Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Moerdijk

Financiële verordening gemeente Moerdijk

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieMoerdijk
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingFinanciële verordening gemeente Moerdijk
CiteertitelFinanciële verordening gemeente Moerdijk
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpfinanciën en economie
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

artikel 212 van de Gemeentewet

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-201801-01-2019Nieuwe regeling

07-12-2017

gmb-2017-230033

Tekst van de regeling

Intitulé

Financiële verordening gemeente Moerdijk

De raad van de gemeente Moerdijk,

 

gezien het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 24 oktober 2017;

 

gelet op:

Artikel 212 van de Gemeentewet,

 

 

BESLUIT

 

vast te stellen de:

 

FINANCIËLE VERORDENING GEMEENTE MOERDIJK

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1. Begripsbepaling

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, het functioneren en het beheersen van (onderdelen van) de organisatie van de gemeente Moerdijk en ten behoeve van de verantwoording die daarover moet worden afgelegd;

  • b.

    inkomsten: totaal van de baten voor toevoegingen en onttrekkingen van reserves;

  • c.

    investeringen: het vastleggen van vermogen in duurzame goederen waarvan het nut zich over meerdere jaren uitstrekt;

  • d.

    nieuwe investeringen: investeringen economisch nut, investeringen maatschappelijk nut en vervangingsinvesteringen;

  • e.

    programma: een samenhangend geheel van (deel)taakvelden, activiteiten en geldmiddelen gericht op het bereiken van vooraf bepaalde maatschappelijke effecten, waaraan indicatoren gekoppeld zijn;

  • f.

    taakveld: eenheden waarin de programma’s, of de eenheden in overzichten en bedragen in het programmaplan, conform het Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) zijn onderverdeeld.

 

Hoofdstuk 2. Begroting en verantwoording

Artikel 2. Programma-indeling

  • 1.

    De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode een programma-indeling voor die raadsperiode vast.

  • 2.

    De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode op voorstel van het college de taakvelden per programma vast.

  • 3.

    De raad stelt op voorstel van het college per programma de beleidsindicatoren vast. Het voorstel van het college bevat ten minste de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

  • 4.

    De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode vast over welke onderwerpen hij in extra paragrafen naast de verplichte paragrafen van de begroting en de jaarstukken kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd.

 

Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken

  • 1.

    Bij de begroting wordt onder elk van de programma’s de begrote lasten en baten per subdoel en per taakveld weergegeven. Bij de jaarstukken wordt onder elk van de programma’s de gerealiseerde lasten en baten per subdoel en per taakveld weergegeven.

  • 2.

    Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven.

  • 3.

    Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt in aanvulling op het bepaalde in artikel 20 en artikel 21 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming, de investeringen en de grondexploitatie.

  • 4.

    In de jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven en inkomsten weergegeven.

 

Artikel 4. Kaders begroting

Het college biedt jaarlijks voor 1 juni aan de raad een nota aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad stelt deze nota voor 15 juli vast.

 

Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten

  • 1.

    De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per programma, per subdoel.

  • 2.

    De lasten van voorziene nieuwe investeringen worden in de begroting opgenomen bij de stelpost nieuw beleid. De raad ontvangt voor deze investeringen in het begrotingsjaar een apart voorstel, waarbij autorisatie plaatsvindt van de benodigde middelen.

  • 3.

    In tegenstelling tot hetgeen bepaald is in lid 2 worden vervangingsinvesteringen bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de begroting geautoriseerd. De lasten gemoeid met deze vervangingsinvesteringen worden verwerkt op het bij het onderwerp behorende product.

  • 4.

    Het college informeert de raad via de tussentijdse rapportages (bestuursrapportages) over verwachte afwijkingen van de door de raad geautoriseerde lasten en baten per programma en geautoriseerde investeringskredieten. Het college doet daarbij voorstellen voor bijstelling van het budget en/of voor bijstelling van het beleid. Deze voorstellen worden via een raadsvoorstel omtrent de tussentijdse rapportages voorgelegd aan de raad.

  • 5.

    In aanvulling op lid 4 informeert het college de raad per kwartaal via een raads-informatiebrief over afwijkingen van geautoriseerde investeringskredieten groter dan 10% met een minimum van € 10.000 en groter dan € 40.000 en verwerkt de financiële gevolgen via de tussentijdse rapportages.

  • 6.

