Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Gemeente Nijmegen

CAR/UWO

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente Nijmegen
Officiële naam regelingCAR/UWO
Citeertitel
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerppersoneel en organisatie
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Onbekend

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

28-02-201128-02-2011Onbekend

28-02-2011

Onbekend

31-01-2011nieuwe regeling

31-01-2011

Geen bron

Geen

Tekst van de regeling

1 Algemene bepalingen

Artikel 1:1 Begripsomschrijvingen
  • 1 Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt verstaan onder:

    • a

      ambtenaar: hij die door of vanwege de gemeente is aangesteld om in openbare dienst werkzaam te zijn alsmede hij met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan;

    • b

      betrekking: het geheel van werkzaamheden dat door de ambtenaar is te verrichten;

    • c

      pensioenwet: de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die gold tot en met 31 december 1995;

    • d

      pensioen: een pensioen in de zin van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;

    • e

      arbeidsduur: de vooraf vastgestelde omvang van het aantal uren in een bepaalde periode gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht;

    • f

      arbeidsduur per dag: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde dag is vastgesteld;

    • g

      formele arbeidsduur per week: de arbeidsduur volgens de aanstelling;

    • h

      feitelijke arbeidsduur per week: de arbeidsduur zoals die voor de ambtenaar voor een bepaalde week is vastgesteld;

    • i

      seniorenarbeidsduur: de voor een ambtenaar, die in aanmerking komt voor het bepaalde in hoofdstuk 5 geldende arbeidsduur per week, die gelijk is aan de arbeidsduur volgens de aanstelling;

    • j

      arbeidsduur per jaar: de naar jaarbasis herleide formele arbeidsduur per week, gecorrigeerd voor feestdagen;

    • k

      volledige betrekking: een betrekking waarbij de arbeidsduur per jaar ten hoogste 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per week 36 uur bedraagt;

    • l

      overwerk: werkzaamheden door de ambtenaar in dienstopdracht verricht buiten de feitelijke arbeidsduur per week;

    • m

      werkdag: een dag waarop de ambtenaar arbeid moet verrichten;

    • n

      werktijd: de periode tussen vastgestelde tijdstippen gedurende welke door de ambtenaar arbeid moet worden verricht;

    • o

      uurloon: 1/156 gedeelte van het -zo nodig naar een volledige betrekking herberekende- salaris van de ambtenaar per maand;

    • p

      Zvw: de Zorgverzekeringswet;

    • q

      CAR: Collectieve arbeidsvoorwaardenregeling voor de sector gemeenten;

    • r

      UWO: Uitwerkingsovereenkomst;

    • s

      functioneringstoelage: een toelage die aan de ambtenaar wordt toegekend op grond van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en ijver;

    • t

      waarnemingstoelage: een vergoeding die wordt toegekend aan de ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt, indien voor die betrekking een hogere schaal geldt dan voor de eigen betrekking;

    • u

      LOGA: Landelijk Overleg Gemeentelijke Arbeidsvoorwaarden;

    • v

      WAO: de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

    • w

      arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschikt in de zin van artikel 18, eerste lid, van de WAO;

    • x

      WAO-uitkering: een uitkering op grond van de WAO;

    • y

      WIA: Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen;

    • z

      IVA: regeling inkomensvoorziening volledig arbeidsongeschikten;

    • aa

      IVA-uitkering: de uitkering bij volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid op grond van de WIA;

    • bb

      WGA: Regeling werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten;

    • cc

      WGA-uitkering: de werkhervattingsuitkering gedeeltelijk arbeidsgeschikten op grond van de WIA;

    • dd

      WAJONG: Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening voor jong gehandicapten;

    • ee

      WAZ: Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen;

    • ff

      Waz [Klik hier om het document te downloaden] : Wet arbeid en zorg;

    • gg

      SUWI: de wet Structuur Uitvoeringsorganisatie Werk en Inkomen;

    • hh

      uitvoeringsinstelling: een uitvoeringsinstelling als bedoeld in artikel 39, derde lid, van de Organisatiewet sociale verzekeringen 1997;

    • ii

      pensioenreglement: het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP;

    • jj

      WPA: de Wet privatisering ABP;

    • kk

      FPU-regeling: regeling flexibel pensioen en uittreden, bedoeld in artikel 2 van de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel;

    • ll

      FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering: het reglement zoals bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Centrale Vut-overeenkomst overheids- en onderwijspersoneel;

    • mm

      deeltijdbetrekking: een betrekking waarbij de arbeidsduur per jaar minder dan 1836 uur bedraagt en de formele arbeidsduur per week minder dan 36 uur bedraagt;

    • nn

      ZW: de Ziektewet;

    • oo

      ZW-uitkering: ziekengeld of uitkering krachtens de ZW;

    • pp

      UWV: het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen, als bedoeld in hoofdstuk 5 van de wet SUWI.

  • 2 Tot de openbare dienst van de gemeente behoren alle diensten en bedrijven door de gemeente beheerd.

Artikel 1.1.0.1 Arbeidsduur per jaar

De gemiddelde arbeidsduur per jaar bedraagt in de gemeente Nijmegen 1827,3 uur in plaats van 1836 uur zoals vastgesteld in artikel 1:1 sub k. In de gemeente Nijmegen zijn 5 mei en de vrijdagmiddag na de Nijmeegse vierdaagse namelijk ook lokale feestdagen. Opgemerkt dient te worden dat de vergoeding met betrekking tot zon- en feestdagen niet van toepassing is coor deze lokale feestdagen.

Artikel 1:2 Geen ambtenaar
  • 1 Voor de toepassing van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst wordt niet als ambtenaar beschouwd:

    • a

      het onderwijzend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs;

    • b

      het onderwijsondersteunend personeel bij een inrichting van openbaar onderwijs, indien zij belanghebbenden zijn in de zin van het Rechtspositiebesluit onderwijspersoneel;

    • c

      de (buitengewoon) ambtenaar van de burgerlijke stand als zodanig;

    • d

      de onbezoldigd gemeenteambtenaar als genoemd in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, c, d en e van de Gemeentewet;

    • e

      de directeur van de RDW Dienst Wegverkeer die tevens is benoemd tot onbezoldigd ambtenaar der gemeentelijke belastingen;

    • f

      de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is zonder opsporingsbevoegdheid;

    • g

      de onbezoldigd gemeenteambtenaar die toezichthouder is met opsporingsbevoegdheid;

    • h

      hij die een indicatie heeft voor de sociale werkvoorziening en op grond daarvan op basis van een arbeidsovereenkomst in dienst is van de gemeente, met uitzondering van de geïndiceerde die werkzaam is bij de gemeente in het kader van begeleid werken als bedoeld in artikel 7 van de Wet sociale werkvoorziening;

    • i

      de ambtenaar als bedoeld in artikel 1.1, onder “medewerker”, van de sector-cao Ambulancezorg.

  • 2 Voor toepassing van onderdeel f of g van het eerste lid is, afhankelijk van de lokale bevoegdheidsverdeling tussen het georganiseerd overleg en de ondernemingsraad, overeenstemming vereist in het georganiseerd overleg of instemming vereist van de ondernemingsraad.

  • 3 Op de ambtenaar die aangesteld is als vrijwilliger bij de gemeentelijke brandweer is alleen hoofdstuk 19 en hoofdstuk 19a van toepassing.

Artikel 1:2:1 Geen ambtenaar
  • 1 Op de ambtenaar met wie een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is aangegaan zijn artikel 3:3, 3:3:1, 7:24a, 7:25, 7:25a, 7:25b en de hoofdstukken 17 en 18 niet van toepassing.

  • 2 Op de ambtenaar die is aangesteld hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming zijn de hoofdstukken 3, 7, 10d, 11a en 17 niet van toepassing

  • 3 Op de ambtenaar die is aangesteld als vakantiekracht zijn de hoofdstukken 3, 10d en 17 niet van toepassing.

  • 4 Op de ambtenaar die is aangesteld voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen, zijn de hoofdstukken 3, 10d en 11a niet van toepassing.

Artikel 1:2:2 Leer-werkbaan
  • 1

    Het college kan een werkzoekende een leer-werkbaan aanbieden.

  • 2

    Als werkzoekende bedoeld in dit artikel wordt aangemerkt hij die tussen de 16 en 25 jaar oud is en minimaal 3 maanden geregistreerd staat als werkzoekend bij het CWI.

  • 3

    De leer-werkbaan start met een periode van minimaal drie en ten hoogste zes maanden, waarin de werkzoekende door middel van een werkstage op een door het college aangewezen plaats werkervaring kan opdoen. De werkzoekende wordt in deze periode niet beschouwd als ambtenaar.

  • 4

    Het college draagt tijdens de werkstage zorg voor adequate begeleiding van de werkzoekende.

  • 5

    Indien de periode bedoeld in het derde lid succesvol verlopen is kan het college de werkzoekende aansluitend in tijdelijke dienst aanstellen voor een periode van ten hoogste anderhalf jaar.

  • 6

    De werkzoekende die in tijdelijke dienst is aangesteld wordt bezoldigd overeenkomstig schaal 1.

  • 7

    Gedurende de tijdelijke aanstelling zorgt het college voor adequate begeleiding van de werkzoekende en vindt zo nodig scholing plaats op kosten van de gemeente.

  • 8

    Op de werkzoekende met een tijdelijke aanstelling is de CAR-UWO van toepassing, met uitzondering van de hoofdstukken 3, 10d, 11a en 17.

Artikel 1:2:3 Instapplan
  • 1

    Het college kan een werkzoekende via het aanbieden van een instapplan de mogelijkheid geven om werkervaring te verkrijgen.

  • 2

    Als werkzoekende bedoeld in dit artikel wordt aangemerkt hij die tussen de 16 en 25 jaar oud is en minimaal 3 maanden geregistreerd staat als werkzoekend bij het CWI.

  • 3

    In het kader van het instapplan biedt het college de werkzoekende een tijdelijke aanstelling aan voor ten hoogste een half jaar.

Artikel 1:3 Toepassing
  • 1 De bepalingen van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst vinden ten aanzien van ambtenaren, omtrent wier rechtstoestand bij of krachtens de wet regelen zijn gesteld, slechts toepassing, voor zover bij of krachtens de wet die rechtstoestand niet is geregeld.

  • 2 Bij besluit van het college kan de toepasselijkheid van deze regeling en de uitwerkingsovereenkomst of van delen daarvan op ambtenaren of groepen ambtenaren om bijzondere redenen worden uitgesloten. Het voornemen een besluit te nemen, bedoeld in de eerste volzin, wordt - met redenen omkleed - gemeld bij het secretariaat van het LOGA. Deze melding kan voor LOGA-partijen aanleiding zijn te besluiten tot een verdere handelwijze.

Artikel 1:3a Toepassing

Voor de toepassing van deze regeling ten aanzien van de griffier en de op de griffie werkzame ambtenaren is de raad bevoegd.

Artikel 1.3a (Q) Toepassing

V.w.b. de rechtspositieregelingen heeft de gemeenteraad op 14 maart 2002 besloten dat de AGN met bijlagen van toepassing is op de griffier en de griffiemedewerkers.

De raad heeft verder in zijn vergadering van 12 maart 2003 vastgesteld hoe het werkgeverschap in de dagelijkse praktijk wordt uitgeoefend.

  • 1

    De bevoegdheid tot het vaststellen van een instructie en de bevoegdheid tot aanstelling, schorsing en ontslag zijn niet gedelegeerd of gemandateerd en derhalve blijft de raad in deze zelf het bevoegd gezag.

  • 2

    Voor de overige uitvoering van het werkgeverschap heeft de raad vastgesteld dat ten aanzien van de griffier de voorzitter van de gemeenteraad is gemandateerd en voor zover het de overige griffiemedewerkers betreft is terzake mandaat verleend aan de griffier.

Artikel 1:4:1 Voorschriften en instructies

Met inachtneming van het bepaalde in deze regeling kan het college, indien zulks naar het oordeel van het college nodig of wenselijk is:

  • a

    bijzondere voorschriften vaststellen ter uitvoering van de bepalingen van deze regeling, alsmede ten behoeve van het functioneren van de dienst;

  • b

    instructies vaststellen ten aanzien van betrekkingen en bij de vervulling daarvan te volgen werkwijzen.

Artikel 1:4:2 Uitreiking van CAR en UWO
  • 1 Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van deze regeling, van de wijzigingen daarvan en van alle andere regelingen welke ter uitvoering van artikel 125 van de Ambtenarenwet zijn of worden getroffen.

  • 2 Op verzoek ontvangen eveneens kosteloos een exemplaar van de in het vorige lid bedoelde stukken:

    • a

      de centrale van overheidspersoneel welke zijn toegelaten tot het LOGA met het college voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten;

    • b

      de organisatie die blijkens hun statuten de belangen van gemeenteambtenaren behartigen en aangesloten zijn bij de onder a aangeduide centrales;

    • c

      de afdelingen van de organisaties, bedoeld onder b;

    • d

      ieder ander die daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking komt.

Artikel 1:4:3 Uitreiking van CAR en UWO
  • 1 Op verzoek ontvangt de ambtenaar kosteloos een exemplaar van de voor hem geldende schriftelijke regels, welke zijn vastgesteld ter uitwerking of uitvoering van de bepalingen van deze regeling of welke hij bij de vervulling van zijn betrekking heeft na te leven, tenzij de bedoelde regels op een voor hem gemakkelijk toegankelijke plaats ter inzage liggen.

  • 2 Wanneer de ambtenaar niet schriftelijk vastgestelde regels als bedoeld in het eerste lid heeft na te leven, worden deze behoorlijk te zijner kennis gebracht.

Artikel 1:4:4 Voordragen van belangen

De ambtenaar heeft het recht zijn belangen rechtstreeks bij het hoofd van dienst en bij het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan voor te dragen.

Artikel 1:5 Omvang van de betrekking

Bij de berekening van uren onder meer bij het bepalen van de omvang van de betrekking, worden deze tot op twee decimalen afgerond. Om tot een decimaal te komen wordt de gangbare afbreekregel gehanteerd.

Artikel 1:6 Vrijstelling
  • 1 In een nadere regeling kan worden bepaald dat in bijzondere gevallen voor nader te bepalen hogere functies een tijdelijke aanstelling kan worden verleend in afwijking van artikel 2:4, alsmede dat voor bedoelde functies kan worden afgeweken van de salaristabel en/of van het bepaalde in hoofdstukken 8 en 10d. In de commissie voor georganiseerd overleg moet overeenstemming zijn bereikt over de criteria voor de aanwijzing van deze functies en over de functies zelf. Ingeval geen commissie voor georganiseerd overleg is ingesteld, wordt de procedure ingevolge bijlage III van deze regeling gevoerd bij het opstellen van evengenoemde criteria en bij het bepalen van de functies, waarbij het overeenstemmingsvereiste van toepassing is.

  • 2 De in het vorige lid bedoelde regeling kan overeenkomstig van toepassing worden verklaard op ambtenaren in tijdelijke dienst die projecten of functies van tijdelijke aard uitoefenen waarbij de te bereiken resultaten in een bepaalde tijdsperiode tevoren kunnen worden vastgesteld en de betrokken ambtenaar in verregaande mate zelfstandig verantwoordelijkheid draagt voor de inrichting van de werkzaamheden.

Artikel 1.6.0.1 Vrijstelling

Lid 1

Voor de functie van gemeentesecretaris of directeur van een directie kan de vrijstellings-mogelijkheid in artikel 1:6 AGN van toepassing worden verklaard.

Lid 2

In aanvulling op het gestelde in lid 1 worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • a

    De functionaris krijgt een aanstelling voor bepaalde tijd;

  • b

    De aanvullende afspraken hebben betrekking op de duur van de tijdelijke aanstelling, het salarisniveau en de hoogte en duur van een uitkering;

  • c

    Tegenover bijvoorbeeld ‘plussen’ in het salaris zullen altijd ‘minnen’ in andere arbeidsvoorwaarden moeten staan;

  • d

    Indien door de gemeentesecretaris of het College van B&W wordt overwogen tot aanstelling op grond van dit artikel over te gaan, wordt altijd vooraf het hoofd P&O-beleid geraadpleegd;

  • e

    Aanstelling in een dergelijke functie is voorbehouden aan het College van B&W.

Lid 3

Dit artikel zal vooralsnog gelden van 1 januari 2007 tot 1 januari 2010, waarbij de Ondernemingsraad jaarlijks zal worden geïnformeerd over de toepassing van dit artikel”.

2 Aanstelling en arbeidsovereenkomst

Artikel 2:1 Aanstelling; het bevoegd gezag

Tenzij bij of krachtens wet of raadsbesluit anders is of wordt bepaald, geschiedt de aanstelling door het college.

Artikel 2.1 (Q) Aanstelling; het bevoegd gezag

Bij benoeming in vaste dienst na een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef dient een personeelsbeoordeling te worden opgemaakt.

Artikel 2.1.0.1 Aanstelling in algemene dienst

Tenzij anders bepaald, geschiedt aanstelling in algemene dienst.

Artikel 2:2 Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid
  • 1 Voor aanstelling kan slechts in aanmerking komen hij van wie - na een daartoe door of vanwege het tot aanstelling bevoegd bestuursorgaan gehouden onderzoek - kan worden aangenomen, dat hij in voldoende mate beschikt over de hoedanigheden tot het verrichten van de hem op te dragen werkzaamheden.

  • 2 Het college treft maatregelen, waardoor de vertrouwelijkheid van de gegevens, ontvangen op grond van het in het eerste lid bedoelde onderzoek, te allen tijde wordt gegarandeerd.

  • 3 Voor aanstelling kan als vereiste worden gesteld, dat betrokkene in het bezit is van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in de Wet op de justitiële documentatie en op de verklaringen omtrent het gedrag.

  • 4 De vreemdeling, zoals omschreven in de Vreemdelingenwet 2000 kan slechts voor een aanstelling in aanmerking komen indien hij beschikt over een tewerkstellingsvergunning tenzij hij van deze verplichting is uitgesloten krachtens artikel 3 van de Wet arbeid vreemdelingen.

Artikel 2.2 (Q) Aanstelling; onderzoek naar bekwaamheid en geschiktheid

Lid 1

In aanvulling op de toelichting van artikel 2:2 wordt nog het volgende vermeld: Als regel worden de bekwaamheids- en geschiktheidseisen op een heldere manier vastgelegd in een functiebeschrijving of functieprofiel. Bij de beoordeling of een kandidaat aan de benodigde bekwaamheids- en geschiktheidseisen voldoet kan o.a. gebruik gemaakt worden van een psychologisch onderzoek en/of andere gekwalificeerde toetsingsmethoden. Indien daar gebruik van gemaakt wordt, dient daar in principe van tevoren, bijvoorbeeld bij de interne vacaturemelding of bij de externe personeelsadvertentie melding van te worden gemaakt.

Lid 2

Voor wat betreft de vertrouwelijkheid van de gegevens en bejegening van de kandidaten kan aansluiting worden gezocht bij de sollicitatiecode die de Nederlandse Vereniging van Personeelsbeleid (NVP) daaromtrent heeft vastgesteld. De code is gebaseerd op de conclusies van de zogenaamde (regerings)commissie Hessel. Ook de Stichting van de Arbeid heeft daaromtrent een aantal aanbevelingen gedaan die in grote lijnen overeenkomen met de code van de NVP. In hoofdlijnen komen de rechten van de sollicitant op het volgende neer.

  • -

    Recht op een eerlijke kans op aanstelling. Dat betekent gelijke kansen bij gelijke geschiktheid. Maar ook het recht van de arbeidsorganisatie om de meest geschikte kandidaat te kiezen.

  • -

    Het recht op goede informatie over o.a. de functie-inhoud, de  arbeidsorganisatie, de procedure, etc. De werkgever dient zich hierbij  actief op te stellen.

  • -

    Het recht op privacy. Hierbij wordt o.a. gedoeld op de soort en de diepgang van de in te winnen informatie.

  • -

    Het recht op vertrouwelijke behandeling van persoonlijke gegevens. Dat wil zeggen de vertrouwelijke wijze waarop met de ingewonnen informatie wordt omgegaan.

  • -

    Het recht op een instrumenteel doelmatige procedure. Dat betekent o.a. geen onnodig zware middelen (bijvoorbeeld een zware selectiecommissie of psychologisch onderzoek) toepassen bij functie waarbij dat niet nodig (functioneel) is.

  • -

    Het recht van klacht. De mogelijkheid van de sollicitant om zijn beklag te doen als deze van mening is dat op voornoemde rechten inbreuk is gedaan.

Lid 3

Gezien de complexiteit van deze regelgeving verdient het aanbeveling hieromtrent informatie in te winnen bij de instantie die de vreemdelingenwet uitvoert.

Artikel 2:3 Aanstelling; geneeskundig onderzoek
  • 1 Onverminderd artikel 2:2 , kan het college bepalen dat voor bepaalde functies, waarbij aan de vervulling van de functie bijzondere eisen op het punt van de medische geschiktheid moeten worden gesteld, aanstelling alleen mogelijk is na een geneeskundig onderzoek gericht op de te vervullen betrekking, waaruit blijkt dat tegen het vervullen van de betrekking uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan. Het geneeskundig onderzoek wordt ingesteld door de geneeskundige(n), daartoe aangewezen door het college.

  • 2 De kosten van het geneeskundig onderzoek komen ten laste van de gemeente.

Artikel 2:4 Duur van de aanstelling
  • 1 De aanstelling geschiedt vast of tijdelijk.

  • 2 Vanaf de dag dat de tijdelijke aanstelling een periode van 36 maanden overschrijdt, geldt, met inachtneming van het derde en vierde lid, de laatste aanstelling met ingang van die dag als vaste aanstelling.

  • 3 Het tweede lid is niet van toepassing wanneer een tijdelijke aanstelling wordt aangegaan voor een project met een eenmalig en uniek karakter.

  • 4 In afwijking van het tweede lid geldt bij een tijdelijke aanstelling die is aangegaan voor vervulling van de betrekking bij wijze van proef een maximale termijn van 24 maanden, eventuele verlengingen daarin begrepen.

  • 5 Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing wanneer tijdelijke aanstellingen elkaar met tussenpozen van niet meer dan drie maanden hebben opgevolgd en een periode van 36 maanden, die tussenpozen inbegrepen, overschrijden.

  • 6 Vanaf de dag dat meer dan drie tijdelijke aanstellingen elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan drie maanden, geldt de laatste aanstelling als vaste aanstelling.

Artikel 2:4:1 Bericht van aanstelling
  • 1 De ambtenaar ontvangt voor zijn indiensttreding kosteloos het bericht van aanstelling. Dit bericht vermeldt:

    • a

      de gegevens genoemd in artikel II, tweede lid, onderdeel a tot en met j, van de wet van 2 december 1993 (Stb. 1993, 635);

    • b

      de geboortedatum en geboorteplaats van de ambtenaar

    • c

      de aanstellingsgrond, indien de ambtenaar is aangesteld:

      • I

        in een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd;

      • II

        voor vervulling van een betrekking bij wijze van proef;

      • III

        voor een project met een eenmalig en uniek karakter;

      • IV

        hoofdzakelijk ten behoeve van een wetenschappelijke of praktische opleiding of vorming;

      • V

        als vakantiekracht;

      • VI

        voor het verrichten van werkzaamheden in het kader van een door de overheid getroffen regeling, die het karakter draagt door een tijdelijke tewerkstelling de opneming in het arbeidsproces te bevorderen van personen, die behoren tot één of meer bepaalde groepen van werklozen;

      • VII

        als werkzoekende in tijdelijke dienst.

  • 2 Een wijziging bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, wordt de ambtenaar kosteloos meegedeeld.

  • 3 De mededeling als bedoeld in het zesde lid van artikel II van de wet van 2 december 1993 geschiedt kosteloos.

Artikel 2:4:2 Vacatures
  • 1 De vervulling van een vacature geschiedt bij voorkeur uit het personeel van de gemeente, tenzij naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan het dienstbelang zich daartegen verzet.

  • 2 Het bepaalde in het vorige lid van dit artikel is van overeenkomstige toepassing op degenen die een uitkering krachtens hoofdstuk 10a en 10d genieten ten laste van de gemeente.

Artikel 2.4.2.1 Vacaturevoorziening

Wat te doen als er binnen de gemeente een vacature ontstaat?

  • 1

    Allereerst moet gekeken worden of de vacature kan worden vervuld door "herplaatsings- of herschikkingskandidaten” (zie plaatsingsbeleid herschikkings- en herplaatsingskandidaten)

  • 2

    Als stap 1 niet kan leiden tot de vacaturevoorziening, wordt vervolgens gekeken welke "andere interne kandidaten" voor de functie in aanmerking zouden kunnen komen (zie artikel 2:4:2:2 van de AGN).

  • 3

    Als stap 2 ook niet tot resultaten leidt kan extern geworven worden. Bij externe werving dient rekening te worden gehouden met  de regeling "Inspraak bij benoemingen".

  • 4

    Voor de benoeming van "directeuren" geldt een aparte sollicitatieprocedure (zie wervings- en benoemingsprocedure directeuren).

  • 5

    Bij sollicitatieprocedures wordt de sollicitatiecode in acht genomen (zie de toelichting op artikel 2:2 van de AGN).

Artikel 2.4.2.2 Interne kandidaten

Onder interne kandidaten wordt verstaan:

  • -

    De medewerker met een vast of tijdelijk dienstverband;

  • -

    De medewerker met een arbeidsovereenkomst op grond van artikel 2:5 van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen (AGN);

  • -

    De medewerker behorende tot een categorie personeel waarvan instroom in de gemeentelijke organisatie in de rede ligt /de bedoeling is, indien zulks in het overleg tussen bestuurder en Centrale Ondernemingsraad is overeengekomen (bijvoorbeeld diegenen die werkzaam zijn in het kader van de WIW/zie hieronder).

Op grond van het hierboven bepaalde, alsmede van in de verleden gemaakte afspraken zijn interne kandidaat, werknemers werkzaam bij:

  • -

    De gemeentelijke directies en de brandweer;

  • -

    Onderwijsondersteunend personeel bij het Openbaar Onderwijs;

  • -

    WNO op basis van een ambtelijke aanstelling;

  • -

    Recreatieschap Nijmegen e.o.;

  • -

    Voormalige - inmiddels verzelfstandigde - gemeentelijke diensten, directies en commissies ex artikel 84 Gemeentewet, voor een periode van twee jaren na de datum van de verzelfstandiging (artikel 3, lid 8 van het Sociaal Statuut), tenzij anders overeengekomen;

  • -

    Bovengenoemde directies en de brandweer, indien werkzaam in het kader van de Wet Inschakeling Werkzoekenden (WIW), of de Wet Sociale Werkvoorziening (WSW);

  • -

    Werknemers die ontslag hebben genomen voor de verzorging van een kind tot vier jaar na het ontslag.

Artikel 2:5 Arbeidsovereenkomst
  • 1 Door het college kan met een persoon slechts een arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht worden aangegaan voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter.

  • 2 De arbeidsovereenkomst wordt schriftelijk aangegaan, in tweevoud opgemaakt en door beide partijen ondertekend.

  • 3 Artikel 125h van de Ambtenarenwet is van overeenkomstige toepassing op de persoon met wie een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gesloten.

Artikel 2:5:1 Arbeidsovereenkomst

Ten aanzien van de arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 2:5 zijn de artikelen 2:1 tot en met 2:4:2 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 2:5:2 Minimum-urengarantie bij oproepkrachten

De overeenkomst kent een minimum-urengarantie. Per oproep wordt een minimum van 2 uur gegarandeerd en op maandbasis wordt uitbetaling van minimaal 15 uur gegarandeerd. De middeling van gewerkte uren vindt per kwartaal plaats indien in de maanden van het betreffende kwartaal meer of minder uren wordt gewerkt.

Artikel 2:5:3 Inhoud oproepovereenkomst

De overeenkomst dient de volgende afspraken te bevatten:

  • a

    de werkgever verbindt zich, indien zich werkzaamheden voordoen die een beroep op de arbeid van de oproepkracht rechtvaardigen, het verrichten van deze werkzaamheden aan de oproepkracht aan te bieden;

  • b

    de oproepkracht verbindt zich in beginsel de werkzaamheden - na daartoe opgeroepen te zijn - te verrichten;

  • c

    een oproep door de werkgever dient ten minste 24 uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de oproepkracht kenbaar gemaakt te worden. Daarbij dient de werkgever de omvang van de werkzaamheden zo nauwkeurig mogelijk aan te geven;

  • d

    de werkgever verbindt zich in de overeenkomst de tijden te vermelden, waarbinnen de werkzaamheden kunnen worden verricht;

  • e

    een oproep kan door de werkgever worden afgezegd en door de oproepkracht worden geweigerd, indien de afzegging respectievelijk de weigering uiterlijk twaalf uur voor de aanvang van de feitelijke werkzaamheden aan de wederpartij kenbaar wordt gemaakt. Indien afzegging plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, is de werkgever gehouden loon te betalen als ware de werkzaamheden feitelijk vervuld. Indien weigering plaatsvindt zonder de termijn van twaalf uur in acht te nemen, maakt de oproepkracht zich schuldig aan plichtsverzuim;

  • f

    indien gedurende een omschreven periode de oproepkracht niet heeft gewerkt, terwijl de werkgever de oproepkracht ten minste een omschreven aantal malen daartoe heeft opgeroepen, en de oproepkracht alsdan niet verhinderd was werkzaam te zijn wegens ziekte, kan genoemde omstandigheid gelden als grond voor ontslag van de oproepkracht op grond van artikel 8:13.

Artikel 2:5:4 Bezoldiging en betaling bij ziekte van de oproepkracht
  • 1 De gemeente verbindt zich de bezoldiging van de oproepkracht te baseren op de minimum afspraken zoals geformuleerd in artikel 2:5:2 .

  • 2 De bezoldiging die de oproepkracht geniet, daaronder begrepen de vakantietoelage, wordt uitgedrukt in een bezoldiging per uur.

  • 3 Ingeval de oproepkracht aanspraak maakt op een uitkering ingevolge hoofdstuk 7, wordt als berekeningsbasis voor de uitkering uitgegaan van het inkomen dat gemiddeld is genoten gedurende het kalenderkwartaal, voorafgaand aan het tijdstip waarop de ziekte is ontstaan. Ingeval het arbeidspatroon in bedoeld kalenderkwartaal in belangrijke mate afwijkt van het arbeidspatroon in een voorafgaand kwartaal, wordt uitgegaan van het inkomen dat is genoten gedurende een kalenderkwartaal dat een getrouw beeld geeft van het gemiddelde arbeidspatroon van de oproepkracht.

Artikel 2:6 Overgangsrecht
  • 1 Op aanstellingen of arbeidsovereenkomsten die op 1 juli 2001 voldoen aan de voorwaarden van artikel 2:4 , wordt artikel 2:4 pas van toepassing indien een volgende aanstelling of arbeidsovereenkomst wordt aangegaan na een tussenpoos van niet meer dan drie maanden.

  • 2 Op een tijdelijke aanstelling of arbeidsovereenkomst die voor 1 juli 2001 is verleend en die na 1 juli 2001 doorloopt, blijven tot het einde van deze aanstelling of arbeidsovereenkomst de bepalingen van toepassing, zoals deze luidden voor 1 juli 2001.

  • 3 Arbeidsovereenkomsten die zijn aangegaan op grond van de bepalingen van artikel 2:5 , eerste lid, onder a, b of c, en artikel 2:5:2 , onder b, juncto artikel 2:5 , eerste lid, onder e, zoals deze luidden voor 1 juli 2001, worden per 1 juli 2001 omgezet in een aanstelling. Van deze omzetting ontvangt betrokkene kosteloos bericht. Het aanstellingsbesluit voldoet aan de voorwaarden van artikel 2:4:1 .

  • 4 Arbeidsovereenkomsten voor het bij oproep verrichten van werkzaamheden van een in aard en omvang wisselend karakter, die zijn aangegaan voor 1 mei 1994, vallen onder de werking van hoofdstuk 2, zoals dat per 1 juli 2001 luidt, met uitzondering van artikel 2:5:2 .

Artikel 2:7 Aanpassing arbeidsduur
  • 1 Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht de formele arbeidsduur per week te verminderen, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten.

  • 2 Overeenkomstig de Wet aanpassing arbeidsduur heeft een persoon die is aangesteld als ambtenaar of met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan, het recht om de formele arbeidsduur per week uit te breiden tot het aantal uren van een volledige betrekking, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich hiertegen verzetten.

  • 3 Het college kan afwijken van het gestelde in het tweede lid ten aanzien van personen die werkzaam zijn in het kader van het Besluit in- en doorstroombanen, indien dit zou leiden tot een verlies van subsidie.

Artikel 2:7a Aanpassing arbeidsduur
  • 1 Op verzoek van het college kan de arbeidsduur van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van 36 uur per week, worden verruimd naar maximaal 40 uur per week.

  • 2 Bij een verruiming van de arbeidsduur geldt dat:

    • -

      de verruiming van de arbeidsduur plaatsvindt gedurende een vooraf te bepalen periode;

    • -

      het salaris evenredig wordt verhoogd;

    • -

      de vakantieduur evenredig wordt verhoogd;

    • -

      de pensioenopbouw evenredig wordt verhoogd;

    • -

      de minimum vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 , tweede lid, sub a, evenredig wordt verhoogd;

    • -

      de minimale eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:6 , eerste lid, evenredig wordt verhoogd;

    • -

      instemming van de ambtenaar is vereist;

    • -

      artikel 4a:2 in de bepaalde periode niet van toepassing is.

  • 3 Wanneer het eerste lid van dit artikel wordt toegepast, meldt het college dit vooraf aan de OR.

  • 4 Het college rapporteert jaarlijks in het sociaal jaarverslag over het gebruik van de uitbreidingsmogelijkheid van de arbeidsduur naar maximaal 40 uur. Deze rapportage wordt ter bespreking voorgelegd aan de OR.

Wervings- en benoemingsprocedure Directeuren

Vastgesteld door B&W op 23 april 2002.

Deze procedure is tevens van toepassing op de commandant van de brandweer.

De gemeentesecretaris is verantwoordelijk voor het wervings- en selectieproces. Voorafgaand aan dit proces wordt door B&W het functieprofiel vastgesteld. Daarbij worden geraadpleegd: het directieteam, de COR, het MT en de OR van de betreffende directie (zie verder bij benoemingsprocedure).

Artikel 1  Commissies

Bij het proces spelen verder de volgende commissies een rol.

Selectiecommissie organisatie Door de gemeentesecretaris wordt een selectiecommissie gevormd die als volgt  is samengesteld:

  • -

    de gemeentesecretaris, tevens voorzitter;

  • -

    een lid van het directieteam;

  • -

    een lid van het managementteam van de betreffende directie;

  • -

    een adviseur van het bureau POI van DBO, tevens secretaris.

Selectiecommissie bestuur Er wordt een selectiecommissie bestuur gevormd die bestaat uit:

  • -

    de wethouder P&O, tevens voorzitter;

  • -

    de burgemeester;

  • -

    een ander lid van het college;

  • -

    de gemeentesecretaris of een adviseur van het bureau POI, tevens secretaris.

Inspraakcommissie Door de gemeentesecretaris wordt ook een inspraakcommissie gevormd, waarin zitting hebben:

  • -

    MT-leden van de betreffende directie;

  • -

    COR en OR-leden

Artikel 2 Benoemingsprocedure

Lid 1

De Selectiecommissie Organisatie zorgt voor het opstellen van een functieprofiel en advertentietekst en maakt tevens een planning voor het werving- en selectieproces met inachtneming van artikel 2:4:2:1 van de AGN.

Lid 2

De Selectiecommissie Organisatie maakt een voorselectie van de sollicitanten en voert aan de hand van deze selectie sollicitatiegesprekken met de kandidaten. Daarna maakt de Selectiecommissie Organisatie een keuze voor meerdere kandidaten die worden voorgedragen aan de Selectiecommissie Bestuur. Alleen in uitzonderlijke gevallen kan worden volstaan met een voordracht van één kandidaat.

Lid 3

De Selectiecommissie Bestuur voert selectiegesprekken met de voorgedragen kandidaten en koppelt haar keuze via de gemeentesecretaris terug naar de Selectiecommissie Organisatie. Indien geen kandidaat geschikt wordt bevonden, worden nieuwe kandidaten gepresenteerd. Na terugkoppeling van de Selectiecommissie Bestuur wordt de geselecteerde kandidaat  voorgedragen aan de Inspraakcommissie.

Lid 4

De Inspraakcommissie voert een gesprek met de geselecteerde kandidaat waarbij opdracht is bijzondere aandacht te schenken aan de toekomstige samenwerkingsrelatie. Zij koppelen hun bevindingen terug naar de Selectiecommissie Organisatie.

Lid 5

De COR en/of de OR van de betreffende directie wordt in de gelegenheid gesteld een advies uit te brengen. Hierna worden door de gemeentesecretaris desgewenst de overige selectie-instrumenten zoals bijvoorbeeld  psychologisch onderzoek, assesment, en inwinnen referenties, e.d. benut.

Lid 6

Tenslotte vindt een voordracht plaats aan het college van Burgemeester en Wethouders door de gemeentesecretaris. Het advies van de Inspraakcommissie en de COR/OR wordt in de voordracht vermeld. De gemeentesecretaris onderhandelt met de voorgedragen kandidaat over de arbeidsvoorwaarden  en doet daarover voorstellen aan het college als deze afwijkend zijn van de gebruikelijke voorwaarden.

Lid 7

Het college beslist over de voordracht en de eventuele afwijkende arbeidsvoorwaarden.

Lid 8

Na de benoeming wordt de raad geïnformeerd.

Artikel 3 Interne kandidaten en herschikking

De algemene richtlijn vacatureprocedure, zoals opgenomen in artikel 2:4:2:1 van de AGN, wordt gevolgd

Artikel 4 Privacy

Leden van de commissies behandelen de verkregen informatie strikt vertrouwelijk. Referenties en uitkomsten van eventuele assesments of psychologisch onderzoek worden niet ingewonnen c.q. aan de selectiecommissie kenbaar gemaakt dan nadat de sollicitanten daarvoor toestemming hebben gegeven.

Regeling inspraak bij benoemingen

Circulaire van burgemeester en wethouders d.d. 11 juni 1980

RaamprocedureBevattende de richtlijnen voor het verlenen van inspraak bij benoemingen van leidinggevenden.

Artikel 1  De inhoud van de inspraak

Het toevoegen van een inspraakprocedure aan de bestaande selectieprocedure kan uiteraard géén afbreuk doen aan de formele benoemingsbevoegdheid, zoals die nu is geregeld. De consequentie hiervan is, dat de bevoegdheid van een inspraakcommissie beperkt moet blijven tot een adviserende functie, gericht op het aandragen van bouwstenen voor een zo goed mogelijke benoemingsbeslissing door hen die formeel ook voor die beslissing verantwoordelijk zijn. Rekening houdend met deze beperking zal de inspraak in grote lijnen betrekking kunnen hebben op de volgende aspecten van het selectieproces:

  • -

    de advisering met betrekking tot de inhoud van een interne oproep, dan wel een advertentie;

  • -

    de advisering over de mogelijkheid tot interne vervulling van de vacature;

  • -

    de advisering omtrent de mogelijkheid tot samenwerking met de voorgeselecteerde kandidaat of kandidaten.

Artikel 2 Functie waarop de inspraak betrekking heeft

Lid 1

De regeling strekt zich uit tot leidinggevende functies, waarbij een onderscheid is twee categorieën noodzakelijk is:

  • -

    diensthoofden: in geval van benoeming van een diensthoofd wordt een inspraakcommissie gevormd;

  • -

    overige leidinggevende functionarissen.

Lid 2

Het hoofd van dienst wijst de functies aan binnen zijn dienst, waarvoor de inspraak geldt. Gestreefd dient te worden zoveel mogelijk leidinggevende functies aan te wijzen, maar buiten dit kader vallen alle functies waarvan de drager slechts partieel met de leiding van een eenheid is belast (sous-chefs, plaatsvervangers en dergelijke).

Artikel 3 Samenstelling van de inspraakcommissie

Lid 1

In de regel is het praktisch niet mogelijk alle tot inspraak gerechtigden ondergeschikten ook rechtstreeks bij de inspraak te betrekken. Zulks zou tot onhanteerbare en zeer tijdrovende procedures leiden, maar zou ook voor de kandidaat/kandidate niet acceptabel zijn. Daarom zal bij iedere vacature voor een functie, die in het kader van deze regeling voor inspraak is aangewezen, een inspraakcommissie worden samengesteld, die zo goed mogelijk de belangen van het betrokken organisatie-onderdeel kan vertegenwoordigen.

Lid 2

Bij een vacature voor hoofd van dienst: de functionaris, op het moment van bekend worden van de vacature belast met de leiding van de dienst (veelal het vertrekkende hoofd van dienst zelf) draagt zorg voor een voordracht voor een samen€stelling in het overleg met staf, MC of overleggroep. Bovendien raadpleegt hij overleg over deze samenstelling met het hoofd van de concernafdeling Personeel, Organisatie en Informatie. De definitieve beslissing over de samenstelling is voorbehouden aan het college.

Lid 3

Bij een vacature voor andere leidinggevenden: Het hoofd van dienst (of een door hem aan te wijzen functionaris) beslist met betrekking tot de samenstelling van een te vormen inspraakcommissie op voorstel van de met de selectie belaste chef en personeelsfunctionaris. Aan iedere te vormen inspraakcommissie wordt bovendien de voor de dienst aangewezen personeelsfunctionaris ter ondersteuning toegevoegd. Het aantal leden van de inspraakcommissie dient beperkt te blijven tot drie.

Artikel 4 Taken en werkwijze van de inspraakcommissie

Lid 1

De hoofdtaak van een gevormde inspraakcommissie bestaat uit het zo goed mogelijk inschatten van de mogelijkheden tot samenwerking in geval van plaatsing van de betrokken kandidaat.

Lid 2

Door toedoen van de betrokken personeelsfunctionaris zullen de leden van de commissie worden voorzien van die informatie die strikt nodig is om het onder lid 1 van dit artikel gestelde doel te bereiken. Ter bescherming van de privacy van kandidaten zullen conclusies van psychologische onderzoeken en naar aard vergelijkbare informatie niet aan de leden van de commissie worden voorgelegd.

Lid 3

Het is de leden van de commissie verboden op persoonlijk initiatief bij derden inlichtingen in te winnen over één of meer kandidaten. De mate van behoefte aan dergelijke informatie kan in gezamenlijke overleg worden vastgesteld, waarna de betrokken personeelsfunctionaris zorg draagt voor de effectuering.

Lid 4

De commissieleden zijn verplicht tot geheimhouding van persoonlijke gegevens, die aan hen in deze inspraakprocedure ter kennis komen.

Lid 5

Indien het voornemen bestaat om over te gaan tot interne vervulling van een vacature, voor een voor inspraak aangewezen functie, wordt de commissie door de personeelsfunctionaris daarover zo spoedig mogelijk geïnformeerd.

Lid 6

Indien de meerderheid van de commissie bezwaren heeft tegen de voorgenomen interne vervulling, draagt de betrokken personeelsfunctionaris er zorg voor dat deze bezwaren schriftelijk ter kennis worden gebracht aan het hoofd van dienst. Zijn beslissing wordt met een toelichting aan de commissie medegedeeld.

Lid 7

Indien het voornemen bestaat om over te gaan tot externe werving wordt de conceptadvertentie zo spoedig mogelijk door de betrokken personeelsfunctionaris met de commissie besproken. Met de opmerkingen van de commissie zal bij het vaststellen van de definitieve advertentietekst zoveel mogelijk rekening worden gehouden.

Lid 8

Indien de commissie in meerderheid van mening is dat tot interne vervulling dient te worden overgegaan, draagt de betrokken personeelsfunctionaris er zorg voor dat dit standpunt schriftelijk aan het hoofd van dienst wordt voorgelegd. Zijn beslissing wordt met een toelichting aan de commissie medegedeeld.

Lid 9

Aan sollicitanten zal, tegelijk met de ontvangstbevestiging van hun sollicitatiebrief, worden medegedeeld dat een gesprek met een inspraakcommissie uit het personeel onderdeel kan uitmaken van de selectieprocedure.

Lid 10

De commissie wordt (indien van de kant van de kandidaat hiertegen geen dringende bezwaren bestaan) in de gelegenheid gesteld een gesprek te voeren met de daartoe geselecteerde kandidaat of kandidaten, die in principe in aanmerking kunnen komen voor benoeming. De personeelsfunctionaris is daarbij aanwezig. Indien de kandidaat niet wil en er desondanks grote behoefte bestaat hem te benoemen, ontstaat er een impasse die op andere wijze moet worden opgelost.

Lid 11

De betrokken personeelsfunctionaris draagt er zorg voor dat de zienswijze van de commissie inzake de verwachte samenwerkingsmogelijkheden met de geselecteerde kandidaat of kandidaten schriftelijk ter kennis wordt gebracht aan het hoofd van dienst.

Lid 12

Indien het hoofd van dienst voornemens is een kandidaat ter benoeming voor te dragen, waartegen de commissie in meerderheid bezwaren heeft, wordt door hem nader overleg gepleegd met de commissie.

Lid 13

Indien geen overeenstemming wordt bereikt, dient bij het benoemingsvoorstel het afwijkende standpunt van de commissie te worden overlegd. De kandidaat wordt van het standpunt van de commissie in kennis gesteld.

Lid 14

Indien het een vacature van een hoofd van dienst betreft, wordt in de leden 6, 8 en 11 van dit artikel in plaats van 'hoofd van dienst' gelezen: 'het college'. In dat geval geldt in plaats van lid 12 en 13 van dit artikel het volgende:

  • -

    indien het college voornemens is een kandidaat aan de Raad ter benoeming voor te stellen, waartegen de commissie in meerderheid bezwaren heeft, wordt namens hen door een lid van het college nader overleg gepleegd met de commissie;

  • -

    indien geen overeenstemming wordt bereikt, dient bij het benoemingsvoorstel aan de Raad het afwijkende standpunt van de inspraakcommissie vertrouwelijk aan de Commissie van Bijstand te worden overgelegd;

  • -

    de kandidaat wordt van het standpunt van de inspraakcommissie in kennis gesteld.

3 Salaris en vergoedingsregelingen

Artikel 3:1 Bezoldiging
  • 1 Met inachtneming van artikel 1:2:1 wordt aan de ambtenaar binnen het kader van een lokaal vast te stellen bezoldigingsregeling een bezoldiging toegekend.

  • 2 In deze bezoldigingsregeling worden de volgende begrippen gebruikt:

    • a

      schaal: de in het kader van de bezoldigingsregeling, bedoeld in het eerste lid, voor een betrekking of voor een aantal betrekkingen tezamen ter bepaling van het salaris geldende opklimmende reeks van bedragen, daaronder mede begrepen de bedragen welke gelden ter verhoging van het salaris als gevolg van diensttijduitloop;

    • b

      salaris: het bedrag van de schaal hetwelk aan de ambtenaar is toegekend of, indien voor de betrekking een vast bedrag geldt, dit bedrag;

    • c

      bezoldiging: het salaris, vermeerderd met het bedrag van de aan de ambtenaar toegekende emolumenten en toelagen - niet zijnde onkostenvergoedingen - als omschreven in de in het eerste lid bedoelde regeling, alsmede het bedrag van de functioneringstoelage en de waarnemingstoelage.

  • 3 Van de bezoldigingsregeling, bedoeld in het eerste lid, maken deel uit bijlage IIen IIa van de CAR.

    • a

      Bijlage II omvat de indeling van de schalen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en is van toepassing op die ambtenaar die ook op 31 maart 1996 reeds een salaris genoot op grond van deze bijlage, tenzij op grond van het gestelde onder b, tweede gedachtenstreepje, bijlage IIa op hem van toepassing is.

    • b

      Bijlage IIa omvat de indeling en de opbouw van de schalen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, en is van toepassing op:

      • -

        de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een betrekking aanvaardt in de zin van de CAR, zonder direct daaraan voorafgaand een betrekking in de zin van de CAR te hebben vervuld en

      • -

        de ambtenaar die op of na 1 april 1996 een nieuwe betrekking in de zin van de CAR aanvaardt, direct voorafgegaan door een andere betrekking in de zin van de CAR, waarbij aan die nieuwe betrekking een beter salarisperspectief is verbonden. Hierbij wordt een betrekking mede als nieuw aangemerkt ingeval een bestaande aanstelling of arbeidsovereenkomst wordt gewijzigd, als gevolg van een wijziging in de uit te voeren taken.

  • 4 Met inachtneming van het bepaalde in het derde lid en het vijfde lid worden in de bezoldigingsregeling nadere regels gesteld inzake de wijze waarop de inschaling plaatsvindt ingevolge bijlage IIa van de ambtenaren ten aanzien van wie het salaris op 31 maart 1996 is vastgesteld op grond van bijlage II .

  • 5 Van de nadere regels, bedoeld in het vorige lid, maken deel uit de afspraken:

    • -

      dat de ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II , die voor 1 april 1997 reeds het maximum heeft bereikt van de schaal en die binnen die betrekking geen perspectief heeft op een hogere schaal eerst per 1 april 1997 een salaris gaat ontvangen op basis van het maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa ;

    • -

      en dat de ambtenaar met een salaris ingevolge bijlage II die op of na 1 april 1997 het maximum bereikt van de schaal en binnen zijn betrekking geen perspectief heeft op een hogere schaal op de datum van het bereiken van het maximum van de schaal een salaris gaat ontvangen op basis van het maximum van dezelfde schaal ingevolge bijlage IIa .

  • 6 Het salaris wordt berekend, gebaseerd op de formele arbeidsduur per week, en uitgekeerd per maand.

  • 7 Met instemming van de ambtenaar kan een ambtenaar van 55 jaar of ouder in het kader van seniorenbeleid aangesteld worden in een functie waaraan een lagere schaal is verbonden met een dienovereenkomstige aanpassing van het salaris.

  • 8 Na de toepassing van artikel 7:16 , tweede lid, kan de ambtenaar worden herplaatst in de eigen of een passende functie waaraan een lagere schaal is verbonden met dienovereenkomstige aanpassing van het salaris.

Artikel 3:1:1 Bezoldiging
  • 1 De bezoldiging, bedoeld in artikel 3:1, eerste lid, wordt bepaald met inachtneming van de aard van de betrekking en de wijze waarop de ambtenaar deze vervult. Mede kunnen in aanmerking worden genomen bekwaamheid en geschiktheid van de ambtenaar, voor zover in het belang van de dienst gebleken ter zake van werkzaamheden niet tot zijn eigenlijke betrekking behorende. Voorts kunnen in aanmerking worden genomen leeftijd en dienstjaren van de ambtenaar alsook andere omstandigheden, voor zover deze naar het oordeel van het tot aanstelling bevoegde bestuursorgaan, gelet op het dienstbelang en gelet op verhoudingen binnen de dienst, van betekenis zijn.

  • 2 Voor zover daarin niet reeds is voorzien door de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde regeling kan het college nadere regelen stellen met betrekking tot het in het eerste lid bepaalde.

  • 3 Voor zover in de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde regeling niet anders is bepaald, geschiedt de uitbetaling van de bezoldiging per maand. Omtrent de wijze waarop de uitbetaling geschiedt, kan het college nadere regels stellen.

  • 4 Over de tijd gedurende welke de ambtenaar in strijd met zijn verplichtingen opzettelijk nalaat zijn betrekking te vervullen, wordt hem zijn bezoldiging niet uitgekeerd.

Artikel 3.1.0.1 Definitie salaris en bezoldiging

Lid 1

Onder salaris wordt tevens verstaan: de (aflopende) inconveniëntentoeslag als omschreven in de in artikel 3:1, eerste lid, bedoelde regeling.

Lid 2

Onder bezoldiging wordt tevens verstaan: de vergoeding toegekend krachtens de door het college opgestelde regelen als bedoeld in artikel 3:3:1.

Artikel 3.1.2.0 Waarnemingstoelage

Lid 1

De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt, ontvangt, indien voor die betrekking een hoger salaris geldt dan voor zijn betrekking, over de tijd van deze waarneming een vergoeding overeenkomstig het bepaalde in het volgende lid.

Lid 2

De vergoeding, bedoeld in het vorige lid, bedraagt voor elke volle dag der waarneming:

  • a

    8% van het 1/22 gedeelte van het eigen schaalbedrag per maand van de ambtenaar en

  • b

    het 1/22 gedeelte van de bij de waargenomen functie behorende inconveniëntentoeslag,

met dien verstande dat, indien voor de waargenomen functie geen hogere schaal geldt, de vergoeding slechts bestaat uit het hiervoor onder b vermelde gedeelte. De vergoeding, tezamen met het salaris, bedraagt per dag niet meer dan de ambtenaar zou hebben ontvangen als salaris indien hij was ingeschaald op de hoogste periodiek van de bij de waargenomen functie behorende schaal. Voor de ambtenaar wiens schaalbedrag hoger is dan het maximum van een bij besluit van het college voor de toepassing van deze bepaling aangewezen schaal, bestaat eerst aanspraak op deze vergoeding, indien de waarneming in een aaneengesloten tijdvak van zes weken ten minste twintig volle werkdagen heeft geduurd, in welk geval hem de vergoeding over de dagen waarop hij reeds waargenomen heeft alsnog wordt uitbetaald.

Lid 3

Over de periode gedurende welke een vergoeding als bedoeld in het eerste lid wordt genoten, wordt de volgens het tweede lid berekende vergoeding slechts voor zover deze meer bedraagt dan de bij de eigen functie van de ambtenaar behorende inconveniëntentoeslag. Het college kan voor die gevallen waarin toepassing van het in dit en het voorgaande lid bepaalde tot kennelijk-onredelijke resultaten mocht leiden, een nadere regeling treffen.

Lid 4

De ambtenaar die ingevolge hem daartoe door of namens het college verstrekte opdracht volledig een andere betrekking waarneemt waarvoor andere werktijden zijn vastgesteld dan voor zijn betrekking gelden, ontvangt - zulks onverminderd het bepaalde in het eerste lid - in zoverre op de waar te nemen betrekking het bepaalde in artikel 3:3 van toepassing is een vergoeding overeenkomstig de in dat artikel bedoelde regels. Op de eerste twee dagen en op de eerste zaterdag en zondag van de waarneming ontvangt hij evenwel voor de uren welke liggen buiten de voor zijn betrekking geldende werktijd ten minste een bedrag gelijk aan de vergoeding als bedoeld in artikel 3:2:1. Wordt achtereenvolgens en zonder onderbreking meer dan één betrekking als hier bedoeld waargenomen, dan geldt dit als één geval van waarneming.

Lid 5

Geen vergoeding ingevolge het eerste en vierde lid wordt genoten door de ambtenaar voor wie krachtens zijn aanstelling een bijzondere regeling geldt.

Lid 6

Het college is bevoegd om in andere gevallen van waarneming een naar hun oordeel, gelet op de aard en de omvang van de ingevolge de waarneming verrichte werkzaamheden, alsmede op de duur en de wijze van de waarneming, billijke vergoeding toe te kennen.

Artikel 3:2 Overwerkvergoeding

De ambtenaar heeft recht op een vergoeding voor overwerk. In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de mogelijkheid aanspraak te maken op een vergoeding, bedoeld in de eerste volzin.

Artikel 3:2:1 Overwerkvergoeding
  • 1 De vergoeding, bedoeld in artikel 3:2, bestaat uit verlof gelijk aan het aantal volle uren van het overwerk, alsmede uit het bedrag dat voor die uren wordt berekend overeenkomstig het in het vijfde lid bepaalde.

  • 2 Het verlof, bedoeld in het vorige lid, wordt verleend op een zo vroeg mogelijk tijdstip. Op verzoek van de ambtenaar en voor zover de belangen van de dienst en de belangen van de andere ambtenaren dit toelaten wordt het verlof verleend - zo nodig in afwijking van het bepaalde in de eerste volzin - op een tijdstip dat de ambtenaar wenst.

  • 3 Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kunnen verlofuren die het gevolg zijn van de vergoeding voor overwerk dat zal worden verricht in het daarop volgende kalenderjaar, worden omgezet in vakantie als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid. Het aantal verlofuren uit de vorige volzin en het aantal vakantie-uren, als bedoeld in artikel 6:2, tweede lid, tezamen mag maximaal 50,4 uur bedragen. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uur per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.

  • 4 Kan geen verlof worden verleend in overeenstemming met het in het tweede lid bepaalde, dan bestaat de in artikel 3:2 bedoelde vergoeding uitsluitend uit een bedrag. Dit bedrag wordt berekend overeenkomstig het bepaalde in het vijfde lid, met dien verstande, dat de in dat lid genoemde percentages worden vermeerderd met 100.

  • 5

    • a

      Het bedrag van de in het eerste lid bedoelde vergoeding wordt voor elk van de in aanmerking komende uren berekend naar een percentage van het uurloon van de ambtenaar. Dit percentage bedraagt:

      • -

        100 voor overwerk op een zondag tussen 0 en 24 uur;

      • -

        75 voor overwerk op een zaterdag tussen 0 en 24 uur;

      • -

        75 voor overwerk op een maandag tussen 0 en 6 uur

      • -

        50 voor overwerk op een dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 0 en 6 uur;

      • -

        50 voor overwerk op een maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 20 en 24 uur;

      • -

        25 voor overwerk op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag of vrijdag tussen 6 en 20 uur

    • b

      Voor overwerk op een feestdag, als bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, en op de dag volgende op die feestdag tussen 0 en 6 uur, geldt het percentage ingevolge het voorgaande, onderscheidenlijk voor een zondag en voor een maandag tussen 0 en 6 uur, bepaald.

    • c

      Is voor de ambtenaar volgens rooster in plaats van een zondag, een feestdag, als bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, of een zaterdag, een andere vrije dag aangewezen dan wordt overwerk op die dag beschouwd als overwerk op overeenkomstige uren verricht op onderscheidenlijk een zondag, een feestdag, bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, of een zaterdag. Het college is echter bevoegd om, indien zulks naar het oordeel van het college wenselijk is, een regeling vast te stellen waarbij in afwijking van het hier bepaalde voor overwerk op vorenbedoelde vrije dag, ongeacht of deze is aangewezen in de plaats van een zondag of een feestdag, bedoeld in artikel 4:2:1 , derde lid, of een zaterdag, een gelijke vergoeding wordt vastgesteld van 80%.

  • 6 Het college bepaalt welke ambtenaren - gelet op de aard en het niveau van hun betrekking - geen aanspraak hebben op vergoeding voor overwerk.Het college is bevoegd aan de ambtenaar die op grond van het bovenstaande geen aanspraak heeft op vergoeding voor overwerk in bijzondere gevallen een door het college te bepalen vergoeding toe te kennen, indien en naarmate dit naar het oordeel van het college, gelet op de aard of omvang van het overwerk en de onvermijdelijkheid daarvan, redelijk is te achten.

  • 7 Het college is bevoegd om voor werkzaamheden welke door ambtenaren met een verschillende bezoldiging en eventueel een verschillende betrekking te samen en gelijktijdig als overwerk moeten worden verricht, een naar het oordeel van het college billijke voor deze ambtenaren gelijke vergoeding vast te stellen.

  • 8 Dit artikel is niet van toepassing op overwerk dat voortvloeit uit een van de in artikel 15:1:11 bedoelde verplichtingen. Het college regelt afzonderlijk de vergoeding voor zodanig overwerk.

Artikel 3.2.1.1 Overwerkvergoeding

Lid 1

In uitwerking van artikel 3:2:1, lid 6 komen ambtenaren ingedeeld in een salarisschaal vanaf salarisschaal 12 niet in aanmerking voor een overwerkvergoeding.

Lid 2

In aanvulling op het bepaalde in artikelen 3:2 en 3:2:1 heeft de ambtenaar die volgens rooster is ingedeeld in de consignatiedienst voor de gladheidbestrijding recht op een vergoeding krachtens de regeling vergoeding voor gladheidbestrijders.”

Artikel 3:3 Toelage onregelmatige dienst
  • 1 De ambtenaar heeft recht op een vergoeding over de werktijd vastgesteld op:

    • a

      maandag tot en met vrijdag tussen 00.00 en 08.00 uur en tussen 18.00 uur en 24.00 uur;

    • b

      zaterdag tussen 00.00 en 24.00 uur;

    • c

      zondag tussen 00.00 en 24.00 uur.

  • 2 In afwijking van het bepaalde in het eerste lid heeft de ambtenaar geen recht op vergoeding, indien in een week slechts op één aaneengesloten periode van ten hoogste 3 uur, op de in dat lid onder a of b genoemde tijdstippen, werktijd is vastgesteld.

  • 3 In afwijking van het bepaalde in het tweede lid behoudt de ambtenaar zijn recht op vergoeding over de op zaterdag vastgestelde werktijd, indien voor hem reeds vóór 1 januari 1997 in de regel werktijd op zaterdag werd vastgesteld.

  • 4 In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald in welke gevallen, anders dan in de voorgaande leden, een uitzondering geldt voor de mogelijkheid om aanspraak te maken op een vergoeding, als bedoeld in het eerste lid.

Artikel 3:3:1 Beschikbaarheidsdiensten

Het college stelt voor de ambtenaar aan wie de verplichting, bedoeld in artikel 15:1:10 , tweede lid, onder c, is opgelegd, regelen ter vergoeding daarvan. Geen vergoeding wordt toegekend, indien uitdrukkelijk is bepaald, dat bij de vaststelling van de bezoldiging met vorenbedoelde verplichting is rekening gehouden.

Artikel 3:4 Verschuivingsvergoeding

Het college kan bepalen dat bij verschuiving van de feitelijke arbeidsduur per week of bij verschuiving van de vastgestelde werktijden, anders dan op verzoek van de ambtenaar, aanspraak op een vergoeding ontstaat. In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald wanneer recht ontstaat op een verschuivingsvergoeding.

Artikel 3:4:1 Verschuivingsvergoeding
  • 1 Met inachtneming van het bepaalde in artikel 3:4 heeft de ambtenaar recht op een vergoeding, indien binnen 72 uur voor aanvang van de oorspronkelijk vastgestelde:

    • a

      feitelijke arbeidsduur per week, deze arbeidsduur wordt verschoven;

    • b

      werktijd, deze werktijd wordt verschoven.

  • 2 Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in geval een verschuiving van de oorspronkelijk vastgestelde arbeidsduur per week en/of de oorspronkelijk vastgestelde werktijd plaatsvindt zonder dat het dienstbelang dit vereist, gedurende de periode gelegen tussen een maand en 72 uur voor aanvang van de betreffende week dan wel de werktijd.

  • 3 De hoogte van deze vergoeding bedraagt voor elk verschoven uur 25% van het uurloon.

Artikel 3:5 Ambtsjubileumgratificatie

De ambtenaar heeft recht op een ambtsjubileumgratificatie. In een nader vast te stellen regeling wordt onder meer bepaald:

  • a

    in welke gevallen een uitzondering geldt wat betreft de mogelijkheid aanspraak te maken op een gratificatie, bedoeld in de aanhef;

  • b

    op welke wijze het bedrag aan gratificatie wordt berekend.

Artikel 3.5.1.0 Ambtsjubileumgratificatie

Lid 1

Aan de ambtenaar die gedurende 25 jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, wordt een gratificatie toegekend overeenkomende met 70% van de bezoldiging en van de vakantietoelage waarop de ambtenaar in de maand van zijn jubileum aanspraak heeft. De ambtenaar die gedurende veertig respectievelijk vijftig jaar een betrekking bij de overheid heeft vervuld, ontvangt een gratificatie gelijk aan een bedrag, overeenkomende met de gehele bezoldiging, vermeerderd met de vakantietoelage over de maand waarin hij deze jubilea gedenkt. Indien gedurende de diensttijd gelegen vóór het tijdstip van zijn jubileum een wijziging in de bezoldiging is opgetreden als gevolg van een ontslag als bedoeld in artikel 8:5, gevolgd door een nieuwe aanstelling met recht op een herplaatsingstoelage als bedoeld in artikel 9:1 van het Pensioenreglement, wordt de gratificatie naar evenredigheid van de diensttijd bepaald op zowel de grondslag van de bezoldiging en van de vakantietoelage zoals deze gold onmiddellijk vóór dat ontslag, als de bezoldiging en de vakantietoelage over de maand waarin hij het jubileum gedenkt.

Lid 2

Aan de ambtenaar, die wordt ontslagen:

  • -

    op grond van artikel 8:4;

  • -

    op grond van artikel 8:5 bij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;

  • -

    op grond van artikel 8:10 of artikel 8:11 indien en voor zover het een volledig ontslag betreft;

en die indien het ontslag niet had plaatsgevonden het voor een gratificatie vereiste aantal dienstjaren binnen vijf jaren na de ontslagdatum had kunnen vervullen, wordt een proportionele gratificatie toegekend. Deze proportionele gratificatie wordt berekend door het bedrag waarop recht zou hebben bestaan indien het vereiste aantal dienstjaren zou zijn vervuld, te vermenigvuldigen met een breuk. Daarvan wordt de teller gevormd door het feitelijk geheel of gedeeltelijk vervulde aantal dienstjaren, waarbij naar boven wordt afgerond op hele maanden; de noemer is het aantal dienstjaren dat vervuld had moeten zijn om voor de gratificatie in aanmerking te komen. De op grond van het vorenstaande berekende bedragen worden naar boven afgerond op een veelvoud van vijf euro. Bij gedeeltelijk ontslag wordt de proportionele ambtsjubileumgratificatie berekend naar rato van het aantal uren waarvoor ontslag wordt verleend.

Lid 3

Het college bepaalt in een afzonderlijke regeling welke diensttijden in aanmerking worden genomen bij de vaststelling van de datum van een jubileum in overheidsdienst.

Lid 4

Indien aan de ambtenaar op grond van het bij of krachtens lid 1 tot en met 3 van dit artikel bepaalde een gratificatie zou kunnen worden toegekend, maar hij terzake van zijn betrekking  (bijvoorbeeld als militair) reeds een naar haar aard daarmee overeenkomende gratificatie of uitkering heeft ontvangen, vindt geen toekenning van de gratificatie plaats.

Lid 5

Indien de ambtenaar tijdens een hem verleend buitengewoon verlof - mede dan wel overwegend in het algemeen belang gegeven - jubileert, wordt de gratificatie eerst toegekend zodra hij na beëindiging van het verlof zijn werkzaamheden hervat.

