Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Gemeente Moerdijk

Standplaatsenbeleid gemeente Moerdijk

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente Moerdijk
Officiële naam regelingStandplaatsenbeleid gemeente Moerdijk
CiteertitelStandplaatsenbeleid gemeente Moerdijk
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpalgemeen
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. het bepaalde in titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht
  2. hoofdstuk 1 en hoofdstuk 5, afdeling 4 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Moerdijk

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

27-10-2016Nieuwe regeling

11-10-2016

Moerdijkse Bode week 43

Onbekend

Tekst van de regeling

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Moerdijk;

Overwegende;

1. dat het in verband met een efficiënte en eenduidige afdoening van aanvragen voor standplaatsvergunningen gewenst is over te gaan tot vaststelling van beleidsregels;

2. dat beleidsregels een goed instrument vormen om overlast, problemen op het gebied van de  openbare orde, de veiligheid en de zedelijkheid en gezondheid te reguleren;

gelet op het bepaalde in titel 4.3 van de Algemene wet bestuursrecht en hoofdstuk 1 en hoofdstuk 5, afdeling 4 van de Algemene plaatselijke verordening gemeente Moerdijk

BESLUIT:

vast te stellen het “Standplaatsenbeleid gemeente Moerdijk

HOOFDSTUK 1 ALGEMEEN

Artikel 1 Algemene begripsbepaling

In deze beleidsregels wordt verstaan onder:

a. Apv: de Algemene plaatselijke verordening gemeente Moerdijk;

b. standplaats: standplaats als bedoeld artikel 5:17 lid 1 van de Apv;

c. tijdelijke standplaats:

- een gedeelte van de openbare weg, dat gedurende één of meerdere dagen per week kan worden ingenomen als standplaats, inclusief de daarbij horende (verkoop)wagen en eventuele uitstallingen, voor een periode tot maximaal 12 weken per jaar;

- een gedeelte van de openbare weg, dat gedurende één dag per week voor telkens maximaal twee uur, kan worden ingenomen als standplaats, inclusief de daarbij horende (verkoop)wagen en eventuele uitstallingen,;

d. vaste standplaats: een gedeelte van de openbare weg, dat gedurende één of meerdere dagen per week kan worden ingenomen als standplaats, inclusief de daarbij horende (verkoop)wagen en eventuele uitstallingen, voor een periode van minimaal 13 weken per jaar;

e. vergunning: de vergunning tot het innemen van een standplaats als bedoeld in artikel 5:18 lid 1 van de Apv;

f. vergunninghouder: degene aan wie door het college een vergunning is verstrekt om een vaste of tijdelijke standplaats in te nemen.

HOOFDSTUK 2 AANVRAAGPROCEDURE

Artikel 2 Aanvraag vergunning

  • 1.

    De volledige aanvraag voor een vergunning dient uiterlijk 3 weken voor aanvang van het gewenste tijdstip van inname van de standplaats te worden ingediend.

  • 2.

    De aanvraag voor een vergunning moet voldoen aan de volgende vereisten:

    • a.

      een ingevuld en ondertekend aanvraagformulier;

    • b.

      een overzichtstekening (schaal 1:200) waarop de exacte locatie is aangegeven waar en hoe de standplaatswagen wordt geplaatst;

  • c. een afbeelding van de standplaatswagen;

    • d.

      dde totale oppervlakte van de standplaatswagen, inclusief eventuele uitstallingen;

    • e.

      eeen schriftelijke toestemming van de grondeigenaar indien de locatie is gelegen op particuliere grond.

  • 3.