    In aanvulling op lid 4 en 5 is voor afwijkingen groter dan € 100.000 per gebeurtenis vooraf een raadsbesluit nodig, uitgezonderd afwijkingen waar de gemeente geen invloed op heeft. Er mag pas opdracht gegeven worden tot uitvoering, nadat de raad hiermee heeft ingestemd.

  • 7.

    Het college is gemachtigd, om in uitzonderingsgevallen zonder voorafgaand raadsbesluit, de belangen van de gemeente, naar de inzichten op dat moment, zo goed mogelijk te behartigen. Deze omstandigheden zijn aan de orde indien het gemeentebelang in een bepaalde situatie (mogelijke) nadelige gevolgen zou oplopen indien geen beslissing kan worden genomen en ingrijpen geen uitstel duldt. Deze uitzonderingsgevallen worden betiteld als “brandzaak” en terstond na het collegebesluit gemeld aan de raad.

 

 

Artikel 6. Tussentijdse rapportage

  • 1.

    Het college informeert de raad door middel van tussentijdse rapportages over de realisatie van de begroting van de gemeente over de eerste 3 maanden (1e bestuursrapportage) en de eerste 8 maanden (2e bestuursrapportage) van het lopende boekjaar.

  • 2.

    In de tussenrapportages wordt op programmaniveau zowel beleidsmatig als financieel, gerapporteerd op afwijkingen van de begroting. Financiële afwijkingen op lasten en/of baten van € 40.000 of hoger dienen in elk geval te worden toegelicht.

 

Artikel 7. Informatieplicht

Het college informeert in ieder geval vooraf de raad en neemt pas een besluit nadat de raad in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college te brengen voor zover het betreft niet bij de begroting vastgestelde afzonderlijke verplichtingen inzake:

  • a.

    investeringen groter dan € 50.000;

  • b.

    aankoop en verkoop van goederen en diensten groter dan € 25.000;

  • c.

    het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties.

 

Artikel 8. EMU-saldo

Wanneer het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeert het college de raad. De lasten gemoeid met een bijdrage in het EMU-tekort zullen via de jaarrekening worden verwerkt.

 

 

Hoofdstuk 3. Financieel beleid

Artikel 9. Waardering en afschrijving vaste activa

Immateriële en materiële vaste activa worden afgeschreven volgens de methodiek en de termijnen zoals opgenomen in de ‘Notitie Waarderings- en Afschrijvingsbeleid gemeente Moerdijk’.

 

Artikel 10. Voorziening voor oninbare vorderingen

  • 1.

    Voor de vorderingen op verbonden partijen en derden, niet zijnde belastingen/retributies en bijstandsverstrekkingen, wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een beoordeling op inbaarheid van de openstaande vorderingen.

  • 2.

    Voor openstaande vorderingen betreffende belastingen/retributies wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd ter grootte van het historische percentage van oninbaarheid.

  • 3.

    Voor openstaande vorderingen betreffende bijstandsverstrekking wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een beoordeling op inbaarheid van de openstaande vorderingen.

 

Artikel 11. Reserves en voorzieningen

  • 1.

    In de begroting en de jaarrekening vindt toerekening van rente over de reserves en voorzieningen aan de programma’s plaats (bespaarde rente).

  • 2.

    Het college biedt de raad eens in de 4 jaar een nota reserves en voorzieningen aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en behandelt:

    • a.

      de vorming en besteding van reserves;

    • b.

      de vorming en besteding van voorzieningen.

 

Artikel 12. Kostprijsberekening

  • 1.

    Voor het bepalen van het tarief van goederen, werken en diensten van de gemeente, die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt een extracomptabel systeem van kostentoerekening gehanteerd. Bij de kostprijsberekening worden naast de directe kosten, de overheadkosten en de rente van de inzet van vreemd vermogen en reserves en voorzieningen voor de financiering van de in gebruik zijnde activa betrokken.

  • 2.

    Bij de directe kosten worden betrokken de bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa. Voor de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden daarbij ook de compensabele belasting over de toegevoegde waarde (BTW) en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid en de oninbaarverklaringen betrokken.

  • 3.

    Voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijs van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, en van goederen, werken, diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden, wordt uitgegaan van een aandeel in de totale overheadkosten ter grootte van de geraamde directe kosten van de economische categorieën 1.1 Salarissen en sociale lasten en 3.5.1 Ingeleend personeel die worden besteed aan de desbetreffende goederen, werken, diensten en heffingen, gedeeld door de totale geraamde directe kosten van de economische categorieën 1.1 Salarissen en sociale lasten en 3.5.1 Ingeleend personeel.

