangegeven dat het bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening op maatwerk aankomt. Gemeentelijke vrijheid is nodig omdat de behoeften van inwoners per gemeente kunnen verschillen en de sociale en fysieke infrastructuur per gemeente anders is. Ook het aanbod van algemene voorzieningen is niet in iedere gemeente gelijk. Het is daarom niet mogelijk of wenselijk dat in de verordening limitatief wordt geregeld welke maatwerkvoorzieningen zullen worden verstrekt.

 

In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat het college kan volstaan met de goedkoopst adequate voorziening. Voorzieningen die in het kader van deze verordening worden verstrekt dienen naar objectieve maatstaven gemeten zowel adequaat als de meest goedkope voorziening te zijn. Dit impliceert dat een maatwerkvoorziening proportioneel en doeltreffend hoort te zijn. Het is niet zo dat de aanvrager in exact dezelfde of wellicht zelfs betere positie wordt gebracht door een pakket aan ondersteuning (bijvoorbeeld een maatwerkvoorziening en/of algemene voorziening) dan waarin hij verkeerde voor hij de ondersteuning nodig had. De gevraagde ondersteuning moet in een redelijke verhouding staan tot wat de situatie van de aanvrager was voor hij ondersteuning nodig had (CRvB 18-05-2016, nr. 15-4490 WMO15, CRvB 18-05-2016, nr. 15-5356 WMO15 en CRvB 18-05-2016, nr. 16-948 WMO15).

 

Eigenschappen die kostenverhogend werken zonder dat zij de voorziening meer adequaat maken, zullen in principe niet voor vergoeding in aanmerking komen. Daarbij kan een overweging zijn dat de bruikbaarheid van een voorziening niet alleen door technische en functionele aspecten bepaald wordt. Tevens is het denkbaar dat een product dat duurder is dan een vergelijkbaar product, langer meegaat en dus uiteindelijk goedkoper is. Wat betreft het kwaliteitsniveau waarvan uitgegaan kan worden, moge het duidelijk zijn dat bij een verantwoord, maar ook niet meer dan dat, niveau dient te worden aangesloten. Het is uiteraard wel mogelijk een adequaat voorziening te verstrekken die duurder is dan de goedkoopst adequate voorziening, mits de belanghebbende bereid is het prijsverschil uit eigen middelen te betalen. Het begrip goedkoopst adequaat geeft het college mogelijkheden tot sturen binnen het beleid.

 

De omvang van de maatwerkvoorziening wordt begrensd door artikel 2.3.5 derde lid van de wet. Dit artikel bepaalt dat een maatwerkvoorziening een passende bijdrage moet leveren aan de zelfredzaamheid of participatie van de cliënt. Hieruit vloeit voort dat indien het onderzoek uitwijst dat in het concrete geval maatwerk moet worden geboden, niet kan worden volstaan met standaardoplossingen. Het is aan het college, waar mogelijk rekening houdend met de redelijke wensen van de aanvrager, om te besluiten op welke wijze het de aanvrager ondersteunt en met welk pakket van de op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de persoon afgestemde diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen een passende bijdrage aan de zelfredzaamheid of participatie wordt geleverd.

 

In het derde lid is aangegeven dat een collectieve maatwerkvoorziening voorgaat op een individuele maatwerkvoorziening. Denk hierbij aan het collectief vraagafhankelijk vervoer.

 

Artikel 11. Voorwaarden en weigeringsgronden

1. Een maatwerkvoorziening kan worden geweigerd:

 

a. voor zover deze niet langdurig noodzakelijk is;

Langdurig noodzakelijk betekent dat een voorziening min of meer blijvend noodzakelijk is. Hierbij wordt overwogen dat de grens tussen kortdurend en langdurend bepaald wordt aan de hand van de vraag: gaat het probleem over of is het blijvend. Als iemand een probleem heeft dat 8 of 10 maanden zal duren maar daarna over zal zijn, mag er van worden uitgegaan dat geen sprake is van langdurige noodzaak. Dat geldt overigens niet bij een aanvrager die terminaal is. Als de levensverwachting 4 maanden is, is duidelijk dat het geen tijdelijk probleem is, maar een probleem tot de dood erop volgt. Er moet dan uitgegaan worden van langdurige noodzaak.

De kortdurende hulp bij het huishouden valt onder de Wmo 2015. Dat betekent dat de gemeente ook verantwoordelijk is voor de kortdurende hulp bij het huishouden, bijvoorbeeld na een ziekenhuisopname.

 

b. indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Kerkrade.

De term ingezetene wordt in de wettekst van de Wmo 2015 gebruikt, bijvoorbeeld in artikel 1.2.1 van de wet.

 

c. indien het college door de cliënt niet in staat wordt gesteld om door middel van

onderzoek, als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet, vast te stellen of er een resultaatsverplichting is voor het college

Indien iemand niet wenst mee te werken aan een onderzoek kan dit als gevolg hebben dat de aanvraag buiten behandeling wordt gesteld of wordt afgewezen

 

d. voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling of een regeling bestaat;

Voor zover er met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat, wordt er geen maatwerkvoorziening toegekend.

Uit de jurisprudentie tot stand gekomen ten tijde van de Wmo 2007 volgt dat de cliënt aanspraak moet hebben op de voorziening, om te kunnen spreken van een voorliggende voorziening (CRvB 09-11-2011, nr. 11/3583 WMO en CRvB 28-09-2011, nr. 10/2587 WMO). Dat wil niet zeggen dat cliënt de voorziening daadwerkelijk moet hebben, maar dat hij daarop aanspraak heeft. Er is geen sprake van een voorliggende voorziening indien de voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling is afgewezen (CRvB 03-08-2011, nr. 11/517 WMO) of indien vaststaat dat cliënt daarvoor niet in aanmerking komt (CRvB 19-04-2010, nr. 09/1082 WMO).