Artikel 3:6 Eindejaarsuitkering
  • 1 De ambtenaar heeft recht op een eindejaarsuitkering ten bedrage van 6,0% van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De uitkering bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 1.750,--. Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld.

  • 2 De eindejaarsuitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december betaald.

  • 3 Bij indiensttreding na 1 januari van een kalenderjaar bouwt de ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een eindejaarsuitkering op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling van de eindejaarsuitkering plaats over het gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is geweest.

Artikel 3:7:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 3:7:2 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 3:7:3 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 3:7:4 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 3:7:5 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 3:7:6 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 3:7:7 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 3:7:8 Persoonlijke toelage
  • 1 Aan de ambtenaar, die het maximum van de voor hem geldende schaal heeft bereikt, kan door het college een toelage worden toegekend, wanneer daartoe op grond van buitengewone bekwaamheid, geschiktheid en ijver aanleiding bestaat.

  • 2 De toelage wordt ingetrokken, indien de gronden waarop de toelage werd toegekend niet meer aanwezig zijn, tenzij het college van oordeel is, dat er omstandigheden zijn om de toelage geheel of gedeeltelijk te handhaven.

4 Arbeidsduur en werktijden

Artikel 4:1 Arbeidsduur en werktijden
  • 1 Het college kan in overleg de feitelijke arbeidsduur per week vaststellen op een andere omvang dan de formele arbeidsduur per week. De voor de ambtenaar geldende arbeidsduur per jaar mag hierdoor niet worden overschreden.

  • 2 De arbeidsduur bedraagt ten hoogste 11 uur per dag en 50 uur per week.

  • 3 Bij de brandweer en de wat betreft de van toepassing zijnde dienstroosters daarmee vergelijkbare onderdelen, kunnen van het eerste en het tweede lid afwijkende afspraken worden overeengekomen, met dien verstande dat het bepaalde in de laatste volzin van het eerste lid van toepassing blijft.

Artikel 4:2 Arbeidsduur en werktijden
  • 1 In een nader door het college vast te stellen regeling worden algemene regels omtrent de werktijden vastgesteld. Voor zover ingevolge deze regeling wisselende werktijden gelden, wordt daarvoor een rooster opgesteld.

  • 2 Bij de regeling van de werktijd wordt in acht genomen:

    • a

      dat geen arbeid wordt verricht op zaterdagen en zondagen, tenzij afwijking van deze regel in het belang van de dienst noodzakelijk is;

    • b

      dat de werktijden ten minste één maand voor aanvang aan de ambtenaar bekend worden gemaakt;

    • c

      dat de werktijd behoorlijk door pauze wordt onderbroken;

    • d

      dat de werktijd van een ambtenaar niet uitsluitend wordt vastgesteld om het bepaalde in artikel 3:3 , derde lid te ontwijken.

  • 3 Bij de brandweer, en de wat betreft de van toepassing zijnde dienstroosters daarmee vergelijkbare onderdelen, kan een van het tweede lid afwijkende regeling worden getroffen.

Artikel 4.2.0.1 Kaderregeling werktijden en Regeling beschik- en bereikbaarheidstoelage

In aanvulling op artikel 4:1 betreffende arbeidsduur en werktijden, vindt u bij het onderdeel “Lokale regelingen” de Kaderregeling werk- en arbeidstijden en Regeling beschik- en bereikbaarheidstoelage van de gemeente Nijmegen.

Artikel 4:2:1 Arbeidsduur en werktijden
  • 1 Bij de regeling van de werktijd en haar toepassing wordt zoveel mogelijk gezorgd, dat de ambtenaar op zondag en de voor hem geldende kerkelijke feestdagen zijn kerk kan bezoeken en dat hij in zijn zondagsrust zo weinig mogelijk wordt beperkt.

  • 2 Een afwijking van de regeling van de werktijd, bedoeld in artikel 4:2 , tweede lid, onder a, is voor wat betreft de zondag slechts mogelijk voor ten hoogste 26 zondagen per jaar.

  • 3 Hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, geldt mede voor het verrichten van arbeid op de nieuwjaarsdag, de tweede Paasdag, de Hemelvaartsdag, de tweede Pinksterdag, de beide Kerstdagen en de dag waarop de verjaardag van de koningin wordt gevierd.

  • 4 Voor zover het dienstbelang niet anders vereist, geldt, hetgeen in dit artikel ten aanzien van het verrichten van arbeid op zondag is bepaald, ook voor kerkelijke of nationale, landelijke, regionale of plaatselijk erkende feest- of gedenkdagen die door het college zijn aangewezen als dagen, waarop de openbare dienst van de gemeente is gesloten.

  • 5 Het bepaalde in dit artikel vindt voor hem die tot een kerkgenootschap behoort dat de wekelijkse rustdag op de sabbat of de zevende dag viert, overeenkomstige toepassing indien hij een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend.

Artikel 4.2.1.1 Resumé zon- en feestdagen en lokale vrije dagen

De gemeente Nijmegen kent de volgende zon- en feestdagen (zie artikel 1.1.0.1)

  • -

    Nieuwjaarsdag

  • -

    2e paasdag (1e paasdag valt altijd op een zondag)

  • -

    Koninginnedag

  • -

    Hemelvaartdag

  • -

    2e Pinksterdag

  • -

    Beide kerstdagen

  • -

    Bevrijdingsdag 5 mei

  • -

    De vrijdagmiddag van de 4-daagse

Artikel 4:2:2 Arbeidsduur en werktijden

Indien door de ambtenaar, bedoeld in artikel 3:3 , arbeid op zaterdag of zondag wordt verricht, wordt hem voor elke zaterdag of zondag waarop hij arbeid heeft verricht een werkdag ter vrije beschikking toegekend.

Artikel 4:3 Spaarmogelijkheid
  • 1 Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:

    • a

      opgebouwde verloftegoed: het voor 1 april 2006 opgebouwde verlof in het kader van de voormalige verlofspaarmogelijkheid;

    • b

      kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed: het omzetten van het opgebouwde verloftegoed in een geldbedrag. Per verlofuur wordt een bedrag uitgekeerd ten hoogte van het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar.

  • 2 Het opgebouwde verloftegoed wordt op verzoek van de ambtenaar door het college verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten. De ambtenaar geniet het verlof zoveel als mogelijk in een aaneengesloten periode.

  • 3 De ambtenaar kan verzoeken om kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed. Het college beslist of aan dit verzoek kan worden voldaan. Het verloftegoed kan enkel worden gekapitaliseerd wanneer de ambtenaar deelneemt aan de levensloopregeling en waneer het gekapitaliseerde verloftegoed wordt gestort op zijn levenslooprekening. Bij de kapitalisatie van het opgebouwde verloftegoed gelden de randvoorwaarden zoals opgenomen in de wettelijke bepalingen omtrent de levensloopregeling. Wanneer in een bepaald jaar het opgebouwde verloftegoed niet volledig kan worden gekapitaliseerd kan de ambtenaar in een volgend jaar opnieuw een verzoek indienen tot kapitalisatie van het resterende opgebouwde verloftegoed. Het college beslist dan of aan dit verzoek kan worden voldaan.

  • 4 In geval van ontslag op grond van artikel 8:1 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed zoveel mogelijk opgenomen gedurende de opzegtermijn. In overeenstemming met de ambtenaar kan hiervoor de maximale opzegtermijn zonodig worden verlengd. Indien het voor de ambtenaar, in verband met het aanvaarden van een andere betrekking, niet mogelijk is om de opzegtermijn te verlengen, wordt het niet opgenomen resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.

  • 5 In geval van ontslag op grond van artikel 8:3 , 8:6 , 8:7 , 8:8 , 8:10 of 8:11 wordt de ambtenaar in de gelegenheid gesteld om voorafgaand aan het ontslag het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen. Indien dit niet mogelijk is, wordt het niet opgenomen opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.

  • 6 In geval van ontslag op grond van artikel 8:5a of 8:13 is de ambtenaar verplicht het resterende opgebouwde verloftegoed op te nemen met ingang van de dag dat het voornemen tot ontslag aan de ambtenaar is meegedeeld. Het ontslag gaat in op de eerste dag na afloop van de opname van het opgebouwde verloftegoed

  • 7 In geval van ontslag op grond van artikel 8:4 en 8:5 of 8:9 wordt het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald op grond van het tiende lid.

  • 8 In het geval van overlijden van de ambtenaar wordt aan de nabestaanden, met inachtneming van het bepaalde van artikel 8:16:2 , het resterende opgebouwde verloftegoed uitbetaald ingevolge het bepaalde in het tiende lid.

  • 9 In geval het ontslag als bedoeld in de voorgaande leden een gedeeltelijk ontslag betreft, worden tussen de ambtenaar en het college nadere afspraken gemaakt over de opname van het resterende opgebouwde verloftegoed.

  • 10 Indien het opgebouwde verloftegoed wordt uitbetaald, wordt dit uitbetaald naar het op het moment van uitbetalen geldende uurloon van de ambtenaar.

Artikel 4:3:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 4:3:2 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 4:3:3 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 1 Begrippenkader

Kaderregeling werk- en arbeidstijden Besluit van Burgemeester en wethouders d.d. 21 januari 1997

Bij het vaststellen van een werktijdenregeling voor de directie dient rekening te worden gehouden het begrippenkader, zoals opgenomen in de Arbeidstijdenwet (ATW) en de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen (AGN).

Artikel 2 Bevoegdheid en voorwaarden

In een voor een directie vast te stellen regeling worden, met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens wetten houdende bepalingen tot beperking van de arbeidsduur, en met inachtneming van hetgeen overigens in hoofdstuk 4 van de AGN en in deze regeling is bepaald, de werktijden vastgesteld. De vaststelling van een regeling voor de dienst behoeft de instemming van de OR/OC.

Artikel 3

De onderlinge bereikbaarheid van de directies dient bij vaststelling van de roosters te worden gegarandeerd. Daarbij dient de leiding er zorg voor te dragen dat elk bureau op maandag tot en met vrijdag bereikbaar is tussen 's-morgens 08.30 uur en 's-middags 17.00 uur.

Artikel 4 Variabele werktijden

Van de voor een directie vast te stellen werktijdenregeling kan een regeling inzake variabele werktijden deel uitmaken. Hieronder wordt verstaan een regeling waarbij de individuele werknemer het begin en einde van zijn werktijd en de middagpauze dagelijks binnen bepaalde grenzen zelf kan bepalen.

Artikel 5

Bij de vaststelling van de in het vorige artikel bedoelde regeling van variabele werktijden kan worden bepaald dat voor bepaalde functies de regeling niet, danwel in beperkte mate van toepassing zal zijn.

Artikel 6

Indien een variabele werktijdenregeling binnen de directie wordt vastgesteld, worden daarin bloktijden opgenomen. Onder bloktijden wordt verstaan de tijdsperioden waarin alle werknemers aanwezig moeten zijn, danwel hun werkzaamheden moeten verrichten. De bloktijden zijn -onverminderd het bepaalde in artikel 3 van deze regeling- ten minste gelegen tussen 09.00 uur en 12.30 uur en tussen 14.00 uur en 16.00 uur.

Artikel 7

In de regeling van variabele werktijden dienen in ieder geval tevens bepalingen te worden opgenomen inzake:

  • -

    de grenzen van begin en einde van de werktijd en de middagpauze, uiteraard met inachtneming van het bepaalde in artikel 6;

  • -

    de minimale duur van de middagpauze, namelijk een half uur;

  • -

    de bloktijden als bedoeld in artikel 6;

  • -

    de mogelijkheid om, ter voldoening aan het bepaalde in artikel 3 van deze regeling, via inroostering de keuzevrijheid van een individuele werknemer te beperken;

  • -

    de wijze van registratie van de feitelijke werktijd;

  • -

    de relatie tussen verlof voor doktersbezoek en de variabele werktijdenregeling.

Artikel 8

Lid 1

De negatieve en positieve verschillen tussen werktijd en feitelijke arbeidsduur worden periodiek gesaldeerd.

Lid 2

Een negatief saldo mag de in de regeling bepaalde grens niet overschrijden. Deze grens wordt op maximaal 10 uren bepaald. Een eventuele overschrijding wordt ten laste van het verloftegoed gebracht.

Artikel 9

Lid 1

Het is niet toegestaan een eventueel positief saldo aan te wenden voor extra verlof in de vorm van één of meer dagdelen of ter compensatie van dagen die zijn aangewezen voor collectieve sluiting van de gemeentelijke directies.

Lid 2

Het is evenmin toegestaan een positief saldo uit te betalen.

Artikel 10 Het opstellen van roosters

Lid 1

In verband met het bepaalde in artikel 3 van deze regeling en het uitgangspunt van handhaving van de bedrijfstijden en de daarmee samenhangende noodzakelijke minimale bezetting, worden de werktijden indien nodig via inroostering bepaald.

Lid 2

Er mogen collectief geen werkroosters worden vastgesteld waarbij structureel 4 x 9 uren dan wel 5 x 7,2 uren worden ingeroosterd.

Lid 3

Hoewel bij het opstellen van roosters zoveel als mogelijk is rekening zal worden gehouden met belangen en wensen van deeltijders, komen de werktijden van deeltjders indien nodig ook voor inroostering in aanmerking.

Lid 4

Indien toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 11, eerste en eventueel achtste lid, worden deze extra uren in het rooster verwerkt. De gemiddelde feitelijke arbeidsduur zal dan als gevolg daarvan langer zijn dan de formele arbeidsduur (38 i.p.v. 36 uur bij een volledige betrekking indien geen gebruik wordt gemaakt van bandbreedte).

Artikel 11 Compensatie-uren

Lid 1

In de regeling dient te worden verwerkt dat, indien de werknemer dit wenst, op jaarbasis maximaal 101,6 uren bij een volledige betrekking als compensatie-uren vrij opneembaar zijn, voor zover de werkzaamheden dat toelaten.

Lid 2

Compensatie-uren dienen in het begin van elk kalenderjaar, of aanvang van het dienstverband, bijgeschreven te worden op de verlofkaart. Zij worden echter wel apart vermeld.

Lid 3

De opname van compensatie-uren (compensatieverlof) geschiedt op dezelfde wijze als opname van verlofuren; daarbij wordt wel vermeld dat het compensatie-uren betreft.

Lid 4

Bij ziekte tijdens ingeroosterd compensatie-verlof worden deze uren als opgenomen beschouwd.

Lid 5

Bij ziekte langer dan drie maanden, wordt de werknemer geacht voor elke 4 weken dat de ziekte langer duurt, 8 uren compensatieverlof te hebben opgenomen.

Lid 6

De aan het einde van een kalenderjaar niet opgenomen compensatie-uren kunnen niet worden overgeschreven, en vervallen derhalve.

Lid 7

De teveel opgenomen compensatie-uren bij beëindiging van het dienstverband worden verrekend (bijvoorbeeld met de resterende verlofdagen). Niet-genoten compensatie-uren worden daarentegen uitbetaald.

Lid 8

Voor de werknemer met een niet-volledige betrekking wordt voorde toepassing van het in het eerste en vijfde lid bepaalde een berekening naar evenredigheid toegepast.

Artikel 12

(vervallen)

Artikel 13 Collectieve sluiting

Lid 1

Het college behoudt zich het recht voor om, met instemming van de COR, tot collectieve sluiting van de gemeentelijke directies te besluiten.

Lid 2

Aanwijzing van deze collectieve sluiting voor het daaropvolgende kalenderjaar geschiedt telkenjare zo mogelijk voor 1 december van het lopende kalenderjaar.

Lid 3

In overeenstemming met de OR mag de directeur van de directie voor (onderdelen van) zijn dienst een verdere collectieve sluiting overeenkomen.

Lid 4

Bij het vaststellen van de roosters en werktijden van enig kalenderjaar, wordt rekening gehouden met de collectieve sluiting en kunnen daaromtrent nadere afspraken worden gemaakt. Deze dagen worden derhalve, indien de ambtenaar dat wenst, ingeroosterd.

Lid 5

Indien de collectieve sluiting niet conform het bepaalde in het vorige lid in het rooster is verwerkt, dienen voor de collectieve sluiting compensatie-uren c.q. verlofuren te worden ingezet.

Artikel 14 Overgangs- en slotbepalingen

Lid 1

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 1997.

Lid 2

Met ingang van de in het vorige lid genoemde datum worden de bestaande regelingen inzake variabele werktijden ingetrokken. Indien en voor zolang op dat moment nog geen regeling voor de dienst is vastgesteld, en deze kaderregeling niet volledig in de gewenste behoefte voorziet, kunnen tijdelijke aanvullende afspraken worden gemaakt.

Algemene toelichting

Op basis van een sectoraal accoord inzake verdere arbeidsduurverkorting geldt per 1 januari 1997 een gemiddeld 36-urige werkweek. Daarnaast zijn afspraken gemaakt over mogelijkheden tot meer flexibele inzet van het gemeentelijk personeel alsmede een spaarvariant in het kader van de vormgeving van de arbeidsduurverkorting. Deze afspraken zijn in de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen (AGN) vastgelegd.

Een verdere detaillering van door sociale partners gemaakte afspraken geschiedt op lokaal niveau. Daarbij komen lokaal bestaande afspraken omtrent invulling van de vorige ADV-ronde van 40 naar 38 uur in beginsel te vervallen. In het 'Accoord Arbeidsvoorwaarden april 1996-januari 1998 zijn daarom enkele randvoorwaarden omtrent de vormgeving van de 36-urige werkweek geformuleerd, en is besloten tot vaststelling van een kaderregeling werk- en arbeidstijden, te hanteren bij de regeling van werk- en arbeidstijden op directieniveau.

Deze randvoorwaarden zijn:

  • a

    er vindt geen algehele inkrimping van bedrijfstijden plaats.

  • b

    werkroosters van structureel 4 x 9 uur en van 5 x 7,2 uur worden niet collectief vastgesteld; een dergelijk rooster kan wel in voorkomende gevallen met individuele werknemers worden overeengekomen.

  • c

    de huidige regelingen met betrekking tot variabele werktijden en bloktijden kunnen per dienst worden geactualiseerd, met instemming van de OR/OC.

  • d

    de onderlinge bereikbaarheid van diensten zal worden gegarandeerd.

  • e

    bij de invulling van werktijden en roosters wordt waar mogelijk rekening gehouden met individuele wensen en omstandigheden.

Bij nader inzien is het noodzakelijk gebleken om de onder c genoemde randvoorwaarde minder vrijblijvend te formuleren. Zulks in verband met hetgeen is bepaald inzake de inzet van compensatie- of verlofuren bij collectieve sluiting (artikel 13).

Deze kaderregeling moet in acht worden genomen bij de op directieniveau met de OR/OC te maken bindende afspraken over een regeling voor werk- en arbeidstijden. De OR/OC heeft instemmingsbevoegdheid.

Bij het inrichten van de werkprocessen moet de 36-urige werkweek als vertrekpunt worden genomen. Aangezien in de lokale CAO ook afspraken zijn gemaakt omtrent het vrij opneembaar blijven van 101,6 uren per jaar -zoals dat tot op heden ook het geval was in de vorm van 12 adv-dagen- zal dat, indien de medewerker van deze regeling gebruik wenst te maken, in een patroon van gemiddeld 38 arbeidsuren bij een volledige betrekking in het rooster tot uitdrukking komen.

Indien er in enige periode meer dan 36 uren gemiddeld zijn ingeroosterd, kan dat ook het gevolg zijn van:

  • -

    ingeroosterde uren als gevolg van het gebruik maken van de bandbreedte, of:

  • -

    uren als gevolg van de spaarregeling als bedoeld in artikel 4:3 van de AGN.

Indien individueel een spaarverlofregeling wordt overeengekomen, is het noodzakelijk dat -alvorens feitelijk hiertoe wordt overgegaan- de afspraken schriftelijk worden vastgelegd. De voorbeeld-spaarovereenkomst van het College voor Arbeidszaken van de VNG dient hierbij als uitgangspunt.

De spaarregeling is opgenomen als artikel 4:3 in de AGN.

In het verleden gemaakte principe-afspraken over dagen waarop de gemeentelijke directies of onderdelen collectief gesloten zullen zijn, zijn nu formeel vastgelegd in deze kaderregeling.

4a Uitwisselen van arbeidsvoorwaarden

Artikel 4a:0:0:1 Arbeidsvoorwaardenregeling

In aanvulling op Hoofdstuk 4a betreffende het uitwisselen van arbeidsvoorwaarden, vindt u bij het onderdeel “Lokale regelingen” het Keuzemenu Individueel Arbeidsvoorwaardenpakket Nijmegen (KIAN) en de Fietsregeling.

Artikel 4a:1 Vakantie-uren uitwisselen tegen geld
  • 1 De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid - te verminderen in ruil voor een vergoeding als bedoeld in het vijfde lid.

  • 2 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal vakantie-uren –na vermindering op grond van het eerste lid – minimaal 144 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week en voor de ambtenaar die gebruikmaakt van de seniorenregeling bedoeld in artikel 5:1 of 5:3 , geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als minimum.

  • 3 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal te verminderen vakantie-uren op grond van het eerste lid maximaal 72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week en voor de ambtenaar die gebruikmaakt van de seniorenregeling bedoeld in artikel 5:1 of 5:3 , geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.

  • 4 Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.

  • 5 Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen ontvangt de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid verminderd vakantie-uur een vergoeding overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij de aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft.

Artikel 4a:1:1:1 Vakantie-uren uitwisselen tegen geld

In aansluiting op het bepaalde in artikel 4a:1 kan de ambtenaar bij het college voor 1 februari van het betreffende jaar een verzoek indienen om gedurende het kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2, eerste lid - te verminderen in ruil voor een vergoeding als bedoeld in het vijfde lid.

Artikel 4a:2 Geld uitwisselen tegen vakantie-uren
  • 1 De ambtenaar kan bij het college voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2 , eerste lid - te vermeerderen tegen inlevering van een vergoeding als bedoeld in het vierde lid.

  • 2 Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het aantal op grond van het eerste lid te vermeerderen vakantie-uren maximaal 72 uren. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week en voor de ambtenaar die gebruikmaakt van de seniorenregeling bedoeld in artikel 5:1 of 5:3 , geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.

  • 3 Het college wijst een verzoek als bedoeld in het eerste lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.

  • 4 Tenzij op lokaal niveau anders is overeengekomen, wordt op het salaris van de ambtenaar voor elk op grond van het eerste lid meer verkregen vakantie-uur een vergoeding ingehouden overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet bij aanvang van het kalenderjaar waarop het verzoek betrekking heeft.

Artikel 4a:2:2:2 Geld uitwisselen tegen vakantie-uren

In aansluiting op het bepaalde in artikel 4a:2 kan de ambtenaar kan bij het college voor 1 februari een verzoek indienen om gedurende het betreffende kalenderjaar de duur van de vakantie - als bedoeld in artikel 6:2 , eerste lid - te vermeerderen tegen inlevering van een vergoeding als bedoeld in het vierde lid.

Artikel 4a:3 Inhouding op bezoldiging, eindejaarsuitkering, vakantietoelage of urenvergoeding
  • 1 Het college kan op verzoek van de ambtenaar zijn bezoldiging als bedoeld in artikel 3:1 , zijn eindejaarsuitkering als bedoeld in artikel 3:6 , zijn vakantietoelage als bedoeld in artikel 6:3 of zijn vergoeding als bedoeld in artikel 4a:1 , vijfde lid, verlagen voor door het college vastgestelde bestedingsmogelijkheden.

  • 2 Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van het bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften worden gesteld.

Artikel 4a.3.0.1 Vakantie-uren benutten voor bestedingsdoelen

Lid 1

De ambtenaar kan bij het college voor 1 november een verzoek indienen om gedurende het daaropvolgende kalenderjaar de vergoeding van een deel van de vakantie-uren, genoemd in artikel 4a:1, te benutten voor door het college vastgestelde bestedingsmogelijkheden.

Lid 2

Voor de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt het deel van de vakantie-uren op grond van het eerste lid maximaal 21,6 uren. Voor de ambtenaar met een deeltijdbetrekking geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.

Lid 3

De ambtenaar die in de loop van het kalenderjaar in dienst is getreden, dient het in het eerste lid bedoelde verzoek in te dienen uiterlijk binnen een maand na de datum van indiensttreding. Voor hem bedraagt het deel van de vakantie-uren maximaal zoveel maal 1/12 gedeelte van de in het tweede lid genoemde aantal vakantie-uren als er volle maanden zijn in dat kalenderjaar gedurende welke hij zijn betrekking vervult. Hij ontvangt, in afwijking van artikel 4a:1, vijfde lid voor elk vakantie-uur een vergoeding overeenkomend met de hoogte van het salaris per uur dat hij geniet op de datum van indiensttreding.

Lid 4

In afwijking van het eerste lid dient de ambtenaar het verzoek  voor het kalenderjaar 2005 uiterlijk voor 1 februari 2005 te hebben ingediend.

Lid 5

Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van dit artikel nadere voorschriften worden gesteld.

Artikel 4a:3:0:1:1 Vakantie-uren benutten voor bestedingsdoelen

In aansluiting op het bepaalde in artikel 4a:3. kan de ambtenaar kan bij het college voor 1 februari een verzoek indienen om gedurende het betreffende kalenderjaar de vergoeding van een deel van de vakantie-uren, genoemd in artikel 4a:1, te benutten voor door het college vastgestelde bestedingsmogelijkheden genoemd in lid 7 van artikel 4a:3:0:2.

Artikel 4a:3:0:2 Persoonlijk budget voor bestedingsdoelen

Lid 1

De ambtenaar kan bij het college voor 1 februari een verzoek indienen om hem gedurende het betreffende kalenderjaar een bedrag aan persoonlijk budget beschikbaar te stellen.

Lid 2

De ambtenaar kan het toegekende bedrag van het persoonlijk budget slechts benutten voor door het college vastgestelde bestedingsmogelijkheden.

Lid 3

Voor de ambtenaar met een volledige betrekking stelt het college het bedrag van het persoonlijk budget per kalenderjaar vast. Voor de ambtenaar met een deeltijdbetrekking geldt een naar evenredigheid lager bedrag als persoonlijk budget per kalenderjaar.

Lid 4

De ambtenaar die in de loop van het kalenderjaar in dienst is getreden, dient het in het eerste lid bedoelde verzoek in te dienen uiterlijk binnen een maand na de datum van indiensttreding. Voor hem bedraagt het persoonlijk budget zoveel maal 1/12 gedeelte van het in het derde lid genoemde bedrag als er volle maanden zijn in dat kalenderjaar gedurende welke hij zijn betrekking vervult.

Lid 5

De ambtenaar die in de loop van het kalenderjaar uit dienst treedt, hoeft het op grond van dit artikel toegekende bedrag aan persoonlijk budget niet terug te betalen.

Lid 6

Bij regeling van het college kunnen voor de uitvoering van dit artikel nadere voorschriften worden gesteld.

Lid 7

De bestedingsdoelen voor het persoonlijk budget zijn:

  • a

    Fiets voor woon- werkverkeer

  • b

    Spaarloon

  • c

    Premie voor bijverzekering pensioen

  • d

    Premie voor bijverzekering ANW

  • e

    Lidmaatschap beroepsvereniging

  • f

    Abonnement(en)/ supplementen vakliteratuur

  • g

    Aanvullende verhuiskostenvergoeding

  • h

    Vergoeding vakbondscontributie.

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Deze regeling verstaat onder:

  • a

    werkgever:de gemeente Nijmegen;

  • b

    werknemer:de ambtenaar in de zin van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen, voor zover deze een vaste aanstelling heeft dan wel tijdelijk is aangesteld voor de duur van tenminste één jaar; de werknemer met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan op grond van artikel 2:5, eerste lid sub a van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen voor tenminste één jaar; Diegenen wier verzoek om de bestaande duurzame arbeidsrelatie om te zetten in een dienstbetrekking zoals geregeld in artikel 4, onderdeel f van de wet op de loonbelasting 1964, door de Belastingdienst is ingewilligd.

  • c

    fiets:Een fiets is een rijwiel zonder hulpmotor. Ook de Spartamet en zoemfietsen zijn als fiets aan te merken. Zoemfietsen zijn fietsen met een elektrisch of motorisch aangedreven trapondersteuning zoals de Epacs en Saxonette.

  • d

    verzekering:een gangbare verzekering voor de fiets voor de duur van drie jaar, die dekking geeft tegen nieuwwaarde bij diefstal en schade;

  • e

    accessoires: de met de fiets samenhangende zaken die direct dienstbaar zijn aan het woon-werkverkeer, waaronder mede begrepen fiets- en regenkleding.

  • f

    brutoloon:de eindejaarsuitkering waarop de werknemer aanspraak heeft ingevolge de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen, voor dat gedeelte dat vanaf de maand volgende op de datering van de in artikel 2, vierde lid, bedoelde verklaring nog opgebouwd dient te worden tot aan het eerstvolgende moment van uitbetaling; de vakantietoelage, voor zover meer bedragend dan 8% van het voor de werknemer geldende wettelijk minimumloon als bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantietoeslag, waarop de werknemer aanspraak heeft ingevolge de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen, voor dat gedeelte dat vanaf de maand volgende op de datering van de in artikel 2, vierde lid, bedoelde verklaring nog opgebouwd dient te worden tot aan het eerstvolgende moment van uitbetaling.

  • g

    nettoloon:de bezoldiging na aftrek van verschuldigde premies en loonbelasting;

  • h

    AGN:de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen.

Artikel 2 Voorfinanciering fiets

Lid 1

Om aanspraak te kunnen maken op vergoeding van de kosten van een fiets met verzekering , dient de werknemer, voordat de werkgever daartoe overgaat, een volledig ingevulde "Verklaring inzake aanschaf en terugbetaling van vergoede fiets" te overleggen. Hierin verklaart de werknemer dat hij op meer dan de helft van het aantal dagen dat hij pleegt te reizen in het kader van het woon-werkverkeer de fiets zal gebruiken, waaronder mede begrepen het gebruik van de fiets in voor- of natransport (bijvoorbeeld van en naar NS-station). Deze verklaring wordt door de werkgever bevestigd. In de verklaring wordt tevens - op de wijze zoals in lid 4 van dit artikel is bepaald - aangegeven op welke wijze het brutoloon van de werknemer zal worden verlaagd.

Lid 2

De werknemer vult tevens een bestelformulier in, dat namens de werkgever door de afdeling P&O van de dienst\directie wordt voorzien van handtekening en stempel.

Lid 3

Na ontvangst van de factuur (met kopie van het bestelformulier) betaalt de werkgever rechtstreeks aan de leverancier dan wel de werknemer de kosten van de te vergoeden fiets, en de verzekering. Een fiets wordt slechts één keer per drie jaren vergoed. De verzekering dient bij de bestelling van de fiets te worden afgesloten.

Lid 4

De werknemer dient schriftelijk te verklaren dat hij in een periode van maximaal drie jaren na datum van vergoeding van de kosten afstand doet van zijn brutoloon ter grootte van het aanschafbedrag van de fiets dan wel maximaal het bedrag als genoemd in artikel 37, lid 1 van de Uitvoeringsregeling Loonbelasting 2001.

Lid 5

Indien bij beëindiging van de arbeidsverhouding nog verrekening dient plaats te vinden, wordt het restant verrekend met de vakantietoelage en eventueel de eindejaarsuitkering. Indien de vakantietoelage en/of eventueel de eindejaarsuitkering daartoe niet toereikend zijn, zal het restant op het nettoloon in mindering worden gebracht.

Artikel 3 Voorfinanciering fiets

In verband met, en tegelijk met de overdracht van het eigendom van de fiets en de vergoeding van de kosten daarvan aan de werknemer, wordt bij de eerstvolgende loonbetaling aan de werknemer, indien het aankoopbedrag van de fiets meer bedraagt dan het bedrag als genoemd in artikel 37, lid 1 van de Uitvoeringsregeling Loonbelasting 2001, eenmalig op zijn nettoloon ingehouden het meerdere boven dit bedrag.

Artikel 4 Voorfinanciering accessoires

Lid 1

Om aanspraak te kunnen maken op vergoeding van de kosten van de met de fiets samenhangende accessoires, dient de werknemer, voordat de werkgever daartoe overgaat, een door het college vastgesteld formulier inzake de vergoeding van de accessoires volledig in te vullen.

Lid 2

Gedurende de looptijd van de regeling kunnen de kosten van de met de fiets samenhangende accessoires éénmaal per kalenderjaar worden gedeclareerd tot het maximumbedrag als genoemd in artikel 37, lid 5 van de Uitvoeringsregeling Loonbelasting 2001. Het gedeclareerde bedrag wordt vervolgens in mindering gebracht op de vakantie-uitkering of op de eindejaarsuitkering van de medewerker van het betreffende jaar.

Lid 3

Indien het gedeclareerde bedrag het in lid 2 van dit artikel bedoelde maximumbedrag overstijgt, wordt het restant in mindering gebracht op het eerstvolgende nettoloon.

Artikel 5 Slotbepalingen

Indien controle door de inspecteur der belastingen er toe leidt dat alsnog een naheffing wordt opgelegd, dan komt deze naheffing (inclusief eventuele rente en boete) voor rekening van de werknemer. Voorts aanvaardt de werkgever geen enkele verantwoordelijkheid voor de mogelijk in andere (wettelijke) regelingen opkomende gevolgen van de verlaging van het brutoloon bij het gebruikmaken van deze regeling.

Artikel 6 Slotbepalingen

De werknemer is verplicht een verzekering af te sluiten.

Artikel 7

Bij de toepassing van de regeling wordt geen rekening gehouden met eventuele inruil.

Artikel 8

Lid 1

Deze regeling treedt, onder intrekking van de regeling “Regeling faciliteiten ter zake van verstrekking / aanschaf van een fiets 1 april 1999”, in werking met ingang van heden.

Lid 2

De regeling kan worden aangehaald als regeling “Faciliteiten ter zake van aanschaf van een fiets 2008".

5 Seniorenmaatregelen

Artikel 5:1 56-jarenregeling
  • Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen. (Zie ook: artikel 5:6 lid 2)

  • 1 De seniorenarbeidsduur van de ambtenaar van 56 jaar en ouder, die

    • a

      een ononderbroken diensttijd heeft van ten minste tien jaren die direct voorafgaat aan de ingangsdatum van de vermindering van de seniorenarbeidsduur, waarbij een onderbreking van twee maanden of minder niet als een onderbreking wordt aangemerkt; en

    • b

      geen betrekking vervult waarvan voor de vervulling een leeftijdsgrens is bepaald wordt, tenzij het dienstbelang zich daartegen verzet, op zijn verzoek met een vijfde deel teruggebracht met behoud van de formele arbeidsduur onder doorbetaling van 90% van de bezoldiging. Er dient minimaal een arbeidsduur van 7,2 uur per week te resteren.

  • 2 Onder diensttijd als bedoeld in het vorige lid wordt verstaan de diensttijd als omschreven in artikel 2, tweede lid, onder de punten a tot en met c, van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering.

  • 3 Bij de vaststelling van de feitelijke arbeidsduur per week wordt uitgegaan van de met een vijfde teruggebrachte seniorenarbeidsduur.

Artikel 5:2 Pré-vut
  • Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen. (Zie ook: artikel 5:6 lid 2)

  • 1 De werknemer in de zin van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering heeft recht op een uitkering krachtens het bepaalde in artikel 18, eerste lid, onderdeel a, van dat reglement, met ingang van de dag waarop hij de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt. De uitkering wordt betaald met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de dag waarop het recht op de uitkering ontstaat. De pré-vut-uitkering wordt beëindigd met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de werknemer de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt. Voor de duur van de periode van de pré-vut blijven de bepalingen van het reglement vrijwillig vervroegde uittreding van kracht zoals die regeling laatstelijk luidde voor 1 april 1997.

  • 2 De uitkering, bedoeld in het eerste lid, bedraagt 75% van het inkomen zoals omschreven in artikel 1, onderdeel v, van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering, met dien verstande dat het uitkeringspercentage voor de ambtenaar, die wordt bezoldigd volgens de salarisschalen 1 en 2, 80% van evenbedoeld inkomen bedraagt.

  • 3 Het bepaalde in het eerste en tweede lid is niet van toepassing op de ambtenaar wiens verzoek, bedoeld in artikel 5:1, eerste lid, is ingewilligd.

Artikel 5:3 60-jarigenregeling
  • Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen. (Zie ook: artikel 5:6 lid 2)

  • 1 Met inachtneming van het gestelde in het tweede lid, wordt de seniorenarbeidsduur van de ambtenaar van 60 jaar en ouder, die:

    • a

      een aanstelling heeft van tenminste 14,4 uur per week, en;

    • b

      een ononderbroken diensttijd heeft van tenminste tien jaren die direct voorafgaat aan de ingangsdatum van de vermindering van de seniorenarbeidsduur, waarbij een onderbreking van twee maanden of minder niet als een onderbreking wordt aangemerkt;

    op verzoek van de ambtenaar dan wel op verzoek van het college, met de helft teruggebracht met behoud van de formele arbeidsduur en onder doorbetaling van 95% van de bezoldiging. De bezoldiging wordt voor 95% doorbetaald tot de eerste dag van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt; van de ambtenaar die bij het bereiken van de leeftijd van 61 jaar geen gebruikmaakt van de FPU-regeling om uit te treden, wordt, met ingang van de eerste dag van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 61 jaar heeft bereikt, de bezoldiging voor 50% doorbetaald; van de ambtenaar die op of na het bereiken van de leeftijd van 61 jaar gebruikmaakt van de FPU-regeling om gedeeltelijk uit te treden tot een maximum van 50% van de oorspronkelijke formele arbeidsduur, blijft de omvang van de verminderde seniorenarbeidsduur gehandhaafd op 50%. De bezoldiging wordt voor 50% van de bezoldiging zoals die voor hem gold voordat hij gebruik ging maken van de FPU, doorbetaald; van de ambtenaar die op of na het bereiken van de leeftijd van 61 jaar gebruikmaakt van de FPU-regeling om gedeeltelijk uit te treden voor meer dan 50% van de oorspronkelijke formele arbeidsduur, worden de formele arbeidsduur, de seniorenarbeidsduur en de bezoldiging zoals die voor hem golden voordat hij gebruik ging maken van de FPU, met eenzelfde percentage aangepast. Het verzoek van de ambtenaar kan slechts worden geweigerd indien naar het oordeel van het college sprake is van een organisatorisch belang. De ambtenaar heeft te allen tijde het recht op grond van hem moverende redenen het verzoek van het college te weigeren.

  • 2

    • a

      Ten aanzien van de ambtenaar waarvan de seniorenarbeidsduur reeds met een vijfde is teruggebracht ingevolge het bepaalde in artikel 5:1, eerste lid, is het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor "95%" gelezen dient te worden: 82,5%. De seniorenarbeidsduur van de ambtenaar, die reeds met een vijfde deel is teruggebracht op grond van het bepaalde in artikel 5:1, eerste lid, wordt tot de helft teruggebracht, uitgaande van de omvang van de aanstelling, zoals die gold op de dag voorafgaand aan de ingangsdatum van de vermindering van de seniorenarbeidsduur ingevolge artikel 5:1;

    • b

      Ten aanzien van de ambtenaar, waarvan de seniorenarbeidsduur voor 1 april 1996 is teruggebracht ingevolge het bepaalde in artikel 5:1, eerste lid, geldt dat deze ambtenaar tot 1 mei 1996 kan verzoeken om in aanmerking te komen voor de 60-jarigenregeling. Indien het verzoek tot vermindering van de seniorenarbeidsduur is ingewilligd, wordt de doorbetaling van de bezoldiging met ingang van 1 mei 1996 teruggebracht tot 90%. Het bepaalde in het eerste lid is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor "95%" gelezen dient te worden: 82,5%.

  • 3 Onder diensttijd als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan de diensttijd als omschreven in artikel 5:1, tweede lid.

  • 4 Bij de vaststelling van de feitelijke arbeidsduur per week wordt uitgegaan van de met de helft teruggebrachte seniorenarbeidsduur per week.

  • 5 Wanneer de betrokkene inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de WAJONG of WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag waarop de seniorenarbeidsduur met de helft is teruggebracht dan wel schriftelijk is medegedeeld dat het verzoek tot het terugbrengen van de seniorenarbeidsduur, bedoeld in het eerste of tweede lid, is ingewilligd, worden die inkomsten in mindering gebracht op de door te betalen bezoldiging over de maand waarop deze inkomsten betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben met dien verstande dat het percentage van de door te betalen bezoldiging na vermindering nooit minder bedraagt dan 50. Onder inkomsten bedoeld in de vorige volzin, wordt niet begrepen een uitkering op grond van de FPU-regeling.

  • 6 Het vijfde lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurend vakantie, verlof of non-activiteit onmiddellijk voor afgaande aan de vermindering van de seniorenarbeidsduur.

  • 7 Wanneer de betrokkene op of na de dag, bedoeld in het vijfde lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf, ter hand genomen voor evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het vijfde lid van overeenkomstige toepassing. De hier bedoelde vermindering vindt echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen of indien de betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met de vermindering van de werktijd.

  • 8 De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op of na de dag waarop de seniorenarbeidsduur is verminderd of schriftelijk is medegedeeld dat het verzoek tot terugbrengen van de seniorenarbeidsduur, bedoeld in het eerste of tweede lid, is ingewilligd, terstond mededeling aan het college of aan een door het college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij, voor zover mogelijk, opgave van de inkomsten die hij uit die arbeid of dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of blijvende wijzigingen in alle evengenoemde bedragen geeft hij tijdig op voor het verschijnen van de eerstvolgende bezoldigingstermijn.

  • 9 Indien de in het vijfde tot en met zevende lid bedoelde bedragen niet vooraf door de betrokkene zijn op te geven, doet hij voor het verschijnen van elke bezoldigingstermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter hand nemen van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft verkregen. Brengt de aard van de arbeid of het bedrijf, ter beoordeling van het college, mede dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, welke echter niet langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt het bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder voorbehoud van verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn.

  • 10 Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een opgave als bedoeld in het achtste lid worden afgeweken.

  • 11 Het in het zevende en achtste lid bepaalde vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in het vijfde en zesde lid.

  • 12 Door het aanvaarden van de vermindering van de seniorenarbeidsduur wordt de betrokkene geacht er in toe te stemmen, dat zij die naar het oordeel van het college daarvoor in aanmerking komen alle voor de uitvoering van dit artikel noodzakelijke inlichtingen geven.

  • 13 Indien de betrokkene één of meerdere verplichtingen als bedoeld in het zevende en achtste lid niet nakomt, kan het college de doorbetaling van de bezoldiging tijdelijk of definitief op een lager percentage stellen, met dien verstande dat het aldus vastgestelde percentage nooit minder dan 50 kan bedragen.

  • 14 Het verzoek voor het terugbrengen van de seniorenarbeidsduur moet minimaal drie maanden voor aanvang van de vermindering worden ingediend.

Artikel 5.3.0.1 Werktijdenverkorting 60 jaar en ouder

Lid 1

De ambtenaar die de leeftijd van 60 jaar heeft bereikt, een volledige betrekking vervult en geen gebruik maakt van de voorziening als bedoeld in artikel 5:1 kan, indien hij zulks wenst, in aanmerking komen voor een vermindering van zijn werktijd met een half uur per dag.

Lid 2

Indien naar het oordeel van het college het dienstbelang zich tegen toepassing van het in het voorgaande lid bepaalde verzet, heeft de ambtenaar echter recht op een vrije dag zodra een periode verstreken is waarin het totaal aantal halve uren dat hem met toepassing van het eerste lid aan werktijdverkorting zou zijn toegestaan, overeenkomt met een werkdag.

Artikel 5:4 Ingangsdatum seniorenmaatregelen

Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen. (Zie ook: artikel 5:6 lid 2)

Indien de ambtenaar gebruik maakt van de mogelijkheid de seniorenarbeidsduur te verminderen ingevolge het bepaalde in artikel 5:1, eerste lid, of 5:3, eerste of tweede lid, heeft de ambtenaar vanaf de dag dat de leeftijd is bereikt, zoals vermeld in de voorgaande artikelen, aanspraak op vermindering van de seniorenarbeidsduur. Op de eerste dag van de maand volgend op de dag waarop tenminste de vereiste leeftijdwordt bereikt, wordt de seniorenarbeidsduur teruggebracht en wordt de bezoldiging gedeeltelijk uitbetaald, op grond van het bepaalde in artikel 5:1 en 5:3.

Artikel 5:5 Overgangsbepaling

Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen. (Zie ook: artikel 5:6 lid 2)

De ambtenaar waarvan het verzoek als bedoeld in artikel 5:1 is gehonoreerd en waarvan de ingangsdatum van de vermindering van de seniorenarbeidsduur ligt voor 1 april 1996, behoudt voor de duur van de periode van deze vermindering van seniorenarbeidsduur, de volledig voor hem geldende bezoldiging, behoudens ingeval artikel 5:3, tweede lid, onderdeel b, van toepassing is.

Artikel 5:6 Slotbepalingen
  • 1 Een ambtenaar die gebruik maakt of heeft gemaakt van de regeling zoals opgenomen in hoofdstuk 5a, kan niet deelnemen aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen.

  • 2 Een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren, heeft geen recht op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen.

Artikel 5.6.0.1 Slotbepalingen

In aanvulling op het gestelde in artikel 5:6 lid 2 (waarin gesteld wordt dat een ambtenaar die op of na 1 januari 1945 is geboren geen recht meer heeft op deelname aan een van de in dit hoofdstuk genoemde regelingen) dient vermeld te worden dat dit geldt met uitzondering van het bepaalde in artikel 5.3.0.1.

Artikel 1 Rechthebbende

Onder “ambtenaar” als bedoeld in deze regeling wordt verstaan: De ambtenaar als bedoeld in hoofdstuk 1, artikel 1:1, eerste lid onder a van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen (verder: AGN) die de 55-jarige leeftijd heeft bereikt en:

  • a

    die door het bevoegd gezag door organisatieverandering of bezuinigingsmaatregel (meestal na toepassing van een sociaal plan/personeelsplan) als herschikker is aangewezen of

  • b

    die door het bevoegd gezag als herplaatser is aangewezen omdat betrokkene om andere redenen de functie niet meer kan uitoefenen of

  • c

    wiens functie op basis van door het bevoegd gezag te maken inschattingen op korte termijn dreigt te vervallen en daardoor mogelijk als herschikker zal worden aangewezen of

  • d

    die weliswaar niet voldoet aan het bepaalde onder a., b. of c., doch die door uit te treden de mogelijkheid biedt - al dan niet via verschuiving - aan een herschikker of toekomstige herschikker in een functie in te stromen, zulks ter beoordeling van het college.

Artikel 2 Ontslag met FPU

Om voor toepassing van deze regeling in aanmerking te komen verplicht de ambtenaar zich ontslag te nemen op grond van artikel 8:11 van de AGN. In afwijking van het bepaalde in artikel 8:11, lid 2 van de AGN dient voor toepassing van deze regeling het ontslag voor de volledige omvang van de op dat moment geldende formele arbeidsuur per week te worden verzocht.

Artikel 3 Aanvulling FPU
  • 1

    De ambtenaar die een verzoek om ontslag heeft ingediend als bedoeld in artikel 2 van deze regeling heeft recht op een aanvulling van zijn FPU-uitkering tot:

    • a

      het percentage van de FPU-grondslag waarop hij recht had kunnen doen gelden bij uitreden op de eerste dag van de maand volgende op die waarop hij de 58-jarige leeftijd zou hebben bereikt, indien hij op het moment van ontslag de leeftijd van 55, 56 jaren of 57 heeft bereikt;

    • b

      80% van de FPU-grondslag indien hij op het moment van ontslag de leeftijd van 58 jaren heeft bereikt;

    • c

      82% van de FPU-grondslag indien hij op het moment van ontslag de leeftijd van 59 jaren heeft bereikt en

    • d

      84% van de FPU-grondslag indien hij op het moment van ontslag de leeftijd van 60 jaren heeft bereikt.

  • 2

    Indien de ambtenaar in deeltijd werkzaam is, geldt het in lid 1 van dit artikel genoemde percentage slechts voor dat gedeelte van de betrekking op grond waarvan het ontslag als bedoeld in artikel 2 van deze regeling is verzocht.

  • 3

    Indien de in het tweede lid bedoelde ambtenaar reeds eerder gedeeltelijk van de FPU-regeling gebruik heeft gemaakt, zal de som van de FPU-uitkering en aanvulling nooit meer bedragen dan waarop hij recht zou kunnen doen gelden indien hij bij het bereiken van de 58- jarige leeftijd (1a) respectievelijk de voor hem geldende spilleeftijd (1b, 1c en 1d) c.q. de datum van zijn 42-jarig dienstjubileum volledig zou zijn uitgetreden.

  • 4

    Voor de ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van de in hoofdstuk 5 van de AGN bedoelde seniorenmaatregelen wordt een afzonderlijke regeling getroffen, waarbij rekening wordt gehouden met de periode en omvang van de verminderde arbeidsduur.    

Artikel 4 Pensioenopbouw

Lid 1

De werkgever neemt voor de ambtenaar die is geboren vóór 1 april 1947 de aan de pensioenopbouw van de ambtenaar verbonden kosten voor haar rekening gedurende de periode dat deze regeling geldt, tot uiterlijk het moment waarop de zogenoemde spilleeftijd voor FPU-ontslag zou worden bereikt, evenwel met een maximum van vier jaren.   Lid 2Deze voortgezette pensioenopbouw is conform artikel 16.5 van het pensioenreglement qua duur de helft van de gebruikelijke pensioenopbouw. De in het eerste lid genoemde kosten worden voor rekening van de werkgever genomen, voor zover het betreft dat gedeelte van de betrekking op grond waarvan het ontslag als bedoeld in artikel 2 van deze regeling is verzocht.

Artikel 5 Inkomsten

Lid 1

De ambtenaar dient van het verkrijgen van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen op of na de datum van ontslag, onder overlegging van de terzake noodzakelijk geachte specificaties, onmiddellijk schriftelijk mededeling te doen.

Lid 2

Naast een eventuele korting op de uitkering door het ABP, wordt door de gemeente indien nog van toepassing een korting op de in artikel 3 bedoelde aanvulling toegepast gelijk aan het gedeelte waarmee de som van de (gekorte) fpu-uitkering, de aanvulling en de inkomsten 100% van de fpu-grondslag te boven gaan.

Artikel 6 Geldigheidsduur

Van deze regeling kan gebruik gemaakt worden tussen 1 januari 2005 en 1 januari 2006

Artikel 7 Algemene bepalingen

Lid 1

Het belang van de organisatie moet met de beoogde maatregel duidelijk zijn gediend; bij de afweging met het individuele belang van de ambtenaar is het belang van de organisatie altijd doorslaggevend.

Lid 2

Van de in artikel 1 onder d. genoemde medewerkers wordt een lijst gemaakt van functies. Deze functielijst wordt in de organisatie bekend gemaakt om het domino-effect te bevorderen en te kunnen bewerkstelligen.

Artikel 8 Niet-voorziene gevallen

In die gevallen waarin deze regeling niet of niet in redelijkheid voorziet kan een besluit worden genomen zonodig in afwijking van het in deze regeling bepaalde.

Artikel 9 Besluit

Alle besluiten ten aanzien van de uitvoering van deze regeling worden door het college -op voorstel en advies van de directeur van een directie- genomen.

Artikel 10 Titel

Deze regeling kan worden aangehaald als "Regeling uitstroom ouderen 2005".  

Artikel 11 Schematisch overzicht regeling uitstroom ouderen 2005
 Schematisch overzicht regeling uitstroom ouderen 2005
Artikel 12 Melding kandidaat regeling uitstroom ouderen 2005
 Melding kandidaat Regeling Uitstroom Ouderen 2005

5a FPU Gemeenten en nieuwe seniorenmaatregelen

Artikel 5a.0.0.1 Lokale FPU-maatregelen

In aanvulling op Hoofdstuk 5a “FPU Gemeenten en nieuwe seniorenmaatregelen”, vindt u bij het onderdeel “Lokale regelingen” de lokale FPU-maatregelen van de gemeente Nijmegen.

Artikel 5a:1 Recht op uitkering

De ambtenaar die:

  • a

    ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:11 en

  • b

    geen gebruik maakt of heeft gemaakt van een of meer van de in hoofdstuk 5 genoemde regelingen en

  • c

    geen betrekking heeft vervuld die door de gemeente is aangewezen als bezwarende functie en waarvoor afwijkende regels zijn gesteld,

heeft in het kader van de FPU Gemeenten recht op een Aanvulling werkgever.

Artikel 5a:2 Berekeningsgrondslag
  • 1 In dit hoofdstuk wordt onder berekeningsgrondslag verstaan: de pensioengrondslag zoals die is vastgesteld in januari in het jaar voorafgaand aan het moment van gebruikmaking van de aanvulling van de werkgever, met dien verstande dat indien de ambtenaar direct voorafgaande aan het ontstaan van het recht op een Aanvulling werkgever meer dan een betrekking vervult, voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag wordt uitgegaan van het inkomen uit de betrekking waaruit het recht op een Aanvulling werkgever ontstaat.

  • 2 Voor de ambtenaar die een deeltijdbetrekking vervult, wordt als berekeningsgrondslag de in het eerste lid genoemde berekeningsgrondslag gehanteerd, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor zoals genoemd in artikel 1.2, tweede lid van het pensioenreglement, direct voorafgaande aan het ontstaan van het recht op een Aanvulling werkgever.

Artikel 5a:3 Hoogte van de Aanvulling werkgever
  • 1 De Aanvulling werkgever bedraagt een percentage van de berekeningsgrondslag, dat eenmalig wordt vastgesteld op het moment dat hij voor het eerst gebruikmaakt van de FPU Gemeenten aan de hand van de leeftijd van de ambtenaar op 31 december 2005 en bedraagt:

    Leeftijd ambtenaar op 31 december 2005Aanvulling werkgever als percentage van berekeningsgrondslag bij uittreden op spilleeftijd
    566,9
    578,0
    589,4
    5911,3
    6014
    61 of ouder16
  • 2 De hoogte van de aanvulling werkgever wordt actuarieel neutraal herrekend indien de ambtenaar uittreedt op een eerder of later moment dan de voor hem geldende spilleeftijd.

  • 3

    • a

      De in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren

      • I

        vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee maanden;

      • II

        na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden.

    • b

      Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan genoemd onder a, is de in het tweede lid genoemde spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU maatregel 42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment waarop hij het aantal dienstjaren van 42 jaar en twee maanden, respectievelijk 43 jaar en twee maanden, respectievelijk 44 jaar en twee maanden bereikt.

Artikel 5a:4 Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vanaf 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten
  • 1 Voor medewerkers die vanaf 1 juli 2006 op of na de spilleeftijd gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 100% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. Als de Aanvulling werkgever niet of niet volledig tot uitkering komt wordt dat gedeelte van de Aanvulling werkgever doorgeschoven naar het ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar.

  • 2 Voor werknemers die vanaf 1 juli 2006 vóór de spilleeftijd gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 90% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b, eerste lid.

  • 3

    • a

      de in het tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren:

      • I

        vóór of op 1 april 1947: 61 jaar en twee maanden;

      • II

        na 1 april 1947: 62 jaar en drie maanden.

    • b

      Voor zover dit leidt tot een vroegere spilleeftijd dan genoemd onder a, is de in het tweede lid genoemde spilleeftijd voor de ambtenaar die onder de FPU maatregel 42, 43, 44 FPU-jaren valt, het moment waarop hij het aantal dienstjaren van 42 jaar en twee maanden, respectievelijk 43 jaar en twee maanden, respectievelijk 44 jaar en twee maanden bereikt.

Artikel 5a:4a Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die in de periode van 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten
  • 1 Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 op of na de spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 100% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid. Als de Aanvulling werkgever niet of niet volledig tot uitkering komt wordt dat gedeelte van de Aanvulling werkgever doorgeschoven naar het ouderdoms- en nabestaandenpensioen vanaf 65 jaar.

  • 2 Voor werknemers die vanaf 1 januari 2006 tot 1 juli 2006 vóór de spilleeftijd van de FPU Gemeenten gebruikmaken van hun recht op FPU Gemeenten wordt de uitkering afgetopt op 90% van het totaalinkomen. Voor de definitie van totaalinkomen wordt verwezen naar artikel 5a:4b eerste lid.

  • 3 De in het eerste en tweede lid genoemde spilleeftijd is voor de ambtenaar geboren:

    • a

      vóór of op 1 april 1947: 60 jaar

    • b

      na 1 april 1947: 61 jaar

Artikel 5a:4b Aftopping aanvulling werkgever voor medewerkers die vóór 1 januari 2006 gebruikmaken van de FPU Gemeenten
  • 1 Onder het totaalinkomen van de ambtenaar wordt verstaan de som van:

    • a

      de FPU-uitkering;

    • b

      de Aanvulling werkgever; en, in het geval dat een deeltijdbetrekking resteert na het ontslag op grond van artikel 8:11;

    • c

      de berekeningsgrondslag zoals genoemd in artikel 5a:2, eerste lid, vermenigvuldigd met de deeltijdfactor die ontstaat op het moment dat ontslag is verleend op grond van artikel 8:11;

    • d

      de andere inkomsten uit of in verband met de resterende deeltijdbetrekking.

  • 2 De Aanvulling werkgever wordt slechts uitgekeerd voor zover het totaalinkomen van de ambtenaar niet meer bedraagt dan 90% van de berekeningsgrondslag.

  • 3 De beoordeling of het totaalinkomen boven 90% van de berekeningsgrondslag uitkomt, vindt plaats bij elk ontslag op grond van artikel 8:11.

  • 4 Bij de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering blijft buiten beschouwing dat gedeelte van de uitkering krachtens de FPU-regeling dat gebaseerd is op een individuele opbouw zoals geregeld in het pensioenreglement.

  • 5 Indien de in het eerste lid, onder a, bedoelde FPU-uitkering is verminderd krachtens artikel 9 of 10 van het Reglement flexibel pensioen en uittreden (FPU) ter zake van basisuitkering en aanvullende uitkering, respectievelijk in verband met samenloop met inkomsten uit arbeid of bedrijf, of in verband met samenloop met uitkering ter zake van arbeidsongeschiktheid, wordt voor de toepassing van dit artikel uitgegaan van de onverminderde FPU-uitkering.

Artikel 5a:5 Einde van het recht op een Aanvulling werkgever

Het recht op een Aanvulling werkgever eindigt bij een ontslag anders dan op grond van artikel 8:11 dan wel wanneer niet langer recht bestaat op een uitkering krachtens de FPU-regeling.

Artikel 5a:6 Pensioenopbouw

De werkgever betaalt aan de ambtenaar die gebruikmaakt van de FPU Gemeenten een vergoeding pensioenpremie die overeenkomt met de werkgeversbijdrage in de doorsneepremie die vereist is voor 20% pensioenopbouw gedurende de periode dat gebruik wordt gemaakt van de regeling. De in de eerste volzin genoemde pensioenopbouw heeft betrekking op dat deel van de dienstbetrekking waarvoor ontslag is verleend op grond van artikel 8:11.

Artikel 5a:7 Lokaal beleid

Het college kan een nadere regeling treffen op grond waarvan het gebruik van de FPU Gemeenten kan worden beïnvloed. Deze nadere regeling laat de aanspraken van de ambtenaar op de FPU Gemeenten onverlet.

Artikel 5a:8 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 5a:9 Pensioenopbouw bij afloop loopbaan

Indien de ambtenaar op grond van artikel 3:1, zevende lid, bij dezelfde of een andere werkgever in de gemeentelijke sector, een andere functie met een gelijke formele arbeidsduur accepteert, blijft de pensioenopbouw gebaseerd op de oude inschaling.

6 Vakantie, vakantietoelage en (zwangerschaps- en bevallings)verlof

Artikel 6:1 Recht op vakantie

In elk kalenderjaar heeft de ambtenaar recht op vakantie met behoud van bezoldiging.

Artikel 6:1:1 Vakantieverlening
  • 1 De vakantie, waarop de ambtenaar recht heeft ingevolge artikel 6:1, wordt verleend, tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 6:2:4, eerste lid, dan wel toepassing wordt gegeven aan artikel 6:2:6.

  • 2 De vakantie wordt verleend door het college.

Artikel 6:2 Duur vakantie
  • 1 De duur van de vakantie van de ambtenaar met een volledige betrekking bedraagt ten minste 158,4 uren per kalenderjaar.

  • 2 Voor 1 november (tenzij lokaal anders is geregeld) kan de ambtenaar verzoeken in het daaropvolgende kalenderjaar de arbeidsduur per jaar te mogen overschrijden met - bij een volledige betrekking - een maximum van 50,4 uren en deze uren om te zetten in vakantie als bedoeld in het eerste lid. Voor de ambtenaar die is aangesteld voor een arbeidsduur van minder dan 36 uren per week geldt een naar evenredigheid lager aantal uren als maximum.

  • 3 Het college wijst een verzoek als bedoeld in het vorige lid toe, tenzij zwaarwegende bedrijfs- of dienstbelangen zich daartegen verzetten.

Artikel 6.2.0.1 Duur vakantie

In aanvulling op artikel 6:2 betreffende de duur van de vakantie, vindt u bij het onderdeel “Lokale regelingen” de vakantieregeling van de gemeente Nijmegen.

Artikel 6:2:1 Nadere regels
  • 1 Met inachtneming van het bepaalde in artikel 6:2 geeft het college algemene regels met betrekking tot de duur van de vakantie.

  • 2 De duur van de vakantie van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur van minder dan 36 uur per week, wordt naar evenredigheid verminderd.

  • 3 Bij de in het eerste lid bedoelde algemene regels wordt ten aanzien van de ambtenaren of bepaalde groepen van ambtenaren voorzien in een vermeerdering van de vakantie op grond van volbrachte diensttijd of bereikte leeftijd, dan wel van beide, waarbij het bepaalde in het tweede lid van overeenkomstige toepassing is.

  • 4 De aan de ambtenaar volgens de in het eerste lid bedoelde algemene regels toekomende vakantie wordt vermeerderd met 14,4 uren ten aanzien van degene, bedoeld in de artikelen 3:3 en 3:3:1, indien regelmatig en in belangrijke mate op onregelmatige uren wordt gewerkt, respectievelijk indien de in artikel 3:3:1 genoemde verplichting regelmatig en in belangrijke mate op de ambtenaar rust.

  • 5 In gevallen waarin dit artikel niet voorziet, stelt het college bijzondere regels vast.

  • 6 In afwijking van het gestelde in artikel 6:2 wordt, met ingang van de dag waarop de seniorenarbeidsduur van de ambtenaar op grond van artikel 5:1 of 5:3 wordt teruggebracht, de duur van de vakantie naar evenredigheid verminderd en vervalt het recht op vermeerdering van vakantie als bedoeld in het derde lid van dit artikel.

  • 7 Het recht op vermeerdering van de vakantie als bedoeld in het derde lid van dit artikel vervalt met ingang van de dag waarop de ambtenaar gebruikmaakt van de FPU Gemeenten als omschreven in hoofdstuk 5a.

Artikel 6:2:2 Aaneengesloten periode
  • 1 De vakantie kan worden opgesplitst, maar wordt als regel voor ten minste 2/3 deel, doch in elk geval voor ten minste tien werkdagen, aaneensluitend verleend.

  • 2 De vakantie wordt desverlangd zoveel mogelijk, in het bijzonder voor wat betreft de aaneengesloten periode, bedoeld in het eerste lid, verleend in het tijdvak van 1 mei tot 1 oktober. De ambtenaar wordt in de gelegenheid gesteld vakantie op te nemen op officiële feestdagen, samenhangend met geloof en/of culturele achtergrond anders dan de feestdagen genoemd in artikel 4:2:1 derde lid, bij het huwelijk of geregistreerd partnerschap van bloed- en aanverwanten in eerste en tweede graad en bij verhuizing.

  • 3 De beslissing omtrent de tijdstippen waarop de vakantie zal worden verleend, alsmede die omtrent de tijdvakken waarin de vakantie eventueel zal worden gesplitst, berust bij het bestuursorgaan dat de vakantie verleent. Bij die beslissing wordt, voor zover de belangen van de dienst en die van de andere ambtenaren die toelaten, zoveel mogelijk rekening gehouden met de wensen van de ambtenaar.

Artikel 6:2:3 Vakantieopbouw tijdens ziekte, arbeidsongeschiktheid en andere redenen van afwezigheid
  • 1 De ambtenaar die in de loop van een kalenderjaar is aangesteld of wordt ontslagen heeft recht op een duur van de vakantie naar rato van de tijd dat hij zijn betrekking vervult.

  • 2 Voor de ambtenaar die door oorzaken anders dan die bedoeld in het eerste lid, niet gedurende het volle kalenderjaar zijn betrekking vervult, wordt de duur van de vakantie, zo mogelijk van het lopende en overigens van een volgend kalenderjaar, naar evenredigheid verminderd, behoudens het bepaalde in het derde lid.

  • 3 Onverminderd het bepaalde in artikel 6:1:1, eerste lid, wordt een vermindering, bedoeld in het tweede lid, niet toegepast:

    • a

      gedurende de laatste 6 maanden van de periode van afwezigheid, wegens zwangerschap en bevalling of niet aan schuld of nalatigheid te wijten ziekte van de ambtenaar, voorafgaand aan het herstel of het ontslag van de ambtenaar;

    • b

      in geval van verblijf in militaire dienst, anders dan voor eerste oefening;

    • c

      indien en voor zolang de ambtenaar voor ten hoogste 55% van de voor hem vastgestelde werktijd wegens niet aan zijn schuld of nalatigheid te wijten ziekte verhinderd is zijn betrekking te vervullen. Deze verhindering wordt voor het bepalen van de in dit lid onder a bedoelde periode van zes maanden buiten beschouwing gelaten.

    Een opnieuw ingetreden verhindering tot het vervullen van de betrekking wegens ziekte wordt voor het bepalen van de in dit lid onder a bedoelde periode van zes maanden als een voortzetting van de vorige verhindering beschouwd, tenzij die verhindering zich voordoet nadat tenminste vier weken zijn verstreken sedert de ambtenaar zijn betrekking volledig heeft hervat.

  • 4 Indien aan de ambtenaar op zijn verzoek vakantie wordt verleend op werkdagen, waarop hij wegens ziekte slechts gedurende een gedeelte daarvan zijn arbeid kan verrichten, wordt het aantal vakantie-uren van de ambtenaar verminderd met het aantal uren waarmee het aantal vakantie-uren verminderd zou worden ingeval de ambtenaar niet gedeeltelijk wegens ziekte verhinderd zou zijn geweest, tenzij het bevoegde bestuursorgaan dat de vakantie verleent in naar zijn oordeel daarvoor in aanmerking komende gevallen anders beslist.