  • 4.

    Het percentage van de omslagrente voor de toerekening van rente voor de financiering van de in gebruik zijnde activa, bedoeld in het eerste lid, wordt jaarlijks met de begroting vastgesteld. Het percentage van deze omslagrente wordt bepaald uit het gewogen gemiddelde van het bij de begroting geraamde rentepercentage van de rentekosten op de opgenomen langlopende en kortlopende geldleningen en het rentepercentage van de rentevergoeding over de reserves en voorzieningen. De uitkomst van dit percentage van de omslagrente wordt op een half procent afgerond.

 

Artikel 13. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen

  • 1.

    Het college doet de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor de belastingen, rechten en heffingen.

  • 2.

    De raad stelt via de nota grondbeleid, welke eens in de 4 jaar door het college wordt aangeboden, het grondprijzenbeleid vast. Het grondprijzenbeleid bevat de methodieken waarop de vaststelling van de grondprijzen is gebaseerd.

  • 3.

    Het bepalen van de hoogte van alle overige prijzen, niet zijnde grondprijzen, is voorbehouden aan het college.

 

 

Artikel 14. Financieringsfunctie

  • 1.

    Het college neemt bij het uitzetten en het aantrekken van middelen de volgende kaders in acht:

    • a.

      voor het aantrekken van financieringen met een looptijd langer dan één jaar worden tenminste drie prijsopgaven bij verschillende financiële instellingen gevraagd en

    • b.

      er wordt geen gebruik gemaakt van financiële derivaten als bedoeld in artikel 1, onder c, van de Wet financiering decentrale overheden.

  • 2.

    Bij het verstrekken van leningen, het verstrekken van garanties en het verstrekken van risicodragend kapitaal bedingt het college zekerheden.

  • 3.

    Indien er geen zekerheden kunnen worden bedongen zal het college vooraf een voorstel voorleggen aan de raad.

  • 4.

    Het college kan voor de uitvoering van de financieringsfunctie nadere richtlijnen vaststellen in overeenstemming met de geldende wet- en regelgeving. Deze richtlijnen worden voor kennisgeving aan de raad aangeboden.

 

Hoofdstuk 4. Paragrafen

Artikel 15. Paragrafen

  • 1.

    In de begroting en de jaarrekening worden minimaal de verplichte paragrafen opgenomen, alsmede een paragraaf Subsidies. De verplichte paragrafen staan vermeld in het “Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV)”.

  • 2.

    In de paragrafen wordt een toelichting gegeven en verantwoording afgelegd over het gevoerde beleid. Het college gaat daarbij in op tenminste de verplichte onderdelen per paragraaf zoals deze in het BBV zijn opgenomen.

  • 3.

    Indien gewenst kan de raad besluiten om (eventueel tijdelijk) over aanvullende zaken in de paragrafen te worden geïnformeerd. Deze aanvulling zal dan vervolgens onderdeel uitmaken van de toelichting en verantwoording in de paragrafen.

  • 4.

    In het geval dat voor de verplichte paragrafen specifieke beleidsnota’s door het college en/of de raad zijn vastgesteld worden de uitgangspunten en afspraken overgenomen in de begroting. Bij de jaarrekening zal hier mede verantwoording over worden afgelegd. Tevens bereidt het college voorstellen tot aanpassing van de beleidsnota’s voor, indien op grond van gewijzigde omstandigheden of anderszins daar aanleiding toe is.

 

Hoofdstuk 5. Financiële organisatie en financieel beheer

Artikel 16. Administratie

De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor:

  • a.

    het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en in de organisatie-eenheden;

  • b.

    het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden, contracten;

  • c.

    het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties;

  • d.

    het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid;

  • e.

    het afleggen van verantwoording over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving en

  • f.

    de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving.

 

Artikel 17. Financiële organisatie

Het college draagt zorgt voor:

  • a.

    een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de organisatie-eenheden;

  • b.

    een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden en verantwoordelijkheden;

  • c.

    de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten;

  • d.

    de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie;

  • e.

    de te maken afspraken met de organisatie-eenheden over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen;

  • f.

    de kostenverdeelsleutels voor het eenduidig toewijzen van baten en lasten aan de taakvelden;

  • g.

    het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten en

  • h.

    het treffen van voldoende maatregelen binnen de gemeentelijke regelingen en werkprocedures ter voorkoming van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen,

    • 1.

      opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan.