Indien de voorziening op grond van een andere specifieke wettelijke regeling slechts gedeeltelijk voor vergoeding in aanmerking komt, is er sprake van een voorliggende voorziening (CRvB 22-05-2013, nr. 10/6782 WMO). De cliënt kan dan niet voor het overige gedeelte van de kosten een beroep doen op de wet.

De wetgever heeft volgens de Raad nadrukkelijk bedoeld een duidelijke scheiding tussen zorg en verantwoordelijkheid aan te brengen. Dat wil zeggen als iemand een Wlz indicatie heeft of deze kan verkrijgen, het college, behoudens het overgangsrecht van artikel 8.6a van de wet, niet verplicht is een maatwerkvoorziening te verlenen ( CRvB2018:1525).

 

e. voor zover de cliënt op eigen kracht, met gebruikelijke hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk de beperkingen kan wegnemen

Dit betreft de herhaling van het algemene toetsingskader, zoals dat in de wet centraal staat. Door het hier te herhalen kan het dienst doen als afwijzingsgrond.

 

f. voor zover de cliënt met gebruikmaking van algemene voorzieningen de beperkingen kan wegnemen;

Een algemene voorziening gaat vóór op verstrekking van een maatwerkvoorziening. Een algemene voorziening is een aanbod van diensten of activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning (art. 1.1.1. van de wet)

Ook dit is een uitvloeisel van het algemene toetsingskader van de wet. Het is hier opgenomen om dienst te doen als afwijzingsgrond.

 

g. indien de voorziening voor een persoon als cliënt algemeen gebruikelijk is;

Het is niet de bedoeling dat de gemeentelijke overheid voorzieningen verstrekt, waarvan gelet op de omstandigheden van de cliënt, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken (zie o.a. CRvB 03-07-2001, nr. 00/764 WVG, CRvB 16-04-2008, nr. 06/4668 WVG, CRvB 14-07-2010, nr. 09/562 WVG en Rechtbank Arnhem 16-08-2012, nr. AWB 11/5564).

Het college moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de cliënt (zie CRvB 17-11-2009, nr. 08/3352 WMO). De beoordeling of sprake is van een algemeen gebruikelijke voorziening voor de cliënt ziet op het beantwoorden van de vraag of de cliënt over de voorziening zou (hebben kunnen) beschikken als hij geen beperkingen zou hebben gehad. Bij die beoordeling kunnen, zo blijkt uit de jurisprudentie, de volgende criteria een rol spelen:

- Is de voorziening gewoon te koop?

- Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht?

- Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen?

 

h. indien het een voorziening betreft die de cliënt na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend;

Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een voorziening aanvraagt nadat deze reeds door de cliënt gerealiseerd of aangekocht is. Omdat het college dan geen mogelijkheden meer heeft de voorziening volgens het vastgestelde beleid te verstrekken, noch anderszins invloed heeft op de te verstrekken voorziening, kan in deze situatie de voorziening worden geweigerd. Door deze regeling wordt voorkomen dat een voorziening waar vroegtijdig mee is begonnen uiteindelijk niet overeenstemt met hetgeen het college als goedkoopst adequate cq. compenserende voorziening beschouwt.

 

i. voor zover de aanvraag betrekking heeft op een voorziening die aan cliënt al eerder is verstrekt in het kader van enige wettelijke bepaling of regeling en de normale afschrijvingstermijn van de voorziening nog niet verstreken is.

Uitzonderingen op bovengenoemde regel zijn:

- de eerder vergoede of verstrekte voorziening is verloren gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen;

- de cliënt komt geheel of gedeeltelijk tegemoet in de veroorzaakte kosten;

In dit onderdeel wordt aangegeven dat de aanvraag geweigerd kan worden als het gaat om een vergoeding of verstrekking die reeds eerder heeft plaatsgevonden, terwijl het de cliënt verwijtbaar is dat het middel verloren is gegaan, bijvoorbeeld door roekeloosheid of verwijtbare onachtzaamheid, dus niet indien de cliënt geen schuld treft. Ook hier kan de eigen verantwoordelijkheid van een cliënt een rol spelen. Indien bijvoorbeeld in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is aangebracht heeft dit gevolgen voor de te verzekeren waarde van de opstal. Dit risico dient in de opstalverzekering gedekt te worden. Indien vervolgens bij brand blijkt dat de woning onvoldoende verzekerd is, dan kan op dat moment geen beroep op deze verordening worden gedaan. De genoemde afschrijvingstermijnen zijn richtlijnen.

 

j. voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht;

De maatwerkvoorziening is gericht op de individuele cliënt. Het past hier niet om generieke voorzieningen te treffen. Daarvoor zijn de algemene maatregelen en algemene voorzieningen geschikte instrumenten.

 

k. de cliënt niet adequaat, binnen de eigen mogelijkheden, heeft ingespeeld op de aanwezige beperkingen en het verloop hiervan ;

De in de wet genoemde 'eigen kracht' gaat niet zover gaat dat de burger dient te anticiperen op alle mogelijke gebreken die verband houden met het ouder worden. De wet bevat geen wettelijke grondslag hiervoor. De wet biedt wel ruimte om voorzieningen te weigeren als iemand iets aanschaft of verhuist zonder rekening te houden met zijn reeds aanwezige beperkingen en de te verwachten ontwikkelingen daarvan (ECLI:NL:CRVB:2018:2603).

 

l. Indien de gevraagde voorziening een anti revaliderend effect heeft op het functioneren van de cliënt of dat behandeling voorliggend is;

Zowel onder de WVG als de Wmo 2007 oordeelde de CRvB dat een voorziening met een anti-revaliderend karakter niet als doeltreffend kan worden aangemerkt, omdat deze voorziening niet is gericht op het opheffen of verminderen van de beperkingen (zie CRvB 11-05-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1741, CRvB 23-10-2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2254, CRvB 15-01-2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1077 en Vzr. Rechtbank Maastricht 25-07-2008, ECLI:NL:RBMAA:2008:BD9826).