  • 5 Voor vakantie-uren waarop de ambtenaar aanspraak heeft, maar die met ingang van de dag van ontslag nog niet zijn verleend wordt een vergoeding gegeven. Deze vergoeding is gelijk aan het uurloon van de ambtenaar voor elk niet verleend vakantie-uur.

Artikel 6.2.3 (Q) Praktijkvoorbeeld opbouw vakantierechten

Onder a wordt bepaald dat bij afwezigheid wegens zwangerschap en bevalling of ziekte die niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten, geen vermindering wordt toegepast gedurende de laatste zes maanden van de periode van afwezigheid. Of er een vermindering plaatsvindt, kan pas na afloop van de periode van afwezigheid worden vastgesteld. In praktijk betekent dat het volgende. Vanaf het moment dat de ambtenaar ziek wordt bouwt hij geen vakantierechten meer op. Gaat betrokkene na zijn ziekteperiode weer aan het werk dan wordt voor de opbouw van vakantierechten vanaf de hersteldatum 6 maanden teruggeteld. Is betrokkene bijvoorbeeld 7 maanden ziek, dan bouwt hij over de 6 maanden vóór zijn hersteldatum de gebruikelijke vakantierechten op en voor 1 maand niet. Is iemand korter dan 6 maanden ziek, dan heeft dat geen enkel effect op de opbouw van zijn vakantierechten. Hij bouwt dus gewoon het volle pond op. Is betrokkene ziek en wil hij toch met vakantie, dan kan dat alleen met toestemming van de bedrijfsarts. Geeft deze toestemming en blijft de ambtenaar tijdens de vakantieperiode gewoon ziek, dan hoeft hij voor deze vakantie geen vakantiedagen in te leveren.

Artikel 6:2:4 Niet genoten vakantie wegens dienstbelang
  • 1 Is aan de ambtenaar om redenen van dienstbelang in enig kalenderjaar de vakantie niet of niet geheel verleend, dan wordt hem die nog niet genoten vakantie zoveel mogelijk in het eerstvolgende, doch uiterlijk voor het einde van het tweede volgende kalenderjaar verleend.

  • 2 Indien het belang van de dienst het onvermijdelijk maakt, dat de vakantie of het aaneengesloten gedeelte daarvan wordt genoten buiten het in artikel 6:2:2, tweede lid, genoemde tijdvak, kan door het college de duur van de vakantie of het aaneengesloten deel daarvan met 1/3 worden verlengd.

Artikel 6:2:5 Intrekking
  • 1 Verleende vakantie kan worden ingetrokken, wanneer dringende redenen van dienstbelang zulks noodzakelijk maken. Indien ten gevolge daarvan de ambtenaar op een bepaalde werkdag slechts gedeeltelijk vakantie genoot, worden de genoten vakantie-uren van die werkdag niet in aanmerking genomen bij de berekening van het aantal genoten vakantie-uren.

  • 2 Indien de ambtenaar ten gevolge van de intrekking van de vakantie geldelijke schade lijdt, wordt deze schade hem vergoed.

Artikel 6:2:6 Niet verleende vakantie
  • 1 Indien in enig kalenderjaar de vakantie geheel of gedeeltelijk niet is verleend:

    • a

      op verzoek van de ambtenaar;

    • b

      als gevolg van afwezigheid wegens ziekte die niet aan de schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten; of

    • c

      als gevolg van verblijf in militaire dienst anders dan voor eerste oefening,

    wordt de niet genoten vakantie in een volgend kalenderjaar verleend, tenzij het belang van de dienst of de belangen van de andere ambtenaren zich daartegen verzetten. Een verzoek als bedoeld onder a kan achterwege blijven, indien de niet genoten vakantie minder is dan een nader door het college te bepalen aantal uren.

  • 2 De wegens ziekte tijdens een vakantie niet genoten vakantie-uren worden als niet verleend beschouwd, indien de ambtenaar aannemelijk kan maken dat hij, ware hem geen vakantie verleend, op die uren verhinderd zou zijn geweest zijn betrekking te vervullen.

  • 3 Het bepaalde in het eerste en tweede lid geldt met dien verstande, dat de ambtenaar in enig kalenderjaar nimmer meer vakantie-uren kan opnemen dan anderhalf maal het hem bij of krachtens artikel 6:2:1 toekomende aantal uren tenzij op een desbetreffend verzoek van de ambtenaar uitdrukkelijk anders is beslist.

Artikel 6.2.6.1 Overschrijving verlofdagen

(Gedeelte uit) circulaire aan hoofden van diensten d.d. 14 december 1981

Een verzoek tot overschrijving van niet-genoten vakantie-uren naar een volgend jaar hoeft niet meer aan u als hoofd van dienst ter beslissing te worden voorgelegd in die gevallen waarin dit aantal 20% of minder bedraagt van het aantal uren waarop men recht heeft. Indien de uitkomst van de berekening minder dan een uur bedraagt vindt afronding naar boven plaats op een heel uur.

Artikel 6:2:7 Derving voordelen uit betrekking

Aan de ambtenaar die tijdens zijn vakantie bepaalde voordelen welke aan zijn betrekking zijn verbonden derft, kan deswege een vergoeding worden toegekend.

Artikel 6:3 Aanspraak vakantietoelage
  • 1 De ambtenaar heeft aanspraak op een vakantietoelage voor elke maand waarover hij als zodanig bezoldiging heeft genoten. Indien een ambtenaar in de loop van een maand zijn betrekking gaat vervullen dan wel wordt ontslagen, ontvangt hij een evenredig deel van de vakantietoelage over die maand.

  • 2 De vakantietoelage bedraagt per kalendermaand 8% van de voor de ambtenaar in die maand geldende bezoldiging, met dien verstande dat aan de ambtenaar ten minste het bedrag wordt uitbetaald dat gelijk is aan de voor ambtenaren vastgestelde minimum vakantietoelage, welk bedrag bij het vervullen van een onvolledige betrekking naar evenredigheid wordt verminderd.

Artikel 6:3:1 Uitbetaling vakantietoelage
  • 1 De vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3, wordt eenmaal per kalenderjaar uitbetaald over de periode van 12 maanden, beginnende met de maand juni van het voorafgaande kalenderjaar. In afwijking van het bepaalde in de vorige zin vindt uitbetaling ook plaats bij ontslag van de ambtenaar.

  • 2

    • a

      Artikel 6:3, alsmede het eerste lid van dit artikel zijn niet van toepassing op de ambtenaar, die in werkelijke dienst is of te werk is gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst;

    • b

      Aan de ambtenaar die ingevolge wettelijke verplichting anders dan voor herhalingsoefeningen als militair in werkelijke dienst is, of te werk is gesteld in de zin van artikel 9 van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst en die vervangende dienst gedurende negen maanden heeft vervuld, wordt een bedrag uitgekeerd, dat gelijk is aan het verschil tussen het bedrag, dat hij als vakantie-uitkering uit hoofde van zijn militaire dienst of tewerkstelling in de zin van de Wet gewetensbezwaren militaire dienst ontvangt en het bedrag aan vakantietoelage - mits dit hoger is - dat hij zou hebben ontvangen indien de voorgaande leden op hem van toepassing zouden zijn en de toelage zou zijn berekend op basis van de volle aan zijn betrekking verbonden bezoldiging.

  • 3 Bij de toepassing van dit artikel wordt in acht genomen dat de tijd gedurende welke bij wijze van disciplinaire straf of uit hoofde van schorsing een gedeelte van de bezoldiging wordt ingehouden buiten beschouwing wordt gelaten, indien en voorzover dat bij de strafoplegging of schorsing is bepaald. Artikel 8:15:2, vierde en vijfde lid, is van overeenkomstige toepassing.

  • 4 Met betrekking tot de uitvoering van dit artikel kan het college nadere regels stellen.

Artikel 6:4 Buitengewoon verlof
  • 1 De ambtenaar die op grond van de Waz [Klik hier om het document te downloaden] recht heeft op calamiteiten- en ander kort verzuimverlof of kraamverlof heeft gedurende dit verlof aanspraak op doorbetaling van zijn bezoldiging.

  • 2 In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke andere gevallen aan de ambtenaar door het college buitengewoon verlof met behoud van de bezoldiging kan worden verleend.

  • 3 In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald in welke gevallen het college buitengewoon verlof kan verlenen aan de ambtenaar die lid is van een op grond van artikel 12:1, derde lid, toegelaten organisatie.

  • 4 In de situatie dat er tijdens de non-activiteit elders pensioen wordt opgebouwd, is het verhaal van de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis-en aanvullende uitkering gelijk aan de bijdrage die voor de ambtenaar is verschuldigd.

Artikel 6.4.0.1 Informatie sociale premies

In aanvulling op artikel 6:4 betreffende buitengewoon verlof, vindt u bij het onderdeel “Lokale regelingen” meer informatie over sociale premies e.d. bij buitengewoon verlof van de gemeente Nijmegen.

Artikel 6:4:1 Buitengewoon verlof
  • 1 Het college verleent aan de ambtenaar buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging op de dag dat het huwelijk of geregistreerd partnerschap van de ambtenaar wordt voltrokken.

  • 2 De ambtenaar meldt tenminste twee weken tevoren aan het college wanneer het huwelijk of het registeren van het partnerschap zal plaatsvinden.

Artikel 6.4.1.1 Buitengewoon verlof i.v.m. zitting stembureau

In aanvulling op artikel 6:4:1 is door het college bepaald dat eveneens verlof met behoud van bezoldiging wordt verleend op de dag dat de ambtenaar zitting heeft op een stembureau binnen de gemeente Nijmegen.

Artikel 6.4.1.2 Richtlijnen verlof bij ernstige ziekte familieleden

In aanvulling op artikel 6:4:1 lid 1 sub a betreffende buitengewoon verlof, vindt u bij het onderdeel “Lokale regelingen” de Richtlijnen verlof bij ernstige ziekte familieleden van de gemeente Nijmegen.

Artikel 6.4.1.3 Buitengewoon verlof i.v.m. consultatie eerste- en tweedelijnsgezondheidszorg

Voor consultatie van de zogenoemde eerstelijns gezondheidszorg wordt geen buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging toegekend. De medewerker dient eigen verlof op te nemen voor bijvoorbeeld een bezoek aan huisarts, tandarts of fysiotherapeut. Het verlof kan in uren van de verlofkaart worden afgeschreven. Voor de zogenoemde tweedelijns gezondheidszorg wordt wel buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend. Uiteraard slechts voor de tijd die noodzakelijk is voor dit bezoek. Onder tweedelijns gezondheidszorg wordt specialistische gezondheidszorg gerekend waar men enkel van gebruik kan maken indien men door een (huis)arts is doorverwezen.

Ter compensatie van het vervallen van aanspraken op buitengewoon verlof voor o.a. het verzoek aan huisarts of tandarts is het vakantieverlof met ingang van 1 januari 2001 vermeerderd met 14,4 uren voor de voltijder. De deeltijder krijgt een compensatie naar evenredigheid.

Artikel 6.4.1.4 Vaderschapsverlof

De werknemer heeft na de bevalling van de echtgenote of degene van wie hij het kind erkent, in aanvulling op het kraamverlof als bedoeld in het bepaalde in artikel 6:4 recht op extra verlof (vaderschapsverlof) met behoud van bezoldiging. Het aantal uren verlof waarop de werknemer in totaal recht heeft bedraagt tweemaal de formele arbeidsduur per week. Het verlof dient eenmalig of gespreid te worden opgenomen binnen vier weken, volgend op de dag van de bevalling.

Artikel 6:4:1a Langdurend zorgverlof
  • 1 De ambtenaar die op grond van de Waz [Klik hier om het document te downloaden] recht heeft op langdurend zorgverlof heeft over de uren dat hij dit verlof geniet aanspraak op doorbetaling van 50% van zijn bezoldiging.

  • 2 Indien de ambtenaar gedurende het langdurend zorgverlof wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen vindt geen opschorting van het langdurend zorgverlof plaats.

  • 3 De ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet en langer dan 7 kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen heeft met ingang van de achtste kalenderdag aanspraak op zijn volledige bezoldiging.

  • 4 De duur van de vakantie van de ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het langdurend zorgverlof.

  • 5 Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen, wordt met ingang van de achtste kalenderdag de vermindering van de duur van de vakantie beëindigd.

  • 6 De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die langdurend zorgverlof geniet vindt plaats op basis van de bezoldiging genoemd in het eerste lid.

  • 7 Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 7 kalenderdagen, vindt met ingang van de achtste kalenderdag de opbouw van de vakantietoelage weer plaats op basis van de volledige bezoldiging.

Artikel 6:4:2 Vakbondsverlof
  • 1 Voor de toepassing van dit artikel worden verstaan onder:

    • a

      Centrales van overheidspersoneel:

      • 1

        de Algemene Centrale van overheidspersoneel (ACOP);

      • 2

        de Christelijke Centrale van overheids- en onderwijs Personeel (CCOOP);

      • 3

        de Centrale van middelbare en hogere functionarissen bij overheid, onderwijs, bedrijven en instellingen (CMHF).

    • b

      Verenigingen van ambtenaren:

      de verenigingen van ambtenaren welke zijn aangesloten bij de onder a genoemde centrales van overheidspersoneel.

  • 2 Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt door het college buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend aan de ambtenaar:

    • a

      voor het bijwonen van algemene vergaderingen van verenigingen van ambtenaren of, voor zover het algemene verenigingen betreft welke ook andere groepen van ambtenaren dan gemeentepersoneel organiseren, voor het bijwonen van algemene vergaderingen van een landelijke groep van gemeentepersoneel indien de ambtenaar lid van het hoofdbestuur, bestuurslid ener landelijke groep of afgevaardigde van een afdeling is, met dien verstande dat van elke afdeling voor iedere vijftig leden of gedeelte daarvan aan ten hoogste twee afgevaardigden tot een maximum van tien afgevaardigden, verlof wordt verleend;

    • b

      voor het bijwonen van hoofdbestuursvergaderingen indien hij lid is van het hoofdbestuur van bondsraad- of bestuursraadvergaderingen indien hij lid is van de bonds- of bestuursraad, en van groepsraadvergaderingen indien hij lid is van een landelijke groepsraad;

    • c

      voor het bijwonen van één algemene vergadering van de centrale organisatie waarbij de vereniging van de ambtenaar is aangesloten, indien hij als vertegenwoordiger van zijn vereniging aan die vergadering deelneemt.

  • 3 Tenzij de belangen van de dienst zich daartegen verzetten wordt door het college aan de ambtenaar met een volledige betrekking buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend:

    • a

      om, indien hij daartoe door een centrale van overheidspersoneel als bedoeld in het eerste lid, onder a of door een daarbij aangesloten vereniging is aangewezen, bestuurlijke en/of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen die centrale of die daarbij aangesloten vereniging, onderscheidenlijk binnen het gemeentelijk apparaat, welke ertoe strekken de doelstellingen van deze centrale van overheidspersoneel en/of de daarbij aangesloten vereniging te ondersteunen, alles tezamen voor ten hoogste 216 uren per kalenderjaar;

    • b

      voor het - op uitnodiging van een vereniging van ambtenaren - als cursist deelnemen aan een cursus welke door of ten behoeve van de leden van die vereniging van ambtenaren wordt gegeven, alles tezamen voor ten hoogste 43,2 uren per twee kalenderjaren.

  • 4 Van het buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur of waarvoor de seniorenarbeidsduur op grond van artikel 5:1 of 5:3 is verminderd, wordt het aantal uren genoemd in het derde lid onder a en b, naar evenredigheid verminderd.

  • 5 Het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, kan voor de ambtenaar met een volledige betrekking niet meer bedragen dan ten hoogste 244,8 uren per kalenderjaar, echter met dien verstande dat ten hoogste 316,8 uren verlof kan worden verleend aan de ambtenaar die:

    • a

      lid is van het hoofdbestuur van een centrale van overheidspersoneel, genoemd in het eerste lid onder a, nr. 1 of 2 en/of van een vereniging van ambtenaren die rechtstreeks bij die centrale is aangesloten;

    • b

      lid is van het centrale bestuur van de centrale genoemd in het eerste lid onder a, nr. 3 en/of bestuurslid is van een sector of sectie van de centrale. Het buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging van een ambtenaar die is aangesteld voor een formele arbeidsduur per week van minder dan 36 uur of waarvoor de seniorenarbeidsduur op grond van artikel 5:1 of 5:3 is verminderd, wordt het verlof, bedoeld in het tweede en derde lid tezamen, naar evenredigheid verminderd.

  • 6 Verlof, bedoeld in de vorige leden, kan slechts worden verleend aan de ambtenaar die lid is van een vereniging van ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder b.

  • 7 Tenzij andere belangen van de dienst zich daartegen verzetten, wordt aan de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als lid van de commissie, bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend voor het bijwonen van de vergadering van die commissie, alsmede voor een voorvergadering per uitgeschreven commissievergadering. Hetgeen ten aanzien van de voorvergadering is bepaald, geldt eveneens voor de ambtenaar die door de vereniging van ambtenaren waarvan hij lid is, is aangewezen als plaatsvervangend lid van de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid.

  • 8 Het college kan omtrent het bepaalde in dit artikel nadere regels stellen, waarbij het te verlenen verlof, bedoeld in het tweede, derde en vijfde lid, op een lager aantal uren kan worden gesteld.

Artikel 6:4:2a Vervallen

(Vervallen)

Artikel 6:4:3 Kortdurend zorgverlof
  • 1 De ambtenaar met een volledige betrekking kan voor maximaal 72 uur per kalenderjaar aanspraak maken op kortdurend zorgverlof op grond van de Waz [Klik hier om het document te downloaden] .

  • 2 Het maximum van 72 uur, als genoemd in het eerste lid, wordt voor de ambtenaar die is aangesteld voor een formele betrekkingsomvang van minder dan 36 uur per week naar evenredigheid verminderd.

  • 3 Het verlof komt voor de helft voor de rekening van de werkgever en voor de helft voor de rekening van de ambtenaar.

  • 4 Het college bepaalt in overleg met de ambtenaar nader de wijze waarop de verrekening van het verlof met hem plaatsvindt. Verrekening met de vakantie bedoeld in artikel 6:2 is mogelijk.

Artikel 6:4:4 Non-activiteit
  • 1 Bij non-activiteit, bedoeld in artikel 125c, eerste lid, van de Ambtenarenwet bestaat geen recht op doorbetaling van de bezoldiging en vakantietoelage.

  • 2 Indien de ambtenaar uit hoofde van zijn benoeming of verkiezing, bedoeld in artikel 125c, tweede lid, Ambtenarenwet, aanspraak heeft op een vaste vergoeding - niet zijnde een onkostenvergoeding - wordt op zijn bezoldiging over de tijd dat hij het op grond van dat artikellid verleende verlof geniet een inhouding toegepast. Deze inhouding gaat hetgeen hij geacht kan worden te ontvangen als vergoeding voor de met het verlof overeenkomende tijd niet te boven.

  • 3 Het college kan ter uitvoering van de vorige leden nadere regels vaststellen.

Artikel 6:4:5 Overige redenen buitengewoon verlof

Het college kan aan een ambtenaar op diens verzoek, met behoud van het genot van de gehele of gedeeltelijke bezoldiging en al dan niet onder bepaalde nadere voorwaarden, verlof verlenen om andere redenen dan die welke zijn genoemd in artikel 6:4 tot en met artikel 6:4:4. Het verlof wordt verleend voor maximaal één jaar.

Artikel 6:4:5a Overige redenen buitengewoon verlof
  • 1 Het college kan aan de ambtenaar die benoemd is tot bezoldigd bestuurder van een vereniging van ambtenaren op diens verzoek onbetaald verlof verlenen voor de duur van de vervulling van de functie voor ten hoogste twee jaren.

  • 2 Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend.

Artikel 6:4:6 Buitengewoon verlof is geen vakantie

Het buitengewoon verlof dat volledig doorbetaald wordt, wordt niet in mindering gebracht op de vakantie.

Artikel 6:5 Ouderschapsverlof
  • 1 De ambtenaar die op grond van de Waz [Klik hier om het document te downloaden] recht heeft op ouderschapsverlof, heeft, voor zover lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld, over de uren dat hij dit verlof geniet, maar ten hoogste over 13 maal de formele arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van een percentage van zijn bezoldiging minus het daaraan gekoppelde maximale uurbedrag van de fiscale tegemoetkoming van de Belastingdienst waarop de ambtenaar aanspraak kan maken.

  • 2 Het percentage bedoeld in het eerste lid bedraagt voor de ambtenaar die wordt bezoldigd volgens:

    a schaal 1:90%;
    bschaal 2:85%;
    c schaal 3:80%;
    d schaal 4:70%;
    e schaal 5:60%;
    f schaal 6 en hoger:50%.
  • 3 Het is niet toegestaan dat de ambtenaar gedurende de uren dat het betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht. Het college kan hieromtrent nadere regels stellen.

  • 4 Op de ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op ouderschapsverlof is artikel 6:9 niet van toepassing.

Artikel 6:5:1 Voorwaarden

De ambtenaar meldt het voornemen om ouderschapsverlof op te nemen ten minste drie maanden voor de door hem gewenste ingangsdatum door middel van het daarvoor vastgestelde aanvraagformulier.

Artikel 6.5.2.0 Meerlingen

Bij twee- of meerlingen bestaat er ten aanzien van ieder van die kinderen aanspraak op gedeeltelijke doorbetaling van de bezoldiging als bedoeld in artikel 6:5.

Artikel 6:5:3 Ziekte
  • 1 Indien de ambtenaar gedurende het ouderschapsverlof wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen vindt geen opschorting van het ouderschapsverlof plaats.

  • 2 De ambtenaar die ouderschapsverlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen heeft met ingang van de vijftiende kalenderdag aanspraak op zijn volledige bezoldiging.

Artikel 6:5:4 Opbouw vakantie en vakantie-toelage
  • 1 De duur van de vakantie van de ambtenaar die ouderschapsverlof geniet, wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het ouderschapsverlof.

  • 2 Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 14 kalenderdagen, wordt met ingang van de vijftiende kalenderdag de vermindering van de duur van de vakantie beëindigd.

  • 3 De opbouw van de vakantietoelage van de ambtenaar die ouderschapsverlof geniet vindt plaats op basis van de bezoldiging, die tijdens dit ouderschapsverlof wordt uitbetaald.

  • 4 Indien de ambtenaar wegens ziekte niet in staat is zijn betrekking te vervullen en deze ziekteperiode duurt langer dan 14 kalenderdagen, vindt met ingang van de vijftiende kalenderdag de opbouw van de vakantietoelage weer plaats op basis van de volledige bezoldiging.

Artikel 6:5:5 Terugbetaling
  • 1 De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen zes maanden daarna ontslag wordt verleend op grond van artikel 8:1, eerste lid, of artikel 8:13, is verplicht de bezoldiging, die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten, terug te betalen.

  • 2 Geen terugbetalingsverplichting ontstaat indien het ontslag als bedoeld in artikel 8:1, eerste lid:

    • a

      het gevolg is van het aanvaarden van een betrekking bij een andere gemeente;

    • b

      en evenmin indien de betrokkene aanspraak heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, vanwege werkloosheid, die is ontstaan doordat de ambtenaar ontslag heeft gevraagd omdat hij de echtgenoot of geregistreerde partner volgt, die door geheel buiten hem liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet wijzigen.

  • 3 De ambtenaar die gedurende het betaald ouderschapsverlof of binnen drie maanden daarna op eigen verzoek een betrekking aanvaardt voor minder uren dan hij direct voorafgaande aan het ouderschapsverlof vervulde, is verplicht de bezoldiging, die hij op grond van artikel 6:5 heeft genoten over de uren waarmee zijn aanstelling wordt verminderd, terug te betalen.

  • 4 De ambtenaar die van het betaald ouderschapsverlof gebruik maakt, dient zich tevoren schriftelijk akkoord te verklaren met het in het eerste en derde lid bepaalde.

Artikel 6:5:6 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 6:5:7 Betaald ouderschapsverlof: aanvullende bepaling

Voor gevallen waarin deze regeling niet of niet naar billijkheid voorziet, kan het college een bijzondere regeling treffen.

Artikel 6:5a Overgangsrecht ouderschapsverlof
  • 1 De ambtenaar die op grond van de Waz [Klik hier om het document te downloaden] recht heeft op ouderschapsverlof, heeft, voor zover lokaal een regeling betaald ouderschapsverlof is of wordt vastgesteld, over de uren dat hij dit verlof geniet, maar ten hoogste over 13 maal de formele arbeidsduur per week, aanspraak op doorbetaling van zijn bezoldiging, berekend naar een percentage bepaald in het tweede en derde lid, indien:

    • a

      hij op 31 december 2005 één of meer kinderen heeft die jonger zijn dan acht jaar en waarvoor nog geen ouderschapsverlof is genoten, en

    • b

      hij op 31 december 2005 langer dan één jaar in dienst is van de gemeente.

  • 2 De ambtenaar die wordt bezoldigd volgens schaal 4 of hoger van de bezoldigingsregeling heeft recht op doorbetaling van 75% van de bezoldiging over de arbeidsduur waarvoor het ouderschapsverlof geldt.

  • 3 De ambtenaar die wordt bezoldigd volgens de schalen 1, 2 of 3 van de bezoldigingsregeling heeft recht op doorbetaling van respectievelijk 90%, 85% of 80% van de bezoldiging over de arbeidsduur waarvoor het ouderschapsverlof geldt.

  • 4 Het is niet toegestaan dat betrokkene gedurende de uren dat het betaald ouderschapsverlof wordt genoten betaalde arbeid verricht. Het college kan hieromtrent nadere regels stellen.

  • 5 Over de uren waarop de ambtenaar betaald ouderschapsverlof geniet wordt het bedrag van de bezoldiging, berekend op grond van het tweede en derde lid, verminderd met het daaraan gekoppelde maximale uurbedrag van de fiscale tegemoetkoming van de Belastingdienst waarop de ambtenaar aanspraak kan maken.

  • 6 Op de ambtenaar die op grond van de Waz recht heeft op ouderschapsverlof is artikel 6:9 niet van toepassing.

Artikel 6:5a:1 Overgangsrecht betaald ouderschapsverlof

Op de ambtenaar die gebruikmaakt van het overgangsrecht betaald ouderschapsverlof zijn de artikelen 6:5:1 tot en met 6:5:7 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 6:6 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 6:7 Zwangerschaps- en bevallingsverlof
Artikel 6:8 Adoptie- en pleegzorgverlof
Artikel 6:9 Onbetaald verlof onder meer t.b.v. de gemeentelijke levensloopregeling
  • 1 De ambtenaar die langer dan een jaar in dienst is van de gemeente kan het college verzoeken hem onbetaald verlof te verlenen voor een periode van tenminste 1 maand en ten hoogste 18 maanden.

  • 2 De ambtenaar geniet in een periode van vijf jaar maximaal 18 maanden onbetaald verlof. Per jaar heeft de ambtenaar recht op maximaal één periode van onbetaald verlof.

  • 3 Het college kan afwijken van de in het eerste en tweede lid gestelde voorwaarden.

  • 4 Het verzoek van de ambtenaar heeft betrekking op de volledige arbeidsduur of op een deel daarvan.

  • 5 De ambtenaar dient het verzoek tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum in. Het college stelt vast hoe het verzoek wordt ingediend.

  • 6 Het college beslist zo snel mogelijk, maar uiterlijk binnen twee maanden na ontvangst van het verzoek. De ambtenaar ontvangt schriftelijk bericht van de beslissing van het college.

  • 7 Indien de ambtenaar betaalde arbeid verricht over de uren dat hij onbetaald verlof geniet, kan het college het verlof intrekken.

  • 8 Onverminderd het zevende lid kan het onbetaalde verlof niet tussentijds worden beëindigd tenzij het college en de ambtenaar hiermee instemmen.

  • 9 Het college kent een verzoek om onbetaald verlof dat betrekking heeft op een periode direct voorafgaand aan de pensionering toe, tenzij zwaarwegende dienstbelangen zich daartegen verzetten. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid wordt het verlof verleend voor een periode van maximaal drie jaren.

Artikel 6:10 Aanspraken tijdens onbetaald verlof
  • 1 De duur van de vakantie van de ambtenaar die onbetaald verlof geniet wordt verminderd naar evenredigheid van de omvang van het onbetaald verlof.

  • 2 Gedurende de periode van verlof bestaat geen aanspraak op uitkeringen, tegemoetkomingen, toeslagen, toelagen en (kosten)vergoedingen. Bij deeltijd verlof wordt dit naar rato vastgesteld.

  • 3 Gedurende de periode van het verlof bestaat aanspraak op de gehele vergoeding als bedoeld in artikel 7:24a.

  • 4 Gedurende de periode van het verlof is het verhaal van de pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdrage die voor de ambtenaar zijn verschuldigd. Bij deeltijd verlof wordt het verhaal naar rato vastgesteld. Het verhaal is, voor wat betreft de pensioenpremies, niet aan de orde in het geval dat het verlof voor ten hoogste drie maanden is verleend.

Artikel 6:11 Samenloop met ziekte
  • 1 Het verlof van de ambtenaar die voor een deel van zijn betrekking onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, eindigt met ingang van de vijftiende kalenderdag.

  • 2 Het college kan besluiten het verlof van de ambtenaar die volledig onbetaald verlof geniet en langer dan 14 kalenderdagen ziek is, in schrijnende gevallen te beëindigen. Dit kan niet wanneer er sprake is van verlof voorafgaand aan pensionering.

Artikel 6:12 Samenloop met zwangerschaps- en bevallingsverlof

Het onbetaalde verlof eindigt op de eerste dag van het zwangerschaps- en bevallingsverlof.

Buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging

Circulaire van Burgemeester en Wethouders, afd. IV, nummer 4297/84, aan directeuren van diensten en bedrijven en afdelingshoofden ter Secretarie.

In december 1983 heeft de Raad het personeelsplan behorende bij de Meerjarenbegroting 1984-1987 aanvaard. Doel van dit plan was zoveel mogelijk te voorkomen dat de gemeente tot gedwongen ontslagen zou moeten gaan. Het nemen van maatregelen tot vermindering van de loonkosten/arbeidstijd werd als een van de middelen tot het bereiken van het gestelde doel beschouwd. In verband daarmee heeft ons College de Raad medegedeeld een ruime toepassing van artikel 6:4:4 van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen te willen bevorderen. Bedoeld artikel verschaft ons College ondermeer de bevoegdheid om - indien een ambtenaar zulks verzoekt - buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging, dus voor eigen rekening van de ambtenaar te verlenen. Wij hebben nu besloten om dergelijke verzoeken zo enigszins mogelijk te verlenen, en wel tot een maximum van 20 dagen per jaar. Een verzoek als hierboven bedoeld zal door ons College alleen dan worden geweigerd indien het desbetreffende hoofd van dienst aantoont dat het verlenen van verlof in strijd is met het dienstbelang. Wij verzoeken u uw personeel op ruime schaal hierover te informeren. Voor wat betreft de materiële consequenties nog het volgende: gedurende de periode van het buitengewoon verlof zal geen bezoldiging worden doorbetaald. Voor rekening van de ambtenaar komt bovendien de over de bedoelde periode verschuldigde IZA-premie (zowel het werknemers- als het werkgeversaandeel) alsmede de gebruikelijk op de ambtenaar te verhalen pensioenpremie. Overigens dient betrokkene wel de keuze te worden gelaten om voor de duur van het buitengewoon verlof al dan niet IZA-deelnemer te blijven. Bij de tijdelijke beëindiging van het IZA-deelnemerschap is dan geen premie verschuldigd. Hoewel op grond van de bestaande bepalingen bij een periode van langer dan 14 dagen ook de mogelijkheid bestaat de door de werkgever verschuldigde pensioenpremie op de ambtenaar te verhalen, hebben wij van deze mogelijkheid afgezien, aangezien het dienstbelang met het verlenen van buitengewoon verlof mede is gediend.

Circulaire dokters- en tandartsbezoek

Tot 1-1-2001 was het gebruikelijk dat een werknemer voor een bezoek aan huisarts, tandarts, specialist of fysiotherapeut buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging ontving. In de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen (AGN) was daarvan feitelijk niets geregeld, maar er was een soort gewoonterecht op dit terrein ontstaan. In het kader van een versobering en vereenvoudiging van de bestaande verlofregelingen is besloten per 1 januari 2001 voor consultatie van de zogenoemde eerstelijns gezondheidszorg geen buitengewoon verlof meer toe te kennen. Concreet betekent dit dat een bezoek aan huisarts , fysiotherapeut of tandarts voor rekening van de werknemer komt. Het verlof kan in uren van de verlofkaart worden afgeschreven. Voor bezoeken aan specialist, etcetera wordt wel buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging verleend, uiteraard slechts voor de tijd die noodzakelijk is voor dit bezoek. Ter compensatie van het vervallen van aanspraken op buitengewoon verlof voor o.a. het bezoek aan huisarts of tandarts is het vakantieverlof met ingang van 1 januari 2001 vermeerderd met 14,4 uren voor de voltijder. De deeltijder krijgt een compensatie naar evenredigheid.

Premies bij buitengewoon verlof

1 IZA.

Basisuitgangspunt. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 9, lid 3 van de IZA-regeling Nederland kan de medewerker géén aanspraak maken op voorzieningen ingevolge deze regeling en is geen procentuele en/of nominale bijdrage verschuldigd.

Evenwel: Indien de medewerker wel IZA-deelnemer wenst te blijven gedurende de verlofperiode, dient dit tijdig schriftelijk kenbaar te worden gemaakt bij de IZA-correspondent van de dienst. Van gemeentewege zal dan aan het IZA-regiokantoor Gelderland -ingevolge artikel 9, lid 4 van de IZA-regeling Nederland- worden verzocht de medewerker ook tijdens de verlofperiode IZA-deelnemer te laten zijn. Een dergelijk verzoek zal dezerzijds slechts aan het IZA worden gericht, indien de werknemer schriftelijk verklaart zowel de eigen bijdrage als die van de gemeente, alsmede de nominale premie voor eigen rekening te nemen. Deze bijdragen zullen door het IZA-regiokantoor Gelderland bij de werknemer in rekening worden gebracht.

2. ABP-Pensioenreglement.

  • a

    Verlof, uitsluitend in het persoonlijk belang. Dezerzijds wordt hieraan de voorwaarde verbonden dat alle werkgeversafdrachten van de afzonderlijke premies die van gemeentewege aan de betreffende fondsen zijn verschuldigd, voor rekening van de werknemer komen. Het betreft i.c. de premies OP/NP/ANW 8,55%, FPU-standaard 2,65%, VSG 0,05%, IP+ 1,35% en de UFO-premie van 0,80%. Uiteraard komen ook de werknemerspremies voor rekening van de verlofganger. Het betreft hier OP/NP/ANW 3,25% (franchise ƒ. 30.900,--), FPU-standaard 2,65%, VSG 0,05% en IP+ 0,45 of 0,20% (franchise ƒ. 32.900,--), zulks afhankelijk van de situatie of al dan niet tot 70% is bijverzekerd.

  • b

    Verlof, mede in het algemeen belang. De werkgeversafdrachten blijven voor rekening van de werkgever en op de werknemer worden 'slechts' de verschillende werknemerspremies verhaald.

3. Sociale verzekeringswetten.

Bij buitengewoon verlof zonder behoud van bezoldiging zijn werknemers niet verplicht verzekerd ingevolge de sociale verzekeringswetten. Dat betekent dat ook de premie-inhouding stopt bij de start van het onbetaalde verlof. Na afloop van de verlofperiode herleeft de verplichte verzekering weer en start dus ook weer de inhouding van de premies.

3a. WAO.

Op 1 oktober 1998 is de 'Wet onbetaald verlof' in werking getreden, bedoeld om belemmeringen in de sociale verzekeringen voor het opnemen van onbetaald verlof weg te nemen. De wet zorgt er voor dat werknemers na de verlofperiode geen nadeel ondervinden voor ondermeer de WAO. Het normaal geldende arbeidspatroon van de verlofganger blijft uitgangspunt voor vaststelling van het recht op een uitkering. Een periode van verlof wordt er als het ware tussenuit geknipt en telt niet mee voor het vaststellen van het recht. Het wegnemen van deze belemmeringen geldt voor verlofperioden die niet langer dan 18 maanden duren. In andere gevallen kan onder bepaalde voorwaarden een vrijwillige WAO verzekering worden afgesloten. Tijdens voltijd onbetaald verlof kan er geen sprake zijn van inkomensderving als gevolg van ziekte of arbeidsongeschiktheid. Een zieke verlofganger is dus in beginsel niet verzekerd voor de WAO. Als een werknemer tijdens onbetaald verlof ziek of arbeidsongeschikt raakt, heeft hij desondanks na afloop van het verlof recht op een uitkering. Als eerste ziektedag geldt de eerste werkdag na afloop van het onbetaalde verlof. Ziekte van de verlofganger kan een reden zijn de verlofperiode voortijdig af te breken. In overleg met de werkgever kan daartoe worden besloten. Dan wordt ook de datum van de eerste ziektedag vervroegd en kan zo spoedig mogelijk met de reïntegratie van de werknemer worden gestart. Bij deeltijd onbetaald verlof kunnen de reïntegratie-activiteiten direct beginnen. Een verzoek tot vrijwillige verzekering WAO dient zo spoedig mogelijk te worden ingediend en moet worden gericht aan USZO BV Heerlen, ten name van de eenheid Verzekerdenadministratie (VZA), Postbus 4837, 6401 JM HEERLEN.

3b. WW.

Daarnaast kwam tot 1 januari 2001 de pseudo-WW-premie voor rekening van de werknemer. Hoewel de naam anders doet vermoeden ging het tot dat ogenblik niet om een premie die aan een wettelijke verzekering was verbonden, maar om een inkomensmaatregel. Vanaf 1 januari 2001 vallen ook ambtenaren onder de WW. Bij buitengewoon verlof is er geen sprake van verzekering en dus mag er geen pseudopremie WW meer worden ingehouden omdat de inhouding gekoppeld is aan de verzekering.

Alle bovengenoemde premies en franchisebedragen gelden naar de toestand op 1 januari 2001.

Richtlijnen verlof bij ernstige ziekte familieleden

Onder ernstige ziekte dient in dit verband te worden verstaan “ziekte in een terminaal stadium”.

Na verzoek van de ambtenaar neemt het hoofd van dienst de beslissing. Indien aangenomen kan worden dat dit buitengewoon verlof maximaal één week zal gaan duren vindt geen vooroverleg met de bedrijfsarts plaats.

Indien verwacht wordt dat de periode van verlof langer dan één week zal gaan duren, of indien er sprake is van regelmatige herhaling of van gevoelens omtrent misbruik, dan zal de bedrijfsarts voor advies worden ingeschakeld. Komt er een positief advies uit dan wordt dit de ambtenaar schriftelijk medegedeeld met een indicatie omtrent de maximale duur van het buitengewoon verlof.

Tevens zal er in overleg met de bedrijfsarts gezocht dienen te worden naar alternatieve oplossingen, bijvoorbeeld gezinshulp of opname in een verpleeghuis e.d..

Mocht achteraf blijken dat het buitengewoon verlof ten onrechte is genoten dan worden deze dagen op de vakantie ingehouden.

Vakantieregeling

Besluit van burgemeester en wethouders d.d. 4 juli 1972, laatstelijk gewijzigd 19 november 1998.

Artikel 1 Vakantieregeling

Lid 1

De duur van het vakantieverlof voor de ambtenaar in de zin van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen, alsmede diegene met wie op grond van het bepaalde in artikel 2:5 van die regeling een arbeidsovereenkomst is aangegaan, en werkzaam is in een volledige betrekking, wordt per kalenderjaar vastgesteld op het aantal uren dat is aangegeven achter de salarisschaal waarin hij is ingedeeld.

Schaal  1 t/m 8172,8 uren
Schaal  9 en 10180 uren
Schaal 11 en hoger187,2 uren

Lid 2

Indien voor het personeelslid als bedoeld in het voorgaande lid geen salarisschaal is vastgesteld, bedraagt het vakantieverlof 172,8 uren per kalenderjaar.

Artikel 2 Vakantieregeling

Lid 1

De duur van het vakantieverlof wordt, met ingang van de kalenderjaren waarin de leeftijd van respectievelijk 30, 40, 45, 50, 55 of 60 jaar bereikt wordt, telkens met 7,2 uren vermeerderd.

Lid 2

Voor de ambtenaar die op of na 1 januari 1998 wordt aangesteld geldt, in afwijking van het gestelde in het eerste lid, dat de duur van het vakantieverlof telkens met 7,2 uren wordt vermeerderd met ingang van de kalenderjaren waarin de leeftijd van respectievelijk 45, 50, 55, of 60 jaar wordt bereikt.

Lid 3

De duur van het vakantieverlof van personeelsleden jonger dan 22 jaar wordt vermeerderd met:

  • a

    21,6 uren tot en met het kalenderjaar, waarin de 19-jarige leeftijd bereikt wordt;

  • b

    14,4 uren tot en met het kalenderjaar, waarin de 20-jarige leeftijd bereikt wordt;

  • c

    7,2 uren tot en met het kalenderjaar, waarin de 21-jarige leeftijd bereikt wordt.

Lid 4

De duur van het vakantieverlof wordt met ingang van 1 januari 2001 jaarlijks vermeerderd met 14,4 uur, zulks ter compensatie van het vervallen van een aantal buitengewoon verlofsituaties als gevolg van een vereenvoudiging van de verlofregeling. De omvang van het hier bedoelde verlof wordt afzonderlijk op de verlofkaart zichtbaar gehouden.

Artikel 3 Vakantieregeling

Lid 1

Het vakantieverlof van de ambtenaar met een niet-volledige werktijd wordt vastgesteld op een evenredig deel van het vakantieverlof dat voor hem zou gelden bij een volledige betrekking.

Lid 2

Het vakantieverlof van de ambtenaar, waarvan de seniorenarbeidsduur op grond van artikel 5:1 of 5:3 is teruggebracht, wordt naar evenredigheid verminderd.

Artikel 4 Vakantieregeling

Deze regeling geldt niet voor het personeel van de vaste kern van de Gemeente Brandweer.

Artikel 5 Vakantieregeling

Deze regeling welke wordt geacht in werking te zijn getreden op 1 januari 1972, kan worden aangehaald als "Vakantieregeling". Met ingang van laatstgenoemde datum vervalt de verordening, vastgesteld op 22 mei 1957, zoals die nadien is gewijzigd.

Vakantieregeling brandweer

Besluit van burgemeester en wethouders van 4 juli 1972, laatstelijk gewijzigd 26 november 1996.

Artikel 1 Vakantieregeling brandweer

De duur van het vakantieverlof wordt per kalenderjaar vastgesteld op het aantal uren dat is aangegeven achter de schaal, waarin de personeelsleden zijn ingedeeld:

Schaal  1 t/m 8172,8 uren
Schaal  9 en 10180 uren
Schaal 11 en hoger187,2 uren
Artikel 2 Vakantieregeling brandweer

Lid 1

De duur van het vakantieverlof wordt, met ingang van kalenderjaren waarin de leeftijd van respectievelijk 30, 40, 45, 50, 55 of 60 jaar bereikt wordt, telkens vermeerderd met 7,2 uur.

Lid 2

Voor de ambtenaar die op of na 1 januari 1998 wordt aangesteld geldt, in afwijking van het gestelde in het eerste lid, dat de duur van het vakantieverlof telkens met 7,2 uren wordt vermeerderd met ingang van de kalenderjaren waarin de leeftijd van respectievelijk 45, 50, 55, of 60 jaar wordt bereikt.

Lid 3

De duur van het vakantieverlof van personeelsleden jonger dan 22 jaar wordt vermeerderd met:

  • a

    21,6 uren tot en met het kalenderjaar, waarin de 19-jarige leeftijd bereikt wordt;

  • b

    14,4 uren tot en met het kalenderjaar, waarin de 20-jarige leeftijd bereikt wordt;

  • c

    7,2 uren tot en met het kalenderjaar, waarin de 21-jarige leeftijd bereikt wordt.

Lid 4

De duur van het vakantieverlof wordt met ingang van 1 januari 2001 jaarlijks vermeerderd met 14,4 uur, zulks ter compensatie van het vervallen van een aantal buitengewoon verlofsituaties als gevolg van een vereenvoudiging van de verlofregeling. De omvang van het hier bedoelde verlof wordt afzonderlijk op de verlofkaart zichtbaar gehouden.

Artikel 3 Vakantieregeling brandweer

Lid 1

Ter bepaling van de duur van het vakantieverlof voor het brandweerpersoneel, dat werkzaam is in de 24-uurdienst wordt een omrekeningsfactor toegepast van 1,5 met inachtneming van het volgende:

  • a

    als grondslag voor de omrekening geldt de duur van het vakantieverlof bedoeld in artikel 1, vermeerderd met het aantal uren als bedoeld in artikel 2 en artikel 6:2:1, vierde lid van de AGN;

  • b

    afronding vindt plaats tot op één decimaal volgens de gangbare afbreekregel.

Lid 2

Voor de vakantiedag opgenomen in de 24-uurdienst worden 24 uren in mindering gebracht.

Lid 3

Voor een vakantiedag opgenomen in de dagdienst wordt het aantal voor die dag ingeroosterde uren in mindering gebracht.

Artikel 4 Vakantieregeling brandweer

Het volgens deze regeling vastgestelde vakantieverlof wordt verleend volgens een door de commandant der brandweer vast te stellen rooster.

Artikel 5 Vakantieregeling brandweer

Deze regeling wordt geacht in werking te zijn getreden op 1 januari 1972. Met ingang van genoemde datum vervalt de regeling van het vakantieverlof voor het personeel van de vaste kern van de Gemeente Brandweer, vastgesteld op 9 april 1969, zoals die nadien is gewijzigd.

6a De gemeentelijke levensloopregeling

Artikel 6a:1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a

    gemeentelijke levensloopregeling: een regeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964;

  • b

    instelling: een door de ambtenaar gekozen kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 19g, vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964;

  • c

    levenslooprekening: een bij de instelling door de ambtenaar geopende geblokkeerde rekening, waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort;

  • d

    levensloopverzekering: een bij de instelling door de ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort;

  • e

    levenslooptegoed: het tegoed op een levenslooprekening onderscheidenlijk het verzekerd kapitaal.

Artikel 6a:2 Doel

De bepalingen van dit hoofdstuk hebben ten doel het treffen van een voorziening in geld uitsluitend ten behoeve van de financiering van een periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof door de ambtenaar. De gespaarde voorziening blijft qua omvang binnen de grenzen van artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964.

Artikel 6a:3 Verzoek tot deelname levensloopregeling
  • 1 De ambtenaar die deel wil nemen aan de gemeentelijke levensloopregeling meldt dit bij het college.

  • 2 Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de derde kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan de eisen zoals genoemd in artikel 6a:4.

  • 3 Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.

Artikel 6a:4 Voorwaarden deelname levensloopregeling
  • 1 De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de instelling waarbij de levenslooprekening of de levensloopverzekering wordt aangehouden.

  • 2 De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de ambtenaar in dienstbetrekking staat geacht wordt inhoudingsplichtig te zijn ten aanzien van dit levenslooptegoed.

  • 3 De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan het college informatie verstrekt over de omvang van het levenslooptegoed van de ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed geacht wordt te zijn opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in dienstbetrekking staat.

  • 4 De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij gedurende zijn deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling niet deelneemt aan een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 Wet op de loonbelasting 1964.

Artikel 6a:5 Inleg
  • 1 De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de gemeentelijke levensloopregeling het gewenste bedrag van de inleg per jaar.

  • 2 De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college aangewezen wijze en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen.

  • 3 De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 6a:6 genoemde bronnen.

Artikel 6a:6 Bronnen

De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelijke levensloopregeling bestaat uit een of meer van de volgende bronnen:

  • a

    het salaris;

  • b

    de vakantietoelage;

  • c

    de eindejaarsuitkering;

  • d

    de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 6a:7;

  • e

    de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren als bedoeld in artikel 4a:1;

  • f

    het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:3, lid 3.

Artikel 6a:7 Levensloopbijdrage
  • 1 De ambtenaar die geboren is na 31 december 1949, met uitzondering van de ambtenaar die in 2005 55 jaar is geworden en die in deeltijd met FPU is gegaan, heeft recht op een levensloopbijdrage ten bedrage van 1,5% van het voor hem in een kalenderjaar geldende salaris op jaarbasis. De bijdrage bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 400. Bij een deeltijd betrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld. De levensloopbijdrage wordt tevens uitgekeerd aan ambtenaren die zijn geboren voor of op 31 december 1949 en die geen recht hebben op een uitkering zoals bedoeld in hoofdstuk 5a.

  • 2 In afwijking van het eerste lid is de levensloopbijdrage 2,5% indien en voor zolang hoofdstuk 9a op de ambtenaar van toepassing is.

  • 3 De levensloopbijdrage bedoeld in het tweede lid wordt gedurende maximaal 20 jaar verstrekt. Hierna ontvangt de ambtenaar de levensloopbijdrage bedoeld in het eerste lid. De levensloopbijdrage van 2,5% kan na 20 jaar voortgezet worden, indien artikel 9a:9, eerste lid, onderdeel b, van toepassing is.

  • 4 De levensloopbijdrage wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december betaald.

  • 5 Bij indiensttreding vanaf 1 augustus van een kalenderjaar bouwt de ambtenaar naar evenredigheid aanspraken op een levensloopbijdrage op. Bij ontslag van de ambtenaar vindt betaling van de levensloopbijdrage plaats over het gedeelte van het kalenderjaar dat de ambtenaar in dienstverband werkzaam is geweest.

  • 6 De levensloopbijdrage behoort tot het percentage, bedoeld in het eerste lid, tot het pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1, lid 1, sub g van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

Artikel 6a:7a Uitbetaling levensloopbijdrage 2008

De levensloopbijdrage, bedoeld in artikel 6a:7, wordt voor het kalenderjaar 2008 als gevolg van de wijziging van het uitbetalingsmoment van juli naar december berekend over de maanden augustus 2007 tot en met december 2008. De bijdrage bedraagt bij een volledige betrekking minimaal € 567. Bij een deeltijdbetrekking wordt dit bedrag naar rato vastgesteld.

Artikel 6a:8 Beëindiging deelname levensloopregeling
  • 1 Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling uiterlijk twee maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe door de ambtenaar. Het college stelt vast hoe de kennisgeving moet plaatsvinden

  • 2 Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling eindigt daarnaast:

    • a

      bij overlijden van de ambtenaar;

    • b

      bij ontslag van de ambtenaar;

    • c

      op de laatste dag van de maand voorafgaand aan de maand waarin de ambtenaar 65 jaar wordt.

Artikel 6a:9 Opname levenslooptegoed
  • 1 Over het levenslooptegoed wordt uitsluitend beschikt:

    • a

      ten behoeve van de uitbetaling van een uitkering tijdens een periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof op grond van de Wet arbeid en zorg en hoofdstuk 6;

    • b

      ten behoeve van het omzetten van het levenslooptegoed in een aanspraak ingevolge artikel 16.6. van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, voor zover de fiscale grenzen in de Wet op de loonbelasting 1964 niet worden overschreden.

  • 2 Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken meldt de ambtenaar tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum het college dat hij wil beschikken over (een deel van zijn) levenslooptegoed. Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.

  • 3 Het levenslooptegoed mag geheel of gedeeltelijk worden afgekocht in geval van beëindiging van het dienstverband.

  • 4 Met inachtneming van het derde lid, wordt het levenslooptegoed niet afgekocht, vervreemd, prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk als voorwerp van zekerheid gesteld anders dan ten behoeve van de in artikel 61k Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 bedoelde verpanding ten behoeve van de belastingdienst bij buitenlandse aanbieders.

Artikel 6a:10 Slotbepaling

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op ambtenaren bedoeld in hoofdstuk 9 en 9b, met uitzondering van de ambtenaar op wie paragraaf 5 van hoofdstuk 9b van toepassing is.

Artikel 6a:11 Tijdelijke regeling ambtenaren die werkzaam zijn in een betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die werkzaam is in een betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer, waarvoor door het college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005 [Klik hier om het document te downloaden] , leeftijdsgrenzen zijn bepaald.

7 Aanspraken bij ongeschiktheid wegens ziekte of gebrek

Artikel 7:1 Definities
  • 1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    • a

      passende arbeid: alle arbeid die voor de krachten en bekwaamheden van de ambtenaar is berekend, tenzij aanvaarding om redenen van lichamelijke, geestelijke of sociale aard niet van hem kan worden gevergd;

    • b

      werkzaamheden in het kader van de reïntegratie: loonvormende arbeid, die specifiek gericht is op terugkeer in de eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9, derde lid;

    • c

      scholing in het kader van de reïntegratie:scholing die gericht is op terugkeer in de eigen dan wel passende arbeid waarover afspraken zijn vastgelegd in het plan van aanpak bedoeld in artikel 7:9, derde lid;

    • d

      arbeidsongeschiktheid in en door de dienst: arbeidsongeschiktheid wegens ziekte of gebreken die in overwegende mate haar oorzaak vindt in:

      • -

        de aard van de opgedragen werkzaamheden of in de bijzondere omstandigheden waaronder deze moesten worden verricht of;

      • -

        in een dienstongeval verband houdende met de aard van de opgedragen werkzaamheden of de bijzondere omstandigheden waarin deze werkzaamheden moesten worden verricht;

      en die niet aan schuld of nalatigheid van de ambtenaar is te wijten;

    • e

      restverdiencapaciteit: het door UWV vast te stellen inkomen dat de ambtenaar met zijn vaardigheden en bekwaamheden, gelet op zijn beperkingen, nog kan verdienen;

    • f

      arbodienst:een dienst als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet;

    • g

      inactieve:de oud-ambtenaar met een WW-uitkering, aanvullende uitkering, nawettelijke uitkering, WAO-uitkering, WIA-uitkering of wachtgelduitkering, die direct voorafgaand aan de uitkering in dienst was van een gemeente;

    • h

      postactieve: de oud-ambtenaar met een uitkering functioneel leeftijdsontslag, FPU-uitkering, ouderdomspensioen van het ABP of ABP keuzepensioen, die direct voorafgaand aan deze uitkering of dit pensioen in dienst was van een gemeente of inactieve was;

    • i

      geselecteerde zorgverzekeraar: Als geselecteerde zorgverzekeraar is door het LOGA voor de periode 1 januari 2006 tot en met 31 december 2008 aangewezen IZA Zorgverzekeraar NV.

  • 2 Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht genomen.

Artikel 7:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek

Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot bedrijfsgeneeskundige begeleiding en geneeskundig onderzoek.

Artikel 7:2:1 Arbo-dienst

De gemeente laat zich bijstaan door een arbo-dienst.

Artikel 7:2:2 Bedrijfsgeneeskundige begeleiding
  • 1 De ambtenaar heeft het recht op bedrijfsgeneeskundige begeleiding overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk.

  • 2 De bedrijfsgeneeskundige begeleiding van de ambtenaar geschiedt door een arbo-dienst, overeenkomstig door het college te stellen regels.

Artikel 7:2:3 Consulteren arts door ambtenaar

De ambtenaar heeft het recht een arts van de arbo-dienst rechtstreeks te consulteren ter zake van gezondheidsproblemen die naar zijn mening met zijn arbeidssituatie kunnen samenhangen.

Artikel 7:2:4 Periodiek geneeskundig onderzoek

De ambtenaar die in verband met de uitoefening van zijn werkzaamheden aan bijzonder gevaar voor zijn gezondheid blootstaat, dan wel voor een goede vervulling van zijn betrekking aan bijzondere gezondheidseisen moet voldoen, is verplicht zich aan een periodiek geneeskundig onderzoek te onderwerpen, indien zulks naar het oordeel van het college, na overleg met de arbo-dienst, noodzakelijk is.

Artikel 7:2:5 Geneeskundig onderzoek
  • 1 Het college is bevoegd de arbo-dienst opdracht te geven de ambtenaar aan een geneeskundig onderzoek te onderwerpen:

    • a

      indien naar het oordeel van het college redelijkerwijs aanleiding bestaat tot twijfel aan een goede gezondheidstoestand van de ambtenaar;

    • b

      indien de ambtenaar niet of niet langer volledig geschikt is gebleken voor het naar behoren vervullen van zijn betrekking, zulks ten einde na te gaan of hiervoor medische oorzaken zijn aan te wijzen.

  • 2 De ambtenaar is verplicht zich aan een onderzoek, bedoeld in het eerste lid, te onderwerpen.

Artikel 7:2:6 Buitendienststelling
  • 1 Indien bij een onderzoek, bedoeld in artikel 7:2:4 of in artikel 7:2:5 blijkt van een zodanige lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar, dat naar het oordeel van de arbo-dienst de belangen van de ambtenaar, die van de dienst of van bij de dienstuitoefening betrokken derden zich tegen voortzetting van zijn betrekking verzetten, wordt de ambtenaar door het college buiten dienst gesteld.

  • 2 Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, vindt niet plaats indien, naar het oordeel van de arbo-dienst, de lichamelijke of geestelijke toestand van de ambtenaar het wenselijk maakt dat hij tijdelijk met andere werkzaamheden wordt belast, indien en voor zover deze voorhanden zijn. In dat geval is artikel 7:18:1 van overeenkomstige toepassing.

  • 3 Een buitendienststelling, bedoeld in het eerste lid, wordt voor de toepassing van de overige artikelen van dit hoofdstuk gelijkgesteld met een verhindering wegens ziekte.

Artikel 7:2:7 Maatregelen of voorzieningen in belang herstel ambtenaar
  • 1 Indien daartoe naar het oordeel van de arbo-dienst aanleiding bestaat, verzoekt het college het UWV de ambtenaar in aanmerking te laten komen voor maatregelen of voorzieningen in het belang van het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid.

  • 2 De ambtenaar wordt van het verzoek, bedoeld in het eerste lid, schriftelijk in kennis gesteld.

Artikel 7:3 Recht op bezoldiging
  • 1 De ambtenaar heeft bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek vanaf de eerste dag van die ongeschiktheid gedurende de eerste zes maanden recht op doorbetaling van zijn volledige bezoldiging.

  • 2 De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid gedurende de zevende tot en met de twaalfde maand recht op doorbetaling van 90% van zijn bezoldiging.

  • 3 De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 12 maanden gedurende de dertiende tot en met de vierentwintigste maand recht op doorbetaling van 75% van zijn bezoldiging.

  • 4 De ambtenaar heeft bij voortduring van deze ongeschiktheid na 24 maanden tot het einde van zijn dienstverband recht op doorbetaling van 70% van zijn bezoldiging

  • 5 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder ziekte ook gebreken verstaan.

  • 6 De ambtenaar heeft recht op de doorbetaling van zijn volledige bezoldiging over de uren waarop hij:

    • a

      zijn arbeid verricht;

    • b

      passende arbeid verricht;

    • c

      werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie verricht;

    • d

      scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie.

  • 7 De ambtenaar behoudt na afloop van de termijn van zes maanden recht op de doorbetaling van zijn volledige bezoldiging bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst.

  • 8 De ambtenaar bedoeld in het derde en vierde lid, die ten minste 50% van zijn formele arbeidsduur zijn arbeid, passende arbeid, werkzaamheden in het kader van zijn reïntegratie verricht of scholing volgt in het kader van zijn reïntegratie, genoemd in het zesde lid van dit artikel, heeft recht op een extra percentage van 5% berekend over de bezoldiging waar hij recht op heeft ingevolge dit artikel. Hierbij geldt als maximum de bezoldiging bedoeld in het eerste lid.

  • 9 De ambtenaar heeft ten minste recht op het wettelijk minimumloon, berekend naar rato van zijn formele arbeidsduur.

  • 10 De periode waarover de ambtenaar voorafgaand aan de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof, bedoeld in artikel 6:7, ziek is als gevolg van de zwangerschap, schort de periode, bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid, op.

  • 11 Voor de toepassing van het eerste tot en met het vierde lid worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- en bevallingsverlof wordt genoten, bedoeld in artikel 6:7, tenzij in dat geval de ongeschiktheid redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

  • 12 De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in het eerste, tweede, derde en vierde lid, eindigt indien de ambtenaar definitief wordt herplaatst in een andere functie.

  • 13 Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het recht op bezoldiging.

  • 14 Het college zal rekening houden met individuele gevallen van terminale ziekte. In die gevallen zal de afweging worden gemaakt of ook na afloop van de termijn van zes maanden, bedoeld in het eerste lid, de volledige bezoldiging wordt doorbetaald.

Artikel 7:4 Bezoldiging bij ziekte bij seniorenmaatregel en onbetaald/gedeeltelijk betaald verlof
  • 1 De ambtenaar van wie de werktijd is teruggebracht ingevolge een seniorenmaatregel op grond van hoofdstuk 5, heeft recht op doorbetaling van de bezoldiging als bedoeld in artikel 7:3, met dien verstande dat de ambtenaar nooit een groter bedrag aan bezoldiging doorbetaald kan krijgen, dan dat hij doorbetaald zou hebben gekregen, indien hij niet ziek zou zijn geweest.

  • 2 De ambtenaar die onbetaald dan wel gedeeltelijk betaald verlof geniet heeft recht op doorbetaling van de bezoldiging als bedoeld in artikel 7:3, met dien verstande dat de ambtenaar nooit een groter bedrag aan bezoldiging doorbetaald kan krijgen, dan dat hij doorbetaald zou hebben gekregen, indien hij niet ziek zou zijn geweest.

Artikel 7:5 Uitkering wegens arbeidsongeschiktheid in en door de dienst
  • 1 Aan de gewezen ambtenaar die recht heeft op een WGA- of IVA-uitkering wordt, bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst, een aanvullende uitkering verleend.

  • 2 De aanvullende uitkering genoemd in het eerste lid is voor de ambtenaar met een WGA- of IVA uitkering, gelijk aan het bedrag dat nodig is om de aan de ambtenaar toegekende WGA- of IVA-uitkering, vermeerderd met een aan de ambtenaar toegekende bovenwettelijke aanvulling ingevolge het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, aan te vullen tot een bepaald percentage van de bezoldiging die de ambtenaar heeft genoten in het jaar voorafgaand aan zijn ontslag. Dit percentage is afhankelijk van de mate van arbeidsongeschiktheid en bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van:

    80% of meer: 95%
    65 tot 80% 68,875%
    55 tot 65% 57%
    45 tot 55% 47,5%
    35 tot 45% 38%
  • 3 De aanvullende uitkering eindigt:

    • a

      indien de gewezen ambtenaar niet meer voldoet aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden of;

    • b

      met ingang van de eerste dag van de maand waarin de ambtenaar 65 jaar wordt.

  • 4 De gewezen ambtenaar die recht heeft op een uitkering op grond van dit artikel, is verplicht om het college op de hoogte te stellen van wijzigingen in zijn arbeidsongeschiktheiduitkering of bovenwettelijke aanvulling ingevolge het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

Artikel 7.5.0.1 Verhaalwet ongevallen ambtenaren (VOA)

In aanvulling op artikel 7:5 van de AGN geldt het volgende:

De VOA kent aan de overheid een eigen verhaalsrecht toe. De wet is van toepassing voor personeel waarvan de bezoldiging ten laste komt van de openbare geldmiddelen, en aan de nagelaten betrekkingen van dat personeel.

Jaarlijks gebeuren veel ongevallen die tijdelijke of blijvende arbeidsongeschiktheid tot gevolg hebben. De VOA biedt overheidswerkgevers de mogelijkheid loonkosten te vorderen op een aansprakelijke derde indien de ambtenaar tijdelijk of blijvend arbeidsongeschikt is geworden.

Als een ambtenaar bij een ongeval betrokken is geweest en er sprake is van lichamelijk letsel, is het belangrijk dat er door de ambtenaar zo snel mogelijk een aanmeldingsformulier VOA wordt ingevuld. Desgewenst kunt u contact opnemen met het bureau Verzekeringen van de directie Stadsbedrijven. Dit bureau zal, nadat het aanmeldingsformulier door u en de betrokken medewerker is ingevuld, voor verdere afwikkeling zorgen.

Artikel 7:6 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 7:7 Vergoeding kosten geneeskundige verzorging bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst
  • 1 Bij arbeidsongeschiktheid in en door de dienst worden aan de ambtenaar vergoed de te zijner laste blijvende, naar het oordeel van het college noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging.

  • 2 Het college kan omtrent het bepaalde in het eerste lid nadere voorschriften geven.

Artikel 7:8 Nadere regels

Het college kan nadere regels stellen.

Artikel 7:8:1 Vaststelling referte-tijdvak toelagen

Het referte-tijdvak dat in acht wordt genomen voor de vaststelling van de gemiddelde hoogte van de toelage onregelmatige dienst, de overgangstoelage onregelmatige dienst, alsmede de prestatiebeloning, ten behoeve van de vaststelling van het bedrag van de bezoldiging zoals bedoeld in dit hoofdstuk, dient in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt.

Artikel 7:8:2 Periodieke salarisverhoging

Het onderwerp periodieke salarisverhogingen tijdens ziekte dient in een lokale regeling nader te worden uitgewerkt.

Artikel 7:8:3 Werktijd bij ziekte bij seniorenmaatregel en toepassing van artikel 2:7a
  • 1 De ambtenaar wiens feitelijke arbeidsduur op grond van toepassing van hoofdstuk 5 is aangepast, kan alleen verplicht worden tot aanvaarding van een functie waarvan de arbeidsomvang overeenkomt met deze feitelijke arbeidsduur.

  • 2 De ambtenaar wiens arbeidsduur is aangepast op grond van artikel 2:7a , kan voor de duur van de periode waarvoor toepassing van dit artikel is bepaald, worden verplicht tot aanvaarding van arbeid waarvan de arbeidsduur overeenkomt met deze tijdelijke uitgebreide arbeidsduur. Wanneer de periode waarvoor de toepassing van artikel 2:7a is verstreken, geldt de verplichting voor de ambtenaar ten aanzien van de aanvaarding van een nieuwe functie voor de formele arbeidsduur.

