Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Leiden

Referendumverordening 2008

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieLeiden
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingReferendumverordening 2008
CiteertitelReferendumverordening 2008
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Onbekend.

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

29-10-2014art. 6

16-10-2014

Gemeenteblad 2014, 60528

RV 14.0088
25-09-201029-10-2014gewijzigde regeling

09-09-2010

Stadsblad, 24-9-2010

RV 10.0079

Tekst van de regeling

Intitulé

Referendumverordening 2008

 

 

Paragraaf 1: Algemene bepalingen
Artikel 1 Begripsbepaling

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    kiesgerechtigde: iemand die stemrecht heeft voor de verkiezing van de leden van de raad;

  • b.

    presidium: het presidium voor de raad en de raadscommissies;

  • c.

    reglement van orde: het reglement van orde voor de raad.

Artikel 2 Voorwaarden voor een referendum
  • 1.

    Een referendum kan alleen worden gehouden indien de raad daartoe heeft besloten.

  • 2.

    Een besluit tot het houden van een referendum kan worden genomen na een voorstel daartoe vanuit de raad of een verzoek daartoe vanuit de kiesgerechtigden. Op een dergelijk voorstel, respectievelijk verzoek, zijn de bepalingen van paragraaf 3 van deze verordening van toepassing.

  • 3.

    Een referendum wordt gehouden onder alle kiesgerechtigden in de gemeente.

Artikel 3 Onderwerpen voor een referendum
  • 1.

    Alleen conceptraadsbesluiten kunnen onderwerp zijn van een referendum.

  • 2.

    De volgende conceptbesluiten kunnen geen onderwerp zijn van een referendum:

    • a.

      besluiten over voorstellen, gericht op het voor kennisgeving aannemen van nota's, rapporten en dergelijke;

    • b.

      besluiten over voorstellen inzake individuele kwesties, zoals benoemingen, ontslagen, schorsingen en verlening van kwijtschelding;

    • c.

      besluiten in het kader van deze verordening;

    • d.

      besluiten tot het voeren van rechtsgedingen;

    • e.

      besluiten inzake belastingverordeningen;

    • f.

      de conceptgemeentebegroting en de perspectiefnota;

    • g.

      besluiten die dienen ter uitvoering van besluiten waarover al eerder een referendum ingevolge deze verordening heeft plaatsgevonden of met betrekking waartoe de mogelijkheid heeft bestaan tot het indienen van een daartoe strekkend verzoek zonder dat daarvan gebruik is gemaakt;

    • h.

      besluiten tot het aangaan, opheffen of wijzigen van gemeenschappelijke regelingen;

    • i.

      bestemmingsplan- en structuurplanwijzigingen voor zover die uitsluitend betrekking hebben op de verplichte doorwerking van planologische kernbeslissingen, aanwijzingen die zijn gegeven op grond van de Wet ruimtelijke ordening en tracébesluiten.

Artikel 4 Voor te leggen vraag

Tenzij de raad anders besluit wordt bij een referendum aan de kiesgerechtigden de vraag voorgelegd of zij voor of tegen het conceptraadsbesluit zijn.

Paragraaf 2: De referendumkamer
Artikel 5 Taken van de referendumkamer
  • 1.

    Er is een referendumkamer. De referendumkamer heeft tot taak:

    • a.

      de raad te adviseren over de toelaatbaarheid van een onderwerp waarover is voorgesteld of verzocht om een referendum te houden;

    • b.

      de raad een voorstel te doen voor de vraagstelling voor referenda;

    • c.

      te adviseren over de door het gemeentebestuur te verstrekken voorlichting over referenda en over de toekenning van bijdragen voor campagneactiviteiten;

    • d.

      toezicht te houden op de uitvoering van de verordening;

    • e.

      te adviseren bij geschillen tussen het gemeentebestuur, de indieners van een referendumverzoek en andere belanghebbenden;

    • f.

      te adviseren over de evaluatie van gehouden referenda en van voorstellen en verzoeken die niet tot een referendum hebben geleid.

  • 2.

    De referendumkamer adviseert voorts gevraagd en ongevraagd over aanpassingen van deze verordening, over de bij referenda en referendumverzoeken te volgen procedure en over overige zaken het referendum betreffende.

  • 3.

    De adviezen van de referendumkamer zijn openbaar.

Artikel 6 Samenstelling van de referendumkamer
  • 1.

    De referendumkamer bestaat uit maximaal vijf leden.

  • 2.

    Voor besluitvorming binnen de referendumkamer is een quorum vereist van drie leden. Bij het staken van de stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend.

  • 3.

    De raad benoemt de leden op een door het presidium in te dienen aanbeveling. Voor het lidmaatschap van de referendumkamer komen niet in aanmerking leden van de raad, leden van het college en ambtenaren in dienst van de gemeente, met uitzondering van onderwijzend personeel.

  • 4.

    De raad wijst een van de leden als voorzitter aan.

  • 5.

    De leden worden benoemd voor een periode van vier jaar. Aftredende leden kunnen terstond worden herbenoemd.