 

In CRvB 25-02-2015, nr. 13/6531 Wmo e.a. heeft het college de aanvraag voor een elektrische rolstoel (om zich binnenshuis zittend te kunnen verplaatsen) ter vervanging van de scootmobiel afgewezen. Er bestaat volgens het college geen noodzaak tot het verstrekken van een elektrische rolstoel. Bovendien zou toekenning van een elektrische rolstoel anti-revaliderend kunnen werken. Het college baseert zich hierbij op een medisch advies van MO-zaak, waaruit ook blijkt dat als de afleiding buitenshuis wegvalt, een forse toename van chronische klachten valt te verwachten. De rechtbank is van oordeel dat het college mocht afgaan op het medisch advies van MO-zaak. De CRvB oordeelt dat er op grond van de voorhanden medische gegevens geen aanleiding is om af te wijken van het oordeel van de rechtbank. De CRvB voegt daaraan toe dat in het bijzonder van belang is dat denkbaar is dat cliënt door het gebruik van een elektrische rolstoel in plaats van een scootmobiel minder beweegt binnenshuis en minder activiteiten buitenshuis onderneemt, hetgeen voor haar tot nadelige gevolgen kan leiden.

 

In een andere zaak volgt uit het medisch advies dat langdurige hulp bij het huishouden een anti-revaliderende werking heeft in het geval van cliënte. Cliënte heeft artrose in haar rechterpols- en hand. Volgens het medisch advies moet cliënte de arm en hand echter blijven gebruiken ondanks pijnklachten. Het ontlasten van de rechter arm, pols en hand versneld de artrose.

De voorzieningenrechter van de CRvB oordeelt dat het medisch advies zorgvuldig tot stand is gekomen en verklaart het beroep van cliënte ongegrond (CRvB 14-12-2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4697).

 

Indien uit medisch advies blijkt dat een cliënt nog behandeling kan ondergaan om tot een vermindering van zijn beperkingen te komen, dient dit betrokken te worden bij de afweging wel of niet verstrekken van een voorziening.

 

2. Een maatwerkvoorziening in de vorm van een woonvoorziening kan worden geweigerd indien:

 

a. er geen rechtstreeks oorzakelijk verband bestaat tussen de ondervonden beperkingen en één of meer bouwkundige of woon-technische kenmerken van de door de cliënt bewoonde woning;

Het komt voor dat een woning dusdanig is ingericht dat de inrichting leidt tot beperkingen.

Het is de verantwoordelijkheid van de cliënt om de inrichting van de woning dusdanig aan te passen dat er geen sprake meer is van beperkingen in de woning. Denk daar bij aan vloerkleden, overdaad aan meubels etc.

 

b. de beperkingen niet in de woning zelf, in de noodzakelijke gebruiksruimte(n) in

verband met het normale gebruik van de woning (waartoe ook de toegankelijkheid van de woning moet worden begrepen) worden ondervonden of de gevraagde maatwerkvoorziening in de verplaatsing in de woning niet gericht is op het bereiken van de noodzakelijke gebruiksruimte(n).

Bijvoorbeeld een garage die niet bereikbaar hoeft te zijn in verband met de stalling van een verstrekte maatwerkvoorziening. Het aanpassen van een tuin wordt alleen gedaan indien er hoogteverschillen aanwezig zijn om de stalling van een voorziening te bereiken. Hier valt regulier onderhoud van (het straatwerk van) een tuin buiten, evenals het aanleggen van straatwerk om de stalling te bereiken. Het blijft echter maatwerk, dus in specifieke gevallen wordt het mogelijk wel gedaan als het noodzakelijk is en de wet hierin voorziet.

 

d. voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;

Wanneer de cliënt materialen heeft verwerkt in de woning die een negatieve invloed hebben op de beperkingen en belemmeringen van de cliënt, zal het college geen maatwerkvoorziening verstrekken. Een voorbeeld hiervan is een houten trapleuning die door de cliënt is vervangen door een (scheeps)touw welke nu als trapleuning wordt gebruikt. Een ander voorbeeld is het plaatsen van hoogpolig tapijt terwijl de cliënt al gebruik maakte van een rollator of een rolstoel.

 

e. het aanpassingen betreft van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers

Uitgangspunt is dat een voorziening langdurig door de cliënt dient te kunnen worden gebruikt. Voor de woningen/woonruimten zoals genoemd in dit onderdeel geldt dat het woningen/woonruimten betreft die in principe niet voor langdurig gebruik worden aangemerkt (er is geen sprake van woonruimten die aangemerkt zijn voor permanente bewoning; uitgezonderd leef- en woongemeenschappen en in sommige gevallen kloosters).

Om te voorkomen dat het college meerdere keren, op verschillende locaties, voor één en hetzelfde probleem een voorziening dient te verstrekken, is dit onderdeel opgenomen in de verordening. Dit heeft uiteraard betrekking op voorzieningen die op enigerlei wijze niet herbruikbaar zijn in andere woningen/woonruimten.

 

f. voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten in die (woon)gebouwen die zijn aangemerkt als woongebouw voor gehandicapten, minder validen en ouderen

Het ligt in de lijn der verwachting dat wanneer een (woon)gebouw wordt gerealiseerd welke wordt aangemerkt als (woon)gebouw voor gehandicapten, minder validen en ouderen, het uitrustingsniveau van het (woon)gebouw is afgestemd op gehandicapten, minder validen en ouderen. Hierbij kan worden gedacht aan elektrische deuropeners bij de centrale toegang, elektrische deuropeners bij deuren op de galerijen, aanwezigheid van een lift etc. In de beoordeling wordt ook meegenomen of de noodzakelijke aanpassingen zonder noemenswaardige meerkosten mee (hadden) kunnen worden genomen bij een eventuele reeds geplande of noodzakelijke renovatie. Bovendien zijn voorzieningen die in het kader van de wet worden verstrekt in beginsel toegespitst op het individu. Voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten zijn niet op het individu gericht. Meerdere bewoners, ook bewoners zonder beperkingen die geen aanspraak kunnen maken op de wet, zouden zodoende gebruik kunnen maken van door de wet gerealiseerde voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten.