 

Artikel 18. Interne controle

  • 1.

    Het college zorgt ten behoeve van het getrouwe beeld van de jaarrekening, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder a van de Gemeentewet, en de rechtmatigheid van de baten en lasten en de balansmutaties, bedoeld in artikel 213, derde lid, onder b van de Gemeentewet, voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen neemt het college maatregelen tot herstel.

  • 2.

    Het college zorgt voor de systematische controle van de registratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het vermogen van de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren jaarlijks worden gecontroleerd en registergoederen en bedrijfsmiddelen tenminste eenmaal in de 4 jaar. Bij afwijkingen in de registratie neemt het college maatregelen voor herstel van de tekortkomingen.

 

Hoofdstuk 6. Slotbepalingen

Artikel 19. Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2018.

  • 2.

    Vanaf het in het eerste lid genoemde tijdstip wordt de “Financiële verordening gemeente Moerdijk” vastgesteld op 28 april 2011, ingetrokken.

 

Artikel 20. Overgangsbepalingen

De intrekking van de verordening genoemd in artikel 18 lid 2 heeft geen gevolgen voor de geldigheid van op basis van die verordening nader vastgestelde voorschriften en/of richtlijnen en/of opgestelde documenten, voor zover zij niet eerder zijn vervallen of ingetrokken.

 

Artikel 21. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening gemeente Moerdijk.

 

Aldus besloten in de openbare vergadering van de raad, gehouden op 7 december 2017

De griffier,

H.D. Tiekstra,

De voorzitter,

J.P.M. Klijs.

Toelichting op de artikelen Financiële verordening Gemeente Moerdijk

 

Artikel 1. Begripsbepaling

Voor de gehanteerde begrippen in de verordening gelden de definities uit de Gemeentewet, de Wet Fido, het Besluit begroting en verantwoording Provincies en Gemeenten (BBV) en het Besluit accountantscontrole Provincie en Gemeenten. Overige begrippen uit de verordening zijn in artikel 1 van de verordening gedefinieerd.

 

Artikel 2. Programma-indeling

Dit artikel bevat bepalingen over de inrichting van de begroting en de jaarstukken. De indeling van de programma’s worden bij aanvang van iedere raadsperiode door de raad vastgesteld. Het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten (hierna: BBV) bepaalt in aanvulling hierop dat de taakvelden aan de programma’s worden toegewezen.

Het tweede lid regelt, dat de taakvelden op voorstel van het college aan de programma’s worden toebedeeld.

Het derde lid bepaalt, dat op voorstel van het college de raad beleidsindicatoren per programma vaststelt. Het is het zogenaamde SMART maken van de begroting. Wat de verplichte beleidsindicatoren zijn, volgt uit de (ministeriële) Regeling vaststelling beleidsindicatoren door gemeenten in programma’s en programmaverantwoording, welke zijn grondslag vindt in artikel 25, tweede lid, onder a, van het BBV

 

Overigens bepaalt dit artikel niet dat elke nieuwe raadsperiode de gehele begroting en jaarstukken moeten worden herzien. In de meeste gevallen is dat niet raadzaam. Als de indeling en de gebruikte beleidsindicatoren de vorige raadsperiode goed zijn bevallen, kunnen deze ongewijzigd opnieuw worden vastgesteld. In andere gevallen zijn (kleine) bijstellingen of wijzigingen meestal voldoende.

 

Het BBV schrijft een aantal verplichte paragrafen voor. In een paragraaf wordt de raad integraal over een bepaald thema dat dwars door de begroting loopt, geïnformeerd. Het vierde lid van artikel 2 van de financiële verordening bepaalt dat de raad bij aanvang een nieuwe raadsperiode kan aangeven welke paragrafen hij nog meer wenst. Hierbij kan bijvoorbeeld gedacht worden aan een paragraaf subsidies of een paragraaf duurzaamheid.

 

Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken

In dit artikel zijn aanvullend op het BBV bepalingen opgenomen voor de inrichting van de begroting en jaarrekening. Het artikel schrijft voor, dat de baten en lasten onder de programma’s in de begroting en jaarrekening per subdoel (werkwijze Moerdijk) en per taakveld (verplicht via BBV) worden weergegeven.