  • 6.

    De leden kunnen te allen tijde ontslag nemen.

  • 7.

    De referendumkamer kan zich laten bijstaan door externe adviseurs.

Artikel 7 Secretariaat van de referendumkamer

De griffier of een door de griffier aan te wijzen medewerker van de griffie treedt op als secretaris van de referendumkamer.

Paragraaf 3: Voorstellen en verzoeken om een referendum te houden
Artikel 8 Initiatief vanuit de raad
  • 1.

    Een voorstel vanuit de raad om een referendum te houden geschiedt door het indienen van een initiatiefvoorstel als bedoeld in het Reglement van Orde.

  • 2.

    Tenzij de vereiste spoed zich daartegen verzet, wordt tevoren aan de referendumkamer advies gevraagd over de toelaatbaarheid van het onderwerp.

  • 3.

    Indien de raad besluit tot het houden van een referendum, wordt het desbetreffende raadsvoorstel vervolgens op de gangbare wijze behandeld, met dien verstande dat het conceptbesluit, zoals dat luidt na verwerking van de door de raad aanvaarde amendementen, niet in stemming wordt gebracht, maar wordt aangehouden.

  • 4.

    Zo spoedig mogelijk na het besluit tot het houden van een referendum treedt de referendumkamer in overleg met vertegenwoordigers van de raad en desgewenst met andere betrokkenen over de vraagstelling. Tenzij het presidium instemt met een andere periode, brengt de referendumkamer binnen twee weken na het genoemde besluit advies uit over de vraagstelling.

  • 5.

    De raad stelt met inachtneming van het advies in de eerstvolgende vergadering de vraagstelling vast.

Artikel 9 Initiatief vanuit de kiezers
  • 1.

    Een verzoek van kiesgerechtigden om een referendum te houden dient uiterlijk een week voor de plenaire behandeling van het conceptraadsbesluit bij de raad te worden ingediend. Het verzoek moet zijn voorzien van de handtekeningen van 750 kiesgerechtigden.

  • 2.

    In het verzoek wordt aangegeven welke groep van ten minste twee en ten hoogste vijf van de ondertekenaars voor het vervolg van de procedure zal fungeren als gesprekspartners namens de indieners.

  • 3.

    Voorafgaand aan de plenaire behandeling als bedoeld in het eerste lid adviseert de referendumkamer de raad over de toelaatbaarheid van het onderwerp. Indien het college of een of meer leden van de raad van mening zijn dat het verzoek niet behoort te worden ingewilligd, stellen zij de referendumkamer hiervan tijdig in kennis. Voorafgaand aan het uitbrengen van het advies stelt de referendumkamer de meest betrokkenen in de gelegenheid hun opvattingen hierover nader toe te lichten.

  • 4.

    Zo spoedig mogelijk na binnenkomst van een verzoek als bedoeld in het eerste lid verzoekt de griffier het college om te onderzoeken of het verzoek door een voldoende aantal kiezers is gedaan.

  • 5.

    Indien het verzoek niet voldoende wordt ondersteund of niet binnen de gestelde termijn is ingediend, stelt het presidium de raad voor om het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren.

  • 6.

    Indien het verzoek betrekking heeft op een onderwerp zoals bedoeld in artikel 3, tweede lid, wijst de raad het verzoek af. De raad kan het verzoek eveneens, met redenen omkleed, afwijzen indien het verzoek betrekking heeft op een onderwerp waarvoor de primaire verantwoordelijkheid bij een andere overheid ligt, dat een bovenlokaal karakter heeft, of waarbij de raad vaststelt dat hij onvoldoende mogelijkheden ziet, dan wel niet bereid is, om te handelen conform een van de mogelijke uitslagen van het referendum.

  • 7.

    Als de raad heeft besloten de kiesgerechtigden in de gelegenheid te stellen een definitief verzoek in te dienen, wordt het desbetreffende raadsvoorstel op de gangbare wijze behandeld, met dien verstande dat het conceptbesluit, zoals dat luidt na verwerking van de door de raad aanvaarde amendementen, niet in stemming wordt gebracht maar wordt aangehouden.

  • 8.

    Zo spoedig mogelijk na het besluit om de kiesgerechtigden in de gelegenheid te stellen een definitief verzoek in te dienen, treedt de referendumkamer in overleg met vertegenwoordigers van de raad en van de indieners over de vraagstelling. Tenzij het presidium instemt met een andere periode, brengt de referendumkamer binnen twee weken na het genoemde besluit advies uit over de vraagstelling.

  • 9.

    De raad stelt met inachtneming van het advies in de eerstvolgende vergadering de vraagstelling vast.

Artikel 10 Ondersteuning van een definitief verzoek
  • 1.

    Een definitief verzoek tot het houden van een referendum kan worden ingediend door ten minste 5000 kiesgerechtigden via het plaatsen van hun handtekening op een handtekeninglijst of via het inzenden van een ondersteuningsverklaring met gebruikmaking van DigiD. De handteke­ninglijsten en de inhoud van de bij de digitale ondersteuning te gebruiken internetpagina worden vastgesteld door het presidium en zijn voorzien van de door de raad vastgestelde vraagstelling.