    3Om in aanmerking te komen voor een standplaatsvergunning is vereist dat de aanvrager een handelingsbekwaam natuurlijk persoon is die:

  • a. zich kan legitimeren door een geldig identiteitsbewijs zoals nader aangegeven in de Wet op de identificatieplicht en in het geval van een vreemdeling volgens de Vreemdelingenwet 2000 zich door middel van een geldig verblijfsdocument aan kan tonen, dat hij/zij de bevoegdheid heeft om in Nederland te mogen verblijven en te werken c.q. te ondernemen;

  • b. kan aantonen te hebben voldaan aan alle publiekrechtelijke verplichtingen op het gebied van de bedrijfsuitoefening- en organisatie;

  • c. kan aantonen dat de standplaatswagen voldoet aan de eisen, die daaraan bij of krachtens de Wet Milieubeheer worden gesteld.

  • 4.

    Indien de aanvraag om een vergunning niet voldoet aan het gestelde in dit artikel kan het college besluiten de aanvraag niet in behandeling te nemen.

HOOFDSTUK 3 TOETSINGCRITERIA

Artikel 3 Standplaatslocaties

1.Het college wijst locaties aan waar in beginsel de enige mogelijkheid bestaat voor het innemen van een standplaats en neemt deze op in een overzicht zoals bedoeld in bijlage A van deze beleidsregels.

2. Bij het beoordelen van locaties zoals bedoeld in lid 1 van dit artikel en bij het beoordelen van de aanvraag voor een vergunning wordt getoetst aan de volgende criteria:

Bescherming openbare orde en veiligheid / beperken overlast

a. de doorgang van hulpdiensten als politie, brandweer en ambulance wordt niet belemmerd (minimaal 3,50 meter vrij);

b. de toegang tot gebouwen wordt niet belemmerd;

c. binnen een straal van 100 meter vanaf de standplaats wordt geen door de gemeente ingestelde weekmarkt gehouden tijdens het innemen van de standplaats;

d. geur- of geluidshinder of enige andere vorm van overlast die te verwachten is voor gebruikers of zakelijk gerechtigden van de in de nabijheid van de standplaats gelegen onroerende zaken kan afdoende worden beperkt door het stellen van voorschriften;

Waarborgen (verkeers)veiligheid

e. de aangevraagde standplaats belemmert niet het uitzicht op kruisingen, oversteekplaatsen of uitritten en dergelijke;

f. de aangevraagde standplaats is niet gelegen op een locatie, die is aangewezen voor belanghebbenden om te parkeren, tenzij op een aangewezen parkeerplaats een (tijdelijk) parkeerverbod is ingesteld;

g. de benodigde vrije doorgang voor het verkeer ter plaatse (voetgangers, fietsers, gemotoriseerd verkeer) wordt niet belemmerd;

h. de standplaats werkt niet verstorend of verwarrend op de verkeerskundige inrichting ter plaatse en leidt niet tot onveilige verkeerssituaties of onveilig verkeersgedrag;

i. de standplaats leidt niet tot een onaanvaardbare toename van de parkeerdruk;

Waarborgen redelijke eisen welstand

j. het aanzien van monumentale gebouwen of stedenbouwkundige ensembles wordt niet aangetast;

k. het uitzicht op monumenten of kunstobjecten wordt niet aangetast;

l. de aangevraagde standplaats bevindt zich niet op de bij de gemeente in beheer zijnde gazons of groenstrook;

m. er wordt voldaan aan de gestelde brandveiligheidsvoorschriften, zoals genoemd onder bijlage C van deze beleidsregels.

3. Het college kan het aantal te verstrekken vergunningen per locatie beperken, indien:

a. er sprake is van ongewenste marktvorming;

b. er ruimtelijk beperkingen zijn op de aangevraagde locatie;

c. de openbare orde en veiligheid in gevaar wordt gebracht.

4. Het college kan de standplaatslocaties zoals bedoeld in bijlage A van deze beleidsregels periodiek actualiseren. 5. Het college kan voor het innemen van tijdelijke standplaatsen afwijken van de aangewezen standplaatslocaties zoals bedoeld in bijlage A van deze beleidsregels.

Artikel 4 Voorzieningenniveau

  • 1.

