Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Gemeente Moerdijk

Verordening tegenprestatie Participatiewet 2015 gemeente Moerdijk

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente Moerdijk
Officiële naam regelingVerordening tegenprestatie Participatiewet 2015 gemeente Moerdijk
CiteertitelVerordening tegenprestatie Participatiewet 2015 gemeente Moerdijk
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpalgemeen
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-2015Nieuwe regeling

18-12-2014

Moerdijkse Bode week 1, 2015

Onbekend

Tekst van de regeling

De raad van de gemeente Moerdijk;

Gezien het voorstel van burgemeester en wethouders van 4 november 2014 met overneming van de daarin vermelde motieven;

Gelet op artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet;

Overwegende dat het noodzakelijk is het opdragen van een tegenprestatie aan personen van 18 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd bij verordening te regelen;

B E S L U I T

Vast te stellen : deVerordening tegenprestatie Participatiewet gemeente Moerdijk

Hoofdstuk 1. Algemene Bepalingen

Artikel 1. Begrippen

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    Doelgroep: personen als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onder a, sub 1, sub 5, sub 6 van de wet;

  • b.

    Tegenprestatie: onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt;

  • c.

    Mantelzorg: zorg die mensen vrijwillig en onbetaald verlenen aan mensen met een fysieke, verstandelijke of psychische beperking in hun familie, huishouden of sociale netwerk. De verleende zorg overstijgt de gebruikelijke zorg voor elkaar.

  • d.

    Vrijwilligerswerk: werk dat in enig georganiseerd verband, onverplicht en onbetaald wordt verricht ten behoeve van anderen of de samenleving.

  • e.

    Wet: Participatiewet.

Artikel 2. Beleid

Het college kan beleidsregels vaststellen met betrekking tot de uitvoering van deze verordening, waarin kan worden vastgelegd, welke aanvullende werkzaamheden het college in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden, voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen.

Hoofdstuk 2: De tegenprestatie naar vermogen

Artikel 3. Opdragen van een tegenprestatie

  • 1. Het college kan aan personen uit de doelgroep die niet deelnemen aan een activerings- of uitstroomtraject de mogelijkheid bieden om onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, in te zetten als tegenprestatie.

  • 2. Voor zover een persoon een alleenstaande ouder is die de volledige zorg heeft voor een tot zijn last komend kind tot 5 jaar kan het college slechts nadat het zich genoegzaam heeft overtuigd van de beschikbaarheid van passende kinderopvang en de belastbaarheid van de persoon een tegenprestatie opdragen.

Artikel 4. Ontheffing van het leveren van een tegenprestatie

  • 1. Voor zover personen volledig en duurzaam arbeidsongeschikt zijn als bedoeld in artikel 4 van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen, ziet het college af van het opdragen van een tegenprestatie;

  • 2. Voor zover personen uit de doelgroep al eventuele zorgtaken/mantelzorg verrichten en/of maatschappelijke activiteiten en/of vrijwilligerswerk verrichten kan het college besluiten af te zien van het opdragen van een tegenprestatie, indien deze werkzaamheden naar het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk zijn;

  • 3. Voor zover een persoon een alleenstaande ouder is die de volledige zorg heeft voor een tot zijn last komend kind tot vijf jaar én die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a eerste lid van de Participatiewet, ziet het college af van het opdragen van een tegenprestatie;

Artikel 5. Intrekken van een opgedragen tegenprestatie

  • 1. Het college kan afzien van de overeengekomen tegenprestatie op het moment dat de persoon aan wie de tegenprestatie is opgedragen passende arbeid accepteert;

  • 2. Het college kan afzien van de overeengekomen tegenprestatie op het moment dat de uitvoering van deze tegenprestatie de noodzakelijke re-integratie-inspanningen belemmert.

Artikel 6. De inhoud van een tegenprestatie

  • 1. De werkzaamheden bedoeld in artikel 3 mogen:

    • a.

      naar hun aard niet zijn gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt;

    • b.

      niet zijn bedoeld als re-integratie-instrument;

    • c.

      worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin ze worden verricht; en

    • d.

      niet leiden tot verdringing van reguliere arbeid op de arbeidsmarkt.

