Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Leiden

Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden houdende regels omtrent maatschappelijke ondersteuning Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Leiden 2018

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieLeiden
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingBeleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden houdende regels omtrent maatschappelijke ondersteuning Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Leiden 2018
CiteertitelBeleidsregels maatschappelijke ondersteuning Leiden 2018
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Onbekend

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-2018nieuwe regeling

19-12-2017

Stadskrant, 21-12-2017

BW17.0631

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Leiden houdende regels omtrent maatschappelijke ondersteuning Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Leiden 2018

Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Leiden 2018

Hoofdstuk 1 Begripsbepalingen

 

Artikel 1 Begripsbepalingen

In de beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Leiden 2018 wordt verstaan onder:

  • 1.

    Belanghebbende: een persoon, die zelf of namens wie een onderzoek wordt gedaan naar de behoefte van die persoon op het gebied van maatschappelijke ondersteuning participatie en zelfredzaamheid.

  • 2.

    Financieel besluit: Financieel besluit maatschappelijke ondersteuning Leiden 2018, of het vigerend financieel besluit maatschappelijke ondersteuning Leiden.

  • 3.

    Sociaal netwerk: personen uit de huiselijke kring of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt.

  • 4.

    Verordening: Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015.

 

Alle begrippen die in deze beleidsregels genoemd worden en die niet nader worden omschreven, zijn in de Wmo 2015 (de wet) en in de verordening maatschappelijke ondersteuning 2015 opgenomen en daarmee bindend voor deze beleidsregels.

 

Hoofdstuk 2 Melding en behandeling hulpvraag

 

Artikel 2 Melding

Een melding is het verzoek om onderzoek naar de behoefte van een inwoner op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, participatie en zelfredzaamheid (artikel 2.3.2 Wmo).

De toegangsprocedure start met een melding, die wordt geregistreerd en schriftelijk wordt bevestigd.

Een informatie- of adviesvraag of een vraag om ondersteuning die door het sociaal wijkteam zelf geleverd wordt hoeft geen melding te zijn. Een melding kan worden gedaan bij het sociaal wijkteam. Dit kan op verschillende manieren (telefonisch, persoonlijk, schriftelijk, digitaal) en kan worden gedaan door de belanghebbende zelf of namens en met instemming van de belanghebbende. Ook toeleiders, zoals huisartsen of praktijkondersteuners, kunnen een melding doen.

 

Artikel 3 Behandeling melding

Naar aanleiding van de melding wordt contact opgenomen met de belanghebbende. In dit eerste contact komen in ieder geval de procedureregels, de mogelijkheden van (gratis) cliëntondersteuning en het persoonlijk plan aan de orde.

Dit eerste contact kan leiden tot of uitlopen in een gesprek. Na dit eerste contact kan er een vervolggesprek plaatsvinden waarin de hulpvraag wordt onderzocht Dit gesprek wordt bij voorkeur bij iemand thuis gevoerd, is een open gesprek waarbij bij voorkeur iemand uit het netwerk van de cliënt wordt betrokken.

 

Artikel 4 Clientondersteuning

Naast de ondersteuning van de cliënt die door de gemeente of het sociaal wijkteam wordt geboden, bestaat cliëntondersteuning. Cliëntenondersteuning is onafhankelijke ondersteuning met informatie, advies en algemene ondersteuning die bijdraagt aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. Inwoners van Leiden kunnen kosteloos een beroep doen op cliëntondersteuning, waarbij het belang van de cliënt uitgangspunt is.

 

Onafhankelijkheid van de cliëntondersteuning betekent dat de cliënt erop moet kunnen vertrouwen dat de ondersteuning die geboden wordt om de cliënt bij te staan tijdens het opstellen van een plan onafhankelijk is van het besluit dat de gemeente uiteindelijk neemt om een cliënt wel of niet een maatwerkvoorziening toe te kennen. De onafhankelijkheid van de cliëntondersteuner wordt gewaarborgd via de wettelijke plicht er voor te zorgen dat uitgangspunt bij de cliëntondersteuning het belang van betrokkene is en door middel van de professionele autonomie van de cliëntondersteuner. In de praktijk zal dit betekenen dat de onafhankelijkheid gewaarborgd wordt, door de mogelijkheid te bieden cliëntondersteuning vanuit een ander wijkteam in te schakelen en de cliënt bij het eerste contactmoment hierop te attenderen.

 

Artikel 5 Gesprek en onderzoek

De medewerker die de melding in behandeling heeft, bespreekt samen met de belanghebbende, dan wel diens vertegenwoordiger en de cliëntondersteuner en/of met de mantelzorger(s) en desgewenst familie of iemand uit het sociale netwerk, wat de hulpvraag inhoudt en waaruit de behoefte aan ondersteuning bestaat. Ook de mate van zelfredzaamheid van de belanghebbende en oplossingen vanuit de eigen kracht wordt besproken. De behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt wordt nadrukkelijk ook meegenomen in het gesprek. Dit gesprek kan gezien worden als het gesprek zoals vermeld in artikel 5 van de Verordening. In het gesprek worden belanghebbenden ook gewezen op hun rechten en plichten op het gebied van privacy.

Dit gesprek vormt de basis voor een onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 van de wet. De medewerker verzamelt de benodigde informatie. Daarbij is de medewerking van de belanghebbende onontbeerlijk. Als iemand al voldoende bekend is en er zijn geen nieuwe omstandigheden die op de melding van invloed zijn, kan met instemming van de belanghebbende worden afgezien van (delen van) het onderzoek.

De onderzoeksfase is een waarborg voor cliënten om gehoord te worden en in gezamenlijk overleg tot een kwalitatief goed plan te komen. Hierbij wordt ook aandacht besteed aan de eigen mogelijkheden van de belanghebbende. Bovendien is het van belang na te gaan of de voorziening/ondersteuning die de cliënt voor ogen heeft geen surrogaat is voor mogelijk onderliggende problematiek (vraag achter de vraag).

Indien er sprake is van een spoedeisende situatie, dan is het college, na de melding, gehouden aan het onverwijld een vorm van noodzakelijk ondersteuning, aan te bieden. Afhankelijk van de spoedeisendheid kan beoordeeld worden of de uitkomst van het onderzoek wel of niet kan worden afgewacht.

 

Het persoonlijk plan is een plan waarin een cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 vierde lid, onderdelen a tot en met g, van de wet beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen. Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid tot het indienen van een persoonlijk plan en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen. Wanneer deze termijn te kort is voor de cliënt, zal het college de onderzoekstermijn opschorten, zodat de cliënt meer tijd heeft om het persoonlijk plan op te stellen.

Wanneer tijdens het intakegesprek of het onderzoek blijkt dat de inwoner mogelijk recht heeft op ondersteuning vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (Zvw) of andere (voorliggende) voorzieningen, wordt het aanvragen hiervan opgenomen in het plan. De mate van zelfredzaamheid van de inwoner bepaalt of de afspraak is dat de inwoner dit zelf doet, of dat iemand uit zijn omgeving dan wel het sociaal wijkteam ondersteuning biedt.

 

Artikel 6 verslag/plan

Na de melding heeft het college zes weken de tijd om een onderzoek te doen naar de hulpvraag. Binnen deze zes weken vindt het gesprek plaats, wordt (zo nodig) verder onderzoek gedaan en de resultaten geformuleerd en moet het college een verslag van het onderzoek maken. Het verslag wordt tevens aangemerkt als het plan. In het plan staan de afspraken en acties die volgen uit het gesprek. Het plan is de weergave van de adviezen, verwijzingen en afspraken die in samenspraak met de cliënt zijn gemaakt naar aanleiding van zijn melding, evenals de beoogde resultaten en de toekomstige evaluatie daarvan.

Het verslag/plan dient binnen maximaal zes weken na de melding van het onderzoek te zijn ondertekend door de hulpvrager (of namens) de melder (de belanghebbende of diens vertegenwoordiger) en de medewerker van het sociaal wijkteam. In het geval dat een plan geen toegang geeft tot een maatwerkvoorzieningen, kan gemotiveerd worden afgezien van het ondertekenen van het plan. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren als door het verplicht ondertekenen van het plan een situatie ontstaat waarbij het beoogde resultaat juist wordt belemmerd.

Indien de hulpvrager het niet eens is met de inhoud van het verslag/plan wordt dit met de hulpvrager besproken. Opmerkingen/aanvullingen zullen worden toegevoegd en indien aan de orde zal een nieuw gesprek worden gevoerd en indien aan de orde zullen de resultaten worden aangepast. Het verslag/plan met aanpassingen naar aanleiding van de opmerkingen en aanvullingen van de hulpvrager dient ondertekend te worden door de hulpvrager.

 

Indien de hulpvrager het niet eens is met de conclusie dat er geen maatwerkvoorziening aan de orde is, zal in overleg met de hulpvrager op basis van het plan, de hulpvraag als een eenvoudige aanvraag voor een maatwerkvoorziening verder worden behandeld. Op deze aangepaste aanvraag voor een maatwerkvoorziening zal een beschikking worden afgegeven waarop de bezwaar- en beroepsmogelijkheden van toepassing zijn. Als de hulpvrager de aanpassing van de hulpvraag niet wenst, dan is hij te wijzen op de mogelijkheid om bezwaar in te dienen in verband met de uitkomst van het onderzoek en de daarop te nemen beschikking.

 

Hoofdstuk 3. Terreinen beperkingen, gebruikelijke hulp en mantelzorg, algemeen gebruikelijke voorzieningen en afstemming Wlz.

Gedurende het gesprek, wordt gesproken over de terreinen van beperkingen, gebruikelijke hulp en mantelzorg, algemeen gebruikelijke voorzieningen en de afstemming met de Wlz, indien dit aan de orde is.

 

Artikel 7 Terreinen beperkingen

Iemand kan beperkingen hebben op een of meer van de volgende vijf terreinen. Om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening heeft iemand matige tot zware beperkingen op een of meer van de volgende terreinen:

1. sociale redzaamheid;

2. bewegen en verplaatsen;

3. gedragsproblemen;

4. psychisch functioneren;

5. geheugen- en oriëntatiestoornissen.

 

Ad 1 Sociale redzaamheid

Lichte beperkingen houden in dat iemand lichte problemen heeft met de dagelijkse routine en met het uitvoeren van vooral complexere activiteiten. Met enige stimulans en/of toezicht is hij in staat zijn sociale leven zelfstandig vorm te geven, aankopen te doen en zijn geld te beheren. Wat betreft het aangaan en onderhouden van sociale relaties, op school, op het werk, met het sociale netwerk, is er met praten bij te sturen: vanuit huishouden, het sociale netwerk en/of school. De cliënt kan zelf om hulp vragen en er is geen noodzaak tot het daadwerkelijk overnemen van taken.

Matige beperkingen houden in dat het oplossen van problemen, het zelfstandig nemen van besluiten, het regelen van dagelijkse bezigheden en de dagelijkse routine (gebrek aan dag- en nachtritme) voor iemand niet vanzelfsprekend zijn. Dit levert af en toe zodanige problemen op dat de cliënt afhankelijk is van hulp. De communicatie gaat niet altijd vanzelf doordat de cliënt soms niet goed begrijpt wat anderen zeggen en/of zichzelf soms niet voldoende begrijpelijk kan maken. Het niet inzetten van Begeleiding kan leiden tot verwaarlozing/opname.

Zware beperkingen houden in dat complexe taken voor de cliënt moeten worden overgenomen. Ook het uitvoeren van eenvoudige taken en communiceren gaan moeizaam. De cliënt kan niet zelfstandig problemen oplossen en/of besluiten nemen, hij kan steeds minder activiteiten zelfstandig uitvoeren, of is hierin stabiel en zwaar beperkt. De zelfredzaamheid wordt problematisch. Voor de dagstructuur en het voeren van de regie is de cliënt afhankelijk van de hulp van anderen.

 

Ad 2 Bewegen en verplaatsen

Lichte beperkingen houden in dat de cliënt niet meer zelf kan fietsen of autorijden en zich buitenshuis niet meer zonder hulpmiddel (bijvoorbeeld een rollator) kan voortbewegen. Met het gebruik van hulpmiddelen kan er nog veel, maar niet alles. Daarnaast kan de cliënt geen zware voorwerpen tillen. Het optillen van lichte voorwerpen levert soms problemen op, maar met wat hulp en eenvoudige aanpassingen lukt dit nog wel. De cliënt kan de genoemde beperkingen in voldoende mate compenseren door hulp uit de omgeving.

Matige beperkingen houden in dat het zelfstandig opstaan uit een stoel en gaan zitten soms problemen oplevert. Fijne handbewegingen worden minder vanzelfsprekend, maar ook de grove hand- en armbewegingen beginnen problemen te geven. De cliënt kan zich, ook met behulp van een rollator of rolstoel, moeilijker zelfstandig verplaatsen. Openbaar vervoer is eigenlijk ontoegankelijk voor de cliënt geworden.

Zware beperkingen houden in dat bij het opstaan uit een stoel, het gaan zitten en het in- en uit bed komen de cliënt volledig moet worden geholpen. Binnenshuis is de cliënt voor zijn verplaatsingen zowel naar een andere verdieping of gelijkvloers volledig afhankelijk van hulpmiddelen. Voor het oppakken of vasthouden van lichte voorwerpen is hulp nodig. Ondanks het gebruik van hulpmiddelen kan de cliënt de beperkingen onvoldoende compenseren in het dagelijks leven.

 

Ad 3 Gedragsproblemen

Lichte beperkingen houden in dat de cliënt lichte gedragsproblemen vertoont die bijsturing vereisen, maar geen directe of acute belemmering vormen voor de zelfredzaamheid. Het vertoonde gedrag kan relatief eenvoudig worden bijgestuurd door de omgeving van de cliënt, het huishouden en/of de school. Bijsturing is voldoende zonder dat de overname noodzakelijk is.

Matige beperkingen houden in dat de cliënt gedrag vertoont dat bijsturing en soms (gedeeltelijke) overname van taken vereist. Het cliëntsysteem kan slechts gedeeltelijk in de bijsturing van de cliënt voorzien. Het vertoonde gedrag vereist bijsturing door een deskundige professional. Als er geen deskundige bijsturing wordt geboden, verslechtert de situatie van de cliënt.

Zware beperkingen houden in dat de cliënt ernstig probleemgedrag vertoont en hierdoor ontstaan zelfredzaamheidproblemen. Er is deskundige professionele sturing nodig om het gedrag in goede banen te leiden. Omdat er risico’s zijn voor veiligheid van de cliënt of zijn omgeving is er continu hulp of begeleiding nodig.

 

Ad 4 Psychisch functioneren

Lichte beperkingen houden in dat de cliënt lichte problemen heeft met concentreren, geheugen en denken. De oorzaak kan in verschillende problemen liggen, zoals lichte sociaal-emotionele instabiliteit, stemmingsproblemen, of prikkelgevoeligheid. De concentratie en/of capaciteit tot informatieverwerking laat af en toe te wensen over. Met hulpmiddelen en enige aansturing is de zelfredzaamheid van de cliënt voldoende te ondersteunen. Er is geen noodzaak tot het overnemen van taken.

Matige beperkingen houden in dat de cliënt vaak zodanige problemen heeft met de concentratie en informatieverwerking dat hiervoor hulp noodzakelijk is. Als er niet met regelmaat deskundige hulp wordt geboden, ervaart de cliënt in het dagelijks leven problemen bij de zelfredzaamheid.

Zware beperkingen houden in dat de cliënt ernstige problemen heeft met de concentratie, het geheugen en denken en ook de waarneming van de omgeving. Hierdoor is volledige overname van taken door een deskundige professional noodzakelijk.

 

Ad 5 Oriëntatiestoornissen

Lichte beperkingen houden in dat de cliënt lichte problemen heeft met het besef van tijd en/of plaats. Het herkennen van personen en de omgeving levert geen problemen op. De problemen doen zich af en toe voor en de cliënt kan zich zelfstandig redden met hulp vanuit zijn netwerk. De beperkingen vormen geen bedreiging voor zijn zelfredzaamheid, want de cliënt kan veel taken op basis van ‘gewoonte’ zelfstandig uitvoeren.

Matige beperkingen houden in dat de cliënt problemen heeft met het herkennen van personen en zijn omgeving. De zelfredzaamheid van de cliënt staat onder druk. De cliënt heeft vaak hulp nodig van anderen bij het uitvoeren van taken en het vasthouden van een normaal dagritme. Als er geen deskundige begeleiding wordt geboden, verslechtert de situatie van de cliënt.

Zware beperkingen houden in dat de cliënt ernstige problemen vertoont in het herkennen van personen en van zijn omgeving. Hij is gedesoriënteerd en zijn zelfredzaamheid is aangetast. Ondersteuning bij dagstructurering en bij het uitvoeren van taken is noodzakelijk. Ook is het overnemen van taken aan de orde.

 

Artikel 8 Gebruikelijke hulp en mantelzorg

Gebruikelijke hulp (zie ook bijlage 1) is per definitie zorg waarop geen aanspraak bestaat vanuit de Wmo. Het is de normale, dagelijkse zorg die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden. Gebruikelijke hulp is ook alleen aan de orde als er een leefeenheid is die een gezamenlijk huishouden voert. Uitwonende kinderen vallen hier dus buiten. Kortom als er in een huishouden sprake is van een (gezonde) partner of huisgenoot dan wordt gebruikelijke hulp aanwezig geacht. In gesprek met het wijkteam of jeugd- en gezinsteam zal gekeken worden of hiervan moet worden afgeweken.

Mantelzorg is zorg die wordt gegeven aan een zorgvrager door iemand uit diens directe, sociale omgeving. Het gaat dan om onbetaalde:

  • 1.

    ondersteuning die huisgenoten, familie, vrienden, kennissen, collega’s en buren verlenen en die voortkomt uit onderlinge relaties; het gaat dus niet om hulp als gevolg van een beroep of georganiseerd vrijwilligerswerk;

  • 2.

    ondersteuning die mensen geven vanwege gezondheidsproblemen of beperkingen tot in een terminale fase;

  • 3.

    ondersteuning die varieert van huishoudelijke ondersteuning, persoonlijke verzorging tot begeleiding;

  • 4.

    ondersteuning die in principe langer dan 3 maanden en meer dan 8 uur per week wordt verleend en die boven de gebruikelijke hulp uitstijgt in zwaarte, duur en/of intensiteit.

 

Mantelzorg vindt plaats op basis van vrijwilligheid, dat wil zeggen dat de mantelzorger bereid en in staat geacht mag worden deze zorg te leveren. Het college kan en mag mantelzorg niet afdwingen.

 

Artikel 9 Algemeen gebruikelijke voorziening

Van een algemeen gebruikelijke voorziening is sprake indien:

  • 1.

    de voorziening niet specifiek bedoeld is voor mensen met een beperking;

  • 2.

    de voorziening in de reguliere handel verkrijgbaar is;

  • 3.

    de voorziening niet duurder is dan soortgelijke producten met eenzelfde doel voor iemand in een vergelijkbare situatie.

 

Algemeen gebruikelijk zijn goederen en producten die een persoon in vergelijkbare sociale en financiële omstandigheden tot zijn uitgavenpatroon kan rekenen.

Of een voorziening algemeen gebruikelijk is hangt af van de specifieke situatie van de inwoner en van de tijdgeest en jurisprudentie. Dit dient dan ook in elke situatie opnieuw worden afgewogen.

In bijlage 3 is een lijst met voorzieningen opgenomen die in de regel worden aangemerkt als algemeen gebruikelijk.

Artikel 10 Afstemming met de Wlz

Het college is verantwoordelijk voor de maatschappelijke ondersteuning van burgers tot aan het moment dat iemand een indicatie heeft voor zorg op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz). Wanneer iemand een indicatie heeft op grond van de wlz is vastgesteld dat iemand vanwege beperkingen als gevolg van bijvoorbeeld leeftijd of handicap, blijvend permanent toezicht of 24-uurszorg in de nabijheid nodig heeft. De zorgplicht behorend bij een indicatie Wlz blijft belegd bij de aan zorgverzekeraars gelieerde zorgkantoren. Het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) indiceert voor deze zorg. Indien inwoners toegang hebben tot de Wlz dan kunnen zij bepaalde maatwerkvoorzieningen zoals begeleiding en woonvoorzieningen niet meer op grond van de Wmo 2016 ontvangen. Het college kan deze maatwerkvoorziening in dat geval weigeren.

Dit heeft alleen betrekking op het weigeren van aanvragen om maatwerkvoorzieningen in relatie tot de aanspraak of het recht op een indicatie tot (langdurig) verblijf op grond van de Wlz. Alleen indien de zorgintensiteit zodanig is dat het wonen in de eigen leefomgeving niet meer veilig en verantwoord zou zijn, is de Wlz aan de orde.