    Bij uitvoering van artikel 5:18, lid 3, sub b. van de Apv wordt onderscheid gemaakt in branchering zoals vermeld onder bijlage B van deze beleidsregels.

  • 2.

    Het college kan de aanvraag tot het innemen van een standplaats voor een specifieke branche weigeren, indien:

    • a.

      er binnen het betreffende verzorgingsgebied voor de consument slechts één winkel van dezelfde branche is vertegenwoordigd;

    • b.

      er sprake is van een nieuw opgezet winkelgebied, waarbij de winkeliers binnen een aanloopperiode gevrijwaard van concurrentie dienen te zijn.

Artikel 5 Eisen standplaatswagen

  • 1.

    De oppervlakte van een standplaatswagen bedraagt ten hoogte 25 vierkante meter, mits de beschikbare ruimte dit toelaat.

  • 2.

    De oppervlakte voor eventuele uitstallingen behorende bij de standplaatswagen bedraagt ten hoogte 5 vierkante meter, mits de beschikbare ruimte dit toelaat.

  • 3.

    De vergunninghouder mag de standplaatswagen alleen plaatsen en geplaatst hebben op de dagen waarvoor vergunning is verleend.

  • 4.

    Tijdens dagen waarvoor vergunning is verleend mag vergunninghouder vanaf één uur voor aanvang tot één uur na aanvang van de verkoopactiviteit de standplaatswagen plaatsen en geplaatst hebben.

  • 5.

    Het college kan bij het verlenen van een vergunning voor een tijdelijke standplaats afwijken van het gestelde in dit artikel.

HOOFDSTUK 4 VOORWAARDEN STANDPLAATSVERGUNNING

Artikel 6 Vergunninghouder

  • 1.

    Een standplaats moet door de vergunninghouder persoonlijk worden ingenomen en mag de standplaats niet aan een ander afstaan of in gebruik geven.

  • 2.

    De vergunninghouder legitimeert zich op verzoek van daartoe bevoegde toezichthouders door middel van een geldig identiteitsbewijs.

  • 3.

    De vergunninghouder mag zich op de standplaats laten bijstaan door derden.

  • 4.

    Bij ziekte en vakantie van de vergunninghouder kan het college op verzoek van de vergunninghouder van een standplaats toestemming verlenen voor tijdelijke vervanging door een derde.

Artikel 7 Dagen en tijden

De bepalingen uit de Winkeltijdenwet en –verordening zijn onverminderd van toepassing op standplaatsen voor zover er sprake is van het verkopen of het ter verkoop aanbieden van goederen.

Artikel 8 Duur vergunning

Een vergunning voor een standplaats wordt voor onbepaalde tijd verleend.

Artikel 9 Kermissen

Tijdens de jaarlijkse kermissen zijn de vaste standplaatsen op de betrokken locaties niet te benutten.

Artikel 10 Voorschriften vergunning

1.Een standplaatsvergunning vermeldt in ieder geval:

a. de naam en voornamen, de geboortedatum en –plaats, het adres en de woonplaats van de vergunninghouder;

b. de toegewezen standplaats met vermelding van de afmetingen ervan, inclusief een gewaarmerkte tekening;

c. de branche waartoe de vergunninghouder behoort;

d. de wijze waarop de vergunninghouder zijn elektriciteit betrekt;

e. dat de vergunninghouder zelf zorg draagt voor de inzameling en afvoer van zijn afval en dat hij zijn standplaats schoon oplevert;

f. de brandveiligheidseisen die eventueel van toepassing zijn.

2. Het college kan extra voorschriften aan de vergunning verbinden ter bescherming van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu.

HOOFDSTUK 5 OVERIGE BEPALINGEN

Artikel 11 Kosten

  • 1.

    Voor het aanvragen van een vergunning zijn leges verschuldigd op grond van de geldende legesverordening.

  • 2.