Artikel 7:9 Verplichtingen college
  • 1 Het college is verplicht zo tijdig mogelijk zodanige maatregelen te treffen en voorschriften te geven als redelijkerwijs nodig is, opdat de ambtenaar, die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte of gebrek verhinderd is zijn arbeid te verrichten, in staat wordt gesteld de eigen arbeid of passende arbeid te verrichten.

  • 2 Indien vaststaat dat de eigen arbeid niet meer kan worden verricht en binnen de openbare dienst van de gemeente geen passende arbeid voorhanden is, bevordert het college de inschakeling van de ambtenaar in passende arbeid buiten de openbare dienst van de gemeente.

  • 3 Uit hoofde van zijn verplichting, genoemd in het eerste en tweede lid, stelt het college in overeenstemming met de ambtenaar een plan van aanpak op als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA. Het plan van aanpak wordt met medewerking van de ambtenaar regelmatig geëvalueerd en zo nodig bijgesteld.

  • 4 Het college stelt een protocol vast, waarin de regels zijn opgenomen met betrekking tot de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de begeleiding van ziekteverzuim, verplichtingen omtrent ziek- en herstelmeldingen daaronder begrepen, de arbeidsgezondheidskundige begeleiding en de daarbij in acht te nemen procedures.

Artikel 7:10 Verplichting ambtenaar tot informatieverstrekking bij ziekte

De ambtenaar verstrekt op verzoek van het college alle informatie die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.

Artikel 7:11 Verplichting tot verlening van medewerking aan reïntegratie
  • 1 De ambtenaar die in verband met ongeschiktheid ten gevolge van ziekte verhinderd is zijn arbeid te verrichten, is verplicht:

    • a

      gevolg te geven aan, door het college of een door hem aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door het college of een door hem aangewezen deskundige getroffen maatregelen als bedoeld in artikel 7:9;

    • b

      zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:9, derde lid;

    • c

      zich te gedragen naar de regels die in het protocol, bedoeld in artikel 7:9, vierde lid, zijn opgenomen.

  • 2 Indien de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn betrekking te vervullen, in staat is passende arbeid als bedoeld in artikel 7:1 te verrichten en hij door het college of een andere werkgever daartoe in de gelegenheid wordt gesteld, is hij verplicht die arbeid te verrichten.

Artikel 7:12 Verplichtingen ambtenaar medisch onderzoek
  • 1 De ambtenaar is verplicht zich te onderwerpen aan een door of vanwege de arbo-dienst in te stellen medisch onderzoek ter beantwoording van de vragen:

    • a

      of er sprake is van verhindering tot het vervullen van zijn betrekking wegens ziekte;

    • b

      in welke mate er sprake is van verhindering als bedoeld onder a;

    • c

      of de ambtenaar de verhindering tot het vervullen van zijn betrekking opzettelijk heeft veroorzaakt;

    • d

      of de ambtenaar ten onrechte nalaat zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te blijven stellen, dan wel zich niet houdt aan de voorschriften hem door de behandelende geneeskundige gegeven, met dien verstande dat te dezen voorschriften tot het verlenen van medewerking aan een ingreep van heelkundige aard zijn uitgezonderd;

    • e

      of de ambtenaar zich zodanig gedraagt, dat zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd;

    • f

      of verdere maatregelen of voorzieningen nodig zijn in het belang van het herstel van zijn gezondheid, dan wel in het belang van het behoud, het herstel of de bevordering van zijn arbeidsgeschiktheid;

    • g

      wanneer en in welke mate de vervulling van de betrekking kan worden hervat.

  • 2 Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de redenen van medisch onderzoek.

Artikel 7:13:1 Geen aanspraak op doorbetaling bezoldiging

Geen aanspraak op doorbetaling bezoldiging als bedoeld in artikel 7:3 bestaat:

  • a

    indien blijkens het geneeskundig onderzoek, bedoeld in artikel 7:12, sprake is van een omstandigheid waarbij de ambtenaar opzettelijk de verhindering tot het vervullen van zijn betrekking heeft veroorzaakt, tenzij de ambtenaar daarvan op grond van zijn geestelijk toestand geen verwijt kan worden gemaakt;

  • b

    indien de verhindering wegens ziekte zich voordoet binnen een half jaar na de in artikel 2:3, eerste lid, bedoelde geneeskundige keuring en alsdan blijkt dat de ambtenaar hierbij onjuiste informatie omtrent zijn gezondheidstoestand heeft verstrekt of gegevens heeft verzwegen, ten gevolge waarvan de verklaring dat tegen de vervulling van zijn betrekking uit medisch oogpunt geen bezwaren bestaan, ten onrechte is afgegeven, tenzij de ambtenaar aannemelijk maakt dat hij te goeder trouw heeft gehandeld.

Artikel 7:13:2 Staken van doorbetaling van de bezoldiging
  • 1 De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in artikel 7:3, wordt gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar:

    • a

      weigert de in artikel 7:12 neergelegde verplichting tot het verlenen van medewerking aan een door of vanwege de arbo-dienst in te stellen medische onderzoek na te komen;

    • b

      blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek ten onrechte heeft nagelaten zich onder geneeskundige behandeling te stellen of te blijven stellen;

    • c

      blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek de voorschriften van de behandelende arts niet opvolgt, met uitzondering van voorschriften om mee te werken aan een ingreep van heelkundige aard;

    • d

      zich blijkens het in artikel 7:12 bedoelde onderzoek schuldig maakt aan gedragingen waardoor zijn genezing wordt belemmerd of vertraagd;

    • e

      er de oorzaak van is dat het arbeidsgezondheidskundig onderzoek door een door de arbo-dienst aangewezen arts niet kan plaatshebben;

    • f

      tijdens de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, tenzij dit door de arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk wordt geacht en het college daartoe toestemming heeft verleend;

    • g

      weigert mededeling te doen van inkomsten uit arbeid, die hij heeft in verband met het verrichten van door de arbo-dienst in het belang van zijn genezing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of derden;

    • h

      zijn arbeid verzuimt te hervatten op het door de arbo-dienst bepaalde tijdstip en in de door deze dienst bepaalde mate, indien zulks hem is opgedragen, tenzij hij daarvoor een door de arbo-dienst als geldig erkende reden heeft opgegeven;

    • i

      weigert om – op verzoek van het college – informatie te verstrekken die noodzakelijk is voor de uitvoering van dit hoofdstuk.

  • 2 De doorbetaling van de bezoldiging vindt wel plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het eerste lid.

Artikel 7:14 Sanctie bij nalatigheid algemene verplichtingen ambtenaar
  • 1 De ambtenaar die zich niet houdt aan zijn verplichtingen, bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder c, wordt disciplinair gestraft wegens plichtsverzuim.

  • 2 De doorbetaling van de bezoldiging, bedoeld in artikel 7:3, wordt gestaakt, indien en voor zolang de ambtenaar:

    • a

      weigert mee te werken aan, door het college of een door hem aangewezen deskundige, gegeven redelijke voorschriften of getroffen maatregelen, als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder a, die erop gericht zijn om de betrokkene in staat te stellen de eigen passende arbeid te verrichten;

    • b

      weigert mee te werken aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 7:11, eerste lid, onder b.

    • c

      weigert aangeboden passende arbeid te verrichten, waartoe hij op grond van artikel 7:11, tweede lid, verplicht is.

  • 3 De doorbetaling van de bezoldiging, als genoemd in het tweede lid, vindt wel plaats indien de ambtenaar op grond van zijn geestelijke toestand geen verwijt kan worden gemaakt van het gedrag, genoemd in het tweede lid.

Artikel 7:15:1 Bezoldiging uitbetalen aan anderen en nabetaling aan ambtenaar
  • 1 Het college kan, indien daarvoor naar zijn oordeel bijzondere omstandigheden aanleiding geven, bepalen, dat de op grond van de artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 niet uitbetaalde bezoldiging, geheel of ten dele aan anderen dan de ambtenaar zal worden uitbetaald.

  • 2 Voor zover het college van zijn in het eerste lid bedoelde bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt, wordt de ingevolge de artikelen 7:13:1, 7:13:2 en 7:14 niet uitbetaalde bezoldiging alsnog aan de ambtenaar uitbetaald wanneer de ambtenaar op grond van de second opinion die hij conform artikel 30, eerste lid, onderdeel e, f en g, van de wet SUWI, heeft aangevraagd inzake het oordeel over de ongeschiktheid tot werken in het gelijk gesteld wordt.

Artikel 7:16 Herplaatsing in passende arbeid
  • 1 Passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, wordt de ambtenaar opgedragen:

    • a

      door plaatsing in een andere betrekking voor tijdelijke duur, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling;

    • b

      door plaatsing in een andere betrekking bij wijze van proef, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling;

    • c

      bij een andere werkgever, door een tijdelijke detachering, zonder dat dit gepaard gaat met een wijziging van de aanstelling.

  • 2 Na 24 maanden van ziekte wordt passende arbeid, bedoeld in artikel 7:11, tweede lid, aan de ambtenaar opgedragen door definitieve herplaatsing. Deze definitieve herplaatsing vindt plaats door wijziging van de aanstelling.

  • 3 Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek is geworden op of na 1 juli 2007 en die minder dan 35% arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar met de passende arbeid zijn volledige restverdiencapaciteit benut.

  • 4 Voorwaarde voor definitieve herplaatsing van de ambtenaar die ziek is geworden op of na 1 juli 2007 en die 35% of meer, maar minder dan 80% arbeidsongeschikt is, is in de periode van 12 maanden na de periode van 24 maanden, bedoeld in het tweede lid, dat de ambtenaar met de passende arbeid 50% van zijn restverdiencapaciteit of meer benut.

  • 5 Voor de toepassing van het eerste tot en met vierde lid wordt onder een andere betrekking mede verstaan het verrichten van dezelfde werkzaamheden onder andere voorwaarden.

  • 6 Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de betrekking tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen.

  • 7 Voor het bepalen van de periode van 24 respectievelijk 12 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

  • 8 De termijn van 24 maanden wordt verlengd:

    • a

      met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de WIA en

    • b

      met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft vastgesteld.

  • 9 De ambtenaar verleent alle medewerking en verstrekt alle informatie die nodig is om de restverdiencapaciteit vast te stellen.

Artikel 7:17 Terugkeer in betrekking na ziekte
  • 1 Ten aanzien van de ambtenaar die wegens ziekte verhinderd is zijn betrekking te vervullen, kan worden bepaald dat hij zijn betrekking slechts weer zal mogen vervullen, indien het college daarvoor toestemming heeft verleend, onder bepaling van de mate waarin de hervatting kan geschieden.

  • 2 Ten behoeve van de bepaling van het eerste lid zal mede worden gelet op het advies van de arbo-dienst of van het UWV.

  • 3 De in het eerste lid bedoelde toestemming is in ieder geval vereist indien de ambtenaar gedurende meer dan een jaar volledig verhinderd is geweest zijn betrekking te vervullen.

Artikel 7:18 Inkomsten uit of in verband met arbeid

Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot het in mindering brengen van inkomsten uit passende arbeid of werkzaamheden in het kader van de reïntegratie op de bezoldiging.

Artikel 7:18:1 Inkomsten andere betrekking in mindering brengen op bezoldiging
  • 1 Indien de ambtenaar tijdens de verhindering tot het vervullen van zijn betrekking, op grond van een aan het college uitgebracht advies door de arbo-dienst of door het UWV, in het belang van zijn genezing of zijn reïntegratie, dan wel in het kader van herplaatsing wenselijk geachte arbeid voor zichzelf of voor derden verricht, worden de inkomsten uit deze arbeid in mindering gebracht op de bezoldiging waar de ambtenaar recht op heeft krachtens artikel 7:3.

  • 2 Tot de in het eerste lid bedoelde inkomsten wordt tevens gerekend een herplaatsingstoelage, toegekend op grond van hoofdstuk 12 van het pensioenreglement, alsmede elke andere toelage, onder welke benaming ook, die geacht kan worden betrekking te hebben op arbeid bedoeld in het eerste lid.

Artikel 7:19 Samenloop van bezoldiging bij ziekte met ZW-uitkering
  • 1 Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk recht heeft op een ZW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3, recht heeft.

  • 2 Indien de ambtenaar geen ZW-uitkering aanvraagt binnen de in de ZW gestelde termijnen en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de periode dat hij dientengevolge geen ZW-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een volledige ZW-uitkering.

  • 3 Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar de ZW-uitkering vermindering ondergaat, aan de ambtenaar een boete wordt opgelegd, dan wel het recht op de ZW-uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit aan zijn schuld of toedoen te wijten is, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een volledige ZW-uitkering.

  • 4 De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle medewerking aan het via het college tot uitbetaling laten komen van de ZW-uitkering.

  • 5 Indien de ZW-uitkering meer bedraagt dan het bedrag waarop de ambtenaar op grond van artikel 7:3 recht heeft, wordt het meerdere aan de ambtenaar uitbetaald.

Artikel 7:20 Samenloop van bezoldiging bij ziekte met een WW-uitkering

Indien de ambtenaar ter zake van de dienstbetrekking waarbij de ongeschiktheid tot het verrichten van zijn werk is ontstaan, recht heeft op een WW-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3, recht heeft.

Artikel 7:21 Samenloop van bezoldiging bij ziekte met uitkering op grond van de WIA
  • 1 Indien de ambtenaar ter zake van de desbetreffende verhindering tot het vervullen van zijn betrekking recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering, wordt het bedrag van die uitkering in mindering gebracht op het bedrag waarop hij op grond van artikel 7:3 recht heeft.Wanneer de ambtenaar recht heeft op een IVA-uitkering dan wel een WGA-uitkering in verband met volledige, maar niet duurzame arbeidsongeschiktheid, heeft de ambtenaar ten minste recht op een bedrag ter hoogte van deze IVA- of WGA-uitkering.

  • 2 Indien de ambtenaar recht heeft op een WGA- of een IVA-uitkering uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen, wordt die uitkering naar rato van de bezoldiging uit de verschillende functies, in mindering gebracht op de dienstbetrekking op grond waarvan de bezoldiging wordt doorbetaald.

  • 3 Indien de ambtenaar geen WGA- of IVA-uitkering aanvraagt binnen de in de WIA gestelde termijnen en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de periode dat hij dientengevolge geen WGA- of IVA-uitkering ontvangt, voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een IVA-uitkering.

  • 4 Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de ambtenaar niet kan worden vastgesteld of de ambtenaar in aanmerking komt voor een WGA- of een IVA-uitkering en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met een IVA-uitkering.

  • 5 Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene de WGA- of IVA-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel uitgegaan van de WGA- of IVA-uitkering zoals die werd genoten voor vermindering of gehele of gedeeltelijke weigering van het bedrag plaatsvond.

  • 6 De ambtenaar verleent op verzoek van het college alle medewerking aan het via het college tot uitbetaling laten komen van de WGA- of IVA-uitkering.

Artikel 7:22 Bovenwettelijke aanvulling Pensioenreglement

Artikel 7:21 is van overeenkomstige toepassing, wanneer de ambtenaar in aanvulling op de WGA- of IVA-uitkering, bedoeld in artikel 7:21, recht heeft op een bovenwettelijke aanvulling op grond van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

Artikel 7:23 WAJONG/WAZ

Indien de ambtenaar op grond van zijn arbeidsongeschiktheid recht heeft op een WAJONG- of WAZ-uitkering, worden deze uitkeringen voor de toepassing va dit hoofdstuk gelijkgesteld met een uitkering op grond van de WIA.

Artikel 7:23:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 7:24 Zorgverzekering

De VNG sluit voor de zorgverzekering van gemeenteambtenaren, postactieven en inactieven met IZA Zorgverzekeraar NV een overeenkomst als bedoeld in artikel 18 van de Zorgverzekeringswet.

Artikel 7:24a Tegemoetkoming ziektekosten
  • 1 De ambtenaar, die zowel de basisverzekering als een aanvullende Classic- of Perfectverzekering bij IZA Zorgverzekeraar NV heeft, heeft recht op een tegemoetkoming in zijn ziektekosten.

  • 2 De tegemoetkoming in ziektekosten wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december uitbetaald.

  • 3 Bij indiensttreding op of na 1 januari van een kalenderjaar heeft de ambtenaar naar evenredigheid recht op een tegemoetkoming in ziektekosten.

Artikel 7:25 Hoogte tegemoetkoming
  • 1 De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 168,= per jaar.

  • 2 De tegemoetkoming in de ziektekosten is € 296,= per jaar als het salaris van de ambtenaar maal de deeltijdfactor lager is dan of gelijk is aan het bedrag dat hoort bij de hoogste periodiek van schaal 6.

  • 3 De ambtenaar die gedurende het jaar in dienst treedt of ontslagen wordt ontvangt een tegemoetkoming in de ziektekosten naar rato van de tijd dat hij in dienst is geweest.

  • 4 De peildatum voor de vergelijking van het tweede lid is de maand december. Voor de ambtenaar die gedurende het jaar uit dienst treedt is de peildatum voor de vergelijking van het tweede lid de laatste maand dat de ambtenaar in dienst is geweest.

Artikel 7:25a Meerdere dienstverbanden

Indien de ambtenaar uit hoofde van een ander dienstverband een tegemoetkoming krijgt voor ziektekosten, wordt dit verrekend met de tegemoetkoming op grond van artikel 7:24a en artikel 7:25. De ambtenaar is verplicht de gemeente te informeren, indien hij een dergelijke tegemoetkoming ontvangt uit hoofde van een andere dienstbetrekking.

Artikel 7:25b Inhouding ziektekostenpremies

Premies die de ambtenaar en/of zijn gezinsleden verschuldigd zijn aan de geselecteerde zorgverzekeraar worden door het college op de bezoldiging van de desbetreffende ambtenaar ingehouden en afgedragen aan de geselecteerde zorgverzekeraar, tenzij de ambtenaar schriftelijk aan de geselecteerde zorgverzekeraar heeft meegedeeld hiertegen bezwaar te hebben, of tenzij de som van de af te dragen premies hoger is dan de netto bezoldiging van de ambtenaar.

Artikel 7:25:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 7:25:2 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 7:25:3 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 7:25:4 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 7:26 Overgangsbepaling
  • 1 Op de ambtenaar of gewezen ambtenaar, die wegens ziekte op 31 december 2000 recht heeft op bezoldiging of uitkering op grond van dit hoofdstuk en waarvan de ziekte ook na deze datum voortduurt, blijven de bepalingen van dit hoofdstuk, zoals deze luidden op 31 december 2000 van kracht tot het moment dat de ziekte van de betrokkene eindigt, dan wel tot de dag met ingang waarvan de betrokkene recht krijgt op een uitkering krachtens de Ziektewet.

  • 2 De betrokkene is verplicht de onverschuldigde betalingen aan hem, die op grond van dit artikel zijn verricht, terug te betalen, indien hem met terugwerkende kracht een uitkering krachtens de Ziektewet wordt toegekend.

Artikel 7:27 Garantie-uitkering
  • 1 De ambtenaar die herplaatst is op grond van artikel 7:6, tweede lid onder c, zoals dat luidde voor 1 januari 2003, heeft, indien naderhand maar voor 1 januari 2001, de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is vastgesteld, recht op een garantie-uitkering, indien hem geen aanvullende gangbare arbeid is aangeboden van een zodanige omvang dat hij in staat is om zijn toegenomen restverdiencapaciteit te benutten. Onder gangbare arbeid wordt in dit artikel verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe betrokkene in staat is, gezien zijn krachten en bekwaamheden.

  • 2 De garantie-uitkering bedraagt te rekenen vanaf de datum van aanvang van de ziekte in de oorspronkelijke betrekking 18 maanden 100%, vervolgens 39 maanden 80% en daarna 33 maanden 70% van de bezoldiging die de ambtenaar genoot in de oorspronkelijke betrekking.

  • 3 Op de garantie-uitkering wordt in mindering gebracht hetgeen de ambtenaar ontvangt aan bezoldiging uit de betrekking waarin hij is herplaatst en, in voorkomend geval, met het recht op WAO-uitkering, invaliditeitspensioen, herplaatsingstoelage en inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf verkregen op of na de datum waarop de arbeidsongeschiktheid op een lager niveau is vastgesteld.

  • 4 Indien de betrokkene nalaat van de gelegenheid gebruik te maken die kan leiden tot het verkrijgen van gangbare arbeid, indien hij weigert gangbare arbeid te aanvaarden of indien hij opzettelijk inkomsten uit gangbare arbeid verloren laat gaan, wordt het bedrag van de garantie-uitkering verminderd met het bedrag van de verzuimde of de verloren gegane inkomsten.

  • 5 De garantie-uitkering eindigt:

    • a

      met ingang van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar bereikt;

    • b

      bij ontslag.

Artikel 7:28 Overgangsartikel
  • 1 Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 zijn de artikelen 7:1, 7:3, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 niet van toepassing.

  • 2 Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 7:1, 7:3, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16, 7:18, 7:21 en 7:22 zoals die golden op 31 december 2005 [Klik hier om het document te downloaden] , van toepassing.

  • 3 Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 is gelegen op of na 1 januari 2004 en die op grond van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering, zijn de artikelen 7:1, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21 niet van toepassing.

  • 4 Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 7:1, 7:5, 7:9, 7:11, 7:14, 7:16 en 7:21, zoals die golden op 31 december 2005 [Klik hier om het document te downloaden] , van toepassing, waarbij de verwijzing in artikel 7:21, eerste lid, naar artikel 7:3, eerste lid, gelezen moet worden als een verwijzing naar artikel 7:3, zoals dat luidt met ingang van 1 januari 2006 .

  • 5 Het college stelt per 1 januari 2006 voor de ambtenaren van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 7:3, is gelegen op of na 1 januari 2004, de duur van de ongeschiktheid vast. De hoogte van de loondoorbetaling vanaf 1 januari 2006 wordt bij voortduring van de ongeschiktheid berekend op basis van het bepaalde in artikel 7:3, eerste tot en met het vierde lid.

Artikel 7:28:1 Overgangsartikel
  • 1 Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid bedoeld in artikel 7:3 is gelegen voor 1 januari 2004 is artikel 7:18:1 niet van toepassing.

  • 2 Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, is artikel 7:18:1 zoals dat gold op 31 december 2005 [Klik hier om het document te downloaden] , van toepassing.

Artikel 7:28a Overgangsartikel
Artikel 7:28b Overgangsartikel

Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 7:16 van toepassing, zoals dat gold op 30 november 2008.

Verzuimprotocol

De medewerker

Van de medewerker wordt verwacht dat hij actief bijdraagt aan het voorkomen van ziekte en het meewerken aan herstel indien hij toch ziek wordt. Anders gezegd wordt er een actieve houding van de medewerker verwacht, tenzij dit medisch gezien niet mogelijk is. Zo kan de medewerker al direct bij het ontstaan van klachten gebruik maken van de interventietrajecten die IZA biedt. Van de medewerker wordt ook verwacht dat hij van het hele proces een logboek bijhoudt. Dit kan hij nodig hebben als zijn ziekte leidt tot een WAO-aanvraag (zie ook reïntegratieverslag).

De leidinggevende

De rol van de leidinggevende is die van begeleider van het verzuimproces. Dat wil zeggen dat de leidinggevende inspanningen levert om verzuim te voorkomen door het voeren van bijvoorbeeld preventief RSI-beleid, beleid gericht op het voorkomen van bovenmatige werkdruk enz.. Daarnaast is de leidinggevende eigenaar van het proces van verzuimbegeleiding. Hij kan daarbij een beroep doen op de adviseurs van P&O, arbodienst, arbocoördinator e.d., echter nooit met het doel de regisseursrol uit handen te geven. De leidinggevende kan ook gebruik maken van de mogelijkheden die het IZA Bedrijfszorgpakket. Dit kan hij doen ten behoeve van de medewerker, maar ook ten behoeve van versterking en ondersteuning bij zijn eigen rol als verzuimbegeleider. Ook de leidinggevende houdt van het hele proces een logboek bij over het ziekteverloop.

De casemanager

Deze rol wordt vervuld door de P&O-adviseur. De casemanager bewaakt de procedure rondom de Wet Verbetering Poortwachter. Hiertoe initieert en signaleert de casemanager en ziet er op toe dat  afspraken worden gemaakt en nagekomen. Dit laat echter onverlet dat de regie voor de verzuimbegeleiding bij de leidinggevende ligt en dat hij onverminderd verantwoordelijk is voor het proces. De leidinggevende is verantwoordelijk voor het reïntegratieproces, en daarmee voor het functioneren van de casemanager. de casemanager houdt het ziekteverloop bij. Alle feitelijke gegevens, documenten, gespreksverslagen en correspondentie worden door de casemanager vastgelegd. Deze gegevens worden gebruikt voor het plan van aanpak en het reïntegratieverslag. Relevante stukken worden voor de medewerker gekopieerd.

IZA BedrijfsZorgPakket

Het IZA BedrijfsZorgPakket biedt de mogelijkheid van curatieve interventietrajecten. Door de wijze waarop gebruik kan worden gemaakt van deze curatieve interventietrajecten, krijgen deze een preventieve werking op het ziekteverzuim. De medewerker hoeft – met andere woorden – niet ziek te zijn om gebruik te maken van het pakket. Integendeel. Gehoopt wordt dat door het tijdig inzetten van het pakket verzuim kan worden voorkomen. Bij het curatief inzetten van interventietrajecten wordt altijd eerst gekeken of deze gevonden kunnen worden in het IZA BedrijfsZorgPakket. Pas wanneer deze niet in het pakket gevonden kunnen worden, kunnen andere interventietrajecten overwogen worden. Hierover worden dan aanvullend afspraken gemaakt met leidinggevende.

Schema verzuimbegeleiding [Klik hier om het document te downloaden]

8 Ontslag

Artikel 8:1 Ontslag op verzoek
  • 1 Indien de ambtenaar ontslag verzoekt, wordt hem dit eervol verleend.

  • 2 Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.

  • 3 Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, kan worden aangehouden indien een ontslag op grond van artikel 8:13 overwogen wordt.

Artikel 8:1:1 Ontslag op verzoek
  • 1 Het ontslag, bedoeld in artikel 8:1, wordt niet verleend met ingang van een datum gelegen binnen een maand dan wel later dan drie maanden na de datum waarop het verzoek om ontslag is ingekomen.

  • 2 Indien de ambtenaar dit verzoekt kan van het bepaalde in het eerste lid worden afgeweken.

  • 3 Indien een strafrechtelijke vervolging tegen de ambtenaar aanhangig is of indien overwogen wordt hem in aanmerking te brengen voor disciplinaire straf kan het nemen van een beslissing op een verzoek om ontslag worden aangehouden totdat de uitspraak van de strafrechter of de beslissing inzake de disciplinaire straf onherroepelijk is geworden.

Artikel 8:2 Ontslag wegens ouderdomspensioen
  • 1 Aan de ambtenaar die de volgens artikel 7.3, eerste lid van het pensioenreglement voor het recht op ouderdomspensioen vereiste leeftijd heeft bereikt, wordt met ingang van de eerste dag van de maand waarin hij de bedoelde leeftijd bereikt eervol ontslag verleend.

  • 2 Aan de ambtenaar die voldoet aan de voorwaarden voor FPU, maar niet (geheel) gebruik maakt van dit recht, wordt eervol ontslag verleend met ingang van de eerste van de maand volgend op die waarin hij de 65-jarige leeftijd bereikt.

  • 3 Het college kan in bijzondere gevallen, indien de ambtenaar hiermede instemt, van het bepaalde in het eerste lid afwijken

Artikel 8.2.0.1 Ontslag wegens ouderdomspensioen

Extra toelichting vanuit de Gemeente Nijmegen bij artikel 8:2

Deze wijziging in het ABP Pensioenreglement geldt alleen voor medewerkers die onder het ABP-keuzepensioen vallen. Niet voor medewerkers met recht op FPU. Als zij niet voor hun vijfenzestigste volledige gebruik hebben gemaakt van de FPU, dan blijft voor hen de ingangsdatum van het ouderdomspensioen zoals die was: de eerste van de maand volgend op die waarin de deelnemer 65 jaar is geworden.

Volledig FPU

Medewerkers die met FPU gaan worden namelijk vóór hun 65ste ontslagen op grond van artikel 8:11 (ontslag wegens FPU). De maand van ontslag waar artikel 8:2 over gaat is voor deze medewerkers niet relevant.

Deeltijd FPU

Voor medewerkers die niet volledig met FPU gaan geldt het volgende. Zij hebben op de eerste van de maand waarin zij 65 worden nog een gedeeltelijke aanstelling bij de gemeente. Omdat het maar een beperkte groep betreft én omdat artikel 8:2, tweede lid het mogelijk makt om af e wijken van de ontslagdatum bij ouderdomspensioen, is het niet nodig om dit artikel aan te passen. Voor medewerkers die op hun 65ste nog niet volledig met FPU zijn gegaan, geldt dat het ontslag wegens ouderdomspensioen (voor de resterende dienstbetrekking) toegekend moet worden op de eerste van de maand volgend op die waarin betrokkene 65 jaar is geworden (de oude regel uit artikel 8:2). Dit kan op grond van artikel 8:2 tweede lid.

Geen gebruik maken van recht op FPU

Het kan zijn dat een medewerker recht heeft op FPU, maar hier geen gebruik van maakt. Er is dan geen sprake van ontslag op grond van 8:11 gedurende de laatste fase van zijn loopbaan. Betrokkene werkt door tot 65 jaar. Voor deze persoon geldt hetzelfde ontslagmoment als voor de medewerker die gedeeltelijk met FPU was gegaan. Deze ontslagdatum is de eerste van de maand volgend op die waarin betrokkene 65 is geworden. Het ontslag vindt dan plaats op grond van 8:2, tweede lid.

Geboren vóór 1950, geen FPU

De medewerkers die geboren zijn vóór 1 januari 1950 en niet onder de overgangsbepalingen FPU vallen, vallen onder het ABP-keuzepensioen. Ook voor hen geldt de nieuwe standaard ingangsdatum: de eerste van de maand waarin de medewerker 65 jaar wordt. Op die datum krijgen zij ontslag op grond van artikel 8:2.

Artikel 8:2:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 8:2a Ontslag wegens ouderdompensioen

De aanstelling of arbeidsovereenkomst van de medewerker die na de leeftijd van 65 jaar in dienst is getreden van de gemeente, alsmede de aanstelling of arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 8:2, tweede lid, wordt beëindigd wanneer een van de partijen dat wenselijk acht. Hierbij wordt een opzegtermijn van één maand in acht genomen.

Artikel 8:3 Ontslag wegens reorganisatie
  • 1 Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend wegens opheffing van zijn betrekking of wegens verandering in de inrichting van het dienstonderdeel waarbij hij werkzaam is of van andere dienstonderdelen, dan wel wegens verminderde behoefte aan arbeidskrachten. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend.

  • 2 Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.

  • 3 Op grond van dit artikel wordt, individuele gevallen uitgezonderd, ontslag verleend ingevolge een vooraf vastgesteld plan.

Artikel 8:3:1 Ontslag wegens reorganisatie

Over het plan, bedoeld in artikel 8:3, derde lid, wordt overleg gepleegd in de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid. Daarna wordt het aan de betrokken ambtenaren medegedeeld.

Artikel 8:4 Ontslag wegens volledige arbeidsongeschiktheid
  • 1 Onder volledige arbeidsongeschiktheid wordt verstaan:

    • a

      arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht bestaat op een WGA-uitkering;

    • b

      arbeidsongeschiktheid voor 80% of meer, waarbij recht bestaat op een IVA-uitkering.

  • 2 Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van volledige ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ziekte mede verstaan gebreken. Het ontslag wordt eervol verleend.

  • 3 Ontslag als bedoeld in het tweede lid mag slechts plaatsvinden indien er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte gedurende een periode van 24 maanden.

  • 4 Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een situatie als bedoeld in het derde lid het resultaat van de claimbeoordeling van de WIA en de resultaten van een mogelijke herbeoordeling.

  • 5 Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat een ontslagprocedure als bedoeld in het tweede lid wordt ingesteld. Deze melding geschiedt op zijn vroegst vanaf de 21e maand na de eerste ziektedag.

  • 6 Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest recente WIA-beschikking zijn genomen.

  • 7 Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het zesde lid, genomen is, moet het college, indien er geen overeenstemming bestaat over het ontslag, een deskundigenoordeel van UWV betrekken.

  • 8 Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de betrekking tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen.

  • 9 Voor het bepalen van het in het derde lid bedoelde tijdvak van 24 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

  • 10 De termijn van 24 maanden, als bedoeld in het derde lid wordt verlengd:

    • a

      met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de WIA en

    • b

      met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft vastgesteld.

Artikel 8:5 Ontslag wegens gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid
  • 1 Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van gedeeltelijke ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ziekte mede verstaan gebreken. Het ontslag wordt eervol verleend.

  • 2 Een ontslag als bedoeld in het eerste lid mag slechts plaatsvinden indien:

    • a

      er sprake is van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte gedurende een periode van 36 maanden;

    • b

      het na zorgvuldig onderzoek niet mogelijk is gebleken de ambtenaar binnen de gemeentelijke dienst passende arbeid op te dragen, als bedoeld in artikel 7:9.

  • 3 Het college betrekt bij het beoordelen van de vraag of er sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid het resultaat van de claimbeoordeling op grond van de WIA en de resultaten van een mogelijke herbeoordeling.

  • 4 Het college stelt de ambtenaar schriftelijk op de hoogte dat sprake is van een situatie als bedoeld in het tweede lid op grond waarvan de ontslagprocedure als bedoeld in het eerste lid wordt ingesteld. Deze melding geschiedt op zijn vroegst vanaf de 33e maand na de eerste ziektedag.

  • 5 Het ontslagbesluit moet binnen één jaar na de datum van de meest recente WIA-beschikking zijn genomen.

  • 6 Indien het ontslagbesluit niet binnen de termijn, bedoeld in het vijfde lid, genomen is, moet het college, indien er geen overeenstemming bestaat over het ontslag, een deskundigenoordeel van UWV betrekken.

  • 7 Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde tijdvak van 36 maanden worden perioden van ongeschiktheid voor de vervulling van de betrekking tengevolge van zwangerschap voorafgaand aan het zwangerschaps- en bevallingsverlof en de periode van het zwangerschaps- of bevallingsverlof bedoeld in artikel 6:7, niet in aanmerking genomen.

  • 8 Voor het bepalen van het in het tweede lid, onderdeel a, bedoelde tijdvak van 36 maanden worden perioden van ongeschiktheid wegens ziekte samengeteld, indien zij elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen, of indien zij direct voorafgaan aan en aansluiten op een periode waarin zwangerschaps- of bevallingsverlof wordt genoten, tenzij de ongeschiktheid in dit geval redelijkerwijs niet geacht kan worden voort te vloeien uit dezelfde oorzaak.

  • 9 De termijn van 36 maanden, als genoemd in het tweede lid, onderdeel a, wordt verlengd

    • a

      met de duur van de verlenging van de wachttijd, bedoeld in artikel 24, eerste lid, van de WIA en

    • b

      met de duur van het tijdvak, dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen op grond van artikel 25, negende lid, van de WIA heeft vastgesteld.

  • 10 Indien voor de ambtenaar buiten de gemeentelijke dienst passende arbeid als bedoeld in artikel 7:16, derde of vierde lid, aanwezig is, is ontslag vanaf 24 maanden na de eerste dag van ongeschiktheid op grond van dit artikel mogelijk. Bij het bepalen van de termijn van 24 maanden worden het zesde, zevende en achtste lid van artikel 7:16 overeenkomstig toegepast.

Artikel 8:5a Ontslag wegens arbeidsongeschiktheid
  • 1 De ambtenaar die ongeschikt is voor de vervulling van zijn functie wegens ziekte of gebrek kan ontslag verleend worden indien hij zonder deugdelijke grond weigert:

    • a

      gevolg te geven aan door het college of een door hem aangewezen deskundige gegeven redelijke voorschriften en mee te werken aan door het college of een door hem aangewezen deskundige getroffen maatregelen om hem in staat te stellen de eigen of passende arbeid te verrichten, als bedoeld in artikel 7:9;

    • b

      arbeid als bedoeld in artikel 7:11, tweede lid te verrichten waartoe het college hem in de gelegenheid stelt;

    • c

      zijn medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de WIA;

    • d

      een uitkering op grond van de WIA aan te vragen.

  • 2 Om te beoordelen of er sprake is van een situatie als bedoeld in het eerste lid, wint het college een hierop betrekking hebbend advies van het UWV in.

Artikel 8:5:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 8:6 Ontslag wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid
  • 1 Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van onbekwaamheid of ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking anders dan op grond van ziekten of gebreken. Ontslag op grond van dit artikel wordt eervol verleend.

  • 2 Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.

Artikel 8:7 Overige ontslaggronden

Ontslag kan aan de ambtenaar worden verleend op grond van:

  • a

    verlies van een vereiste bij de aanstelling door het bestuursorgaan gesteld, tenzij het vereiste alleen bij aanvaarding van de betrekking geldt;

  • b

    aangaan van een graad van zwagerschap die de aanstelling in de betrekking zou uitsluiten;

  • c

    staat van curatele krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;

  • d

    toepassing van lijfsdwang wegens schulden krachtens onherroepelijk geworden rechterlijke uitspraak;

  • e

    onherroepelijk geworden veroordeling tot vrijheidsstraf wegens misdrijf;

  • f

    het verstrekken van onjuiste gegevens in verband met indiensttreding, tenzij hem daarvan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt.

Artikel 8:7:1 Overige ontslaggronden

Behalve in het geval, bedoeld in artikel 8:7, onder e, wordt een ontslag op grond van evengenoemd artikel eervol verleend. Het ontslag kan niet eerder ingaan dan op de dag volgende op die waarop de reden voor het ontslag voor het eerst aanwezig was.

Artikel 8:8 Overige ontslaggronden
  • 1 Een ambtenaar die vast is aangesteld kan eervol worden ontslagen op een bij het besluit omschreven grond, niet vallende onder de gronden in vorige artikelen van dit hoofdstuk genoemd.

  • 2 Ontslag op grond van dit artikel kan ook gedeeltelijk worden verleend.

Artikel 8:8:1 Overige ontslaggronden

De grond waarop het ontslag berust, dat is verleend ingevolge artikel 8:8, wordt slechts op verzoek van de ambtenaar in het ontslagbesluit vermeld.

Artikel 8:9 Overige ontslaggronden

Aan de ambtenaar die in verband met de aanvaarding van een functie in een publiekrechtelijk college, waarin hij was benoemd of verkozen tijdelijk is ontheven van de waarneming van zijn ambt, wordt, indien hij ophoudt zodanige functie te bekleden en hij naar het oordeel van het college niet in actieve dienst kan worden hersteld, eervol ontslag verleend.

Artikel 8:10 Ontslag wegens Pré-vut
  • 1 Behoudens het bepaalde in het volgende lid wordt aan de ambtenaar op zijn verzoek eervol ontslag verleend, indien hij op de datum van zijn ontslag recht heeft op een uitkering ingevolge het bepaalde in artikel 5:2.

  • 2 Ontslag wegens pré-vut wordt slechts verleend, indien het bestuur van de Stichting pensioenfonds ABP op een desbetreffend verzoek heeft beslist, dat na het te verlenen ontslag recht bestaat op een uitkering op grond van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering.

Artikel 8:10:1 Ontslag wegens Pré-vut
  • 1 Het ontslag, bedoeld in artikel 8:10, tweede lid, gaat eerst in met ingang van de dag waarop het recht op een uitkering ingevolge het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering bestaat.

  • 2 Het bepaalde in artikel 8:1:1, is van overeenkomstige toepassing.

  • 3 Het bepaalde in artikel 8:10, eerste lid, geldt niet ten aanzien van de ambtenaar op wie artikel 9:1:2 van toepassing is.

Artikel 8:11 Ontslag wegens FPU
  • 1 Aan de ambtenaar die ontslag vraagt met het oog op een uitkering op grond van de FPU-regeling wordt eervol ontslag verleend indien het bestuur van de Stichting fonds vrijwillig vervroegd uittreden overheidspersoneel alsmede het bestuur van de Stichting pensioenfonds Abp op grond van een desbetreffende aanvraag hebben vastgesteld dat na te verlenen ontslag recht bestaat op een uitkering op grond van die regeling.

  • 2 Het in het eerste lid genoemde ontslag kan ook voor een gedeelte van de voor de ambtenaar geldende formele arbeidsduur per week worden verleend, tenzij de belangen van de dienst zich hiertegen verzetten. Het deeltijdontslag bedraagt ten minste 10% van de formele arbeidsduur per week. Het deeltijdontslag bedraagt telkenmale dat het wordt verleend, ten minste 10% van de oorspronkelijke formele arbeidsduur.

Artikel 8:11:1 Ontslag wegens FPU
  • 1 Het ontslag, bedoeld in artikel 8:11, gaat eerst in met ingang van de dag waarop het recht op een uitkering ingevolge de FPU-regeling bestaat.

  • 2 Het bepaalde in artikel 8:1:1 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 8:12 Ontslag uit een tijdelijke aanstelling of tijdelijke urenuitbreiding
  • 1 De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor bepaalde tijd is van rechtswege ontslagen op de datum waarop die tijd verstrijkt. Indien na de datum, bedoeld in de eerste volzin, het dienstverband feitelijk wordt gehandhaafd zonder dat opnieuw een aanstelling is verleend, wordt de tijdelijke aanstelling geacht voor dezelfde tijd te zijn aangegaan.

  • 2 De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor bepaalde tijd is aangegaan, is, voor zover het die urenuitbreiding betreft, van rechtswege ontslagen op de datum dat de urenuitbreiding eindigt.

  • 3 De ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd kan ontslag worden verleend indien de omstandigheid die tot de aanstelling leidde is vervallen.

  • 4 De ambtenaar met wie een urenuitbreiding voor onbepaalde tijd is aangegaan, kan, voor zover het die urenuitbreiding betreft, ontslag worden verleend, indien de omstandigheid die tot de urenuitbreiding leidde, is vervallen.

  • 5 Het ontslag als bedoeld in het eerste tot en met vierde lid kan niet plaatsvinden wanneer de termijnen als genoemd in artikel 2:4 zijn overschreden.

  • 6 Het college kan omtrent de opzegtermijnen voor het ontslag uit een tijdelijke aanstelling voor onbepaalde tijd nadere regels stellen.

Artikel 8:12:1 Tussentijds ontslag uit een tijdelijke aanstelling of urenuitbreiding
  • 1 De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, eerste en tweede lid, kan ook ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd in dit hoofdstuk.

  • 2 De ambtenaar, bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid, kan ook ontslag worden verleend op een van de andere gronden genoemd in dit hoofdstuk.

Artikel 8:12:2 Opzegtermijn bij beëindiging tijdelijke aanstelling of urenuitbreiding voor onbepaalde tijd
  • 1 Bij een ontslag als bedoeld in artikel 8:12, derde en vierde lid, wordt een opzegtermijn in acht genomen:

    • a

      van drie maanden, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken twaalf maanden heeft geduurd;

    • b

      van twee maanden, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken zes maanden of langer, doch korter dan twaalf maanden, heeft geduurd;

    • c

      van één maand, indien de tijdelijke aanstelling respectievelijk de urenuitbreiding bij het begin van de opzegtermijn onafgebroken korter dan zes maanden heeft geduurd.

  • 2 Over de tijd die aan de in het eerste lid bedoelde opzegtermijn mocht ontbreken, heeft de betrokkene recht op doorbetaling van de bezoldiging.

Artikel 8:13 Ontslag als disciplinaire straf

Als disciplinaire straf kan aan de ambtenaar ongevraagd ontslag verleend worden.

Artikel 8:14 Ontslagbescherming leden ondernemingsraad en vakorganisaties
  • 1 In dit artikel wordt verstaan onder:

    • a

      wet: Wet op de ondernemingsraden;

    • b

      ondernemingsraad: de ondernemingsraad zoals bedoeld in de wet;

    • c

      ambtenaar: de persoon zoals bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de wet.

  • 2 Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden:

    • a

      wegens de plaatsing van de ambtenaar op een kandidatenlijst als bedoeld in artikel 9 van de wet;

    • b

      wegens het lidmaatschap van een ondernemingsraad;

    • c

      wegens het lidmaatschap van een commissie bedoeld in artikel 15 van de wet;

    • d

      van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is geweest van een ondernemingsraad;

    • e

      van een ambtenaar die korter dan twee jaar geleden lid is geweest van een commissie bedoeld in artikel 15 van de wet.

  • 3 Ontslag op grond van artikel 8:8 kan niet geschieden wegens het feit dat de ambtenaar door een toegelaten organisatie als bedoeld in artikel 12:1, derde lid, of door een daarbij aangesloten bond is aangewezen om bestuurlijke of vertegenwoordigende activiteiten te ontplooien binnen zijn centrale of een daarbij aangesloten bond c.q. binnen de organisatie van de werkgever, die er toe strekken de doelstellingen van zijn centrale van overheidspersoneel en de daarbij aangesloten bonden te ondersteunen.

  • 4 In afwijking van het gestelde in het tweede en derde lid kan ontslag op grond van artikel 8:8 plaatsvinden wanneer de betrokkene schriftelijk in het ontslag toestemt.

  • 5 Indien de ondernemer aan de ondernemingsraad een secretaris heeft toegevoegd, zijn de voorgaande leden van overeenkomstige toepassing op die secretaris.

Artikel 8:15:1 Schorsing als ordemaatregel
  • 1 Onverminderd het bepaalde in artikel 16:1:2 kan de ambtenaar door het college worden geschorst:

    • a

      wanneer hem het voornemen tot bestraffing met onvoorwaardelijk ontslag is te kennen gegeven of hem van de oplegging van deze straf mededeling is gedaan;

    • b

      wanneer tegen hem volgens de terzake geldende bepalingen van het Wetboek van Strafvordering een bevel tot inverzekeringstelling of voorlopige hechtenis wordt ten uitvoer gelegd;

    • c

      wanneer tegen hem een strafrechtelijke vervolging wegens misdrijf wordt ingesteld;

    • d

      in andere gevallen waarin schorsing wordt gevorderd door het belang van de dienst.

  • 2 Het schorsingsbesluit bevat in ieder geval:

    • a

      een aanduiding van het tijdstip waarop de schorsing ingaat;

    • b

      een nauwkeurige aanduiding van de in het eerste lid bedoelde omstandigheid of omstandigheden welke tot de schorsing aanleiding heeft of hebben gegeven;

    • c

      een zo nauwkeurig mogelijke aanduiding van de duur van de schorsing.

Artikel 8:15:2 Schorsing als ordemaatregel
  • 1 Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder b of c, kan de bezoldiging voor een derde gedeelte worden ingehouden; na verloop van een termijn van zes weken kan een verdere vermindering van het uit te keren bedrag, ook tot het volle bedrag van de bezoldiging, plaatsvinden, behoudens het bepaalde in het derde lid.

  • 2 Tijdens de schorsing ingevolge artikel 8:15:1, eerste lid, onder a, kan tot de in de strafaanzegging of –oplegging genoemde datum van ingang van het ontslag de bezoldiging geheel of gedeeltelijk worden ingehouden, behoudens het bepaalde in het derde lid. Met ingang van de datum van het ontslag wordt de uitkering van de bezoldiging geheel gestaakt.

  • 3 Het betaalbare gedeelte van de bezoldiging kan aan anderen dan de ambtenaar worden uitgekeerd. Gedurende de schorsingsperiode blijft de ambtenaar in ieder geval in het genot van een bedrag, gelijk aan het op hem verhaalbare gedeelte van de premies voor pensioen.

  • 4 De ingevolge het eerste lid niet uitgekeerde bezoldiging wordt alsnog uitbetaald, indien de schorsing niet door een door de strafrechter opgelegde straf wordt gevolgd of ook indien en in zoverre op andere gronden alsnog tot uitbetaling wordt besloten.

  • 5 De ingevolge het tweede lid niet uitgekeerde bezoldiging wordt alsnog uitbetaald, indien op de schorsing bestraffing van de ambtenaar met onvoorwaardelijk ontslag niet volgt.

Artikel 8:15:3 Bevoegdheid tot ontslagverlening
  • 1 Ontslag wordt verleend door het bestuursorgaan dat bevoegd is tot aanstelling in de betrekking, laatstelijk door de ambtenaar vervuld.

  • 2 Het besluit tot het verlenen van ontslag wordt op schrift gesteld, met vermelding van de datum van ingang van het ontslag dan wel een omschrijving of aanduiding van die datum.

  • 3 Ingeval aan een ambtenaar die tijdelijk is aangesteld voor onbepaalde tijd ontslag wordt verleend, wordt de grond waarop het ontslag berust slechts op verzoek van de ambtenaar vermeld.

Artikel 8:16:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 8:16:2 Overlijdensuitkering
  • 1 De bezoldiging van de ambtenaar wordt niet langer uitbetaald dan tot en met de dag van het overlijden.

  • 2 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de ambtenaar wordt aan de weduwe, weduwnaar of geregistreerde partner een bedrag uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging over een tijdvak van drie maanden vermeerderd met de vakantietoelage. Als maatstaf bij de berekening van het in de vorige volzin bedoelde bedrag wordt in aanmerking genomen de voor de ambtenaar op de dag van overlijden geldende bezoldiging per maand. Indien de overledene geen weduwe, weduwnaar of geregistreerde partner nalaat, geschiedt de uitkering ten behoeve van de minderjarige wettige, natuurlijke en pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering, indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broeders of zusters, ten behoeve van deze betrekkingen.

  • 3 Indien de overledene geen betrekkingen, bedoeld in het tweede lid, nalaat, kan het daarbedoelde bedrag door het bevoegd bestuursorgaan geheel of ten dele worden uitgekeerd voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging, indien de nalatenschap van de overledene voor de betaling van die kosten ontoereikend is.

  • 4 Op de uitkering, bedoeld in het tweede lid, wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de ambtenaar ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken krachtens enig wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte of arbeidsongeschiktheid.

Artikel 8:16:3 Overlijdensuitkering
  • 1 Gedurende de maand waarin het overlijden van de ambtenaar plaatsvond en de daarop volgende drie maanden behouden de achterblijvende gezinsleden het gebruik van de dienstwoning waarin zij met de ambtenaar woonden. Daarvan kan echter worden afgeweken als het college dat in het belang van de dienst noodzakelijk acht.

  • 2 Indien door de ambtenaar voor het gebruik van de dienstwoning een vergoeding verschuldigd was, voldoen de achtergebleven gezinsleden deze over de tijd gedurende welke zij het gebruik van de woning behouden.

Artikel 8:16a Overlijdensuitkering bij een ongeval in en door de dienst
  • 1 Indien de ambtenaar overlijdt en zijn overlijden een rechtstreeks gevolg is van een ongeval in en door de dienst, dan wordt aan de weduwe, weduwnaar of geregistreerd partner een uitkering verstrekt. Indien de overledene geen weduwe, weduwnaar of geregistreerd partner nalaat, wordt de uitkering verstrekt aan de minderjarige wettige, natuurlijke en pleegkinderen.

  • 2 De uitkering bedraagt één jaarbezoldiging, berekend over de 12 kalendermaanden onmiddellijk voorafgaande aan de maand van overlijden.

  • 3 Indien het college een verzekering heeft afgesloten die tot uitkering komt in geval de ambtenaar overlijdt als gevolg van een ongeval in en door de dienst, bedraagt de uitkering in afwijking van het tweede lid het bedrag waarvoor het college zich terzake heeft verzekerd, met een minimum van één jaarbezoldiging.

Artikel 8:17 Gedeeltelijk ontslag na terugbrengen formele arbeidsduur

Indien door de werkgever de formele arbeidsduur per week gedeeltelijk wordt teruggebracht, al dan niet na een tijdelijke uitbreiding daarvan, dient dit te geschieden door een gedeeltelijk ontslag op grond van dit hoofdstuk, behalve in het geval van wijziging van de aanstelling op grond van artikel 7:16.

Artikel 8:18 Overgangsbepaling
  • 1 Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte, bedoeld in de artikelen 8:5 en 8:5a, is gelegen voor 1 januari 2004 zijn de artikelen 8:5 en 8:5a niet van toepassing.

  • 2 Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a, zoals die golden op 30 juni 2006 [Klik hier om het document te downloaden] , van toepassing.

  • 3 Op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte, bedoeld in de artikelen 8:5 en 8:5a , is gelegen op of na 1 januari 2004, maar die op grond van de WAO recht hebben op een WAO-uitkering, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a niet van toepassing.

  • 4 Op de ambtenaar, bedoeld in het vorige lid, zijn de artikelen 8:5 en 8:5a, zoals die golden op 30 juni 2006 [Klik hier om het document te downloaden] , van toepassing.

Artikel 8:19 Overgangsbepaling
Artikel 8:20 Overgangsbepaling

Op de ambtenaar van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 7:3, gelegen is voor 1 augustus 2008, is artikel 8:4 of artikel 8:5 van toepassing, zoals dat gold op 30 november 2008 [Klik hier om het document te downloaden] .

Voorwoord

Het Sociaal Statuut Deze wordt toegepast bij interne organisatieveranderingen.Dit document treedt in werking op 1 januari 2010 en komt in de plaats van de Leidraad bij organisatieveranderingen vastgesteld op 18 maart 1996, en gewijzigd op 8 juli 1998 en 1 juni 2006.De Leidraad bij Privatisering van 30 maart 1994 en gewijzigd op 10 juli 1996 blijft ongewijzigd van kracht.

De wijzigingen van het Sociaal Statuut ten opzichte van de versie die gold van 2006 tot 2010 zijn marginaal. De tekst is veel meer compacter geworden en geactualiseerd, dan dat er inhoudelijke wijzigingen zijn opgenomen. Ook zijn passages die het algemeen personeelsbeleid van de gemeente betreffen uit dit document gehaald ten behoeve van de leesbaarheid en hanteerbaarheid.Dit Sociaal Statuut, dat een uitvloeisel is van de lokale CAO 2010-2012, is geactualiseerd in de wetenschap dat de gemeenten tijden met ingrijpende bezuinigingen tegemoet gaan. Hoe ingrijpend deze bezuinigingen zullen zijn is op dit moment echter nog niet helder. Wij vertrouwen erop dat de gemeente Nijmegen als werkgever ook in het tijdsbestek van 2010-1012 in staat zal zijn om iedereen, die ten gevolge van interne organisatieveranderingen zijn baan verliest, naar ander werk te kan geleiden. Mocht dit een onmogelijke opdracht blijken te zijn, dan zal nader overleg met de bonden plaatsvinden over de aanpassing van de afgesproken regels.

Uitgangspunten en kaders

De samenleving ontwikkelt zich snel en de burger stelt andere eisen aan de lokale overheid. Daarnaast zorgen de bezuinigingen voor veel turbulentie en dwingen de gemeente keuzes te maken en tot inkrimping van onze vergrijsde personele formatie. In deze moeilijke tijden is het een uitdaging op een zakelijke maar zorgvuldige wijze te voldoen aan de veranderende eisen in de samenleving en van de individuele burger, de inkrimping van onze formatie en de instroom van voornamelijk jongeren te realiseren.Om flexibel en adequaat te anticiperen op de ontwikkelingen vinden we dat:

  • -

    klantoriëntatie en de klantvraag leidende principes zijn;

  • -

    we één gemeenschappelijk dienstverleningsconcept moeten hanteren;

  • -

    we voor de hele organisatie een uniforme en beperkte hiërarchische lagenstructuur moeten gaan hanteren;

  • -

    we in de operationele processen de klantvraag centraal stellen en deze processen eenduidig houden met zo min mogelijk overdrachtsmomenten;

  • -

    we de verantwoordelijkheden zo laag mogelijk in de organisatie moeten leggen om trage besluitvormingsprocedures te voorkomen;

  • -

    het primaat voor kwaliteitsborging bij het lijnmanagement ligt;

  • -

    control bijdraagt aan 'het geweten' van de organisatie. Control toetst achteraf (achterkant van het proces) en adviseert aan de voorkant van het proces met als motto dat voorkomen beter is dan genezen.

Gemeenschappelijk willen we deze uitgangspunten verwezenlijken. We willen hierbij binnen de organisatie en naar buiten optreden als één werkgever en één rechtspersoon. We hebben één gezicht dat zich kenmerkt door transparantie, zorgvuldigheid, betrouwbaarheid en duidelijkheid.

De ontwikkelingen en veranderingen in de wereld om ons heen vergen van ons een andere manier van werken. Het gevolg is dat we andere eisen stellen aan onze eigen organisatie en aan de medewerkers.Het flexibel en snel meebewegen bieden organisatie en medewerkers de mogelijkheden aan de veranderende eisen te voldoen.Als werkgever stellen wij daarom op onze beurt andere eisen aan onze medewerkers. We vragen hun zich permanent bewust te zijn van de veranderingen en hierop flexibel, tijdig en adequaat te anticiperen.We willen graag dat alle medewerkers van onze gemeente zich realiseren dat zij dat eenduidige en klantgerichte gezicht naar buiten zijn.Als organisatie bieden we onze werknemers perspectief. Het management van onze organisatie draagt hieraan bij door een ambiance te bieden waarin ontwikkelen kan en mag. Het aanbieden van opleidingen, begeleiding en een goede aansturing op competenties, houding en gedrag is een taak van het management.

Van werk-naar-werkgarantie

Zowel de werkgever als de werknemers hechten aan waarborgen rond werkgelegenheid. Eind 2005 is afgesproken dat er tot 1 januari 2010 geen gedwongen ontslag zal plaatsvinden als gevolg van bezuinigingen en reorganisaties, inclusief privatisering. Daarbij gingen partijen ervan uit dat door de accenten die gelegd werden in het sociaal beleid op inzetbaarheid, uitstroom, doorstroom en instroom voldoende medewerkers vrijwillig zouden uitstromen. Dit is ook waargemaakt in genoemde periode.Thans staat een dergelijke garantie onder druk wegens de sterk verslechterde economische omstandigheden. We kunnen niet lang vooruit zien. Vandaar dat voor een periode van twee jaar een garantie geldt in de vorm van een “Werk-naar-werk-garantie”. Deze garantie, die eindigt met ingang van 1 januari 2012 vraagt uiterste flexibiliteit en creativiteit van beide partijen.Het is de intentie van zowel werkgever als de SBO om ook na die datum gedwongen ontslag te voorkomen. Over de eventuele verlenging van de werk-naar werkgarantie, wordt in de zomer van 2011 het overleg opgestart.

Artikel 1 Definities
  • a

    AGN:Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen.

  • b

    Ambtenaar:de ambtenaar als bedoeld in de AGN met een vaste aanstelling dan wel een tijdelijke aanstelling bij wijze van proef.

  • c

    Anciënniteit:het aantal dienstjaren doorgebracht in overheidsdienst.

  • d

    Bezoldiging:het salaris, vermeerderd met het bedrag van de aan de ambtenaar toegekende emolumenten en toelagen, niet zijnde onkostenvergoedingen.

  • e

    Commissie voor Georganiseerd Overleg (GO):de commissie voor georganiseerd overleg zoals bedoeld in artikel 12:1 van de AGN.

  • f

    Functie:het geheel van werkzaamheden dat de ambtenaar volgens zijn functiebeschrijving verricht.

  • g

    Gelijke functie:een functie die (nagenoeg) overeen komt met de functie die de ambtenaar voor de organisatiewijziging vervulde. Onder "nagenoeg overeen komt" wordt in dit verband ook verstaan: een wijziging waarbij één of meer niveaubepalende taken uit de functie vervallen en/of de wijziging minder dan 25% van de functieomvang betreft.Er is nooit sprake van een gelijke functie als de inschaling afwijkt (naar boven of beneden) van de oude functie.

  • h

    Nulsituatie:De rechtspositie (functie, plaats in de organisatie, salarispositie etc.) van de ambtenaar op het moment vlak vóór de organisatiewijziging.

  • i

    Onderdeelcommissie (OC):de onderdeelcommissie zoals bedoeld in artikel 15 van de Wet op de Ondernemingsraden.

  • j

    Ondernemingsraad (OR):de ondernemingsraad zoals bedoeld in artikel 2 van de Wet op de Ondernemingsraden.

  • k

    Organisatiewijziging:iedere inkrimping of wijziging van de werkzaamheden van de gemeente (of een onderdeel daarvan) of een belangrijke wijziging van de laatst vastgestelde organisatiestructuur van de gemeente (of een onderdeel daarvan), die niet van tijdelijke aard is en die personele gevolgen met zich meebrengt.

  • l

    Passende functie:een functie die de ambtenaar redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen en dus voldoet aan de criteria zoals geformuleerd in artikel 15:1:10, eerste en tweede lid van de AGN. Een functie van meer dan twee salarisschalen lager wordt in ieder geval als niet passend beschouwd.Er is geen sprake van een passende functie als deze hoger is ingeschaald dan de oude functie.

  • m

    Personeelsplan:Een overzicht waarin voor elke betrokken ambtenaar de rechtspositionele gevolgen van de organisatiewijziging zijn opgenomen, waarbij ook de nulsituatie van elke ambtenaar is vermeld.

  • n

    Personele gevolgen:gevolgen voor de functie of de rechtspositie van de betrokken ambtenaren.

  • o

    Privatisering:organisatiewijziging die het gevolg is van de verzelfstandiging van een deel van de organisatie tot een nieuwe (privaatrechtelijke) rechtspersoon of de overdracht van een deel van de organisatie aan een derde (privaatrechtelijke) partij.

  • p

    Publiekrechtelijke taakoverheveling:organisatiewijziging als gevolg van de overheveling van een deel van de organisatie naar een ander publiekrechtelijk orgaan.

  • q

    Salaris:het voor de ambtenaar geldende bedrag van de aan de ambtenaar toegekende schaal als bedoeld in artikel 3:1 van de AGN, vermeerderd met een eventuele toeslag voor inconveniënten als bedoeld in artikel 3:1:0:1 van de AGN.

  • r

    Salarisperspectief:de opeenvolgende salarisperiodieken tot en met het hoogste bedrag van de functieschaal van de ambtenaar en eventuele diensttijduitlopen tot het moment van overplaatsing en eventuele schriftelijk vastgelegde extra individuele salarisafspraken.

  • s

    Toelage:de toelage waarmee het salaris wordt vermeerderd ingevolge de Bezoldigingsverordening.

  • t

    Werkgever:de Gemeente Nijmegen.

Artikel 2 Werkingssfeer

Dit Sociaal Statuut is van toepassing op alle organisatiewijzigingen in de gemeentelijke organisatie, niet zijnde een organisatiewijziging als gevolg van een gemeentelijke herindeling, niet zijnde privatisering of publiekrechtelijke taakoverheveling.Paragraaf 2 is van toepassing tenzij de bestuurder en OR/OC overeen komen dat het een onbelangrijke organisatiewijziging betreft.

Artikel 2a Werk naar Werk-garantie

De “Werk-naar-werkgarantie” geldt voor medewerkers, waarvan als gevolg van reorganisaties, privatiseringsoperaties of bezuinigingen de functie vervalt in de periode tot 1 januari 2012. De garantie houdt in dat er geen ontslagdatum ingevolge artikel 8:3 AGN wordt bepaald ten aanzien van medewerkers, die vóór 1 januari 2012 de herschikkerstatus krijgen als gevolg van reorganisaties of bezuinigingen.Zowel de werkgever als de werknemer zullen zich inspannen om de werknemer van werk naar werk te leiden. Hierbij zal de aandacht en inspanning gericht zijn op het verwerven en aanbieden van werk binnen en/of buiten de gemeentelijke organisatie.

Artikel 2b Herschikkerstatus

Medewerkers, die onder de van Werk-naar werkgarantie vallen krijgen de herschikkerstatus. De overige bepalingen van paragraaf 4 van hoofdstuk 10d Voorzieningen bij werkloosheid zijn van overeenkomstige toepassing. Het plaatsingsbeleid is van toepassing.

Artikel 3 Bevoegdheid tot het nemen van het besluit tot organisatiewijziging

Het College van Burgemeester en Wethouders is bevoegd tot het nemen van besluiten over de wijziging van de ambtelijke organisatie.

Artikel 4 Bevoegdheid tot het nemen van besluiten betreffende individuele ambtenaren

Het College van Burgemeester en Wethouders is bevoegd tot het nemen van besluiten over wijziging van de aanstelling, overplaatsing en ontslag van ambtenaren, tenzij bij of krachtens wet, raadsbesluit of mandaat anders is bepaald.

Artikel 5 Procedure

Bij een organisatiewijziging worden de volgende stappen doorlopen:stap 1. Onderzoek organisatiewijziging (artikel 6)stap 2. Adviesfase (artikel 7)stap 3. Kennisgeving en uitvoering besluit (artikel 8)stap 4. Vaststellen plaatsingscriterium (artikel 9)stap 5. Vaststellen personeelsplan (artikel 10)stap 6. Plaatsing (artikel 11)stap 7. Invulling nieuwe en niet ingevulde functies (artikel 12)

Artikel 6 Onderzoek naar organisatiewijziging

Lid 1

Als de werkgever zich voorneemt de mogelijkheid en wenselijkheid van een organisatiewijziging, waarop dit Sociaal Statuut van toepassing zal zijn, te onderzoeken, worden de ondernemingsraad/ onderdeelcommissie en de betrokken ambtenaren hierover geïnformeerd.

Lid 2

Het tijdstip van kennisgeving van het voornemen is dusdanig, dat de onderdeelcommissie/ondernemingsraad een advies over de onderzoeksopdracht kenbaar kunnen maken.

Artikel 7 Advies over organisatiewijziging

Lid 1

Voordat een definitief besluit wordt genomen ten aanzien van de organisatiewijziging, wordt de onderdeelcommissie/ondernemingsraad schriftelijk om advies gevraagd, conform artikel 25 van de Wet op de ondernemingsraden.

Lid 2

De adviesaanvraag bevat een heldere omschrijving van het voorgenomen besluit, de beweegredenen van het besluit, de verwachte personele gevolgen van het besluit en de naar aanleiding daarvan te nemen personele maatregelen.

Lid 3

De OC/OR brengt advies uit conform artikel 25 van de WOR.

Artikel 8 Kennisgeving en uitvoering besluit

Zodra de werkgever een definitief besluit heeft genomen tot wijziging van de organisatie, wordt dit besluit meegedeeld aan de onderdeelcommissie, de ondernemingsraad en de betrokken ambtenaren. De commissie voor Georganiseerd Overleg wordt geïnformeerd over het besluit.Bij de mededeling wordt tevens op hoofdlijnen een schets gegeven van de personele gevolgen van het besluit.