 

g. voor zover het voorzieningen betreft in gemeenschappelijke ruimten, anders dan:

- het verbreden van toegangsdeuren;

- het aanbrengen van elektrische deuropeners;

- aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang van het gebouw (mits de woningen in het woongebouw te bereiken zijn met een rolstoel);

- het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders;

Geen nadere toelichting.

 

h. indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is;

Dit onderdeel heeft betrekking op de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt. Wanneer een cliënt die reeds bekend is met beperkingen die niet leiden tot belemmeringen in de huidige woning verhuist naar een woning waar de beperkingen wel leiden tot belemmeringen, is het de verantwoordelijkheid van de cliënt om deze belemmeringen op te heffen. Hij is gezien zijn beperkingen immers verhuisd van een geschikte woning naar een niet geschikte woning. Was hij verhuist naar een woning waarbij hij rekening had gehouden met zijn beperkingen, dan zouden de belemmeringen niet aanwezig zijn.

 

i. indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college;

Zie onderdeel h. Indien er op moment van de noodzakelijke verhuizing geen geschikte woning beschikbaar is, kan het college schriftelijk toestemming geven tot verhuizing naar een niet geschikte woning. Dit legt een verplichting bij het college om deze woning geschikt te maken tegen de goedkoopst adequate oplossing waarvoor het college op grond van de wet verantwoordelijk is. In een dergelijke situatie zal altijd worden beoordeeld of:

- de huidige woning reeds geschikt is, of

- het aanpassen van de huidige woning goedkoper is dan het aanpassen van de woning

waarnaar de cliënt wenst te verhuizen.

Wanneer bovenstaande het geval is, zal het college de woning waarnaar de cliënt wenst te verhuizen niet aanpassen. Om dit te voorkomen, zal de cliënt moeten wachten totdat het college schriftelijk al dan niet toestemming verleent voor de verhuizing naar de niet geschikte woning.

 

j. de noodzaak tot het treffen van een maatwerkvoorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud of alleen bedoeld is ter renovatie van de woning of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan een woning mogen worden gesteld;

Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld het verzoek tot het aanpassen van een badkamer. Op

grond van de wet wordt de goedkoopst adequate voorziening gerealiseerd. Mocht het een badkamer betreffen die meer dan 20 jaar oud is, dan is het aannemelijk dat deze badkamer aan renovatie toe is. Bij de renovatie kan het geschikt maken van de badkamer meegenomen worden en zal naar alle waarschijnlijkheid niet leiden tot meerkosten op de renovatiekosten. Het is gebruikelijk dat men spaart om renovatiewerkzaamheden aan een woning uit te kunnen voeren. Een cliënt kan dan ook worden gewezen op de eigen verantwoordelijkheid in deze. Indien er toch sprake is van meerkosten als gevolg van de beperkingen, komen deze meerkosten mogelijk wel in aanmerking voor vergoeding. Per individuele situatie zal worden beoordeeld door het college of hiervan sprake kan zijn. Wat als termijn voor renovatie kan worden gehanteerd, hangt af van wat er wordt gerenoveerd en de afschrijvingstermijn van het te renoveren object. Er zal per situatie worden gekeken wat als algemene afschrijvingstermijnen wordt gehanteerd.

k. bij de (nieuw)bouw rekening gehouden had kunnen worden met het aanbrengen van een of meer voorzieningen die de toegankelijkheid garanderen en op weinig ingrijpende wijze en zonder of met beperkte (meer)kosten tot stand zouden kunnen worden gebracht.

In de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz) is een algemene norm voor toegankelijkheid opgenomen, uitgewerkt in artikel 6 van het Besluit van 7 juni 2017, houdende regels omtrent de algemene toegankelijkheid voor personen met een handicap of chronische ziekte (Besluit toegankelijkheid voor personen met een handicap of chronische ziekte) . In dit artikel wordt diegene tot wie het verbod van onderscheid zich richt verplicht tot het treffen van voorzieningen van eenvoudige aard en gaandeweg zorg te dragen voor de algemene toegankelijkheid voor personen met een handicap of chronische ziekte, tenzij dat voor hem een onevenredige belasting vormt. Onder een voorziening van eenvoudige aard wordt verstaan: een voorziening die op weinig ingrijpende wijze en zonder of met weinig kosten tot stand kan worden gebracht.

 

l. de woning naar verwachting binnen 2 jaar wordt gesloopt.

Uitgangspunt is dat een voorziening langdurig door de cliënt dient te kunnen worden gebruikt.

 

m. een woonvoorziening betrekking heeft op een woonwagen, wordt deze niet verstrekt als:

- de technische levensduur van de woonwagen minder dan 5 jaar is en/of;

- de standplaats binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt en/of;

- de woonwagen ten tijde van de indiening van de aanvraag niet op een binnen de gemeente Kerkrade formeel als zodanig aangemerkte standplaats staat.

 

Geen nadere toelichting.

 

3. Een maatwerkvoorziening in de vorm van huishoudelijke ondersteuning wordt geweigerd voor zover deze geen betrekking heeft op de ruimten die gericht zijn op het normale gebruik van de woning.

Onder het normale gebruik van de woning wordt bedoeld het kunnen verrichten van de elementaire woonfuncties gericht op zelfredzaamheid (eten, slapen, lichaamsreiniging en koken.

 

Artikel 12. Beschikking

De cliënt moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. In dit artikel zijn de hoofdpunten opgenomen die in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen.

 

Artikel 13. Persoonsgebonden budget –nadere voorwaarden

Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de cliënt dit gemotiveerd vraagt (zie artikel 2.3.6, tweede lid, onder b).

Cliënten dienen de motivatie weer te geven in het budgetplan.