Hulpmiddelen en vervoersvoorzieningen blijven in 2017 ook voor mensen met een Wlz indicatie nog vanuit de Wmo beschikbaar. Huishoudelijke ondersteuning voor mensen met een Wlz indicatie zal per 2017 niet meer vanuit de WMO beschikbaar zijn.

 

Hoofdstuk 4 maatwerkvoorzieningen

 

Artikel 11 Aanvraag maatwerkvoorziening

Als er in het ondertekende plan maatwerkvoorzieningen worden voorgesteld, kan het plan worden aangemerkt als een aanvraag. De aanvraag moet binnen twee weken tot een beschikking leiden. Bij de behandeling van de aanvraag moet de cliënt in de gelegenheid worden gesteld om te kiezen voor een pgb en/of zorg in natura.

 

Na afhandeling van het onderzoek kan door middel van een schriftelijk verslag een aanvraag voor een maatwerkvoorziening worden gedaan, tenzij het onderzoek niet binnen zes weken is uitgevoerd (art. 2.3.2 lid 9 van de wet). Voor cliënten die al bekend zijn en er geen nieuwe feiten en omstandigheden aan de orde zijn, kan met instemming van de cliënt de meldingsprocedure eventueel worden overgeslagen.

 

Voor zover het college voor de beoordeling van de aanvraag maatwerkvoorziening extern advies nodig heeft, wordt dat in de regel gevraagd nadat de aanvraag is ingediend. Het college schort dan tevens de beslistermijn van de aanvraag op en noemt daarbij een zo kort mogelijke termijn waarbinnen de beschikking wel tegemoet kan worden gezien. Uit de wet vloeit eveneens de mogelijkheid voort om de beslistermijn op te schorten indien de cliënt niet de benodigde gegevens, bescheiden of medewerking heeft verleend aan het gesprek (onderzoek als bedoeld in art. 2.3.2 lid 4 van de wet).

Verder kan het voorkomen dat geruime tijd verstrijkt tussen het beschikbaar zijn van het verslag en het feitelijk indienen van een aanvraag. Dit kan tot gevolg hebben dat het verslag verouderde informatie bevat waardoor het college niet (meer) binnen de wettelijke kaders kan beslissen op de aanvraag. In voorkomende gevallen zal het college de cliënt (opnieuw) uitnodigen voor een gesprek, voordat op de aanvraag wordt beslist. Dit is analoog aan artikel 2.3.2 lid 9 van de wet.

Deze situatie dient zoveel mogelijk voorkomen te worden. Zodra het verslag/plan met de cliënt is besproken, kan ook, met eventuele begeleiding de aanvraag worden ingediend.

 

In de wet is aangegeven op welke wijze en op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een maatwerkvoorziening noodzakelijk is. Alvorens wordt overgegaan tot de verstrekking van een maatwerkvoorziening, wordt eerst gekeken naar andere mogelijkheden om de cliënt te ondersteunen in de ondervonden beperkingen. Dat kan bijvoorbeeld een verwijzing zijn naar een voorliggende voorziening, het helpen bij het inzetten van het eigen netwerk, kortdurende ondersteuning en een verwijzing naar een algemene voorziening. Dit dient in het gespreksverslag/plan gemotiveerd naar voren te komen.

 

Artikel 12 Resultaten bij maatwerkvoorzieningen

Resultaten die bereikt moeten worden bij het toekennen van maatwerkvoorzieningen zijn:

  • 1.

    ondersteuning bij het aanbrengen van regie en structuur in huishouden en leven (of gestructureerd huishouden en in staat zijn de dagelijkse levensverrichtingen uit te voeren)

  • 2.

    mogelijkheid voor een ingevulde dag en het aangaan en onderhouden van sociale contacten

  • 3.

    wonen in een geschikt huis

  • 4.

    mogelijkheid om te verplaatsen en vervoeren

  • 5.

    mogelijkheid om beschermd te kunnen wonen en opvang te krijgen 

     

Bij de beoordeling van de aanvraag hanteert het college de in de Verordening onder artikel 8 genoemde criteria. Indien er aanspraak op een maatwerkvoorziening bestaat, moet deze een passende bijdrage leveren aan de (noodzakelijk gebleken) behoefte aan maatschappelijke ondersteuning.

Een aanspraak op een algemene of andere voorziening, waaronder onder meer (aanvullende) ziektekostenverzekeringen en aansprakelijkheidsverzekeringen, is voorliggend op een aanspraak op een maatwerkvoorziening;

 

Afgeleide aanspraak

Als er een maatwerkvoorziening wordt verstrekt om de mantelzorger te ontlasten of hem in staat te stellen de mantelzorg te leveren, gebeurt dat altijd als afgeleide van de verzorgde op zijn of haar naam. Deze maatwerkvoorziening kan niet –als het een pgb betreft- door de mantelzorger worden ingevuld; het gaat immers om diens (dreigende) overbelasting.

Artikel 13 Maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning (basis, speciaal en thuisondersteuning)

De maatwerkvoorziening huishoudelijk ondersteuning wordt ingezet met als doel:

  • a.

    het realiseren van een schoon en leefbaar huis en/of

  • b.

    het bevorderen van de zelfredzaamheid en/of participatie van de inwoner/mantelzorger.

 

De gemeente legt niet vooraf in uren vast hoeveel hulp iemand krijgt. Samen met de aanbieder kijkt de cliënt hoe het resultaat “schoon huis” het beste bereikt kan worden. Deze afspraken worden schriftelijk vastgelegd. Het resultaat “schoon huis” kan worden bereikt door het inzetten van licht en zwaar huishoudelijk werk en indien noodzakelijk ook wasverzorging.

Licht huishoudelijk werk kan bestaan uit: opruimen, stof afnemen, planten water geven, afwassen.

Zwaar huishoudelijk werk kan bestaan uit: stofzuigen, dweilen, sanitair reinigen, keuken poetsen, (binnenzijde) ramen wassen, bed verschonen.

Wasverzorging kan bestaan uit: kleding en linnengoed sorteren, wasmachine en centrifuge/droger in en uitruimen, vouwen, indien noodzakelijk (bovenkleding/linnengoed) strijken, en opbergen.

Er wordt rekening gehouden met wat iemand zelf of een huisgenoot kan doen in het huishouden (gebruikelijke hulp, bijlage 1). Dit wordt in de beschikking opgenomen.

 

De maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning kent het onderscheid tussen basis, speciaal en thuisondersteuning. De uitwerking en frequenties voor basisactiviteiten en incidentele activiteiten per resultaat is opgenomen in het Normenkader huishoudelijke ondersteuning (bijlage 4).

 

Het realiseren van een schoon, leefbaar en gestructureerd huishouden kan bestaan uit:

Een schoon en leefbaar huis

Het resultaat van de ondersteuning is dat de inwoner beschikt over een schoon en leefbaar huis.

Alleen standaard en noodzakelijke werkzaamheden horen tot de huishoudelijke ondersteuning. Dit betekent bijvoorbeeld dat alleen ruimtes die veel worden gebruikt (zoals de zitkamer, slaapkamer, badkamer, keuken, hal/gang en toilet) regelmatig worden schoongemaakt. Andere ruimtes (bijvoorbeeld een logeerkamer) kunnen incidenteel worden meegenomen of daar kan de schoonmaak zelfs achterwege blijven (bijvoorbeeld een bergzolder).

Wasverzorging

Het te behalen resultaat is de beschikking hebben over schoon linnen- en beddengoed en/of over schone kleding.Verwacht mag worden dat de persoon beschikt over een wasmachine. Daarnaast wordt van de klant verwacht dat de reikwijdte van de ondersteuning tot een minimum wordt beperkt door bijvoorbeeld de inzet van een wasdroger of kleding die niet gestreken hoeft te worden. Van betrokkene wordt tevens verwacht dat hij/zij redelijkerwijs al het mogelijke heeft gedaan om het ontstaan van extra zware was te beperken. Bijvoorbeeld door het gebruik van incontinentiemateriaal of anti-allergieproducten.

 

Het bevorderen van de zelfredzaamheid en/of participatie van de inwoner/mantelzorger kan bestaan uit:

Regie voeren over het huishouden Ondersteuning bij het organiseren van huishoudelijke taken wordt ingezet wanneer de inwoner niet tot zelfregie en planning van de werkzaamheden in staat is. Het doel van het voeren van de regie over het huishouden is het schoonhouden van het huis, en/of ook het ondersteunen bij het organiseren van het huishouden. Het overnemen van de regie over het huishouden kan noodzakelijk zijn als in redelijkheid niet meer van de inwoner verwacht kan worden dat hij zelfstandig beslissingen neemt of als disfunctioneren dreigt.

 

Huishoudelijke ondersteuning basis

De te behalen resultaten bij het inzetten van Huishoudelijke ondersteuning basis zijn het schoon en leefbaar houden van de primaire leefruimten van de woning en het optioneel verzorgen van de was.

 

Huishoudelijke ondersteuning speciaal

De te behalen resultaten bij het inzetten van huishoudelijke ondersteuning speciaal zijn naast het realiseren van een schoon en leefbaar huis en optioneel de wasverzorging, de regievoering over het huishouden.

 

Thuisondersteuning

In sommige situaties kan het nodig zijn dat naast huishoudelijke ondersteuning ook lichte individuele begeleiding noodzakelijk is. De combinatie van huishoudelijke ondersteuning en lichte begeleiding zetten we in als Thuisondersteuning. Het heeft als doel te zorgen dat inwoners zo zelfstandig mogelijk kunnen blijven wonen. Deze begeleiding kan nodig zijn bij:

  • 1.

    Beperkte zelfredzaamheid;

  • 2.

    Gevaar van eenzaamheid of risico op verwaarlozing;

  • 3.

    Onvoldoende aanwezigheid van hulp van anderen, het ontbreken van een sociaal netwerk;

  • 4.

    Fors gebrek aan regie bij het dagelijks leven

     

Het is niet mogelijk om naast de maatwerkvoorziening Thuisondersteuning ook de maatwerkvoorziening Begeleiding individueel in te zetten. Indien de behoefte aan “begeleiding bij het dagelijks functioneren” groter is dan binnen de Thuisondersteuning kan worden ingezet, zullen aparte maatwerkvoorzieningen Huishoudelijke ondersteuning (basis of speciaal) en Begeleiding individueel worden afgegeven.

Artikel 14 Maatwerkvoorziening begeleiding

De maatwerkvoorziening begeleiding is gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de inwoner opdat hij zolang mogelijk in zijn eigen leefomgeving kan blijven.

Het doel van maatwerkvoorziening begeleiding is gericht op wat de cliënt nodig heeft voor (herstel van/stabiliseren van) het evenwicht bij het functioneren bij een of meer van de volgende onderdelen.

a) het begeleiden van cliënt bij het voeren van een huishouden; en/of

b) het begeleiden van een cliënt bij zijn zelfredzaamheid en/of participatie; of

c) het stabiliseren van de zelfredzaamheid en/of participatie van een cliënt; of

d) het verbeteren van de zelfredzaamheid en/of participatie van een cliënt ; of

e) het ondersteunen van een cliënt bij zelfzorg.

 

De maatwerkvoorziening begeleiding kent individuele begeleiding en groepsbegeleiding.

1) Begeleiding individueel

Begeleiding individueel is aan de orde als de cliënt individuele begeleiding nodig heeft om de vastgestelde doelen te behalen. Er bestaat Begeleiding individueel basis en Begeleiding individueel speciaal. Uitgangspunt is dat eerst gekeken of begeleiding individueel basis toereikend is om de doelen te kunnen realiseren.

 

Bij Begeleiding individueel basis gaat het om mensen met somatische aandoeningen, met niet aangeboren hersenletsel (NAH), met psycho-sociale beperkingen, met licht psychiatrische beperkingen, met lichamelijke beperkingen en met verstandelijke beperkingen.

 

Begeleiding individueel kan in vier intensiteiten verstrekt worden:

 

Intensiteit per 4 weken

Begeleiding individueel basis/speciaal regulier

2,01 tot en met 10 uur

Begeleiding individueel basis/speciaal middel

10,01 tot en met 18 uur

Begeleiding individueel basis/speciaal zwaar

18,01 tot en met 26 uur

Begeleiding individueel basis/speciaal urenopgave

> 26,01 uur

Intensiteit regulier geldt als de standaardintensiteit. Intensiteiten middel en zwaar betekenen een hogere tijdsinzet van ondersteuning en zullen worden ingezet als de vastgestelde resultaten bij de cliënt niet binnen de maximale uren van de reguliere intensiteit kunnen worden bereikt. Indien meer dan 26 uur inzet per 4 weken nodig is, dan geldt een apart uurtarief.

 

Indien als afsluiting van een begeleidingstraject dan wel als laatste stap in afschaling ondersteuning met een lage frequentie dan intensiteit regulier noodzakelijk is om de ondersteuning verantwoord af te bouwen, dan geldt de waakvlamintensiteit (maximaal 39 uur per jaar) met een apart uurtarief.

 

Het aanbod van activiteiten bij begeleiding individueel basis zijn gericht op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid van de inwoner. Verder is er ondersteuning bij beperkingen op het vlak van zelfregie over het dagelijks leven.

 

Begeleiding individueel speciaal is specifiek gericht op mensen met niet aangeboren hersenletsel of ernstige psychiatrische problematiek waarbij de vastgestelde resultaten niet gerealiseerd kunnen worden bij Begeleiding individueel basis. Afhankelijk van de situatie kunnen ook cliënten met multiproblematiek of bij het ontbreken van andere ondersteuning gebruik maken van Begeleiding individueel speciaal.

 

De hierboven genoemde specifieke beperkingen zoals niet aangeboren hersenletsel of psychiatrische problematiek zijn niet per definitie aanleiding om direct Begeleiding individueel speciaal in te zetten.

 

Het aanbod bij Begeleiding individueel speciaal richt zich op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid van de Inwoner. Het onderscheid zich van begeleiding individueel basis door de inzet van een medewerker met specifieke vaardigheden en/of deskundigheid (HBO werk- en denkniveau) in verband met ernstige tekort schietende vaardigheden in het zelfregelend vermogen/zwaar regieverlies als gevolg van de aanwezige problematiek.

 

Als bij een indicatie voor individuele begeleiding door opname in instelling/detentie of een hieraan gelijk te stellen situatie een onderbreking is van langer dan 6 weken, kan de gemeente besluiten de indicatie stop te zetten. Begeleiding tijdens de opname wordt overgenomen door de (behandelende) instelling. Eventuele voor- en nazorg (i.v.m. overdracht etc.) mag uit de individuele begeleiding worden geboden.

 

2) Begeleiding groep

Groepsbegeleiding wordt ingezet als de doelen van de cliënt middels begeleiding in groepsverband gerealiseerd kunnen worden. Bij een cliënt kunnen groepsbegeleiding en individuele begeleiding gelijktijdig worden ingezet. Indien de doelen volledig bereikt kunnen worden met groepsbegeleiding, dan wordt hier als eerst naar gekeken.

 

Binnen begeleiding groep wordt onderscheid gemaakt tussen basis en speciaal.

 

Begeleiding groep basis (A/B)Begeleiding groep basis wordt ingezet bij ouderen met (somatische) beperkingen [categorie A], mensen met een psychiatrische achtergrond of een verstandelijke beperking [categorie B]. Bij een combinatie van problematiek zal bij de indeling in categorie A of B worden beoordeeld welke problematiek dominant is.

 

Activiteiten in groepsverband (7 à 8 inwoners per medewerker, minimaal 6) zijn gericht op ondersteuning bij dagbesteding, het handhaven en bevorderen van het zo zelfstandig mogelijk functioneren, het voorkomen van sociaal isolement, het verlichten van de mantelzorger en het zo veel mogelijk voorkomen van achteruitgang bij cliënt in fysieke, cognitieve en sociaal-emotionele vaardigheden.

 

Begeleiding groep speciaal (A /B) Begeleiding groep speciaal wordt geïndiceerd bij stevige problematiek door somatische aandoeningen [categorie A], bij een milde of ernstige verstandelijke beperking [categorie B], niet aangeboren hersenletsel of lichamelijke beperkingen [categorie B] of (zwaardere) psychogeriatrie waarbij dementie is vastgesteld [categorie B]. Bij een combinatie van problematiek zal bij de indeling in categorie A of B worden beoordeeld welke problematiek dominant is.

 

Het aanbod bij Begeleiding groep speciaal onderscheidt zich van het aanbod bij Begeleiding groep basis door de inzet van minimaal één medewerker op de groep met specifieke vaardigheden en/of deskundigheid (HBO werk- en denkniveau) in aansluiting op de stevigere problematiek van de cliënt. Daarbij is er sprake van een kleinere groepsomvang.

 

Bij Begeleiding groep bestaan twee intensiteiten, te weten intensiteit normaal (1 tot en met 24 dagdelen per periode van 4 weken) en intensiteit intensief (25 tot en met 36 dagdelen per periode van 4 weken). Onder een dagdeel wordt minimaal 3,5 uur verstaan. Intensiteit normaal is de standaard intensiteit. Intensiteit intensief betekent een hogere tijdsinzet van ondersteuning en zal worden ingezet als de te behalen resultaten bij de cliënt niet binnen de maximale dagdelen van de normale intensiteit kunnen worden bereikt.

 

Vervoer begeleiding groepWanneer een inwoner niet in staat is zelfstandig te reizen of op eigen kracht naar de dagbesteding te reizen (fiets, openbaar vervoer, etc.) en dat niet kan worden geleerd, kan een indicatie voor vervoer naar dagbesteding worden toegekend. Het betreft een vast tarief. De indicatie voor dit betreffende vervoer maakt deel uit van de indicatie voor Begeleiding groep.

  

Er zijn vijf resultaatsgebieden bij maatwerkvoorziening begeleiding.

 

  • 1.

    begeleiden bij een schoon en leefbaar huis

  • 2.

    ondersteunen bij en opbouwen van sociaal netwerk cliënt;

  • 3.

    ondersteuning bij onderwijs/arbeidsparticipatie/dagbesteding;

  • 4.

    mantelzorg- en vrijwilligersondersteuning:

  • 5.

    ondersteunen bij zelfzorg 

     

Ad 1. Resultaatsgebied 1: Begeleiden bij een schoon en leefbaar huis

  • 1.

    cliënt is in staat taken uit te voeren die leiden tot een schoon en leefbaar huis

     

Ad 2. Resultaatgebied: ondersteuning bij en het opbouwen van sociaal netwerk cliënt

  • 1.

    cliënt heeft een gezond sociaal netwerk en vervult daarbinnen een passende sociale rol

  • 2.

    cliënt is in staat een beroep te doen op personen in zijn/haar sociaal netwerk

  • 3.

    cliënt kan eigen problematiek in relatie tot sociaal netwerk hanteren

  • 4.

    bij bemoeizorg: cliënt staat open voor opbouw sociaal netwerk

NB. Bij bemoeizorg en geïsoleerde cliënten zonder een sociaal netwerk is het resultaat ‘cliënt heeft een gezond sociaal netwerk’ een brug te ver. Het gaat hier om het opbouwen van een sociaal netwerk met als achterliggende doelstelling mensen uit isolement of uit ‘verkeerde/foute sociale omgeving’ te halen of te houden.

 

Ad 3: Resultaatgebied: ondersteuning bij onderwijs/arbeidsparticipatie/ dagbesteding

  • 1.

    cliënt volgt een opleiding.

  • 2.

    cliënt heeft een zinvolle dagbesteding;

  • 3.

    cliënt heeft onbetaald werk met ondersteuning;

  • 4.

    cliënt heeft onbetaald werk zonder ondersteuning;

  • 5.

    cliënt heeft betaald werk met ondersteuning;

  • 6.

    cliënt heeft betaald werk zonder ondersteuning.

     

Ad 4: Resultaat gebied: Mantelzorg- en vrijwilligersondersteuning de draagkracht en draaglast van de Mantelzorger is in balans;

  • 1.

    vrijwilliger/Mantelzorger is ondersteund;

  • 2.

    sociaal netwerk is ondersteund.

     

Ad 5: Resultaatgebied: Ondersteunen bij zelfzorg

  • 1.

    Client is in staat zichzelf te verzorgen;

  • 2.

    Client draagt schone kleding;

  • 3.

    Client ziet er verzorgd uit;

  • 4.

    Client komt afspraken met zorgprofessionals (zoals huisarts, tandarts, medisch specialist) na.

 

Onderstaand schema geeft een overzicht van de activiteiten welke door de zorgaanbieder uitgevoerd kunnen worden binnen de in dit artikel genoemde resultaten.   

Ondersteunen bij het aanbrengen van structuur en/of het voeren van regie Deze activiteiten richten zich met name op de beperkingen en stoornissen in de sociale redzaamheid en het psychisch functioneren, op oriëntatiestoornissen en op probleemgedrag.

- Begeleiden in verband met ernstig tekortschietende vaardigheden in he zelfregelend vermogen.

- Hulp bij initiëren of compenseren van eenvoudige of complexe taken, besluiten nemen en de gevolgen daarvan wegen.