    Voor het innemen van een standplaats zijn periodiek staangelden verschuldigd.

  • 3.

    3Indien een vergunninghouder gebruik maakt van gemeentelijke nutsvoorzieningen worden hiervoor kosten in rekening gebracht.

Artikel 12 Overdracht

1.Een standplaatsvergunning is in beginsel niet overdraagbaar.

2. Van het gestelde in lid 1 van dit artikel kan het college in bijzondere gevallen besluiten af te wijken indien hiervoor een schriftelijk verzoek wordt ingediend door een vergunninghouder.

Artikel 13 Intrekking vergunning

Een standplaatsvergunning kan worden ingetrokken:

a. op schriftelijk verzoek van de vergunninghouder;

b. indien de vergunninghouder niet meer voldoet aan de in deze beleidsregels genoemde vereisten;

c. indien als gevolg van infrastructurele-, herinrichtings- of reconstructiewerkzaamheden aan de openbare weg of de openbare ruimte evenals wijzigingen van het bestemmingsplan geen gebruik meer kan worden gemaakt van de vergunning;

d. indien ter verkrijging van de vergunning onjuiste dan wel onvolledige gegevens zijn verstrekt;

e. indien de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de vergunning verbondenvoorschriften en beperkingen;

f. indien de vergunninghouder drie aaneengesloten maanden geen gebruik maaktvan de verleende vergunning, zonder toestemming van de gemeente;

g. indien de vergunninghouder niet voldoet aan de financiële verplichtingen als bedoeld in artikel 11 van deze beleidsregels;

h. bij overlijden van de vergunninghouder.

HOOFDSTUK 6 OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 14 Overgangsbepaling

1.Op de voor de inwerkingtreding van deze beleidsregels ingediende aanvragen waarop nog niet is beslist zijn deze beleidsregels van toepassing.

2. Vergunningen die zijn verleend voor vaststelling van deze beleidsregels blijven van kracht tot en met de geldigheidstermijn van deze vergunningen zolang de weigeringsgronden uit artikel 1:8 van de Apv niet van toepassing zijn.

Artikel 15 Inwerkingtreding

1.Deze beleidsregels treden in werking op de eerste dag na bekendmaking ervan.

2. Deze beleidsregels worden bekendgemaakt op de gemeentepagina in de Moerdijkse Bode en op de website van de gemeente.

3. De ‘Beleidsregels standplaatsen gemeente Moerdijk 2008’ vastgesteld op 22 januari 2008 worden ingetrokken op de dag van inwerkingtreding van deze beleidsregels.

Artikel 16 Citeertitel

Deze beleidsregels kunnen worden aangehaald als ‘Standplaatsenbeleidgemeente Moerdijk’.

Vastgesteld in de vergadering van het college d.d. XX,

de gemeentesecretaris, de burgemeester,

A.E.B. Kandel J.P.M. Klijs

BIJLAGE A OVERZICHT STANDPLAATSLOCATIES 2016 (per 1-6-2016)

Dorp

Locatie

Aantal

Gemeentelijke elektra aanwezig?

Opmerking(en)

Zevenbergen

De Donk

1

   
 

Haveneind

0 (3)

 

Pas beschikbaar vanaf begin 2019

 

Kerkhofweg

1

 

Beperkt beschikbaar i.v.m. aangewezen parkeerplek

 

Kristallaan

1

 

Uitsluitend beschikbaar voor dierenarts

 

Markt

2 (0)

Vervalt per 1-6-17

Niet op dinsdag i.v.m. weekmarkt

Vanaf heden worden geen nieuwe vergunningen verleend voor deze locatie

 

Zuidhaven

3 (0)

Vervalt per 1-6-17

Vanaf heden worden geen nieuwe vergunningen verleend voor deze locatie

Klundert

Carpoolplaats

2

   
 

Stadhuisring (raadhuis)

1

   
 

Doorsteek

1 (0)

 