In het tweede lid wordt de verplichting in het BBV (artikel 20) om in de begroting aandacht te besteden aan de investeringen nader uitgewerkt, d.w.z. door te bepalen dat van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet wordt weergegeven.

Het derde lid bepaalt, dat in aanvulling op het bepaalde in het BBV de gevolgen van de begroting en meerjarenraming voor de gemeentelijke schuldpositie inzichtelijk worden gemaakt.

In het vierde lid wordt voor de jaarrekening het inzicht in de uitputting van investeringskredieten geregeld.

 

Artikel 4. Kaders begroting

Artikel 4 biedt de kaders voor het opstellen van de begroting en de meerjarenraming. Dit in aanvulling op de bepalingen van de artikelen 189 en 193 van de Gemeentewet en het BBV.

Bepaald wordt dat de gemeenteraad vooraf aan het opstellen van de begroting een nota vaststelt, waarin de hoofdlijnen voor het beleid en de financiële kaders voor de komende jaren zijn vastgelegd. De kaders geven richting aan het college voor het opstellen van de begroting en de meerjarenraming.

 

Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten

Artikel 5 bevat nadere regels voor de autorisatie van de baten en lasten in de begroting en van de investeringskredieten. Op grond van artikel 189 van de Gemeentewet berust het budgetrecht bij de raad. De raad neemt uiteindelijk de beslissing welke bedragen zij voor taken en activiteiten op de begroting beschikbaar stelt. Gedurende het begrotingsjaar kan de raad op grond van artikel 192 van de Gemeentewet besluiten nemen voor het wijzigen van de begroting. De raad kan kiezen op welk niveau hij budgetten beschikbaar stelt. Autorisatie van de baten en de lasten vindt plaats op het niveau van programma’s, per subdoel.

Naast lopende uitgaven doet een gemeente investeringen. Van de voorziene investeringen die bekend zijn ten tijde van opstellen van de begroting worden de lasten verwerkt op de ‘stelpost nieuw beleid’. Deze middelen komen pas beschikbaar komen nadat een afzonderlijk voorstel aan de raad is gedaan en de raad hiermee heeft ingestemd. In het 3e lid is geregeld dat vervangingsinvesteringen bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de begroting worden geautoriseerd.

Het college dient verwachte afwijkingen van de geautoriseerde baten, lasten en investeringskredieten te melden aan de raad (4e lid). Verder is geregeld dat het college aan de raad voorstellen doet hoe om te gaan met de afwijkingen (bijstelling budget en/of bijstelling beleid).

 

Artikel 6. Tussentijdse rapportage

Een belangrijk onderdeel van de planning- en controlcyclus voor de raad zijn de tussenrapportages. Op basis van tussenrapportages wordt de raad geïnformeerd over de uitputting van budgetten en investeringskredieten en de voortgang van de uitvoering van het beleid (eerste lid). De genoemde maanden (3 en 8 maanden) sluiten aan bij de huidige praktijk. Dit is van belang omdat op deze wijze de info van de 1e bestuursrapportage beschikbaar is bij de behandeling van de Kadernota en de info van de 2e bestuursrapportage beschikbaar is bij de behandeling van de begroting.

 

Het tweede lid bepaalt welke afwijkingen ten opzichte van de begroting het college in de tussenrapportages moet toelichten. Afwijkingen die lager zijn dan € 40.000 maar wel politiek relevant dienen ook te worden toegelicht.

 

Artikel 7. Informatieplicht

In artikel 7 van de Financiële verordening is een nadere invulling van de informatieplicht van het college aan de raad opgenomen. Het betreft een uitwerking van het vierde lid van artikel 169 van de Gemeentewet. Dat artikel verplicht het college vooraf aan het aangaan van bepaalde verplichtingen de raad inlichtingen te verstrekken, indien de raad daar om verzoekt of indien de uitoefening van deze bevoegdheden van het college ingrijpende gevolgen heeft voor de gemeente.

In artikel 7 verzoekt de raad het college om informatie vooraf met betrekking tot het aangaan van de opgesomde rechtshandelingen met een financieel gevolg, indien het aangaan van deze verplichtingen de in het artikel genoemde bedragen overschrijden. Binnen de genoemde bedragen en voorwaarden mag het college zelfstandig verplichtingen aangaan. De verplichtingen kunnen zaken betreffen die nog niet in de begroting zijn opgenomen dan wel betrekking hebben op activiteiten die wel in de begroting zijn opgenomen, maar waartoe het budget ontoereikend is. De verplichtingen mogen geen nieuw beleid betreffen.