- Hulp bij het regelen van randvoorwaarden op het gebied van wonen, onderwijs, werk, inkomen, iets kopen/ betalen, het stimuleren tot en voorbereiden van een gesprek (dit betreft niet het meegaan naar en aanwezig zijn bij het gesprek).

- Hulp bij plannen, stimuleren en voorbespreken van activiteiten.

- Hulp bij het initiëren of compenseren van op/bijstellen van dag/weekplanning; dagelijkse routine.

- Inzicht geven in (mogelijke) gevolgen van besluiten.

- Hulp bij zich aan regels, afspraken houden, corrigeren van besluiten of gedrag. 

Ondersteunen bij praktische vaardigheden / handelingen ten behoeve van zelfredzaamheid. Deze activiteiten richten zich met name op de beperkingen in de sociale redzaamheid en het zich bewegen en verplaatsen.

- Hulp bij uitvoeren of overnemen van eenvoudige of complexe taken/activiteiten, of hulp bij oplossen van praktische problemen die buiten de dagelijkse routine vallen.

- Hulp bij het beheren van geld.

- Hulp bij de administratie (alleen in de zin van oefenen/aanleren).

- Hulp bij openbaar vervoer gebruik (alleen in de zin van oefenen/aanleren).

- Hulp bij of overnemen van post openmaken, voorlezen en het regelen van de afhandeling praktische zaken.

- Instructie bij en/of het toezien op de persoonlijke verzorging (zelfzorg).

- Hulp bij plannen en stimuleren van contact in de persoonsgebonden sociale omgeving, bijvoorbeeld hulp bij het opbouwen van een sociaal netwerk).

- Hulp bij communicatie in de persoonsgebonden omgeving bij bijvoorbeeld afasie. 

Ondersteunen van de mantelzorger/gebruikelijke zorger

- Oefenen van de mantelzorger/gebruikelijke zorger hoe om te gaan met de gevolgen van de aandoening, stoornis of beperking van de inwoner. 

Bieden van toezicht

- Overnemen van toezicht gericht op het bieden van fysieke zorg, zodat tijdig ingegrepen kan worden bij bijvoorbeeld valgevaar, of complicaties bij een ziekte en medicijngebruik.

- Het overnemen van toezicht en het aansturen van gedrag ten gevolge van een stoornis, thuis of elders. 

Aansturen van gedrag

- Aansturen van gedrag met ernstig tekortschietende vaardigheden in het zelfregelend vermogen.

- Begeleiden bij sociaal-emotionele problematiek die samenhangt met de stoornis. 

Bieden van een dagprogramma ter vervanging van onderwijs, arbeid of andersoortige dagstructurering

- Begeleiden bij onderwijs, arbeidsmatige dagbesteding (activiteiten met een zelfstandig karakter waarbij het vaak zal gaan om het tot stand brengen van een product of dienst, afgestemd op de mogelijkheden en interesse van de inwoner).

- Begeleiden bij activering (activiteiten gericht op zinvol besteden van de dag, aangepast aan de mogelijkheden en interesse van de inwoner, waaronder handvaardigheid, expressie, beweging, belevingsactiviteiten).

- Begeleiden bij activering (belevingsgerichte activiteiten op een eenvoudig niveau met extra aandacht voor sfeer, geborgenheid, veiligheid, ritme en regelmaat). 

 

Iemand met een langdurige zintuigelijke of auditieve beperking komt niet in aanmerking voor een lokale maatwerkvoorziening begeleiding individueel of groep. Deze specialistische begeleiding is landelijk ingekocht.

Bij de ondersteuning aan mensen met een zintuiglijke beperking, gaat het om specialistische ondersteuning. Het gaat om ondersteuning waarvoor geldt dat er een gering aantal inwoners gebruik van maakt, er een beperkt aantal aanbieders voor is en de inhoud van het aanbod zeer specialistisch is. Daarom heeft de VNG in afstemming met het ministerie van VWS landelijke inkoopafspraken voor de specialistische ondersteuning van mensen met een zintuiglijke beperking tot stand gebracht. Deze afspraken zijn opgenomen in een raamovereenkomst tussen gemeenten en aanbieders van specialistische begeleiding, voor mensen met een zintuiglijke beperking. 

 

Wanneer iemand niet in staat is zelfstandig te reizen of op eigen kracht naar de dagbesteding te komen, (fiets/OV etc), en dat niet kan worden geleerd, kan een indicatie voor vervoer worden afgegeven bij de dagbesteding. Het betreft hier een vast bedrag.

 

Lijfgebonden ondersteuning

Lijfgebonden Ondersteuning is gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie van de inwoner zodat deze zolang mogelijk in zijn/haar eigen leefomgeving kan blijven. Bij Lijfgebonden Ondersteuning gaat het om inwoners met een beperking bij het verrichten van de algemene dagelijkse levensverrichtingen. Inwoners kunnen in aanmerking komen voor Lijfgebonden Ondersteuning indien “aansporing” bij het uitvoeren van de algemene dagelijkse levensverrichtingen niet voldoende is en de verzorgende handelingen om tot de algemene dagelijkse levensverrichtingen te komen feitelijk voor langere tijd overgenomen moeten worden. Daarbij is geen aanspraak op Persoonlijke Verzorging op basis van de Zorgverzekeringswet mogelijk gebleken, omdat er onder meer geen sprake is van “geneeskundige zorg of een hoog risico daarop”.

 

Artikel 15 Maatwerkvoorziening Woonvoorzieningen

Onder een woonvoorziening wordt verstaan een woningaanpassing of hulpmiddel gericht op het normale gebruik van de woning.

Iemand komt in aanmerking voor een woonvoorziening wanneer hij een woning heeft en er problemen zijnmet het normale gebruik van de woning die niet zelf of met behulp van het eigen (sociale) netwerk kunnen worden opgelost. Deze maatwerkvoorziening moet er zorg voor dragen dat de cliënt zich in, om en nabij zijn woning zodanig kan redden dat normaal of in ieder geval acceptabel functioneren mogelijk is. Het gaat hierbij dus om alle verplaatsingen die nodig zijn voor een normaal gebruik van de woning. Voor alle andere verplaatsingen, die verder gaan dan de woning (zoals het gaan posten van een brief, het op bezoek gaan bij een buurman of het maken van een korte wandeling) kan een maatwerkvoorziening in de vorm van bijvoorbeeld een rolstoel of een scootmobiel worden ingezet. Bij het normale gebruik van de woning horen wel verplaatsingen naar een centrale hal in een flat, waar veelal de brievenbussen zijn, of het gebruik van een balkon of het gebruik van de tuin. Wat de tuin en het balkon betreffen moet het mogelijk zijn daar te komen, de inrichting van de tuin en/of balkon is een eigen verantwoordelijkheid.

 

De maatwerkvoorzieningen kunnen nieuw of gebruikt zijn. Het uitgangspunt is dat de voorziening de zelfredzaamheid en participatie bevordert en mede daardoor bijdraagt aan het zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen;

Bij het normale gebruik van de woning moeten de gebruikelijke woonruimten bereikt kunnen worden. Te denken valt daarbij aan de woonkamer, het slaapvertrek, of mogelijk de slaapvertrekken, het toilet en de douche. Als er een berging is, moet ook de berging bereikt kunnen worden, als belanghebbende deze noodzakelijk en regelmatig gebruikt.

In principe worden aanpassingen aan een zolder zonder stahoogte, veelal bereikbaar zonder vaste trap, met bijvoorbeeld een vlizotrap, niet als maatwerkvoorziening aangemerkt.

 

In aanvulling op de onder artikel 12 genoemde algemene criteria voor individuele maatwerkvoorzieningen gelden voor woningaanpassingen nog een aantal specifieke criteria.

  • 1.

    In aanvulling op algemene criteria voor een maatwerkvoorziening kan een cliënt in aanmerking komen voor een woonvoorziening als hij:

    • a.

      aantoonbare beperkingen heeft bij het normaal gebruik van zijn woning, en

    • b.

      redelijkerwijs alles heeft gedaan om een geschikte woning te bewonen, of

    • c.

      een op basis van aantoonbare beperkingen aanwezige gedragsstoornis, met ernstig ontremd gedrag tot gevolg, waarbij alleen het zich kunnen afzonderen kan leiden tot een situatie waarin deze persoon met beperkingen tot rust kan komen.

  • 2.

    Een persoon met beperkingen kan alleen voor een woonruimteaanpassing in aanmerking komen wanneer deze langdurig noodzakelijk is en verhuizing niet mogelijk is of niet in beginsel de goedkoopst adequate voorziening is.

  • 3.

    Een woonvoorziening wordt slechts verstrekt als de persoon met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft of zal hebben in de woonruimte waaraan de voorziening wordt getroffen, dan wel voor het logeerbaar of bezoekbaar maken van een andere woonruimte dan waar de cliënt met beperkingen zijn hoofdverblijf heeft als het hoofdverblijf van de cliënt in een erkende zorginstelling is. 

    Indien cliënt zijn hoofdverblijf heeft in een erkende instelling kan uitsluitend de woonruimte van het huishouden waar de betrokkene deel van uit maakte, logeerbaar of bezoekbaar worden gemaakt.

  • 4.

    De bepalingen van dit artikel zijn niet van toepassing op:

    • a.

      het treffen van woonvoorzieningen aan hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantiewoningen, recreatiewoningen en bij kamerverhuur;

    • b.

      het treffen van woonvoorzieningen in, specifiek op mensen met beperkingen gerichte woongebouwen wat betreft voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten dan wel woonvoorzieningen die bij nieuwbouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten kunnen of hadden kunnen worden meegenomen.

  • 5.

    De aanvraag voor een woonvoorziening kan in ieder geval worden geweigerd indien:

    • a.

      de noodzaak tot het treffen van de woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van belemmeringen in het normale gebruik van de woning ten gevolge van beperkingen geen aanleiding bestond en er geen andere belangrijke reden aanwezig was;

    • b.

      de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen in de zelfredzaamheid of participatie op dat moment beschikbare meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college;

    • c.

      deze betrekking heeft op woonvoorzieningen in gemeenschappelijke ruimten anders dan:

      • 1°.

        het verbreden van toegangsdeuren;

      • 2°.

        het aanbrengen van elektrische deuropeners;

      • 3°.

        de aanleg van een hellingbaan van de openbare weg naar de toegang van het gebouw, mits de woningen in het gebouw te bereiken zijn met een rolstoel;

      • 4°.

        het aanbrengen van drempelhulpen of vlonders;

      • 5°.

        het aanbrengen van een trapleuning bij een portiekwoning;

      • 6°.

        het plaatsen van een opstelplaats voor een rolstoel bij de toegangsdeur van het gebouw;

    • d.

      de cliënt verhuisd is naar een woonruimte die niet bestemd en/of geschikt is om het gehele jaar door bewoond te worden;

    • e.

      de ondervonden problemen bij het normale gebruik van de woning voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;

    • f.

      de noodzaak tot het treffen van een maatwerkvoorziening het gevolg is van achterstallig onderhoud dan wel slechts strekt ter renovatie van de woning of om deze in overeenstemming te brengen met de eisen die redelijkerwijs aan de woning mogen worden gesteld.

       

Primaat van verhuizen

  • 1.

    Het primaat van verhuizen kan worden toegepast indien de kosten van een noodzakelijke woningaanpassing hoger zijn dan € 10.000,00. Als het primaat van toepassing is, kan zonder aparte aanvraag een maatwerkvoorziening in de vorm van een tegemoetkoming in de verhuiskosten worden verstrekt.

     

  • 2.

    De cliënt kan voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een woningaanpassing in aanmerking komen indien blijkt dat het primaat van de verhuizing niet binnen een redelijke en/of medische aanvaardbare termijn realiseerbaar is.

     

Indien een maatwerkvoorziening is verstrekt in de vorm van een uitbouw aan de woning, die eigendom is van de cliënt/bewoner, kan er vanuit worden gegaan dat de woning in waarde is gestegen. Daarom dienen de door de gemeente gesubsidieerde kosten bij verkoop van de woning te worden terugbetaald volgens een afschrijvingsschema dat is opgenomen in het financieel besluit.

 

Bij grotere bouwkundige aanpassingen moet worden gewerkt met een programma van eisen, waarmee zo nodig meerdere offertes opgevraagd kunnen worden conform gemeentelijk inkoopbeleid.

 

De kosten van een maatwerkvoorziening in de vorm van een bouwkundige aanpassing worden uitbetaald aan de eigenaar van de woning. In overleg met de woningbouwvereniging of eigenaar van de woning kan hiervan worden afgeweken. Het besluit wordt verstuurd aan de aanvrager/belanghebbende met een afschrift aan de eigenaar.

 

Bij het bepalen van een maatwerkvoorziening in de vorm van bouwkundige woonvoorzieningen moet zoveel mogelijk rekening worden gehouden met de belangen van mantelzorgers, zoals bij tilliften en andere hulpmiddelen die door mantelzorgers bediend moeten worden.

 

Er kan een maatwerkvoorziening worden verstrekt in de vorm van een vergoeding voor het verwijderen van een ingrijpende woningaanpassing, waarvoor op grond van de Wmo een maatwerkvoorziening is verstrekt, als de woonruimte in de huidige staat niet opnieuw verhuurbaar of verkoopbaar is. De hoogte van de vergoeding is gelijk aan de werkelijk gemaakte reële kosten.

In overleg met de woningbouwvereniging of eigenaar van de woning kan het verwijderen van woningaanpassingen in natura in opdracht en voor rekening van de gemeente worden uitgevoerd.

 

Er kan eenmalig een maatwerkvoorziening voor een woningsanering worden verstrekt. Hiervoor gelden de volgende drie voorwaarden.

  • 1.

    Er is een acute noodzaak voor woningsanering, vanwege COPD/astmaklachten in verband met een allergie voor huisstof of huisstofmijt, zijn vastgesteld. Deze noodzaak dient door middel van een rapport van een longverpleegkundige te worden aangetoond.

  • 2.

    De aanvraag voor woningsanering is aangevraagd binnen één jaar nadat voor de eerste maal allergie voor huisstofmijt is vastgesteld.

  • 3.

    Bij de aanschaf van de huidige vloer- en raambedekking is geen sprake geweest van een (verwachte) noodzaak tot woningsanering en mag de huidige woning niet eerder door de aanvrager op grond van de Wet of andere wet- en regelgeving zijn gesaneerd. 

 

Het is mogelijk een maatwerkvoorziening te verstrekken voor de keuring en het onderhoud als deze kosten niet in de met de leverancier overeengekomen prijs zijn opgenomen.

Bij het bepalen van de hoogte van de financiële tegemoetkoming in de kosten van keuring en onderhoud/ reparatie aan voorzieningen, die door de gemeente zijn verstrekt, kunnen alleen de werkelijk gemaakte reële kosten van keuring en onderhoud/reparatie voor vergoeding in aanmerking komen en niet behoren tot de gebruikelijke onderhoudskosten. Hierbij wordt een afweging gemaakt of het verwijtbare/te voorkomen kosten betreft.

 

Woonwagen, woonschip, binnenschip

Voor een maatwerkvoorziening die betrekking heeft op respectievelijk een Woonwagen, Woonschip en Binnenschip gelden de navolgende specifieke criteria:

  • 1.

    Een maatwerkvoorziening in de vorm van een aanpassing van een woonwagen wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      de woonwagen een technische levensduur heeft van minimaal vijf jaar, aangetoond via een taxatierapport van een beëdigd taxateur;

    • b.

      de standplaats niet binnen vijf jaar voor opheffing in aanmerking komt;

    • c.

      de woonwagen in de gemeente op de standplaats stond ten tijde van de indiening van de aanvraag voor een woonvoorziening.

  • 2.

    Een maatwerkvoorziening in de vorm van een aanpassing van een woonschip wordt slechts verstrekt indien:

    • a.

      het woonschip een technische levensduur heeft van minimaal vijf jaar, aangetoond via een taxatierapport van een beëdigd taxateur;

    • b.

      het woonschip nog minimaal vijf jaar op de ligplaats mag blijven liggen.

  • 3.

    Een maatwerkvoorziening in de vorm van een aanpassing van een binnenschip wordt slechts verstrekt indien de aanpassing betrekking heeft op het voor de schipper, de bemanning en hun gezinsleden bestemde gedeelte van het verblijf als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel V, van het Binnenschepenbesluit, van een binnenschip, dat:

    • a.

      in het register, bedoeld in artikel 783 van Boek 8 van het Burgerlijk Wetboek, als zodanig te boek is gesteld op de wijze omschreven in de Maatregel te boek gestelde schepen 1992; en

    • b.

      bedrijfsmatig wordt gebruikt, hetzij voor het vervoer van goederen, daarbij volgens de meetbrief bedoeld in het Metingbesluit binnenvaartuigen 1978 een laadvermogen van tenminste vijftien ton hebbend, hetzij voor het vervoer van meer dan twaalf personen buiten de in de aanhef bedoelde.

       

Als het gaat om het wonen in een geschikte woning worden zowel bouwkundige als niet-bouwkundige evenals losse en nagelvaste voorzieningen bedoeld. Uitgangspunt is daarbij dat men zelf al beschikt of zal beschikken over een woning. De gemeente zorgt niet voor een woning: dat is een eigen verantwoordelijkheid van de aanvrager.

 

Daarbij is uitgangspunt dat iedereen altijd zoekt naar een voor hem op dat moment meest geschikte beschikbare woning, uiteraard passend bij het bestedingspatroon.

 

Uitraasruimte

Een uitraasruimte is een ruimte waarin een persoon die tengevolge van een beperking in de vorm van een ernstige gedragsstoornis ernstig ontremd gedrag vertoont, zich kan afzonderen of tot rust kan komen.Dit is een zeer specifieke voorziening, die alleen op basis van een specifieke noodzaak en op basis van een specifieke beperking kan worden verstrekt. Het zal in de regel gaan om een kleine, veilige en prikkelarme ruimte.

Artikel 16 Maatwerkvoorziening rolstoelen

Een maatvoorziening in de vorm van een rolstoelvoorziening is bedoeld om iemand in staat te stellen zich in en om de woning zittend te verplaatsen. Het gaat om het zich verplaatsen in en om de woning en om verplaatsingen die direct vanuit de woning worden gedaan. De maatwerkvoorziening rolstoel is bedoeld voor belanghebbenden die voor het dagelijks zittend verplaatsen zijn aangewezen op een rolstoel.

Onder het verplaatsen in de woning wordt verstaan dat cliënt in staat moet zijn de woonkamer, het slaapvertrek en/of de slaapvertrekken, het toilet en de douche, de berging indien daar noodzakelijk en regelmatig gebruik van wordt gemaakt, de tuin of het balkon te kunnen bereiken en er zich zodanig te kunnen redden dat normaal functioneren mogelijk is. De maatwerkvoorzieningen kan nieuw of gebruikt zijn.

De sportrolstoel wordt niet gerekend tot een rolstoel voor het verplaatsen in en rond de woning. Deze wordt gezien als een maatwerkvoorziening bedoeld om deel te nemen aan recreatieve activiteiten.

 

Als er noodzaak bestaat voor een rolstoel voor dagelijks zittend gebruik, zal zo nodig via een medisch en al dan niet ergotherapeutisch advies door het college een programma van eisen worden opgesteld.

 

Ten aanzien van mantelzorgers zal door het college rekening worden gehouden met hun belangen.

Hierbij is bepalend dat de verleende mantelzorg relevant en substantieel is.

Dat kan bijvoorbeeld betekenen dat als de mantelzorger niet in staat is de rolstoel in alle omstandigheden te duwen, er een ondersteunende motorvoorziening verstrekt kan worden.

 

In principe zal een voorziening voor verplaatsing in, om en nabij het huis (meestal de rolstoel) verstrekt worden als men een dergelijke voorziening voor dagelijks zittend gebruik nodig heeft

Slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kan een rolstoel voor incidenteel gebruik worden verleend indien een inwoner zich in en om de woning (beperkt) lopend kan verplaatsen, maar zich niet lopend kan verplaatsen over de korte vervoersafstanden. Het gaat dan om inwoners die rolstoelafhankelijk zijn. Dat wil zeggen dat er sprake is van een verminderde mobiliteit of uithoudingsvermogen waardoor de loopafstand zeer beperkt is. Een rolstoel voor incidenteel gebruik (transportrolstoel) is doorgaans niet voor dagelijks zittend gebruik noodzakelijk. Afhankelijk van de aard van het gebruik wordt eerst beoordeeld of gebruik gemaakt kan worden van een rolstoel van de uitleen (thuiszorgwinkel) of van rolstoelen die op de plaats van bestemming beschikbaar zijn. Dat laatste is vaak het geval in bijvoorbeeld winkelcentrum, ziekenhuizen, pretparken en dergelijke.