Vervalt op termijn na herontwikkeling appartementencomplex Kweeklust

Vanaf heden worden geen nieuwe vergunningen verleend voor deze locatie

Willemstad

Benedenkade

2

 

Alleen geschikt voor kleine verkoopinrichtingen i.v.m. ruimtelijke beperkingen

 

Landpoortstraat

2

 

Beperkt beschikbaar i.v.m. aangewezen parkeerplek

 

Lantaarndijk

3

Beperkt beschikbaar i.v.m. aangewezen parkeerplek

Fijnaart

Voorstraat

2

Beperkt beschikbaar i.v.m. aangewezen parkeerplek

 

Wilhelminastraat

1 (0)

 

Vervalt op termijn i.v.m. herbouwing pand

Vanaf heden worden geen nieuwe vergunningen verleend voor deze locatie

Standdaarbuiten

Markt

1

 

Beperkt beschikbaar i.v.m. aangewezen parkeerplek

 

Molendijk

1

   

Moerdijk

Grintweg

1

 

Beperkt beschikbaar i.v.m. aangewezen parkeerplek

Zevenbergschen Hoek

Lage Zwaluwe

2

 

Uitsluitend o.b.v. tijdelijkheid i.v.m. ontwikkelingen toekomst

 

Plein 1940

2

 

Beperkt beschikbaar i.v.m. aangewezen parkeerplek

Dorp

Locatie

Aantal

Gemeentelijke elektra aanwezig?

Opmerking(en)

Noordhoek

Bisschop Hopmanstraat

4

 

Beperkt beschikbaar i.v.m. aangewezen parkeerplek

Langeweg

Weth. Tromperstraat

2

   

Helwijk

Prins Bernhardplein

1

 

Beperkt beschikbaar i.v.m. aangewezen parkeerplek

BIJLAGE B BRANCHERINGSLIJST

Standplaatsvergunningen worden ingedeeld op basis van de volgende categorieën:

Branche 1: Snacks en aanverwante artikelen (frites, loempia’s, broodjes, etc.)

Branche 2: Vis en aanverwante artikelen

Branche 3: Groenten en fruit

Branche 4: Bloemen en planten

Branche 5: Overige food (o.a. kaas, brood, suikerwaren, etc.)

Branche 6: Non food (diensten en detailhandelsgoederen o.a. tassen, kleding, schoenen, fietsartikelen, etc.)

BIJLAGE C BRANDVEILIGHEIDSVOORSCHRIFTEN

Opstelling mobiele verkoopwagens

  • ·

    De opstelling van bakwagens dient zodanig te worden gekozen, dat brandkranen volledig worden vrij-gehouden en de brandkranen voor onmiddellijk gebruik door de brandweer bereikbaar zijn.

  • ·

    Door geen der geplaatste bakwagens mogen de toegangen of uitgangen van winkels, woningen of andere gebouwen worden versperd of belemmerd.

  • ·

    De opstelling van mobiele bakwagens mag niet onder permanent opgestelde luifels behorende bij de bebouwing geschieden, noch binnen een afstand van 5 meter van deze gevels.

Opstelling kramen met toestellen voor kook- of bakdoeleinden

  • ·

    De opstelling van de betreffende kramen en vrij-opgestelde toestellen voor kook- of bakdoeleinden mag niet onder permanent opgestelde luifels behorende bij de bebouwing geschieden, noch binnen een afstand van 2 meter van deze gevels.

  • ·

    Rondom de vrij opgestelde toestellen voor kook- of bakdoeleinden dient een ruimte van tenminste 2 meter te worden vrij gehouden door middel van dranghekken of een touwafzetting.

  • ·

    Boven kramen waarin toestellen voor kook- of bakdoeleinden staan opgesteld mogen geen luifels of daken worden aangebracht.

Mobiele verkoopwagens

  • ·

    Mobiele verkoopwagens dienen te voldoen aan de eisen zoals gesteld in de NPR2577.