De bepalingen uit het artikel ontslaan het college niet van de informatieplicht in andere gevallen.

 

Artikel 8. EMU-saldo

Voor gemeenten is in de Wet houdbare overheidsfinanciën vastgelegd dat ze aandeel hebben in plafond voor het totale EMU-tekort van Nederland. Wordt dit gemeentelijk aandeel in het EMU-tekort door de gezamenlijke gemeenten overschreden dan kan dat tot een correctieve maatregel van het Rijk leiden of tot een boete uit Europa die naar gemeenten wordt door vertaald. Maar het kan ook zijn dat de overschrijding niet erg is.

Gemeenten krijgen in het voorjaar van het Rijk bericht of het gemeentelijk aandeel in het nationale toegestane EMU-tekort met de lopende begroting dreigt te worden overschreden. Ook wordt dan duidelijk of daarop actie van gemeenten is gewenst. Pas als dit laatste het geval is, moeten gemeenten met een individueel EMU-saldo hoger dan gemeentelijke EMU-referentiewaarde hun begroting neerwaarts bijstellen om de overschrijding van het collectieve aandeel ongedaan te maken.

In het artikel is opgenomen dat het college de raad informeert bij een overschrijding van het toegestane EMU-tekort voor alle gemeenten. Mocht de beschreven situatie zich voordoen zal het college de raad informeren via de tussentijdse rapportages of via een afzonderlijke raadsinformatiebrief (afhankelijk van de omvang van de overschrijding). De lasten gemoeid met een bijdrage in het EMU-tekort worden via de jaarrekening verwerkt.

 

Artikel 9. Waardering & afschrijving vaste activa

In dit artikel is vastgelegd dat waardering en afschrijving van vaste activa gebeurt volgens hetgeen staat vermeld in de Notitie Waarderings- en Afschrijvingsbeleid gemeente Moerdijk.

 

Artikel 10. Voorziening voor oninbare vorderingen

Voor de oninbaarheid van vorderingen moet een gemeente een voorziening vormen. Dit artikel bevat regels voor het vaststellen van de hoogte van deze voorziening. Bij het artikel is onderscheid gemaakt tussen gemeentelijke aanslagen en heffingen die het karakter hebben van bulkfacturen en overige vorderingen.

Vorderingen van de gemeente worden beoordeeld op oninbaarheid. Maar voor de in het tweede lid genoemde gemeentelijke aanslagen en heffingen wordt een voorziening getroffen op basis van het historisch percentage van oninbaarheid. Op zich zijn de bepalingen van artikel 9 niet noodzakelijk. De accountant controleert bij zijn controle van het getrouwe beeld van de jaarrekening sowieso de hoogte van deze voorziening. Hij zal indien over de waarderingsgrondslagen geen afspraken bestaan, mogelijk aandringen op het hanteren van een methodiek voor het onderbouwen van de hoogte van deze voorziening. Het is echter niet verkeerd om de huidige systematiek vast te leggen in de verordening. De formulering van artikel 9 komt dus overeen met de huidige werkwijze.

 

Artikel 11. Reserves en voorzieningen

Het eerste lid bepaalt dat voor de toerekening van rentelasten en rentebaten in de begroting en jaarstukken een rentevergoeding over reserves en voorzieningen wordt meegenomen (bespaarde rente).

In het tweede lid is bepaald dat het college eens in de 4 jaar een nota reserves en voorzieningen aanbiedt aan de raad, waarin het beleid daaromtrent is opgenomen.

 

Artikel 12. Kostprijsberekening

Artikel 212 Gemeentewet bepaalt in het tweede lid, onder b, dat de verordening in ieder geval de grondslagen bevat voor de berekening van de door het gemeentebestuur in rekening te brengen prijzen en van tarieven voor rechten als bedoeld in artikel 229b en heffingen als bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer. De grondslagen voor de prijzen die de gemeente bij overheidsbedrijven en derden in rekening brengt, en voor de tarieven van rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht, worden gevormd door de opbouw van de kostprijs. Met de herziening van het BBV met ingang van 2017 moeten de overheadkosten apart worden verantwoord. Ze worden bij de gemeente niet meer doorberekend aan de taakvelden. Daarmee vervalt de mogelijkheid om de integrale kostprijzen in de administratie van de baten en lasten in beeld te brengen. De kostprijzen moeten daarom extracomptabel worden berekend en vastgelegd. Het eerste lid van artikel 11 bepaalt, dat de kostprijsberekeningen extracomptabel worden vastgelegd en dat de kostprijzen bestaan uit de directe kosten en een opslag voor de overhead en voor de rente over de inzet van eigen en vreemd vermogen.