Het kan echter ook gaan om een transportrolstoel waarop de inwoner is aangewezen om van A naar B te komen. Denk bijvoorbeeld aan de situatie dat iemand structureel niet in staat is om hele korte afstanden zelfstandig - al dan niet met een loophulpmiddel - af te leggen.

 

Een uitzondering hierop is een rolstoel voor zeer incidenteel gebruik (b.v. bezoek aan dierentuin, pretpark). In die gevallen kan gebruik worden gemaakt van de rolstoel die op de plaats van bestemming aanwezig is.

 

Indien voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een rolstoel een persoonsgebonden budget wordt verstrekt geldt het volgende:

  • 1.

    Een rolstoel kan door het college verstrekt worden in natura of in de vorm van een persoonsgebonden budget. Bij verstrekking in natura vallen alle kosten van onderhoud en verzekering onder de verstrekking. Bij een verstrekking als persoonsgebonden budget wordt de rolstoel die betrokkene zou hebben gekregen als voorziening in natura als uitgangspunt genomen.

  • 2.

    De gemeente hanteert een gebruiksduur van 7 jaar voor een rolstoel.

  • 3.

    De betrokkene is verplicht om gedurende de gebruiksduur de via het persoonsgebonden budget aangeschafte rolstoel voldoende te laten onderhouden.

  • 4.

    De betrokkene is verplicht om gedurende de gebruiksduur voor de via het persoonsgebonden budget aangeschafte elektrische rolstoel een aansprakelijkheidsverzekering (eerste drie jaar all risk) af te sluiten.

  • 5.

    De gemeente vergoedt alleen de werkelijk gemaakte kosten van de aanschaf van de rolstoel op basis van aankoopbewijs of vooruitbetaald op basis van een offerte. Hierbij gelden als maximum de in het vigerende financieel besluit maatschappelijke ondersteuning opgenomen bedragen voor de aanschaf en inclusief standaard fabrieksopties en een jaarlijkse tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, reparatie en eventueel verzekering.

  • 6.

    De meerkosten die verband houden met noodzakelijke individuele aanpassingen aan de rolstoel worden voor 100% vergoed.

Artikel 17 Maatwerkvoorziening vervoer

De maatwerkvoorziening vervoer zal ingezet worden wanneer iemand geen gebruik kan maken van het regulier- en het aanvullend openbaarvervoer. Welke vorm van vervoersvoorziening van toepassing is, is afhankelijk van de individuele situatie.

Bij maatwerkvoorzieningen voor vervoer moet worden gedacht aan scootmobielen, driewielfietsen, en de Regiotaxi.

Ook de voorziening voor de reguliere individuele (rolstoel)taxi of eigen auto, die kan worden vergoed als de Regiotaxi geen of onvoldoende compensatie kan bieden, behoort tot deze categorie. Deze vergoeding wordt op declaratiebasis verstrekt. Andere voorbeelden van mogelijke voorzieningen zijn:

Een financiële tegemoetkoming in de meerkosten van aanpassing van de eigen auto of ander verplaatsingsmiddel en in uitzonderlijke gevallen een auto of een gesloten buitenwagen.

 

De omvang van de maatwerkvoorziening voor vervoer bedraagt tenminste 1500 kilometer per jaar. Het kan voorkomen dat er een grotere of kleinere vervoersbehoefte bestaat. Van belang is allereerst vast te stellen of er een realistische vervoersbehoefte is, gezien de medische, maar ook gezien de financiële situatie van de aanvrager.

Een aanpassing van de omvang van de maatwerkvoorziening voor vervoer kan bijvoorbeeld plaatsvinden in situaties waarbij het vervoer noodzakelijk zo frequent is (bijvoorbeeld bij intensieve medische behandeling of een partner die in een verpleeghuis verblijft) dat het beschikbaar gestelde vervoer bijna geheel aan dit vervoer gebruikt zou worden. In deze situatie kan een aanvullende maatwerkvoorziening worden geboden in de vorm van extra vervoer.

Ook als gebruik wordt gemaakt van een andere, verstrekte maatwerkvoorziening voor vervoer zoals een scootmobiel, dan wel van een eigen verplaatsingsmiddel kan een aanpassing plaatsvinden. Het aantal kilometers wordt dan met 25%, 50% dan wel 75% verlaagd, afhankelijk van de mate waarin het andere verplaatsingsmiddel in de vervoersbehoefte voorziet.

Indien een partner aanwezig is met eenzelfde vervoersvoorziening of ander individueel vervoer, kan het aantal kilometers met 25%, 50% dan wel 75% verlaagd worden, afhankelijk van de gezamenlijke vervoersbehoefte.

Tenslotte kan het aantal kilometers met 25%, 50% dan wel 75% verlaagd worden indien het gaat om kinderen. Kinderen hebben een andere vervoersbehoefte dan volwassenen en hebben geen volledige zelfstandige vervoersbehoefte.

 

Het primaat ligt altijd bij collectief vraagafhankelijk vervoer (CVV of Regiotaxi). Een uitzondering op dit primaat geldt voor de vergoeding voor het gebruik van de eigen auto.

 

Bij personen met een loopafstand van minder dan 800 meter zal het college nagaan of naast een voorziening als collectief vervoer ook nog een voorziening voor de zeer korte afstand nodig is.

Een dergelijk individueel vervoermiddel kan alleen worden verstrekt indien belanghebbende verantwoord met het middel overweg kan en over een adequate stalling beschikt. Indien deze niet aanwezig is kan de gemeente het realiseren van een stalling opnemen in de vervoerskosten vergoeding. De kosten van deze stalling moeten in redelijke verhouding staan tot de huur- of aanschafkosten én van de verwachte gebruiksduur van de betreffende voorziening.

 

Een voorziening voor het verplaatsen met een vervoermiddel in de directe woon- of leefomgeving omgeving betreft een breed scala van verplaatsingen.

 

Een vervoersvoorziening heeft betrekking op verplaatsingen, die nodig zijn voor het doen van boodschappen, om naar artsen, paramedici of specialisten te gaan en voor ziekenhuisonderzoek Verder kan de vervoersvoorziening worden toegekend om betrokkene de mogelijkheid te bieden bestemmingen te bereiken waar men contact heeft met medemensen en/of deel kan nemen aan recreatieve, maatschappelijke of religieuze activiteiten. Daarbij kan gedacht worden aan familiebezoek, aan het bezoeken van bijeenkomsten of het bezoeken van kerkdiensten, het deelnemen aan het verenigingsleven, maar ook het volgen van cursussen om de vrije tijd op een aangename wijze te kunnen invullen.

 

Uitgesloten zijn verplaatsingen die met een vervoermiddel gemaakt moeten worden in verband met betaalde arbeid en regulier onderwijs. Heeft men voor dat soort verplaatsingen een aparte voorziening nodig, die verder gaat dan de normale voorziening voor het verplaatsen in het kader van het leven van alledag, dan kan deze voorziening vergoed worden vanuit de voorzieningen ten behoeve van werken. Vervoer naar en van dagbesteding is opgenomen in de maatwerkvoorziening Begeleiding.

Ook het zogenaamde zittend ziekenvervoer is voorliggend op een voorziening via de Wmo. Verder zijn ook vakanties en ander verblijf buiten de directe woon- en leefomgeving uitgesloten. Hiervoor wordt door het Ministerie van VWS Valys beschikbaar gesteld. Valys regelt het vervoer wanneer de pashouder een vervoersbehoefte heeft die verder reikt dan 5 OV-zones vanaf het woonadres van de pashouder of wanneer het vertrekadres is gelegen op een afstand van meer dan 5 OV-zones vanaf het woonadres van de pashouder. Valys is aanvullend op de deze maatwerkvoorziening en valt buiten de verantwoordelijkheid van het college.

 

Alleen bij dreigend sociaal isolement kan de vervoersvoorziening worden afgegeven voor reizen buiten de directe woon- en leefomgeving.

 

De beschikking wordt in principe voor onbepaalde tijd afgegeven. Bij wijzigingen in het soort vervoer, in de hoogte van tegemoetkomingen, de gezinssituatie moet een nieuwe beschikking worden afgegeven.

De voorziening gaat in per de eerste van de maand waarin de voorziening is aangevraagd en eindigt per de eerste van de maand volgend op de datum waarop het recht op de voorziening eindigt. In geval van overlijden is het de datum van overlijden.

Er vindt soms toekenning van een vergoeding plaats voor een tijdelijke periode. Dit is het geval als in het medisch advies een herkeuring wordt aangegeven. In dat geval vindt er een nieuw medisch onderzoek plaats om te kijken of de vergoeding verlengd kan worden.

 

Regiotaxi

In de regio Leiden, de Bollenstreek en de Rijnstreek is het collectief vervoer beschikbaar middels de Regiotaxi Holland Rijnland. De Regiotaxi is een vorm van aanvullend openbaar vervoer. Deze taxi rijdt van deur tot deur. Net als een gewone lijnbus rijdt de Regiotaxi in zones die de ritprijs bepalen. Dit zijn dezelfde zones als in het reguliere openbaar vervoer. Het vervoerssysteem is toegankelijk voor een ieder die, met of zonder rolstoel, zelfstandig of met begeleiding kan reizen. De Regiotaxi kent een aantal vaste opstapplaatsen daar waar er mogelijk misverstanden kunnen ontstaan over de exacte ophaalplaats (station, winkelcentrum). Met de Regiotaxi kan ook buiten de regio (meer dan 5 zones) worden gereisd, hiervoor geldt het volledige tarief. Personen met beperkingen die geen gebruik kunnen maken van het reguliere openbaar vervoer, kunnen in aanmerking komen voor een vergoeding voor dit collectieve vervoersysteem vanuit de Wmo.

 

Vorm van verstrekken

De standaardvergoeding betreft een vergoeding voor het gebruik van de Regiotaxi, waarbij een tegemoetkoming wordt gegeven voor de meerkosten van het CVV ten opzichte van het reguliere openbaar vervoer voor een maximaal aantal zones per jaar. Dit aantal is opgenomen in het vigerende Financieel Besluit maatschappelijke ondersteuning. De meerkosten worden door de gemeente rechtstreeks afgerekend met de vervoerder. De persoon met beperkingen heeft een pasje en betaalt in de Regiotaxi het reguliere OV tarief, omgerekend naar voormalige OV- zones. .

 

Daarnaast wordt een vrij besteedbaar bedrag toegekend ten behoeve van vervoer per eigen auto, (rolstoel)taxi of vervoer door derden, of vervoer met de Regiotaxi. Uitbetaling van het vrij besteedbare bedrag vindt op basis van declaratie in twee termijnen plaats, in de maanden juli en januari. Het vrij besteedbaar bedrag kan ook geheel worden overgeheveld naar de Regiotaxi.

 

De gemeente kan een aantal specificaties aangeven bij de vervoerder. Bijvoorbeeld of begeleiding noodzakelijk is (wanneer iemand niet alleen kan reizen of wanneer iemand op plaats van bestemming niet zonder begeleiding verder kan). Met een indicatie voor begeleiding kan de persoon met beperkingen gratis één begeleider mee laten reizen in de Regiotaxi.

 

Wanneer geen Regiotaxi

Indien collectief vervoer niet mogelijk is, kan het college een maatwerkvoorziening in de vorm van bijvoorbeeld een (rolstoel)taxi of het gebruik van de eigen auto verstrekken.

Om redenen van medische, psychische en/of sociale aard kan het collectief vervoer voor bepaalde mensen geen adequate oplossing voor het vervoersprobleem bieden. Hierbij kan worden gedacht aan:

  • 1.

    personen die tijdens de rit noodzakelijk gebruik moeten maken van bepaalde hulpmiddelen en deze hulpmiddelen niet mee kunnen nemen in de regiotaxi;

  • 2.

    personen die vanwege ernstige maag-darm-blaasstoornissen te kampen hebben met niet op te vangen incontinentie;

  • 3.

    personen die ernstige benauwdheid ondervinden als gevolg van bijvoorbeeld allergie, COPD/astma waardoor reizen met anderen onmogelijk is;

  • 4.

    situaties in verband met privacygevoelige zaken die een extreme schaamte of gêne tot gevolg hebben voor de cliënt. 

     

Vergoeding voor aanpassingen aan de eigen auto

Wanneer mensen een eigen auto hebben en geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer, een ander vervoermiddel op twee wielen dan wel de Regiotaxi of wanneer mensen de auto veelal in gezinsverband gebruiken, kunnen zij mogelijk in aanmerking voor een vergoeding in de meerkosten van autoaanpassingen. Deze aanpassingen kunnen betreffen:

  • 1.

    de bediening en besturing van de auto;

  • 2.

    het in en uit de auto komen;

  • 3.

    de zithouding;

  • 4.

    de verzorging van de gehandicapte;

  • 5.

    het mee kunnen nemen van hulpmiddelen.

 

Voorwaarden

De kosten voor de autoaanpassing worden voor een periode van zeven jaar toegekend. Een nieuwe aanvraag voor een zelfde aanpassing binnen deze periode wordt slechts naar rato van de verstreken termijn vergoed. Dit geldt niet bij een calamiteit. De meerkosten worden alleen toegekend indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

  • 1.

    er kan géén gebruik gemaakt worden van een verplaatsingsmiddel op twee wielen en het (aanvullend)openbaar vervoer of de taxi; óf

  • 2.

    de belanghebbende maakt deel uit van een huishouden bestaande uit meer dan 2 personen,

    • a.

      én kan geen gebruik maken van een verplaatsingsmiddel op twee wielen en het openbaar vervoer,

    • b.

      én de gezinssituatie speelt een substantiële rol in de vervoersbehoefte van belanghebbende. Dat wil zeggen: men kan aannemelijk maken dat er veelal in gezinsverband wordt gereisd.

  • 3.

    de eigen auto kan niet worden gebruikt als de auto niet is aangepast aan de beperkingen van de belanghebbende;

  • 4.

    er is geen (medische) contra-indicatie om in een auto te kunnen rijden;

  • 5.

    de bestuurder is de aanvrager of lid van het huishouden van de aanvrager;

  • 6.

    de bestuurder heeft een geldig rijbewijs en is of komt in het bezit (eigenaar) van een auto, gelijktijdig met de autoaanpassing;

  • 7.

    er treedt naar alle waarschijnlijkheid geen ingrijpende wijziging op in de rijbevoegdheid van de bestuurder. 

Ook aan de eigen auto worden randvoorwaarden gesteld. Hij moet

  • 1.

    redelijk aan te passen en in goede staat zijn;

  • 2.

    het goedkoopst aan te passen model zijn;

  • 3.

    in principe niet ouder dan drie jaar zijn of nog minimaal zeven jaar mee kunnen. Dit hoeft niet te gelden bij overplaatsbare aanpassingen. 

 

Tenslotte dienen de aanpassingen aan de auto door de eigenaar verzekerd te worden. Meerkosten van onderhoud en verzekering van uitsluitend de aanpassingen komen voor compensatie in aanmerking.

 

Artikel 18 Maatwerkvoorziening kortdurend verblijf

De maatwerkvoorziening kortdurend verblijf is het logeren van een cliënt, met als doel het overnemen van het (permanente) toezicht ter ontlasting van de gebruikelijke zorger of mantelzorger. Er is geen sprake van (medische) opname in het kader van de Zorgverzekeringswet (zvw), of de Wet langdurige zorg (wlz). Er is geen sprake van spoed of crisis.

 

Bij kortdurend verblijf logeert iemand maximaal 72 uur per week in een instelling, Hierdoor wordt degene die thuis die persoon verzorgt, tijdelijk ontlast. Kortdurend verblijf is bedoeld voor mensen die (permanent) toezicht nodig hebben. Bij de uitvoering van deze maatwerkvoorziening is altijd iemand in de buurt aanwezig en meerdere malen per dag zal een medewerker langsgaan bij de cliënt. Het kortdurend verblijf zal maximaal 72 uur (3 overnachtingen) per week bedragen, maar kan flexibel worden ingezet. Het maximaal aantal etmalen per kalenderjaar is 52.

Het zwaartepunt van de zorg ligt bij kortdurend verblijf vooral op logeren, met als doel het overnemen van het permanente toezicht ter ontlasting van de gebruikelijke zorger of mantelzorger. Het verblijf is te karakteriseren als logeren ter aanvulling op het wonen in de thuissituatie en niet als wonen in een instelling voor het grootste deel van de week.

 

Iemand komt in aanmerking voor kortdurend verblijf, wanneer:

hij of zij een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking heeft, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap;

Of

hij of zij zowel een maatwerkvoorziening begeleiding ontvangt en een indicatie heeft voor persoonlijke verzorging.

En

hij of zij is aangewezen op zorg gepaard gaand met (permanent) toezicht; en

hij of zij hierop gedurende maximaal drie etmalen is aangewezen; en

de ontlasting van de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg aan de verzekerde levert, noodzakelijk is.

 

Kortdurend verblijf wordt geleverd in drie varianten; te weten basis, speciaal (inclusief verzorging) en speciaal plus (inclusief begeleiding)

Kortdurend verblijf basis: De basis zorg wordt doorgeleverd zoals thuis. Er is toezicht, maar niet permanent. Ruimtes worden niet afgesloten. Dit product is gebaseerd op een kamer en verblijf, inclusief huishoudelijke ondersteuning en maaltijden.

Kortdurend verblijf speciaal: Hier is hetzelfde beschikbaar als bij kortdurend verblijf basis, aangevuld met lijfelijke verzorging adl en wassen. Persoonlijke verzorging valt hier niet onder.

Kortdurend verblijf speciaal plus: Hier is hetzelfde beschikbaar als bij kortdurend verblijf speciaal, aangevuld met individuele begeleiding.

 

Artikel 19 Maatwerkvoorziening maaltijdvoorbereiding

Indien een inwoner een probleem heeft bij het bereiden van de maaltijden wordt in eerste instantie gekeken of er mogelijk via het sociale netwerk of via voorliggende voorzieningen (kant-en-klaar-maaltijden, maaltijd-aan-huis) of algemene voorzieningen (welzijns- en vrijwilligerswerk) een oplossing kan worden gevonden voor de maaltijdvoorbereiding. Indien al deze mogelijkheden niet tot een oplossing leiden kan een maatwerkvoorziening voor maaltijdvoorbereiding worden ingezet.

 

Deze maatwerkvoorziening wordt ingezet bij kwetsbare inwoners die om uiteenlopende redenen niet in staat zijn om de maaltijd te bereiden of om deze op te warmen met behulp van (bijvoorbeeld) een magnetron. Reistijd wordt niet in de maatwerkvoorziening opgenomen.

Er zijn twee soorten maaltijden:

  • 1.

    Broodmaaltijden: broodmaaltijden smeren, broodmaaltijden klaarzetten, tafel dekken, afwassen of in/uitruimen van de vaatwasmachine (in de regel 15 minuten).

  • 2.

    Warme maaltijden: warme maaltijden bereiden, koken of opwarmen, warme maaltijden klaarzetten, tafel dekken, afwassen of in/uitruimen van de vaatwasmachine (in de regel 30 minuten).

 

In overleg met de cliënt zal gekeken worden naar mogelijkheden om de contactmomenten te combineren.

 

Artikel 20 maatwerkvoorziening kindverzorging

Deze maatwerkvoorziening wordt ingezet bij (kwetsbare) inwoners die tijdelijk de zorg voor een minderjarig kind niet op zich kunnen nemen. Het gaat hier om het overnemen van de dagelijkse zorg voor een kind die door de tijdelijke beperking van de ouders moeten worden overgenomen. Hierbij kan gedacht worden aan het overnemen van de zorg voor een kind na een operatie van de ouder, of na een ziekenhuisopname, wanneer een of beide ouders de zorg tijdelijk niet zelf kunnen geven. Er wordt in eerste instantie gekeken of er mogelijk via het sociale netwerk of via voorliggende voorzieningen of algemene voorzieningen (welzijns- en vrijwilligerswerk) een oplossing kan worden gevonden voor de verzorging van de kinderen.

De Wmo heeft hier vooral een taak om tijdelijk in te springen zodat de ruimte ontstaat om een oplossing te zoeken; acute problemen worden tijdelijk opgelost zodat er gezocht kan worden naar een permanente oplossing.

 

Artikel 21 Maatwerkvoorziening beschermd wonen

Op grond van de Wmo zijn (samenwerkende) gemeenten verantwoordelijk voor het bieden van een maatwerkvoorziening in de vorm van beschermd wonen. Bij beschermd wonen gaat het om het bieden van onderdak en begeleiding van personen die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving. Beschermd wonen is financieel belegd bij de centrumgemeente, de regiogemeenten hebben de centrumgemeente gemandateerd voor de uitvoering.

De regio Holland Rijnland bestaat uit de volgende gemeentes: Alphen aan den Rijn, Hillegom, Kaag en Braassem, Katwijk, Leiden, Leiderdorp, Lisse, Nieuwkoop, Noordwijk, Noordwijkerhout, Oegstgeest Teylingen, Voorschoten en Zoeterwoude.