  • 2. Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening met de volgende factoren:

    • a.

      de persoonlijke wensen en kwaliteiten van de belanghebbende;

    • b.

      de lichamelijke en geestelijke mogelijkheden van de belanghebbende;

    • c.

      leeftijd, opleiding en werkervaring van belanghebbende;

    • d.

      mogelijkheden van belanghebbende om op de werkplek te komen;

    • e.

      noodzaak van kinderopvang tijdens de uitvoering van de tegenprestatie;

    • f.

      afstemming van de tegenprestatie op eventuele zorgtaken/mantelzorg of maatschappelijke activiteiten en/of vrijwilligerswerk wat al door belanghebbende wordt verricht.

Artikel 7. Duur en omvang van een tegenprestatie

1.Voor zover een tegenprestatie is opgedragen is deze zowel qua tijdsduur als inhoud nauwkeurig omschreven;

  • a.

    de tegenprestatie wordt opgedragen voor de maximale tijdsduur van 6 maanden;

  • b.

    de tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal 20 uur per week;

  • c.

    de tegenprestatie kan binnen een periode van 12 maanden slechts eenmaal worden opgedragen.

Artikel 8. Onkostenvergoeding/vrijwilligersvergoeding

  • 1. Voor zover de belanghebbende bij het uitvoeren van de tegenprestatie een onkostenvergoeding ontvangt wordt deze bij de verlening van de uitkering ingevolge de Participatiewet buiten beschouwing gelaten.

  • 2. Voor zover de belanghebbende bij het uitvoeren van de tegenprestatie een vrijwilligersvergoeding ontvangt wordt deze bij de verlening van de uitkering tot een bedrag van maximaal € 95,- per maand en maximaal € 764,- per jaar vrijgelaten

Artikel 9. Geen werkzaamheden voorhanden

  • 1. Het college draagt geen tegenprestatie op indien geen werkzaamheden voorhanden zijn, die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.

  • 2. Indien het college geen tegenprestatie opdraagt omdat geen werkzaamheden voorhanden zijn, beoordeelt het college binnen twaalf maanden of op dat moment wel werkzaamheden voorhanden zijn die kunnen worden ingezet als tegenprestatie.

Hoofdstuk 3. Slotbepalingen

Artikel 10. Hardheidsclausule

In situaties, de uitvoering van deze verordening betreffende, waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

Artikel 11. Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.

Artikel 12. Citeertitel

Deze verordening kan worden aangehaald als: “Verordening tegenprestatie Participatiewet 2015 gemeente Moerdijk”.

Ondertekening

Aldus besloten in de openbare raadsvergadering 18 december 2014

De raad voornoemd.

De griffier, De voorzitter,

H.D. Tiekstra J.P.M. Klijs

Toelichting Verordening tegenprestatie Participatiewet gemeente Moerdijk

Algemene toelichting:Het college is bevoegd een belanghebbende te verplichten naar vermogen een tegenprestatie te verrichten, ook als die tegenprestatie niet direct samenhangt met arbeidsinschakeling. Een belanghebbende van achttien jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is vanaf de dag van melding gehouden naar vermogen een tegenprestatie te verrichten. Dit is vastgelegd in artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet. Daarmee beperkt de doelgroep zich tot de personen die in aanmerking komen voor een uitkering op grond van de Participatiewet.

De tegenprestatie bestaat uit de plicht om naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten, naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.

Individuele omstandigheden

Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Als het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem verwacht wordt (zie Rechtbank Zeeland en West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).

Geen tegenprestatie

Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is niet van toepassing op een belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet). De plicht tot tegenprestatie is voorts niet van toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende lid, van de Participatiewet).

Afstemmen

Net als bij het niet nakomen van de arbeids- en re-integratieverplichting geldt voor het niet nakomen van de opgedragen tegenprestatie dat de bijstand kan worden afgestemd overeenkomstig de gemeentelijke afstemmingsverordening.