Het tweede lid bepaalt, dat ook bijdragen aan en onttrekkingen van voorzieningen voor de noodzakelijke vervanging van de betrokken activa en de afschrijvingskosten van de in gebruik zijnde activa worden betrokken bij de kostprijsberekening. Voor de gemeentelijke rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht zoals de rioolheffing, worden in de kostprijsberekening ook de compensabele BTW en de gederfde inkomsten van het kwijtscheldingsbeleid meegenomen.

Het derde lid geeft de definitie van de kostenverdeelsleutel voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijzen van rechten en heffingen waarmee de gemeente kosten in rekening brengt zoals de afvalstoffenheffing, en voor de toerekening van de overheadkosten aan de kostprijzen van goederen, werken en diensten die door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden geleverd. Er wordt voor de toerekening van de overheadkosten bepaalt, dat deze plaatsvindt naar rato van het aandeel van de personeelslasten inclusief inhuur derden in de totale personeelslasten inclusief inhuur derden.

 

Artikel 13. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen

Het vaststellen van de tarieven voor belastingen, rechten en leges is een bevoegdheid van de raad. Deze bevoegdheid kan niet worden gedelegeerd (artikel 156 Gemeentewet). Het eerste lid van het artikel bepaalt dat de raad de tarieven voor de belastingen, rechten en leges jaarlijks vaststelt. De raad stelt de methodiek waarop de grondprijzen worden gebaseerd, vast via de nota grondbeleid (tweede lid). Het bepalen van de hoogte van alle overige prijzen, niet zijnde grondprijzen, is voorbehouden aan het college. Dit is geregeld in het derde lid.

 

Artikel 14. Financieringsfunctie

Artikel 212 van de Gemeentewet bevat de bepaling dat de financiële verordening in elk geval regels voor de algemene doelstelling en de te hanteren richtlijnen en limieten van de financieringsfunctie bevat. Artikel 13 geeft invulling aan deze plicht. Het artikel bevat kaders voor het financieringsbeleid. De kaders voor de financiële organisatie van de financieringsfunctie staan in artikel 16.

In aanvulling op de regels uit de wet Financiering decentrale overheden en daaruit volgende besluiten en regelingen stelt het tweede lid een aantal aanvullende kaders. Zo mag geen gebruik worden gemaakt van financiële derivaten.

Gemeenten mogen alleen leningen en garanties verstrekken en financiële participaties aangaan voor het behartigen van een publiek belang (artikel 2 Wet Fido). Daarbij bepaalt het tweede lid van artikel 160 van de Gemeentewet dat een besluit tot de oprichting van en de deelneming in stichtingen, maatschappen, vennootschappen, verenigingen, coöperaties en onderlinge waarborgmaatschappijen niet eerder wordt genomen dan nadat de raad een ontwerpbesluit is toegezonden en hij zijn wensen en bedenkingen ter kennis van het college heeft kunnen brengen.

Het tweede lid draagt het college op bij het verstrekken van leningen, garanties en kapitaal zo mogelijk zekerheden te bedingen om zo het financiële risico waaraan de gemeente bloot komt te staan te verminderen.

Het derde lid bepaalt dat het college de bevoegdheid wordt gegeven om nadere richtlijnen op te stellen. Het college heeft hier al gebruik van gemaakt door vaststelling van het treasurystatuut. Deze aanvullende richtlijnen worden ter informatie aan de raad aangeboden.

 

 

Artikel 15. Paragrafen

Het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten geeft in de artikelen 16 tot en met 21 aan wat er in de paragrafen moet staan. De verplichte paragrafen zijn momenteel:

a) Lokale heffingen

b) Weerstandsvermogen en risicobeheersing

c) Onderhoud kapitaalgoederen

d) Financiering

e) Bedrijfsvoering

f) Verbonden partijen

g) Grondbeleid

 

In het eerste lid is aangegeven dat minimaal de verplichte paragrafen zijn opgenomen, alsmede een paragraaf Subsidies. Indien de raad voor andere onderwerpen een aparte paragraaf wenst, is dit mogelijk.