Aanmelding voor beschermd wonen kan bij de centrale toegang Beschermd wonen van de gemeente Leiden.

 

Beschermd wonen is wonen in een accommodatie van een instelling met daarbij behorend toezicht en begeleiding, gericht op het bevorderen van zelfredzaamheid en participatie, het psychisch en psychosociaal functioneren, stabilisatie van een psychiatrisch ziektebeeld, het voorkomen van verwaarlozing of maatschappelijke overlast of het afwenden van gevaar voor de cliënt of anderen.

Beschermd wonen is bestemd voor personen met psychische en/of psychosociale problemen, die niet in staat zijn zich op eigen kracht te handhaven in de samenleving.

Er moet sprake zijn van een diagnose en/of een advies van een specialist (Big geregistreerd) op gebied van GGZ of Maatschappelijke opvang. Als diagnose niet mogelijk is moet er sprake zijn van aantoonbaar onvermogen om zichzelf staande te houden in een zelfstandige woning.

 

De maatwerkvoorziening Beschermd Wonen gaat om het bieden van onderdak en begeleiding aan personen met een psychische aandoening. Het gaat om personen bij wie op participatie gerichte ondersteuning vanuit een beschermende woonomgeving centraal staat.

Wanneer iemand vanuit beschermd wonen uitstroomt naar zelfstandig wonen, is veelal nog (intensieve) begeleiding nodig.

Er zijn zes categorieën (ZZP 1 t/m 6), ZZP 1 en ZZP 2 worden in de WMO 2015 niet meer verstrekt. Huidige lopende indicaties met deze hoogte blijven bestaan gedurende het overgangsrecht. 

 

Bij de personen binnen Beschermd wonen is er sprake van de volgende algemene hulpvragen:

  • 1.

    Zelfstandig wonen is niet meer of nog niet mogelijk

  • 2.

    Er is rust en structuur nodig

  • 3.

    Er is 24 uurs toezicht of beschikbaarheid van hulp noodzakelijk

De mate van zelfredzaamheid wordt op verschillende leefgebieden getoetst, waarna er een zorgzwaartepakket wordt toegekend.

 

De zorgzwaartepaketten 3 t/m 6 worden ingezet voor zeven etmalen per week met een maximale looptijd van drie jaar.

De toekenning kan afgegeven worden inclusief dagbesteding. Het gaat dan om cliënten waar voorliggende voorzieningen zoals een re-integratie traject via de uitkeringsinstantie niet haalbaar zijn gebleken.

 

De duur van de toekenning

De duur van de toekenning is afhankelijk van:

  • 1.

    De leerbaarheid en het ontwikkelingsperspectief van de cliënt.

  • 2.

    Het ontwikkelingsperspectief en inzetbaarheid van het sociaal netwerk en/of

  • 3.

    Het ontwikkelen/uitbreiden van algemene (welzijns)voorzieningen.

     

Bij herindicatie kan geconstateerd worden dat beschermd wonen niet meer nodig is. Hierdoor kan een kortere indicatie afgegeven worden, zodat er tijd is te zoeken naar een vervolgwoonplek en er daarna (Gespecialiseerde) Begeleiding afgegeven kan worden.

 

ZZP 3

Deze cliënten hebben vanwege een psychiatrische aandoening intensieve begeleiding nodig. Zij hebben een veilige, weinig eisende en prikkelarme woonomgeving nodig die bescherming, stabiliteit en structuur biedt. De begeleiding is met name gericht op het omgaan met de door de diagnose veroorzaakte beperkingen. De zorgverlening is volgens afspraak en direct oproepbaar te leveren.

 

Doelen van de begeleiding:

- Stabilisatie en continuering van de situatie, mogelijk ontwikkelingsgericht.

- Toewerken naar meer zelfstandig wonen (ontwikkelingsgericht)

- Begeleiding bij eventuele achteruitgang

 

ZZP 4

Deze cliënten hebben een complexe psychiatrische aandoening en daardoor intensieve begeleiding nodig. Zij hebben een structuur en toezicht biedende beschermende woonomgeving nodig, die deels een besloten karakter kan hebben (gecontroleerde in- en uitgang). Er is ondersteuning van taken op het merendeel van de levensterreinen nodig inclusief hulp vanwege (somatische) gezondheidsbeperkingen. ZZP 4 kan ook worden ingezet als er geen somatische problemen aan de orde zijn, maar wel meer ondersteuning gewenst is dan bij een ZZP 3.

De zorgverlening is voortdurend in de nabijheid te leveren en ‘nachts direct oproepbaar te leveren.

 

Doelen van de begeleiding

- Stabilisatie en continuering van de situatie

- Toewerken naar meer zelfstandig wonen (ontwikkelingsgericht)

- Beheersbaar houden van gedragsproblematiek en het omgaan met defecten

- Er kan sprake zijn van begeleiding bij achteruitgang

 

ZZP 5

Deze cliënten hebben door een complexe psychiatrische aandoening intensieve zorg en intensieve begeleiding nodig. De woonomgeving moet veel structuur, veiligheid en bescherming bieden, deels gecontroleerde in- en uitgang. Er is ondersteuning en soms overname van taken op alle levensterreinen nodig. Cliënten zijn nauwelijks in staat sociale relaties te onderhouden en de dag in te vullen. Tot deelname aan het maatschappelijk leven is men niet in staat, noch geïnteresseerd. Geen besluitnemings- en oplossingsvaardigheden. Initiëren en uitvoeren van eenvoudige en complexe taken moet vaak worden overgenomen. Ze reizen veelal met begeleiding.

De zorgverlening is voortdurend in de nabijheid te leveren en ‘nachts minimaal direct oproepbaar te leveren. In voorkomende gevallen is 24 uurs aanwezigheid nodig. Indien van toepassing gecontroleerd gebruik van middelen en intensieve begeleiding.

 

Doelen van de begeleiding

- Stabilisatie en continuering van de situatie

- Toewerken naar meer zelfstandig wonen (ontwikkelingsgericht)

- De problematiek wordt getracht onder controle te houden met medicijnen.

- Er kan sprake zijn van begeleiding bij achteruitgang

 

Omschrijving ZZP 6

De cliënten hebben vanwege een complexe psychiatrische aandoening, in combinatie met een somatische aandoening, lichamelijke handicap of verstandelijke beperking, intensieve begeleiding en zorg nodig. De woonomgeving moet veel structuur, veiligheid en bescherming bieden, deels gecontroleerde in- en uitgang. Ook moet de omgeving zijn aangepast aan de beperkingen van de cliënten (b.v. rolstoelgebruik). Er is veelal overname van taken op alle levensterreinen nodig. De cliënten hebben ten aanzien van hun sociale redzaamheid dagelijks intensieve begeleiding nodig, die voortdurend nabij is, met daarnaast een sterk gestructureerde dagindeling. Cliënten zijn nauwelijks in staat sociale relaties te onderhouden en de dag in te vullen.

Tot deelname aan het maatschappelijk leven is men niet in staat, noch geïnteresseerd. Geen besluitnemings- en oplossingsvaardigheden. Initiëren en uitvoeren van eenvoudige en complexe taken moet vaak worden overgenomen. Cliënten reizen met begeleiding. De zorgverlening is 24 uur per dag aanwezig.

 

Doelen van de begeleiding

- Stabilisatie en continuering van de situatie;

- Begeleiding bij achteruitgang;

- Beheersbaar houden van gedragsproblematiek;

- Psychiatrische problematiek onder controle houden met medicijnen en intensieve begeleiding.

 

Overbruggingszorg

Wanneer intramuraal verblijf niet direct beschikbaar is, dan is de gemeente verantwoordelijk voor het bieden van een passend alternatief voor overbruggingszorg in afwachting van de beschikbaarheid van een passende plek Beschermd wonen in een accommodatie van een instelling. Een cliënt kan met een indicatie beschermd wonen op de wachtlijst worden geplaatst. De gemeente zal de wachtlijst gaan beheren.

Een inwoner met overbruggingszorg wordt op de wachtlijst geplaatst. De gemeente en organisaties die beschermd wonen leveren, werken gezamenlijk aan een snelle doorstroom op de wachtlijst met als doel de wachtlijst zo klein mogelijk te houden. De termijn voor overbruggingszorg is 1 jaar.

  

Transitiezorg

Iemand kan in aanmerking komen voor transitiezorg als hij de stap van het wonen in een instelling voor beschermd wonen zet naar (meer) zelfstandig wonen. Soms is de stap of overgang vanuit beschermd wonen naar de ambulante begeleiding in de Wmo niet gemakkelijk te nemen. Transitiezorg is bedoeld om die overgang te vergemakkelijken. In de eerste fase na het wonen in een instelling voor beschermd wonen is er dan de mogelijkheid om transitiezorg in te zetten.

 

Transitiezorg zal ingezet worden als de inschatting is dat directe overgang naar de ambulante begeleiding in de Wmo niet goed mogelijk is. Dit kan het geval zijn als “gewone” ambulante begeleiding te weinig ondersteuning biedt. In deze fase van zelfstandig gaan wonen zal de ondersteuningsbehoefte grillig en vaker niet planbaar zijn dan via de “gewone” ambulante begeleiding. Transitiezorg zal worden geleverd door het dezelfde team van (woon)begeleiders als tijdens het wonen in de instelling. De begeleiding is nog regelmatig aanwezig en kan helpen om de weg te vinden in de nieuwe wijk en nieuwe omgeving, of bij aansluiting bij begeleiding.

 

Transitiezorg wordt afgegeven door de consulenten beschermd wonen op basis van een plan van aanpak bij uitstroom. In dat plan zijn doelstellingen geformuleerd die in het kader van de overgang naar zelfstandig wonen moeten worden behaald om uiteindelijk duurzaam zelfstandig te kunnen blijven wonen. Het plan van aanpak dient te worden opgesteld in afstemming met het lokale sociaal (wijk)team van de gemeente waarin cliënt woont/gaat wonen, dit om warme overdracht naar lokale Wmo te borgen. De consulenten beschermd wonen overleggen met de begeleiders of transitiezorg nodig is bij de overgang naar meer zelfstandig wonen. De intensiteit van de transitiezorg wordt door de BW consulenten bepaald en afgegeven voor de duur van 1 tot 3 periodes van 4 weken met mogelijkheid tot verlenging.

 

Pgb beschermd wonen

Een pgb beschermd wonen kan alleen worden ingezet als de cliënt woont in een wooninitiatief of als er gebruik gemaakt wordt van overbruggingszorg in afwachting van een plek Beschermd wonen.

De cliënt kan het pgb inzetten als het wooninitiatief binnen de grenzen van de regio Holland Rijnland is. De cliënt moet formeel wonen bij het wooninitiatief (basis registratie personen).

 

Wooninitiatief

  • 1.

    In een wooninitiatief wonen minimaal 3 en maximaal 26 bewoners, die een PGB ontvangen voor ten minste de functies Persoonlijke Verzorging en Begeleiding Individueel.

  • 2.

    Doordat zij PGB’s bundelen wordt er gezamenlijk zorg ingekocht.

  • 3.

    De bewoners verblijven op één BRP adres, of op meerdere BRP adressen binnen een straal van 100 meter, waarin ten minste één gemeenschappelijke verblijfsruimte aanwezig is, die geschikt is om de bewoners in de gelegenheid te stellen samen activiteiten te ontplooien.

  • 4.

    Indien een persoon inwoont bij ouders, vertegenwoordigers of andere particuliere personen, dan wordt dit niet beschouwd als een wooninitiatief.

Wanneer een organisatie de resultaatovereenkomst beschermd wonen (zin) heeft ondertekend, kan de organisatie niet diezelfde ondersteuning via een pgb leveren.

 

Beschermd wonen thuis

Een klein aantal (bestaande) cliënten vult het beschermd wonen thuis in. Er is 24-uurs zorg nodig, maar dat wordt in de thuissituatie ingezet. Deze ondersteuning wordt in sommige gevallen (deels) ingevuld via non-professionele ondersteuning. Het gaat hierbij om uitzonderingen.

Aan deze zorg; Beschermd wonen thuis, non-professional, verbindt de gemeente wel voorwaarden:

  • 1.

    er dient altijd ten dele sprake te zijn van de betrokkenheid van een professionele gespecialiseerde begeleider

  • 2.

    toeslag voor de dagbesteding is alleen van toepassing indien deze professioneel en op externe locatie plaatsvindt.

 

Artikel 22 Maatwerkvoorziening Beschut wonen LVB

Beschut wonen LVB gaat om het bieden van (intensieve) woonbegeleiding gericht op specifieke leefgebieden aan personen met een lichte verstandelijke beperking (IQ 50-85 met problemen in de sociale redzaamheid) en een tijdelijke behoefte aan een beschutte woonomgeving (scheiden wonen en zorg of in uitzonderingsgevallen intramuraal), daar waar de Wlz geen toegang geeft.

 

Bij Beschut wonen LVB zijn de volgende elementen van toepassing:

Geheel zelfstandig wonen is (nog) niet mogelijk, groepswonen of geclusterd wonen is wel mogelijk

Er is stabiliteit en structuur nodig

Er is 24 uurs beschikbaarheid van hulp noodzakelijk.

 

De mate van zelfredzaamheid wordt op verschillende leefgebieden getoetst. In ieder geval wordt aan de slag gegaan met het onderdeel wonen, dagbesteding/werk/studie & het zo veel als mogelijk op orde krijgen van het huishoudboekje. Er wordt gewerkt met een modulair opgebouwd pakket, waarbij er begeleid wordt op dié gebieden waar dat verder nodig is. Waar wordt ingeschat dat de Wlz toch passender is, wordt daartoe een aanvraag gedaan met ondersteuning van de dienstverlener. In de eerste fase van Beschut wonen LVB kan (deels) 24 uurs aanwezigheid nodig zijn.

 

Zorg/wonen gescheiden is de hoofdvorm. Alleen indien echt noodzakelijk kan beschut wonen LVB tijdelijk volledig intramuraal worden ingezet.

Er wordt geïndiceerd in drie intensiteiten van woonbegeleiding:

Beschut Wonen LVB licht: 16 tot 24 uur per 4 weken woonbegeleiding;

Beschut Wonen LVB midden: 24 tot 32 uur per 4 weken woonbegeleiding;

Beschut Wonen LVB zwaar: 32 tot 40 uur per 4 weken woonbegeleiding (bedoeld voor uitzonderingsgevallen).

 

Regelmatig (minimaal eens per jaar) wordt gekeken naar het ontwikkelingsperspectief van cliënt en de mogelijkheden bij en na uitstroom uit Beschut wonen LVB.

 

Doelen van de begeleiding

  • -

    Stabilisatie en continuering van de situatie, met name ontwikkelingsgericht; Bij de aanvang van beschut wonen LVB wordt het ontwikkelingsperspectief en de beoogde resultaten voor de cliënt onderzocht en vastgelegd.

  • -

    Beheersbaar houden van en leren omgaan met gedragsproblematiek

     

Hoofdstuk 5 Beschikking maatwerkvoorziening

 

Artikel 23 Beschikking maatwerkvoorziening in natura

In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening is in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura of als pgb wordt verstrekt en wordt tevens aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt. Ook zal worden opgenomen of er sprake is van een te betalen bijdrage en welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is.

 

Bij het verstrekken van een voorziening in natura wordt in de beschikking vastgelegd:

  • 1.

    de te verstrekken voorziening en het beoogde resultaat;

  • 2.

    de ingangsdatum en duur van de verstrekking (maximaal vijf jaar);

  • 3.

    hoe de voorziening in natura wordt verstrekt;

  • 4.

    indien van toepassing welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn;

  • 5.

    welke verplichtingen zijn verbonden aan het verstrekken van de maatwerkvoorziening .

Artikel 24 Beschikking bij persoonsgebonden budget

Bij het treffen van een maatwerkvoorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget

wordt dit bij beschikking bekend gemaakt aan de aanvrager. In deze beschikking wordt vermeld wat de omvang van het persoonsgebonden budget is, voor welke periode, of resultaat, het persoonsgebonden budget bedoeld is en welke verplichtingen er aan zijn verbonden. Indien noodzakelijk (ten minste in complexe situaties) wordt een programma van eisen opgesteld voor de maatwerkvoorziening, dat met de beschikking wordt meegestuurd.

 

In de beschikking wordt de verplichting gesteld dat het persoonsgebonden budget besteed moet

worden aan het resultaat, doel of de activiteit waarvoor het budget is toegekend.

 

De voorziening die de cliënt met het persoonsgebonden budget verwerft, hoeft niet exact dezelfde voorziening te zijn als de voorziening die is beschreven in het programma van eisen, maar het mag geen algemeen gebruikelijke voorziening zijn.

 

Wordt een voorziening aangeschaft die niet aan het programma van eisen voldoet, dan bestaat de mogelijkheid dat de persoon met beperkingen zijn probleem niet volledig compenseert. Voor de daaruit voortvloeiende consequenties is de persoon met beperkingen zelf verantwoordelijk.

 

De cliënt dient een zorgovereenkomst overeen te komen met de zorgverlener. De zorgovereenkomst is een verplicht onderdeel van de verantwoording. Er dient gebruik te worden gemaakt van de standaardovereenkomst van de SVB

 

Voor beschermd wonen gelden de volgende kwaliteitseisen, die in de beschikking zijn opgenomen:

  • 1.

    Er is 24-uurs zorg oproepbaar;

  • 2.

    Zorg wordt geleverd aan de hand van een zorgplan, waarin staat vastgelegd welke doelen de cliënt wil bereiken tijdens de periode dat hij gebruik maakt van beschermd wonen. Deze doelen zijn omschreven in het zorgplan aan de hand van welke zorgactiviteiten plaatsvinden;

  • 3.

    Er is een scheiding tussen de budgethouder van het PGB en de uitvoerende zorgverlener. De budgethouder is financieel verantwoordelijk. De budgethouder legt verantwoording af over het besteedde bedrag aan de gemeente;

  • 4.

    De zorgverlener(s) beschikken over een VOG;

  • 5.

    De cliënt beschikt over een budgetplan, waarin staat vastgelegd bij welke zorgverleners hij de zorg gaat inkopen, het tarief van de zorgverlener en het aantal uren per zorgverlener. Ook geeft de cliënt aan om welke reden hij geen gebruik wil maken van zorgaanbieders die gecontracteerd zijn door de gemeente;

  • 6.

    Indien het gaat om één zorgverlener dan dient de cliënt aan te tonen op welke manier de zorg gewaarborgd kan worden als deze zorgverlener uitvalt.

   

Hoofdstuk 6 Maatwerkvoorziening via persoonsgebonden budget

 

Artikel 25 Maatwerkvoorziening via persoonsgebonden budget

De Wmo 2015 (en de Jeugdwet) geeft gemeenten de verplichting en de mogelijkheid tot het verstrekken van een persoonsgebonden budget. Een persoon die in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening heeft in principe de keuze voor een voorziening in natura of een persoonsgebonden budget. Met het persoonsgebonden budget kan ondersteuning op maat geleverd worden en kan innovatie in het ondersteuningsaanbod worden gestimuleerd.

Het pgb sluit goed aan bij de wensen van cliënten voor het verkrijgen en behouden van een grotere mate van zelfstandigheid, De keuze voor een persoonsgebonden budget dient altijd een bewuste (en vrijwillige) keuze van de aanvrager te zijn. Gemeenten zorgen ervoor dat de aanvrager (en bij minderjarige ook de ouders) wordt geïnformeerd over de mogelijkheid om te kiezen voor een persoonsgebonden budget en de gevolgen van deze keuze. Er is een scheiding tussen de budgethouder van het pgb en de uitvoerende zorgverlener. De zorginstelling of uitvoerende zorgverlener mag niet de financiën rond het pgb beheren om belangenverstrengeling te voorkomen. De budgethouder is financieel verantwoordelijk. Wanneer de persoon niet in staat wordt geacht de regie over het persoonsgebonden budget te voeren, kan het verstrekken van de voorziening in pgb worden geweigerd. Hierbij wordt ook gerekend het beheren van een pgb via het sociale netwerk dan wel via een bewindvoerder, mentor of gemachtigde. De cliënt kan dan de maatwerkvoorziening in natura (blijven) ontvangen,

 

Voor de Wmo geldt dat de aanvrager kan aangeven dat hij de maatwerkvoorziening als persoonsgebonden budget geleverd wenst te krijgen. Het kan daarbij ook gaan om de aard van de hulpvraag, waarbij godsdienstig, levensbeschouwelijke of culturele overwegingen een rol kunnen spelen.

 

In artikel 2.3.6. lid 2 van de Wmo 2015 wordt aangegeven dat als er overwegende bezwaren bestaan tegen het verstrekken van een persoonsgebonden budget, het college geen keuze hoeft te bieden tussen een maatwerkvoorziening in natura en een persoonsgebonden budget.