  • ·

    Het hebben van open vuur ter bereiding van gerechten of voor andere verwarmingsdoeleinden, anders dan in speciaal daarvoor ingerichte en vervaardigde apparatuur, is niet toegestaan.

  • ·

    Indien met de verwarmingsapparatuur olie of vet wordt verwarmd, dan dienen in de onmiddellijke nabijheid van de verwarmingsapparatuur goed passende en hanteerbare deksels aanwezig te zijn om pannen of vaatwerk met oververhit of brandend vet of olie af te dekken.

  • ·

    De verwarmingsapparatuur dient te worden opgesteld op onbrandbaar en de warmte slecht geleidend materiaal en moet tenminste 30 cm. verwijderd staan van brandbare verticale afscheidingen of wanden.

  • ·

    Drukhouders zoals gasflessen en -tanks voor butaan en/of propaan moeten zijn goedgekeurd door de Dienst van het Stoomwezen.

  • ·

    Bij de bakinrichtingen (gebakkraam, visbakkerijen, barbeques e.d.) mogen maximaal 3 gasflessen/-tanks, met een gezamenlijke maximale waterinhoud van 115 liter aanwezig zijn;

  • ·

    De voor de bakinrichtingen te gebruiken gasflessen mogen een maximale waterinhoud van 45 liter per fles hebben.

  • ·

    De gasflessen/-tanks moeten zodanig opgesteld zijn dat kranen/aansluitpunten zich aan de bovenzijde bevinden en zij niet voor het publiek bereikbaar zijn.

  • ·

    Zij bij brand gemakkelijk af te sluiten en te verwijderen zijn of bij brand geen enkel gevaar kunnen lopen.

  • ·

    Geen gevaar aanwezig is voor verhitting van de flessen/tanks, door kunstmatige omstandigheden.

  • ·

    Redelijkerwijze kan worden aangenomen dat eventueel lekgas niet in een besloten ruimte kan binnendringen.

  • ·

    In de bakwagens mag in dezelfde ruimte, als waarin de bak- en braadapparatuur staat opgesteld, geen houders voor tot vloeistof verdichte gassen aanwezig zijn of worden gebruikt;

  • ·

    Indien de opslagruimte van de gasflessen deel uitmaakt van de bakwagen dient deze ruimte aan het volgende te voldoen:

    • -

      de ruimte mag uitsluitend voor opslag van de gasflessentank worden gebruikt; - de vloer, wanden en plafondconstructie van de opslagruimte dienen 30 minuten brandwerend en gasdicht ten opzichte van de verkoopruimte te zijn uitgevoerd; - de ruimte mag uitsluitend aan de buitenzijde van de bakwagen toegankelijk zijn en moet door middel van een deur of luik zijn afgesloten; - de ruimte moet direct op de buitenlucht zijn geventileerd door middel van een opening van tenminste 1 dm. Deze opening moet zo laag mogelijk in de buitenwand van de ruimte of in de bodem zijn aangebracht. Gasleidingen en – appendages

  • ·

    De verbinding tussen een brandstoftank en verbruikstoestel bestaat uit een deugdelijke samenstelling van slangen of leidingen en aansluitingen.

  • ·

    De slangverbinding tussen een brandstoftank en verbruikstoestel verkeert in goede staat van onderhoud, is niet uitgedroogd, vertoont geen andere beschadigingen en is niet ouder dan de productspecificatie aangeeft met een maximum van 10 jaar.

  • ·

    De slangen dien te voldoen aan het gestelde in de NEN EN 1763-1 t/m 4 of NEN 5654 of NEN 5658.

  • ·

    De leeftijd van de oranje slang mag maximaal 2 jaar zijn, op de slang moet het jaartal van fabricage en BUTAANGASSLANG B-8-NEN 5654 OF PROPAANGASSLANG P-16-NEN 5654 vermeldt staan.