Artikel 9 Vaststellen plaatsingscriterium

Lid 1

De werkgever moet overeenstemming bereiken met de OR dan wel de OC of het criterium kwaliteit of het criterium anciënniteit bij plaatsing wordt gehanteerd, in het geval er teveel ambtenaren zijn voor dezelfde gelijke functie. Indien gekozen wordt voor het anciënniteitbeginsel, wordt ook over de toepassing van lid vijf overlegd.

Lid 2

De werkgever moet de keuze voor een van de twee criteria motiveren.

Lid 3

Nadat overeenstemming is bereikt over het plaatsingscriterium worden alle betrokken ambtenaren en het GO hierover geïnformeerd.

Lid 4

Als wordt gekozen voor 'kwaliteit' worden minstens twee beoordelingen meegenomen voor zover deze langer dan een half jaar, maar niet langer dan 3 jaar geleden zijn opgemaakt , gerekend vanaf het moment dat de werkgever het verzoek tot instemming over het plaatsingcriterium heeft voorgelegd aan de OR/OC.

Lid 5

Als wordt gekozen voor 'anciënniteit' kan, als er 10 of meer ambtenaren bij de organisatiewijziging zijn betrokken, het anciënniteitbeginsel per onderstaande leeftijdsgroep worden toegepast: groep A: 55 jaar en oudergroep B: 45 t/m 54 jaargroep C: 35 t/m 44 jaargroep D: 25 t/m 34 jaargroep E: 15 t/m 24 jaar

Artikel 10 Vaststellen personeelsplan

Lid 1

De werkgever stelt een personeelsplan op.

Lid 2

De gemeentesecretaris stelt het personeelsplan vast bij directieoverstijgende processen nadat hij daarover overeenstemming heeft bereikt met de OR.

Lid 3

De directeur stelt het personeelsplan vast bij processen die zich beperken tot zijn directie nadat hij daarover overeenstemming heeft bereikt met de OC.

Lid 4

Pas nadat de OR/OC haar instemming heeft gegeven krijgen alle betrokken ambtenaren een plaatsingsbesluit.

Artikel 11 Plaatsing

Lid 1

Plaatsing van de bij de organisatiewijziging betrokken ambtenaren geschiedt op de wijze zoals in de volgende leden aangegeven.

In een gelijke functie:

Lid 2

Plaatsing geschiedt zoveel mogelijk in gelijke functies volgens het principe "mens volgt functie".

Lid 3

Als er voor een ambtenaar meerdere gelijke functies zijn, dan wordt de ambtenaar geplaatst, waarbij rekening worden gehouden met zijn voorkeur.

Lid 4

Als er meer kandidaten dan gelijke functies zijn, dan wordt er geplaatst op basis van kwaliteit of anciënniteit, volgens artikel 9.  

Lid 5

Optie A: plaatsing in gelijke functie op basis van kwaliteit:

  • -

    Als eerste worden ambtenaren geplaatst die in hun laatste beoordeling een gemiddelde waardering hebben van C of hoger hebben. Indien er daarbij meer kandidaten zijn dan plaatsen, dan moet een assessment uitsluitsel te geven. Geeft dat geen uitsluitsel dan geldt anciënniteit.

  • -

    Vervolgens worden de ambtenaren geplaatst die gemiddeld lager score dan een C op hun beoordeling. Indien ook daarbij meer kandidaten zijn dan plaatsen, dan dient een assessment uitsluitsel te geven. Geeft dat geen uitsluitsel dan geldt anciënniteit.

Lid 6

Optie B: plaatsing in een gelijke functie op basis van anciënniteit.De ambtenaren worden geplaatst in volgorde van anciënniteit met in achtneming van het bepaalde in artikel 9, lid 5.

Lid 7

Aan een plaatsing in een gelijke functie worden geen extra voorwaarden of eisen verbonden, dan die aan de vervulling van de functie zijn verbonden.

In een passende functie:

Lid 8

Is de ambtenaar niet plaatsbaar in een gelijke functie, dan wordt hij geplaatst in een passende functie.

Lid 9

Als er voor een ambtenaar meerdere passende functies beschikbaar zijn, wordt er bij de plaatsing rekening gehouden met de voorkeur van de ambtenaar.

Lid 10

Indien er meer ambtenaren zijn dan functies wordt er geplaatst volgens het overeengekomen criterium als bedoeld in artikel 9, lid 4.

Lid 11

Optie A: plaatsing in passende functie op basis van kwaliteit:Er wordt geplaatst op basis van een assessment. Indien dat geen uitsluitsel geeft dan op basis van anciënniteit.

Lid 12

Optie B: plaatsing in passende functie op basis van anciënniteit: De ambtenaren worden in een passende functie geplaatst in volgorde van anciënniteit, met in achtneming van artikel 9, lid 5.

Lid 13

Aan een plaatsing in een passende functie kunnen voorwaarden / eisen verbonden worden. Deze voorwaarden worden vastgelegd in een ontwikkelingstraject voor een ambtenaar. De werkgever moet de ambtenaar na maximaal 1 jaar beoordelen. Als de beoordeling negatief is en de conclusie luidt dat handhaven in de functie niet wenselijk is, wijst de werkgever de ambtenaar aan als herschikker. Vindt er binnen een jaar geen beoordeling plaats dan is de plaatsing definitief en vervallen alle voorwaarden.

Artikel 12 Invulling nieuwe en niet gevulde functies

Lid 1

Indien na plaatsing bepaalde functies niet vervuld zijn, worden deze functies vrij gegeven als vacature, volgens de geldende regels. Dit gebeurt echter niet voordat is gebleken dat:

  • -

    bekeken is of de bij de reorganisatie betrokken ambtenaren plaatsbaar zijn op die functies;

  • -

    alle bij de organisatiewijziging betrokken en al dan niet geplaatste ambtenaren de kans hebben gekregen met voorrang te solliciteren.

Lid 2

Aan de plaatsing op basis van een sollicitatie kunnen voorwaarden verbonden worden. Deze voorwaarden worden vastgelegd in een ontwikkelingstraject voor een ambtenaar. Hierbij kan het voorkomen dat de ambtenaar tijdelijk nog niet bevorderd wordt naar de functieschaal van de nieuwe functie. De werkgever moet de ambtenaar na maximaal 1 jaar beoordelen. Bij een positieve beoordeling wordt de ambtenaar met terugwerkende kracht tot het moment van plaatsing naar de functieschaal bevorderd. Als de beoordeling negatief is en de conclusie luidt dat handhaven in de functie niet wenselijk is, wijst de werkgever de ambtenaar aan als herschikker.

Lid 3

Als geen functie voorhanden is wordt de ambtenaar aangewezen als herschikker en is op hem de procedure als beschreven in het plaatsingsbeleid van toepassing. Aanwijzing als herschikker geschiedt zo snel mogelijk en in ieder geval uiterlijk drie maanden na vaststelling van de nieuwe functieprofielen van de nieuwe organisatie.

Artikel 13 Functiewaardering

Maximaal 1 jaar na plaatsing op een functie met een indicatieve waardering, zorgt de werkgever voor een definitieve waardering, in principe met terugwerkende kracht.

Artikel 14 Salarisgarantie

Lid 1

De ambtenaar die wordt overgeplaatst naar een andere functie binnen de gemeentelijke organisatie, behoudt bij plaatsing in een functie met gelijke schaal of 1 schaal lager, recht op het schaalniveau en schaalnummer en de doorgroei binnen de schaal zoals die voor hem golden in de oude functie.

Lid 2

Bij plaatsing in een nieuwe functie die 2 of meer schalen lager is gewaardeerd dan de oude functie, geldt dat het salaris op het moment van plaatsing in de nieuwe functie wordt bevroren op het schaalniveau en schaalnummer zoals dat bereikt was in de oude functie direct voorafgaand aan de plaatsing in de nieuwe functie.Eventuele doorgroei binnen de schaal is vervolgens alleen nog mogelijk tot aan het schaalbedrag dat overeenkomt met het maximale schaalbedrag van de nieuwe functie waarin de ambtenaar is geplaatst.

Lid 3

Bij plaatsing in een lagere schaal sluiten werkgever en werknemer een loopbaancontract met elkaar af op voorwaarde van instemming van beide partijen. Het contract heeft tot doel dat beide partijen actief streven naar een functie op minimaal het oude schaalniveau.

Artikel 15 Vergoedingen en toe(s)lagen

Lid 1

Als en zodra de ambtenaar met een functie wordt belast waaraan geen, dan wel in mindere mate toe(s)lagen en vergoedingen zijn verbonden voor gemaakte kosten, ongerief e.d. komt hij in aanmerking voor een afbouwregeling van maximaal 2 jaar als hij deze vergoeding of toelage minstens gedurende 1 jaar heeft genoten gerekend vanaf de dag van plaatsing in de nieuwe functie.

Lid 2

De som van de afbouwregeling bedraagt maximaal 150% van het bedrag dat per jaar aan toelage of vergoeding wordt uitgekeerd en wordt in maximaal 2 jaar uitgekeerd. De som wordt bepaald op basis van het recht op vergoeding zoals dat gold op de dag voor plaatsing.

Lid 3

Indien de regeling op grond waarvan de vergoeding of toe(s)lagen werd (en) toegekend een eigen afbouwregeling heeft, wordt die regeling toegepast.

Artikel 16 Persoonsgebonden toelagen

De ambtenaar die wordt overgeplaatst naar een andere functie binnen de gemeentelijke organisatie, behoudt recht op zijn persoonsgebonden toelagen.

Artikel 17 Studiefaciliteiten

Lid 1

Toegekende rechten op grond van de studiefaciliteitenregeling (hoofdstuk 15 AGN, bijlage 5 ) blijven gehandhaafd, indien de studie wordt voortgezet.

Lid 2

Indien de ambtenaar besluit te stoppen met zijn studie, wordt hij ontheven van terugbetalingsverplichtingen die voortvloeien uit de studiefaciliteitenregeling. Deze ontheffing is alleen mogelijk als voltooiing van de studie geen vereiste is voor uitoefening van de nieuwe functie en hierover afspraken zijn gemaakt met de leidinggevende.

Artikel 18 Aanvullende scholing

De werkgever onderzoekt of het nodig is de ambtenaar, die is overgeplaatst naar een passende functie binnen de gemeentelijke organisatie, bij of om te scholen voor het vervullen van zijn nieuwe functie. De kosten van dergelijke scholing zijn voor rekening van de gemeente.

Artikel 19 Bevoegdheden

Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd nadere regels ter uitvoering van het Sociaal Statuut vast te stellen, met instemming van de Commissie voor Georganiseerd Overleg.

Artikel 20 Hardheidsclausule

In geval toepassing van het sociaal statuut leidt tot een onbillijke situatie of in geval waarin het sociaal statuut niet voorziet, beslist het college van B en W.

Artikel 21 Werkingsduur

Dit Sociaal Statuut treedt in werking met ingang van 1 januari 2010 en loopt tot 1 januari 2012.Tenminste een half jaar voor afloop wordt in de commissie voor Georganiseerd Overleg een voorstel besproken voor een nieuw statuut.Zolang geen nieuw Statuut is vastgesteld, blijven de bepalingen van dit Statuut van kracht, met uitzondering van artikel 2a en 2b.Alle op 1 januari 2010 reeds lopende reorganisaties vallen onder de werking van het oude sociaal statuut.

Artikel 22 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als 'Sociaal Statuut Gemeente Nijmegen 2010 - 2012 interne reorganisatiewijzigingen'.Aldus overeengekomen in het GO van 17 maart 2010 en vastgesteld in het college d.d.

Definitie

Onder privatisering wordt in deze leidraad verstaan: Het overdragen van de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de taken van een dienstonderdeel of een gedeelte daarvan aan een andere rechtspersoon. Hierbij gaan de betrokken personeelsleden een dienstverhouding aan met deze rechtspersoon als gevolg waarvan de daar geldende c.q. te ontwikkelen arbeidsvoorwaarden op deze nieuwe dienstverhouding van toepassing worden.

Bij privatisering worden drie hoofdvormen onderscheiden:

  • 1

    het volledig overdragen (afstoten) van overheidstaken aan het bedrijfsleven;

  • 2

    het uitbesteden van taken waarbij de overheid als opdrachtgever wel verantwoordelijk blijft voor de wijze waarop deze taken worden uitgevoerd;

  • 3

    het verzelfstandigen van overheidsdiensten of bedrijven door het overdragen van taken aan juridisch verzelfstandigde organisaties (N.V.'s, stichtingen e.d.) die intern door de overheid beheerst worden.

Fasering

Fase 1 VOORONDERZOEK PRIVATISERING

(het besluit een onderzoek in te stellen naar de wenselijkheid van privatisering) Deze onderzoeksfase omvat de volgende punten:

  • -

    melding van bevoegd gezag aan betrokken medewerkers OR en GO inzake het voornemen tot onderzoek naar privatisering en eventuele alternatieven; deze melding bevat tevens de doelstelling, uitgangspunten en randvoorwaarden van het onderzoek;

  • -

    bepalen, door het bevoegd gezag, of het onderzoek in- of extern wordt verricht; bij de keuze voor een extern onderzoek heeft het GO en/of de OR adviesrecht over het in te schakelen extern adviesbureau;

  • -

    bewaken in het GO dat het betrokken personeel een wenselijke bijdrage kan leveren aan het onderzoek;

  • -

    afspreken hoe voldoende schriftelijke en mondelinge informatie aan het personeel gedurende het hele proces kan worden gegeven.

Fase 2 PRIVATISERINGSONDERZOEK

2a.

  • -

    samenstellen begeleidingsgroep; het aangeven van de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de uitvoering van het onderzoeksproces;

  • -

    concreet aangeven op welke momenten en hoe de OR alsmede de betrokken medewerkers in het proces worden betrokken alsmede mogelijke deelname in werkgroepen. Instellen van een hulpstructuur daar waar geen OR aanwezig is;

  • -

    het uitvoeren van het privatiseringsonderzoek;

  • -

    het aangeven op hoofdlijnen, van effecten op bestuurlijk, organisatorisch, juridisch, financieel en sociaal en personeel gebied;

  • -

    formuleren van oplossingen en oplossingsrichtingen;

  • -

    het kiezen van de oplossingsrichting.

2b.

  • -

    uitwerking van effekten op bestuurlijk, organisatorisch, juridisch, financieel en sociaal gebied;

  • -

    het voeren van overleg met mogelijke nieuwe werkgever(s), vakorganisaties en personeelsvertegenwoordiging over het op te stellen Sociaal Plan, op basis van het door de raad vastgestelde Sociaal Statuut Privatisering;

  • -

    opstellen van een sociaal plan waarin opgenomen: pakketvergelijking, garantie- en overgangsregelingen, formatieplan en plaatsingsprocedure;

  • -

    presenteren van het (privatiserings)plan met toetsing aan oorspronkelijke doelstellingen;

  • -

    informatievoorziening personeel.

Fase 3 BESLUITVORMING TOT PRIVATISERING

  • -

    nemen van een principe beslissing door het bevoegd gezag inzake de privatisering;

  • -

    nemen van een beslissing over de wijze waarop aan de gevolgen van de privatisering gestalte gegeven wordt, inclusief het Sociaal Plan, zulks met instemming van het GO;

  • -

    nemen van een definitieve beslissing door het bevoegd gezag inzake de privatisering.

Fase 4 UITVOERING VAN DE PRIVATISERING

  • -

    plan van aanpak met betrekking tot invoering plus een daarbij behorende tijdsplanning;

  • -

    regelen medezeggenschap in overgangsperiode;

  • -

    uitvoering geven aan Sociaal Plan, waaronder:

    • o

      plaatsingsproces

    • o

      opstellen personeelsplan waarbij de consequenties op individueel niveau zijn uitgewerkt

    • o

      aanbieden individuele arbeidsovereenkomsten en het aanzeggen van ontslag.

Fase 5 EVALUATIE

  • -

    na een periode van 1 tot 2 jaar wordt door het bevoegd gezag een evaluatierapport opgesteld, waarin de relatie zichtbaar gemaakt wordt tussen de oorspronkelijke te verwachten doelen en de realisatie;

  • -

    met het GO wordt over de uitkomsten van dit rapport door het bevoegd gezag overleg gevoerd.

Opm. : Het afsluiten van een fase en de start van een volgende fase wordt aan het GO gemeld.

Artikel 1 Algemeen

Lid 1

Bij elk proces van privatisering wordt een Sociaal Plan opgesteld. Hieronder wordt verstaan een reglement waarin zowel het College van B&W van de gemeente Nijmegen als de direktie van de nieuwe werkgever en de organisaties van overheidspersoneel vertegenwoordigd in de Commissie voor Georganiseerd Overleg, t.b.v. de ambtenaren afspraken vastleggen over wederzijdse rechten en plichten bij de privatisering en de personele aspekten daarvan.

Lid 2

Het Sociaal Plan heeft een in overleg tussen onder 1 genoemde partijen te bepalen maximale looptijd. Evenwel kan ten aanzien van sommige bepalingen, in verband met door de ambtenaar opgebouwde rechten c.q. bestaande vooruitzichten, een afwijkende werkingsduur worden overeengekomen.

Lid 3

Bij het Sociaal Plan hoort een bijlage met de namen van de personeelsleden, die in het kader van de privatisering overgaan naar de nieuwe werkgever.

Lid 4

Met uitzondering van het bepaalde in het tweede lid van artikel 3 kunnen aan de bepalingen uit de leidraad bij Organisatieveranderingen door individuele personeelsleden geen rechten worden ontleend.

Artikel 2 Begripsbepalingen

Lid 1

In deze leidraad wordt verstaan onder:

  • a

    AGN: De Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen.

  • b

    Arbeidsvoorwaarden: De regelingen, bepalingen en voorschriften als vastgelgd in de AGN, respektievelijk de bij de nieuwe werkgever geldende regelingen.

  • c

    Ambtenaar:

    • -

      De ambtenaar in de zin van de AGN met uitzondering van diegene die is aangesteld op grond van artikel 2:4, tweede lid sub a, b en c;

    • -

      De werknemer met wie een arbeidsovereenkomst is aangegaan op grond van artikel 2:5, eerste lid sub d van de AGN.

  • d

    De gemeente: Het college.

  • e

    Funktie: Het geheel van werkzaamheden dat door de ambtenaar wordt verricht.

  • f

    Gelijke funktie: Een funktie bij de nieuwe werkgever die geheel, of nagenoeg geheel overeenkomt met de funktie die de ambtenaar vervulde vóór de privatiseringsdatum.

  • g

    Passende funktie: Een funktie van maximaal één werk- en denknivo lager waarbij rekening wordt gehouden met de persoonlijke omstandigheden en vooruitzichten van de ambtenaar. In het Sociaal Plan wordt nader aangegeven wat onder persoonlijke omstandigheden en vooruitzichten dient te worden volstaan.

  • h

    Geschikte funktie: Een funktie die niet valt onder het begrip "passend", maar die de ambtenaar wordt aangeboden, en die de ambtenaar bereid is te gaan vervullen.

  • i

    Salaris: Het voor de ambtenaar geldende bedrag van de schaal als bedoeld in artikel 3:1 tweede lid van de AGN, vermeerderd met een eventuele toeslag voor inconveninten of indien voor de betrekking een vast bedrag geldt, dit bedrag, respektievelijk het bedrag van de schaal volgens de bij de nieuwe werkgever van toepassing zijnde salarisregeling.

  • j

    Bestaande vooruitzichten: Aanspraken op basis van gemeentelijke regelingen waarvan op de privatiseringsdatum reeds vaststaat c.q. is vastgelegd dat de individuele ambtenaar daar op enig moment recht op kan doen gelden.

  • k

    Netto-nettogarantie: De afspraak dat de som van salaris en vakantietoelage bij privatisering zodanig zal worden vastgesteld - eventueel in de vorm van een toelage - dat het netto ambtelijk salaris alsmede de vakantietoelage zoals dat gold op de laatste dag van het dienstverband met de gemeente wordt gegarandeerd.

  • l

    Toelagen: Toelagen, niet zijnde persoonlijke of garantietoelagen, waarmee het salaris ingevolge de bezoldigingsregeling als bedoeld in de AGN wordt vermeerderd.

  • m

    Salarisaanspraken: De opeenvolgende salarisnummers van de schaal waarin de ambtenaar op het moment van privatisering is ingedeeld, of waarop in zijn funktie uitzicht bestaat, vermeerderd met een eventuele toeslag voor inconveniënten.

  • n

    Nieuwe werkgever: De rechtspersoon waaraan de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de taken van een gemeentelijke dienst of gedeelte daarvan wordt overgedragen.

  • o

    Adviescommissie Sociaal Plan: De commissie, als bedoeld in artikel 7, die partijen adviseert over geschillen die zijn gerezen m.b.t. de toepassing van bepalingen in het Sociaal Plan.

  • p

    Privatisering: Het overdragen van de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de taken van een dienstonderdeel of een gedeelte daarvan aan een andere rechtspersoon. Hierbij gaan de betrokken personeelsleden een dienstverhouding aan met deze rechtspersoon als gevolg waarvan de daar geldende, c.q. te ontwikkelen arbeidsvoorwaarden op deze nieuwe dienstverhouding van toepassing worden.

  • q

    Privatiseringsdatum: De door de gemeente en de nieuwe werkgever vastgestelde datum waarop de privatisering wordt geëffectueerd.

  • r

    Personeelsplan: Een overzicht waarin voor elke ambtenaar de rechtspositionele gevolgen van de in het Sociaal Plan gemaakte afspraken zijn opgenomen.

Lid 2

In het Sociaal Plan is afwijking van bovenstaande begripsbepalingen alleen toegestaan in voor de ambtenaar positieve zin.

Artikel 3 Werkgelegenheid

Lid 1

Het overleg tussen de gemeente en de nieuwe werkgever is gericht op behoud van werkgelegenheid van de bij het proces van privatisering betrokken ambtenaren.In principe zal aan elke ambtenaar, of in ieder geval aan zoveel mogelijk ambtenaren, een gelijke, danwel indien dat niet mogelijk is, een passende funktie worden aangeboden. Mocht er geen gelijke of passende funktie beschikbaar zijn, dan kan de ambtenaar in aanmerking komen voor een geschikte funktie.

Lid 2

Indien voor een ambtenaar overgang naar de nieuwe werkgever niet mogelijk is, zal hij worden aangemerkt als herschikkingskandidaat voor een funktie in de gemeentelijke organisatie. De regels m.b.t. het herschikkings- en plaatsingsbeleid zoals opgenomen in de Leidraad bij Organisatieveranderingen zijn van overeenkomstige toepassing evenals het op dat moment geldende gemeentelijke beleid ter bevordering van de mobiliteit (flankerend beleid).

Lid 3

Met de nieuwe werkgever wordt een afspraak gemaakt met betrekking tot de termijn gedurende welke een voormalig ambtenaar niet als gevolg van reorganisatie of het opheffen van zijn functie mag worden ontslagen, anders dan wegens faillissement of beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming. Deze termijn zal minimaal op 3 jaar worden bepaald.

Lid 4

In geval van reorganisatie of het opheffen van de functie van de ambtenaar, anders dan wegens faillisement of beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming, binnen de hierboven bedoelde termijn, rust op de nieuwe werkgever de plicht de mogelijkheid tot plaatsing in een andere passende functie na te gaan en zonodig faciliteiten te verlenen in verband met her- of bijscholing.

Lid 5

Indien binnen de in het derde lid genoemde termijn naar het oordeel van de gemeente, de Adviescommissie Sociaal Plan gehoord, blijkt, dat de functie die de ambtenaar met ingang van de privatiseringsdatum bij de nieuwe werkgever is gaan vervullen niet passend is, kan, onverminderd het bepaalde in het voorgaande lid, door de nieuwe werkgever ontslag worden verleend. De ambtenaar heeft in dat geval met ingang van de datum van ontslag aanspraak op een uitkering ten laste van de gemeente overeenkomstig de bepalingen van de hoofdstukken 10 of 11 van de AGN als ware op de datum van de privatisering ontslag uit gemeentedienst verleend.

Lid 6

Indien binnen de in het derde lid genoemde termijn blijkt dat de functie die de ambtenaar met ingang van de privatiseringsdatum bij de nieuwe werkgever is gaan vervullen niet geschikt is, kan, onverminderd het bepaalde in het vierde lid van dit artikel, door de nieuwe werkgever ontslag worden verleend. In dat geval is het bepaalde in de laatste volzin van het voorgaande lid van overeenkomstige toepassing.

Lid 7

Bij faillissement of beëindiging van de werkzaamheden bij de nieuwe werkgever gedurende de op grond van het in het derde lid overeengekomen termijn verplicht de gemeente zich ertoe een voormalig ambtenaar desgewenst opnieuw in dienst te nemen voor minimaal het nog niet verstreken gedeelte van die termijn. Op de ambtenaar is dan het bepaalde in lid 2 van dit artikel van toepassing. Indien na afloop van bedoelde termijn ontslag wordt verleend omdat geen passende functie beschikbaar is vindt het bepaalde in artikel 10:3, derde lid, sub b dan wel artikel 11:3, derde lid, sub b van de AGN geen toepassing. Tevens vindt het bepaalde in de artikelen 10:3, derde lid, sub a en 11:3, derde lid, sub a van de AGN geen toepassing voor zover dit de onderbreking betreft, veroorzaakt door het ontslag als gevolg van privatisering.

Lid 8

Ambtenaren die in het kader van de privatisering zijn overgegaan, worden bij sollicitatie naar een functie bij de gemeente tot twee jaar na de privatiseringsdatum aangemerkt als interne sollicitant.

Artikel 4 Rechtspositie

Lid 1

De gemeente stelt een inventarisatie op, minimaal op hoofdlijnen, met de overeenkomsten en verschillen van de arbeidsvoorwaarden, zoals deze bij de gemeente en de nieuwe werkgever gelden.

Lid 2

Een verslechtering, op essentiële punten, van de arbeidsvoorwaarden en rechtspositie dient zoveel mogelijk te worden voorkomen. Met de nieuwe werkgever worden afspraken gemaakt m.b.t. zodanige maatregelen dat gelijkwaardigheid - per saldo - wordt gewaarborgd. Tevens worden daarbij afspraken gemaakt door wie de daarmee samenhangende a-structurele en structurele kosten worden gedragen.

Lid 3

Bepalingen inzake terugbetalingsverplichtingen bij ontslag worden niet toegepast.

Lid 4

De nieuwe werkgever verplicht zich ertoe, wanneer zulks ontbreekt, voor de betrokken ambtenaren per de privatiseringsdatum een pensioenregeling te treffen die qua lasten en voorzieningen geen nadelige consequenties heeft. Pensioenbreuk mag niet plaatsvinden. Wanneer de bestaande pensioenregeling qua lasten en/of voorzieningen nadelige consequenties heeft, dient hiervoor een volledige vaste of eenmalige compensatieregeling (afkoop) getroffen te worden.

Lid 5

Onverlet het bepaalde in het voorgaande lid wordt de bij de gemeente vastgestelde diensttijd die geldt voor de opbouw van rechten door de nieuwe werkgever overgenomen, tenzij een andere - gelijkwaardige - voorziening wordt getroffen.

Artikel 5 Indiensttreding

Lid 1

Ambtenaren die bij de nieuwe werkgever in dienst treden krijgen een dienstverband aangeboden dat gelijk is aan het dienstverband dat zij hebben bij de gemeente. Dit betekent bijvoorbeeld dat een vaste aanstelling wordt omgezet in een arbeidscontract voor onbepaalde tijd.  

Lid 2

Indiensttreding geschiedt zonder nadere selectie, psychologische keuring of proeftijd. Behoudens het bepaalde in de volgende leden, zal geen medische keuring plaatsvinden.

Lid 3

Ingeval van ziekte op de datum van overgang, die van dien aard is dat in redelijkheid mag worden aangenomen dat sprake zal zijn van een gehele of gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid, zal de desbetreffende ambtenaar voor de duur van de ziekte, doch maximaal tot aan het moment waarop ontslag op grond van artikel 8:5 van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen kan worden verleend, worden gedetacheerd bij de nieuwe werkgever. In deze detacheringsperiode dient in overleg met de nieuwe werkgever, de gemeente en de ambtenaar een schriftelijke afspraak te worden gemaakt over wat er na die periode dient te geschieden. Aandacht wordt daarbij besteed aan de vraag op wie een eventuele plicht tot herplaatsing rust en op wie de kosten worden verhaald van een suppletie als bedoeld in hoofdstuk 11a van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen. Op het moment van overgang naar de nieuwe werkgever is het Sociaal Plan van kracht.

Lid 4

Indien een medische keuring voor een aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering verplicht is, heeft de uitslag daarvan geen invloed op de indiensttreding bij de nieuwe werkgever. Het risico van gehele of gedeeltelijke invaliditeit wordt voor rekening van de nieuwe werkgever gedekt, tot het nivo van de financiële aanspraken ingevolge de aanvullende arbeidsongeschiktheidsverzekering.

Artikel 6 Inpassing, salaris, salarisaanspraken en toelagen

Lid 1

In het Sociaal Plan worden afspraken vastgelegd over de hoogte van het salaris dat bij de nieuwe werkgever zal worden genoten. Daarbij geldt als uitgangspunt de netto-nettogarantie, waarbij indien mogelijk ook de bestaande vooruitzichten worden gegarandeerd.

Lid 2

Indien de netto-nettogarantie niet kan worden gegeven, geschiedt de inpassing in ieder geval op een zodanig salaris dat het netto-salaris hoger is dan het nettobedrag berekend tegen 73% van het salaris dat op de laatste dag van het dienstverband met de gemeente werd genoten.

Lid 3

In de gevallen bedoeld in het voorgaande lid heeft de ambtenaar gedurende een bepaalde periode recht op een aanvulling, en wel zodanig dat de som van netto-salaris en netto-aanvulling gelijk is aan het netto-salaris zoals dat op de privatiseringsdatum bij de gemeente gold, c.q. zou gaan gelden. De periode gedurende welke de aanvulling wordt genoten is gelijk aan de periode gedurende welke recht op wachtgeld of uitkering ten laste van de gemeente bestaat i.v.m. reorganisatie-ontslag op de datum van privatisering, en minimaal gelijk aan een termijn van vier jaren. Bij de vaststelling van bovenbedoelde periode wordt het bepaalde in de artikelen 10:8, vierde lid en 11:8, vierde lid van de AGN buiten beschouwing gelaten.

Lid 4

Salarisverhogingen van algemene aard bij de nieuwe werkgever worden niet gekort op de hoogte van de aanvulling.

Lid 5

De eventuele toelagen, worden afgebouwd volgens de voor betreffende toelage vastgestelde of vast te stellen regels.

Lid 6

Indien de ambtenaar in zijn nieuwe functie geen aanspraak meer kan maken op bepaalde (onkosten-) vergoedingen dient hem een aflopende toelage te worden toegekend, volgens nader overeen te komen regels. Tevens dienen afspraken te worden gemaakt over bestaande aanspraken in het kader van de toekenning van bepaalde faciliteiten (b.v. toepassing van de studiefaciliteitenregeling).

Lid 7

Zolang de privatisering nog slechts in voorbereiding is behoudt de ambtenaar niet alleen de aanspraak op zijn salaris met eventuele bijkomende emolumenten, maar ook zijn aan de funktie verbonden directe vooruitzichten. Evenmin kunnen periodieke verhogingen de normaal en/of goed functionerende ambtenaar worden onthouden.

Artikel 7 Adviescommissie Sociaal Plan

Lid 1

Ten behoeve van de geschillen die voortvloeien uit de toepassing van de regelen in het Sociaal Plan, alsmede in verband met een noodzakelijk advies als bedoeld in artikel 3, vijfde lid, is er een Adviescommissie Sociaal Plan.

Lid 2

Deze commissie is paritair samengesteld en bestaat uit vijf leden:

  • a

    een lid aan te wijzen door de gemeente niet zijnde de gemeentesecretaris of een bestuurder van de gemeente;

  • b

    twee leden aan te wijzen door de in het GO vertegenwoordigde vakorganisaties, niet zijnde een adviseur van de plaatselijke GO-leden, en niet zijnde een ambtenaar van de gemeente;

  • c

    een lid aan te wijzen door de direktie van de nieuwe werkgever;

  • d

    een door de leden onder a, b en c aan te wijzen onafhankelijke voorzitter.

Lid 3

De Adviescommissie brengt -afhankelijk van de verantwoordelijkheid voor de te nemen beslissing- hetzij aan de gemeente, hetzij aan de nieuwe werkgever, hetzij aan beiden, een gemotiveerd advies uit binnen dertig dagen nadat haar het geschil is voorgelegd, c.q. om advies is gevraagd.

Lid 4

De Adviescommissie kan adviseurs c.q. deskundigen raadplegen.

Lid 5

De Adviescommissie heeft inzage in naar haar mening alle relevante bescheiden.

Lid 6

De gemeente draagt in overleg met de Adviescommissie zorg voor de vervulling van het secretariaat van de commissie.

Lid 7

De Adviescommissie stelt haar adviezen vast bij meerderheid van stemmen. Een unaniem advies is bindend.

Lid 8

De vergaderingen van de Adviescommissie zijn besloten.

Lid 9

Partijen ontvangen een afschrift van het advies.

Lid 10

De verantwoordelijke partij beslist binnen 10 weken na de datum waarop het geschil aan de Commissie werd voorgelegd. Deze beslissing kan ten hoogste voor een termijn van 4 weken worden verdaagd. Daarvan wordt schriftelijk en met redenen omkleed mededeling gedaan. Bij de beslissing wordt mededeling gedaan van de verdere rechtsgang.

Lid 11

Het bepaalde in dit artikel laat onverlet de mogelijkheid om tegen een door de gemeente genomen ontslagbesluit bezwaar aan te tekenen bij de gemeentelijke bezwarencommissie rechtspositie.

Artikel 8 Planmatige uitwerking

Lid 1

Ten behoeve van de verdere uitwerking van de bepalingen in het Sociaal Plan stelt de nieuwe werkgever een personeelsplan op, in overleg met de gemeente.

Lid 2

Indien daarbij blijkt van gevallen waarin het Sociaal Plan niet, of niet in redelijkheid voorziet, kan een aanvullende regeling worden getroffen. Eventueel daaruit voortvloeiende geschillen worden voorgelegd aan de Adviescommissie Sociaal Plan als bedoeld in artikel 7.

Lid 3

De gemeente is verantwoordelijk voor de opstelling van een uitvoeringsplan met betrekking tot onder andere voorlichting, informatie en tijdsplanning.

Artikel 9 Planmatige uitwerking

In het Sociaal Plan worden verder afspraken vastgelegd met betrekking tot in ieder geval:

  • a

    tijdige en gelijktijdige mededeling over aard en inhoud van de nieuwe functie en werkzaamheden, inclusief gelijktijdige toezending van een concept-arbeidsovereenkomst en een voorlopig besluit inzake ontslag uit gemeentedienst;

  • b

    de wijze waarop en bij wie bezwaar kan worden aangetekend;

  • c

    introductie bij de nieuwe werkgever;

  • d

    om-, her-, of bijscholing.

Artikel 10 De oudere ambtenaar

Lid 1

Ambtenaren die op de datum van privatisering 50 jaar of ouder zijn, dienen met bijzondere zorg tegemoet getreden te worden.

Lid 2

Op de ambtenaar die op de privatiseringsdatum 55 jaar of ouder is, berust niet de verplichting een passende functie bij de nieuwe werkgever te aanvaarden. Hij komt in dat geval in aanmerking voor een regeling als bedoeld in artikel 3 tweede lid.

Lid 3

Ten aanzien van oudere ambtenaren die als gevolg van het tijdstip van indiensttreding bij de nieuwe werkgever toekomstige aanspraken op een VUT-voorziening dreigen te verliezen, c.q. aanspraken krijgen op een VUT-voorziening die slechter is dan de voor hen bij de gemeente geldende regeling, dienen aanvullende maatregelen te worden getroffen.

Artikel 11 Informatie

Lid 1

De gemeente is verantwoordelijk voor het zo tijdig mogelijk en volledig mogelijk informeren van alle, bij de privatisering betrokken ambtenaren.

Lid 2

De ten aanzien van een ambtenaar ter uitvoering van het Sociaal Plan genomen beslissingen zullen in een duidelijk voor beroep vatbare vorm aan de ambtenaar worden toegezonden.

Artikel 12 Reikwijdte

Lid 1

Indien bij het te privatiseren organisatie-onderdeel personeel werkzaam is met een arbeidsovereenkomst op basis van artikel 2:5, eerste lid sub a t/m c en e van de AGN, danwel middels een tijdelijke aanstelling op grond van artikel 2:4, tweede lid, sub a, b en c van de AGN dient de positie van dat personeel in het Sociaal Plan te worden geregeld.

Lid 2

Bij de regeling als boven bedoeld zal voor zover mogelijk en redelijk, uitgegaan worden van hetgeen ten aanzien van ambtenaren in het Sociaal Plan wordt bepaald.

Lid 3

Ook aan de positie van werknemers, niet zijnde ambtenaar of personeel als bedoeld in het eerste lid van dit artikel, dient in voldoende mate aandacht te worden besteed.

Artikel 13 Hardheidsclausule

Voor gevallen waarin het Sociaal Statuut niet, of niet in redelijkheid voorziet, wordt een aanvullende regeling getroffen.

Artikel 14 Slotbepalingen

Lid 1

Iedere ambtenaar, die betrokken is bij het privatiseringsproces ontvangt een exemplaar van de Leidraad bij Privatisering, het Sociaal Plan, en de bij de nieuwe werkgever van toepassing zijnde arbeidsvoorwaardenregeling.

Lid 2

Deze regeling treedt in werking met ingang van 30-03-1994 en kan worden aangehaald als de "Leidraad bij Privatisering".

Artikel 4

Lid 1

De vergelijking bevat in ieder geval de volgende elementen: salarissystematiek en - inschaling, functiewaarderingssysteem, pensioenvoorziening, VUT-regeling, uitkeringsregelingen bij onvrijwillig ontslag, FLO, voorziening ter vergoeding ziektekosten, vaste en variabele vergoedingen en toelagen, arbeidsduur, (buitengewoon) verlofregelingen, ATV, ouderschapsverlof, kinderopvang, studiefaciliteiten ,gratificaties en medezeggenschap.

9 Uitkering functioneel leeftijdsontslag

Artikel 9:1 Ontslag wegens FLO

Aan de ambtenaar aan wie ontslag wordt verleend op grond van het bepaalde in artikel 8:3, zoals bedoeld in artikel 9:15, wordt met ingang van de datum van het ontslag ten laste van de gemeente een maandelijkse uitkering toegekend.

Artikel 9:1:1 Ontslag wegens FLO

Onder gewezen ambtenaar wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk verstaan de ambtenaar die aan zijn ontslag aanspraak kan ontlenen op een uitkering volgens de bepalingen van dit hoofdstuk.

Artikel 9:1:2 Ontslag wegens FLO
  • 1 De in artikel 8:3:1, eerste lid bedoeld in artikel 9:15:1, bedoelde datum van ingang van ontslag kan op verzoek van de ambtenaar, dan wel ingeval deze desgevraagd daarmee instemt voor de duur van ten hoogste een jaar, telkens met een periode van ten hoogste een jaar te verlengen, worden opgeschort, indien dit door het bestuursorgaan, bevoegd tot het verlenen van ontslag, in het belang van de dienst wordt geacht en de ambtenaar, blijkens de uitslag van een geneeskundig onderzoek, geestelijk en lichamelijk in staat kan worden geacht zijn betrekking te blijven vervullen.

  • 2 Indien de ambtenaar voor wie toepassing is gegeven aan het bepaalde in het eerste lid, blijkens de uitslag van een geneeskundig onderzoek tussentijds ongeschikt is geworden voor de verdere vervulling van zijn betrekking, kan hem ontslag worden verleend met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de uitslag van het geneeskundig onderzoek te zijner kennis is gebracht.

Artikel 9:2 Bedrag en duur
  • 1 De uitkering bedraagt gedurende 60 maanden aansluitend aan het ontslag 80% van de laatstelijk voor het ontslag van de ambtenaar aan diens betrekking verbonden bezoldiging vermeerderd met zoveel doch ten hoogste 10 malen 0,5% van die bezoldiging als het totaal aantal volle dienstjaren geldig voor pensioen krachtens het pensioenreglement op de dag van het ontslag meer dan 30 bedraagt. Vervolgens bedraagt de uitkering 70% van bedoelde bezoldiging, met dien verstande dat het bedrag van de uitkering niet lager is dan het bedrag van het pensioen waarop de gewezen ambtenaar recht zou hebben indien hij zou zijn gepensioneerd met ingang van de datum van zijn ontslag en in aanmerking zou zijn genomen de diensttijd bedoeld in artikel 5.4 van het pensioenreglement, welke hij bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar zal kunnen aanwijzen.

  • 2 Onder laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking verbonden bezoldiging wordt voor de toepassing van deze regeling verstaan de bezoldiging als bedoeld in artikel 3:1, vermeerderd met de vakantie-uitkering, bedoeld in artikel 6:3, berekend over een maand, en de eindejaarsuitkering bedoeld in artikel 3:6, met dien verstande dat de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 en de prestatiebeloning slechts geacht worden te behoren tot de bezoldiging tot een bedrag dat overeenkomt met hetgeen in de twaalf maanden voorafgaande aan het ontslag gemiddeld per maand aan die vergoeding of beloning aan de gewezen ambtenaar is toegekend.

  • 3 Indien in de laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking verbonden bezoldiging uit anderen hoofde dan wegens periodieke verhogingen wijziging zou zijn gekomen wanneer de gewezen ambtenaar op deze bezoldiging in dienst zou zijn gebleven, geldt van de datum van in werking treden dier wijziging af het aldus gewijzigde bedrag als laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking verbonden bezoldiging.

  • 4 De hoogte van de uitkering wordt actuarieel neutraal herrekend indien de ambtenaar na 1 januari 2006 gebruik maakt van de mogelijkheid van artikel 9:1:2, eerste lid om de ingang van het ontslag uit te stellen. Overschrijdt de uitkering de oude bezoldiging dan wordt het meerdere omgezet in ouderdoms- en nabestaandenpensioen.

Artikel 9:3 Bijdrage Vereveningsfonds FLO sector Gemeenten
  • 1 In dit artikel wordt verstaan onder:

    • a

      Vereveningsfonds: het Vereveningsfonds FLO sector Gemeenten;

    • b

      Vereveningsregeling: de tijdelijke regeling die deel uitmaakt van de LOGA-overeenkomst met betrekking tot de financiering van het functioneel leeftijdsontslag.

  • 2 De gemeenten zijn verplicht de in de Vereveningsregeling bedoelde bijdrage af te dragen aan het Vereveningsfonds voor alle bij hun in dienst zijnde personen voor wie premie ten behoeve van de FPU-regeling moet worden afgedragen.

  • 3 De in het tweede lid bedoelde bijdrage wordt voor de helft verhaald op de bij de instellingen in dienst zijnde personen voor wie premie ten behoeve van de FPU-regeling wordt afgedragen.

Artikel 9:4 Samenloop met FPU
  • 1 Indien de datum van ontslag van de ambtenaar van 55 jaar of ouder gelegen is na 1 april 1997, is deze ambtenaar verplicht een uitkering krachtens de FPU-regeling aan te vragen. De uitkering als bedoeld in artikel 9:1 komt niet tot uitbetaling indien de ambtenaar geen toestemming verleent om de uitkering krachtens de FPU-regeling via de werkgever tot uitbetaling te laten komen.

  • 2 Indien de in het eerste lid bedoelde ambtenaar niet of niet tijdig de uitkering krachtens de FPU-regeling aanvraagt, en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt, voor de periode waarin hij dientengevolge voornoemde uitkering niet of niet volledig ontvangt, voor de toepassing van lid 3 van dit artikel rekening gehouden met de uitkering die hij vanaf de ontslagdatum zou hebben genoten, indien hij de voornoemde uitkering wel tijdig zou hebben aangevraagd.

  • 3 De uitkering wordt, indien en voorzover recht daarop bestaat, verminderd met het bedrag van de uitkering krachtens de FPU-regeling, met dien verstande dat buiten beschouwing blijft dat gedeelte van de uitkering krachtens de FPU-regeling dat gebaseerd is op een individuele opbouw krachtens artikel 16.2, 16.3 of 16.4 van het pensioenreglement.

  • 4 Indien als gevolg van handelingen of nalaten van handelingen door de in het tweede lid bedoelde ambtenaar, de uitkering krachtens de FPU-regeling geheel of ten dele vervallen wordt verklaard dan wel geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, wordt deze uitkering voor de toepassing van lid 3 van dit artikel geacht onverminderd te zijn genoten.

Artikel 9:4:1 Verrekening inkomsten uit of in verband met arbeid
  • 1 Wanneer een gewezen ambtenaar, die aan deze regeling recht op uitkering kan ontlenen, inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de datum waarop zijn ontslag is ingegaan, wordt op de uitkering een vermindering toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en de onverminderde uitkering krachtens artikel 9:2 samen de laatstelijk genoten bezoldiging te boven gaan.

  • 2 Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof, vakantie of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem de uitkering krachtens deze regeling is toegekend.

  • 3 Wanneer de gewezen ambtenaar op of na de dag, bedoeld in het eerste lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde vermindering vindt echter niet plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of indien de gewezen ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met het ontslag.

  • 4 Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als gratificatie.

Artikel 9:4:2 Verrekening inkomsten uit of in verband met arbeid
  • 1 Van het ter hand nemen van enige arbeid of bedrijf doet de gewezen ambtenaar onverwijld mededeling aan het college. Daarbij doet hij, voor zover mogelijk, opgave van de inkomsten, die hij uit dien hoofde zal verwerven; hij is verplicht om, indien die inkomsten tijdelijk of blijvend wijziging ondergaan, daarvan tijdig voor het verschijnen van de eerstvolgende uitkeringstermijn nadere opgave te doen. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten die hij sedert het ter hand nemen van de werkzaamheden of sinds de vorige opgave heeft genoten. Brengt echter de aard der werkzaamheden mede dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave over die langere termijn en kan op de uitkering een voorlopige vermindering worden toegepast naar een geraamd bedrag van die inkomsten, onder voorbehoud van nadere verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn. Dit lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel 9:4:1, tweede en derde lid.

  • 2 Indien de gewezen ambtenaar de verplichtingen, genoemd in het eerste lid, niet of niet volledig nakomt, kan het college bepalen dat de uitkering, zolang zulks niet het geval is, niet of slechts gedeeltelijk wordt uitbetaald.

  • 3 De gewezen ambtenaar wordt geacht door het aanvaarden van de uitkering er in te bewilligen dat zij die daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking komen, de inlichtingen verstrekken welke voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijk zijn.

Artikel 9:4:3 Samenloop met aanspraken uit hoofde van ziekte of ongeval

Ten aanzien van hem die aan deze regeling recht op uitkering ontleent en die na zijn ontslag uit hoofde van ziekte of ongeval nog aanspraken in verband met de dienstbetrekking waaruit hij is ontslagen heeft of verkrijgt, wordt de uitkering tot het einde van de periode waarover die aanspraken bestaan, verminderd met het bedrag daarvan.

Artikel 9:5 Pensioenopbouw vanaf 62 jaar
  • 1 Indien de gewezen ambtenaar bij het bereiken van de leeftijd van 62 jaar gebruik maakt van de mogelijkheid die artikel 16.3 van het pensioenreglement biedt tot vrijwillige voortzetting van de pensioenopbouw, worden de kosten van deze vrijwillig voortzetting gedragen door de gemeente voor zover het pensioenopbouw voor de helft betreft, met dien verstande dat per 1 januari 2007 30% van het bedrag van de premie dat door de werkgever afgedragen zou moeten worden, indien de gewezen ambtenaar nog verplicht pensioen zou opbouwen, voor rekening blijft van de gewezen ambtenaar. De kosten van een vrijwillige aanvullende deelname waardoor de pensioenopbouw voor meer dan de helft plaats vindt, komen volledig ten laste van de gewezen ambtenaar.

    De werkgever stelt de ambtenaar in de drie maanden voor zijn ontslag schriftelijk op de hoogte van:

    • a

      de mogelijkheid om ook na het bereiken van de leeftijd van 62 jaar de pensioenopbouw voort te zetten op basis van artikel 16.3 van het pensioenreglement;

    • b

      dat indien de gewezen ambtenaar van de onder a weergegeven mogelijkheid gebruik maakt om voor de helft pensioen te blijven opbouwen dit niet leidt tot extra kosten in vergelijking tot de situatie zoals die gold voor de gewezen ambtenaar voordat hij de leeftijd van 62 jaar bereikte als gevolg van de toepasselijkheid van artikel 9:5 lid 1;

    • c

      de termijn waarbinnen een schriftelijk verzoek van de gewezen ambtenaar om gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 16.3 van het pensioenreglement bieden, ingediend moet zijn bij het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP;

    • d

      de mogelijkheid dat de gewezen ambtenaar op zijn verzoek bij de indiening van de aanvraag wordt ondersteund door de werkgever.

  • 2 De aanschrijving bedoeld in het eerste lid wordt herhaald in de drie maanden voor de dag dat de ambtenaar de leeftijd van 62 jaar bereikt.

Artikel 9:6:1 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 9:7:1 Verval van uitkering
  • 1 De uitkering vervalt:

    • a

      met ingang van de dag, volgende op die waarop de gewezen ambtenaar is overleden;

    • b

      op de datum waarop de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65 jaren bereikt.

  • 2 De uitkering kan geheel of ten delen vervallen worden verklaard indien de gewezen ambtenaar zich naar het oordeel van het college zodanig gedraagt, dat hij, ware hij in dienst gebleven, zou zijn ontslagen.

Artikel 9:8:1 Overlijdensuitkering
  • 1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de gewezen ambtenaar heeft de weduwe, weduwnaar of geregistreerde partner die krachtens het pensioenreglement recht heeft op een nabestaandenpensioen, recht op een bedrag gelijk aan de bezoldiging bedoeld in artikel 9:2 over een tijdvak van drie maanden welk bedrag in voorkomend geval wordt verminderd met de uitkering bij overlijden krachtens de FPU-regeling. Wordt geen weduwe, weduwnaar of geregistreerde partner als bedoeld in de vorige volzin nagelaten, dan verkrijgen de minderjarige kinderen van de overledene recht op bedoelde uitkering. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan hebben, indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broers of zusters, deze betrekkingen recht op bedoelde uitkering.

  • 2 Laat de overledene geen betrekkingen na die krachtens het eerste lid recht hebben op de uitkeringen als in dat lid bedoeld, dan kan dit bedrag door het college geheel of ten dele worden aangewend voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging.

Artikel 9:9:1 FLO-betrekkingen en leeftijdsgrenzen

In een nader vast te stellen regeling wordt bepaald welke leeftijdsgrenzen gelden voor de vervulling van de daarbij vermelde betrekkingen.

Artikel 9.9.1.1 Leeftijdsgrenzen betrekkingen

Besluit van de raad d.d. 18 oktober 1995, laatstelijk gewijzigd 10 juli 1996.

Voor de hiernavolgende betrekkingen worden leeftijdsgrenzen gesteld:

  • a

    de leeftijdsgrens van 55 jaar voor de betrekking van lid van de vaste kern van de Brandweer, belast met repressieve brandbestrijding en hulpverlening;

  • b

    de leeftijdsgrens van 60 jaar voor de betrekking van commandant van de Brandweer.

Artikel 9:10:1 Ingangsdatum ontslag wegens FLO

Indien een ambtenaar die een betrekking vervult als in artikel 9:9:1 genoemd op het tijdstip van inwerkingtreding van deze regeling de leeftijdsgrens als genoemd in dat artikel reeds heeft bereikt, wordt hem eervol ontslag verleend met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin deze regeling in werking treedt, tenzij overeenkomstige toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9:1:2, eerste lid.

Artikel 9:11 Tijdelijke regeling

Vervallen

Artikel 9:12 Tijdelijke regeling

De ambtenaar die op 1 januari 2006 of daarna FLO-ontslag wordt verleend en die recht heeft op een uitkering op grond van dit hoofdstuk, heeft totdat het FLO-overgangsrecht is vastgesteld recht op een maandelijkse uitkering waarvan het bedrag berekend wordt op basis van de bepalingen van dit hoofdstuk.

Artikel 9:13 Slotbepaling

Ambtenaren aan wie op of na 1 januari 2006 FLO-ontslag is verleend en die op grond van artikel 9:12 een maandelijkse uitkering hebben ontvangen, worden met ingang van 1 juli 2006 geacht te zijn ontslagen op grond van artikel 8:11 en worden onder de werking van hoofdstuk 9b gebracht.

Artikel 9:14 Slotbepaling

Met ingang van 1 juli 2006 kan ambtenaren op grond van dit hoofdstuk geen uitkering meer verleend worden.

Artikel 9:15 Vervallen

Vervallen

Artikel 9:15:1 Vervallen

Vervallen

Artikel 9:16 Vervallen

Vervallen

9a Ambtenaren die vanaf 1 januari 2006 in dienst zijn getreden op een bezwarende functie

Artikel 9a:1 Algemeen

Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die vanaf 1 januari 2006 in dienst is getreden op een bezwarende functie, die op 31 december 2005 recht gaf op functioneel leeftijdsontslag op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005 [Klik hier om het document te downloaden] .

Artikel 9a:2 Definities

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a

    bezwarende functie: een betrekking met een hoge belasting door het frequent draaien van piket of het werken in roosterdiensten en deelname aan daaruit voortvloeiende werkzaamheden in de uitruk met als gevolg een verhoogde kans op gezondheidsklachten;

  • b

    de tweede loopbaan: iedere functie binnen de organisatie van de gemeente of buiten de organisatie van de gemeente die, in het kader van het loopbaanplan, volgt op de bezwarende functie en die past bij de richting zoals afgesproken is in het loopbaanplan.

Artikel 9a:3 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 9a:4 Het loopbaanplan
  • 1 De ambtenaar blijft maximaal 20 jaar werkzaam in een bezwarende functie.

  • 2 De ambtenaar heeft recht op een loopbaanplan, waardoor het de ambtenaar mogelijk is na maximaal 20 jaar gewerkt te hebben in de bezwarende functie een tweede loopbaan te beginnen binnen of buiten de gemeentelijke dienst.

Artikel 9a:5 Het loopbaanplan
  • 1 In afwijking van hoofdstuk 17 gelden voor de ambtenaar de volgende bepalingen.

  • 2 Het college en de ambtenaar leggen in een persoonlijk loopbaanplan de afspraken vast over de loopbaanontwikkeling en de vereiste kennis en vaardigheden, alsmede de in dat kader door de ambtenaar te volgen opleiding en de te ondernemen activiteiten, die nodig zijn om na maximaal 20 jaar gewerkt te hebben in een bezwarende functie een tweede loopbaan te beginnen. Het loopbaanplan omvat in ieder geval die opleidingselementen die nodig zijn om de ambtenaar die bij de brandweer werkzaam is, in 20 jaar op te leiden tot MBO-niveau. Hierbij moet het gaan om opleidingen die extern erkend worden.

  • 3 Het college en de ambtenaar zijn verplicht medewerking te verlenen aan het opstellen, evalueren en bijstellen van het loopbaanplan.

  • 4 Het loopbaanplan wordt in het jaar van indiensttreding opgesteld.

  • 5 Het loopbaanplan wordt ten minste een keer per drie jaar geëvalueerd, geactualiseerd en zonodig bijgesteld.

  • 6 Bij het loopbaanplan wordt rekening gehouden met zowel de belangen van het college als met de belangen van de ambtenaar.

  • 7 In het loopbaanplan worden afspraken vastgelegd met betrekking tot benodigd verlof en eventuele verdere medewerking van het college die de ambtenaar in staat moeten stellen de gemaakte afspraken uit te voeren.

  • 8 De kosten die gemaakt zullen worden in het kader van de in het loopbaanplan opgenomen opleiding en activiteiten worden door het college vergoed.

  • 9 In het loopbaanplan worden, indien mogelijk, ten aanzien van de activiteiten en de opleiding in ieder geval de volgende aspecten vastgelegd:

    • a

      het aanspreekpunt binnen de organisatie;

    • b

      het beroep of de richting die als tweede loopbaan gekozen wordt;

    • c

      de keuze van opleidingsvorm of het instituut, waar de activiteit plaatsvindt;

    • d

      de te maken kosten;

    • e

      de start- en einddatum van de te ondernemen activiteit of de te volgen scholing;

    • f

      de te maken voortgang binnen de activiteit of scholing;

    • g

      de minimaal te behalen resultaten van de activiteit of scholing;

    • h

      de planning van vervolgafspraken;

    • i

      de omstandigheden onder welke een te volgen opleiding of te ondernemen activiteit kan worden onderbroken of gestopt;

    • j

      eventuele andere onderwerpen die van belang zijn voor een goede uitvoering van de gemaakte afspraken.

Artikel 9a:6 Terugbetaling

De ambtenaar die evident misbruik maakt van de loopbaanfaciliteiten die het college biedt, is verplicht de kosten, verband houdende met de activiteiten dan wel opleidingen, die door het college zijn vergoed, terug te betalen.

Artikel 9a:7 Tweede loopbaan binnen / buiten de gemeentelijke dienst
  • 1 Plaatsing van een ambtenaar in  het kader van de tweede loopbaan binnen of buiten de gemeentelijke dienst vindt definitief plaats.

  • 2 Definitieve plaatsing binnen de gemeentelijke dienst vindt plaats door aanpassing van de aanstelling.

  • 3 Definitieve plaatsing buiten de gemeentelijke dienst vindt plaats door ontslag op grond van artikel 8:1 uit de bezwarende functie.

Artikel 9a:8 Disciplinaire straf
  • 1 De ambtenaar die de verplichtingen, zoals neergelegd in het loopbaanplan, niet nakomt, wordt disciplinair gestraft.

  • 2 Wanneer de tweede loopbaan na 20 jaar gewerkt te hebben in de bezwarende functie door schuld of toedoen van de ambtenaar niet begonnen kan worden, wordt de ambtenaar op grond van artikel 8:13 disciplinair ontslag verleend.

Artikel 9a:9 Gevolgen niet starten tweede loopbaan
  • 1 De ambtenaar blijft na 20 jaar in de bezwarende functie werkzaam wanneer:

    • a

      de tweede loopbaan niet begonnen kan worden, omdat het college zijn verplichtingen uit het loopbaanplan niet nakomt;

    • b

      de tweede loopbaan niet begonnen wordt, omdat het college en de ambtenaar daar gezamenlijk toe besluiten.

    Voorwaarde is dat de ambtenaar medisch geschikt is om in de bezwarende functie door te werken.

  • 2 Het loopbaanplan wordt voortgezet tot de tweede loopbaan begonnen wordt.

  • 3 Indien de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid na 20 jaar niet medisch geschikt is om in de bezwarende functie door te werken, geldt de procedure, bedoeld in artikel 9a:10.

Artikel 9a:10 Medisch niet meer geschikt; overbruggingsuitkering
  • 1 De ambtenaar die niet meer medisch geschikt is om in de bezwarende functie door te werken, ontvangt een overbruggingsuitkering.

  • 2 De duur van de overbruggingsuitkering is afhankelijk van het aantal jaren dat betrokkene in een bezwarende functie werkzaam is geweest.

  • 3 Per dienstjaar in een bezwarende functie is de duur van de overbruggingsuitkering 12/10 maand. De maximumduur van de overbruggingsuitkering is 24 maanden.

  • 4 Zodra de medische ongeschiktheid voor de bezwarende functie is vastgesteld, stopt de opbouw van de overbruggingsuitkering.

  • 5 De hoogte van de overbruggingsuitkering bedraagt de eerste 12 maanden 100% van het salaris en de maanden daarna 80% van het salaris.

  • 6 De duur van de overbruggingsuitkering wordt in mindering gebracht op de duur van de loondoorbetaling, bedoeld in artikel 7:3.

  • 7 De overbruggingsuitkering komt tot uitbetaling voor zover deze hoger is dan de loondoorbetaling bij ziekte, bedoeld in artikel 7:3.

Artikel 9a:11 Garantiesalaris en afbouw toelagen
  • 1 In dit artikel wordt onder oude bezoldiging verstaan de optelsom van:

    • a

      het salaris, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, onderdeel b,

    • b

      de vakantieuitkering,

    • c

      de eindejaarsuitkering,

    • d

      de functioneringstoelage,

    • e

      de waarnemingstoelage en

    • f

      de in de lokale bezoldigingsverordening genoemde andere toelagen en emolumenten, voor zover die aan de ambtenaar zijn toegekend, berekend over een periode van 12 maanden onmiddellijk voorafgaande aan het begin van de tweede loopbaan. Indien verlofopname door de ambtenaar in deze 12 maanden heeft geleid tot een wijziging van de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging, werkt die wijziging door in de oude bezoldiging.

  • 2 De ambtenaar die binnen de organisatie van de gemeente de tweede loopbaan begint, krijgt een garantietoelage ter hoogte van het negatieve verschil tussen het oude en het nieuwe salaris. Het oude salaris wordt niet geïndexeerd met de generieke salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector wordt overeengekomen.

  • 3 Op de garantietoelage wordt een vermindering toegepast tot het bedrag waarmee het nieuwe salaris en eventuele toelagen en vergoedingen, behorende bij de nieuwe functie, samen met de garantietoelage de oude bezoldiging overstijgt. De oude bezoldiging wordt niet geïndexeerd met de generieke salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector wordt overeengekomen.

  • 4 De ambtenaar die als gevolg van de tweede loopbaan binnen de organisatie van de gemeente de toelagen en vergoedingen verliest, die behoorden bij de bezwarende functie, krijgt een aflopende afbouwtoelage ter hoogte van een percentage van het verschil tussen de oude toelagen en vergoedingen en eventuele toelagen en vergoedingen die bij de nieuwe functie behoren. De afbouwtoelage bedraagt:

    • a

      het eerste jaar 100%;

    • b

      het tweede jaar 75%;

    • c

      het derde jaar 50%;

    • d

      het vierde jaar 25%.

    De oude toelagen en vergoedingen worden niet geïndexeerd met de generieke salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector wordt overeengekomen.

  • 5 Op de afbouwtoelage wordt een vermindering toegepast tot het bedrag waarmee het nieuwe salaris en eventuele toelagen en vergoedingen, behorende bij de nieuwe functie, samen met de garantietoelage en de afbouwtoelage de oude bezoldiging overstijgt. De oude bezoldiging wordt niet geïndexeerd met de generieke salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector wordt overeengekomen.

  • 6 De ambtenaar die een tweede loopbaan begint buiten de organisatie van de gemeente ontvangt een afkoopbedrag ter hoogte van 175% van het verschil tussen de oude bezoldiging en het nieuwe jaarsalaris, inclusief eventuele toelagen en vergoedingen. Het nieuwe jaarsalaris, inclusief eventuele toelagen en vergoedingen, wordt berekend naar het bedrag dat voor de ambtenaar bij indiensttreding bij de nieuwe werkgever is vastgesteld.

9b Overgangsrecht ambtenaren in een functie die op 31 december 2005 recht gaf op functioneel leeftijdsontslag

Artikel 9b:1 Werkingssfeer
  • 1 Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die:

  • 2 Het eerste lid is overeenkomstig van toepassing voor de ambtenaar die

    • a

      overstapt naar een andere functie bij dezelfde gemeente of ambulancedienst, of

    • b

      overstapt naar een ander gemeentelijk beroepsbrandweerkorps, dan wel naar een andere gemeentelijke ambulancedienst tenzij bij de overstap tussen de werkgever en ambtenaar andere afspraken zijn gemaakt.

  • 3 Als voorwaarde bij de toepassing van het tweede lid geldt dat de functie waarnaar de ambtenaar overstapt ook een bezwarende functie is, op grond waarvan krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005 [Klik hier om het document te downloaden] , ontslag werd verleend op de leeftijd van 55 jaar of ouder.

Artikel 9b:2 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a

    bezoldiging: de optelsom van

    • I

      het salaris, als bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, sub b,

    • II

      de vakantieuitkering;

    • III

      de eindejaarsuitkering;

    • IV

      de functioneringstoelage;

    • V

      de waarnemingstoelage en

    • VI

      de in de lokale bezoldigingsverordening genoemde andere toelagen en emolumenten, voor zover die aan de ambtenaar zijn toegekend, met uitzondering van de levensloopbijdrage bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9, berekend over een periode van 12 maanden onmiddellijk voorafgaande aan de datum, die voortvloeit uit de toepassing van artikel 9b:4, artikel 9b:20, artikel 9b:25, zesde lid, artikel 9b:26, artikel 9b:47 en artikel 9b:52. De bezoldiging wordt, met uitzondering van de bezoldiging bedoeld in artikel 9b:20 en 9b:25, na deze datum geïndexeerd met de generieke salarisverhoging, zoals deze in de gemeentelijke sector wordt overeengekomen. Indien verlofopname door de ambtenaar in deze 12 maanden heeft geleid tot een wijziging van de feitelijke uitbetaling van de bezoldiging genoemd in artikel 3:1, tweede lid, onderdeel c, werkt die wijziging door in de bezoldiging.

  • b

    bezwarende functie: een betrekking met een hoge belasting door het frequent draaien van piket of het werken in roosterdiensten en deelname aan daaruit voortvloeiende werkzaamheden in de uitruk met als gevolg een verhoogde kans op gezondheidsklachten;

  • c

    dienstjaren voor brandweerpersoneel: de jaren in dienst van een gemeentelijk beroepsbrandweerkorps, de jaren werkzaam als buschauffeur of trambestuurder bij het stadsvervoer, mits dit een functie was, die op dat moment recht gaf op functioneel leeftijdsontslag en de jaren als vrijwilliger bij de brandweer, mits het om jaren gaat waarin daadwerkelijk en regelmatig in de uitruk is ingezet en men niet tegelijkertijd een aanstelling had als beroepsbrandweer. Bij twijfel over het aantal dienstjaren als vrijwilliger dient de ambtenaar aannemelijk te maken hoeveel jaren hij als vrijwilliger is ingezet;

  • d

    dienstjaren voor ambulancepersoneel: de jaren werkzaam bij een gemeentelijke ambulancedienst, de jaren werkzaam bij een ambulancedienst van een ziekenhuis of bij een ambulancedienst in de particuliere sector en de jaren werkzaam als buschauffeur of trambestuurder bij het stadsvervoer, mits dit een functie was, die op dat moment recht gaf op functioneel leeftijdsontslag;

  • e

    FPU-uitkering: de uitkering in het kader van de FPU-regeling;

  • f

    niet-bezwarende functie: een functie die niet valt onder de definitie van onderdeel b;

  • g

    tweede loopbaan: iedere functie binnen de organisatie van de gemeente of buiten de organisatie van de gemeente die, in het kader van het loopbaanplan, volgt op de bezwarende functie;

  • h

    onbezoldigd volledig verlof: verlof voor de formele arbeidsduur per week, zonder behoud van bezoldiging.