 

Artikel 26 Het persoonsgebonden budget voor niet-professionele hulp

Het persoonsgebonden budget kan worden ingezet om niet-professionele zorgverleners mee te betalen. Dit kan bijvoorbeeld iemand uit het sociale netwerk van de aanvrager zijn. Er dient altijd rekening gehouden te worden met mogelijke gebruikelijke hulp.

Het betalen van ondersteuning of hulp die gewoonlijk geleverd zou worden uit het sociale netwerk van de cliënt komt niet voor vergoeding in aanmerking. Er zijn situaties die hierop een uitzondering kunnen zijn. Aan de hand van de volgende criteria wordt bepaald of dit het geval is:

  • 1.

    Er moet sprake zijn van zorg die de algemeen gebruikelijke hulp overstijgt.

    Als iemand vanuit het netwerk de ondersteuning gaat bieden, moet dat gepaard gaan met een wijziging in de bestaande situatie, omdat tijdens het gesprek blijkt dat vanuit de bestaande situatie de inzet van het sociale netwerk ontoereikend is. Er is dus extra inzet nodig buiten de inzet die al door het sociale netwerk geleverd wordt.

  • 2.

    De inzet van het sociaal netwerk is (aantoonbaar beter en flexibeler) dan professionele ondersteuning.

    Het uitgangspunt is dat het persoonsgebonden budget voor niet-professionele zorgverleners beperkt moet blijven tot die gevallen waarin dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt. Het belang van de cliënt staat hierbij centraal. Het gaat om argumenten zoals:

    • -

      zorgcontinuïteit: partner of ouder kan zorgen voor permanent toezicht. Een professional kan dit niet.

    • -

      emotionele binding: partner, ouder of andere familie/kennis heeft een emotionele band. Ditdraagt bij aan de effectiviteit van de ondersteuning/hulp.

    • -

      veiligheid: hulp of zorg in de eigen leefomgeving door ouder, partner of andere familie/kennis is vertrouwd en veilig en draagt daarmee bij aan de resultaten in het arrangement of de beschikking.

    • -

      praktische reden: partner of ouder kan taken flexibel combineren die anders door meerdere professionals op verschillende tijdstippen/locaties worden uitgevoerd.

  • 3.

    De ondersteuning moet passend, adequaat en veilig zijn.

    Als iemand vanuit het sociale netwerk de ondersteuning gaat bieden, moet diegene wel de juiste vaardigheden hebben. Tijdens het gesprek wordt besproken of een persoon in staat is om de ondersteuning te bieden. Vanwege het specialistische karakter van de categorieën begeleiding speciaal (individueel en groep), kortdurend verblijf en beschermd wonen is niet professionele zorg hierin in principe niet passend.

  • 4.

    Het netwerk moet zich bewust zijn van de consequenties.

    De persoon die vanuit het netwerk de ondersteuning biedt moet zich bewust zijn van de verantwoordelijkheid die hij, mogelijk langdurig, op zich neemt. Vraag die daarbij gesteld moet worden is, kan de degene die de hulp levert een keer overslaan als hij ziek is of op vakantie gaat, en hoe wordt de hulp dan geleverd?

  • 5.

    Geen persoonsgebonden budget bij dreigende overbelasting.

    Wanneer ondersteuning wordt ingezet in situaties waarin sprake is van (dreigende) overbelasting, zal zorgvuldig gekeken worden of het inzetten van persoonsgebonden budget de juiste oplossing is.

 

Artikel 27 Omvang van het persoonsgebonden budget

Het persoonsgebonden budget voor maatwerkvoorzieningen dient in beginsel toereikend en vergelijkbaar te zijn met een voorziening in natura.

Het persoonsgebonden budget voor de maatwerkvoorziening in de vorm van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en hulpmiddelen wordt vastgesteld op maximaal het niveau van de kosten van de maatwerkvoorziening als de maatwerkvoorziening in natura zou worden verstrekt.

De kosten van de maatwerkvoorziening bij verstrekking in natura worden bepaald op basis van contracten die met leveranciers zijn afgesloten en worden zoveel mogelijk opgenomen in het financieel besluit. Als er voor de maatwerkvoorziening geen contract is afgesloten dan worden de kosten bepaald op basis van een door de gemeente op te vragen offerte. Voor zover van toepassing, worden bij het persoonsgebonden budget voor de maatwerkvoorziening zelf bedragen gesteld voor het onderhoud en de verzekering. Deze bedragen worden als aparte componenten vastgesteld. Bij vervoersvoorzieningen en bij hulpmiddelen dient iemand zelf een contract af te sluiten voor verzekring en onderhoud van de voorziening, het bedrage hiervoor is in het pgb tarief opgenomen.

 

Voor woonvoorzieningen wordt in principe geen budget toegekend voor onderhoud en verzekering. Hier zijn uitzonderingen mogelijk zoals de onderhoudskosten van een traplift of een plafondlift. Het gaat daarbij om voorzieningen waarbij de gemeente verplicht is om de technische staat te keuren en te onderhouden. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor deze kosten is dan gelijk aan de kosten voor onderhoud van een voorziening in natura. Voor roerende woonvoorzieningen worden na toestemming vooraf, op declaratiebasis, reparatiekosten toegekend.

 

Bij maatwerkvoorzieningen in de vorm van vervoersvoorzieningen en bij hulpmiddelen wordt voor verzekering een budget toegekend dat tenminste gelijk is aan de prijs die de leverancier waarmee een contract is afgesloten in rekening brengt.

 

Voor de maatwerkvoorzieningen huishoudelijke ondersteuning en begeleiding is de hoogte van het persoonsgebonden budget per resultaat vastgelegd in het vigerende financieel besluit maatschappelijke ondersteuning. De hoogte van het persoonsgebonden budget wordt bepaald aan de hand van het te bereiken resultaat. Voor dit persoonsgebonden budget geldt dat het budget per kalenderjaar wordt vastgesteld. Daarnaast geldt dat reiskosten alleen vergoed worden indien dit onderdeel uitmaakt van het resultaattarief.

 

Huishoudelijke ondersteuning en begeleiding worden toegekend voor het hoofdverblijf in de gemeente. Bij verblijf van drie maanden of langer in een recreatiewoning of in het buitenland, wordt geen budget toegekend voor deze periode.

 

Er wordt onderscheid gemaakt tussen non-professionele hulp ,(niet beroepsmatige hulp die wordt geleverd door mensen uit de eigen omgeving of het eigen netwerk), een tarief voor professionele hulp die wordt geleverd door een ter zake kundig gediplomeerde zelfstandige zonder personeel (zzp-er) of eenmansbedrijf en professionele hulp die wordt ingekocht bij een zorginstelling, en In de regel wordt voor maatwerkvoorzieningen de volgende gedifferentieerde tariefstelling gehanteerd:

Non- professional (informeel)

50% van het tarief dat bij zorg in natura wordt gehanteerd

Professional (zzp)

80% van het tarief dat in zorg in natura wordt gehanteerd

Professional (instelling)

90% van het tarief dat in zorg in natura wordt gehanteerd

Non-professionele zorg wordt verleend door mensen die niet beroeps- of bedrijfsmatig zorg verlenen.

Het tarief voor professionele hulp die wordt geleverd door een ter zake kundig gediplomeerde zzp-er (zzp tarief) wordt verleend door een persoon die beroepsmatig is gekwalificeerd voor de betreffende ondersteuning en bij de Belastingdienst en kamer van Koophandel staat geregistreerd als zelfstandige, eenmansbedrijf of freelancer.

Het tarief voor professionele hulp die wordt geleverd door zorginstelling (instellingstarief) wordt geleverd door gekwalificeerd personeel dat in loondienst is bij een erkende zorginstelling, waarbij de bij de sector behorende cao nageleefd wordt, In dit tarief is rekening gehouden met de werkgeverslasten die gebruikelijk zijn voor een dergelijke zorginstelling.

 

Wanneer het persoonsgebonden budget duurder is dan de voorziening in natura, wordt alleen een budget verstrekt ter hoogte van de kosten van de natura-voorziening (of het bedrag dat voor de betreffende maatwerkvoorziening is opgenomen in het financieel besluit ). De inwoner kan dan de extra kosten zelf bijbetalen.

 

Voor het persoonsgebonden budget geldt dat:

  • 1.

    het persoonsgebonden budget niet aangewend kan worden voor een feestdagenuitkering;

  • 2.

    er geen eenmalige uitkeringen uit het persoonsgebonden budget gedaan kunnen worden;

  • 3.

    bemiddelingskosten niet vergoed kunnen worden vanuit een persoonsgebonden budget;

  • 4.

    er geen aparte reiskosten kunnen worden gedeclareerd.

  • 5.

    er een vrij besteedbaar bedrag van 250 euro kan worden toegekend.

Artikel 28 Kwaliteit van het persoonsgebonden budget

De budgethouder heeft zelf de regie over de ondersteuning die hij met het persoonsgebonden budget contracteert of inkoopt. Daarmee krijgt hij de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de geleverde ondersteuning en kan hij zo nodig bijsturen. Voor de ondersteuning die ingekocht wordt met een persoonsgebonden budget gelden dezelfde kwaliteitscriteria als voor maatwerkvoorzieningen in natura.

Het college kan voor- of achteraf toetsen of de veiligheid en doeltreffendheid voldoende is gegarandeerd. De kwaliteitseisen die gelden voor ingekochte ondersteuning in natura kunnen niet 1 op 1 worden toegepast. Bij het beoordelen van de kwaliteit weegt mee of diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt. De aanvrager dient inzichtelijk te maken:

  • 1.

    waar hij zijn ondersteuning zal inkopen;

  • 2.

    op welke manier deze ondersteuning bijdraagt aan zijn participatie en zelfredzaamheid;

  • 3.

    hoe de veiligheid en doeltreffendheid van ondersteuning is gewaarborgd.

Voor beschermd wonen geldt dat wanneer een nieuw pgb gefinancierd wooninitiatief start, de gemeente pas overgaat tot het verstrekken van een pgb voor deze maatwerkvoorziening wanneer de kwaliteit van het initiatief met de gemeente is afgestemd. Indien een wooninitiatief niet of niet meer voldoet aan de kwaliteitseisen, zal een verbeterplan worden opgesteld. Wanneer niet kan worden voldaan aan het verbeterplan, zal het pgb niet meer kunne worden ingezet bij het betreffende wooninitiatief.

Artikel 29 Betaling van het persoonsgebonden budget; trekkingsrecht

In de Wmo 2015 is sprake van trekkingsrecht. Trekkingsrecht wil zeggen dat de gemeente het persoonsgebonden budget niet op de bankrekening van de budgethouder stort, maar op de rekening van het servicecentrum PGB van de Sociale Verzekeringsbank (SVB). De budgethouder laat via declaraties of facturen aan de SVB weten of de ondersteuning is geleverd en de SVB zorgt vervolgens voor de uitbetaling van de zorgverlener. Het niet volledig besteedde persoonsgebonden budget wordt door de SVB na afloop van de verantwoordingsperiode terugbetaald aan de gemeente. Het trekkingsrecht is niet aan de orde bij eenmalige pgb’s. Na ontvangst van de gegevens en de goedgekeurde zorgovereenkomst zal de SVB op basis van declaratie tot betaling overgaan. De klant dient vervolgens facturen in bij de SVB. Door het trekkingsrecht is het voor cliënten niet meer mogelijk om te betalen via een automatische incasso. Wanneer aanbieders hiervoor extra kosten rekenen mogen deze kosten worden voldaan vanuit het persoonsgebonden budget.

 

Artikel 30 Eenmalige uitkering voor materiele voorzieningen

Wanneer er sprake is van een persoonsgebonden budget voor materiele maatwerkvoorzieningen in de vorm van eenmalige uitkering voor een woonvoorziening, individuele vervoersvoorziening en rolstoel levert de persoon met beperkingen binnen twaalf maanden een aankoopverplichting aan bij de gemeente. De betaling van het budget vindt plaats na aanlevering van het bewijs van aankoop, een onderhoudscontract en - indien van toepassing - een verzekeringsbewijs. De component voor de voorziening wordt in één keer volledig uitbetaald; de componenten voor het onderhoud en de verzekering worden betaald in jaarlijkse termijnen.

 

Artikel 31 Verantwoording van het persoonsgebonden budget

Voor Begeleiding, Huishoudelijke ondersteuning en beschermd wonen vindt de controle van het persoonsgebonden budget in principe plaats via de Sociale Verzekeringsbank. De SVB betaalt op declaratiebasis het persoonsgebonden budget uit aan de in de zorgovereenkomst benoemde persoon of zorgverlenende organisatie. Voor andere voorzieningen voert de gemeente de controle uit. Declaratie vindt plaats op basis van een van de volgende stukken (afhankelijk van de voorziening):

  • 1.

    de nota/factuur van de aangeschafte voorziening;

  • 2.

    het betalingsbewijs van aanschaf van de voorziening;

  • 3.

    het bewijs van verzekering van de voorziening – indien van toepassing;

  • 4.

    het onderhouds- en reparatiecontract voor de voorziening;

  • 5.

    een overzicht van de salarisadministratie met bewijsmiddelen;

  • 6.

    de met de zorgverlener overeengekomen zorgovereenkomst.

 

De gemeente kan daarnaast steekproefsgewijs onderzoeken of het persoonsgebonden budget rechtmatig wordt besteed en wordt gebruikt om het resultaat, zoals omschreven in de beschikking, te realiseren. Blijkt bij controle dat het budget is besteed aan het doel of de activiteit waarvoor het is toegekend, dan hoeft er niets te worden terugbetaald. Is het persoonsgebonden budget anders besteed dan bedoeld, dan kan het college het persoonsgebonden budget geheel of gedeeltelijk terugvorderen. Daarbij wordt in redelijkheid en billijkheid gehandeld.

  

Hoofdstuk 7 Bijdrage in de kosten van een maatwerkvoorziening en algemene voorziening

 

Artikel 32 Regels voor bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen

  • 1.

    Een cliënt is voor een maatwerkvoorziening een bijdrage verschuldigd, met uitzondering van een rolstoel en van hulpmiddelen voor kinderen tot 18 jaar.

  • 2.

    Een cliënt is geen bijdrage verschuldigd voor een tegemoetkoming in meerkosten.

  • 3.

    Een cliënt is geen bijdrage verschuldigd voor een woningaanpassing in gemeenschappelijke ruimten.

  • 4.

    Een cliënt is voor woonvoorzieningen met een kostprijs onder de in het vigerend financieel besluit maatschappelijke ondersteuning opgenomen bedrag, geen bijdrage verschuldigd.

  • 5.

    De bijdrage voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget is ten hoogste gelijk aan de maximale bijdrage die mogelijk is op grond van het Uitvoeringsbesluit, waarbij geldt dat zij nooit hoger is dan de kostprijs van de voorziening.

  • 6.

    De kostprijs van een maatwerkvoorziening is gelijk aan de prijs waarvoor de gemeente de maatwerkvoorziening afneemt of aanschaft van een (gecontracteerde) aanbieder, inclusief de bijkomende kosten.

  • 7.

    Voor de bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening wordt de eigenbijdrage-systematiek van het CAK gevolgd.

  • 8.

    De bijdrage inzake toekenning van een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt is met inachtneming van het bepaalde in artikel 2.1.5 van de wet verschuldigd door:

    • a.

      de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en

    • b.

      degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een cliënt.

  • 9.

    Het college brengt de bijdrage voor de volgende periode in rekening:

    • a.

      voor dienstverlening: zolang de toekenning voor de dienstverlening niet is ingetrokken en er in een periode ondersteuning is geboden.

    • b.

      voor een voorziening in natura, anders dan onder a: zolang de cliënt gebruik maakt van of in het bezit is van de voorziening, en waar van toepassing tot maximaal de kostprijs van een eenmalig (pgb) verstrekte voorziening.

    • c.

      bij een periodieke verstrekking van een persoonsgebonden budget: over iedere periode waarover een persoonsgebonden budget is verstrekt.

    • d.

      voor kortdurend verblijf, per periode. 

 

De bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen zijn gelimiteerd tot een bedrag gelijk aan de kostprijs van de voorziening (artikel 2.1.4, derde lid, eerste zin, van de wet) en in het financieel besluit maatschappelijke ondersteuning 2015 worden regels vastgesteld met betrekking tot deze bijdragen (artikel 2.1.4, vierde lid, van de wet). De bijdrageregels in het financieel besluit moeten passen binnen de kaders die het Uitvoeringsbesluit maatschappelijke ondersteuning stelt.

Het sociaal wijkteam zal oog hebben voor de stapeling van bijdragen, inclusief de bijdragen voor de algemene voorziening.

  

Hoofdstuk 8 Kwaliteitseisen aanbieders maatschappelijke ondersteuning

Onder kwaliteitsinstrumenten verstaan we begrippen als richtlijnen, standaarden, samenwerkingsafspraken, protocollen en productbeschrijvingen die tot doel hebben de ondersteuning voor de inwoner te optimaliseren.

 

Artikel 33 Klantervaringsonderzoek

Jaarlijks dienen gemeenten uitvraag te doen naar de ervaringen van cliënten (i.p.v. meten van tevredenheid) die maatschappelijke ondersteuning hebben ontvangen. De ministeriële regeling geeft nadere regels over de inrichting van het onderzoek. Het onderzoek is bedoeld om te meten hoe cliënten de aan hen geboden maatschappelijke ondersteuning ervaren en geeft de gemeente input voor de lokale beleidscyclus.

 

Artikel 34 Contractmanagement Wmo

De gemeente Leiden heeft het contractbeheer van de Wmo uitbesteed aan Servicepunt71. Zij bewaakt namens de Leidse regio de uitnutting van de contracten en ziet toe op het nakomen van de contractafspraken door de aanbieders en gemeente. Kwaliteitseisen zijn een onderdeel van de contracten. Servicepunt71 werkt pro-actief door bijvoorbeeld voortgang van het contract te meten en in gesprek te zijn met de leveranciers over de uitvoering van de contracten. Contractbeheer werkt ook re-actief door bij wanprestatie verbetertrajecten te initieren en monitoren en eventueel boetes op te leggen.

 

Artikel 35 Klachten en bezwaren

Uitgangspunt is het voorkomen van klachten en bezwaren en het voorkomen van juridisering wanneer klachten of bezwaren zich voordoen. Klachtbehandeling is laagdrempelig en informeel met oog voor maatwerk en persoonlijk contact.

Voor de afhandeling van klachten hanteert de gemeente de volgende route:

  • 1.

    Klachtafhandeling bij de behandelend persoon (aanbieder, sociaal wijkteam). Als een cliënt een klacht heeft zal betrokkene eerst in gesprek gaan met de desbetreffende organisatie. Dit gesprek met de cliënt is er op gericht om tot overeenstemming te komen.

  • 2.

    Klachtafhandeling bij de direct leidinggevende van de betreffende organisatie, als stap 1 niet naar wens is afgerond.

  • 3.

    Klachtafhandeling bij de gemeente (sociaal wijkteam/backoffice).

  • 4.

    Klachtafhandeling bij de gemeente : Om in deze situatie en/of bij conflict met een zorgverlener cliënten de mogelijkheid te bieden hun klacht kenbaar te maken, is er de mogelijkheid om een klacht in te dienen bij de gemeente. Dit kan schriftelijk of digitaal via de website van de gemeente. De klacht wordt dan opgepakt door een onafhankelijk klachtenambtenaar. Uitgangspunt is dmv mediation en mondeling horen klachten af te handelen. De klachtenambtenaar zorgt voor registratie, toetsing en afhandeling van de klachten. De procedure die hierbij gehanteerd wordt is conform het klachtenreglement gemeente Leiden 2013.

  • 5.

    Hierna staat nog de mogelijkheid open een klacht in te dienen bij de Nationale Ombudsman (tweedelijns voorziening)

 

Een klacht betreft geen bezwaar. Een bezwaarschrift naar aanleiding van een beschikking wordt ter behandeling voorgelegd aan de Commissie voor de bezwaarschriften. Ook in de werkwijze bij behandeling van bezwaren kan mediation een belangrijke rol vervullen.

Artikel 36 Toezichthoudende ambtenaar

De gemeente is verplicht een toezichthoudend ambtenaar aan te stellen. Deze functie wordt binnen de Leidse regio gezamenlijk opgepakt. De functie van toezichthoudend ambtenaar wordt uitgevoerd door de RDOG.

De toezichthoudende ambtenaar moet toezien dat de uitvoering van de taken door aanbieders aan de kwaliteitsvereisten voldoet, het zogenaamde risico gestuurde toezicht. Het gaat hier niet (alleen) om controleren, maar juist ook om het monitoren en in gesprek zijn over de kwaliteit. Toezicht houden betekent ook tijdig signaleren van factoren die de kwaliteit van de dienstverlening en ondersteuning negatief kunnen beïnvloeden.