Bevoegdheid opdragen tegenprestatie

De bevoegdheid van het college om een belanghebbende te verplichten naar vermogen een tegenprestatie te verrichten geldt al sinds 1 januari 2012. De regering meent dat de tegenprestatie voor uitkeringsgerechtigden een gelegenheid is om te blijven participeren in de samenleving en om een sociaal netwerk, arbeidsritme en regelmaat te behouden. Dit zijn volgens de regering ook noodzakelijke voorwaarden om de kansen op de arbeidsmarkt te vergroten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29).

Tegenprestatie is geen re-integratie instrument

De plicht tot tegenprestatie heeft tot doel om maatschappelijk nuttige werkzaamheden te doen in de samenleving als tegenprestatie voor het ontvangen van een uitkering. Het opdragen van een tegenprestatie heeft niet primair tot doel de re-integratie van een belanghebbende te bevorderen, maar moet worden gezien als een nuttige bijdrage aan de samenleving (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 49-50). De tegenprestatie is daarom naar zijn aard niet gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt en is niet bedoeld als re-integratie instrument. Voorts mag een tegenprestatie het accepteren van passende arbeid of van re-integratie inspanningen niet belemmeren. Immers, als uitgangspunt geldt werk boven uitkering.

Ontwikkelen beleid door college

Het college kan beleid te ontwikkelen ten behoeve van het verrichten van een tegenprestatie en het uitvoeren ervan overeenkomstig de verordening tegenprestatie. Dit volgt uit artikel 7, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet. Dit beleid kan op basis van deze verordening verder worden uitgewerkt in beleidsregels.

Artikelsgewijze toelichting:

Artikel 1. Begrippen

Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk gedefinieerd in deze verordening. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening.

Mantelzorg

In artikel 1 van deze verordening is de definitie opgenomen van mantelzorg. Deze begripsbepaling is gebaseerd op het begrip zoals dat wordt gehanteerd in de Wet maatschappelijke ondersteuning (zie artikel 1, eerste lid, onderdeel b, van de Wet maatschappelijke ondersteuning). Onder mantelzorg wordt verstaan: langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt.

Het begrip 'mantelzorg' is van belang omdat artikel 4 van deze verordening bepaalt dat het college geen tegenprestatie opdraagt indien een belanghebbende mantelzorg verricht voor zover het verrichten van mantelzorg naar het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is.

Uit kamerstukken met betrekking tot het begrip 'mantelzorg' zoals neergelegd in de Wet maatschappelijke ondersteuning volgt dat de vier belangrijkste kenmerken van mantelzorg zijn:

  • 1.

    er is een bestaande sociale relatie tussen de zorgvrager en de zorgverlener;

  • 2.

    mantelzorg wordt niet verricht in een georganiseerd verband;

  • 3.

    het verrichten van mantelzorg is veelal geen bewuste keuze;

  • 4.

    het verlenen van mantelzorg is nooit afdwingbaar.

Deze kenmerken zijn ontleend aan diverse kamerstukken zoals TK 2004-2005, 30 169, nr. 1 (Notitie "De mantelzorger in beeld") en TK 2005-2006, 30 131, nr. C.

Voor mantelzorg is vereist dat de verleende zorg de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt. Voor de uitvoering van de Wet maatschappelijke ondersteuning hanteren gemeenten veelal het protocol Gebruikelijke Zorg van het Centrum Indicatiestelling Zorg om vast te stellen of sprake is van gebruikelijke zorg.

Voor de uitleg van wat onder gebruikelijke zorg kan worden verstaan, wordt aangesloten bij de definitie van gebruikelijke zorg in het protocol Gebruikelijke Zorg. Het wordt als volgt omschreven: De normale, dagelijkse zorg die partners of ouders en inwonende kinderen geacht worden elkaar onderling te bieden omdat ze als leefeenheid een gezamenlijk huishouden voeren en op die grond een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor het functioneren van dat huishouden.

Artikel 2. Beleid

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 3. Opdragen van een tegenprestatie

Het college heeft beleidsvrijheid om een tegenprestatie op te leggen. Het college bepaalt uiteindelijk of, en zo ja welke tegenprestatie wordt opgedragen. Tegen een besluit tot het opdragen van een tegenprestatie kan bezwaar en beroep worden aangetekend (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 49).