 

Middels lid 2 wordt getracht te waarborgen dat de maatwerkvoorziening doeltreffend, cliëntgericht en veilig is, doordat de cliënt zelf of met behulp van zijn sociale netwerk of vertegenwoordiger in staat moet zijn om over zijn zorg te beslissen, een zorgovereenkomst aan te gaan en op de kwaliteit kan sturen. Volgens artikel 2.3.6 tweede lid onder a van de wet dient een cliënt in staat te zijn tot een redelijke waardering van zijn belangen om de aan het pgb verbonden taken op een verantwoorde wijze te kunnen uitvoeren.

In geval er sprake is van verminderd regieverlies bedoeld als in het tweede lid door bijvoorbeeld een verslaving is het denkbaar dat iemand tegen zichzelf beschermt wordt en een verstrekking in natura is aangewezen. Als de voorwaarden aanwezig zijn dat de cliënt wordt ondersteund bij deze taken door een vertegenwoordiger is verstrekking in pgb denkbaar.

 

In lid 3 en lid 4 worden voorwaarden aan de zorgverlener gesteld ten behoeve van de kwaliteit en veiligheid van de ondersteuning. Het college vergewist zich op deze manier dat er waarborgen zijn dat de kwaliteit van de ingekochte ondersteuning goed is, hetgeen voor de veiligheid van de cliënt als voor de effectiviteit van de inzet van middelen van groot belang is (TK2013/14, 33 841, nr. 34, p. 107) in lijn met artikel 2.3.6 tweede lid onder c van de wet.

 

In het vijfde lid worden de voorwaarden voor de besteding beschreven, deze behoeven geen verdere toelichting. In het vijfde lid sub c is geconcretiseerd welke termijn is verbonden aan de besteding van het pgb budget. Dit dient de rechtszekerheid en voorkomt de situatie waarin het recht oneindig open zou moeten staan.

 

Het zesde en zevende lid gaan in op de zorgovereenkomst en declaraties, zodat gecontroleerd kan worden of het pgb rechtmatig wordt besteed. Het opnemen van het derde beding beschermt die cliënt indien een zorgaanbieder opzettelijk onjuiste informatie verstrekt, nu er door het derdenbeding een rechtstreeks relatie ontstaat tussen de zorgaanbieder en de gemeente, waardoor eventuele schade ten gevolge van fraude op deze aanbieder kan worden verhaald.

 

Artikel 14. Persoonsgebonden budget weigeringsgronden

In het veertiende artikel worden de weigeringsgronden uitgelegd. Het onderzoek hiernaar dient altijd zeer zorgvuldig plaats te vinden.

 

In het eerste lid onder e van dit artikel is opgenomen dat een vertegenwoordiger of budgethouder niet tevens ook de zorgverlener of een aan de zorgverlener verbonden persoon mag zijn in het kader van het tegengaan van belangenverstrengeling.

 

Artikel 15. Vaststellen kostprijs

Het college kan de uitvoering van de wet, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de cliënt, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.6.4, eerste lid, van de wet). Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening gebeurt, moeten bij verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan (artikel 2.6.6, eerste lid, van de wet). De kostprijselementen zijn afgeleid van de AMvB reële prijs, een wettelijke concretisering van de verplichting uit artikel 2.6.6. van de wet.

 

Artikel 16. Hoogte PGB

De hoogte van het pgb behoort tot de ‘essentialia-lijn’ die de CRvB onder de Wmo 2007 heeft ingezet en ook onder de Wmo 2015 volgt (zie o.a. CRvB 17-05-2017, ECLI:NL:CRVB:2017:1803) . Zaken die ‘essentieel’ zijn, moet de gemeenteraad in de verordening regelen.

 

Nu de tarieven voor beschermd wonen en opvang door de centrumgemeente middels mandaat worden vastgesteld wordt dan ook naar de verordening van deze centrumgemeente verwezen voor deze vormen van ondersteuning.

 

Voor de overige ondersteuning wordt er een onderscheid gemaakt tussen formele ondersteuning (rechtspersoon met KvK of zelfstandige zonder personeel) en informele ondersteuning (niet professionele ondersteuning).

 

Artikel 17. Financiële maatwerkvoorziening

Een financiële tegemoetkoming is een geldbedrag dat een cliënt krijgt als tegemoetkoming in de kosten die gemaakt worden om een geïndiceerde voorziening aan te schaffen of hulp te organiseren.

 

In een tweetal uitspraken heeft de CRvB aangegeven dat de definitie van maatwerkvoorziening in artikel 1.1.1 van de wet ruim genoeg is om ook een financiële tegemoetkoming te kunnen omvatten (CRvB 12-2-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:395 en CRvB 12-2-2018, ECLI:NL:CRVB:2018:396).

 

In dit artikel wordt de tegemoetkoming (tijdelijk) ingezet ter vergoeding van de kosten van kortdurend verblijf voor maximaal 1 persoon uit het sociaal netwerk, nu er niet aan de wet Minimumloon kan worden voldaan. Namelijk bij de toekenning van een dergelijke maatwerkvoorziening via een pgb voor informele ondersteuning zouden de pgb-kosten het natura tarief altijd overstijgen. Dit is een uitsluitingsgrond voor de toekenning van een pgb.

In deze situaties wordt een budgethouder de mogelijkheid geboden om de informele hulp in te zetten zonder dat daarbij sprake is van een arbeidsrelatie (en dus van een minimumloon). Er wordt dan niet gewerkt met een zorgovereenkomst van opdracht, maar met een verklaring. De SVB levert hiervoor een modelverklaring.

 

HOOFDSTUK 4: Bijdrage in de kosten

 

Artikel 18. Bijdrage in de kosten

De gemeente mag van cliënten een bijdrage in de kosten vragen voor maatwerkvoorzieningen in natura en in de vorm van een pgb alsmede voor algemene voorzieningen.

In het tweede lid is het uitgangspunt benadrukt dat de bijdrage de kostprijs van de voorziening niet mag overstijgen: de gemeente mag geen winst maken op de bijdragen. De gemeente kan zelf bepalen of er een differentiatie wordt aangebracht binnen voorzieningen met betrekking tot de kostprijs waarover de eigen bijdrage wordt berekend, voor zover dit de daadwerkelijke kostprijs niet te boven gaat.