 

Daarnaast hoort tot de taak van de toezichthoudend ambtenaar het zogenaamde calamiteiten toezicht. Aanbieders zijn ingevolge de Wmo 2015 verplicht een eventueel bij hen opgetreden calamiteit te melden aan de toezichthouder. De toezichthouder zal na een opgetreden calamiteit onderzoek verrichten naar de oorzaken die hebben geleid tot de calamiteit. Dit onderzoek is er vooral op gericht om aanbevelingen te kunnen doen waarmee in de toekomst de kans op het optreden van een dergelijke calamiteit wordt verkleind.

 

Artikel 37 Onafhankelijke vertrouwenspersoon

Indien het contact met de gemeente in het kader van Werk & Inkomen, Jeugdzorg of Zorg en Welzijn (Wmo) niet naar wens verloopt, kunnen inwoners terecht bij een onafhankelijk vertrouwenspersoon.

Ook inwoners met vragen over de dienstverlening kunnen hier terecht. De vertrouwenspersonen werken bij een onafhankelijke, landelijke organisatie op het gebied van klachten en advies, die los staat van de gemeente en andere Leidse organisaties.

 

De vertrouwenspersonen:

  • 1.

    luisteren naar probleem en/of klacht

  • 2.

    beantwoorden vragen

  • 3.

    leggen uit hoe instanties en procedures werken en vertellen welke rechten inwoners hebben

  • 4.

    zoeken samen naar een oplossing voor de ontstane problemen met een instantie

  • 5.

    helpen bij het bespreekbaar maken van klachten, bijvoorbeeld door te ondersteunen bij het schrijven van een klachtbrief of door mee te gaan naar klachtgesprekken.

 

De vertrouwenspersonen ondersteunen tijdelijk. Zij richten zich op het herstellen van de communicatie tussen de inwoner en de dienstverlener zodat het contact met bijvoorbeeld de sociale wijkteams weer gewoon voortgezet kan worden.

  

Hoofdstuk 9 Overige bepalingen

 

Artikel 38 16-27 jarigen

Jongvolwassen in de leeftijd van 16 tot 27 jaar die kampen met de volgende problematiek kunnen in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening: problemen op het gebied van wonen, school en/of werk, tekorten op het gebied van zowel sociale als praktische vaardigheden, moeite met leefritme en bijbehorende discipline, gebrekkig sociaal netwerk.

 

Zorgcontinuïteit geboden door JGT en SWT

Er wordt in Leiden geen harde kalenderleeftijd gehanteerd bij ondersteuning die direct door het JGT of SWT geboden wordt. Zo kan het dus voorkomen dat een jongere ouder dan 18 door het JGT ondersteund wordt, maar ook dat het SWT een 17-jarige ondersteunt (omdat de vraag niets met jeugdhulp te maken heeft). Veelal hebben jongeren in een kwetsbare positie ook problemen binnen verschillende leefdomeinen. Korte lijnen tussen medewerkers van project JA, onderwijs, specialistische aanbieders, beschermd wonen, Het JGT en het SWT zijn dan ook cruciaal. Hoewel het gebruik van het Perspectiefplan met name relevant is indien (1 of meerdere) specialistische hulpverleners bij een jongere betrokken zijn, is het gebruik van het Perspectiefplan ook bij de algemeen toegankelijke voorzieningen helpend. Jongeren krijgen zo op een gestructureerde wijze meer inzicht in wat er nodig is, en mocht er in de toekomst zwaardere hulp nodig zijn om doelen te bereiken, dan kan teruggevallen worden op het Perspectiefplan. Administratieve druk en inhoudelijke vraag zijn hierin steeds een afweging. Het oordeel en deskundigheid van de betrokken JGT’er en SWT’er is hier bepalend.

 

Zorgcontinuïteit specialistische aanbieders en gebruik van het Perspectiefplan

Iedere jeugdige die al in jeugdhulp is, wordt door de betreffende aanbieder tijdig voorbereid op de achttiende verjaardag: jeugdhulpaanbieders in Holland Rijnland zijn verplicht om uiterlijk bij 17,5 jaar, samen met de jongere en betrokken vervolgaanbieders een Perspectiefplan opgesteld te hebben. In dit plan worden alle relevante leefdomeinen opgenomen, van werk of school tot financiën, zorg en welzijn, inclusief mogelijke vervolgtrajecten. Dit plan heeft als doel zorgcontinuïteit beter te regelen, en zorgt er daarnaast voor dat jongeren goed voorbereid zijn op alle veranderingen en verplichtingen als zij achttien worden. Bij een goed en volledig gebruik van het Perspectiefplan, d.w.z. waarbij relevante vervolgpartijen zoals beschermd wonen, SWT en Wmo aanbieders van meet af aan betrokken zijn, vervangt dit een Wmo-toets. Dit voorkomt een extra loket, het opnieuw vertellen van het verhaal, en het risico dat een jongere afhaakt en zorg gaat mijden. Tevens werkt dit efficiënter en kost minder tijd en administratieve handelingen door aanbieders. De invulling van de voort te zetten Wmo-begeleiding is zowel afhankelijk van de mogelijkheden van de aanbieder(s), als van de behoefte van de jongere.

 

Verlengde jeugdhulp

Het gaat hier om ondersteuning die niet op grond van de ZvW, Wmo of Wlz geboden kan worden. Dit dient dan ook eerst door aanbieders uitgesloten te worden. Verlengde jeugdhulp kan bijvoorbeeld gaan om pleegzorg, opvoedondersteuning, of pedagogische gezinsbegeleiding. Deze hulp kan maximaal doorlopen tot een jongere 23 jaar is. Verlengde jeugdhulp wordt geboden binnen het met Holland Rijnland afgesproken budgetplafond van gecontracteerde specialistische jeugdhulpaanbieders en kan plaats vinden in de volgende drie gevallen:

  • 1.

    De jongere ontving voor zijn 18e al jeugdhulp en het is nodig dat deze doorloopt;

  • 2.

    De jongere kreeg voor zijn 18e nog geen hulp, maar het jeugd- en gezinsteam heeft samen met cliënt en aanbieder voor de 18e verjaardag bepaald dat dit vanaf het 18e jaar nodig is;

  • 3.

    De jongere kreeg voor zijn 18e hulp en is gestopt, maar specialistische jeugdhulpaanbieder bepaalt samen met het jeugd- en gezinsteam dat hervatting nodig is. De hulp moet binnen 6 maanden worden hervat.

     

Indien een gecontracteerde jeugdhulpaanbieder buiten het vastgestelde budgetplafond verlengde jeugdhulp in wenst te zetten, dan dient daarvoor een verzoek te worden ingediend bij de Tijdelijke Werk Organisatie (TWO) Jeugdhulp Holland Rijnland.

 

Overzetten Pgb-jeugd in volwassen pgb

Jeugd- en gezinsteams (JGT’s) geven pgb beschikkingen af tot het 18e jaar. Soms is het wenselijk dat ondersteuning nog even doorloopt. Met andere woorden: de ondersteuningsvraag is nog aanwezig als iemand achttien wordt. De begeleiding kan dan doorlopen. Wel moet het jeugd-pgb worden omgezet naar een pgb voor volwassenen. De inhoudelijke afweging is hierin leidend. Afspraken naar overgang volwassen ondersteuning zullen gemaakt moeten worden. Afstemming tussen de cliënt, het SWT en JGT is dan ook van belang. Er zijn afspraken gemaakt zodat voor betrokken partijen in de uitvoering helder is wat te doen als een jongere achttien wordt:

  • a.

    De zorg is al bekend is bij het JGT, en JGT voert het gesprek met de jongere/de ouders, samen en/of afgestemd met het betrokken SWT.

  • b.

    Indien het een nieuwe zorgvraag betreft, behandelt het SWT de aanvraag.

     

Artikel 39 Mantelzorgwaardering

Mantelzorg is zorg die wordt gegeven aan een zorgvrager door iemand uit diens directe omgeving. Het gaat dan om onbetaalde:

  • 1.

    ondersteuning die huisgenoten, familie, vrienden, kennissen, collega’s en buren verlenen en die voortkomt uit onderlinge relaties; het gaat dus niet om hulp als gevolg van een beroep of georganiseerd vrijwilligerswerk;

  • 2.

    ondersteuning die mensen geven vanwege gezondheidsproblemen of beperkingen tot in een terminale fase;

  • 3.

    ondersteuning die varieert van huishoudelijke ondersteuning, persoonlijke verzorging tot begeleiding;

  • 4.

    ondersteuning die in principe langer dan 3 maanden en meer dan 8 uur per week wordt verleend en die boven de gebruikelijke hulp uitstijgt in zwaarte, duur en/of intensiteit.

 

De gemeente Leiden heeft grote waardering voor de enorme inzet van mantelzorgers in de stad. Om mantelzorgers te bedanken voor hun goede zorgen voor een Leidse inwoner stelt de gemeente Leiden jaarlijks een VVV-bon beschikbaar. Verder organiseert Eva tweemaal per jaar een uitje als waardering, zoals bijvoorbeeld een boottochtje, film- of theateravond of thema avond.

 

Een mantelzorger komt in aanmerking voor mantelzorgwaardering, als deze meer dan 8 uur per week en langer dan 3 maanden achtereen iemand ondersteunt met de algemene dagelijkse levensbehoeften. De zorgontvanger dient in de gemeente Leiden te wonen. De mantelzorger kan buiten Leiden wonen. De zorgontvanger kan via het expertisebureau Mantelzorg Eva de mantelzorgwaardering voor zijn/haar mantelzorger aanvragen.

 

Artikel 40 Financiële tegemoetkoming meerkosten

Naast het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura of een persoonsgebonden budget bestaat de mogelijkheid om, als alternatief voor een maatwerkvoorziening, een financiële tegemoetkoming te verstrekken. Voor een financiële tegemoetkoming wordt een beschikking op cliëntniveau afgegeven. In de beschikking worden de voorwaarden aan financiële tegemoetkoming opgenomen.

 

Aantoonbare meerkosten

Het college kan op basis van de verordening maatschappelijke ondersteuning 2015 (artikel 17) een financiële tegemoetkoming verstrekken ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de participatie aan inwoners die, als gevolg van een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen, aantoonbare of aannemelijke meerkosten hebben, die met de beperking of de chronische psychische of psychosociale problemen verband houden. Tijdens het gesprek met de burger zal aangetoond moeten worden of er sprake is van aannemelijke meerkosten. Het kan hierbij gaan om een verhuizing die door plotseling optredende beperkingen eerder plaatsvindt of kosten door het sporten met een beperking. Ook het meergebruik van de auto als gevolg van een beperking kan meerkosten met zich meebrengen.

 

Subsidieerbare meerkosten

Een financiële tegemoetkoming kan in ieder geval worden verstrekt voor de hiernavolgende meerkosten in verband met:

  • a.

    gebruik eigen of in bruikleen verstrekte gesloten buitenwagen, auto of autobus;

  • b.

    verhuis- en inrichtingskosten;

  • c.

    een rolstoelvoorziening voor sportbeoefening.

De tegemoetkoming wordt rechtstreeks uitbetaald aan de cliënt. De hoogte van de financiële tegemoetkoming is een vast bedrag en is opgenomen in het vigerende financieel besluit maatschappelijke ondersteuning. De financiële tegemoetkoming wordt betaalbaar gesteld op declaratiebasis.

 

Geen aantoonbare meerkosten

In sommige gevallen gebruiken mensen al jaren voorzieningen en vragen zij bij het optreden van een beperking voorzieningen aan, die in hun situatie kan leiden tot de conclusie dat het optreden van beperkingen geen meerkosten met zich meebrengt.

Bijvoorbeeld bij mensen die al jaren in een eigen auto rijden en na het optreden van beperkingen een financiële tegemoetkoming aanvragen voor het gebruik van de eigen auto. Er hoeft in die situaties geen financiële tegemoetkoming toegekend te worden voor het ontstane probleem omdat er feitelijk geen verandering optreedt in het vervoerspatroon en er dus geen sprake is van meerkosten.

 

Financiële tegemoetkoming: Verhuis- en herinrichtingkosten

Een verhuiskostenvergoeding kan verstrekt worden wanneer er sprake is van ondervonden belemmeringen bij het normale gebruik van de woning, die door middel van een verhuizing op de goedkoopst-compenserende wijze kunnen worden opgelost.

De verhuiskostenvergoeding is bedoeld als goedkoopst-compenserend alternatief voor een (dure) woningaanpassing in gevallen waarin die verhuizing niet algemeen gebruikelijk is, gelet op leeftijd, gezins- of woonsituatie. Verhuizingen wegens gezinsuitbreiding of om als jongvolwassene zelfstandig te gaan wonen zijn in beginsel algemeen gebruikelijk, evenals voorspelbare verhuizingen van senioren. De verhuiskostenvergoeding is een tegemoetkoming in de meerkosten van verhuizing.

Er wordt tevens geen verhuiskostenvergoeding verstrekt voor verhuizingen naar woningen die niet geschikt of bestemd zijn voor permanente bewoning. Of niet geschikt zijn voor de specifieke situatie van de cliënt.

Het college verstrekt in beginsel geen verhuiskostenvergoeding indien de verhuizing heeft plaatsgevonden voordat op de aanvraag is beschikt, tenzij achteraf alsnog kan worden vastgesteld dat er problemen bij het normale gebruik van de woning werden ondervonden in de verlaten woning.

 

Financiële tegemoetkoming: Sportrolstoel

Indien belanghebbende actief en frequent sport, en/of lid is van een gehandicaptensportvereniging, kan deze voor een sportrolstoel in aanmerking worden gebracht indien belanghebbende zonder sportrolstoel, op grond van de beperkingen, niet in staat is tot sportbeoefening.

 

Verstrekking van een sportrolstoel vindt plaats in de vorm van een financiële tegemoetkoming. Het bedrag waarmee voor een periode van 3 jaar een sportrolstoel aangeschaft en onderhouden kan worden, wordt gezien als meerkosten ten opzichten van een persoon zonder beperkingen die sport beoefent. Betaling vindt plaats aan belanghebbende zelf of rechtstreeks aan de leverancier van de sportrolstoel na overlegging van de definitieve nota.

Indien de kosten van de gekozen rolstoel de gemaximeerde vergoeding overschrijden, dient aanvrager de meerkosten zelf te betalen.

Na afloop van de periode van 3 jaar, volgt geen automatische vervanging van de sportrolstoel, maar zal, bij het verzoek tot vervanging, een beoordeling plaatsvinden van de technische staat van de sportrolstoel. Afhankelijk daarvan wordt al dan niet overgegaan tot verstrekking van een nieuwe gemaximeerde vergoeding.

 

Topsport zal net als bij niet-gehandicapten, vaak hogere uitgaven vergen voor sporthulpmiddelen en vanuit de Wmo vindt hiervoor geen vergoeding plaats. Topsport zal vaak een beroep op sponsoring noodzakelijk maken en dit uitgangspunt geldt ook voor de elektrische sportrolstoel. Recreatieve activiteiten worden niet onder sport gerekend.

 

Artikel 41 Meldcode

De gemeente heeft een meldcode waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling wordt omgegaan en die er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden. De gemeente bevordert de kennis en het gebruik van de meldcode.

 

Artikel 42 Privacy

Een van de uitgangspunten van de decentralisaties is dat de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende voorop staat. Wanneer een belanghebbende een beroep doet op hulp, is een logisch gevolg dat er gegevens worden verwerkt. Echter de belanghebbende heeft zelf de regie over zijn of haar gegevens. Eventuele uitwisseling van gegevens vindt niet zomaar plaats, dit is altijd met medeweten van de belanghebbende. Hiervoor is een open en heldere communicatie tussen de gemeente en de belanghebbende nodig.

 

Voor het werken met toestemming zijn drie stappen van belang:

1. Bepaal de noodzaak

De eerste vraag die elke medewerker zich moet stellen voor hij of zij gegevens verwerkt is: welke gegevens zijn noodzakelijk om het doel te bereiken?

Het maken van die afweging kan het beste gebeuren aan het begin en eind van elke fase in het werkproces. Dat is een natuurlijk moment om met de belanghebbende te concluderen wat de vervolgstappen zullen zijn en welke gegevens daarvoor noodzakelijk zijn om op te vragen. Het is daarbij van belang om gegevens die opgevraagd moeten worden bij professionals met een (medisch) beroepsgeheim, apart te vermelden en te motiveren. In alle gevallen geldt het uitgangspunt, dat als met minder gegevens, of minder diepgaande gegevens kan worden volstaan, dat altijd de voorkeur heeft.

2. Transparantie

Dit houdt in: belanghebbende informeren welke gegevens voor welk doeleind wordt verwerkt.

Als helder is welke gegevens noodzakelijk zijn voor de volgende stap in het proces, kan de medewerker dit met de belanghebbende bespreken. De waarborgen en rechten van de belanghebbende ten aanzien van gegevensverwerking door de gemeente, worden ook besproken. Bijvoorbeeld waar een belanghebbende terecht kan om te controleren welke gegevens er werkelijk worden verwerkt, hoe lang ze worden bewaard, en hoe ze eventueel kunnen worden gecorrigeerd.

3. Documenteren

Wanneer de bovenstaande stappen zijn doorlopen is schriftelijke toestemming over het algemeen niet nodig. Het is wel van belang dat bij het verslag van de belanghebbende, wordt opgenomen wat de conclusies en vervolgstappen zijn welke gegevens voor die vervolgstappen worden opgevraagd en met welk doeleind.

 

Er is altijd de mogelijkheid dat belanghebbende niet akkoord gaat , ook nadat hij of zij is geïnformeerd over belang en noodzaak. Het is hierbij belangrijk dat de bezwaren serieus in overweging worden meegenomen. Er zal nu een nieuwe afweging moeten worden genomen. Samengevat zijn er drie mogelijkheden:

  • 1.

    De dienstverlening stopt, omdat het niet mogelijk is verdere diensten te verlenen,

  • 2.

    De dienstverlening blijft beperkt tot het deel dat op basis van de beschikbare gegevens verleend kan worden,

  • 3.

    Naar het professionele oordeel van de medewerker is de situatie dusdanig, dat er toch stappen gezet moeten worden omdat de gezondheid of veiligheid van belanghebbende of mensen in de omgeving in het geding zijn. Dan kom je in de onvrijwillige dienstverlening.

     

Het laatste betekent een zware inperking van de persoonlijke levenssfeer van de belanghebbende, omdat er een hoger algemeen en wettelijk geregeld belang is dat het persoonlijke belang overstijgt. Een stap die dan ook alleen na zeer zorgvuldige afweging gezet mag worden.

 

Privacy protocol Wmo

Om voor de belanghebbende inzichtelijk te maken welke persoonsgegevens verwerkt worden, hoe de gemeente bij een melding en aanvraag met zijn of haar persoonsgegevens omgaat en welke rechten hij of zij heeft, is een privacy protocol Wmo opgesteld.

 

Artikel 43 Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de belanghebbende afwijken van de bepalingen van deze beleidsregels indien toepassing van de beleidsregels tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

 

Artikel 44 Citeertitel en inwerkingtreding

  • 1.

    Deze beleidsregels worden aangehaald als: “Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning Leiden 2018”.

  • 2.

    Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari 2018.

  • 3.

    Vastgesteld in de vergadering van het college van burgemeester en wethouders op 19 december 2017.

Bijlage 1 Gebruikelijke hulp

 

Gebruikelijke hulp is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten. Onder een leefeenheid wordt verstaan alle bewoners die een gemeenschappelijke woning bewonen met als doel een duurzaam gezamenlijk huishouden te voeren. Onder een huisgenoot wordt iedere persoon verstaan die tot de leefeenheid van de inwoner behoort. Bij een commerciële huurders- of kostgangersrelatie worden volwassen huisgenoten geacht geen deel uit te maken van de leefeenheid.

 

Algemeen uitgangspunt

Bij een ondersteuningsvraag wordt eerst bezien of en in hoeverre iemand zelf of met gebruikelijke hulp in staat is zijn problemen op te vangen. Wat onder gebruikelijke hulp valt, wordt bepaald door wat op dat moment naar algemene aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht. In onze samenleving wordt het normaal geacht dat de echtgenoot, ouders, inwonende kinderen of andere huisgenoten als dat nodig en mogelijk is hun rol nemen in het huishouden. Gebruikelijke hulp vloeit rechtstreeks voort uit de sociale relatie, waarin het voeren van een gemeenschappelijk huishouden een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor het functioneren van dat huishouden met zich brengt. Gebruikelijke hulp is dan ook de normale, dagelijkse hulp die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden.

 

Afwegingskader gebruikelijke hulp

Het is wenselijk om een objectief afwegingskader vast te stellen wat betreft de afbakening en inzet van gebruikelijk hulp om te voorkomen dat sprake is van toeval of van willekeur. Het college neemt daarbij een aantal uitgangspunten over zoals die golden in de AWBZ en voor wat betreft het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden blijven de regels gelden zoals onder de Wmo 2007.