De tegenprestatie wordt op een positieve en stimulerende wijze ingezet. Ervaring heeft geleerd dat het aansluiten bij de eigen motivatie en initiatief van de persoon positief uitwerkt.

Wanneer we dan afspraken maken over de te leveren tegenprestatie, verwachten we ook dat deze personen er alles aan doen om de afspraken ook werkelijk na te komen. Nu het leveren van een tegenprestatie in artikel 9 van de Participatiewet is opgenomen als een verplichting, dient het niet nakomen van de gemaakte afspraken tot een afstemming te leiden, tenzij elke vorm van verwijtbaarheid bij het nakoming van de afspraken m.b.t. de tegenprestatie ontbreekt.

Het is dus belangrijk dat de personen die een tegenprestatie willen leveren zich goed realiseren dat dit een arbeidsverplichting in de zin van de wet betekent.

Weigering tegenprestatie

Het college dient bij weigering van belanghebbende om de tegenprestatie te verrichten, op basis van het individuele geval de hoogte en de duur van de op te leggen maatregel te bepalen (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 29). Dit is vastgelegd in de afstemmingsverordening.

Artikel 4. Ontheffing van het leveren van een tegenprestatie

Mantelzorg

Artikel 4 van de verordening bepaalt in welke situaties geen tegenprestatie wordt opgedragen.

De regering heeft de mogelijkheid van het niet opdragen van een tegenprestatie bij het verrichten van mantelzorg uitdrukkelijk benoemd in de nota van wijziging met betrekking tot de Wet maatregelen WWB (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6).

Of sprake is van mantelzorg wordt getoetst aan de criteria van het begrip mantelzorg zoals neergelegd in artikel 1 van deze verordening.

Geen tegenprestatie

Indien daarvoor dringende redenen - zoals zorgtaken - aanwezig zijn, kan het college in individuele gevallen tijdelijk ontheffing verlenen van de plicht tot het verrichten van een tegenprestatie (artikel 9, tweede lid, van de Participatiewet).

De verplichting tot het verrichten van een tegenprestatie is niet van toepassing op een belanghebbende die volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, als bedoeld in artikel 4 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (artikel 9, vijfde lid, van de Participatiewet)

De verplichting tot tegenprestatie is niet van toepassing op een alleenstaande ouder die in het bezit is van een ontheffing als bedoeld in artikel 9a, eerste lid, van de Participatiewet (artikel 9, zevende lid, van de Participatiewet).

Artikel 5. Intrekken van een opgedragen tegenprestatie

Artikel 5. Intrekken van een opgedragen tegenprestatie

Een tegenprestatie wordt uitdrukkelijk niet gezien als een re-integratie-instrument. In situaties waarin aan personen een tegenprestatie is opgedragen kan er door de uitvoering van deze tegenprestatie een zodanig ontwikkeling van de persoon ontstaan dat deze een baan vindt of een re-integratietraject (activerings- of uitstroomtraject) gaat volgen. In die situatie kan het leveren van een tegenprestatie belemmerend werken zodat de mogelijkheid tot het intrekken van een reeds opgelegde tegenprestatie uitdrukkelijk wordt opgenomen.

Artikel 6. Inhoud van een tegenprestatie

Het college kan onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, die additioneel van aard zijn, inzetten als tegenprestatie voor zover die werkzaamheden voldoen aan de in artikel 6, eerste lid, van deze verordening genoemde voorwaarden. Dit betekent dat de als tegenprestatie in te zetten werkzaamheid:

  • a.

    naar zijn aard niet is gericht op toeleiding tot de arbeidsmarkt;

  • b.

    niet is bedoeld als re-integratie instrument;

  • c.

    wordt verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid in de organisatie waarin deze wordt verricht; en

  • d.

    niet leidt tot verdringing.

Deze criteria zijn gebaseerd op de belangrijkste kenmerken van de tegenprestatie die volgen uit de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14).