Artikel 9b:3 Werkingssfeer

Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na 1949 en die op 1 januari 2006 20 dienstjaren of meer had in een bezwarende functie.

Artikel 9b:4 Keuzemogelijkheid voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie
  • 1 De ambtenaar wordt op zijn verzoek vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt volledig buitengewoon verlof verleend, tegen doorbetaling van 80% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging. Voor zover het dienstbelang het toelaat, kan de ambtenaar vanaf de datum bedoeld in de eerste volzin in plaats van het volledig buitengewoon verlof als hiervoor bedoeld, een keuze maken uit de volgende mogelijkheden:

    • a

      100% werken, waarbij voor ieder vol jaar dat gewerkt wordt een bonus wordt verstrekt van 20% van het voor de ambtenaar geldende jaarsalaris in het jaar voorafgaande aan toekenning van de bonus;

    • b

      50% van de voor hem geldende formele arbeidsduur werken, tegen doorbetaling van 90% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging;

    • c

      volledig ontslag op grond van artikel 8:1, waarbij een bonus wordt verstrekt van 100% van het voor de ambtenaar geldende jaarsalaris in het jaar voorafgaande aan toekenning van de bonus.

    Indien dit voor het behouden van vakbekwaamheidseisen noodzakelijk is en de werkgever dit kan aantonen, geldt voor ambulancepersoneel als alternatief voor onderdeel b: 60% van een volledige betrekking werken tegen doorbetaling van 95% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging.

  • 2 De ambtenaar maakt zes kalendermaanden voor de in het eerste lid bedoelde datum het college door middel van een verzoek bekend naar welke variant zijn voorkeur uitgaat.

  • 3 Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:11, gaat de datum, bedoeld in het eerste lid zoveel later in als het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005 [Klik hier om het document te downloaden] , voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.

  • 4 De ambtenaar die kiest voor het in het eerste lid gestelde onder a en b moet medisch geschikt zijn om in de bezwarende functie door te werken.

  • 5 Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, met inachtneming van het derde lid, de in het eerste lid gestelde keuzemogelijkheden later laten ingaan, telkens met een periode van een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de bezwarende functie.

  • 6 De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet, met inachtneming van het derde lid, het college uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum daartoe verzoeken.

  • 7 De ambtenaar die eenmaal een keuze heeft gemaakt, kan, voor zover het dienstbelang dat toelaat, gedurende de periode tot het moment, bedoeld in artikel 9b:11, zijn keuze herzien, met dien verstande dat de bonus van artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel c, berekend wordt naar rato van de tijd die resteert tot de datum, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid. Hierbij geldt als voorwaarde dat als tweede en eventueel volgende keuze alleen een optie in aanmerking komt waarbij minder gewerkt wordt dan bij de eerdere keuze. Het tweede lid is van overeenkomstige toepassing.

  • 8 De ambtenaar die in de periode van 1 januari 2006 tot 1 januari 2011 gebruik maakt van de mogelijkheid, bedoeld in de eerste zin van het eerste lid van dit artikel, en direct daaraan voorafgaand een functie bekleedde waaraan salarisschaal 6 of lager was verbonden, ontvangt gedurende die periode € 500,- netto per kalenderjaar. De ambtenaar die in deze periode geen volledig kalenderjaar gebruik maakt van de genoemde mogelijkheid, ontvangt een bedrag naar rato. Deze uitkering wordt eenmaal per kalenderjaar in de maand december betaald. Aan de ambtenaar die op grond van lokaal beleid al een vergoeding heeft ontvangen, wordt alleen het deel van het totaalbedrag, waarop op grond van dit lid recht bestaat, uitbetaald dat hoger is dan de reeds ontvangen vergoeding.

Artikel 9b:5 Pensioenopbouw tijdens keuzes van artikel 9b:4

Over de bonus, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid onderdeel a en c, wordt geen pensioen wordt opgebouwd.

Artikel 9b:6 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:4

Gedurende de periode, bedoeld in artikel 9b:4, vindt opbouw van vakantie-uren plaats naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkt.

Artikel 9b:7 Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:4

Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid, eerste volzin en onder onderdeel a en b, zijn de artikelen 3:3 en 3:3:1, respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3 niet van toepassing.

Artikel 9b:8 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 9b:9 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel 9b:4

De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:4 volledig buitengewoon verlof is verleend, tegen doorbetaling van 80% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging, tellen voor de berekening van de ambtsjubileumgratificatie niet mee.

Artikel 9b:10 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel 9b:4
  • 1 Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:4, eerste volzin of onder b, inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de datum waarop artikel 9b:4 van kracht is geworden, wordt op de doorbetaling van de bezoldiging een vermindering toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en de doorbetaalde bezoldiging samen de laatstelijk genoten bezoldiging te boven gaan.

  • 2 Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof, vakantie of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop artikel 9b:4 van kracht is geworden.

  • 3 Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

  • 4 De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met de toepassing van artikel 9b:4.

  • 5 Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als gratificatie.

  • 6 De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.

  • 7 De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen te overleggen.

  • 8 Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet nakomt, kan het college besluiten een korting op de door te betalen bezoldiging toe te passen.

Artikel 9b:11 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie
  • 1 De ambtenaar die op grond van artikel 9b:4, eerste lid, gedeeltelijk doorbetaald volledig buitengewoon verlof geniet dan wel die heeft gekozen voor artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel a of b, wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 59 jaar bereikt onbezoldigd volledig verlof verleend.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, gaat het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 60 jaar bereikt, wanneer het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005 [Klik hier om het document te downloaden] , voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld van 60 jaar.

  • 3 Het onbezoldigd volledig verlof wordt uitgesteld met die periode, waarmee de keuze van de ambtenaar, die gebruik heeft gemaakt van het vijfde lid van artikel 9b:4, later is ingegaan.

  • 4 Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, wanneer het college op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005 [Klik hier om het document te downloaden] , een leeftijdsgrens had vastgesteld van 59 of 60 jaar, het onbezoldigd volledig verlof later laten ingaan, telkens met een periode van een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de bezwarende functie.

  • 5 De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet het college uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum daartoe verzoeken.

Artikel 9b:12 Premieverdeling bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof
  • 1 Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid, langer is dan drie jaar, is vanaf dat moment het verhaal van de pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdragen die voor de ambtenaar zijn verschuldigd.

  • 2 Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11, tweede lid, langer is dan twee jaar, is vanaf dat moment het verhaal van de pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdragen die voor de ambtenaar zijn verschuldigd.

Artikel 9b:13 Premie IZA-verzekering tijdens onbezoldigd volledig verlof

In plaats van de tegemoetkoming in de ziektekosten, bedoeld in artikel 7:24a en artikel 7:25, wordt de ambtenaar, zolang het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11, voortduurt, voor de premie van de IZA-verzekering als postactief beschouwd.

Artikel 9b:14 Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof

Gedurende de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11, vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats.

Artikel 9b:15 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 9b:16 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 9b:17 Ziekte tijdens onbezoldigd volledig verlof

Ziekte tijdens de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11, leidt niet tot stopzetting van het onbezoldigd volledig verlof.

Artikel 9b:18 Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd volledig verlof

De periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11, telt niet mee voor de berekening van de ambtsjubileumgratificatie.

Artikel 9b:19 Garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie
  • 1 Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50 jaar valt en die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk arbeidsongeschikt raakt, is artikel 8:4 respectievelijk artikel 8:5 niet van toepassing.

  • 2 De ambtenaar, genoemd in het eerste lid, wordt hersteld verklaard vanaf de datum, bedoeld in artikel 9b:4, eerste lid.

  • 3 De datum, bedoeld in het tweede lid gaat zoveel later in als het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005 [Klik hier om het document te downloaden] , voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.

  • 4 Op de ambtenaar, genoemd in het tweede lid, zijn vanaf de datum van herstel, voor zover de medische geschiktheid dat toelaat, artikel 9b:4 tot en met artikel 9b:18 van toepassing.

  • 5 De ambtenaar wiens eerste ziektedag ligt na de leeftijd van 55 jaar en die wegens ziekte ongeschikt wordt om zijn betrekking te vervullen, wordt niet ziek gemeld. Vanaf de datum dat de door deze ambtenaar gemaakte keuze op grond van artikel 9b:4, eerste lid, vanwege medische geschiktheid niet meer mogelijk is, verandert deze keuze in een keuze die op grond van zijn medische geschiktheid nog wel mogelijk is, met dien verstande dat de bonus van artikel 9b:4, eerste lid, onderdeel c, berekend wordt naar rato van de tijd die resteert tot de datum, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid. Op hem blijft artikel 9b:11 van toepassing.

  • 6 De datum, bedoeld in het vijfde lid gaat zoveel later in als het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005 [Klik hier om het document te downloaden] , voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.

Artikel 9b:20 Salarisgarantie bij definitieve herplaatsing bij ziekte
  • 1 De ambtenaar, die op grond van hoofdstuk 7 binnen de organisatie van de gemeente definitief herplaatst wordt, heeft recht op een garantietoelage ter hoogte van het negatieve verschil tussen de oude bezoldiging en het nieuwe totaalinkomen van de ambtenaar. Tot het totaalinkomen wordt de nieuwe bezoldiging gerekend, alsmede de uitkeringen die de ambtenaar in verband met zijn arbeidsongeschiktheid ontvangt.

  • 2 Wanneer de ambtenaar, op grond van hoofdstuk 7 definitief herplaatst wordt in een functie met een lager totaalinkomen buiten de organisatie van de gemeente, maken het college en de ambtenaar afspraken over een financiële regeling.

Artikel 9b:21 Levensloop voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie

Op de ambtenaar, die een bezwarende functie bekleedt, waaraan het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005 [Klik hier om het document te downloaden] , een leeftijdsgrens had vastgesteld, is de levensloopregeling van hoofdstuk 9e van toepassing.

Artikel 9b:22 Inkoop OP voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie
  • 1 Ten behoeve van de ambtenaar wordt, onder de voorwaarde dat hij daarvoor fiscale ruimte beschikbaar heeft, op de leeftijd van 53 jaar een bedrag in ABP Extra Pensioen gestort ter hoogte van 57% van het geïndexeerde loon maal de leeftijdsafhankelijke factor, die behoort bij de leeftijd van 53 jaar. Hierbij is het geïndexeerde loon het gemiddelde pensioengevend inkomen zoals dat bij ABP bekend is over de dienstjaren tot 53 jaar maal de indexatie per betreffend dienstjaar zoals door ABP is vastgesteld. Indien het loon uit enig dienstjaar bij ABP niet bekend is, toont de ambtenaar wat het loon is geweest.

  • 2 Wanneer er onvoldoende fiscale ruimte is, wordt hetgeen niet in ABP Extra Pensioen gestort kan worden, aan de ambtenaar ter beschikking gesteld.

  • 3 Ten behoeve van de ambtenaar die voor de leeftijd van 53 jaar uittreedt uit een bezwarende functie wordt, met inachtneming van het tweede lid, het in het eerste lid genoemde bedrag in ABP Extra Pensioen gestort op het moment van uittreden, waarbij de leeftijdsafhankelijke factor wordt toegepast die hoort bij de leeftijd op het moment van uittreden en het gemiddelde loon wordt berekend tot het moment van uittreden.

  • 4 Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot het pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1 van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

  • 5 Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot de bezoldiging.

  • 6 De ambtenaar kan zijn werkgever eenmalig verzoeken om een indicatie van het verwachte te storten bedrag. Het college bepaalt, in overleg met de ambtenaar, het geschikte moment voor deze indicatie.

Artikel 9b:22a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006 in een bezwarende functie
  • 1 De in artikel 9b:22 genoemde leeftijdsafhankelijke factor is afhankelijk van de door ABP gehanteerde actuariële tarieven.

  • 2 De leeftijdafhankelijke factor bedraagt:

    leeftijd factor  leeftijdfactor  leeftijdfactor
    180,281  330,438  480,682
    190,290  340,451  490,703
    200,298  350,464  500,723
    210,308  360,479  510,745
    220,317  370,493  520,768
    230,326  380,508  530,791
    240,335  390,523  540,814
    250,346  400,539  550,839
    260,356  410,555  560,864
    270,366  420,572  570,891
    280,378  430,588  580,916
    290,389  440,606  590,944
    300,400  450,624  600,973
    310,413  460,643  611,002
    320,425  470,663      
  • 3 Wanneer de in lid 1 genoemde tarieven door ABP worden gewijzigd, stellen LOGA-partijen nieuwe leeftijdafhankelijke factoren vast.

Artikel 9b: 22b Inkoop OP bij regionalisering

In afwijking van artikel 9b:22, derde lid, wordt voor de ambtenaar

  • -

    die wegens regionalisering van de gemeentelijke beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt ontslagen en

  • -

    op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing blijft,

geen bedrag in ABP Extra Pensioen gestort op het moment van uittreden.

Artikel 9b:23 Werkingssfeer

Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar die geboren is na 1949 en die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren had in een bezwarende functie.

Artikel 9b:24 Doorwerken zolang dat medisch verantwoord is en tenzij tweede loopbaan gestart wordt
  • 1 Zolang dit medisch verantwoord is, blijft de ambtenaar, onder toepassing van artikel 9b:26, in de bezwarende functie werkzaam tot het moment, bedoeld in artikel 9b:28.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing wanneer het college en de ambtenaar in het kader van het loopbaanplan hierover andere afspraken maken.

Artikel 9b:25 Tweede loopbaan voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende functie
  • 1 Op de ambtenaar is tot de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt hoofdstuk 9a van toepassing, met inachtneming van de volgende leden.

  • 2 De datum, bedoeld in het eerste lid gaat zoveel later in als het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005 [Klik hier om het document te downloaden] , voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.

  • 3 Voor brandweerpersoneel geldt dat in het kader van de tweede loopbaan eerst gezocht wordt naar een functie binnen de organisatie van de gemeente.

  • 4 De ambtenaar met geen of onvoldoende diploma's kan via een procedure voor erkenning verworven competenties zijn competenties laten erkennen.

  • 5 Indien dit behulpzaam is bij het vormgeven van de tweede loopbaan heeft de ambtenaar recht op vergoeding van de kosten, voor zover redelijk, van een extern loopbaanadvies.

  • 6 De ambtenaar die in het kader van de tweede loopbaan een andere functie aanvaardt binnen de organisatie van de gemeente, ontvangt, in afwijking van artikel 9a:11, eerste tot en met zevende lid, een garantietoelage ter hoogte van het negatieve verschil tussen de oude bezoldiging en de nieuwe bezoldiging.

  • 7 Het college en de ambtenaar maken in het kader van het loopbaanplan afspraken over een financiële regeling wanneer de ambtenaar in het kader van de tweede loopbaan buiten de organisatie van de gemeente een functie aanvaardt met een lager totaalinkomen.

Artikel 9b:26 Recht voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende functie
  • 1 De ambtenaar gaat met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt 50% van de voor hem geldende formele arbeidsduur werken tegen doorbetaling van 90% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging. Indien dit voor het behouden van vakbekwaamheidseisen noodzakelijk is en de werkgever dit kan aantonen, geldt voor ambulancepersoneel als alternatief 60% van een volledige betrekking werken tegen doorbetaling van 95% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging.

  • 2 Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:35, gaat de datum, bedoeld in het eerste lid, zoveel later in als het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005 [Klik hier om het document te downloaden] , voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.

  • 3 De ambtenaar moet medisch geschikt zijn om op de wijze, bedoeld in het eerste lid, in zijn bezwarende functie door te werken.

  • 4 De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze, bedoeld in het eerste lid, in zijn bezwarende functie door te werken, wordt ziek gemeld. Op hem is artikel 9b:43, eerste lid, van toepassing.

  • 5 Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, met inachtneming van het tweede lid, het in het eerste lid bedoelde moment later laten ingaan, telkens met een periode van een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de bezwarende functie.

  • 6 De ambtenaar die van het vijfde lid gebruik wil maken, moet, met inachtneming van het tweede lid, het college uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum daartoe verzoeken.

Artikel 9b:27 Pensioenopbouw tijdens periode van artikel 9b:26

(vervallen)

Artikel 9b:27a Toelage onregelmatige dienst, eindejaarsuitkering en vakantietoelage tijdens de periode van artikel 9b:26

Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid, zijn de artikelen 3:3 en 3:3:1, respectievelijk artikel 19a:8, artikel 3:6 en artikel 6:3 niet van toepassing.

Artikel 9b:28 Gedeeltelijk doorbetaald buitengewoon verlof voor de ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende functie
  • 1 De ambtenaar die op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren heeft, wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin hij een bepaalde leeftijd bereikt, volledig buitengewoon verlof verleend, tegen doorbetaling van een bepaald percentage van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging. De leeftijd en het percentage zijn afhankelijk van het aantal dienstjaren op 1 januari 2006. De leeftijd waaraan de ingangsdatum van het volledig buitengewoon verlof is gekoppeld, en het percentage dat vanaf dat moment wordt betaald zijn bij een aantal dienstjaren op 1 januari 2006 van:

    • a

      5 tot 10 jaar: 58 jaar en 75%

    • b

      10 tot 15 jaar: 57 jaar en 78%

    • c

      15 tot 20 jaar: 56 jaar en 80%

  • 2 Onverminderd het bepaalde in artikel 9b:35, gaat de datum, bedoeld in het eerste lid, zoveel later in als het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005 [Klik hier om het document te downloaden] , voor de bezwarende functie een hogere leeftijdgrens had vastgesteld dan 55 jaar.

  • 3 De datum, bedoeld in het eerste lid wordt uitgesteld met die periode, waarmee het moment van de ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van het vijfde lid van artikel 9b:26 later is ingegaan.

Artikel 9b:29 Pensioenopbouw tijdens periode van artikel 9b:28

Tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:28, bouwt de ambtenaar pensioen op over de volledige bezoldiging.

Artikel 9b:30 Ambtsjubileumgratificatie tijdens periode van artikel 9b:28

De jaren dat de ambtenaar op grond van artikel 9b:28 volledig buitengewoon verlof is verleend, tegen doorbetaling van 75%, 78% of 80% van de voor de ambtenaar geldende bezoldiging, tellen voor de berekening van de ambtsjubileumgratificatie niet mee.

Artikel 9b:31 Vakantieopbouw tijdens de periode van artikel 9b:26 en 9b:28

Gedurende de periode, bedoeld in artikel 9b:26 en artikel 9b:28, vindt opbouw van vakantie-uren plaats naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkt.

Artikel 9b:32 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 9b:33 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 9b:34 Verrekening inkomsten tijdens de periode van artikel 9b:26 en artikel 9b:28
  • 1 Wanneer de ambtenaar tijdens de periode, bedoeld in artikel 9b:26 en artikel 9b:28 inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de datum waarop artikel 9b:26 van kracht is geworden, wordt op de doorbetaling van de bezoldiging een vermindering toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en de doorbetaalde bezoldiging samen de laatstelijk genoten bezoldiging te boven gaan.

  • 2 Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof, vakantie of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan de datum waarop artikel 9b:26 van kracht is geworden.

  • 3 Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

  • 4 De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met de toepassing van artikel 9b:26.

  • 5 Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als gratificatie.

  • 6 De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.

  • 7 De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen te overleggen.

  • 8 Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet nakomt, kan het college besluiten een korting op de door te betalen bezoldiging toe te passen.

Artikel 9b:35 Onbezoldigd volledig verlof voor de ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende functie
  • 1 De ambtenaar wordt vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de ambtenaar de leeftijd van 59 jaar bereikt onbezoldigd volledig verlof verleend.

  • 2 In afwijking van het eerste lid, gaat het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in het eerste lid, in vanaf de eerste dag van de maand volgend op de maand waarin de medewerker de leeftijd van 60 jaar bereikt, wanneer het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005 [Klik hier om het document te downloaden] , voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld van 60 jaar.

  • 3 Het onbezoldigd volledig verlof wordt uitgesteld met die periode, waarmee het moment van de ambtenaar, die gebruik heeft gemaakt van het vijfde lid van artikel 9b:26 later is ingegaan.

  • 4 Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, voor wie het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005 [Klik hier om het document te downloaden] , voor de bezwarende functie een leeftijdsgrens had vastgesteld van 59 of 60 jaar, het onbezoldigd volledig verlof later laten ingaan, telkens met een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de bezwarende functie.

  • 5 De ambtenaar die van het vierde lid gebruik wil maken, moet het college uiterlijk zes kalendermaanden voor de beoogde ingangsdatum daartoe verzoeken.

Artikel 9b:36 Premieverdeling bij pensioenopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof
  • 1 Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:35, eerste lid, langer is dan drie jaar, is vanaf dat moment het verhaal van de pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdragen die voor de ambtenaar zijn verschuldigd.

  • 2 Wanneer de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:35, tweede lid, langer is dan twee jaar, is vanaf dat moment het verhaal van de pensioenpremies en de Vut-fonds bijdrage als bedoeld in artikel 21 van het FPU-reglement basis- en aanvullende uitkering gelijk aan het bedrag van de premies en de bijdragen die voor de ambtenaar zijn verschuldigd.

Artikel 9b:37 Premie IZA-verzekering tijdens onbezoldigd volledig verlof

In plaats van de tegemoetkoming in de ziektekosten, bedoeld in artikel 7:24a en artikel 7:25, wordt de ambtenaar, zolang het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:35, voortduurt, voor de premie van de IZA-verzekering als postactief beschouwd.

Artikel 9b:38 Vakantieopbouw tijdens onbezoldigd volledig verlof

Gedurende de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:35, vindt geen opbouw van vakantie-uren plaats.

Artikel 9b:39 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 9b:40 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 9b:41 Ziekte tijdens onbezoldigd volledig verlof

Ziekte tijdens de periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:35, leidt niet tot stopzetting van het onbezoldigd volledig verlof.

Artikel 9b:42 Ambtsjubileumgratificatie tijdens onbezoldigd volledig verlof

De periode van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:35, telt niet mee voor de berekening van de ambtsjubileumgratificatie.

Artikel 9b:43 Arbeidsongeschiktheid en garantieregeling bij arbeidsongeschiktheid na de leeftijd van 50 jaar voor de ambtenaar geboren na 1949 met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006 in een bezwarende functie
  • 1 De ambtenaar die medisch niet geschikt is om op de wijze, bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid, in zijn bezwarende functie door te werken, wordt beter gemeld op de datum, bedoeld in artikel 9b:28.

  • 2 Op de ambtenaar wiens eerste ziektedag na de leeftijd van 50 jaar valt en die volledig, maar niet duurzaam, of gedeeltelijk arbeidsongeschikt raakt, is artikel 8:4 respectievelijk artikel 8:5 niet van toepassing.

  • 3 De ambtenaar, genoemd in het tweede lid, wordt hersteld verklaard vanaf de datum, bedoeld in artikel 9b:26, eerste lid.

  • 4 De datum, bedoeld in het derde lid gaat zoveel later in als het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005 [Klik hier om het document te downloaden] , voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.

  • 5 Op de ambtenaar, genoemd in het derde lid, blijven vanaf de datum van herstel artikel 9b:26 tot en met artikel 9b:42 van toepassing.

Artikel 9b:44 Levensloop voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006

Op de ambtenaar, die een bezwarende functie bekleedt, waaraan het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005 [Klik hier om het document te downloaden] , een leeftijdsgrens had vastgesteld, is de levensloopregeling van hoofdstuk 9e van toepassing.

Artikel 9b:45 Inkoop OP voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006
  • 1 Ten behoeve van de ambtenaar wordt, onder de voorwaarde dat hij daarvoor fiscale ruimte beschikbaar heeft en 20 bezwarende dienstjaren heeft op het moment van storting, op de leeftijd van 53 jaar een bedrag in ABP Extra Pensioen gestort ter hoogte van 57% van het geïndexeerde loon maal de leeftijdsafhankelijke factor, die behoort bij de leeftijd van 53 jaar. Hierbij is het geïndexeerde loon het gemiddelde pensioengevend inkomen zoals dat bij ABP bekend is over de dienstjaren tot 53 jaar maal de indexatie per betreffend dienstjaar zoals door ABP is vastgesteld. Indien het loon uit enig dienstjaar bij ABP niet bekend is, toont de ambtenaar wat het loon is geweest.

  • 2 Voor de ambtenaar, die op de leeftijd van 53 jaar nog geen 20 dienstjaren heeft, wordt het percentage van 57% genoemd in het eerste lid gedeeld door 20 en vermenigvuldigd met het aantal dienstjaren dat de ambtenaar heeft op de leeftijd van 53 jaar.

  • 3 Wanneer de ambtenaar na de leeftijd van 53 jaar doorwerkt in de bezwarende functie, wordt voor hem in ieder jaar tot de leeftijd van 59 jaar of tot een moment hiervoor, wanneer eerder 20 dienstjaren bereikt zijn, een bedrag in ABP Extra Pensioen gestort ter hoogte van het inkomen in dat jaar x de deeltijdfactor in dat jaar x 2,85% maal de leeftijdsafhankelijke factor, die hoort bij de leeftijd op het moment van het recht op uitbetaling. De leeftijd van 59 jaar is 60 jaar, wanneer het een functie betreft waaraan, op 31 december 2005, een FLO-leeftijd van 60 jaar was verbonden.

  • 4 Wanneer er onvoldoende fiscale ruimte is, wordt hetgeen niet in ABP Extra Pensioen gestort kan worden, aan de ambtenaar overgemaakt.

  • 5 Ten behoeve van de ambtenaar die voor de leeftijd van 53 jaar uittreedt uit een bezwarende functie wordt, met inachtneming van het vierde lid, het in het eerste lid genoemde of, indien van toepassing, het in het tweede lid genoemde bedrag in ABP Extra Pensioen, gestort op het moment van uittreden, waarbij de leeftijdsafhankelijke factor wordt toegepast die hoort bij de leeftijd op het moment van uittreden en het gemiddelde loon wordt berekend tot het moment van uittreden.

  • 6 Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot het pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1 van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

  • 7 Het op grond van dit artikel uitgekeerde bedrag behoort niet tot de bezoldiging.

  • 8 Bij opschuiven van het moment waarop mensen minder gaan werken, als bedoeld in artikel 9b:26, vijfde lid, wordt het aantal dienstjaren niet verhoogd met het aantal jaren na 59 jaar.

  • 9 Bij opschuiven van het moment van onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:35, vierde lid, wordt het aantal dienstjaren niet verhoogd met het aantal jaar na 59 jaar. De leeftijd van 59 jaar is 60 jaar, wanneer het een functie betreft waaraan, op 31 december 2005, een FLO-leeftijd van 60 jaar was verbonden.

  • 10 De ambtenaar kan zijn werkgever eenmalig verzoeken om een indicatie van het verwachte te storten bedrag. Het college bepaalt, in overleg met de ambtenaar, het geschikte moment voor deze indicatie.

Artikel 9b:45a Leeftijdsafhankelijke factor voor de ambtenaar geboren met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006
  • 1 De in het artikel 9b:45 genoemde leeftijdsafhankelijke factor is afhankelijk van de door ABP gehanteerde actuariële tarieven.

  • 2 De leeftijdsafhankelijke bijdrage bedraagt:

    leeftijd factor  leeftijdfactor  leeftijdfactor
    180,281  330,438  480,682
    190,290  340,451  490,703
    200,298  350,464  500,723
    210,308  360,479  510,745
    220,317  370,493  520,768
    230,326  380,508  530,791
    240,335  390,523  540,814
    250,346  400,539  550,839
    260,356  410,555  560,864
    270,366  420,572  570,891
    280,378  430,588  580,916
    290,389  440,606  590,944
    300,400  450,624  600,973
    310,413  460,643  611,002
    320,425  470,663      
  • 3 Wanneer de in lid 1 genoemde tarieven door ABP worden gewijzigd, stellen LOGA-partijen nieuwe leeftijdsafhankelijke factoren vast.

Artikel 9b:45b Inkoop OP bij regionalisering

In afwijking van artikel 9b:45, vijfde lid, wordt voor de ambtenaar

  • -

    die wegens regionalisering van de gemeentelijke beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt ontslagen en

  • -

    op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing blijft,

geen bedrag in ABP Extra Pensioen gestort op het moment van uittreden.

Artikel 9b:46 Werkingssfeer

Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar in een bezwarende functie, die geboren is voor 1950.

Artikel 9b:47 Aanvulling op FPU-uitkering voor de ambtenaar geboren voor 1950 in een bezwarende functie
  • 1 De ambtenaar wordt onder de voorwaarde dat hij een FPU-uitkering aanvraagt en ontvangt, vanaf de eerste dag van de maand volgend op die waarin hij de leeftijd van 55 jaar bereikt, volledig ontslag verleend op grond van artikel 8:11.

  • 2 De datum van ontslag, bedoeld in het eerste lid, gaat zoveel later in als het college op 31 december 2005 op grond van artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005 [Klik hier om het document te downloaden] , voor de bezwarende functie een hogere leeftijdsgrens had vastgesteld dan 55 jaar.

  • 3 Voor zover het dienstbelang dit toelaat, kan de ambtenaar, met inachtneming van het tweede lid, verzoeken om de datum van ontslag, bedoeld in het eerste lid, later laten ingaan, telkens met een periode van een jaar. Voorwaarde hierbij is dat de ambtenaar medisch geschikt is om door te werken in de bezwarende functie.

  • 4 De FPU-uitkering van de ambtenaar wordt tot de leeftijd van 60 jaar aangevuld tot 80% van de bezoldiging. Daarna wordt de FPU-uitkering aangevuld tot 70% van de bezoldiging.

  • 5 Bij toepassing van het derde lid wordt de aanvulling bedoeld in het vierde lid actuarieel neutraal verhoogd.

Artikel 9b:47a Pensioenopbouw vanaf 62 jaar
  • 1 Indien de gewezen ambtenaar bij het bereiken van de leeftijd van 62 jaar gebruik maakt van de mogelijkheid die artikel 16.3 van het pensioenreglement biedt tot vrijwillige voortzetting van de pensioenopbouw, worden de kosten van deze vrijwillig voortzetting gedragen door de gemeente voor zover het pensioenopbouw voor de helft betreft, met dien verstande dat per 1 januari 2007 30% van het bedrag van de premie dat door de werkgever afgedragen zou moeten worden, indien de gewezen ambtenaar nog verplicht pensioen zou opbouwen, voor rekening blijft van de gewezen ambtenaar. De kosten van een vrijwillige aanvullende deelname waardoor de pensioenopbouw voor meer dan de helft plaats vindt, komen te allen tijde volledig ten laste van de gewezen ambtenaar.

  • 2 De werkgever stelt de ambtenaar in de drie maanden voor zijn ontslag schriftelijk op de hoogte van:

    • a

      de mogelijkheid om ook na het bereiken van de leeftijd van 62 jaar de pensioenopbouw voort te zetten op basis van artikel 16.3 van het pensioenreglement;

    • b

      het feit dat indien de gewezen ambtenaar van de onder a weergegeven mogelijkheid gebruik maakt om voor de helft pensioen te blijven opbouwen dit niet leidt tot extra kosten in vergelijking tot de situatie zoals die gold voor de gewezen ambtenaar voordat hij de leeftijd van 62 jaar bereikte als gevolg van de toepasselijkheid van artikel 9b:47 lid 1;

    • c

      de termijn waarbinnen een schriftelijk verzoek van de gewezen ambtenaar om gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 16.3 van het pensioenreglement bieden, ingediend moet zijn bij het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP;

    • d

      de mogelijkheid dat de gewezen ambtenaar op zijn verzoek bij de indiening van de aanvraag wordt ondersteund door de werkgever.

  • 3 De aanschrijving bedoeld in lid 2 wordt herhaald in de drie maanden voor het moment dat de ambtenaar de leeftijd van 62 jaar bereikt.

Artikel 9b:48 Verrekening inkomsten na ontslag op grond van artikel 9b:47
  • 1 Wanneer de gewezen ambtenaar inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de datum van ontslag, bedoeld in artikel 9b:47, wordt op uitkering, bedoeld in artikel 9b:47, vierde lid, een vermindering toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en uitkering de laatstelijk genoten bezoldiging te boven gaan.

  • 2 Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof, vakantie of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan de datum, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

  • 4 De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met het ontslag.

  • 5 Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als gratificatie.

  • 6 De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.

  • 7 De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen te overleggen.

  • 8 Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet nakomt, kan het college besluiten een korting op de door te betalen bezoldiging toe te passen.

Artikel 9b:49 Ambtenaar, geboren voor 1950 in een bezwarende functie, die niet voldoet aan voorwaarden voor FPU

Op de ambtenaar die niet voldoet aan de voorwaarden voor een FPU-uitkering:

  • a

    zijn de artikelen 9b:3 tot en met 9b:22 van overeenkomstige toepassing als de ambtenaar op 1 januari 2006 20 dienstjaren of meer had;

  • b

    zijn de artikelen 9b:23 tot en met 9b:45 van overeenkomstige toepassing als de ambtenaar op 1 januari 2006 minder dan 20 dienstjaren had.

Artikel 9b:50 Werkingssfeer

Deze paragraaf is van toepassing op de ambtenaar in een niet bezwarende functie.

Artikel 9b:51 De ambtenaar geboren na 1949 met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006, in een niet bezwarende functie
  • 1 De ambtenaar die geboren is na 1949 en die op 1 januari 2006 20 dienstjaren of meer had, krijgt voor ieder jaar dat hij de niet bezwarende functie bekleed heeft, waarvoor door het college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005 [Klik hier om het document te downloaden] , leeftijdsgrenzen zijn bepaald, een levensloopbijdrage van 2% van het voor ambtenaar geldende jaarsalaris over het jaar dat de functie werd bekleed.

  • 2 De levensloopbijdrage wordt betaald over maximaal 20 jaar, die direct voorafgaan aan 1 januari 2006.

  • 3 De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend inkomen als bedoeld in artikel 3.1, lid 1, sub g van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

Artikel 9b:52 De ambtenaar geboren voor 1950, in een niet bezwarende functie
  • 1 Voor zover het dienstbelang dit toelaat en onder de voorwaarde dat de ambtenaar een FPU-uitkering aanvraagt en ontvangt, maakt de ambtenaar een keuze uit de volgende mogelijkheden:

    • a

      volledig ontslag op grond van artikel 8:11, ingaande op de eerste dag van de maand, volgend op die waarin de ambtenaar 60 jaar en drie maanden is geworden;

    • b

      volledig ontslag op grond van artikel 8:11 op een latere datum dan bedoeld onder a.

  • 2 De ambtenaar die kiest voor het in het eerste lid gestelde onder b moet medisch geschikt zijn om in de bezwarende functie door te werken.

  • 3 De FPU-uitkering van de ambtenaar die gekozen heeft voor volledig ontslag, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, wordt tot de leeftijd van 62 jaar aangevuld tot 80% van de bezoldiging. Daarna wordt de FPU-uitkering aangevuld tot 70% van de bezoldiging.

  • 4 Op de ambtenaar die gekozen heeft voor volledig ontslag, bedoeld in het eerste lid,  onderdeel b, is hoofdstuk 5a van overeenkomstige toepassing.

  • 5 Op de ambtenaar die niet voldoet aan de voorwaarden voor een FPU-uitkering is artikel 9b:51 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 9b:52a Pensioenopbouw vanaf 62 jaar
  • 1 Indien de gewezen ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van artikel 9b:52 lid 1 onder a, bij het bereiken van de leeftijd van 62 jaar gebruik maakt van de mogelijkheid die artikel 16.3 van het pensioenreglement biedt tot vrijwillige voortzetting van de pensioenopbouw, worden de kosten van deze vrijwillig voortzetting gedragen door de gemeente voor zover het pensioenopbouw voor de helft betreft, met dien verstande dat per 1 januari 2007 30% van het bedrag van de premie dat door de werkgever afgedragen zou moeten worden, indien de gewezen ambtenaar nog verplicht pensioen zou opbouwen, voor rekening blijft van de gewezen ambtenaar. De kosten van een vrijwillige aanvullende deelname waardoor de pensioenopbouw voor meer dan de helft plaats vindt, komen ten allen tijde volledig ten laste van de gewezen ambtenaar.

  • 2 De werkgever stelt de ambtenaar in de drie maanden voor zijn ontslag schriftelijk op de hoogte van:

    • a

      de mogelijk om ook na het bereiken van de leeftijd van 62 jaar de pensioenopbouw voort te zetten op basis van artikel 16.3 van het pensioenreglement;

    • b

      het feit dat indien de gewezen ambtenaar van de onder a weergegeven mogelijkheid gebruik maakt om voor de helft pensioen te blijven opbouwen dit niet leidt tot extra kosten in vergelijking tot de situatie zoals die gold voor de gewezen ambtenaar voordat hij de leeftijd van 62 jaar bereikte als gevolg van de toepasselijkheid van artikel 9b:47 lid 1;

    • c

      de termijn waarbinnen een schriftelijk verzoek van de gewezen ambtenaar om gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 16.3 van het pensioenreglement bieden, ingediend moet zijn bij het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP;

    • d

      de mogelijkheid dat de gewezen ambtenaar op zijn verzoek bij de indiening van de aanvraag wordt ondersteund door de werkgever.

  • 3 De aanschrijving als bedoeld in lid 2 wordt herhaald in de drie maanden voor het moment dat de ambtenaar de leeftijd van 62 jaar bereikt.

Artikel 9b:53 Verrekening inkomsten na ontslag op grond van artikel 9b:52
  • 1 Wanneer de gewezen ambtenaar inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de datum van ontslag, bedoeld in artikel 9b:52, wordt op uitkering, bedoeld in artikel 9b:52, derde en vierde lid, een vermindering toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en uitkering de laatstelijk genoten bezoldiging te boven gaan.

  • 2 Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof, vakantie of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan de datum, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Wanneer de ambtenaar op of na de datum, bedoeld in het eerste lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór die dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing.

  • 4 De in het derde lid bedoelde vermindering vindt echter niet plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of indien de ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met het ontslag.

  • 5 Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als gratificatie.

  • 6 De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van het aanvaarden van arbeid of het starten van een bedrijf of het vermeerderen van werkzaamheden uit arbeid of bedrijf.

  • 7 De ambtenaar is verplicht tijdig mededeling te doen van de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die hij ontvangt en van de wijzigingen daarin. Hij is verplicht daarvan de bewijzen te overleggen.

  • 8 Wanneer de ambtenaar de verplichtingen van het zesde lid niet nakomt, kan het college besluiten een korting op de door te betalen bezoldiging toe te passen.

9c Tijdelijke regeling ambtenaren geboren na 1949 die werkzaam zijn in een betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer, waarvoor door het college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005, leeftijdsgrenzen zijn bepaald

Artikel 9c:1 Algemeen

Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar geboren na 1949 die werkzaam is in een betrekking bij het gemeentelijk stadsvervoer, waarvoor door het college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005 [Klik hier om het document te downloaden] , leeftijdsgrenzen zijn bepaald.

Artikel 9c:2 Algemeen

Aan de ambtenaar, bedoeld in artikel 9c:1, wordt met ingang van de datum van het ontslag ten laste van de gemeente een maandelijkse uitkering toegekend.

Artikel 9c:2:1 Algemeen

Onder gewezen ambtenaar wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk verstaan de ambtenaar die aan zijn ontslag aanspraak kan ontlenen op een uitkering volgens de bepalingen van dit hoofdstuk.

Artikel 9c:2:2 Algemeen
  • 1 De in artikel 8:3:1, eerste lid, zoals dat luidde op 31 december 2005, bedoelde datum van ingang van ontslag kan op verzoek van de ambtenaar, dan wel ingeval deze desgevraagd daarmee instemt voor de duur van ten hoogste een jaar, telkens met een periode van ten hoogste een jaar te verlengen, worden opgeschort, indien dit door het bestuursorgaan, bevoegd tot het verlenen van ontslag, in het belang van de dienst wordt geacht en de ambtenaar, blijkens de uitslag van een geneeskundig onderzoek, geestelijk en lichamelijk in staat kan worden geacht zijn betrekking te blijven vervullen.

  • 2 Indien de ambtenaar voor wie toepassing is gegeven aan het bepaalde in het eerste lid, blijkens de uitslag van een geneeskundig onderzoek tussentijds ongeschikt is geworden voor de verdere vervulling van zijn betrekking, kan hem ontslag worden verleend met ingang van de eerste dag van de maand volgende op die waarin de uitslag van het geneeskundig onderzoek te zijner kennis is gebracht.

Artikel 9c:3 Bedrag en duur
  • 1 De uitkering bedraagt gedurende 60 maanden aansluitend aan het ontslag 80% van de laatstelijk voor het ontslag van de ambtenaar aan diens betrekking verbonden bezoldiging vermeerderd met zoveel -doch ten hoogste 10 malen -0,5% van die bezoldiging als het totaal aantal volle dienstjaren geldig voor pensioen krachtens het pensioenreglement op de dag van het ontslag meer dan 30 bedraagt. Vervolgens bedraagt de uitkering 70% van bedoelde bezoldiging, met dien verstande dat het bedrag van de uitkering niet lager is dan het bedrag van het pensioen waarop de gewezen ambtenaar recht zou hebben indien hij zou zijn gepensioneerd met ingang van de datum van zijn ontslag en in aanmerking zou zijn genomen de diensttijd bedoeld in artikel 5.4 van het pensioenreglement, welke hij bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar zal kunnen aanwijzen.

  • 2 Onder laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking verbonden bezoldiging wordt voor de toepassing van deze regeling verstaan de bezoldiging als bedoeld in artikel 3:1, vermeerderd met de vakantieuitkering, bedoeld in artikel 6:3, berekend over een maand, en de eindejaarsuitkering bedoeld in artikel 3:6, met dien verstande dat de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 en de prestatiebeloning slechts geacht worden te behoren tot de bezoldiging tot een bedrag dat overeenkomt met hetgeen in de twaalf maanden voorafgaande aan het ontslag gemiddeld per maand aan die vergoeding of beloning aan de gewezen ambtenaar is toegekend.

  • 3 Indien in de laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking verbonden bezoldiging uit anderen hoofde dan wegens periodieke verhogingen wijziging zou zijn gekomen wanneer de gewezen ambtenaar op deze bezoldiging in dienst zou zijn gebleven, geldt van de datum van in werking treden dier wijziging af het aldus gewijzigde bedrag als laatstelijk voor het ontslag aan de betrekking verbonden bezoldiging.

Artikel 9c:3:1 Verrekening inkomsten uit of in verband met arbeid
  • 1 Wanneer een gewezen ambtenaar, die aan deze regeling recht op uitkering kan ontlenen, inkomsten geniet of gaat genieten uit of in verband met arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen met ingang van of na de datum waarop zijn ontslag is ingegaan, wordt op de uitkering een vermindering toegepast. Deze vermindering is gelijk aan het bedrag waarmede de inkomsten en de onverminderde uitkering krachtens artikel 9c:3 samen de laatstelijk genoten bezoldiging te boven gaan.

  • 2 Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende verlof, vakantie of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem de uitkering krachtens deze regeling is toegekend.

  • 3 Wanneer de gewezen ambtenaar op of na de dag, bedoeld in het eerste lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde vermindering vindt echter niet plaats indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of indien de gewezen ambtenaar aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met het ontslag.

  • 4 Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, worden niet verstaan inkomsten verkregen wegens overwerk of als gratificatie.

Artikel 9c:3:2 Verrekening inkomsten uit of in verband met arbeid
  • 1 Van het ter hand nemen van enige arbeid of bedrijf doet de gewezen ambtenaar onverwijld mededeling aan het college. Daarbij doet hij, voor zover mogelijk, opgave van de inkomsten, die hij uit dien hoofde zal verwerven; hij is verplicht om, indien die inkomsten tijdelijk of blijvend wijziging ondergaan, daarvan tijdig voor het verschijnen van de eerstvolgende uitkeringstermijn nadere opgave te doen. Zijn de inkomsten niet vooraf op te geven, dan doet hij tijdig vóór het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van de inkomsten die hij sedert het ter hand nemen van de werkzaamheden of sinds de vorige opgave heeft genoten. Brengt echter de aard der werkzaamheden mede dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, dan geschiedt de opgave over die langere termijn en kan op de uitkering een voorlopige vermindering worden toegepast naar een geraamd bedrag van die inkomsten, onder voorbehoud van nadere verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn. Dit lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel 9c:3:1, tweede en derde lid.

  • 2 Indien de gewezen ambtenaar de verplichtingen, genoemd in het eerste lid, niet of niet volledig nakomt, kan het college bepalen dat de uitkering, zolang zulks niet het geval is, niet of slechts gedeeltelijk wordt uitbetaald.

  • 3 De gewezen ambtenaar wordt geacht door het aanvaarden van de uitkering er in te bewilligen dat zij die daarvoor naar het oordeel van het college in aanmerking komen, de inlichtingen verstrekken welke voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijk zijn.

Artikel 9c:3:3 Samenloop met aanspraken uit hoofde van ziekte of ongeval

Ten aanzien van hem die aan deze regeling recht op uitkering ontleent en die na zijn ontslag uit hoofde van ziekte of ongeval nog aanspraken in verband met de dienstbetrekking waaruit hij is ontslagen heeft of verkrijgt, wordt de uitkering tot het einde van de periode waarover die aanspraken bestaan, verminderd met het bedrag daarvan.

Artikel 9c:4 Pensioenopbouw vanaf 62 jaar
  • 1 Indien de gewezen ambtenaar bij het bereiken van de leeftijd van 62 jaar gebruik maakt van de mogelijkheid die artikel 16.1 van het pensioenreglement biedt tot vrijwillige voortzetting van de pensioenopbouw, waardoor ook na het bereiken van de leeftijd van 62 jaar de pensioenopbouw voor de helft plaats vindt, worden de kosten van deze vrijwillig voortzetting gedragen door de gemeente, met dien verstande dat 30% van het bedrag van de premie dat door de werkgever afgedragen zou moeten worden, indien de gewezen ambtenaar nog verplicht pensioen zou opbouwen, voor rekening blijft van de gewezen ambtenaar. De kosten van een vrijwillige aanvullende deelname waardoor de pensioenopbouw voor meer dan de helft plaats vindt, komen te allen tijde volledig ten laste van de gewezen ambtenaar.

  • 2 De werkgever stelt de ambtenaar in de drie maanden voor zijn ontslag schriftelijk op de hoogte van:

    • a

      de mogelijkheid om ook na het bereiken van de leeftijd van 62 jaar de pensioenopbouw voor de helft voort te zetten op basis van artikel 16.1 van het pensioenreglement voor de gewezen ambtenaar als bedoeld in het eerste lid;

    • b

      dat indien de gewezen ambtenaar van de onder a weergegeven mogelijkheid gebruik maakt dit niet leidt tot extra kosten in vergelijking tot de situatie zoals die gold voor de gewezen ambtenaar voordat hij de leeftijd van 62 jaar bereikte als gevolg van de toepasselijkheid van het eerste lid;

    • c

      de termijn waarbinnen een schriftelijk verzoek van de gewezen ambtenaar om gebruik te maken van de mogelijkheid die artikel 16.1 van het pensioenreglement bieden, ingediend moet zijn bij het bestuur van de Stichting Pensioenfonds ABP;

    • d

      de mogelijkheid dat de gewezen ambtenaar op zijn verzoek bij de indiening van de aanvraag wordt ondersteund door de werkgever.

  • 3 De aanschrijving als bedoeld in lid 2 wordt herhaald in de drie maanden voor het moment dat de ambtenaar de leeftijd van 62 jaar bereikt.

Artikel 9c:5:1 Pensioenopbouw vanaf 62 jaar
  • 1 De uitkering vervalt:

    • a

      met ingang van de dag, volgende op die waarop de gewezen ambtenaar is overleden;

    • b

      op de datum waarop de gewezen ambtenaar de leeftijd van 65 jaren bereikt.

  • 2 De uitkering kan geheel of ten delen vervallen worden verklaard indien de gewezen ambtenaar zich naar het oordeel van het college zodanig gedraagt, dat hij, ware hij in dienst gebleven, zou zijn ontslagen.

Artikel 9c:6:1 Overlijdensuitkering
  • 1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de gewezen ambtenaar heeft de weduwe, weduwnaar of geregistreerde partner die krachtens het pensioenreglement recht heeft op een nabestaandenpensioen, recht op een bedrag gelijk aan de bezoldiging bedoeld in artikel 9c:3 over een tijdvak van drie maanden. Wordt geen weduwe, weduwnaar of geregistreerde partner als bedoeld in de vorige volzin nagelaten, dan verkrijgen de minderjarige kinderen van de overledene recht op bedoelde uitkering. Ontbreken ook zodanige kinderen, dan hebben, indien de overledene kostwinner was van ouders, meerderjarige kinderen, broers of zusters, deze betrekkingen recht op bedoelde uitkering.

  • 2 Laat de overledene geen betrekkingen na die krachtens het eerste lid recht hebben op de uitkeringen als in dat lid bedoeld, dan kan dit bedrag door het college geheel of ten dele worden aangewend voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte en van de lijkbezorging.

9d Tijdelijke regeling ambtenaren, werkzaam bij de gemeentelijke beroepsbrandweer en een gemeentelijke ambulancedienst, geboren na 1949 of die geboren is voor 1950, maar...

Artikel 9d:1 Tijdelijke regeling

Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar, werkzaam bij de gemeentelijke beroepsbrandweer of een gemeentelijke ambulancedienst, die geboren is na 1949 of die geboren is voor 1950, maar die op 1 april 1997 geen deelnemer was bij het ABP en die op 31 december 2005 en 1 januari 2006 werkzaam was in een functie, waarvoor door het college krachtens artikel 8:3, zoals dat luidde op 31 december 2005 [Klik hier om het document te downloaden] , leeftijdsgrenzen zijn bepaald.

Artikel 9d:2 Tijdelijke regeling
  • 1 De ambtenaar, bedoeld in artikel 9d:1, die op grond van de op 31 december 2005 voor hem geldende regelgeving, op 1 januari 2006 of daarna FLO-ontslag zou zijn verleend, wordt buitengewoon verlof verleend met behoud van de volledige bezoldiging.

  • 2 Het buitengewoon verlof gaat in op de datum waarop de ambtenaar FLO-ontslag zou zijn verleend.

  • 3 Deze regeling is bedoeld als overgangsmaatregel en geldt tijdelijk totdat het FLO-overgangsrecht is vastgesteld.

Artikel 9d:3 Slotbepaling

Ambtenaren, aan wie op of na 1 januari 2006 op grond van artikel 9d:2 buitengewoon verlof verleend is met behoud van zijn volledige bezoldiging, worden met ingang van 1 juli 2006 onder de werking van hoofdstuk 9b gebracht.

Artikel 9d:4 Slotbepaling

Met ingang van 1 juli 2006 kunnen ambtenaren geen recht meer doen gelden op de aanspraken op grond van dit hoofdstuk.

9e De gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht

Artikel 9e:1 Werkingssfeer

Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar op wie paragraaf 2 of 3 van hoofdstuk 9b of op wie artikel 9b:49 van toepassing is.

Artikel 9e:2 Begripsomschrijvingen
  • 1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    • a

      gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht: een regeling als bedoeld in artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964;

    • b

      instelling: een door de ambtenaar gekozen kredietinstelling of verzekeraar als bedoeld in artikel 19g, vierde lid, Wet op de loonbelasting 1964;

    • c

      levenslooprekening: een bij de instelling door de ambtenaar geopende geblokkeerde rekening, waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort;

    • d

      levensloopverzekering: een bij de instelling door de ambtenaar afgesloten verzekering, waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort;

    • e

      levenslooptegoed: het tegoed op een levenslooprekening onderscheidenlijk het verzekerd kapitaal;

    • f

      netto spaarverzekering: de bij Loyalis Levensloop Brandweer & Ambulance afgesloten verzekering met als productnaam “Aanvullingsplan Netto, waarop de inleg van de ambtenaar wordt gestort;

    • g

      netto spaarverzekeringstegoed: het tegoed op de netto spaarverzekering;

    • h

      Loyalis Levensloop Brandweer & Ambulance: het product van Loyalis, speciaal ontwikkeld voor het FLO-overgangsrecht, dat bestaat uit een levensloopverzekering en een netto spaarverzekering.

  • 2 Het LOGA-pad houdt in dat de ambtenaar:

    • a

      moet deelnemen aan Loyalis Levensloop Brandweer & Ambulance en,

    • b

      de volledige levensloopbijdrage beschikbaar moet stellen om in te leggen in Loyalis Levensloop Brandweer & Ambulance op het moment dat de werkgever deze levensloopbijdrage verstrekt en,

    • c

      niet tussentijds (vóór het bereiken van de 59- of 60-jarige leeftijd) tegoed opneemt uit Loyalis Levensloop Brandweer & Ambulance.

Artikel 9e:3 Doel

De bepalingen van dit hoofdstuk hebben ten doel het treffen van een voorziening in geld uitsluitend ten behoeve van de financiering van een periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof door de ambtenaar. De gespaarde voorziening blijft qua omvang binnen de grenzen van artikel 19g van de Wet op de loonbelasting 1964.

Artikel 9e:4 Verzoek tot deelname levensloopregeling
  • 1 De ambtenaar die wil deelnemen aan de gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht meldt dit bij het college.

  • 2 Het college verwerkt de melding uiterlijk met ingang van de derde kalendermaand na ontvangst, tenzij niet wordt voldaan aan de eisen zoals genoemd in artikel 9e:5.

  • 3 Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.

Artikel 9e:5 Voorwaarden deelname levensloopregeling
  • 1 De ambtenaar informeert het college schriftelijk over de instelling waarbij de levenslooprekening of de levensloopverzekering wordt aangehouden.

  • 2 De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college of hij een levenslooptegoed heeft opgebouwd bij een of meer gewezen inhoudingsplichtigen tenzij een andere werkgever bij wie de ambtenaar in dienstbetrekking staat geacht wordt inhoudingsplichtig te zijn ten aanzien van dit levenslooptegoed.

  • 3 De ambtenaar stemt er schriftelijk mee in dat de instelling aan het college informatie verstrekt over de omvang van het levenslooptegoed van de ambtenaar tenzij dit levenslooptegoed geacht wordt te zijn opgebouwd bij een andere inhoudingsplichtige bij wie de ambtenaar in dienstbetrekking staat.

  • 4 De ambtenaar verklaart schriftelijk aan het college dat hij gedurende zijn deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht niet deelneemt aan een spaarloonregeling als bedoeld in artikel 32 Wet op de loonbelasting 1964.

Artikel 9e:6 Inleg
  • 1 De ambtenaar vermeldt bij zijn melding om deel te nemen aan de gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht het gewenste bedrag van de inleg per jaar.

  • 2 De ambtenaar kan eenmaal per jaar op een door het college aangewezen wijze en tijdstip de hoogte van de inleg wijzigen.

  • 3 De inleg bestaat uit een of meerdere van de in artikel 9e:7 genoemde bronnen.

Artikel 9e:7 Bronnen

De jaarlijkse inleg van de ambtenaar in het kader van de gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht bestaat uit een of meer van de volgende bronnen:

  • a

    het salaris

  • b

    de vakantietoelage;

  • c

    de eindejaarsuitkering;

  • d

    de levensloopbijdrage als genoemd in artikel 9e:8 en 9e:9;

  • e

    de geldelijke vergoeding voor de verkoop van vakantie-uren als bedoeld in artikel 4a:1;

  • f

    het opgebouwde verloftegoed bedoeld in artikel 4:3 lid 3.

Artikel 9e:8 Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met 20 dienstjaren of meer op 1 januari 2006
  • 1 De ambtenaar op wie paragraaf 2 van hoofdstuk 9b van toepassing is, heeft recht op een levensloopbijdrage van de gemeente.

  • 2 De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 55, 56, 57, 58 of 59 jaar zodanig, dat de ambtenaar bij het bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid, een tegoed heeft overeenkomend met 210% van zijn bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed. De controle hierop vindt plaats binnen een half jaar na het bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof.

  • 3 De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 60 jaar zodanig, dat hij bij het bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11, tweede lid, een tegoed heeft overeenkomend met 140% van zijn bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed.De controle hierop vindt plaats binnen een half jaar na het bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof.

  • 4 Voorwaarde voor de in het tweede en derde lid genoemde garantie van 210% respectievelijk 140% is dat de ambtenaar het LOGA-pad volgt.

  • 5 De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend inkomen, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, sub g van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

  • 6 De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel 3:1.

  • 7 De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel 9b:2.

Artikel 9e:9 Levensloopbijdrage voor de ambtenaar met minder dan 20 dienstjaren op 1 januari 2006
  • 1 De ambtenaar op wie paragraaf 3 van hoofdstuk 9b van toepassing is, heeft recht op een levensloopbijdrage van de gemeente.

  • 2 De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 55, 56, 57, 58 of 59 jaar zodanig, dat hij bij het bereiken van de datum, bedoeld in artikel 9b:35, eerste lid, en uitgaande van het bereiken van 20 dienstjaren of meer op dat moment, een tegoed heeft overeenkomend met 210% van zijn bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed. De controle hierop vindt plaats binnen een half jaar na het bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof.

  • 3 De hoogte van de levensloopbijdrage is voor de ambtenaar voor wiens functie een leeftijdsgrens was vastgesteld van 60 jaar zodanig, dat hij bij het bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:35, tweede lid, en uitgaande van het bereiken van 20 dienstjaren of meer, een tegoed heeft overeenkomend met 140% van zijn bezoldiging als bedoeld in artikel 9b:2. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed. De controle hierop vindt plaats binnen een half jaar na het bereiken van de datum van ingang van het onbezoldigd volledig verlof.

  • 4 In het tweede lid wordt onder dienstjaren verstaan het aantal jaren bedoeld in artikel 9b:2, onderdeel c of d, tot de leeftijd van 59 jaar.

  • 5 In het derde lid wordt onder dienstjaren verstaan het aantal jaren bedoeld in artikel 9b:2, onderdeel c of d, tot de leeftijd van 60 jaar.

  • 6 Voorwaarde voor de in het tweede en derde lid genoemde garantie van 210% respectievelijk 140% is dat de ambtenaar het LOGA-pad volgt.

  • 7 Wanneer op 59-jarige leeftijd respectievelijk 60-jarige leeftijd nog geen 20 dienstjaren zijn bereikt, voorziet de levensloopbijdrage in een tegoed naar rato van het aantal dienstjaren, dat op 59-jarige leeftijd respectievelijk 60-jarige leeftijd is bereikt.

  • 8 De levensloopbijdrage behoort niet tot het pensioengevend inkomen, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, sub g van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

  • 9 De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel 3:1.

  • 10 De levensloopbijdrage behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel 9b:2.

Artikel 9e:10 Beëindiging deelname gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht
  • 1 Het college beëindigt de deelname aan de levensloopregeling uiterlijk twee maanden na ontvangst van de kennisgeving hiertoe door de ambtenaar. Het college stelt vast hoe de kennisgeving moet plaatsvinden.

  • 2 Deelname aan de gemeentelijke levensloopregeling FLO-overgangsrecht eindigt daarnaast:

    • a

      bij overlijden van de ambtenaar;

    • b

      bij beëindiging van zijn bezwarende functie;

    • c

      op de laatste dag van de maand voorafgaand aan de maand waarin de ambtenaar 65 jaar wordt.

Artikel 9e:11 Afkoop levensloopbijdrage
  • 1 De ambtenaar, bedoeld in artikel 9e:8, tweede lid, en 9e:9, tweede lid, wiens deelname aan de levensloopregeling FLO-overgangsrecht eindigt op grond van artikel 9e:10, tweede lid, onder b, voordat hij het moment van ingang van onbezoldigd volledig verlof bereikt, bedoeld in artikel 9b:11, eerste lid, of 9b:35, eerste lid, heeft recht op een afkoopbedrag.

  • 2 De ambtenaar, bedoeld in artikel 9e:8, derde lid, en 9e:9, derde lid, wiens deelname aan de levensloopregeling FLO-overgangsrecht eindigt op grond van artikel 9e:10, tweede lid, onder b, voordat hij het moment van ingang van onbezoldigd volledig verlof bereikt, bedoeld in artikel 9b:11, tweede lid, of 9b:35, tweede lid, heeft recht op een afkoopbedrag.

  • 3 De hoogte van het afkoopbedrag is voor de ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, zodanig, dat hij, uitgaande van de in het LOGA overeengekomen uitgangspunten, op de leeftijd van 59 jaar een tegoed heeft overeenkomend met 210% van de bezoldiging op het moment van ontslag. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed.

  • 4 De hoogte van het afkoopbedrag is voor de ambtenaar, bedoeld in het tweede lid, zodanig, dat hij, uitgaande van de in het LOGA overeengekomen uitgangspunten, op de leeftijd van 60 jaar een tegoed heeft overeenkomend met 140% van de bezoldiging op het moment van ontslag. Hierbij is het tegoed de som van het levenslooptegoed en het netto spaarverzekeringstegoed.

  • 5 Wanneer op het moment van ontslag nog geen 20 dienstjaren zijn bereikt, voorziet het afkoopbedrag, uitgaande van de in het LOGA overeengekomen uitgangspunten, in een tegoed op 59- of 60-jarige leeftijd naar rato van het aantal dienstjaren op het moment van ontslag.

  • 6 De hoogte van het afkoopbedrag wordt door Loyalis bepaald, waarbij:

    • a

      het afkoopbedrag wordt gebaseerd op de bezoldiging op de dag voorafgaand aan het moment van ontslag;

    • b

      er een verwacht netto rendement van 4% voor de contante waardeberekening wordt gehanteerd;

    • c

      het afkoopbedrag wordt gebaseerd op dienstjaren, afgerond op hele maanden naar beneden, bij de oud-werkgever.

  • 7 Het afkoopbedrag behoort niet tot het pensioengevend inkomen, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, sub g van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

  • 8 Het afkoopbedrag behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel 3:1.

  • 9 Het afkoopbedrag behoort niet tot de bezoldiging, bedoeld in artikel 9b:2.

Artikel 9e:11a Levensloopbijdrage bij regionalisering

In afwijking van artikel 9e:11, eerste en tweede lid, heeft de ambtenaar

  • -

    die wegens regionalisering van de gemeentelijke beroepsbrandweer uit de bezwarende functie wordt ontslagen en

  • -

    op wie bij de nieuwe werkgever hoofdstuk 9b van toepassing blijft, geen recht op een afkoopbedrag tenzij het college beslist tot afkoop.

Artikel 9e:12 Afkoop bij voortzetting overgangsrecht

Wanneer sprake is van een overstap van de ene bezwarende oud FLO-functie naar een andere bezwarende oud FLO-functie, als bedoeld in artikel 9b:1, tweede lid, waarbij het overgangsrecht voortgezet wordt, is de voorwaarde voor de garanties bedoeld in artikel 9e:8 en 9e:9 dat de ambtenaar het afkoopbedrag, als bedoeld in artikel 9e:11 beschikbaar stelt voor inleg in Loyalis Levensloop Brandweer & Ambulance.

Artikel 9e:13 Opname levenslooptegoed
  • 1 Over het levenslooptegoed wordt uitsluitend beschikt:

    • a

      ten behoeve van de uitbetaling van een uitkering tijdens een periode van (gedeeltelijk) onbetaald verlof op grond van de Wet arbeid en zorg, hoofdstuk 6 of de periode van onbetaald volledig verlof, bedoeld in artikel 9b:11 en 9b:35;

    • b

      b. ten behoeve van het omzetten van het levenslooptegoed in een aanspraak ingevolge artikel 16.6. van het Pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP, voor zover de fiscale grenzen in de Wet op de loonbelasting 1964 niet worden overschreden.

  • 2 Om over het levenslooptegoed te kunnen beschikken meldt de ambtenaar tenminste drie maanden voor de gewenste ingangsdatum het college dat hij wil beschikken over (een deel van zijn) levenslooptegoed. Het college stelt vast hoe de melding moet plaatsvinden.

  • 3 Het levenslooptegoed mag geheel of gedeeltelijk worden afgekocht in geval van beëindiging van het dienstverband.

  • 4 Met inachtneming van het derde lid, wordt het levenslooptegoed niet afgekocht, vervreemd, prijsgegeven dan wel formeel of feitelijk als voorwerp van zekerheid gesteld anders dan ten behoeve van de in artikel 61k Uitvoeringsregeling loonbelasting 2001 bedoelde verpanding ten behoeve van de belastingdienst bij buitenlandse aanbieders.

10 Wachtgeld

Artikel 10:1 Betrokkene
  • Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)

  • 1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'betrokkene':

    • a

      de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:4 of artikel 8:5 van deze regeling ontslag is verleend uit een betrekking:

      • 1

        waarin hij vast was aangesteld;

      • 2

        waarin hij tijdelijk was aangesteld, mits die aanstelling ten minste vijf jaren heeft geduurd en niet is geschied in een betrekking van kennelijk tijdelijke aard;

    • b

      de gewezen ambtenaar aan wie op grond van artikel 8:6 of artikel 8:8 van deze regeling ontslag is verleend, tenzij toepassing is gegeven aan het bepaalde in artikel 8:6, tweede lid, respectievelijk artikel 8:8, tweede lid.

  • 2 Onder betrokkene wordt mede verstaan de gewezen ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, die zelf ontslag heeft gevraagd nadat het voornemen, hem op grond van artikel 8:4 of 8:5 van deze regeling ontslag te verlenen, hem schriftelijk is medegedeeld.

Artikel 10:2 Lichamen

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'lichamen': Rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens.

Artikel 10:3 Diensttijd
  • Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)

  • 1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'diensttijd': de aan het in artikel 10:1, eerste lid, bedoelde ontslag voorafgaande in overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in de zin van de WPA is verbonden, alsmede tijd die door inkoop of door een verzoek, bedoeld in artikel D2 van de pensioenwet, voor pensioen geldig zou zijn verklaard.

  • 2 Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de tijd doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag, bedoeld in artikel 10:1, is verleend, indien aan die tijd op grond van de Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc. 1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van evengenoemde regeling niet is verbonden.