 

Begeleiding en overnemen huishoudelijke werkzaamheden

Het college houdt bij de beoordeling of van de huisgenoot gebruikelijke hulp kan worden gevergd in ieder geval rekening met:

 

  • 1.

    De aard en de omvang van de ondersteuningsbehoefte van de inwoner.

  • 2.

    De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de inwoner.

  • 3.

    De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen.

  • 4.

    De mogelijkheid om de gebruikelijke hulp aan te leren.

 

Daarbij kan onderscheid bestaan tussen gebruikelijke hulp ingeval van begeleiding en/of het overnemen van huishoudelijke taken door huisgenoten.

 

De aard en de omvang van de ondersteuningsbehoefte van de inwoner

De aard van de ondersteuningsbehoefte kan zeer divers zijn. De inwoner kan aangewezen zijn op hulp bij zelfzorg, de thuisadministratie, het plannen of ondernemen van dagelijkse activiteiten in het kader van participatie of bij problematisch gedrag. De mate van zelfredzaamheid is enerzijds afhankelijk van de beperkingen die de inwoner daarbij ondervindt. Anderzijds wordt de mate van zelfredzaamheid bepaald door wat de inwoner wel zelf kan al dan niet met hulp van anderen of met gebruikmaking van bijvoorbeeld algemene voorzieningen. Het college houdt in ieder geval rekening met hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar moet worden geboden.

 

Ook de omvang van de ondersteuningsbehoefte kan divers van aard zijn. Zo kan de inwoner zijn aangewezen op permanent toezicht wat zware eisen kan stellen aan de persoon van wie gebruikelijke hulp wordt gevergd. Daarnaast kan de totale omvang van de ondersteuningsbehoefte met zich meebrengen dat (deels) niet meer van gebruikelijke hulp kan worden gesproken. Dat deel daarvan kan daarom als boven-gebruikelijk worden aangemerkt, tenzij het uitstelbare ondersteuning betreft of bijvoorbeeld gebruik kan worden gemaakt van andere oplossingen. Is dat niet aan de orde, dan kan het college een maatwerkvoorziening verlenen. Het kan echter ook gaan om een meer incidentele vorm van hulp die wel een structureel karakter heeft. Denk bijvoorbeeld aan hulp bij zelfzorg of participatie. De omvang van de hulp kan onder de normale routine van de leefeenheid vallen. Denk bijvoorbeeld aan het uitzoeken en klaarleggen van kleding, het gezamenlijk eten, et cetera. In die gevallen zal de hulp al snel als gebruikelijke hulp kunnen worden aangemerkt.

 

Kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte

Afhankelijk van de aard van de beperking kan er een kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte bestaan bij de inwoner. Bij een kortdurende ondersteuningsbehoefte is er uitzicht op herstel in de mate van de zelfredzaamheid van de inwoner. In het algemeen geldt hiervoor een periode van drie maanden. Bij langdurig gaat het om een situatie waarbij de ondersteuningsbehoefte naar verwachting langer dan drie maanden aanwezig zal zijn. Indien er sprake is van hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar geacht wordt geboden te worden, is het in principe niet van belang of sprake is van een kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte.

 

Bij de beoordeling van de duur in het kader van het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden wordt ook in principe geen rekening gehouden met een onderscheid tussen een kortdurende of een langdurige ondersteuningsbehoefte.

 

De aard van de relatie van de persoon binnen de leefeenheid met de inwoner

Als algemeen uitgangspunt geldt dat huisgenoten elkaar onderling gebruikelijke hulp moeten bieden. Immers huisgenoten binnen de leefeenheid hebben de keuze gemaakt om een duurzaam gezamenlijk huishouden te voeren. Dat maakt hen verantwoordelijk voor het functioneren van het huishouden. Het college moet wel rekening houden met de aard van de relatie die de persoon binnen de leefeenheid heeft met de inwoner. Dat betekent dat er onderscheid kan bestaan tussen wat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar als gebruikelijke hulp kan worden aangemerkt, tussen kinderen ten opzichte van hun ouders en huisgenoten die bijvoorbeeld geen bloedverwantschap hebben met de inwoner.

 

Bij de beoordeling van de duur in het kader van het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden wordt in principe geen rekening gehouden met de aard van de relatie. Het gaat er om of sprake is van een huisgenoot binnen de leefeenheid.

 

Het college houdt wel rekening met hulp bij of het overnemen van activiteiten of taken die naar algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer onderling aan elkaar geacht wordt geboden te worden. Voorbeelden zijn:

  • 1.

    hulp bij een bezoek aan de familie, vrienden, huisarts, et cetera.

  • 2.

    hulp bij of het overnemen van taken die tot een gezamenlijk huishouden behoren zoals de thuisadministratie.

  • 3.

    Hulp aan derden, die behoren tot de omgeving van de cliënt, in het omgaan met de beperkingen van de cliënt. Denk aan familie, vrienden, leerkracht, et cetera.

  • 4.

    Hulp van ouders aan kinderen, waaronder ook toezicht, bij activiteiten zoals zwemmen of andere activiteiten die kinderen normaal gesproken doen en waar zij door hun ouders bij begeleid worden.

 

Er zijn meer voorbeelden denkbaar die afhankelijk zijn van de individuele situatie. Verder kan het zijn dat de naar algemene maatstaven geldende ‘gebruikelijke hulp’ substantieel wordt overschreden bij ouders en kinderen. Hier kan het gaan om een langdurige ondersteuningsbehoefte, die in vergelijking tot gezonde kinderen met een normaal ontwikkelingsprofiel, substantieel wordt overschreden. In die gevallen kan een maatwerkvoorziening zijn aangewezen.

 

Als uitgangspunt geldt dat van echtgenoten/partners ten opzichte van elkaar meer wordt verwacht in het kader van gebruikelijke hulp dan van kinderen ten opzichte van hun ouders. Dat heeft te maken met wat gebruikelijk is volgens algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer: de onderhoudsplicht. Zo wordt het normaal geacht dat de ene partner de ander aanspoort tot bijvoorbeeld zelfzorg of hulp biedt bij de sociale redzaamheid.

 

Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp of ondersteuning van kinderen naar hun ouders. Het hoeft niet in alle gevallen zo te zijn dat het volgens algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer gebruikelijk is dat kinderen hun ouder(s) bijvoorbeeld aansporen tot zelfzorg. Daarbij kan de mate van beperkingen en de noodzakelijke aansporing tot zelfzorg bepalend zijn.

 

Het algemene principe van de verantwoordelijkheid voor de leefeenheid geldt ook voor de hulp of ondersteuning van huisgenoten ten opzichte van elkaar. Gelet op aard van de relatie (bijvoorbeeld niet familierechtelijk) kan het zijn dat het volgens algemene maatstaven in de persoonlijke levenssfeer niet gebruikelijk is dat ene huisgenoot de ander aanspoort tot zelfzorg. Daarbij kan de mate van beperkingen en de noodzakelijke aansporing tot zelfzorg bepalend zijn.

 

De zorgplicht van ouders voor hun kinderen strekt zich uit over opvang, verzorging, begeleiding en opvoeding die een ouder (of verzorger), onder meer afhankelijk van de leeftijd en verstandelijke ontwikkeling van het kind, normaal gesproken geeft aan een kind, inclusief de ‘zorg’ bij kortdurende ziekte. Bij uitval van één van de ouders neemt de andere ouder de gebruikelijke hulp voor de kinderen over. Gebruikelijke hulp voor kinderen omvat in ieder geval de aanwezigheid van een verantwoordelijke ouder of derde persoon die past bij de leeftijd en ontwikkeling van het kind. Het overnemen van de gebruikelijke hulp van de kinderen kan een Wmo-aanspraak zijn, maar structurele opvang van kinderen in beginsel niet.

 

De leeftijd en de ontwikkelingsfase van inwonende kinderen

Als de inwoner thuiswonende kinderen heeft, dan gaat het college er in beginsel vanuit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en de ontwikkelingsfase, een bijdrage kunnen leveren aan het overnemen van huishoudelijke werkzaamheden. Ondersteuning bieden, zoals begeleiding, ligt minder voor de hand en dat beoordeelt het college in het individuele geval.

 

In geval de leefeenheid van de inwoner mede bestaat uit kinderen, dan gaat het college er vanuit dat de kinderen, afhankelijk van hun leeftijd en psychosociaal functioneren, een bijdrage kunnen leveren aan de huishoudelijke taken. Een volwassenen huisgenoot van 23 jaar en ouder dient het huishouden geheel over te nemen. Een 18- tot 23-jarige wordt verondersteld een eenpersoonshuishouden te kunnen voeren. Daarnaast kunnen zij eventuele jongere gezinsleden verzorgen en begeleiden. Onder omstandigheden kan ook andere hulp of ondersteuning van het meerderjarige kind aan de ouder(s) onder de gebruikelijke hulp vallen. Verder gelden de volgende uitgangspunten.

  • 1.

    Kinderen tot 5 jaar leveren geen bijdrage aan de huishouding.

  • 2.

    Kinderen tussen 5-12 jaar worden naar hun eigen mogelijkheden betrokken bij lichte huishoudelijke werkzaamheden als opruimen, tafel dekken/afruimen, afwassen/afdrogen, boodschap doen, kleding in de wasmand gooien.

  • 3.

    Kinderen vanaf 13 jaar kunnen, naast bovengenoemde taken hun eigen kamer op orde houden, d.w.z. rommel opruimen, stofzuigen, bed verschonen.

Hier wordt door het sociaal wijkteam gekeken of dit redelijk en reëel van kinderen verwacht kan worden.

   

De mogelijkheid om de gebruikelijke hulp aan te leren.

Het kan voorkomen dat er (tijdelijk) geen gebruikelijke hulp kan worden gevergd. Een reden daarvoor kan zijn dat de huisgenoot niet weet op welke manier hij gebruikelijke hulp kan of moet verlenen, maar dat wel kan aanleren. Denk bijvoorbeeld aan situaties waarin men wordt geconfronteerd met een ondersteuningsbehoefte van de inwoner door niet eerder aanwezige beperkingen zoals een niet aangeboren hersenletsel (NAH) of (beginnende) dementie. Of een huisgenoot die bijvoorbeeld nooit heeft geleerd huishoudelijke werkzaamheden uit te voeren, maar wel leerbaar is. Het college kan dan tijdelijk een maatwerkvoorziening inzetten om de gebruikelijke hulp aan te leren. De ondersteuning is dan ook gericht op het in staat te stellen om te gaan met (de gevolgen van) de beperkingen van de inwoner. Ook de leerbaarheid van de inwoner speelt hierbij een belangrijke rol. Die kan betrekking hebben op het (leren) accepteren van de gebruikelijke hulp.

 

Voor zover een partner, ouder, volwassen kind en/of elke andere volwassen huisgenoot geobjectiveerde beperkingen heeft en/of kennis dan wel vaardigheden mist om gebruikelijke hulp aan de inwoner te bieden en deze vaardigheden niet kunnen worden aangeleerd wordt van hen geen gebruikelijke hulp verwacht.

 

Fysieke afwezigheid

Indien de huisgenoot van een zorgvrager vanwege zijn/haar werk fysiek niet aanwezig is, wordt hiermee bij de indicatiestelling uitsluitend rekening gehouden, wanneer het om aaneengesloten perioden van tenminste zeven etmalen gaat. De afwezigheid van de huisgenoot moet een verplichtend karakter hebben en inherent zijn aan diens werk: denk hierbij aan offshore werk, internationaal vrachtverkeer en werk in het buitenland. Wanneer de huisgenoot aaneengesloten perioden van ten minste zeven etmalen van huis is, is er in die periode feitelijk sprake van een éénpersoonshuishouden en kan er geen gebruikelijke zorg worden geleverd.

 

Overbelasting en gebruikelijke hulp

De vraag is of in individuele situaties van een uitzondering sprake is op grond waarvan toch taken of activiteiten in het kader van gebruikelijke hulp moeten worden overgenomen. Een van de redenen daarvoor kan zijn dat degenen van wie wordt verwacht dat zij gebruikelijke hulp bieden, overbelast zijn (geraakt) en niet meer in staat zijn dat te doen. Steeds moet duidelijk zijn hoe de overbelasting zich uit en wat deze inhoudt. De met de overbelasting gepaard gaande klachten moeten duidelijk beschreven worden. In voorkomende gevallen kan het opnemen van contact met de huisarts over de ouder, partner of huisgenoot helpen om een oordeel te vormen.

 

Voor zover de (dreigende) overbelasting wordt veroorzaakt door maatschappelijke activiteiten buiten de gebruikelijke hulp, wel of niet in combinatie met een fulltime school- of werkweek, gaat het verlenen van gebruikelijke hulp voor op die maatschappelijke activiteiten. 

 

Niet alleen de omvang van de planbare hulp, maar ook de mate van de noodzaak tot het continu aanwezig zijn om onplanbare ondersteuning te bieden is van invloed op de belastbaarheid van degene die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen. Met andere woorden: het uitvoeren van enkele taken op vooraf afgesproken momenten is vaak minder belastend dan het uitvoeren van dezelfde taken waarbij continue aanwezigheid en alertheid wordt gevraagd van degene die geacht wordt gebruikelijke hulp te verlenen. Het college zal bij de beoordeling over (dreigende) overbelasting ook rekening moeten houden met de gebruikelijke zorg in het kader van verpleging en verzorging op grond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) of Jeugdwet. Het kan dus zijn dat deze zorg of hulp wordt verleend zonder dat aanspraak wordt gedaan op de betreffende wet.

 

Bijlage 2Onderzoek dreigende overbelasting

 

Algemeen

Het college onderzoekt altijd of er in de individuele situatie moet worden afgeweken van de algemene regels. Een van de redenen om in de individuele situatie af te wijken kan zijn dat degene van wie wordt verwacht dat zij taken overneemt, reeds overbelast dreigt te raken.

 

Overbelasting is: “meer belasten dan het prestatievermogen toelaat”. In medische kringen praten we over het (on)evenwicht tussen draagkracht(= belastbaarheid) en draaglast (= belasting).

Overbelasting kan veroorzaakt worden door een combinatie van symptomen van lichamelijke en/of psychische aard en wordt bepaald door in- en uitwendige factoren. Het kan soms heel duidelijk zijn dat de mantelzorger of de persoon die gebruikelijke hulp levert overbelast is, in ander gevallen is dat minder duidelijk en zal dit in het gesprek moeten worden uitgediept.

 

Factoren die van invloed zijn op de draagkracht zijn onder meer:

• lichamelijke conditie;

• geestelijke conditie;

• wijze van omgaan met problemen (coping);

• motivatie voor zorgtaak;

• sociaal netwerk.

 

Factoren die van invloed zijn op de draaglast zijn onder meer:

• omvang en mate van (on)planbaarheid van zorgtaken;

• ziektebeeld en prognose;

• inzicht van mantelzorger in ziektebeeld van de zorgvrager;

• woonsituatie;

• bijkomende sociale problemen;

• bijkomende emotionele problemen;

• bijkomende relationele problemen.

 

Hieronder volgt een reeks van vragen die tijdens het gesprek zouden kunnen helpen bij het verkrijgen van een indruk over de eventuele overbelasting van de mantelzorger.

  • 1.

    Wat zegt de mantelzorger er zelf over, hoe ervaart hij of zij het zorgen?

  • 2.

    Hoe is de (lichamelijke en geestelijke) gezondheid van de mantelzorger?

  • 3.

    Zijn er signalen van overbelasting: nervositeit, vermoeidheid?

  • 4.

    Heeft de mantelzorger een “uitlaatklep”? Heeft hij of zij de mogelijkheid om activiteiten buitenshuis te doen? Kan iemand zijn verhaal kwijt bij vrienden, familie of professionals? Wordt er respijtzorg geboden zodat de mantelzorger even op adem kan komen?

  • 5.

    Hoe is de relatie tussen de mantelzorger en de cliënt? Hoe stelt de cliënt zich op, veeleisend of juist dankbaar? Kan de mantelzorger grenzen aangeven en ‘nee’ zeggen? Is er irritatie tussen de mantelzorger en cliënt?

  • 6.

    Heeft de mantelzorger inzicht in de ziekte van de cliënt? (Als men weet dat bepaald gedrag uit de ziekte voortkomt, kan het gemakkelijker zijn dat gedrag te accepteren.)

  • 7.

    Hoeveel tijd heeft de mantelzorger? Heeft iemand een baan, een eigen gezin, een ander familielid dat zorg behoeft? Voorbeeld: een echtgenoot wordt ziek, terwijl zijn vrouw ook al voor haar ouders zorgt.

  • 8.

    Is de zorg te plannen of is er continue controle en toezicht nodig?

  • 9.

    Hoe is de prognose? (Een terminale situatie is altijd zwaar, maar een situatie die langdurig en stabiel is, kan ook veeleisend zijn.)

  • 10.

    Wat zijn de knelpunten in de zorg?

  • 11.

    Hoe is de woonsituatie? Woont men afgelegen, of in een flat zonder lift zodat de cliënt en de mantelzorger min of meer samen opgesloten zitten.

 

Symptomen die zouden kunnen wijzen op overbelasting

Diverse symptomen zijn waar te nemen bij (dreigende) overbelasting. Het is mogelijk, dat slechts één van deze symptomen waarneembaar is. Over het algemeen zullen meerdere symptomen gecombineerd optreden. De mate, waarin ze zich manifesteren, zal van persoon tot persoon verschillen. Daarnaast dient men zich te bedenken dat het hierbij om veelal, aspecifieke symptomen gaat, die ook bij andere stoornissen kunnen passen. Het bestaan van deze symptomen moet dus als een mogelijk signaal worden opgevat. Indien er meerdere van onderstaande symptomen aanwezig zijn, is het raadzaam dat de mantelzorger zijn huisarts raadpleegt, omdat bij langdurige aanwezigheid en/of verwaarlozing van dergelijke symptomen weer kunnen leiden tot andere, ernstige stoornissen.

Mogelijke symptomen van overbelasting zijn:

 

• Gespannen spieren, vaak in schoudergordel en rug

• Hoge bloeddruk

• Gewrichtspijn

• Gevoelens van slapte

• Slapeloosheid

• Migraine, duizeligheid

• Spierkrampen

• Verminderde weerstand, ziektegevoeligheid

• Opvliegingen

• Ademnood en gevoelens van beklemming op de borst

• Plotseling hevig zweten

• Gevoelens van beklemming in de hals

• Spiertrekkingen in het gezicht

• Verhoogde algemene prikkelbaarheid, boosheid, (verbale) agressie, zwijgen

• Ongeduld

• Vaak huilen

• Neerslachtigheid

• Isolering

• Verbittering

• Concentratieproblemen

• Dwangmatig denken, niet meer kunnen stoppen

• Rusteloosheid

• Perfectionisme

• Geen beslissingen kunnen nemen

• Denkblokkades

 

 

Bijlage 3: Algemeen gebruikelijke voorzieningen

WOONVOORZIENINGEN

Aankleedtafel voor kinderen en volwassenen

Airco – losse eenheid

Antislip coating

Antislip tegels bij nieuwbouw of renovatie

Automatische deuropeners voor garages

Centrale verwarming

Dakkapellen

Douchecabine

Douchekop en glijstang (uitzondering mogelijk als glijstang tevens als wandbeugel wordt gebruikt.

Eengreepsmengkranen

Eenhendelmengkraan (m.u.v. lange hendel)

Elektrische bediening inrichtingselementen (licht, gordijnen, zonwering)

Elektrische bediening zonwering

Kookplaten Inductie en keramisch

Handgrepen/beugels (m.u.v. stationaire/opklapbare toiletbeugels, wastafelbeugels)

Raamopeners (m.u.v. rolstoelgebonden personen)

Renovatie badkamer (20 jaar)

Renovatie keuken (15 jaar)

Screens en zonneschermen

Thermostatische mengkraan

Toiletpot (verstelbaar/verlaagd/verhoogd 6+ t/m 9+)

Toilet verhoger (los)

Vervanging keukenapparatuur

Vervanging lavet door douche

VERVOERSVOORZIENINGEN

Auto – airconditioning

Auto - automatische transmissie

Auto – blindering

Auto – elektrische raambediening

Auto – stuurbekrachtiging

 

Fiets – aankoppelfiets voor kinderen

Fiets – bakfiets

Fiets – buggy (tot 18 kilo)

Fiets – elektrische fiets

Fiets – fietskarretje voor kinderen (voor fiets en scootmobiel)

Fiets – fiets met hulpmotor

Fiets – fiets met lage instap

Fiets – ligfiets

Fiets – tandem (normale uitvoering en uitvoering met hulpmotor

 

 

OVERIGE

boodschappendienst

crèche

financieel-administratieve ondersteuning

Gastouder

Hondenuitlaatservice

Kinderopvang

Maaltijdservice