Additionele onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden

In artikel 6, eerste lid, van deze verordening is bepaald dat de tegenprestatie onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden betreffen die additioneel van aard zijn. De maatschappelijk nuttige werkzaamheden in het kader van de tegenprestatie dienen zich te onderscheiden van werkzaamheden die door de reguliere arbeidsmarkt verricht worden. Het onderscheid tussen betaalde en onbetaalde werkzaamheden is afhankelijk van onder meer economische factoren en van keuzes die mede op basis daarvan door het bedrijfsleven en/of de overheid worden gemaakt (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30).

Tegenprestatie mag niet leiden tot verdringing

De tegenprestatie mag niet worden ingezet in het kader van de re-integratie. De tegenprestatie mag bovendien niet direct gericht zijn op toeleiding naar de arbeidsmarkt en is dan ook niet bedoeld als re-integratie-instrument. Het betreffen werkzaamheden die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet mogen leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt. Reguliere werkzaamheden kunnen daarom niet als tegenprestatie worden ingezet. De tegenprestatie mag het accepteren van passende arbeid of van re-integratie-inspanningen niet belemmeren. Het uitgangspunt werk boven uitkering staat voorop. Dit volgt uit artikel 9, eerste lid, onderdeel c, van de Participatiewet en de parlementaire geschiedenis (zie TK 2010-2011, 32 815, nr. 3, p. 14).

Samenwerking met maatschappelijke organisaties:

De gemeente kan voor het werven van maatschappelijk nuttige werkzaamheden samenwerken met maatschappelijke organisaties zoals: welzijnsinstellingen, vrijwilligerswerkorganisaties, buurthuizen en/of sportvoorzieningen. Om ervoor te zorgen dat voldoende maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn, is het van belang dat contacten worden onderhouden met maatschappelijke organisaties.

Zie hierover de toelichting bij artikel 9 van deze verordening.

Artikel 6 lid 2 van deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de mogelijkheden van de persoon die de tegenprestatie gaat leveren. Het college dient maatwerk toe te passen bij het opdragen van een tegenprestatie. Rekening moet worden gehouden met de individuele omstandigheden van belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding, werkervaring en andere relevante persoonlijke omstandigheden. De werkzaamheden worden immers opgedragen ‘naar vermogen’. Het is dus van belang dat belanghebbende ook in staat is de werkzaamheden te verrichten (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).

Als het college een tegenprestatie vraagt van belanghebbende, moet het een duidelijke omschrijving geven van de te verrichten werkzaamheden. Het moet voor een belanghebbende immers duidelijk zijn welke tegenprestatie van hem wordt verwacht (zie Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).

Het college kan in beleidsregels vastleggen welke werkzaamheden in ieder geval als tegenprestatie kunnen worden ingezet. Deze werkzaamheden voldoen aan de in artikel 6, eerste lid, van deze verordening gestelde voorwaarden.

Factoren opdragen tegenprestatie

In artikel 6, tweede lid, van deze verordening is neergelegd met welke factoren het college rekening moet houden bij het opdragen van een tegenprestatie. Deze factoren worden hierna toegelicht.

Factor: persoonlijke wensen en kwaliteiten belanghebbende

Bij het opdragen van de verplichting tot tegenprestatie houdt het college rekening met de persoonlijke wensen en kwaliteiten van belanghebbende. De regering vindt het immers belangrijk dat een belanghebbende invloed heeft op de keuze van de activiteiten (TK 2013-2014, 33 801, nr. 7, p. 47). Belanghebbende kan zelf ideeën aandragen voor de als tegenprestatie te verrichten werkzaamheden. Het college kan in beleidsregels bepalen wanneer een belanghebbende zijn keuze voor het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteit kenbaar maakt aan het college. Het college beoordeelt de door belanghebbende zelf aangedragen ideeën en kan besluiten om het voorstel van belanghebbende over te nemen en die werkzaamheden in te zetten als tegenprestatie. Uiteraard moet die werkzaamheid voldoen aan het bepaalde bij of krachtens artikel 6 van deze verordening en moet die werkzaamheid beschikbaar zijn. Het college is niet gehouden te voldoen aan de wensen van een belanghebbende, maar moet deze wel in de beoordeling meenemen. Draagt belanghebbende geen ideeën aan, dan legt het college belanghebbende een lijst met keuzemogelijkheden voor van maatschappelijk nuttige werkzaamheden die voorhanden zijn. Als belanghebbende geen voorkeur kenbaar maakt of er geen keuzemogelijkheid is, legt het college een werkzaamheid op. Het is immers aan het college, en niet aan een belanghebbende, een tegenprestatie op te dragen aan belanghebbende.