 

Artikel 16. Administratie

Onder artikel 16 zijn algemene bepalingen opgenomen voor de inrichting van de gemeentelijke administratie. Op hoofdlijnen wordt opgedragen welke gegevens systematisch moeten worden vastgelegd en aan welke eisen deze gegevens en de vastlegging er van moeten voldoen.

 

Artikel 17. Financiële organisatie

Artikel 17 geeft de uitgangspunten voor de financiële organisatie aan en draagt het college op hiervoor zorg te dragen. Het college is op grond van artikel 160 Gemeentewet bevoegd regels te stellen over de ambtelijke organisatie. Deze bevoegdheid betreft ook het stellen van regels voor de financiële organisatie, blijkt uit het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State en het Nader rapport uit 2003 over de wijziging van artikel 212 Gemeentewet.

Artikel 17 geeft een opsomming op welke terreinen van de financiële organisatie het college beleid en interne regels moet stellen. Om hier invulling aan te geven ligt het voor de hand dat het college een organisatiebesluit, een budgethoudersregeling en een treasurystatuut (zie ook artikel 13, lid 3) vaststelt en dat het college de volmachten en mandaten alsook de kostenverdeelsleutels voor de (extracomptabele) kostentoerekening vastlegt.

Bij het beleid en interne regels voor de inkoop en aanbesteding kan gedacht worden aan het inkoopbeleid en ook aan gemeentelijke inkoopvoorwaarden.

In geval van misbruik en oneigenlijk gebruik gaat het bijvoorbeeld om het treffen van voldoende verificatiemaatregelen vooraf van de antecedenten van een aanvrager van een gemeentelijke subsidie, zodat subsidies wel daadwerkelijk worden verstrekt aan rechthebbenden. De toetsing op misbruik en oneigenlijk gebruik maakt onderdeel uit van de periodieke interne controle op de uitvoering van de gemeentelijke regelingen en werkprocedures (artikel 18).

De uitgangspunten voor de financiële organisatie zijn nodig om voor het financieel beheer en beleid aan de eisen voor rechtmatigheid, controle en verantwoording te voldoen. Ze creëren de randvoorwaarden waarop de interne controle en de accountantscontrole kan steunen bij het onderzoek naar de rechtmatigheid van de beheershandelingen en getrouwheid van de jaarrekening.

 

Artikel 18. Interne controle

De accountant toetst jaarlijks of de gemeenterekening een getrouw beeld geeft van de gemeentelijke financiën en of de (financiële) beheershandelingen die eraan ten grondslag liggen rechtmatig zijn verlopen. Het eerste lid van artikel 18 draagt het college op maatregelen te treffen zodat gedurende het jaar of vooraf aan de accountantscontrole de gemeente zelf nagaat of de cijfers in de administraties een getrouw beeld geven en of de financiële beheershandelingen die aan de baten, de lasten en de balansmutaties ten grondslag liggen rechtmatig (zijn) verlopen.

Het tweede lid bepaalt, dat het college maatregelen treft, zodat wordt gecontroleerd of de administratie van materiële bezittingen zoals gebouwen, voertuigen, computers, voorraden en de administratie van het financieel vermogen zoals aandelen en overeenkomsten van leningen, geldmiddelen, debiteurenvorderingen e.d. overeenkomen met hetgeen de gemeente daadwerkelijk bezit. Voor veel van deze bezittingen wordt een jaarlijkse controle gevraagd.

Daarnaast is geregeld dat minimaal eens in de 4 jaar wordt gecontroleerd of de administratie van registergoederen en bedrijfsmiddelen overeenkomt met het daadwerkelijke bezit.

 

Artikel 19. Inwerkingtreding

De verordening treedt in de plaats van de vorige op grond van artikel 212 van de Gemeentewet ingestelde verordening.

 

Artikel 20. Overgangsbepalingen

Op basis van de oude verordening zijn door het college nadere richtlijnen en/of voorschriften en/of documenten opgesteld (bv. treasurystatuut). Om ervoor te zorgen dat deze richtlijnen/voorschriften/documenten van kracht blijven is dit artikel opgenomen.