In het derde lid is uiteengezet dat de bijdrage voor het geheel van maatwerkvoorzieningen, waarbij maatschappelijke opvang en beschermd wonen worden uitgezonderd, nooit hoger kan zijn dat €17,50 per periode, gebaseerd op het gewijzigde uitvoeringsbesluit. Dit is gebaseerd op de AMvB die vooruitloopt op de invoering van het abonnementstarief in 2020 waarvoor een wijziging van de wet noodzakelijk is.

In het vierde lid is uiteengezet op welke wijze de klantbijdrage voor het collectief vraagafhankelijk vervoer is opgebouwd. Hierbij is maatgevend dat de hoogte van de klantbijdrage voor het collectief vraagafhankelijk vervoer nimmer het tarief van het regulier openbaar vervoer overschrijdt.

 

Artikel 19. Hoogte eigen bijdragen algemene voorzieningen

De bijdragen in de kosten van algemene voorzieningen mag de gemeente bepalen en dit mag kostendekkend zijn. In de nota naar aanleiding van het verslag (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 34, blz. 95) staat hierover dat de regering gemeenten beleidsruimte geeft door hen de mogelijkheid te bieden om in de verordening te bepalen welke eigen bijdrage een cliënt verschuldigd is voor een algemene voorziening. Bij het bieden van deze beleidsruimte gaat de regering ervan uit dat gemeenten hier verstandig mee omgaan en voorzieningen, zoals laagdrempelige informatievoorziening uit zal sluiten van eigen bijdragen. Gemeenten hebben er zelf belang bij om een algemene voorziening (financieel) laagdrempelig te maken, zodat de druk op vaak duurdere maatwerkvoorzieningen wordt beperkt.

 

Artikel 20. Grensbedrag primaat van verhuizen

Het primaat van verhuizen dient altijd te worden overwogen bij woningaanpassingen, die duurder zijn dan € 6.000,- tenzij één of meerdere van de hieronder genoemde afwegingen zwaarder wegen. Bij de bepaling van de kosten wordt rekening gehouden met de voorzieningen welke nu en in de nabije toekomst noodzakelijk zijn.

 

Afwegingen:

- de snelheid waarmee het probleem kan worden gecompenseerd. De termijn waarbinnen een andere geschikte woning beschikbaar is of een woning die met aanmerkelijk minder kosten dan het aanpassen van de huidige woning, beschikbaar komt. De medisch verantwoorde termijn kan worden bepaald door een medisch adviseur;

- aanwezige mantelzorg;

- overige factoren zoals:

o binding met de buurt;

o afstand tot diverse primaire voorzieningen (infrastructuur);

o afstand tot het werk;

o woonlastenconsequenties;

o eigendom van de woning en de consequenties daarvan;

o vergelijking aanpassingskosten huidige versus nieuwe woonruimte;

o de te verwachten gebruiksduur van de aanpassing.

 

Hoofdstuk 5: Toezicht en handhaving

 

Artikel 21. Nieuwe feiten en omstandigheden

In de wet is deze inlichtingenplicht geregeld. De inlichtingen van cliënt zijn voor het college van belang om te kunnen beoordelen of ondersteuning nog steeds nodig is. Voor de cliënt moet redelijkerwijs duidelijk zijn dat de inlichtingen van invloed kunnen zijn op het recht op de voorziening, dan wel de aard, hoogte of duur daarvan.

 

Artikel 22. Beëindiging

Er wordt gesproken van beëindiging van een voorziening, als deze voorziening stopt vanaf de datum van het beëindigingsbesluit. Beëindiging heeft dus geen terugwerkende kracht, in tegenstelling tot herziening of intrekking van een besluit. Het artikel benoemt situaties waarin het college kan overgaan tot beëindiging van de maatwerkvoorziening.

Het gaat in alle gevallen om een bevoegdheid van het college (kan-bepaling). Bij de toepassing van de bepalingen van dit artikel hoort een afweging tussen alle bij het te nemen besluit betrokken belangen.

 

Eerste lid onder c

Het zich niet houden aan de verplichtingen verbonden aan een bruikleenvoorziening, kan leiden tot beëindiging van die voorziening. Het college zal bij die beëindiging wel moeten overwegen of het daarvoor een andere maatwerkvoorziening in de plaats stelt. Hierbij mag het college volstaan met hetgeen strikt noodzakelijk is ten behoeve van de zelfredzaamheid en participatie van cliënt. Bij de afweging wordt de verwijtbaarheid van cliënt in aanmerking genomen. Dit kan betekenen dat de cliënt enige ongemakken voor lief moet nemen als hij een andere maatwerkvoorziening krijgt. Denk bijvoorbeeld aan collectief vervoer voor de korte afstand in plaats de door het college beëindigde toekenning van de scootmobiel.

 

Artikel 23. Herziening of intrekking

Herziening of intrekking van een besluit is het met terugwerkende kracht opnieuw beslissen over de aanspraak over een periode in het verleden. Het deels ongedaan maken van een aanspraak over een periode in het verleden wordt herziening genoemd. Het volledig ongedaan maken wordt intrekking genoemd.

De in dit artikel genoemde situaties om een besluit te kunnen herzien of intrekken staan naast de mogelijkheden op grond van art. 2.3.10 van de wet.

Het gaat in alle gevallen om een bevoegdheid van het college (kan-bepaling). Bij de toepassing van de bepalingen van dit artikel hoort een afweging tussen alle bij het te nemen besluit betrokken belangen.

 

Artikel 24. Terugvordering

Eerste lid

In de wet is slechts één terugvorderingsgrond opgenomen ten aanzien van cliënten en/of degene die zijn medewerking heeft verleend aan het ‘misbruik’ van de wet. Namelijk indien opzéttelijk onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid.