Factor: tegenprestatie 'naar vermogen'

De werkzaamheden die als tegenprestatie ingezet worden, moeten naar vermogen door een belanghebbende verricht kunnen worden. De term 'naar vermogen' heeft betrekking op de lichamelijke en geestelijke mogelijkheden waarover een belanghebbende beschikt om deze werkzaamheden te verrichten. Immers, niet alle onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden kunnen worden opgedragen aan elke uitkeringsgerechtigde (TK 2013-2014, 33 801, nr. 3, p. 30).

Factor: persoonlijke situatie en individuele omstandigheden belanghebbende

Bij het opdragen van de tegenprestatie houdt het college rekening met de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende, waaronder leeftijd, opleiding en werkervaring (Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171).

Rekening wordt gehouden met het fysieke en psychische vermogen van een belanghebbende. Bij het opdragen van de tegenprestatie dient het college maatwerk te leveren. Voorts wordt bij het opdragen van een tegenprestatie rekening gehouden met praktische omstandigheden zoals reistijd, beschikbaarheid van kinderopvang en/of belanghebbende al maatschappelijke activiteiten verricht.

Factor: maatschappelijke activiteiten en vrijwilligerswerk door belanghebbende

Het college houdt bij het opdragen van de plicht tot tegenprestatie rekening met het eventuele gegeven dat een belanghebbende al maatschappelijk actief is (TK 2013-2014, 33 801, nr. 24, p. 6). Indien een belanghebbende al een maatschappelijke activiteit verricht, kan het college in bepaalde gevallen besluiten deze maatschappelijke activiteit aan te merken als tegenprestatie. Ook kan de omstandigheid dat een belanghebbende maatschappelijke activiteit verricht, ertoe leiden dat hiermee rekening wordt gehouden bij het vaststellen van de tegenprestatie, met name de duur en de omvang van de tegenprestatie of dat de persoon zelfs wordt ontheven van het leveren van een tegenprestatie. Een voorbeeld van maatschappelijke activiteiten zijn: de zorg voor een ouder of een gehandicapt kind. Het college beoordeelt de maatschappelijke activiteiten en

houdt daarbij rekening met de duur en omvang.

Dit geldt ook voor het verrichten van vrijwilligerswerk. Onder vrijwilligerswerk wordt in het algemeen verstaan: werk dat in enig verband onverplicht en onbetaald wordt verricht, voor anderen of de samenleving (vergelijk TK 2005-2006, 30 334, nr. 1, p. 2).

De VNG verwijst bij de begripsomschrijving vrijwilligerswerk naar de zogenaamde draaischijf van Movisie. Movisie heeft een draaischrijf ontwikkeld waaraan een gemeente aan de hand van acht onderdelen de definitie kan bepalen. Zie hiervoor: www.movisie.nl/draaischijf.

Het college kan ook besluiten vrijwilligerswerk gedurende een aantal uren per week aan te merken als tegenprestatie. Hierbij moet wel rekening worden gehouden met maximale duur van de tegenprestatie zoals neergelegd in artikel 7 van deze verordening. Hierbij kan ook de aard van het vrijwilligerswerk een rol spelen. Omdat vrijwilligerswerk veelzijdig van aard is, is geen begripsomschrijving opgenomen.

Artikel 7. Duur en omvang van een tegenprestatie

Het college bepaalt aan de hand van de individuele omstandigheden en de voorhanden zijnde onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden, de aard, de duur en de omvang van de aan een persoon op te leggen tegenprestatie. Hierbij moet het college de in deze verordening neergelegde criteria in acht nemen. Artikel 7 van deze verordening stelt voorwaarden ten aanzien van de duur en omvang van de tegenprestatie.