  • 2.

    De handtekeninglijsten zijn gedurende zes weken beschikbaar in het Stadhuis en op ten minste vier andere door het college, in overeenstemming met de raad, aangewezen locaties. Het college draagt er zorg voor dat op een wekelijkse koopavond en op zaterdag ten minste een van deze locaties geopend is. Het inzenden van een ondersteuningsverklaring met gebruikmaking van DigiD is in dezelfde periode van zes weken mogelijk.

  • 3.

    De in het tweede lid genoemde termijn van zes weken vangt aan op een door het college, in overeenstemming met de raad, bekend te maken dag. In de bekendmaking wordt aangegeven op welke locaties en gedurende welke tijdstippen de handtekeninglijsten beschikbaar zijn en via welke internetpagina digitale ondersteuning mogelijk is. Indien het benodigde aantal geldige handtekeningen of digitale ondersteuningen al eerder dan na zes weken is verkregen, kan de mogelijkheid tot het plaatsen van een handtekening en het inzenden van een digitale ondersteuning worden beëindigd.

  • 4.

    Bij het plaatsen van een handtekening op een lijst dient de kiesgerechtigde zich te legitimeren met een geldig identiteitsbewijs.

  • 5.

    In overleg met het presidium wordt periodiek onderzocht in hoeverre de geplaatste handtekeningen en ingezonden ondersteuningsverklaringen geldig zijn.

  • 6.

    De burgemeester maakt wekelijks bekend hoeveel geldige ondersteunende handtekeningen en ondersteuningsverklaringen door de kiesgerechtigden zijn geplaatst, respectievelijk ingezonden.

  • 7.

    Indien het verzoek niet voldoende wordt ondersteund, stelt het presidium de raad voor het verzoek niet-ontvankelijk te verklaren.

  • 8.

    Als het definitieve verzoek voldoende wordt ondersteund, neemt de raad zo spoedig mogelijk een beslissing op het verzoek. Indien de raad van oordeel is dat er na het besluit over het inleidend verzoek sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden van substantiële aard, kan hij het verzoek, gehoord de referendumkamer, alsnog afwijzen.

Paragraaf 4: Verdere bepalingen inzake referenda
Artikel 11 De datum van een referendum

Tegelijk met een besluit om een referendum te houden of zo spoedig mogelijk daarna bepaalt de raad met inachtneming van een advies van het college de datum van het referendum.

Artikel 12 Financiële bepalingen
  • 1.

    Zo spoedig mogelijk na een besluit om een referendum te houden stelt de raad een budget vast voor de organisatie van en de voorlichting over het referendum, alsmede een budget voor bijdragen in de kosten van de campagneactiviteiten van de bij het referendum betrokken partijen.

  • 2.

    Het college stelt met inachtneming van een advies van de referendumkamer nadere regels vast voor de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om in aanmerking te komen voor een bijdrage in de kosten van de campagneactiviteiten.

  • 3.

    Het college kent de in het vorige lid bedoelde bijdragen toe met inachtneming van een advies van de referendumkamer.

Artikel 13 De gang van zaken bij een referendum
  • 1.

    De kiesgerechtigden ontvangen voor het referendum een afzonderlijke oproepingskaart of stempas.

  • 2.

    Op de gang van zaken bij het referendum is het bepaalde in de Kieswet en het Kiesbesluit van overeenkomstige toepassing.

Artikel 14 De geldigheid van een referendum
  • 1.

    Het referendum is geldig indien het aantal uitgebrachte geldige stemmen meer bedraagt dan 30% van het aantal kiesgerechtigden.

  • 2.

    Indien het referendum geldig is, wordt de uitslag bepaald door de keuzemogelijkheid waarop de meeste geldige stemmen zijn uitgebracht.

Artikel 15 Besluitvorming na een referendum

Zo mogelijk in de eerste vergadering na het plaatsvinden van het referendum maar niet later dan na twee maanden besluit de raad over het aangehouden conceptbesluit dat aan het referendum werd onderworpen.

Artikel 16 Strafbepalingen

De in de artikelen Z1, Z2, Z3, Z4, Z6, Z7 en Z8 van de Kieswet opgenomen strafbepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op een referendum als bedoeld in deze verordening, met dien verstande dat naar aanleiding van de in de artikelen Z1 tot en met Z4 bedoelde strafbare feiten alleen hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie kan worden opgelegd, en dat naar aanleiding van de in de artikelen Z6 tot en met Z8 bedoelde strafbare feiten alleen hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie kan worden opgelegd. De in deze artikelen bedoelde strafbare feiten worden beschouwd als overtredingen.

Paragraaf 5: Slotbepalingen
Artikel 17 Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na de bekendmaking daarvan.

Artikel 18 Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als ‘Referendumverordening 2008’.