Er is daarom gekozen de terugvorderingsmogelijkheden uit te breiden in dit artikel. Uit de jurisprudentie die onder de Wmo 2007 tot stand is gekomen blijkt dat een terugvorderingsbepaling in de verordening voldoende grondslag biedt om tot terugvordering over te gaan.

Voor zover sprake is van de wettelijke grondslag voor terugvordering kan het college het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel invorderen. Dat geeft een executoriale titel. Bij andere terugvorderingsgronden moet de invordering langs civielrechtelijke weg plaatsvinden. De grondslag is dan onverschuldigde betaling (artikel 6:203 e.v. Burgerlijk Wetboek). Hiervoor is in ieder geval nodig dat het college een herzienings- of intrekkingsbesluit en een terugvorderingsbesluit neemt.

Hoewel de wetgever in principe beoogt om de geldwaarde van maatwerkvoorzieningen terug te vorderen, is in dit artikel onder b ook de bevoegdheid gecreëerd om maatwerkvoorzieningen die in bruikleen zijn toegekend terug te halen (terug te vorderen).

Het gaat in alle gevallen om een bevoegdheid van het college (kan-bepaling). Bij de toepassing van de bepalingen van dit artikel hoort een afweging tussen alle bij het te nemen besluit betrokken belangen.

 

Tweede lid

De verordening biedt ook de bevoegdheid om over te gaan tot verrekening. Deze voorziening is getroffen in artikel 3.3 derde lid Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Dat artikel geeft de gemeenteraad de bevoegdheid tot het verrekenen van een vordering krachtens de wet met vorderingen van of op de persoon op grond van de wet of de Participatiewet. Op die wijze kunnen gemeenten de bijdrage in de kosten voor opvang verrekenen met de bijstandsuitkering die betrokkene van de gemeente ontvangt.

Bij de uitoefening van de bevoegdheid tot verrekening dient het college een belangenafweging te maken. Hierbij is het de vraag of het college in redelijkheid zijn verrekeningsbevoegdheid mag uitoefenen. Daartoe dient het college de betrokken belangen in kaart te brengen en tegen elkaar af te wegen .

 

Derde lid

Het spreekt voor zich dat de kosten van het terughalen van een maatwerkvoorziening voor rekening komen van de cliënt.

 

Artikel 25. Wangedrag en onzorgvuldig gebruik

Het komt voor dat cliënten zich ernstig misdragen tegen medewerkers van zorgaanbieders of oneigenlijk gebruik maken van verstrekte voorzieningen zoals scootmobielen. Voor die gevallen is voorzien in de mogelijkheid van het nemen van al dan niet tijdelijke maatregelen. Uiteraard dient daarbij de ondersteuningsbehoefte van cliënt betrokken te worden.

 

Artikel 26. Fraudepreventie

Het college zet in op fraudepreventie.

Onder a: In het keukentafelgesprek worden de rechten en plichten duidelijk besproken en worden ook gecheckt of deze worden begrepen.

 

Onder b:

In 2016 is de sociale recherche aangewezen als rechtmatigheidstoezichthouder en de GGD Zuid Limburg aangewezen als toezichthouder kwaliteit.

 

Van belang is dat er een grondige toets plaatsvindt aan de voorkant. Deze toets betreft ingeval van een pgb:

- de regiemogelijkheden van cliënt of degene die de cliënt daarvoor wenst in te schakelen;

- de kwaliteit van het door de cliënt te overleggen budgetplan.

 

Artikel 27. Controle gebruik maatwerkvoorzieningen en persoonsgebonden budgetten

Bij de controle op de besteding wordt de kwaliteit van de geboden diensten beoordeeld en of hiermee de beoogde resultaten worden behaald. Deze beoordeling vindt plaats tijdens evaluatiemomenten.

 

HOOFDSTUK 6: Kwaliteit en veiligheid

 

Artikel 28. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

De regering legt de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen bij de gemeente en de aanbieder.

 

Artikel 29. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

In artikel 3.4, eerste lid, van de wet is bepaald dat de aanbieder bij de toezichthoudend ambtenaar, bedoeld in artikel 6.1 van de wet onverwijld melding doet van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden en van geweld bij de verstrekking van een voorziening. In artikel 6.1 van de wet is bepaald dat het college personen aanwijst die zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens de wet.

In aanvulling op het bovenstaande regelt dit artikel dat er door het college een regeling wordt opgesteld over het doen van meldingen en dat de toezichthoudend ambtenaar deze meldingen onderzoekt en het college adviseert over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

 

HOOFDSTUK 7: Klachten, medezeggenschap en inspraak

 

Artikel 30. Klachtregeling

In het eerste lid is een bepaling over klachten ten aanzien van aanbieders opgenomen.

In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 2013/14, 33 841, nr. 3, blz. 57-58) staat dat cliënten in beginsel moeten kunnen klagen over alles wat hen niet aanstaat in de manier waarop zij zich bejegend voelen. De cliënt kan ontevreden zijn over het gedrag van een gemeenteambtenaar, bijvoorbeeld over de wijze waarop een gesprek is gevoerd of over diens (vermeende) gebrek aan deskundigheid. Is de cliënt niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder).

Het ligt voor de hand dat cliënten die zich benadeeld voelen zo veel mogelijk deze klacht eerst bij de betreffende aanbieder deponeren. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat de aanbieder de klacht snel in behandeling neemt en de klacht ook snel afhandelt. Daar waar de afhandeling niet naar wens is, staat de weg naar de gemeente voor het indienen van de klacht open.

 

In het tweede lid is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd.

 

Artikel 31. Medezeggenschap

Dit artikel geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, tweede lid, onder f, van de wet, waarin is bepaald dat in ieder geval moet worden bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn, vereist is.

In dit artikel gaat het dus om medezeggenschap van cliënten tegenover de aanbieder. Voorheen moest de aanbieder voldoen aan de in de Wet klachtrecht cliënten en de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (Wmcz) gestelde regels. Onder de Wmcz werd inspraak tegenover de aanbieder reeds verwezenlijkt via de cliëntenraad. Onder de wet is het stellen van regels geheel aan gemeenten overgelaten.