  • 3 In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid blijft buiten beschouwing:

    • a

      diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een jaar daarvan wegens verleend ontslag, behalve voor de toepassing van artikel 10:8, derde tot en met vijfde lid;

    • b

      diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van de duur van een eerder toegekend wachtgeld of een daarmede gelijk te stellen uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste van de overheid, behalve voor de toepassing van artikel 10:8, derde tot en met vijfde lid;

    • c

      diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van een pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een ontslag verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of een soortgelijke bepaling in een andere overheidsregeling;

    • d

      tijd, bedoeld in artikel 5:4 van het pensioenreglement;

    • e

      tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden, doch uit welke hij vrijwillig ontslag heeft genomen met ingang van de datum waarop het wachtgeld ingaat.

  • 4 Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van het wachtgeld in aanmerking is genomen met een overheidspensioen anders dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP wordt vergolden, worden de duur en het bedrag van het wachtgeld met ingang van de dag waarop dit pensioen is ingegaan, herberekend, waarbij die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.

Artikel 10.3 (Q) Diensttijd (o.a. Stichting Wijkcentra)

In aanvulling op de toelichting van artikel 10:3, worden de volgende leden toegelicht:

Lid 2

Op grond van het raadsbesluit van 11 juni 1981, afd. VII-B, nr. 4900/81 ter zake van de omzetting van de Stichting Wijkcentra in een bestuurscommissie ex. artikel 61 dient als diensttijd tevens te worden beschouwd: de tijd vóór 1 januari 1982 bij de Stichting Wijkcentra doorgebracht. Zie hoofdstuk 3 (Personele aspecten) van het desbetreffende raadsvoorstel.

Lid 3d

Met tijd bedoeld in art 5,4 van het pensioenreglement wordt bedoeld de tijd doorgebracht door de deelnemer als gewezen werknemer tot de eerste dag van de maand volgende op die waarin betrokkene de leeftijd van 62 jaar heeft bereikt en er recht bestond op een ontslaguitkering. Verder de tijd betreffende de gewezen werknemers die, voor zolang dat recht is toegekend, op 1 april 1997 recht hadden op een ontslaguitkering. Ook betreft het de tijd van de gewezen werknemers die zouden hebben voldaan aan de voorwaarden voor het verkrijgen van het recht op een vut-uitkering indien hen met ingang van 1 april 1997 of een daarvoor gelegen tijdstip ontslag zou zijn verleend, mits zij, voor zolang dat recht is toegekend, recht hebben op een in de fpu-regeling bedoelde uitkering ten laste van de Stichting Vut-fonds overheidspersoneel. Op grond van genoemd artikel 5,4 tellen voornoemde tijden voor de helft mee.

Artikel 10:4 Dienstbetrekking
  • Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)

  • 1 Deze regeling verstaat onder dienstbetrekking iedere publiekrechtelijke of privaatrechtelijke arbeidsverhouding waarbij in dienst van een natuurlijke persoon of een lichaam werkzaamheden tegen bezoldiging of loon worden verricht.

  • 2 Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10:5 Bezoldiging
  • Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)

  • 1 In deze regeling wordt verstaan onder 'bezoldiging': de bezoldiging bedoeld in artikel 3:1, tweede lid, van deze regeling, zoals deze laatstelijk vóór het ontslag aan de betrekking was verbonden, vermeerderd met de vakantietoelage, bedoeld in artikel 6:3 van deze regeling, en de eindejaarsuitkering bedoeld in artikel 3:6.

  • 2 Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen wegens de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling, wordt dit bedrag berekend naar het gemiddelde over de aan de dag van het ontslag voorafgaande twaalf volle kalendermaanden.

  • 3 Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging wijziging zou zijn gekomen als de betrokkene de betrekking op die bezoldiging zou zijn blijven vervullen, geldt met ingang van de dag van in werking treden van die wijziging het gewijzigde bedrag als bezoldiging.

  • 4 Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden voorafgaande aan de opheffing van de betrekking lager was dan zonder verminderde werkzaamheden het geval zou zijn geweest, kan de bezoldiging ten gunste van betrokkene worden herzien.

Artikel 10:6 Recht op wachtgeld
  • Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)

  • 1 De betrokkene, bedoeld in artikel 10:1, eerste lid, heeft recht op wachtgeld met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat, tenzij de betrokkene :

    • a

      ter zake van dat ontslag recht heeft op een pensioen wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd;

    • b

      op dat moment recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;

    • c

      terzake van dat ontslag recht heeft op een suppletie als bedoeld in hoofdstuk 11a van deze regeling.

  • 2 De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, heeft recht op wachtgeld met ingang van de dag waarop de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan 80. De hoogte van dit wachtgeld wordt vastgesteld te rekenen vanaf de datum van ontslag. Ter bepaling van de duur van het wachtgeld wordt voor de toepassing van:

    • a

      artikel 10:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met ingang waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld, waarbij voor de toepassing van het vierde lid tevens een WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer mede in aanmerking wordt genomen;

    • b

      artikel 10:8 als ingangsdatum uitgegaan van de datum van ontslag.

  • 3 De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, heeft na afloop van de suppletie, bedoeld in artikel 11a:5, onderdeel a, recht op wachtgeld indien hij bij het buiten toepassing laten van het eerste lid, onderdeel c, op grond van het ontslag uit de betrekking waarvoor hij arbeidsongeschikt is verklaard recht zou hebben op wachtgeld waarbij de duur zou worden vastgesteld ingevolge artikel 10:8 van dit besluit. Het wachtgeld gaat in op de eerste dag volgende op die waarop de suppletie op grond van artikel 11a:5, onderdeel a, is geëindigd. Het eindigt op het tijdstip waarop het wachtgeld dat, te rekenen vanaf de dag waarop het ontslag is ingegaan, zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:8, bij het buiten toepassing laten van het eerste lid,onderdeel c, zou zijn geëindigd. Op de hoogte van dit wachtgeld is artikel 10:10 van toepassing in die zin dat gerekend wordt vanaf het tijdstip waarop het ontslag is ingegaan.

Artikel 10:7 Duur van het wachtgeld
  • Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)

  • 1 De duur van het wachtgeld is 6 maanden, met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat.

  • 2 Indien de betrokkene:

    • a

      in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ten minste gedurende 3 jaar als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of

    • b

      onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op een uitkering op grond van de WAJONG of de WAZ;

      • -

        wordt de duur van het wachtgeld verlengd met:

      • -

        3 maanden bij een arbeidsverleden van ten minste 5 jaar;

      • -

        0,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 10 jaar;

      • -

        1 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 15 jaar;

      • -

        1,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 20 jaar;

      • -

        2 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 25 jaar;

      • -

        2,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 30 jaar;

      • -

        3,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 35 jaar, en

      • -

        4,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 40 jaar.

  • 3 Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld door samentelling van:

    • a

      perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, waarover de betrokkene aantoont als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam te zijn geweest, en

    • b

      de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de betrokkene en de dag, gelegen 5 jaar voor het ontslag.

  • 4 Perioden, waarin een betrokkene:

    • a

      recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%;

    • b

      ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door het Rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage ontvangt die naar aard en strekking overeenkomt met een toelage als bedoeld onder a, die al dan niet vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van de middelsom, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend;

    • c

      een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage op grond van dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend;

    • d

      na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering ontvangt op grond van de Ziektewet over de maximale duur, bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die wet;

    • e

      een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering bedoeld onder a of d; worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband met een gewezen dienstbetrekking van 8 of meer uren per week, in aanmerking genomen voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het derde lid.

  • 5 Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het derde lid, worden perioden waarin een persoon een tot zijn huishouden behorend kind:

    • a

      beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid volledig; en

    • b

      vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd van 12 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid, voor de helft in aanmerking genomen.

  • 6 Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van verzorging niet meegeteld de periode waarin:

    • a

      de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een wettelijke regeling inzake werkloosheid recht heeft op een uitkering ter zake van werkloosheid; of

    • b

      de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan tijdens vakantie.

  • 7 Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende personen zijn als bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de toepassing van dat lid als verzorgende persoon van het kind beschouwd, degene van deze personen die zij als zodanig hebben aangewezen. In geval geen verzorgende persoon wordt aangewezen is het college bevoegd een van hen die naar het oordeel van het college als verzorgende persoon moet worden beschouwd, als zodanig aan te wijzen.

  • 8 Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt onder:

    • a

      een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;

    • b

      een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt onderhouden en opgevoed.

  • 9 De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid, van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10:8 Duur van het wachtgeld
  • Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)

  • 1 In afwijking van artikel 10:7 wordt, indien dit leidt tot een langere wachtgeldduur, waarin tevens voor zover van toepassing de bijzondere verlenging als bedoeld in het vierde lid is begrepen, de duur van het wachtgeld vastgesteld   overeenkomstig de volgende leden.

  • 2 De duur van het wachtgeld wordt vastgesteld op drie maanden, vermeerderd voor de betrokkene:

    • a

      die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de diensttijd;

    • b

      die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van 19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar opklimmende met 1,5%;

    • c

      die op de dag van ontslag 60 jaar of ouder is, met een duur gelijk aan 78% van de diensttijd.

  • 3 Ten aanzien van de betrokkene die bij de aanvang van de in het voorgaande lid bedoelde diensttijd in het genot was van wachtgeld, waarvan de duur is vastgesteld krachtens het eerste en tweede lid van dit artikel, of van een uitkering waarvan de duur is vastgesteld krachtens artikel 11:8, tweede lid van deze regeling, wordt bij de berekening van de duur van het wachtgeld op basis van het tweede lid mede in aanmerking genomen de diensttijd, welke bij de berekening van de duur van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder toegekende uitkering in aanmerking is genomen. Op de aldus berekende duur wordt de duur van het eerder toegekende wachtgeld of de eerder toegekende uitkering, met uitzondering van de verlenging, bedoeld in het volgende lid, in mindering gebracht.

  • 4 In aanvulling op de duur van het wachtgeld van de betrokkene die ten tijde van het ontslag een diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, van ten minste tien jaar heeft volbracht, wordt indien de som van zijn leeftijd en diensttijd ten tijde van het ontslag 60 jaren of meer bedraagt, na afloop van de termijn waarover wachtgeld is toegekend, een bijzondere verlenging verleend. Deze bijzondere verlenging duurt tot de eerste dag van de kalendermaand waarin hij 65 jaar wordt.

  • 5 De verlenging als bedoeld in het vierde lid vindt niet plaats in het geval, dat ter zake van een eerder toegekend wachtgeld de vorenbedoelde verlenging reeds heeft plaatsgehad, tenzij de betrokkene nadien wederom een diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, van ten minste tien jaar heeft vervuld. In dat geval blijft de tijd die in aanmerking is genomen bij de bijzondere verlenging, buiten aanmerking

Artikel 10:9 Vervolgwachtgeld
  • Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)

  • 1 De betrokkene, die het einde van de wachtgeldduur, bedoeld in artikel 10:7, tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op dat wachtgeld recht op een vervolgwachtgeld.

  • 2 De betrokkene die

    • a

      het einde van de wachtgeldduur bedoeld in artikel 10:7, eerste lid, heeft bereikt en

    • b

      voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede lid, onderdeel a of b, doch uitsluitend wegens zijn arbeidsverleden geen recht heeft op verlenging van de wachtgeldduur, heeft recht op een vervolgwachtgeld.

  • 3 Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van het vervolgwachtgeld een jaar.

  • 4 De duur van het vervolgwachtgeld voor de betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een half jaar.

  • 5 De betrokkene aan wie uitsluitend ingevolge het eerste en tweede lid van artikel 10:8 een wachtgeld is toegekend en die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede lid, onderdeel a of b, heeft aansluitend recht op een vervolgwachtgeld indien het toegekende wachtgeld eindigt op een tijdstip gelegen binnen een jaar na de datum waarop zijn wachtgeld zou zijn beëindigd, wanneer dit zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:7. Het vervolgwachtgeld eindigt op het tijdstip gelegen een jaar na de in de vorige volzin bedoelde datum.

  • 6 De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, aan wie uitsluitend ingevolge het eerste en tweede lid van artikel 10:8 een wachtgeld is toegekend en die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 10:7, tweede lid, onderdeel a of b, heeft aansluitend recht op een vervolgwachtgeld indien het toegekende wachtgeld eindigt op een tijdstip gelegen binnen drie en een half jaar na de datum waarop zijn wachtgeld zou zijn beëindigd, wanneer dit zou zijn toegekend ingevolge artikel 10:7. Het vervolgwachtgeld eindigt op het tijdstip gelegen drie en een half jaar na de in de vorige volzin bedoelde datum.

  • 7 Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van het wachtgeld van overeenkomstige toepassing op het vervolgwachtgeld.

Artikel 10:10 Bedrag van het wachtgeld
  • Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)

  • 1 Het bedrag van het wachtgeld is gedurende de eerste drie maanden gelijk aan 87% van de bezoldiging, gedurende de daaropvolgende negen maanden 77% van die bezoldiging en vervolgens 67% van die bezoldiging. Bij intrekking van de Wet van 20 december 1984 (Stb. 1984, 657) worden de percentages, genoemd in de vorige volzin, met 3 procentpunten verhoogd. Het bedrag van het wachtgeld daalt echter niet beneden het bedrag van het pensioen waarop de betrokkene recht zou hebben indien hij uit de betrekking waaruit hij met recht op wachtgeld is ontslagen, op de dag van dat ontslag zou zijn gepensioneerd naar de diensttijd, voor zover geldig voor pensioen, en de berekeningsgrondslag, bedoeld in artikel 6.2 van het pensioenreglement, in de betrekking waaruit het wachtgeld is toegekend.

  • 2 In afwijking van het vorige lid is het bedrag van het wachtgeld tijdens de verlenging bedoeld in artikel 10:8, vierde lid, gelijk aan het bedrag van het pensioen, bedoeld in het vorige lid, met dien verstande dat gedurende het eerste jaar van die verlenging het wachtgeld ten minste bedraagt 40% van de bezoldiging.

Artikel 10:11 Bedrag van het vervolgwachtgeld
  • Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)

  • 1 Het bedrag van het vervolgwachtgeld is gelijk aan het minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan 70% van de bezoldiging.

  • 2 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder het minimumloon verstaan het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, of, indien het een betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet, beide vermeerderd met de daarvoor berekende vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.

Artikel 10:12 Verplichtingen
  • Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)

  • 1 Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft bereikt, is hij verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden opgedragen, te aanvaarden dan wel tot het verkrijgen van inkomsten gebruik te maken van elke gelegenheid die in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden passend kan worden geacht.

  • 2 Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is hij verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats als werkzoekende te doen inschrijven op de eerste werkdag, volgende op die waarop het ontslag ingaat, dan wel het recht op wachtgeld ontstaat.

  • 3 De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon verblijf houdt in het buitenland dan wel nadien metterwoon verblijf gaat houden in het buitenland en die de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is verplicht zich te doen inschrijven als werkzoekende bij een aldaar gevestigde instantie van arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid biedt en die naar het oordeel van het college vergelijkbaar is met het arbeidsbureau.

  • 4 Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid omschreven verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of groepen van betrokkenen die de leeftijd van 55 jaar nog niet hebben bereikt.

  • 5 De betrokkene, bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, is voorts verplicht zich te gedragen naar de voorschriften die hem door het college in het algemeen of voor enig bijzonder geval worden gegeven, strekkende tot het verkrijgen van een betrekking of andere bron van inkomsten.

  • 6 De in het eerste tot en met vijfde lid bedoelde verplichtingen vinden overeenkomstige toepassing voor de ambtenaar zodra hem ontslag op grond van artikel 8:4 van deze regeling is verleend, dan wel het voornemen tot zodanig ontslag hem schriftelijk is medegedeeld.

  • 7 Door het aanvaarden van het wachtgeld wordt de betrokkene geacht er in toe te stemmen, dat zij die naar het oordeel van het college daarvoor in aanmerking komen alle voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijke inlichtingen geven.

Artikel 10:13 Verplichtingen bij ziekte
  • Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)

  • 1 Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te verrichten, of daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan terstond mededeling te doen aan het college.

  • 2 Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot de geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is gesteld van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor een WAO-uitkering, is hij verplicht binnen de bij of krachtens de WAO gestelde termijnen een WAO-uitkering aan te vragen en alle medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor het verkrijgen van deze uitkering.

  • 4 Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen WAO-uitkering aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk rekening gehouden met de WAO-uitkering behorende bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.

  • 5 Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing van dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd te zijn genoten.

Artikel 10:14 Verhuiskosten

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)

Aan hem die op wachtgeld is of zal worden gesteld kan, indien hij elders arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college een op de voet van de Verplaatsingskostenregeling te bepalen vergoeding in de kosten van een daartoe noodzakelijke verhuizing worden toegekend.

Artikel 10:15 Vermindering
  • Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)

  • 1 Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag waarop hem het ontslag is verleend dan wel schriftelijk mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen, wordt op het wachtgeld een vermindering toegepast tot het bedrag waarmee die inkomsten en wachtgeld samen de bezoldiging te boven gaan. Voor de bepaling van het bedrag waarmee het wachtgeld vermeerderd met inkomsten zoals bedoeld in de eerste volzin, de bezoldiging overschrijdt, wordt een vermindering van het wachtgeld ingevolge het bepaalde in artikel 10:19, eerste lid, niet in aanmerking genomen.

  • 2 Ten aanzien van de betrokkene aan wie een wachtgeld is toegekend en die wegens ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte ontslag is verleend uit de betrekking die hij gedurende de met recht op wachtgeld doorgebrachte tijd bekleedde en waarin hij deelnemer was in de zin van het pensioenreglement, worden inkomsten bedoeld in het eerste lid als volgt verrekend. De inkomsten - ter hand genomen met ingang van of na de dag waarop het ontslag plaatsvond - uit de betrekking die door betrokkene als wachtgelder werd vervuld, worden verrekend over de maand waarop zij betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben. In afwijking van het gestelde in het eerste lid, geschiedt deze verrekening op zodanige wijze dat het oorspronkelijk toegekende wachtgeld wordt verminderd met het bedrag waarmee de WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met invaliditeitspensioen, al dan niet aangevuld met een wachtgeld of uitkering, vermeerderd met de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf met inbegrip van het oorspronkelijk toegekende wachtgeld de oorspronkelijke bezoldiging overschrijdt. Indien na die vermindering een bedrag aan overschrijding van de bezoldiging resteert, wordt het aanvullende wachtgeld of de aanvullende uitkering verminderd met het resterende bedrag aan overschrijding.

  • 3 Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende vakantie, verlof of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem wachtgeld is toegekend.

  • 4 Wanneer de betrokkene op of na de dag, bedoeld in het eerste lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf, ter hand genomen vóór evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde vermindering vindt echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen of indien de betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met het ontslag.

  • 5 Onder inkomsten, bedoeld in de voorgaande leden, wordt niet verstaan inkomsten, verkregen wegens overwerk of als gratificatie.

Artikel 10:16 Opgave van inkomsten
  • Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)

  • 1 De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op of na de dag waarop hem ontslag is verleend of hem schriftelijke mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen, onverwijld mededeling aan het college of aan een door het college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij, voor zover mogelijk, opgave van de inkomsten die hij uit die arbeid of dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of blijvende wijzigingen in alle evengenoemde bedragen geeft hij tijdig voor het verschijnen van de eerstvolgende wachtgeldtermijn op.

  • 2 Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door de betrokkene zijn op te geven, doet hij vóór het verschijnen van elke wachtgeldtermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter hand nemen van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft verkregen. Brengt de aard van de arbeid of het bedrijf, ter beoordeling van het college, mede dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, welke echter niet langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt het bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder voorbehoud van verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn

  • 3 Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een opgave, bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.

  • 4 Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel 10:15, derde en vierde lid.

Artikel 10:17 Verlenging

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)

Indien de betrokkene binnen drie maanden na het ontslag waaraan hij het recht op wachtgeld ontleent bij de gemeente te wier laste het wachtgeld komt een naar de aard van de werkzaamheden overeenkomstige betrekking gaat vervullen als die waaruit hem het ontslag is verleend, wordt de duur van die betrekking aan de op grond van de artikelen 10:7 en 10:8 vastgestelde duur van het wachtgeld toegevoegd.

Artikel 10:18 Opschorting
  • Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)

  • 1 Indien de betrokkene na zijn ontslag, uit hoofde van ziekte aanspraak op doorbetaling van bezoldiging of een uitkering ten bedrage van de laatstgenoten bezoldiging heeft of krijgt in verband met de betrekking waaruit hem ontslag is verleend, wordt de uitvoering of verdere uitvoering van de wachtgeldregeling vervat in deze regeling opgeschort tot het einde van het tijdvak waarover die aanspraak bestaat.

  • 2 Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als dienstplichtige in militaire dienst bevindt of moet begeven, de uitvoering of verdere uitvoering van de wachtgeldregeling vervat in deze regeling opschorten tot het einde van het tijdvak van diens militaire dienst.

Artikel 10:19 Samenloop
  • Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)

  • 1 Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit hij met recht op wachtgeld is ontslagen, aanspraak heeft op een WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van het wachtgeld, toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna genoemde percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van

    65% tot 80% :80%;
    55% tot 65% :   60%;
    45% tot 55% :   50%;
    35% tot 45% :   40%;
    25% tot 35% :   30%;
    15% tot 25% :   20%;
    minder dan 15%:0%.

    De som van de in de eerste volzin bedoelde WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en het verminderde wachtgeld bedraagt voorts niet meer dan het onverminderde wachtgeld dat wordt genoten indien er geen sprake is van samenloop. Ingeval van overschrijding wordt het overschrijdende bedrag op het wachtgeld in mindering gebracht.

  • 2 Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen WAO-uitkering aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met de WAO-uitkering waarbij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer behoort.

  • 3 Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht op deze uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing van dit artikel steeds geacht onverminderd te zijn genoten.

  • 4 Indien de betrokkene aanspraken heeft of verkrijgt op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet of de ziektewet, wordt gedurende de termijn waarover die aanspraken bestaan, het wachtgeld slechts uitbetaald voor zover het evenbedoelde uitkeringen te boven gaat.

Artikel 10:20 Betaling
  • Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)

  • 1 Het bedrag van het wachtgeld, over een jaar berekend, wordt naar boven tot een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen uitbetaald als de bezoldiging welke vóór de toekenning van wachtgeld werd genoten.

  • 2 Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van het wachtgeld over langere termijnen geschieden.

Artikel 10:21 Afkoop

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)

In bijzondere gevallen kan het college op verzoek van de betrokkene een regeling met hem treffen krachtens welke het wachtgeld geheel of ten dele wordt vervangen door een afkoopsom.

Artikel 10:22 Verval van wachtgeld
  • Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)

  • 1 Het wachtgeld kan geheel of gedeeltelijk vervallen worden verklaard:

    • a

      Indien de betrokkene de opgave bedoeld in artikel 10:16, eerste en tweede lid, nalaat dan wel onjuist of onvolledig doet;

    • b

      indien de betrokkene enig op grond van artikel 10:12, tweede, derde of vijfde lid gegeven voorschrift niet nakomt, tenzij hem hiervan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt;

    • c

      indien de betrokkene zich zonder toestemming van het college in het buitenland vestigt of geacht moet worden aldaar duurzaam te verblijven;

    • d

      indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die bij of krachtens artikel 10:13, eerste en tweede lid zijn gesteld;

    • e

      indien de betrokkene zich zodanig gedraagt dat hem ontslag zou zijn verleend als hij in dienst was gebleven;

    • f

      indien achteraf blijkt, dat vóór het aan de betrokkene verleende ontslag zich feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan, die zo deze eerder bekend waren aanleiding zouden hebben gevormd hem als ambtenaar met toepassing van artikel 8:13 ontslag te verlenen.

  • 2 Indien de betrokkene de verplichting, bedoeld in artikel 10:12, eerste lid, niet nakomt, vervalt het wachtgeld voor het gedeelte waarmede het, tezamen met de verzuimde of verloren gegane inkomsten, de bezoldiging te boven zou zijn gegaan.

  • 3 Het bepaalde in het eerste en tweede lid is van overeenkomstige toepassing op de ambtenaar bedoeld in artikel 10:12, zesde lid, aan wie in dat geval een op soortgelijke wijze berekend lager wachtgeld wordt toegekend.

  • 4 Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet nakomen van voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken van inkomsten geschiedt tijdens een staking of uitsluiting, behoudens het geval dat het naar het oordeel van het college noodzakelijk is dat de ambtenaar werkzaamheden verricht ter vervanging van stakers of uitgeslotenen of om werknemers behulpzaam te zijn, zulks met het oog op de openbare veiligheid of gezondheid of voor de regelmatige functionering van de openbare dienst.

Artikel 10:23 Verval van wachtgeld
  • Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)

  • 1 Het recht op wachtgeld vervalt:

    • a

      met ingang van de eerste dag van de kalendermaand waarin betrokkene 65 jaar wordt;

    • b

      op de dag na het overlijden van de betrokkene;

    • c

      op de dag dat betrokkene de in artikel 10:12, tweede en derde lid, bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat haar op de door het arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te doen verlengen;

    • d

      op de dag dat betrokkene als ingeschrevene bij het arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling verzuimt gevolg te geven aan een oproeping of aanwijzing van die organisatie dan wel die instantie, die kan leiden tot het verkrijgen van werk, dat voor hem passend kan worden geacht dan wel weigert dergelijk werk te aanvaarden.

  • 2 Het recht op wachtgeld vervalt met ingang van de dag waarop betrokkene recht verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 10:6, tweede lid is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van dit wachtgeld de duur, voor zover deze wordt berekend aan de hand van artikel 10:8, en de hoogte worden vastgesteld te rekenen vanaf de datum van ontslag.

Artikel 10:24 Overlijdensuitkering
  • Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)

  • 1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene wordt aan de nagelaten echtgenoot of geregistreerde partner een bedrag uitgekeerd, gelijk aan de bezoldiging als bedoeld in artikel 10:5, over een tijdvak van drie maanden. Laat de overledene geen echtgenoot of geregistreerde partner na dan geschiedt de uitkering ten behoeve van zijn minderjarige wettige of natuurlijke kinderen dan wel minderjarige pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering ten behoeve van ouders, broers, zusters of meerderjarige kinderen van wie de overledene kostwinner was.

  • 2 Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid bedoelde betrekkingen een uitkering wordt toegekend uit hoofde van een door de overledene vervulde betrekking, ten gevolge waarvan op het wachtgeld een vermindering werd toegepast, bedoeld in artikel 10:15, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan het verminderde wachtgeld over een tijdvak van drie maanden. Is de som van beide uitkeringen lager dan de uitkering, berekend naar het onverminderde wachtgeld zou zijn geweest, dan wordt de uitkering, berekend naar het verminderde wachtgeld, tot laatstbedoeld bedrag aangevuld.

  • 3 Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste lid nalaat, kan het bedrag van de uitkering geheel of ten dele worden aangewend voor betaling van de kosten van de laatste ziekte of van de lijkbezorging als de nalatenschap van de overledene daartoe ontoereikend is.

  • 4 Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de gewezen ambtenaar ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte, arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.

Artikel 10:25 Overgangsbepalingen
  • Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)

  • 1 Op de wachtgelden toegekend krachtens de bepalingen van de wachtgeldregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991, worden voor de resterende duur na 30 juli 1991, de bepalingen van de wachtgeldregeling zoals deze luiden met ingang van 1 augustus 1991 toegepast, met dien verstande dat de hoogte, voor de reeds vastgestelde duur nooit lager zal zijn dan op grond van de wachtgeldregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991.

  • 2 Ten aanzien van de wachtgelden, als bedoeld in het eerste lid, die voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de desbetreffende bepalingen in de wachtgeldregeling, zoals deze luidt met ingang van 1 augustus 1991, de duur opnieuw berekend. Indien de aldus berekende duur van het toegekende wachtgeld langer is dan de oorspronkelijk vastgestelde duur, wordt deze laatstgenoemde duur verlengd met het verschil tussen beide.

  • 3 Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid van de wachtgeldregeling wordt onder het eerder toegekende wachtgeld tevens begrepen het wachtgeld, waarvan de duur is vastgesteld krachtens artikelen 4 en 5 van de wachtgeldregeling zoals die luidden tot 1 augustus 1991.

  • 4 Voor de toepassing van artikel 10:8, derde lid, van de wachtgeldregeling wordt onder de eerder toegekende uitkering tevens begrepen de uitkering waarvan de duur is vastgesteld krachtens artikelen 4 en 6 van de uitkeringsregeling zoals die luidden tot 1 augustus 1991.

Artikel 10:26 Overgangsbepalingen
  • Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)

  • 1 Degene die voor 1 januari 1987 in het genot was van wachtgeld als bedoeld in de toen geldende wachtgeldregeling, waarvan de duur, nadat toepassing is gegeven aan artikel 10:25, tweede lid, verstrijkt in de periode van 1 augustus 1991 tot en met 31 december 1995, heeft recht op een overgangsuitkering.

  • 2 De duur van de overgangsuitkering is twaalf maanden, met dien verstande dat de uitkering uiterlijk 1 januari 1996 eindigt. De overgangsuitkering gaat in direct na het verstrijken van het wachtgeld als bedoeld in het eerste lid en wordt in maandelijkse termijnen betaald.

  • 3 De hoogte van de overgangsuitkering is over een maand gelijk aan het minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan 70% van de bezoldiging.

  • 4 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon verstaan het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag.

  • 5 De overige artikelen van dit hoofdstuk zijn voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10:27 Overgangsbepalingen
  • Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)

  • 1 Degene aan wie voor 1 januari 1995 een wachtgeld is toegekend op basis van de bepalingen van de wachtgeldverordening zoals deze luidde voor 1 januari 1995, en waarvan de duur doorloopt tot na 31 december 1994, behoudt wat betreft de hoogte van dit wachtgeld de aanspraken zoals deze zijn vastgelegd in evengenoemde verordening.

  • 2 Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie voor 1 januari 1995 een wachtgeld is toegekend op basis van dit hoofdstuk.

Artikel 10:28 Gevolgen Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen

Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 10:29 lid 1)

Op degene die gedurende de periode van wachtgeld recht heeft op een uitkering ingevolge de WIA, zijn de artikelen 10:13, 10:15, 10:19 en 10:23 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10:29 Slotbepaling
  • 1 Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar die is ontslagen met ingang van 1 januari 2001 of later.

  • 2 Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit de CAR en/of UWO moet, voor zover niet anders is bepaald, worden uitgegaan van de tekst van deze artikelen zoals die luidde op 31 december 2000.

10a Bovenwettelijke werkloosheidsuitkering

Artikel 10a:1 Algemene bepalingen
  • Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

  • 1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    • a

      werkloosheid: werkloosheid in de zin van artikel 16 van de Werkloosheidswet;

    • b

      betrokkene: de ambtenaar die werkloos geworden is;

    • c

      dagloon: het dagloon in de zin van de Werkloosheidswet, zonder de maximering van het dagloon, als bedoeld in artikel 22 Besluit dagloonregels werknemersverzekeringen jo. artikel 17, eerste lid, van de Wet financiering sociale verzekeringen;

    • d

      bovenwettelijke uitkering: de aanspraken die de ambtenaar kan ontlenen aan dit hoofdstuk, te weten de aanvullende uitkering als omschreven in paragraaf 2 van dit hoofdstuk en de aansluitende uitkering als omschreven in paragraaf 3 van dit hoofdstuk, met uitzondering van de gemeentelijke werkloosheidsuitkering als bedoeld in artikel 10a:9, lid 3.

  • 2 Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht genomen.

Artikel 10a:2 Voorwaarden voor recht op uitkering/samenloop met suppletie
  • Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

  • 1 Recht op een aanvullende uitkering heeft de betrokkene die:

    • a

      recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15 tot en met 21 van de Werkloosheidswet en

    • b

      werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel 8:4, 8:5, 8:6, 8:7, onderdeel a of c, 8:8, 8:12.

  • 2 Het recht op een aanvullende uitkering komt niet tot uitbetaling indien en voor zolang de betrokkene ter zake van eenzelfde ontslag recht heeft op suppletie, als bedoeld in hoofdstuk 11a van de CAR.

  • 3 Betrokkene, die terzake van een ontslag wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, heeft recht op een aanvullende uitkering op het moment dat de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan 80% en hij daardoor recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet.

  • 4 Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het derde lid, is ontstaan uit twee of meer dienstbetrekkingen, wordt het recht op de aanvullende uitkering toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake waarvan hij betrokkene is, naar rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende dienstbetrekkingen.

Artikel 10a:3 Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

De berekeningsgrondslag voor de aanvullende uitkering is het dagloon op de dag voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de betrokkene recht op aanvullende uitkering wordt toegekend, voorzover dat betrekking heeft op het inkomen uit de betrekking waaraan het recht op aanvullende uitkering wordt ontleend.

Artikel 10a:4 Hoogte van de uitkering: indexering
  • 1 De berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering wordt per 1 januari en 1 juli van een jaar geïndexeerd op een volgens LOGA-partijen vastgestelde wijze.

  • 2 Het LOGA maakt bekend met welk percentage de berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering wijzigt.

Artikel 10a:5 Hoogte van de uitkering: bedrag
  • Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

  • 1 De uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende uitkering bedragen tezamen een percentage van de berekeningsgrondslag van de aanvullende uitkering.

  • 2 Het in het eerste lid genoemde percentage bedraagt:

    • a

      gedurende de eerste vijftien maanden 80% en

    • b

      vervolgens 70%

  • 3 Een eventuele verlenging van de uitkering krachtens artikel 43 van de Werkloosheidswet schort de termijn gedurende welke 80% van de berekeningsgrondslag wordt uitgekeerd niet op.

  • 4 Ter bepaling van de hoogte van de aanvullende uitkering, als bedoeld in artikel 10a:2, derde lid, wordt uitgegaan van de datum van ontslag

Artikel 10a:5a Overgangsbepaling: Verlengde uitkering voor mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn geworden
  • Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

  • 1 De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering, die op of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is geworden en op de eerste dag van werkloosheid jonger is dan 57,5, heeft na afloop van de loongerelateerde uitkering op grond van de Werkloosheidswet gedurende twee jaar recht op een verlengde uitkering.

  • 2 De betrokkene die recht heeft op een aanvullende uitkering, die op of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is geworden en op de eerste dag van werkloosheid 57,5 jaar of ouder is, heeft na afloop van de loongerelateerde uitkering op grond van de Werkloosheidswet gedurende 3,5 jaar recht op een verlengde uitkering.

  • 3 De hoogte van de verlengde uitkering, genoemd in het eerste en tweede lid, is 80% van de berekeningsgrondslag, zolang een periode van 15 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van werkloosheid niet is verstreken en vervolgens 70% van de berekeningsgrondslag.

  • 4 Op de verlengde uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor zover toepasbaar, de artikelen van dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing.

  • 5 Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de verlengde uitkering in mindering gebracht.

Artikel 10a:5b Overgangsbepaling: Aanvullende uitkering voor mensen op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1 augustus 2004, blijven gelden voor de betrokkene op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is.

Artikel 10a:6 Beëindiging van het recht op uitkering

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

De bepalingen betreffende de gehele of gedeeltelijke beëindiging van het recht op uitkering, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende uitkering.

Artikel 10a:7 Herleving van het recht op uitkering

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

De bepalingen betreffende de herleving van het recht op uitkering, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende uitkering.

Artikel 10a:8 Verlenging van het recht op uitkering

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

De bepalingen betreffende de verlenging van het recht op uitkering, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende uitkering.

Artikel 10a:9 Verplichtingen en sancties
  • Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

  • 1 Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van toepassing op de aanvullende uitkering, met inachtneming van het in lid 2 gestelde en met dien verstande dat een boete in de zin van de Werkloosheidswet niet leidt tot een verandering in het bedrag van de aanvullende uitkering.

  • 2 Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel 8:4, nadat hij heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te willen komen en de uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de uitkering krachtens de Werkloosheidswet als sanctie gedeeltelijk weigert, kent het college een aanvulling op de aanvullende uitkering toe zodanig dat de uitkering krachtens de Werkloosheidswet en de aanvullende uitkering tezamen een bedrag vormen dat overeenkomt met het bedrag waarop betrokkene recht zou hebben gehad indien hij niet te kennen zou hebben gegeven voor ontslag in aanmerking te willen komen.

  • 3 Indien een betrokkene ontslagen wordt op grond van artikel 8:4, nadat hij heeft aangegeven voor dit ontslag in aanmerking te willen komen en de uitvoeringsinstelling als gevolg hiervan de uitkering krachtens de Werkloosheidswet geheel weigert, kent het college een gemeentelijke werkloosheidsuitkering toe, waarvan de hoogte en de duur overeenkomen met de uitkering krachtens de Werkloosheidswet waarop de betrokkene recht zou hebben gehad indien hij niet te kennen zou hebben gegeven voor ontslag in aanmerking te willen komen. Deze gemeentelijke werkloosheidsuitkering wordt, indien aan de voorwaarden van artikel 10a:2 wordt voldaan, aangevuld met een aanvullende uitkering. Op deze gemeentelijke werkloosheidsuitkering zijn de bepalingen van de Werkloosheidswet van toepassing. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt de gemeentelijke werkloosheidsuitkering gelijkgesteld aan een uitkering krachtens de Werkloosheidswet.

Artikel 10a:10 Anticumulatie

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Artikel 35 van de Werkloosheidswet is van toepassing op de aanvullende uitkering.

Artikel 10a:11 Scholing

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van toepassing op de aanvullende uitkering.

Artikel 10a:12 Aanvulling op ziekengeld
  • Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

  • 1 De betrokkene die wegens ziekte verhinderd is om arbeid te verrichten en dientengevolge een uitkering krachtens de Ziektewet ontvangt (ziekengeld), heeft, indien hij recht zou hebben op een aanvullende uitkering in de zin van artikel 10a:2 van dit hoofdstuk als hij niet ziek was geweest, recht op aanvulling van dat ziekengeld.

  • 2 Het ziekengeld en de in het eerste lid genoemde aanvulling bedragen tezamen een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat de betrokkene op grond van artikel 10a:5 zou ontvangen wanneer hij niet wegens ziekte ongeschikt zou zijn om arbeid te verrichten.

  • 3 Het verplichtingen- en sanctieregime van de Ziektewet is van toepassing op de aanvulling op het ziekengeld.

Artikel 10a:12a Aanvulling op Waz-uitkering

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

De betrokkene, die in verband met zwangerschap en bevalling recht heeft op een uitkering op grond van de Waz [Klik hier om het document te downloaden] , heeft recht op een aanvulling tot het voor haar geldende dagloon.

Artikel 10a:12b Aanvulling op REA-uitkering
  • Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

  • 1 De arbeidsgehandicapte betrokkene die werkloos is en dientengevolge een uitkering krachtens de Werkloosheidswet ontvangt, kan bij proefplaatsing en scholing bij een nieuwe werkgever recht hebben op een uitkering op grond van de Wet op (re)integratie arbeidsgehandicapten. Indien hij recht zou hebben op een aanvullende uitkering in de zin van artikel 10a:2 van dit hoofdstuk wanneer hij geen REA-uitkering als hiervoor bedoeld zou hebben gehad, bestaat er ook in dit geval recht op aanvulling.

  • 2 De in het eerste lid genoemde aanvulling en de REA-uitkering bedragen tezamen een bedrag dat gelijk is aan het bedrag dat betrokkene op grond van artikel 10a:5 zou ontvangen wanneer hij een WW-uitkering en aanvullende uitkering zou ontvangen.

Artikel 10a:13 Uitkering bij overlijden
  • Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

  • 1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in aanvulling op artikel 35 of artikel 36, eerste lid, Ziektewet een overlijdensuitkering toegekend, met dien verstande dat het bedrag van beide uitkeringen tezamen gelijk is aan 100% van het voor betrokkene geldende dagloon, berekend over een periode van 13 weken.

  • 2 Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een andere bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte, arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.

Artikel 10a:13a Grensarbeiders
  • Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

  • 1 De betrokkene, die aansluitend aan zijn arbeidsurenverlies als betrokkene buiten Nederland woont en in verband met artikel 71, eerste lid, onderdeel a ii, EG-verordening 1408/71 geen recht op een WW-uitkering heeft, heeft recht op een aanvullende uitkering voorzover de omstandigheid dat hij geen recht op WW-uitkering heeft, uitsluitend wordt veroorzaakt doordat hij buiten Nederland woont.

  • 2 De uitkering op grond van dit artikel:

    • a

      eindigt niet door de omstandigheid dat de betrokkene wegens ziekte of arbeidsongeschiktheid niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden, indien hij geen recht heeft op een uitkering als bedoeld in artikel 19, eerste lid, onderdeel a, b, of n, WW vanwege het enkele feit dat zijn verzekering op grond van de daar genoemde wetten is geëindigd;

    • b

      is, indien de betrokkene alsnog of wederom recht krijgt op een WW-uitkering, niet van invloed op het recht op bovenwettelijke uitkering dat voor de betrokkene verbonden is aan dat recht op een WW-uitkering.

  • 3 De uitkering waarop de betrokkene op grond van dit artikel lid recht heeft, is in hoogte en duur gelijk aan de WW-uitkering en de aanvullende uitkering waarop de betrokkene recht zou hebben gehad indien hij in Nederland zou hebben gewoond.

  • 4 Indien de betrokkene aantoont dat hij recht heeft op een uitkering wegens ziekte, zwangerschap, bevalling, adoptie of pleegzorg naar het recht van zijn woonland, wordt die uitkering voor de toepassing van het derde lid gelijkgesteld met de overeenkomstige uitkering op grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg [Klik hier om het document te downloaden] . Deze gelijkstelling vindt plaats voor ten hoogste de maximale duur van de overeenkomstige uitkering op grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg [Klik hier om het document te downloaden] . Zolang deze gelijkstelling duurt is de uitkering gelijk aan de uitkering op grond van de ZW of de Wet arbeid en zorg en de aanvullende uitkering waarop de betrokkene recht zou hebben gehad indien hij in Nederland had gewoond.

  • 5 Indien de betrokkene een uitkering wegens werkloosheid, ziekte, zwangerschap, bevalling, adoptie, pleegzorg of arbeidsongeschiktheid naar het recht van zijn woonland ontvangt, wordt deze geheel in mindering gebracht op de uitkering op grond van dit artikel over dezelfde periode.

  • 6 Zolang en voorzover de betrokkene tegelijk recht heeft op een uitkering op grond van dit artikel en een WW-uitkering, een ZW-uitkering, een uitkering op grond van de Wet arbeid en zorg, een bovenwettelijke uitkering of een uitkering die daar naar aard en strekking mee overeenkomt, niet zijnde een uitkering naar het recht van zijn woonland, heeft de uitkering op grond van dit artikel het karakter van een aanvulling tot de hoogte die de uitkering op grond van dit artikel zonder de samenloop zou hebben. Hierbij wordt de wettelijke uitkering geacht onverminderd te zijn ontvangen indien deze op grond van enige wettelijke bepaling geheel of gedeeltelijk is geweigerd, dan wel niet of niet geheel is betaald.

Artikel 10a:14 Diensttijd
  • Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

  • 1 In deze paragraaf wordt verstaan onder ‘diensttijd’: de aan het ontslag voorafgaande in overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het deelnemerschap in de zin van het pensioenreglement is verbonden, alsmede tijd die door inkoop voor pensioen geldig zou zijn verklaard.

  • 2 Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de tijd doorgebracht in de betrekking waaruit de werkloosheid is ontstaan, indien aan die tijd op grond van de Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc. 1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van evengenoemde regeling niet is verbonden.

  • 3 In afwijking van het bepaalde in het eerste en tweede lid blijft buiten beschouwing:

    • a

      diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een jaar;

    • b

      diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van de duur van een eerder toegekend wachtgeld, een daarmee gelijk te stellen uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid of een bovenwettelijke uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste van de overheid;

    • c

      diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van een pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een ontslag verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of een soortgelijke bepaling in een andere overheidsregeling;

    • d

      tijd, bedoeld in de artikelen 5.3, 5.4 en 5.5 van het pensioenreglement;

    • e

      tijd in een aangehouden betrekking, dan wel in een betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden, doch uit welke hij vrijwillig werkloos is geworden met ingang van de datum waarop de uitkering krachtens de Werkloosheidswet ingaat.

Artikel 10a:15 Voorwaarden voor recht op uitkering / samenloop met suppletie
  • Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

  • 1 Recht op een aansluitende uitkering heeft de betrokkene die:

    • a

      recht heeft op een uitkering krachtens de artikelen 15 tot en met 21 van de Werkloosheidswet en

    • b

      werkloos is als gevolg van een ontslag op grond van artikel 8:4, 8:5, 8:6 of 8:8, met inachtneming van het derde lid.

  • 2 Eveneens recht op een aansluitende uitkering heeft de betrokkene die door het college op basis van artikel 10a:9 derde lid een gemeentelijke werkloosheidsuitkering is toegekend.

  • 3 In afwijking van het eerste lid biedt ontslag op basis van artikel 8:6 slechts aanspraken op een aansluitende uitkering indien gebruik is gemaakt van de mogelijkheid die artikel 8:6, derde lid, laatste volzin biedt.

  • 4 Het recht op de aansluitende uitkering ontstaat op de eerste dag van de werkloosheid, waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra de geldende uitkeringsduur van de loongerelateerde uitkering krachtens de Werkloosheidswet is verstreken.

  • 5 Voor degene op wie artikel 10a:5a van toepassing is, ontstaat het recht op de aansluitende uitkering op de eerste werkloosheidsdag, waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra de geldende uitkeringsduur van de verlengde uitkering is verstreken.

  • 6 Voor degene op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is, ontstaat het recht op de aansluitende uitkering op de eerste werkloosheidsdag, waarbij de aansluitende uitkering ingaat zodra de geldende uitkeringsduur van uitkering krachtens de Werkloosheidswet is verstreken

  • 7 Het recht op een aansluitende uitkering komt niet tot uitbetaling indien en voor zolang de betrokkene ter zake van eenzelfde ontslag recht heeft op suppletie, als bedoeld in hoofdstuk 11a van de CAR.

  • 8 De betrokkene, die terzake van een ontslag wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte als bedoeld in artikel 8:5 recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer, heeft recht op een aansluitende uitkering, berekend naar de duur, als bepaald in artikel 10a:16, derde lid, op het moment dat de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan 80% en hij om die reden recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet.

  • 9 Indien de WAO-uitkering, als bedoeld in het achtstelid, is ontstaan uit twee of meer dienstbetrekkingen, wordt het recht op de aansluitende uitkering toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake waarvan hij betrokkene is, naar rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende dienstbetrekkingen.

Artikel 10a:16 Duur van de uitkering
  • Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

  • 1 De duur van de aansluitende uitkering wordt vastgesteld op drie maanden, vermeerderd voor de betrokkene:

    • a

      die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de diensttijd;

    • b

      die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van 19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar opklimmende met 1,5%.

  • 2 De in het eerste lid berekende duur wordt verminderd met:

    • a

      de duur van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet, zoals deze is vastgesteld op de eerste dag van de werkloosheid en

    • b

      twee jaar.

  • 3 Ter bepaling van de duur van de aansluitende uitkering voor betrokkene, genoemd in artikel 10a:15, achtste lid, wordt uitgegaan van de datum van het ontslag.

  • 4 De betrokkene die op het tijdstip van ontslag de leeftijd van 55 jaren of ouder heeft bereikt, heeft recht op een aansluitende uitkering tot de eerste dag van de kalendermaand waarin hij 65 jaar wordt.

Artikel 10a:16a Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen die tussen 11 augustus 2003 en 1 augustus 2004 werkloos zijn geworden
  • Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

  • 1 De duur van de aansluitende uitkering voor de betrokkene die recht heeft op een aansluitende uitkering, die op of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is geworden, wordt vastgesteld op drie maanden, vermeerderd voor de betrokkene:

    • a

      die op de dag van ontslag de leeftijd van 21 jaar nog niet heeft bereikt met een duur gelijk aan 18% van de diensttijd;

    • b

      die op de dag van ontslag 21 jaar oud is met een duur van 19,5% van de diensttijd en zo vervolgens per leeftijdsjaar opklimmende met 1,5% en wordt verminderd met de duur van de loongerelateerde uitkering krachtens de Werkloosheidswet, zoals deze is vastgesteld op de eerste dag van de werkloosheid en de duur van de verlengde uitkering genoemd in artikel 10a:5a.

  • 2 De betrokkene die recht heeft op een aansluitende uitkering, die op of na 11 augustus 2003 maar voor 1 augustus 2004 werkloos is geworden en die op de eerste dag van werkloosheid de leeftijd van 55 jaren of ouder heeft bereikt, heeft recht op een aansluitende uitkering tot de eerste dag van de kalendermaand, volgend op die waarin hij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Een uitkering op basis van de Algemene Ouderdomswet wordt in mindering gebracht op de aansluitende uitkering.

  • 3 Op de aanvullende uitkering genoemd in dit artikel zijn, voor zover toepasbaar, de artikelen van dit hoofdstuk van overeenkomstige toepassing.

  • 4 Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de aansluitende uitkering in mindering gebracht.

Artikel 10a:16b Overgangsbepaling: Aansluitende uitkering voor mensen op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

De bepalingen van hoofdstuk 10a, zoals deze luidden voor 1 augustus 2004, blijven gelden voor de betrokkene op wie artikel 130h, eerste lid, van de Werkloosheidswet van toepassing is.

Artikel 10a:17 Hoogte van de uitkering: berekeningsgrondslag

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Artikel 10a:3 is van toepassing op de aansluitende uitkering.

Artikel 10a:18 Hoogte van de uitkering: indexering

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Artikel 10a:4 is van toepassing op de aansluitende uitkering.

Artikel 10a:19 Hoogte van de uitkering: bedrag
  • Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

  • 1 De aansluitende uitkering bedraagt 80% van de berekeningsgrondslag, zolang een periode van 15 maanden te rekenen vanaf de eerste dag van werkloosheid nog niet is verstreken en vervolgens 70% van de berekeningsgrondslag.

  • 2 Ter bepaling van de hoogte van de aansluitende uitkering, als bedoeld in artikel 10a:15, achtste lid, wordt uitgegaan van de datum van ontslag.

  • 3 Indien recht bestaat op een uitkering op grond van artikel 130h, tweede lid, van de Werkloosheidswet, wordt deze op de aansluitende uitkering in mindering gebracht.

Artikel 10a:20 Beëindiging van het recht op uitkering
  • Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

  • 1 De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de gehele of gedeeltelijke beëindiging van het recht op vervolguitkering zijn van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.

  • 2 In afwijking van het gestelde in lid 1 eindigt het recht op aansluitende uitkering niet in geval van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid wegens ziekte en er geen aanspraak bestaat op een uitkering krachtens de Ziektewet.

  • 3 Het in het eerste lid gestelde geldt niet in het geval het recht op uitkering krachtens artikel 20, lid 1, onderdeel e van de Werkloosheidswet zou worden beëindigd wegens het verstrijken van de uitkeringsduur. In dat geval eindigt het recht op uitkering na het verstrijken van de uitkeringsduur van de aansluitende uitkering, berekend overeenkomstig artikel 10a:16.

Artikel 10a:20a Nawerking Ziektewet en WAZ

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Indien er op grond van de Ziektewet dan wel op grond van de Waz [Klik hier om het document te downloaden] na aanvang van de aansluitende uitkering recht ontstaat op een uitkering krachtens de Ziektewet, respectievelijk de Waz [Klik hier om het document te downloaden] , wordt deze uitkering in mindering gebracht op de aansluitende uitkering.

Artikel 10a:21 Herleving van het recht op uitkering
  • Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

  • 1 De bepalingen in de Werkloosheidswet betreffende de herleving van het recht op uitkering zijn van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.

  • 2 Artikel 43 van de Werkloosheidswet en artikel 50 van de Werkloosheidswet, zoals deze luidde voor inwerkingtreding van de wet van 19 december 2003, Stb. 2003, 546, met betrekking tot de verlenging van het recht op uitkering krachtens de Werkloosheidswet zijn niet van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.

Artikel 10a:22 Verplichtingen en sancties
  • Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

  • 1 Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.

  • 2 Tijdens ziekte is het verplichtingen- en sanctieregime van de Ziektewet van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.

Artikel 10a:23 Anticumulatie

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Artikel 35 van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.

Artikel 10a:24 Scholing

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

De bepalingen met betrekking tot opleiding, scholing en onbeloonde activiteiten, vastgelegd in de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing op de aansluitende uitkering.

Artikel 10a:25 Uitkering bij overlijden
  • Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

  • 1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van betrokkene wordt in onder overeenkomstige toepassing van artikel 35 of artikel 36, eerste lid, Ziektewet een overlijdensuitkering toegekend, met dien verstande dat het bedrag van beide uitkeringen tezamen gelijk is aan 100% van het voor betrokkene geldende dagloon, berekend over een periode van 13 weken.

  • 2 Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een andere bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enige wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte.

Artikel 10a:25a Grensarbeiders
  • Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

  • 1 Na het verstrijken van de duur van een uitkering op grond van artikel 10a:13a heeft de betrokkene recht op de aansluitende uitkering waarop hij recht zou hebben gehad als hij in Nederland zou hebben gewoond.

  • 2 Op de uitkering op grond van dit artikel is artikel 10a:13a, tweede, vijfde en zesde lid, van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10a:26 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten
  • Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

  • 1 Aan de betrokkene die elders arbeid of een bedrijf ter hand gaat nemen en recht heeft of zou krijgen op een bovenwettelijke werkloosheidsuitkering indien hij geen betrekking zou hebben aanvaard of bedrijf ter hand zou hebben genomen, kan op zijn aanvraag een vergoeding van € 2.270,- worden toegekend als tegemoetkoming in de kosten van een daartoe noodzakelijke verhuizing.

  • 2 Indien de betrokkene uit anderen hoofde eveneens een tegemoetkoming in de verhuiskosten krijgt, wordt deze vergoeding op de in het eerste lid genoemde tegemoetkoming in mindering gebracht.

Artikel 10a:27 Regeling tegemoetkoming verhuiskosten
  • Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

  • 1 Om voor een verhuiskostenvergoeding op basis van artikel 10a:26 in aanmerking te komen dient de uitkeringsgerechtigde:

    • a

      de werkloosheid door het ter hand nemen van arbeid of bedrijf met tenminste 50% met een minimum van vijf uur te verminderen;

    • b

      te verhuizen binnen zes maanden na de vermindering van de werkloosheid, doch uiterlijk drie maanden voor de oorspronkelijk vastgestelde beëindigingsdatum van de uitkeringsperiode;

    • c

      arbeid te aanvaarden voor onbepaalde tijd of voor bepaalde tijd met een duur van minimaal één jaar, blijkend uit de overlegging van het arbeidscontract;

    • d

      zich binnen een afstand van 25 kilometer van de standplaats van de nieuwe arbeid te vestigen, terwijl de afstand tussen deze standplaats en de oude woning tenminste 50 kilometer moet bedragen;

    • e

      schriftelijk te melden of hij een vergoeding uit anderen hoofde ontvangt en te verklaren dat hij geen bezwaar heeft als de uitvoeringsinstelling bij de nieuwe werkgever deze melding verifieert en de uitvoeringsinstelling vaststelt dat de uitkeringsgerechtigde is verhuisd.

  • 2 Het recht op de tegemoetkoming in de verhuiskosten ontstaat eerst als vaststaat dat de uitkeringsgerechtigde daadwerkelijk is verhuisd.

Artikel 10a:28 Reïntegratietoeslag
  • Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

  • 1 Betrokkene heeft op aanvraag recht op een reïntegratietoeslag indien:

    • a

      hij een dienstbetrekking in de zin van de Werkloosheidswet aanvaardt en

    • b

      het dagloon verbonden aan de nieuwe dienstbetrekking lager is dan 90% van de in artikel 10a:3 genoemde berekeningsgrondslag, met inachtneming van het tweede lid.

  • 2 De reïntegratietoeslag dient binnen 10 weken nadat de nieuwe dienstbetrekking is aanvaard te worden aangevraagd bij het college.

  • 3 Indien de omvang in uren van de nieuwe dienstbetrekking kleiner is dan de omvang van de oude betrekking, heeft betrokkene recht op een reïntegratietoeslag, mits het dagloon omgerekend naar de omvang van de oude betrekking lager is dan 90% van de in artikel 10a:3 genoemde berekeningsgrondslag.

  • 4 Indien de in het eerste lid genoemde dienstbetrekking van tijdelijke aard is, dient zij voor de duur van minimaal één jaar te zijn overeengekomen.

  • 5 In gevallen waarin artikel 35 van de Werkloosheidswet of artikel 10a:32 van de CAR van toepassing is, is er geen recht op de in het eerste lid genoemde reïntegratietoeslag.

Artikel 10a:29 Reïntegratietoeslag
  • Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

  • 1 De duur van de reïntegratietoeslag is negen maanden voor elk vol jaar dat de betrokkene nog recht zou hebben op een aanvullende en/of aansluitende uitkering indien betrokkene de nieuwe betrekking niet zou hebben verkregen.

  • 2 Voor de bepaling van de duur van de reïntegratietoeslag op basis van het eerste lid wordt het aantal jaren dat de betrokkene nog recht zou hebben op een bovenwettelijke uitkering op hele jaren naar beneden afgerond.

Artikel 10a:30 Reïntegratietoeslag
  • Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

  • 1 De reïntegratietoeslag wordt beëindigd:

    • a

      indien de voor betrokkene berekende duur is verstreken;

    • b

      indien betrokkene geheel werkloos wordt in de nieuwe betrekking;

    • c

      indien de inkomsten uit de nieuwe betrekking gedurende drie maanden het in artikel 10a:31 opgenomen niveau van de reïntegratietoeslag te boven zijn gegaan.

  • 2 Onder gehele werkloosheid in de zin van het eerste lid, onderdeel b wordt de situatie verstaan waarin de betrokkene die in de nieuwe betrekking per kalenderweek:

    • a

      ten minste acht uren werkte zoveel arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren dat er minder dan vijf arbeidsuren resteren of;

    • b

      minder dan acht uren werkte zoveel arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren dat er minder dan de helft van de arbeidsuren resteren.

  • 3 Indien betrokkene gedeeltelijk werkloos wordt in de nieuwe betrekking, blijft de reïntegratietoeslag gelden voor die uren waarvoor betrokkene nog werkzaamheden verricht. De toeslag wordt dan naar rato uitgekeerd.

  • 4 De uitkeringsgerechtigde dient aan het einde van elke maand een overzicht te verschaffen van de inkomsten uit de nieuwe dienstbetrekking die hij in die maand heeft genoten. Op basis van dit overzicht wordt bepaald of er een recht op een reïntegratietoeslag is en zo ja, hoe hoog die toeslag dient te zijn.

  • 5 Indien het recht op reïntegratietoeslag op grond van het eerste lid, onderdeel c is beëindigd, kan dit recht niet meer herleven.

Artikel 10a:31 Reïntegratietoeslag
  • Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

  • 1 De reïntegratietoeslag vult de inkomsten uit de nieuwe betrekking aan tot 90% van de in artikel 10a:3 genoemde berekeningsgrondslag.

  • 2 Indien er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 10a:28, derde lid, vult de reïntegratietoeslag de inkomsten uit de nieuwe betrekking, omgerekend naar de omvang van de oude betrekking, naar rato aan tot 90% van de in artikel 10a:3 genoemde berekeningsgrondslag.

Artikel 10a:32 Reïntegratiepremie
  • Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

  • 1 Op verzoek van de betrokkene kan een reïntegratiepremie worden toegekend indien:

    • a

      betrokkene een aanvullende en/of aansluitende uitkering wegens werkloosheid geniet en;

    • b

      hij arbeid voor onbepaalde tijd ter hand gaat nemen of bedrijf gaat uitoefenen, waardoor de werkloosheid volledig wordt opgeheven.

  • 2 Het verzoek tot toekenning van de reïntegratiepremie dient uiterlijk 10 weken na beëindiging van de uitkering op basis van de Werkloosheidswet door betrokkene te worden ingediend.

  • 3 Toekenning van een reïntegratiepremie is alleen mogelijk indien het verzoek betrekking heeft op de gehele bovenwettelijke uitkering.

  • 4 Indien op verzoek van betrokkene een reïntegratiepremie wordt toegekend, wordt het recht op een maandelijks te betalen bovenwettelijke uitkering door het recht op een bedrag ineens vervangen en vervallen daarmee de opgebouwde rechten van betrokkene op een bovenwettelijke uitkering. De artikelen 10a:7, 10a:8 en 10a:21 zijn dan niet van toepassing.

  • 5 Indien het recht op de aanvullende en/of aansluitende uitkering wegens werkloosheid krachtens artikel 10a:7 of artikel 10a:21 herleeft voordat een besluit over het verzoek van betrokkene omtrent de toekenning van een reïntegratiepremie genomen is, wordt negatief besloten op dit verzoek.

Artikel 10a:33 Reïntegratiepremie
  • Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

  • 1 De berekeningsgrondslag van de reïntegratiepremie is de som van de maandelijkse aanspraken op bovenwettelijke uitkering waarop betrokkene nog recht zou hebben gehad, indien hij geen nieuwe dienstbetrekking had aanvaard en gedurende de gehele resterende periode waarin hij nog aanspraak zou hebben gehad op bovenwettelijke uitkering in dezelfde mate werkloos zou zijn gebleven als dat hij is op de dag voorafgaande aan de indiensttreding bij de nieuwe werkgever.

  • 2 Voor de toekenning van een reïntegratiepremie wordt uitgegaan van de berekeningsbasis op grond van het eerste lid zoals die op de datum van toekenning van de premie wordt vastgesteld.

  • 3 Op basis van de Werkloosheidswet opgelegde sancties hebben geen invloed op de berekeningsbasis van de reïntegratiepremie.

Artikel 10a:34 Reïntegratiepremie

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

De reïntegratiepremie bedraagt 5% van de in artikel 10a:33 genoemde berekeningsgrondslag, met als maximum een bedrag van 130 maal het dagloon van de betrokkene.

Artikel 10a:35 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 10a:36 Overige en slotbepalingen

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Indien het niveau van de uitkering krachtens de Werkloosheidswet een algemene neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse wijziging, tenzij de LOGA-partners anders overeenkomen, binnen zes maanden na datum van het Staatsblad, waarin de maatregel is gepubliceerd, op overeenkomstige wijze ten aanzien van de aanvullende en aansluitende uitkering doorgevoerd vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van het Staatsblad.

Artikel 10a:37 Overige en slotbepalingen

Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen. (Zie ook artikel 10a:38 lid 1.)

Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 2001.

Artikel 10a:38 Slotbepaling
  • 1 Hoofdstuk 10a is niet van toepassing op de ambtenaar die op of na 1 juli 2008 wordt ontslagen.

  • 2 Bij verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen uit de CAR en UWO moet, voor zover niet anders is bepaald, worden uitgegaan van de tekst van deze artikelen, zoals deze luidden op 30 juni 2008.

10d Voorzieningen bij werkloosheid

Artikel 10d:1 Werkingssfeer

Dit hoofdstuk is van toepassing op de ambtenaar die op grond van artikel 8:3, 8:5, 8:6 of 8:8 ontslagen wordt en de ambtenaar die op grond van artikel 8:3, 8:5, 8:6 of 8:8 ontslagen is.

Artikel 10d:2 Begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

  • a

    aanvullende uitkeringde uitkering tijdens de werkloosheidsuitkering;

  • b

    bezoldiginghet gemiddelde van de bezoldiging als bedoeld in artikel 3:1, berekend over een periode van 12 maanden direct voorafgaand aan de datum van de reïntegratiefase, vermeerderd met de vakantietoelage en de eindejaarsuitkering; deze bezoldiging wordt geïndexeerd met de generieke salarisverhoging in de gemeentelijke sector;

  • c

    gemeentelijke sectorde gemeenten en gemeenschappelijke regelingen, die de CAR van toepassing hebben verklaard;

  • d

    na-wettelijke uitkering de uitkering na afloop van de werkloosheidsuitkering;

  • e

    reïntegratiefasede fase voorafgaand aan ontslag, waarin door middel van een reïntegratieplan afspraken worden gemaakt over de wijze waarop de reïntegratie van de ambtenaar het best tot stand kan komen en hieraan uitvoering wordt gegeven met als doel werkloosheid zoveel als mogelijk is te voorkomen;

  • f

    reïntegratieplanhet plan van aanpak waarin de reïntegratie-inspanningen van gemeente en de ambtenaar beschreven staan, die tot doel hebben de reïntegratie van de ambtenaar te bevorderen;

  • g

    werkloosheidwerkloosheid als bedoeld in de Werkloosheidswet, waarbij het arbeidsurenverlies voortvloeit uit de aanstelling of arbeidsovereenkomst bij de gemeente waaruit de werkloosheid plaatsvindt;

  • h

    werkloosheidsuitkeringuitkering op grond van de Werkloosheidswet, welke uitkering voortvloeit uit de aanstelling of arbeidsovereenkomst met de gemeente.

Artikel 10d:3 Samenloop met sociaal statuut en sociaal plan
  • 1 Indien lokaal ruimere afspraken gelden, dan die in dit hoofdstuk zijn gesteld, bespreken college en GO of tot herziening moet worden overgegaan van deze lokale afspraken.

  • 2 Indien lokaal ruimere afspraken gelden, gelden deze lokale afspraken in plaats het gestelde in dit hoofdstuk.

Artikel 10d:4 Rechten bij ontslag op grond van artikel 8:8
  • 1 Voor de ambtenaar die op grond van artikel 8:8 ontslagen wordt, treft het college een passende regeling.

  • 2 De ambtenaar wordt over de inhoud van de regeling voorafgaand door het college gehoord.

  • 3 Het college betrekt bij de vaststelling van de regeling de inhoud van dit hoofdstuk, voor zover dit redelijk en billijk is.

Artikel 10d:5 Reïntegratiefase voor ontslag
  • 1 De ambtenaar die ontslagen wordt op grond van artikel 8:3 of 8:6 heeft recht op een reïntegratiefase.

  • 2 De reïntegratiefase begint met een besluit tot ontslag op grond van artikel 8:3 of 8:6.

  • 3 De reïntegratiefase gaat in op de eerste werkdag na verzending of overhandiging van het besluit tot ontslag.

  • 4 De reïntegratiefase is afhankelijk van de duur van het dienstverband bij de gemeente, waaruit ontslag plaatsvindt. Hierbij wordt de duur van het dienstverband gerekend vanaf de datum van indiensttreding bij de gemeente, waaruit ontslag plaatsvindt, tot de datum van de start van de reïntegratiefase.