Individuele omstandigheden

Het college beoordeelt op basis van de individuele omstandigheden van een belanghebbende de omvang en de duur van de tegenprestatie. De omvang van de werkzaamheden en de duur in tijd dienen in de regel beperkt te zijn. Dat betekent dat het college steeds een afweging maakt op basis van de situatie in welke mate een tegenprestatie verlangd kan worden (TK 2013-2014, 33 801, nr. 30).

De tegenprestatie kan relatief gering in omvang en duur ingezet worden om aan de veilige kant van de internationale bepalingen met betrekking tot het verbod op dwangarbeid en verplichte arbeid te blijven. (artikel 4 EVRM).

Maximale duur tegenprestatie in dagen

Artikel 7, eerste lid, regelt dat de tegenprestatie wordt ingezet voor een maximale duur van zes maanden. Uit het onderzoeksrapport "Voor wat hoort wat" blijkt dat bij ongeveer de helft van de gemeenten die de tegenprestatie uitvoeren de gemiddelde duur korter is dan een half jaar en bij iets minder dan de helft is de gemiddelde duur meer dan een half jaar. Het is van belang dat de duur beperkt is. Voorkomen moet worden dat een tegenprestatie wordt opgedragen tot aan het einde van de uitkering.

Maximale duur tegenprestatie in uren

Artikel 7, eerste lid onder b, regelt dat de tegenprestatie wordt ingezet voor een maximaal aantal uren. De tegenprestatie wordt opgedragen voor maximaal 20 uren per week. Voor het maximaal aantal uren is gekozen om de tegenprestatie van relatief geringe omvang te laten zijn.

Uit jurisprudentie blijkt dat een aanbod van het college om voor 32 uur per week werkzaamheden te verrichten in ieder geval niet kan worden aangemerkt als een tegenprestatie (Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25-02-2013, nr. 12/3649, ECLI:NL:RBZWB:2013:BZ5171

Er is bewust voor gekozen om de duur in uren niet te koppelen aan een minimum aantal uren. Dit werkt mogelijk beperkend bij mensen die heel graag een tegenprestatie willen leveren, maar zeer beperkt zijn in hun mogelijkheden. Ook kan de tegenprestatie zonder minimum worden ingezet worden op korte opdrachten.

Artikel 7, eerste lid onder c, regelt dat het opdragen van een tegenprestatie binnen een aaneengesloten periode van 12 maanden slechts eenmaal wordt opgedragen. Deze bepaling waarborgt dat de tegenprestatie relatief gering wordt ingezet. De tegenprestatie dient immers niet in de weg te staan aan de re-integratie van een belanghebbende. Bovendien is het verstandig de tegenprestatie relatief gering in omvang en duur in te zetten om aan de veilige kant van de internationale bepalingen met betrekking tot het verbod op dwangarbeid en verplichte arbeid te blijven (artikel 4 EVRM).

Artikel 8. Onkostenvergoeding/vrijwilligersvergoeding

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting

Artikel 9. Geen werkzaamheden voorhanden

Artikel 9, eerste lid, van deze verordening bepaalt dat geen tegenprestatie wordt opgedragen indien geen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn. In deze verordening kiest de gemeenteraad ervoor dat geen tegenprestatie wordt opgedragen indien geen maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn.

Indien het college besluit geen tegenprestatie op te leggen omdat geen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden voorhanden zijn, wordt binnen 12 maanden een heronderzoek uitgevoerd om te beoordelen of op dat moment wel onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden binnen de eigen gemeentegrenzen voorhanden zijn. Dit is geregeld in artikel 9, tweede lid, van deze verordening.

Artikel 10. Hardheidsclausule

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.

Artikel 11. Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 januari 2015. Vanaf die datum is in artikel 8a, eerste lid, onderdeel b, van de Participatiewet de verordeningsopdracht voor de gemeenteraad neergelegd om regels in de verordening vast te stellen over het opdragen van een tegenprestatie.

Artikel 12. Citeertitel

Dit artikel behoeft geen nadere toelichting.