In het eerste lid is dit uitgewerkt door te bepalen dat aanbieders een regeling voor medezeggenschap dienen vast te stellen. De aanbieder is ten aanzien van de in de verordening genoemde voorzieningen verplicht een medezeggenschapsregeling op te stellen (artikel 3.2, eerste lid, onder b, van de wet).

In het tweede lid is een aantal instrumenten voor het college aangegeven om te zorgen dat de verplichting tot medezeggenschap door aanbieders goed wordt uitgevoerd.

 

Artikel 32. Betrekken van ingezetenen bij beleid

Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de wet.

 

In de gemeente Kerkrade wordt aan dit artikel reeds uitvoering gegeven door de co- creatie met het Platform maatschappelijke ondersteuning. De taak van het Platform maatschappelijke ondersteuning is om als informant, raadgever, adviseur en partner:

• Een bijdrage te leveren aan de ontwikkeling en vormgeving van het beleid en de uitvoering daarvan op het gebied van de Wmo en het sociale domein;

• Gevraagd en ongevraagd advies geven aan het college van B&W inzake de Wmo en het sociale domein;

• De resultaten van het beleid samen met de gemeente en andere partners te evalueren;

• Contacten te onderhouden met de doelgroepen en/of organisaties daarvan;

• Op de hoogte blijven van de maatschappelijke ontwikkelingen, in het bijzonder op het gebied van de Wmo en het sociale domein.

 

Het platform bestaat uit vertegenwoordigers van de volgende doelgroepen:

• Allochtonen/vluchtelingen/nieuwkomers;

• Bewoners van Kerkraadse wijken;

• Cliënten van de Wmo gecontracteerde zorgaanbieders;

• Jeugd en jongeren;

• Mantelzorg en vrijwilligers;

• Mensen met lichamelijke en/of geestelijke beperkingen;

• Mensen met een minimum inkomen;

• Ouderen;

• Sportende en bewegende mensen;

• Verslaafden;

• Vrouwenopvang.

 

HOOFDSTUK 8: Waardering mantelzorgers

 

Artikel 33. Jaarlijkse waardering mantelzorgers

Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.6 van de wet. Hierin is opgenomen dat bij verordening wordt bepaald op welke wijze het college zorg draagt voor een jaarlijkse blijk van waardering voor de mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Het college krijgt van de raad de bevoegdheid deze verplichting uit de wet bij uitvoeringsregeling nader in te vullen.

Met deze waardering erkennen wij de inzet die mantelzorgers leveren en dat zij daarvoor onze steun en waardering verdienen. Deze individuele waardering kan ertoe bijdragen aan het in beeld brengen en bereiken van mantelzorgers die zichzelf nog niet als zodanig beschouwen.

 

Artikel 2.1.6 stelt dat het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente. Artikel 1.1.1 van de wet definieert een cliënt als een persoon die gebruik maakt van een algemene voorziening, maatwerkvoorziening of pgb, of door of namens wie een melding is gedaan. Het gaat dus ook om mantelzorgers van cliënten die een hulpvraag hebben aangemeld, ook al is daar geen voorziening op basis van deze wet uitgekomen. Voorts is de woonplaats van de cliënt bepalend, zodat het dus ook mantelzorgers kan betreffen die in andere gemeenten wonen.

De jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers van cliënten in de gemeente Kerkrade bestaat uit het jaarlijks, in nauwe samenwerking en in overleg met het Platform Maatschappelijke Ondersteuning, bepalen van een passende compensatie van de doelgroep mantelzorgers. De gemeenteraad stelt jaarlijks hiervoor een uitvoeringsbudget beschikbaar.

 

HOOFDSTUK 9: Overgangsrecht en slotbepalingen

 

Artikel 34. Nadere regels en hardheidsclausule

Juist omdat het in de wet om maatwerk gaat, zal het college er niet aan ontkomen om, ook al is er een zorgvuldige afweging gemaakt, uiteindelijk toch te beoordelen of deze afweging niet leidt tot onbillijkheden van overwegende aard. Deze afweging zal minder vaak voorkomen dan in normale omstandigheden te verwachten is, Immers, bij de afwegingen gaat het al om een zeer persoonlijke beoordeling. Als desondanks die zeer persoonlijke afweging toch nog sprake is van een niet billijke situatie is de hardheidsclausule een vangnet. Daarbij kan de aanvrager ook een beroep doen op deze clausule. Wordt de hardheidsclausule vaker voor één onderwerp gebruikt dan kan men zich afvragen of het beleid niet aangepast zou moeten worden met betrekking tot het betreffende onderwerp.

 

Artikel 35. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

In het tweede lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. In het derde lid is als hoofdregel neergelegd dat aanvragen die nog bij het college in behandeling zijn, op grond van deze verordening beoordeeld zullen worden.

Omdat dit voor de cliënt nadelige gevolgen kan hebben, is in het vierde lid bepaald dat de nieuwe verordening gebruikt mag worden, als dit evident voordeliger is voor de cliënt. Dit moet voorkomen dat de cliënt gedupeerd is als zijn aanvraag enige tijd bij het college in behandeling is geweest en zijn rechtspositie door het tijdverloop wordt aangetast. Dezelfde regeling is voor de bezwaarfase opgenomen in het zesde lid.

 

Artikel 36. Inwerkingtreding en citeertitel

Dit artikel bepaalt de inwerkingtreding van deze verordening en legt vast hoe de verordening dient te worden aangehaald.

In het tweede lid is overgangsrecht opgenomen voor lopende voorzieningen op basis van de oude verordening. In het derde lid is bepaald dat aanvragen die voor de inwerkingtreding van deze nieuwe verordening zijn ingediend maar waarop bij de inwerkingtreding nog niet is beslist, worden afgedaan op grond van de nieuwe verordening. In het vierde lid is voor lopende bezwaarschriften bepaald dat deze volgens de oude verordening worden afgedaan.