  • ·

    De leeftijd van de zwarte slang mag maximaal 10 jaar zijn, op de koppeling van de slang staat het jaartal van fabricage en tevens dient op de slang de aanduiding te staan BUTAANGASSLANG - NEN 5658 OF PROPAANGASSLANG - NEN 5658, 0,05 BAR.

  • ·

    De leeftijd van het reduceerventiel mag maximaal 5 jaar zijn, mogelijk staat dit op het reduceerventiel aangeduid.

Kramen met toestellen voor kook- of bakdoeleinden

  • ·

    Toestellen voor kook- of bakdoeleinden mogen alleen met toestemming en volgens aanwijzing van de brandweer in de kramen worden geplaatst.

  • ·

    De verwarmingstoestellen dienen te worden opgesteld op onbrandbaar en de warmte slecht geleidend materiaal en moet tenminste 30 cm. verwijderd staan van brandbare verticale afscheidingen of wanden.

  • ·

    Het hebben van open vuur ter bereiding van gerechten of voor andere verwarmingsdoeleinden, anders dan in speciaal daarvoor ingerichte en vervaardigde toestellen, is niet toegestaan.

  • ·

    Er dienen goed passende en hanteerbare deksels aanwezig te zijn om pannen of vaatwerk met oververhit of brandend vet of olie af te dekken.

  • ·

    In bedrijf zijnde verwarmingstoestellen mogen niet verplaatst worden.

Gebruik van brandstoffen

  • ·

    De verwarming mag geschieden door middel van flessengas Er mogen per kraam niet meer dan twee volle of lege gasflessen tegelijkertijd aanwezig zijn.

  • ·

    De verwarming mag geschieden door middel van vaste brandstof. Deze brandstof dient dan ontstoken te worden door middel van daarvoor geschikte ontstekingsblokjes van vaste brandstof. Het gebruik van vloeibare aansteekmiddelen, zoals spiritus, benzine etc. is niet toegestaan.

Gasleidingen en – appendages

  • ·

    De verbinding tussen een brandstoftank en verbruikstoestel bestaat uit een deugdelijke samenstelling van slangen of leidingen en aansluitingen;

  • ·

    De slangverbinding tussen een brandstoftank en verbruikstoestel verkeert in goede staat van onderhoud, is niet uitgedroogd, vertoont geen andere beschadigingen en is niet ouder dan de productspecificatie aangeeft met een maximum van 10 jaar;

  • ·

    De slangen dien te voldoen aan het gestelde in de NEN EN 1763-1 t/m 4 of NEN 5654 of NEN 5658.

  • ·

    De leeftijd van de oranje slang mag maximaal 2 jaar zijn, op de slang moet het jaartal van fabricage en BUTAANGASSLANG B-8-NEN 5654 OF PROPAANGASSLANG P-16-NEN 5654 vermeldt staan;

  • ·

    De leeftijd van de zwarte slang mag maximaal 10 jaar zijn, op de koppeling van de slang staat het jaartal van fabricage en tevens dient op de slang de aanduiding te staan BUTAANGASSLANG - NEN 5658 OF PROPAANGASSLANG - NEN 5658, 0,05 BAR;

  • ·

    De leeftijd van het reduceerventiel mag maximaal 5 jaar zijn, mogelijk staat dit op het reduceerventiel aangeduid.

Blusmiddelen

  • ·

    Bij de verwarmingsapparatuur dient onder handbereik een blusapparaat met een inhoud van tenminste 6 kg of liter, geschikt voor het blussen van branden van het type A,B en C aanwezig te zijn. De blustoestellen dienen van een rijkskeurmerk te zijn voorzien.

  • ·

    De voorgeschreven blustoestellen dienen 1 x per 2 jaar op goede werking te zijn gecontroleerd, ten bewijze waarvan bij het blusapparaat een keuringsbewijs aanwezig dient te zijn.