  • 5 Bij ontslag op grond van artikel 8:3

    duurt de reïntegratiefasebij een dienstverband van:
    a. 7 maanden 2 tot 10 jaar
    b. 11 maanden10 tot 15 jaar
    c. 15 maanden15 jaar of meer.
  • 6 Bij ontslag op grond van artikel 8:6

    duurt de reïntegratiefasebij een dienstverband van:
    a. 4 maanden 2 tot 10 jaar
    b. 8 maanden10 tot 15 jaar
    c. 12 maanden15 jaar of meer.
Artikel 10d:6 Einde reïntegratiefase
  • 1 De reïntegratiefase eindigt eerder dan na afloop van de voor de ambtenaar geldende termijn, indien de ambtenaar voor het aflopen van deze fase al dan niet in deeltijd een andere functie binnen of buiten de gemeente aanvaardt.

  • 2 De reïntegratiefase eindigt eerder en het ontslag op grond van artikel 8:3 of 8:6 gaat direct in, indien de ambtenaar zich tijdens de reïntegratiefase niet houdt aan de afspraken uit het reïntegratieplan. Het college neemt hierbij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht.

  • 3 Indien de reïntegratiefase eerder eindigt om de in het tweede lid genoemde reden, vervallen de rechten op een aanvullende uitkering en een na-wettelijke uitkering. Het college neemt hierbij de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht.

Artikel 10d:7 Verlenging reïntegratiefase bij nalatigheid gemeente
  • 1 De reïntegratiefase wordt verlengd wanneer het college zich tijdens de reïntegratiefase niet houdt aan de afspraken uit het reïntegratieplan.

  • 2 De verlenging duurt minimaal een maand en maximaal de helft van de oorspronkelijke reïntegratiefase.

  • 3 Tijdens de verlengde reïntegratiefase herstelt het college de nalatigheid naar de mate waarin dat mogelijk is.

  • 4 Tijdens de verlengde reïntegratiefase blijven de gemaakte afspraken uit het reïntegratieplan van kracht.

Artikel 10d:8 Verlenging reïntegratiefase door middel van levensloop
  • 1 De ambtenaar kan het college verzoeken de reïntegratiefase met maximaal 12 maanden te verlengen door gebruik te maken van de mogelijkheid van onbetaald verlof als bedoeld in artikel 6:9.

  • 2 Het college stemt alleen in met het verzoek indien de ambtenaar tijdens de reïntegratiefase redelijkerwijs niet heeft kunnen voldoen aan zijn reïntegratieverplichtingen en indien:

    • a

      onbetaald verlof wordt opgenomen voor de volledige arbeidsduur; en

    • b

      de ambtenaar tijdens het onbetaald verlof levenslooptegoed opneemt op grond van de gemeentelijke levensloopregeling; en

    • c

      tijdens de verlengde reïntegratiefase activiteiten worden ondernomen of voortgezet die de reïntegratie bevorderen.

  • 3 Het college en de ambtenaar maken nadere afspraken over de voorwaarden waaronder de inspanningen van het college en de ambtenaar, zoals deze zijn neergelegd in het reïntegratieplan, tijdens de verlenging van de reïntegratiefase worden voortgezet.

  • 4 Artikel 10d:6 is tijdens de verlenging van de reïntegratiefase van overeenkomstige toepassing.

Artikel 10d:9 Reïntegratieplan
  • 1 Het college stelt zo spoedig mogelijk maar uiterlijk binnen een maand na aanvang van de reïntegratiefase een reïntegratieplan op.

  • 2 De ambtenaar wordt over de inhoud van het plan voorafgaand door het college gehoord.

  • 3 In het reïntegratieplan worden afspraken opgenomen over de reïntegratie-inspanningen die van het college en de ambtenaar verlangd worden. In het reïntegratieplan staan in ieder geval afspraken over:

    • -

      verlof, voor zover dat nodig is, voor activiteiten die neergelegd zijn in het reïntegratieplan;

    • -

      scholing, indien die gevolgd gaat worden, welke scholing, het begin van die scholing, het einde van die scholing, de betaling en de te behalen resultaten.

    • -

      opstellen arbeidsmarktprofiel;

    • -

      sollicitatieactiviteiten.

  • 4 In het reïntegratieplan worden afspraken gemaakt over de kosten voor de verschillende activiteiten uit het reïntegratieplan. De kosten voor de activiteiten uit het reïntegratieplan komen, mits redelijk en billijk, volledig voor rekening van het college, met een maximum van € 7.500,=.

Artikel 10d:10 Aanvullende uitkering bij ontslag
  • 1 Recht op een aanvullende uitkering heeft de ambtenaar die:

    • a

      op grond van artikel 8:3 of 8:6 is ontslagen;

    • b

      de reïntegratiefase heeft doorlopen, zonder toepassing van artikel 10d:6, tweede lid;

    • c

      recht heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet en deze ook daadwerkelijk ontvangt.

  • 2 Voorwaarde voor het verkrijgen van een aanvullende uitkering is dat de ambtenaar ten aanzien van iedere betaling van de aanvullende uitkering alle gegevens aan de gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn aanvullende uitkering.

Artikel 10d:11 Hoogte aanvullende uitkering bij ontslag
  • 1 De aanvullende uitkering kent twee fases.

  • 2 Gedurende de eerste fase bedraagt de aanvullende uitkering:

    • a

      voor ambtenaren met een bezoldiging tot een bedrag van € 4.375,= 10% van de bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is;

    • b

      voor ambtenaren met een bezoldiging vanaf € 4.375,= tot een bedrag van € 5.250,= 20% van de bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is;

    • c

      voor ambtenaren met een bezoldiging vanaf € 5.250,= 30% van de bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is.

  • 3 Gedurende de tweede fase bedraagt de aanvullende uitkering:

    • a

      voor ambtenaren met een bezoldiging van € 4.375,= tot een bedrag van € 5.250,= 10% van de bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is;

    • b

      voor ambtenaren met een bezoldiging van € 5.250,= tot een bedrag van € 6.560,= 20% van de bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is;

    • c

      voor ambtenaren met een bezoldiging vanaf € 6.560,= 30% van de bezoldiging naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is.

Artikel 10d:12 Duur aanvullende uitkering bij ontslag
  • 1 De eerste fase van de aanvullende uitkering is één jaar, te rekenen vanaf de dag na de dag van ontslag.

  • 2 De tweede fase van de aanvullende uitkering begint direct na afloop van de eerste fase en duurt tot het einde van de werkloosheidsuitkering.

Artikel 10d:13 Sancties
  • 1 Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt toegepast op de werkloosheidsuitkering, wordt deze sanctie evenredig toegepast op de aanvullende uitkering.

  • 2 Het college stelt voor de toepassing van sancties naast de sanctie op grond van het eerste lid, een sanctiebeleid op.

  • 3 Wanneer op grond van de Werkloosheidswet een sanctie wordt toegepast kan het college besluiten om het recht op nawettelijke uitkering geheel of gedeeltelijk te laten vervallen.

  • 4 Het college stelt ter uitvoering van het derde lid nadere regels op.

Artikel 10d:14 Einde aanvullende uitkering

De aanvullende uitkering eindigt als de uitkeringsduur is verstreken.

Artikel 10d:15 Na-wettelijke uitkering
  • 1 De ambtenaar die recht had op een aanvullende uitkering heeft recht op een na-wettelijke uitkering indien:

    • a

      de werkloosheid direct aansluitend op de werkloosheidsuitkering voortduurt;

    • b

      hij ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn na-wettelijke uitkering.

  • 2 Bij ontslag op grond van artikel 8:6 geldt als voorwaarde dat het ontslag gelegen is in omstandigheden binnen de werksfeer.

Artikel 10d:16 Hoogte na-wettelijke uitkering
  • 1 De na-wettelijke uitkering bij werkloosheid voor 36 uur of meer heeft de hoogte van de WW-uitkering, als deze zou zijn voortgezet.

  • 2 Wanneer sprake is van minder dan 36 uur werkloosheid, wordt het bedrag van de uitkering berekend naar rato van het aantal uren dat de ambtenaar werkloos is.

  • 3 De na-wettelijke uitkering en het inkomen dat de ambtenaar uit of in verband met arbeid ontvangt, mag een hoogte van 90% van de oude bezoldiging niet overschrijden. Het meerdere wordt gekort op de na-wettelijke uitkering.

Artikel 10d:17 Duur na-wettelijke uitkering

De na-wettelijke uitkering is één maand per dienstjaar in de gemeentelijke sector maal een correctiefactor. De correctiefactor is

  • a

    1,4 voor dienstjaren tot de leeftijd van 40 jaar

  • b

    2 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 40 tot de leeftijd van 50 jaar

  • c

    3 voor dienstjaren vanaf de leeftijd van 50 jaar.

Artikel 10d:18 Einde na-wettelijke uitkering
  • 1 De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de uitkeringsduur is verstreken.

  • 2 De na-wettelijke uitkering eindigt wanneer de werkloosheid eindigt.

  • 3 De na-wettelijke uitkering eindigt op de eerste dag van de maand volgend op die waarin de ambtenaar de leeftijd van 62 jaar en 9 maanden bereikt heeft.

Artikel 10d:19 Sancties na-wettelijke uitkering

Het college stelt een sanctiebeleid op, op grond waarvan sancties worden toegepast op de uitbetaling van de na-wettelijke uitkering. Onderdeel van de sanctieregeling is de plicht die de ambtenaar heeft om het college te informeren over alles wat van invloed kan zijn op de duur en hoogte van de na-wettelijke uitkering.

Artikel 10d:20 Afkoop
  • 1 Het college kan eenmalig, aan het begin van de uitkeringsperiode, op verzoek van de ambtenaar, toestemming geven voor afkoop van de na-wettelijke uitkering.

  • 2 Het college bepaalt de hoogte van het afkoopbedrag en de voorwaarden waaronder de afkoop verstrekt wordt.

Artikel 10d:21 Bijzondere uitkering bij ontslag of definitieve herplaatsing ingeval van minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
  • 1 De ambtenaar die voor minder dan 35% arbeidsongeschikt is en die gedurende het derde ziektejaar, bedoeld in artikel 7:16, derde lid, is ontslagen op grond van artikel 8:5 dan wel definitief is herplaatst op grond van artikel 7:16, heeft recht op een bijzondere uitkering indien en voor zolang hij arbeid heeft voor ten minste de restverdiencapaciteit, zoals deze door UWV definitief is vastgesteld.

  • 2 Voorwaarde voor het recht op de bijzondere uitkering is dat de ambtenaar ten aanzien van iedere betaling alle gegevens aan de gemeente overlegt die van invloed kunnen zijn op de hoogte van zijn bijzondere uitkering.

Artikel 10d:22 Hoogte bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel 7:16
  • 1 De bijzondere uitkering bedraagt 75% van het verschil tussen het totaalinkomen uit of in verband met arbeid en de bezoldiging voorafgaand aan aanvaarding van de nieuwe arbeid.

  • 2 Op de bijzondere uitkering wordt de werkloosheidsuitkering in mindering gebracht.

Artikel 10d:23 Duur bijzondere uitkering bij ontslag op grond van artikel 8:5 of definitieve herplaatsing op grond van artikel 7:16

De maximale duur van de bijzondere uitkering is 5 jaar na aanvaarding van de nieuwe arbeid.

Artikel 10d:24 Overgangsrecht

In afwijking van artikel 10d:17 is de duur van de na-wettelijke uitkering voor de ambtenaar die:

  • a

    op 1 juli 2008 20 dienstjaren of meer had in de gemeentelijke sector en

  • b

    ontslagen wordt binnen 10 jaar na 1 juli 2008

gelijk aan (0,25 + (0,195 + 0,015 * (X-21)) * (X - Y) - (X-18) / 12 -2) jaar, met dien verstande dat de factor (X-18) gemaximeerd wordt op 38. Factor X staat hierbij voor de leeftijd in hele jaren op de dag van ontslag; factor Y voor de indiensttreedleeftijd in de gemeentelijke sector.

10e Bijzondere bovenwettelijke werkloosheidsuitkering voor de ambtenaar met op 1 januari 2008 20 dienstjaren of meer

Vervallen hoofdstuk

Hoofdstuk 10e is vervallen

11 Uitkeringsregeling ontslag

Artikel 11:1 Betrokkene
  • Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

  • 1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder betrokkene: de gewezen ambtenaar aan wie ontslag is verleend:

    • a

      op grond van artikel 8:4 of artikel 8:5 uit een betrekking waarin hij tijdelijk was aangesteld, terwijl die aanstelling minder dan vijf jaren heeft geduurd dan wel is geschied in een betrekking van kennelijk tijdelijke aard;

    • b

      op een andere grond genoemd in hoofdstuk 8 van deze regeling, met uitzondering van artikel 8:9, mits dat ontslag niet op eigen verzoek is geschied en evenmin aan eigen schuld of toedoen is te wijten; en die aan dat ontslag geen recht op een uitkering ingevolge artikel 8:3 kan ontlenen.

  • 2 Onder betrokkene in de zin van dit hoofdstuk kan tevens worden verstaan de gewezen ambtenaar die ontslag heeft gevraagd omdat hij of zij de echtgenoot of geregistreerde partner volgt die door geheel buiten hem of haar liggende oorzaken noodzakelijk van standplaats moet veranderen.

Artikel 11:2 Lichamen

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'lichamen': Rechtspersonen, maat- en vennootschappen, samenwerkingsvormen zonder rechtspersoonlijkheid die met verenigingen maatschappelijk gelijk kunnen worden gesteld, ondernemingen van publiekrechtelijke rechtspersonen en doelvermogens.

Artikel 11:3 Diensttijd
  • Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

  • 1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'diensttijd': de aan het in artikel 11:1, eerste lid, bedoelde ontslag voorafgaande in overheidsdienst doorgebrachte tijd waaraan het ambtenaarschap in de zin van de Wet privatisering ABP is verbonden, alsmede tijd die door inkoop of door een verzoek, bedoeld in artikel D 2 van de pensioenwet, voor pensioen geldig zou zijn verklaard.

  • 2 Onder diensttijd bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan de tijd doorgebracht in de betrekking waaruit het ontslag, bedoeld in artikel 11:1, is verleend, indien aan die tijd op grond van de Regeling beperking van het zijn van overheidswerknemer in de zin van de wet Privatisering ABP (Stc. 1997, 164) het ambtenaarschap in de zin van evengenoemde regeling niet is verbonden.

  • 3 In afwijking van het bepaalde in het eerste en het tweede lid blijft buiten beschouwing:

    • a

      diensttijd liggende vóór een onderbreking van meer dan een maand daarvan wegens verleend ontslag;

    • b

      diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van de duur van een eerder toegekend wachtgeld of een daarmede gelijk te stellen uitkering wegens onvrijwillige werkloosheid ten laste van de overheid, behalve voor de toepassing van artikel 11:8, vierde lid;

    • c

      diensttijd welke in aanmerking is genomen bij de berekening van een pensioen krachtens het pensioenreglement dan wel voorafgaat aan een ontslag verleend op grond van artikel 8:3 van deze regeling of een soortgelijke bepaling in een andere overheidsregeling;

    • d

      tijd als bedoeld in artikel 5.4 van het pensioenreglement;

    • e

      tijd in een aangehouden betrekking, dan wel tijd in een betrekking welke de betrokkene had kunnen aanhouden, doch uit welke hij vrijwillig ontslag heeft genomen met ingang van de datum waarop de uitkering ingaat.

  • 4 Indien en voor zover diensttijd die bij de berekening van een uitkering in aanmerking is genomen, met een overheidspensioen, anders dan ten laste van de Stichting Pensioenfonds ABP wordt vergolden, worden de duur en het bedrag van de uitkering, met ingang van de dag waarop dit pensioen is ingegaan, herberekend, waarbij die diensttijd buiten beschouwing wordt gelaten.

Artikel 11:4 Dienstbetrekking
  • Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

  • 1 Dit hoofdstuk verstaat onder dienstbetrekking iedere publiekrechtelijke of privaatrechtelijke arbeidsverhouding waarbij in dienst van een natuurlijke persoon of een lichaam werkzaamheden tegen bezoldiging of loon worden verricht.

  • 2 Het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4, 5 en 6 van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11:5 Bezoldiging
  • Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

  • 1 In dit hoofdstuk wordt verstaan onder 'bezoldiging': de bezoldiging bedoeld in artikel 3:1, tweede lid van deze regeling zoals deze laatstelijk vóór het ontslag aan de betrekking was verbonden, vermeerderd met de vakantietoelage bedoeld in artikel 6:3 van deze regeling, en de eindejaarsuitkering bedoeld in artikel 3:6.

  • 2 Voor zover in de bezoldiging een bedrag moet worden begrepen wegens de vergoeding, bedoeld in artikel 3:3 van deze regeling, wordt dit bedrag berekend naar het gemiddelde over de aan de dag van het ontslag voorafgaande twaalf volle kalendermaanden.

  • 3 Indien in de bezoldiging anders dan wegens periodieke verhoging wijziging zou zijn gekomen als betrokkene de betrekking op die bezoldiging zou zijn blijven vervullen, geldt met ingang van de dag van in werking treden van die wijziging het gewijzigde bedrag als bezoldiging.

  • 4 Indien de bezoldiging wegens verminderde werkzaamheden voorafgaande aan de opheffing van de betrekking lager was dan zonder verminderde werkzaamheden het geval zou zijn geweest, kan de bezoldiging ten gunste van betrokkene worden herzien.

Artikel 11:6 Recht op uitkering
  • Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

  • 1 Indien wordt voldaan aan de hierna genoemde voorwaarden, bestaat behoudens het bepaalde in het zesde lid, met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat, recht op een uitkering waarvan de duur wordt vastgesteld:

    • a

      voor de betrokkene die in de periode van 12 maanden onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag in ten minste 26 weken als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet werkzaam is geweest, ingevolge artikel 11:7;

    • b

      voor de betrokkene die een diensttijd heeft van ten minste drie jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, ingevolge artikel 11:7, dan wel wanneer het bepaalde in artikel 11:8, eerste lid, daartoe aanleiding geeft ingevolge artikel 11:8, tweede lid en, indien van toepassing artikel 11:8, vierde lid.

  • 2 Indien het ontslag ingaat binnen 12 maanden na afloop van perioden waarin de betrokkene ten gevolge van arbeidsongeschiktheid verhinderd was werkzaamheden te verrichten, of werkzaamheden heeft verricht als bedoeld in artikel 8 van de Werkloosheidswet en hij de hoedanigheid van werknemer heeft herkregen, wordt de in het eerste lid, onder a, bedoelde periode van 12 maanden verlengd met de duur van de perioden van de bedoelde verhindering.

  • 3 De in een week verrichte werkzaamheden worden slechts in aanmerking genomen, voor zover zij betrekking hebben op de dienstbetrekking waaruit de betrokkene is ontslagen en op een of meer dienstbetrekkingen waarvoor eerstgenoemde dienstbetrekking in de plaats is gekomen en voor zover deze niet reeds eerder in aanmerking zijn genomen voor een recht op uitkering.

  • 4 Met weken, bedoeld in de voorgaande leden, worden gelijkgesteld weken, waarover de betrokkene zonder te werken loon heeft ontvangen.

  • 5 De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17a, derde en vierde lid, van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 6 In bijzondere gevallen kan het college bepalen dat, wanneer niet aan de verplichting bedoeld in artikel 11:21, tweede of derde lid, is voldaan, het recht op uitkering ingaat met de dag waarop de inschrijving bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats heeft plaatsgehad.

  • 7 Geen recht op uitkering bestaat:

    • a

      indien de betrokkene op dat moment recht heeft op een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;

    • b

      indien de betrokkene ter zake van dat ontslag recht heeft op suppletie als bedoeld in hoofdstuk 11a van deze regeling;

    • c

      indien de betrokkene op de dag van het ontslag de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt;

    • d

      indien het ontslag aan eigen schuld of toedoen is te wijten;

    • e

      indien het ontslag naar het oordeel van het college geacht moet worden niet te leiden tot onvrijwillige werkloosheid;

    • f

      voor de betrokkene, die de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, aan wie schriftelijk is medegedeeld, dat hem eervol ontslag zal worden verleend en die na die mededeling een hem aangeboden betrekking, welke mede in verband met zijn persoonlijkheid en zijn omstandigheden voor hem passend is te achten, heeft geweigerd te aanvaarden.

  • 8 De betrokkene, bedoeld in het zevende lid, onder a, heeft recht op uitkering met ingang van de dag waarop de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld dan 80. De hoogte van deze uitkering wordt vastgesteld te rekenen vanaf de datum van ontslag. Ter bepaling van de duur van de uitkering wordt voor de toepassing van:

    • a

      artikel 11:7 als ingangsdatum uitgegaan van de datum met ingang waarvan de mate van arbeidsongeschiktheid op een lager percentage wordt vastgesteld, waarbij voor de toepassing van het vierde lid tevens een WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer mede in aanmerking wordt genomen;

    • b

      artikel 11:8 als uitgangspunt uitgegaan van de datum van ontslag.

  • 9 Het college beslist over de toekenning van uitkering op aanvraag door de betrokkene.

Artikel 11:7 Duur van de uitkering
  • Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

  • 1 De uitkeringsduur is 6 maanden, met ingang van de dag waarop het ontslag ingaat.

  • 2 Indien de betrokkene:

    • a

      in de periode van 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ten minste gedurende 3 jaar als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of;

    • b

      onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag recht heeft op een uitkering op grond van de WAJONG of de WAZ; wordt de duur van de uitkering verlengd met: 3 maanden bij een arbeidsverleden van ten minste 5 jaar; 0,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 10 jaar; 1 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 15 jaar; 1,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 20 jaar; 2 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 25 jaar; 2,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 30 jaar; 3,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 35 jaar en 4,5 jaar bij een arbeidsverleden van ten minste 40 jaar.

  • 3 Het arbeidsverleden, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld door samentelling van:

    • a

      perioden, gelegen in de 5 jaar onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, waarover de betrokkene aantoont als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet en in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam te zijn geweest, en;

    • b

      de periode gelegen tussen de 18e verjaardag van de betrokkene en de dag, gelegen 5 jaar voor het ontslag.

  • 4 Perioden, waarin een betrokkene:

    • a

      Recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%;

    • b

      ter zake van een dienstbetrekking op grond waarvan hem door het rijk invaliditeitspensioen was verzekerd, recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80%, of een toelage ontvangt die naar aard en strekking overeenkomt met een toelage als bedoeld onder a, die al dan niet vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering 73% of meer bedraagt van de middelsom, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend;

    • c

      een uitkering ontvangt op grond van hoofdstuk III van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening militairen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van ten minste 80% of een toelage op grond van dat hoofdstuk, die al dan niet vermeerderd met de arbeidsongeschiktheidsuitkering 70% of meer bedraagt van het dagloon, waarnaar de arbeidsongeschiktheidsuitkering is of zou zijn berekend;

    • d

      na beëindiging van zijn dienstbetrekking een uitkering ontvangt op grond van de Ziektewet over de maximale duur, bedoeld in artikel 29, tweede lid, van die wet;

    • e

      een uitkering ontvangt, die naar aard en strekking overeenkomt met een uitkering bedoeld onder a of d; worden, indien deze uitkeringen worden ontvangen in verband met een gewezen dienstbetrekking van 8 of meer uren per week, in aanmerking genomen voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid, en voor de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het derde lid.

  • 5 Voor de periode van drie jaar, bedoeld in het tweede lid en voor de perioden gelegen in de vijf jaar, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag, bedoeld in het derde lid, worden perioden waarin een persoon een tot zijn huishouden behorend kind:

    • a

      beneden de leeftijd van 6 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid, volledig, en;

    • b

      vanaf de leeftijd van 6 jaar doch beneden de leeftijd van 12 jaar verzorgt, zonder dat deze persoon in dienstbetrekking van 8 of meer uren per week werkzaam is geweest of een uitkering heeft ontvangen als bedoeld in het vierde lid, voor de helft in aanmerking genomen.

  • 6 Voor de toepassing van het vijfde lid worden als periode van verzorging niet meegeteld de periode waarin:

    • a

      de verzorgende persoon als werknemer in de zin van een wettelijke regeling inzake werkloosheid recht heeft op een uitkering ter zake van werkloosheid of;

    • b

      de verzorging buiten Nederland plaatsvindt anders dan tijdens vakanties.

  • 7 Indien er in een gezamenlijke huishouding meer verzorgende personen zijn als bedoeld in het vijfde lid, wordt voor de toepassing van dat lid als verzorgende persoon van het kind beschouwd, degene van deze personen die zij als zodanig hebben aangewezen. Ingeval geen verzorgende persoon wordt aangewezen, is het college bevoegd een van hen die naar het oordeel van het college als verzorgende persoon moet worden beschouwd, als zodanig aan te wijzen.

  • 8 Voor de toepassing van het vijfde en zevende lid wordt onder:

    • a

      een kind verstaan een eigen, aangehuwd of pleegkind;

    • b

      een pleegkind verstaan een kind dat als eigen kind wordt onderhouden en opgevoed.

  • 9 De regels die gesteld zijn krachtens artikel 17b, zevende lid, van de Werkloosheidswet, zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11:8 Duur van de uitkering
  • Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

  • 1 In afwijking van artikel 11:7, eerste en tweede lid, wordt, indien dit leidt tot een langere uitkeringsduur, waarin tevens voor zover van toepassing de bijzondere verlenging als bedoeld in het vierde lid van dit artikel is begrepen, de duur van de uitkering vastgesteld overeenkomstig de volgende leden.

  • 2 De duur van de uitkering wordt vastgesteld op een aantal maanden, gelijk aan 1/6 deel van de diensttijd, waarna de uitkomst naar boven wordt afgerond op hele maanden.

  • 3 De ingevolge het tweede lid berekende uitkeringsduur wordt ten hoogste vastgesteld op 24 maanden.

  • 4 Indien een betrokkene ten tijde van het ontslag een diensttijd van ten minste tien jaren heeft volbracht en de som van zijn leeftijd en diensttijd, die hij ten tijde van het ontslag heeft bereikt, 60 jaren of meer bedraagt, wordt hem na afloop van de termijn waarover uitkering is toegekend aansluitend gedurende een periode van zes maanden een bijzondere verlenging verleend.

Artikel 11:9 Vervolguitkering
  • Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

  • 1 De betrokkene, die het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid, heeft bereikt, heeft in aansluiting op die uitkering recht op een vervolguitkering.

  • 2 De betrokkene die:

    • a

      het einde van de uitkeringsduur, bedoeld in artikel 11:7, eerste lid, heeft bereikt en

    • b

      voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a of b, doch uitsluitend wegens zijn arbeidsverleden geen recht heeft op verlenging van de uitkeringsduur, heeft recht op een vervolguitkering.

  • 3 Behoudens het gestelde in de volgende leden is de duur van de vervolguitkering een jaar.

  • 4 De duur van de vervolguitkering voor de betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is, bedraagt drie en een half jaar.

  • 5 De betrokkene aan wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is toegekend, heeft aansluitend recht op een vervolguitkering indien de toegekende uitkering eindigt op een tijdstip gelegen binnen een jaar na de datum waarop zijn uitkering zou zijn beëindigd, wanneer deze zou zijn toegekend ingevolge artikel 11:7. De vervolguitkering eindigt op het tijdstip gelegen een jaar na de in de vorige volzin bedoelde datum.

  • 6 De betrokkene die op de dag van zijn ontslag 57,5 jaar of ouder is en aan wie ingevolge artikel 11:8 een uitkering is toegekend, heeft aansluitend recht op een vervolguitkering indien de toegekende uitkering eindigt op een tijdstip gelegen binnen drie en een half jaar na de datum waarop zijn uitkering zou zijn beëindigd, wanneer deze zou zijn toegekend ingevolge artikel 11:7. De vervolguitkering eindigt op het tijdstip gelegen drie en een half jaar na de in de vorige volzin bedoelde datum.

  • 7 Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald, zijn bepalingen van de uitkering van overeenkomstige toepassing op de vervolguitkering.

Artikel 11:10 Bedrag van de uitkering
  • Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

  • 1 Het bedrag van de uitkering is gedurende de eerste twee maanden gelijk aan 87% van de bezoldiging, gedurende de volgende twee maanden 77% en vervolgens 67% van de bezoldiging.

  • 2 Het bedrag van de uitkering is gedurende de termijn van de bijzondere verlenging ingevolge artikel 11:8, vierde lid, 67% van de bezoldiging.

  • 3 Bij intrekking van de Wet van 20 december 1984 (Stb. 1984, 657) worden de percentages, genoemd in het eerste en tweede lid, met 3 procentpunten verhoogd.

Artikel 11:11 Bedrag van de vervolguitkering
  • Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

  • 1 Het bedrag van de vervolguitkering is gelijk aan het minimumloon, met dien verstande dat dit bedrag nooit meer kan bedragen dan 70% van de bezoldiging.

  • 2 Voor de toepassing van dit artikel wordt onder minimumloon verstaan het maandbedrag van het minimumloon bedoeld in artikel 8, eerste lid, onder a, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, of, indien het een betrokkene jonger dan 23 jaar betreft, het voor zijn leeftijd geldende minimumloon, bedoeld in artikel 7, derde lid, en artikel 8, derde lid, van genoemde wet, beide vermeerderd met de daarvoor berekende vakantiebijslag, bedoeld in artikel 15 van die wet.

Artikel 11:12 Verhuiskosten

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

Aan de betrokkene bedoeld in artikel 11:8, eerste lid, kan, indien hij elders arbeid of bedrijf ter hand gaat nemen, door het college een op de voet van de Verplaatsingskostenregeling te bepalen vergoeding in de kosten van een daartoe noodzakelijke verhuizing worden toegekend.

Artikel 11:13 Vermindering
  • Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

  • 1 Wanneer de betrokkene inkomsten verkrijgt uit of in verband met arbeid, waaronder mede wordt verstaan een uitkering krachtens de WAJONG of de WAZ, of bedrijf, ter hand genomen op of na de dag waarop hem het ontslag is verleend dan wel schriftelijk mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen, wordt op de in artikel 11:6 bedoelde uitkering een vermindering toegepast tot het bedrag waarmee die inkomsten en uitkering samen de bezoldiging te boven gaan. Voor de bepaling van het bedrag waarmede de uitkering vermeerderd met inkomsten zoals bedoeld in de eerste volzin, de bezoldiging overschrijdt, wordt een vermindering van de uitkering ingevolge artikel 11:23, eerste lid, niet in aanmerking genomen.

  • 2 Ten aanzien van de betrokkene aan wie een uitkering is toegekend en die wegens ongeschiktheid tot het verrichten van zijn betrekking ontslag is verleend uit de betrekking die hij gedurende de met recht op uitkering doorgebrachte tijd bekleedde en waarin hij deelnemer was in de zin van het pensioenreglement, worden inkomsten bedoeld in het eerste lid als volgt verrekend. De inkomsten, ter hand genomen met ingang van of na de dag waarop het ontslag plaats vond uit de betrekking die door betrokkene gedurende de met recht op uitkering doorgebrachte tijd werd bekleed, worden verrekend over de maand waarop zij betrekking hebben of geacht kunnen worden betrekking te hebben. In afwijking van het gestelde in het eerste lid, geschiedt deze verrekening op zodanige wijze dat de oorspronkelijk toegekende uitkering wordt verminderd met het bedrag waarmee het pensioen al dan niet aangevuld met een wachtgeld of uitkering, vermeerderd met de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf met inbegrip van de oorspronkelijk toegekende uitkering de oorspronkelijke bezoldiging overschrijdt. Indien na die vermindering een bedrag aan overschrijding van de bezoldiging resteert, wordt het aanvullende wachtgeld of de aanvullende uitkering verminderd met het resterende bedrag aan overschrijding.

  • 3 Het eerste lid vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, ter hand genomen gedurende vakantie, verlof of non-activiteit, onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem de uitkering is toegekend.

  • 4 Wanneer de betrokkene op of na de dag bedoeld in het eerste lid, inkomsten of hogere inkomsten verkrijgt uit arbeid of bedrijf ter hand genomen vóór evenbedoelde dag, is ten aanzien van die inkomsten of hogere inkomsten het bepaalde in het eerste lid van overeenkomstige toepassing. De hierbedoelde vermindering vindt echter niet plaats, indien de inkomsten of hogere inkomsten het gevolg zijn van algemene loonsverhogingen, of indien betrokkene aannemelijk maakt dat die inkomsten niet het gevolg zijn van verhoogde werkzaamheid of van andere oorzaken, verband houdende met het ontslag.

  • 5 Onder inkomsten bedoeld in de voorgaande leden worden niet verstaan inkomsten, verkregen wegens overwerk of gratificatie.

Artikel 11:14 Opgave van inkomsten
  • Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

  • 1 De betrokkene doet van het ter hand nemen van arbeid of bedrijf op of na de dag waarop hem ontslag is verleend of hem schriftelijk mededeling is gedaan van het voornemen hem ontslag te verlenen, onverwijld mededeling aan het college of aan een door het college aan te wijzen ambtenaar. Daarbij doet hij voor zover mogelijk opgave van de inkomsten die hij uit dan wel in verband met die arbeid of dat bedrijf zal verkrijgen. Tijdelijke of blijvende wijzigingen in alle evengenoemde bedragen geeft hij tijdig voor het verschijnen van de eerstvolgende uitkeringstermijn op.

  • 2 Indien de in het eerste lid bedoelde bedragen niet vooraf door de betrokkene zijn op te geven doet hij voor het verschijnen van elke uitkeringstermijn opgave van hetgeen hij sedert het ter hand nemen van de arbeid of het bedrijf dan wel sedert de vorige opgave heeft verkregen. Brengt de aard van de arbeid of het bedrijf, ter beoordeling van het college, mede dat de inkomsten over een langere termijn moeten worden berekend, welke echter niet langer dan een jaar mag zijn, dan geschiedt de opgave dienovereenkomstig en wordt het bedrag van de vermindering voorlopig vastgesteld onder voorbehoud van verrekening aan het einde van evenbedoelde termijn.

  • 3 Bij de vaststelling van het bedrag van de vermindering kan van een opgave, bedoeld in het tweede lid, worden afgeweken.

  • 4 Het in de voorgaande leden bepaalde vindt overeenkomstige toepassing ten aanzien van de arbeid of bedrijf en de inkomsten daaruit, bedoeld in artikel 11:13, het derde en vierde lid.

Artikel 11:15 Overlijdensuitkering
  • Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

  • 1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, bedoeld in artikel 11:6 wordt aan de nagelaten echtgenoot of geregistreerde partner een bedrag uitgekeerd gelijk aan de bezoldiging als bedoeld in artikel 11:5 over een tijdvak van drie maanden. Laat de overledene geen echtgenoot of geregistreerde partner na dan geschiedt de uitkering ten behoeve van zijn minderjarige wettige of natuurlijke kinderen dan wel minderjarige pleegkinderen. Ontbreken ook zodanige kinderen dan geschiedt de uitkering ten behoeve van ouders, broers, zusters of meerderjarige kinderen van wie de overledene kostwinner was.

  • 2 Indien ter zake van zijn overlijden aan de in het eerste lid bedoelde betrekkingen een bedrag wordt toegekend uit hoofde van een door de overledene vervulde andere betrekking, ten gevolge waarvan op de uitkering een vermindering werd toegepast op grond van artikel 11:13, wordt een bedrag uitgekeerd gelijk aan de verminderde uitkering over een tijdvak van drie maanden, voor zover nodig aangevuld, zodanig dat de som van beide bedragen gelijk is aan het bedrag, bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Indien de overledene geen betrekkingen bedoeld in het eerste lid nalaat, kan het bedrag van de uitkering geheel of ten dele worden aangewend voor de betaling van de kosten van de laatste ziekte of van de lijkbezorging als de nalatenschap van de overledene daartoe ontoereikend is.

  • 4 Op de uitkering als bedoeld in dit artikel wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de gewezen ambtenaar ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een bepaling in een gemeentelijke rechtspositieregeling, dan wel krachtens enig wettelijk voorgeschreven verzekering tegen ziekte, arbeidsongeschiktheid of onvrijwillige werkloosheid.

Artikel 11:16 Verplichtingen bij ziekte
  • Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

  • 1 Indien betrokkene wegens ziekte ongeschikt is arbeid te verrichten, of daarvan is hersteld, is hij verplicht daarvan terstond mededeling te doen aan het college.

  • 2 Het college stelt nadere voorschriften vast met betrekking tot de geneeskundige begeleiding van betrokkene als bedoeld in het eerste lid.

  • 3 Indien betrokkene door het UWV schriftelijk in kennis is gesteld van de mogelijkheid van het doen van een aanvraag voor een WAO-uitkering, is hij verplicht binnen de bij of krachtens de WAO gestelde termijnen een WAO-uitkering aan te vragen en alle medewerking te verlenen die noodzakelijk is voor het verkrijgen van deze uitkering.

  • 4 Indien betrokkene als bedoeld in het derde lid, geen WAO-uitkering aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit hoofdstuk rekening gehouden met de WAO-uitkering behorende bij een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer.

  • 5 Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene als bedoeld in het vierde lid, de WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht daarop geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing van dit hoofdstuk steeds geacht onverminderd te zijn genoten.

Artikel 11:17 Uitkering bij ziekte
  • Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

  • 1 Indien de betrokkene binnen de termijn waarover hij aanspraak heeft op een van de uitkeringen bedoeld in de artikelen 11:6 tot en met 11:15 dan wel uiterlijk een maand na afloop van die termijn wegens ziekte verhinderd is arbeid te verrichten, wordt hem telkens met ingang van de vierde dag van die verhindering een uitkering toegekend van 80% van zijn bezoldiging.

  • 2 De in het eerste lid bedoelde uitkering eindigt zodra de betrokkene deze over tezamen 260 werkdagen bij een vijfdaagse werkweek heeft genoten. De bepalingen van hoofdstuk 7 van deze regeling, zoals dit luidde voor 1 januari 2001, zijn voor zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11:18 Samenloop

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

Zolang de betrokkene de uitkering geniet, bedoeld in artikel 11:17, eerste lid, wordt met ingang van de dag waarop de verhindering wegens ziekte aanvangt, de uitbetaling van de uitkering, bedoeld in de artikelen 11:6 tot en met 11:15, opgeschort.

Artikel 11:19 Afkoop

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

Op verzoek van de betrokkene die voldoet aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a of b, kan het recht op uitkering geheel of ten dele worden afgekocht.

Artikel 11:20 Verval en opnieuw toekennen van het recht op uitkering
  • Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

  • 1 Het recht op uitkering dat in verband met het niet voldoen aan de voorwaarde, bedoeld in artikel 11:7, tweede lid, onderdeel a of b, uitsluitend wordt vastgesteld ingevolge artikel 11:7, eerste lid, vervalt met ingang van de dag waarop de werkloosheid eindigt en wordt bij weer intredende onvrijwillige werkloosheid opnieuw toegekend voor de resterende duur met ingang van de dag waarop de laatstbedoelde werkloosheid ingaat, tenzij de betrokkene ter zake van deze laatstelijk opgetreden werkloosheid aanspraak heeft op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet of krachtens enige publiekrechtelijke regeling inzake wachtgeld of uitkering.

  • 2 Voor toepassing van dit artikel wordt onder beëindiging van de werkloosheid begrepen:

    • a

      het aanvaard hebben van een naar zijn aard vaste dienstbetrekking;

    • b

      het gedurende een periode van een maand vervuld hebben van een naar zijn aard tijdelijke dienstbetrekking bij dezelfde werkgever, voorzover de omvang van de nieuwe dienstbetrekking ten minste gelijk is aan die van de dienstbetrekking op basis waarvan het recht op uitkering bestaat.

  • 3 Een betrokkene die bij afloop van de opnieuw toegekende uitkering als bedoeld in het eerste lid, nog onvrijwillig werkloos is, heeft opnieuw recht op een uitkering, mits de betrokkene:

    • a

      binnen 6 maanden na de dag waarop het recht op uitkering ontstond als bedoeld in artikel 11:6, eerste lid, onder a, arbeid in dienstbetrekking heeft aanvaard; en

    • b

      in ten minste 13 weken opnieuw werkzaam is geweest als werknemer als bedoeld in artikel 3 van de Werkloosheidswet.

  • 4 Voor de toepassing van het derde lid worden weken waarop de betrokkene zonder te werken loon heeft ontvangen, gelijkgesteld met gewerkte weken.

  • 5 De duur van de uitkering als bedoeld in het derde lid, bedraagt zes maanden, verminderd met de resterende duur van de opnieuw toegekende uitkering als bedoeld in het eerste lid.

  • 6 Het college beslist over het opnieuw toekennen van de uitkering als bedoeld in het eerste lid en op toekenning van een uitkering als bedoeld in het derde lid, op aanvraag door de betrokkene.

  • 7 Het recht op uitkering vervalt wanneer de daartoe strekkende aanvraag, bedoeld in het zesde lid en in artikel 11:6, negende lid, niet binnen een termijn van twee jaren na het ontstaan of het opnieuw ontstaan van dat recht bij het college is ingekomen.

Artikel 11:21 Verplichtingen
  • Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

  • 1 Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaren niet heeft bereikt, is hij verplicht een hem aangeboden betrekking, die hem in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden opgedragen, te aanvaarden dan wel tot het verkrijgen van inkomsten gebruik te maken van elke gelegenheid die in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden passend kan worden geacht.

  • 2 Zolang de betrokkene de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is hij verplicht zich bij het arbeidsbureau van zijn woonplaats als werkzoekende te doen inschrijven op de eerste werkdag, volgende op die waarop het ontslag ingaat. Hij dient binnen veertien dagen daarna een bewijs van inschrijving als werkzoekende van het arbeidsbureau aan het college over te leggen.

  • 3 De betrokkene, die op de dag van het ontslag metterwoon verblijf houdt in het buitenland dan wel nadien metterwoon verblijf gaat houden in het buitenland en die de leeftijd van 55 jaar nog niet heeft bereikt, is verplicht zich te doen inschrijven als werkzoekende bij een aldaar gevestigde instantie van arbeidsbemiddeling die daartoe de mogelijkheid biedt en die naar het oordeel van het college vergelijkbaar is met het arbeidsbureau.

  • 4 Het college kan bepalen dat de in het tweede en derde lid omschreven verplichting niet geldt voor bepaalde betrokkenen of groepen van betrokkenen.

  • 5 De betrokkene, bedoeld in het eerste lid, is voorts verplicht zich te gedragen naar de voorschriften die hem door het college in het algemeen of voor enig bijzonder geval worden gegeven, strekkende tot het verkrijgen van een betrekking of andere bron van inkomsten.

  • 6 Door het aanvaarden van de uitkering wordt de betrokkene geacht er in toe te stemmen dat zij, die naar het oordeel van het college daarvoor in aanmerking komen, alle voor de uitvoering van deze regeling noodzakelijke inlichtingen geven.

Artikel 11:22 Opschorting
  • Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

  • 1 Indien de betrokkene na zijn ontslag uit hoofde van ziekte aanspraak op doorbetaling van bezoldiging heeft of krijgt of een uitkering ten bedrage van de laatstgenoten bezoldiging in verband met de betrekking waaruit hem ontslag is verleend, wordt de uitvoering of verdere uitvoering van de uitkeringsregeling vervat in deze regeling opgeschort tot het einde van het tijdvak waarover die aanspraak bestaat.

  • 2 Het college kan op verzoek van de betrokkene die zich als dienstplichtige in militaire dienst bevindt of moet begeven, de uitvoering of verdere uitvoering van de uitkeringsregeling vervat in deze regeling opschorten tot het einde van het tijdvak van diens militaire dienst.

Artikel 11:23 Samenloop
  • Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

  • 1 Indien de betrokkene ter zake van de dienstbetrekking waaruit hij met recht op uitkering is ontslagen, aanspraak heeft op een WAO-uitkering en in voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van minder dan 80%, wordt het geldende bedrag van de uitkering, toegekend ter zake van hetzelfde ontslag, met het hierna genoemde percentage verminderd. Deze vermindering bedraagt bij een arbeidsongeschiktheid van

    65% tot 80% :80%;
    55% tot 65% :60%;
    45% tot 55% :50%;
    35% tot 45% :40%;
    25% tot 35% :30%;
    15% tot 25% :20%;
    minder dan 15% :0%.

    De som van de in de eerste volzin bedoelde WAO-uitkering, in voorkomend geval vermeerderd met een invaliditeitspensioen, en de verminderde uitkering bedraagt voorts niet meer dan de onverminderde uitkering die wordt genoten indien er geen sprake is van samenloop. Ingeval van overschrijding wordt het overschrijdende bedrag op de uitkering in mindering gebracht.

  • 2 Indien de betrokkene, bedoeld in het eerste lid, geen WAO-uitkering aanvraagt en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, wordt voor de toepassing van dit artikel rekening gehouden met de WAO-uitkering waarbij een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer behoort.

  • 3 Indien als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene, bedoeld in het eerste lid, de WAO-uitkering vermindering ondergaat, dan wel het recht op deze uitkering geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, en dit betrokkene redelijkerwijs kan worden verweten, wordt de bedoelde uitkering voor de toepassing van dit artikel steeds geacht onverminderd te zijn genoten.

Artikel 11:24 Samenloop

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

Indien de betrokkene aanspraken krijgt op een uitkering krachtens de Werkloosheidswet of de Ziektewet, worden gedurende de termijn, waarover die aanspraken bestaan, de op grond van deze regeling toegekende uitkeringen niet uitbetaald.

Artikel 11:25 Betaling
  • Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

  • 1 Het bedrag van de uitkering, over een jaar berekend, wordt naar boven tot een volle euro afgerond en in dezelfde termijnen uitbetaald als de bezoldiging welke vóór de toekenning van de uitkering werd genoten.

  • 2 Met toestemming van de betrokkene kan de uitbetaling van de uitkering over langere termijnen geschieden.

Artikel 11:26 Verval van uitkering
  • Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

  • 1 De uitkeringen kunnen geheel of gedeeltelijk vervallen worden verklaard:

    • a

      indien de betrokkene bedoeld in artikel 11:6, de opgave bedoeld in artikel 11:14, eerste en tweede lid, nalaat dan wel onjuist of onvolledig doet;

    • b

      indien de betrokkene niet voldoet aan het bepaalde in artikel 11:21, tweede en derde lid, dan wel indien hij zonder toestemming van het college gedurende de tijd, waarin hij een uitkering geniet, de in evengenoemde leden bedoelde inschrijving teniet doet of nalaat deze op de door het arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling bepaalde tijdstippen te doen verlengen;

    • c

      indien de betrokkene enig op grond van artikel 11:21, vijfde lid, gegeven voorschrift niet nakomt, tenzij hem hiervan redelijkerwijs geen verwijt kan worden gemaakt, dan wel indien er overigens gegronde reden is om aan te nemen dat hij niet ernstig tracht werk te vinden;

    • d

      indien de betrokkene zich zonder toestemming van het college in het buitenland vestigt of geacht moet worden aldaar duurzaam te verblijven;

    • e

      indien betrokkene niet voldoet aan de verplichtingen die bij of krachtens artikel 11:16, eerste en tweede lid, zijn gesteld;

    • f

      indien de betrokkene zich zodanig gedraagt, dat hem ontslag zou zijn verleend als hij in dienst was gebleven;

    • g

      indien achteraf blijkt, dat voor het aan de betrokkene verleende ontslag zich feiten en/of omstandigheden hebben voorgedaan die, zo deze eerder bekend waren, aanleiding zouden hebben gevormd hem als ambtenaar met toepassing van artikel 8:13 van deze regeling ontslag te verlenen;

    • h

      indien de betrokkene niet ernstig tracht werk te vinden.

  • 2 Het voorgaande lid is, voor zover nodig, van overeenkomstige toepassing op een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.

  • 3 Indien de betrokkene de verplichting bedoeld in artikel 11:21, eerste lid, niet nakomt dan wel indien hij als ingeschrevene bij het arbeidsbureau dan wel de buitenlandse instantie van arbeidsbemiddeling opzettelijk of door nalatigheid verzuimt gevolg te geven aan een oproeping of aanwijzing van het arbeidsbureau, welke kan leiden tot het verkrijgen van werk dat hem in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden redelijkerwijs kan worden opgedragen of indien hij weigert dergelijk werk te aanvaarden, vervalt de uitkering voor het gedeelte waarmee deze tezamen met de verzuimde of verloren gegane inkomsten, de bezoldiging te boven zou zijn gegaan.

  • 4 Het bepaalde in dit artikel is niet van kracht indien het niet nakomen van voorschriften, het weigeren of geen gebruik maken van een aangeboden betrekking of van een gelegenheid tot het verkrijgen van inkomsten geschiedt tijdens een staking of uitsluiting, behoudens het geval dat het naar het oordeel van het college noodzakelijk is dat de ambtenaar werkzaamheden verricht ter vervanging van stakers of uitgeslotenen of om werknemers behulpzaam te zijn, zulks met het oog op de openbare veiligheid of gezondheid of voor de regelmatige functionering van de openbare dienst.

Artikel 11:27 Einde van het recht op uitkering
  • Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

  • 1 Het recht op uitkering eindigt:

    • a

      met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgende op die waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt;

    • b

      met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene is overleden;

    • c

      indien het recht op uitkering geheel wordt afgekocht.

  • 2 Het recht op uitkering eindigt met ingang van de dag waarop de betrokkene recht verkrijgt op een WAO-uitkering, berekend naar een arbeidsongeschiktheid van 80% of meer. Artikel 11:6, achtste lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat van deze uitkering de duur, voor zover deze wordt bepaald aan de hand van artikel 11:8, en de hoogte worden vastgesteld te rekenen vanaf de datum van ontslag.

  • 3 De voorgaande leden zijn, voor zover nodig van overeenkomstige toepassing op een uitkering, bedoeld in artikel 11:17.

Artikel 11:28 Nadere voorschriften

Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

Ter uitvoering van dit hoofdstuk kan het college nadere voorschriften geven.

Artikel 11:29 Overgangsbepalingen
  • Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

  • 1 Op de uitkeringen toegekend krachtens de bepalingen van de uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991, worden voor de resterende duur na 30 juli 1991, de bepalingen van de uitkeringsregeling zoals deze luiden met ingang van 1 augustus 1991 toegepast, met dien verstande dat de hoogte, voor de reeds vastgestelde duur, nooit lager zal zijn dan op grond van de uitkeringsregeling zoals deze luidde voor 1 augustus 1991.

  • 2 Ten aanzien van de uitkeringen, als bedoeld in het eerste lid, die voortduren na 30 juli 1991, wordt op basis van de desbetreffende bepalingen in de uitkeringsregeling zoals deze luiden met ingang van 1 augustus 1991, de duur opnieuw berekend. Indien de aldus berekende duur van de toegekende uitkering langer is dan de oorspronkelijk vastgestelde duur, wordt deze laatstgenoemde duur verlengd met het verschil tussen beide.

  • 3 De betrokkene aan wie een uitkering was toegekend op grond van artikel 11, eerste lid, van de uitkeringsregeling, zoals deze luidde tot 1 augustus 1991, en welke als gevolg van beëindiging van de werkloosheid is vervallen, behoudt binnen de in artikel 13, tweede lid genoemde termijn en overeenkomstig de overige daarvoor genoemde voorwaarden het recht op opnieuw toekennen van de uitkering. Artikel 13, eerste lid van de uitkeringsregeling zoals deze luidde tot 1 augustus 1991, blijft van toepassing op een weder toegekende uitkering als bedoeld in de vorige volzin, met dien verstande dat de duur van de toegekende uitkering wordt herberekend op grond van het tweede lid.

Artikel 11:30 Overgangsbepalingen
  • Hoofdstuk 11 is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later. (Zie ook artikel 11:32 lid 1.)

  • 1 Degene aan wie voor 1 januari 1995 een uitkering is toegekend op basis van de bepalingen van de uitkeringsverordening zoals deze luidde voor 1 januari 1995, en waarvan de duur doorloopt tot na 31 december 1994, behoudt wat betreft de hoogte van deze uitkering de aanspraken zoals deze zijn vastgelegd in evengenoemde verordening.

  • 2 Het voorgaande geldt eveneens ten aanzien van degene aan wie voor 1 januari 1995 een uitkering is toegekend op basis van dit hoofdstuk.

Artikel 11:31 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 11:32 Slotbepaling
  • 1 Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar of arbeidscontractant die ontslagen is met ingang van 1 januari 2001 of later.

  • 2 Bij de verwijzingen in dit hoofdstuk naar artikelen elders uit de CAR en/of UWO moet, voorzover niet anders is bepaald, worden uitgegaan van de tekst van deze artikelen zoals deze luidde op 31 december 2000.

11a Suppletie

Artikel 11a:1 Begripsomschrijvingen
  • Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

  • 1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :

    • a

      arbeidsongeschiktheid: arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 18, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering;

    • b

      arbeidsongeschiktheidsuitkering: een periodieke uitkering, toegekend op grond van arbeidsongeschiktheid, die voortvloeit uit enig dienstverband van betrokkene;

    • c

      WAO-uitkering: uitkering op grond van de WAO;

    • d

      betrokkene: de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2 van de WPA, aan wie op grond van artikel 8:5 ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte, en die ten tijde van dat ontslag minder dan 80% arbeidsongeschikt is, met uitzondering van degene die zijn resterende verdienvermogen volledig benut in een of meer aangehouden betrekkingen;

    • e

      bestuursorgaan: het orgaan als bedoeld in artikel 8:5, eerste lid, dat bevoegd is betrokkene ontslag te verlenen;

    • f

      suppletie: de suppletie, bedoeld in artikel 11a:6;

    • g

      dagloon: het dagloon in de zin van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering zonder toepassing van de maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering, vermeerderd met het bedrag aan pensioenpremie, bedoeld in artikel 10 van de Wet financiële voorzieningen privatisering ABP, en in voorkomend geval verminderd met bijdragen strekkende tot betaling van de premie van een door of voor de betrokkene afgesloten particuliere ziektekostenverzekering als bedoeld in artikel 1, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit Algemene Dagloonregelen WAO;

    • h

      berekeningsgrondslag van de suppletie: het dagloon van betrokkene op de dag voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan hem recht op suppletie wordt toegekend, voor zover dat betrekking heeft op het inkomen uit de betrekking waaraan het recht op suppletie wordt ontleend;

    • i

      werkloosheidsuitkering: een periodieke uitkering ter zake van ontslag of werkloosheid, die voortvloeit uit enig dienstverband van betrokkene.

  • 2 Bij de toepassing van dit hoofdstuk wordt artikel 1:2:1 in acht genomen.

Artikel 11a:2 Recht op suppletie
  • Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

  • 1 Betrokkene heeft recht op suppletie vanaf het tijdstip dat aan hem ontslag is verleend op grond van ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte.

  • 2 Het eerste lid is niet van toepassing indien het in dat lid bedoelde ontslag wordt verleend na het moment dat de ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte 90 maanden onafgebroken heeft geduurd. Voor het bepalen van genoemde periode van 90 maanden worden perioden van ziekte samengeteld indien die elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

Artikel 11a:3 Recht op suppletie
  • Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

  • 1 Het verplichtingen- en sanctieregime van de Werkloosheidswet is van overeenkomstige toepassing op het recht op suppletie.

  • 2 Onverminderd het eerste lid, omvat passende arbeid in de zin van de Werkloosheidswet voor de toepassing van de suppletie mede gangbare arbeid. Hierbij wordt onder gangbare arbeid verstaan: alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de betrokkene met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.

Artikel 11a:4 Recht op suppletie

Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

Het recht op suppletie komt niet tot uitbetaling voor zolang :

  • a

    betrokkene een WAO-uitkering ontvangt, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80% of meer;

  • b

    betrokkene is herplaatst in een functie waaraan hij recht kan ontlenen op herplaatsingstoelage als bedoeld in hoofdstuk 12 van het pensioenreglement van de Stichting Pensioenfonds ABP.

Artikel 11a:5 Recht op suppletie

Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

Het recht op suppletie eindigt:

  • a

    na ommekomst van de duur van de suppletie;

  • b

    met ingang van de dag volgende op die waarop de betrokkene is overleden;

  • c

    met ingang van de eerste dag van de maand waarin de betrokkene de leeftijd van 65 jaar bereikt.

Artikel 11a:6 Suppletie
  • Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

  • 1 De suppletie bedraagt een percentage van de berekeningsgrondslag van de suppletie.

  • 2 De berekeningsgrondslag van de suppletie wordt telkens aangepast aan de voor de sector Gemeenten geldende algemene bezoldigingswijziging.

  • 3 Het in het eerste lid bedoelde percentage bedraagt :

    • a

      gedurende de eerste drieëndertig maanden 80%; en

    • b

      gedurende de daaropvolgende drieëndertig maanden 70%.

Artikel 11a:7 Suppletie
  • Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

  • 1 In afwijking van artikel 11a:6, derde lid, wordt, indien het in artikel 11a:2 bedoelde ontslag is verleend op een latere datum dan het moment waarop de ongeschiktheid voor de vervulling van zijn betrekking wegens ziekte 24 maanden onafgebroken heeft geduurd, de in artikel 11a:6, derde lid, genoemde periode verminderd met de periode die gelegen is tussen de ontslagdatum en het moment waarop genoemde ongeschiktheid 24 maanden onafgebroken heeft geduurd. Deze vermindering vindt plaats, te beginnen met de periode gedurende welke de betrokkene recht heeft op 80% van de berekeningsgrondslag van de suppletie.

  • 2 Voor het bepalen van de in het eerste lid bedoelde periode van 24 maanden worden perioden van ziekte samengeteld indien die elkaar met een onderbreking van minder dan vier weken opvolgen.

Artikel 11a:8 Suppletie
  • Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

  • 1 Indien de betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op suppletie, ter zake van de dienstbetrekking waaruit dat recht op suppletie is ontstaan, een werkloosheidsuitkering, een Waz [Klik hier om het document te downloaden] -uitkering dan wel een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangt, wordt het bedrag van genoemde uitkering of uitkeringen in mindering gebracht op het bedrag van de suppletie. Indien de bedoelde betrokkene uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen als overheidswerknemer recht heeft op een WAO-uitkering, wordt die uitkering voor de toepassing van de eerste volzin, toegerekend aan de dienstbetrekking ter zake waarvan hem recht op suppletie is toegekend, naar rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende dienstbetrekkingen.

  • 2 Indien de betrokkene recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering die kan worden toegerekend aan een dienstbetrekking, waaruit hij is ontslagen op een datum, gelegen vóór de datum van ontslag uit de dienstbetrekking ter zake waarvan hem recht op suppletie is toegekend, welk recht voortduurt na laatstgenoemde datum, wordt, in geval van een verhoging van de mate van de arbeidsongeschiktheid waardoor het bedrag van die arbeidsongeschiktheidsuitkering verhoogd wordt, uitsluitend het bedrag van die verhoging van die arbeidsongeschiktheidsuitkering in mindering gebracht op het bedrag van de suppletie. Indien de bedoelde betrokkene uit hoofde van twee of meer dienstbetrekkingen als overheidswerknemer recht heeft op een WAO-uitkering, wordt die uitkering voor de toepassing van de vorige volzin toegerekend aan de in die volzin eerstgenoemde dienstbetrekking, naar rato van de feitelijk genoten inkomsten uit hoofde van de desbetreffende dienstbetrekkingen.

  • 3 Indien de toerekeningswijze, bedoeld in het tweede lid, in een individueel geval naar het oordeel van het bestuursorgaan leidt tot een kennelijk onredelijke uitkomst voor de betrokkene, kan het bestuursorgaan ten gunste van die betrokkene tot een wijze van toerekenen besluiten die met de strekking van dit artikel overeenkomt.

Artikel 11a:9 Suppletie
  • Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

  • 1 Indien betrokkene gedurende de periode dat recht bestaat op suppletie inkomsten verwerft uit of in verband met arbeid of bedrijf, anders dan bedoeld in artikel 11a:8, wordt de berekeningsgrondslag van de suppletie verminderd met de inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf.

  • 2 Onder inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf, bedoeld in het eerste lid, worden begrepen inkomsten uit of in verband met arbeid of bedrijf die zijn ontstaan:

    • a

      met ingang van of na de dag waarop het ontslag ter zake waarvan de betrokkene suppletie is toegekend, hem is aangezegd;

    • b

      gedurende non-activiteit, vakantie of verlof onmiddellijk voorafgaande aan het ontslag ter zake waarvan de betrokkene suppletie is toegekend;

    • c

      vóór de dag van het ontslag ter zake waarvan de betrokkene suppletie is toegekend, anders dan bedoeld in onderdeel a en b, en artikel 11a:8, tweede lid, voor zover uit deze arbeid of dit bedrijf na die dag inkomsten of meer inkomsten worden genoten door de betrokkene, terwijl die inkomsten of die meerdere inkomsten of een gedeelte daarvan, het gevolg zijn van een verhoogde werkzaamheid dan wel verband houden met het ontslag.

  • 3 In bijzondere gevallen kan het bestuursorgaan ten gunste van betrokkene afwijken van het tweede lid.

Artikel 11a:10 Suppletie

Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

Voor de toepassing van artikel 11a:8 en 11a:9 worden uitkeringen steeds geacht onverminderd door betrokkene te zijn genoten indien, als gevolg van handelingen of het nalaten van handelingen door betrokkene, één of meer werkloosheidsuitkeringen, een Waz [Klik hier om het document te downloaden] -uitkering, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen op grond van de Ziektewet dan wel uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen, waarop betrokkene recht heeft:

  • a

    vermindering ondergaan;

  • b

    blijvend geheel geweigerd worden;

  • c

    tijdelijk of blijvend gedeeltelijk geweigerd worden; dan wel;

  • d

    in uitkeringsduur beperkt worden.

Artikel 11a:11 Suppletie
  • Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

  • 1 Zo spoedig mogelijk na het overlijden van de betrokkene, aan wie een suppletie is toegekend, keert het bestuursorgaan een bedrag uit, gelijk aan de berekeningsgrondslag van de suppletie van betrokkene over een tijdvak van drie maanden.

  • 2 Het in het eerste lid bedoelde bedrag wordt uitgekeerd:

    • a

      aan de langstlevende der echtgenoten of geregistreerde partner(s) indien de overledene niet duurzaam van de andere echtgenoot of geregistreerde partner gescheiden leefde;

    • b

      bij ontstentenis van de onder a bedoelde persoon aan de minderjarige wettige of natuurlijke kinderen;

    • c

      bij ontstentenis van de onder a en b bedoelde personen aan degenen ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde.

  • 3 Voor de toepassing van het tweede lid worden mede als echtgenoot of geregistreerde partner aangemerkt niet gehuwde personen van verschillend of gelijk geslacht die duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, tenzij het betreft personen tussen wie bloedverwantschap in de eerste of tweede graad bestaat.

  • 4 Van een gezamenlijke huishouding als bedoeld in het derde lid, kan slechts sprake zijn indien twee ongehuwde personen gezamenlijk voorzien in huisvesting en bovendien beiden een bijdrage leveren in de kosten van de huishouding dan wel op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.

  • 5 Op het uit te keren bedrag, bedoeld in het eerste lid, wordt in mindering gebracht het bedrag van de uitkering waarop de nagelaten betrekkingen van de betrokkene ter zake van diens overlijden aanspraak kunnen maken uit hoofde van een of meer werkloosheidsuitkeringen, arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, uitkeringen op grond van de Ziektewet dan wel uitkeringen die naar aard en strekking overeenkomen met laatstgenoemde uitkeringen, waarop betrokkene recht had.

Artikel 11a:12 Betaling van suppletie
  • Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

  • 1 Het bestuursorgaan stelt op aanvraag vast of er recht op suppletie bestaat.

  • 2 Een aanvraag wordt ingediend door middel van een door het bestuursorgaan beschikbaar gesteld aanvraagformulier.

  • 3 Het bestuursorgaan betaalt de suppletie zo spoedig mogelijk uit, doch uiterlijk binnen een maand nadat het het recht op die suppletie heeft vastgesteld. Het bestuursorgaan betaalt de suppletie in de regel per maand achteraf.

  • 4 De suppletie die niet in ontvangst is genomen of is ingevorderd binnen 3 maanden na de dag van betaalbaarstelling, wordt niet meer betaald. Het bestuursorgaan kan in bijzondere gevallen ten gunste van betrokkene afwijken van de eerste volzin.

Artikel 11a:13 Betaling van suppletie
  • Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

  • 1 Het bestuursorgaan betaalt ambtshalve een naar redelijkheid vast te stellen voorschot op een suppletie indien uitsluitend onzekerheid bestaat omtrent de hoogte van de suppletie, omtrent het van de suppletie aan de betrokkene te betalen bedrag of omtrent het nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 11a:3.

  • 2 Het bestuursorgaan kan op verzoek van de betrokkene een naar redelijkheid vast te stellen voorschot op een suppletie betalen indien onzekerheid bestaat omtrent het recht op suppletie.

  • 3 Een voorschot, bedoeld in het eerste en tweede lid, wordt beschouwd als een suppletie.

Artikel 11a:14 Scholing, opleiding en onbeloonde activiteiten
  • Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

  • 1 Het bestuursorgaan kan regels stellen op grond waarvan in bij die regels aan te geven gevallen en met inachtneming van bij die regels te stellen beperkingen de betrokkene bevoegd is deel te nemen aan een opleiding of scholing in dagonderwijs.

  • 2 Indien de betrokkene die recht heeft op suppletie gaat deelnemen aan een voor hem naar het oordeel van het bestuursorgaan noodzakelijke opleiding of scholing, blijft volgens door het bestuursorgaan te stellen regels het recht op suppletie bestaan totdat die opleiding of scholing is geëindigd.

  • 3 In de door het bestuursorgaan te stellen regels, bedoeld in het tweede lid, worden in ieder geval voorschriften en beperkingen gegeven met betrekking tot de aard, de omvang en de duur van de in het tweede lid bedoelde opleiding of scholing.

Artikel 11a:15 Scholing, opleiding en onbeloonde activiteiten
  • Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

  • 1 De betrokkene die onbeloonde activiteiten verricht, is verplicht daarvan mededeling te doen aan het bestuursorgaan.

  • 2 De betrokkene heeft voor het verrichten van bijzondere vormen van onbeloonde activiteiten voorafgaande toestemming van het bestuursorgaan nodig.

Artikel 11a:16 Uitvoeringsvoorschriften
  • Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

  • 1 Het bestuursorgaan stelt nadere regels vast met betrekking tot :

    • a

      de wijze waarop de controle van betrokkene plaatsvindt;

    • b

      het genieten van vakantie tijdens de duur van de suppletie.

  • 2 Het bestuursorgaan kan nadere regels stellen met betrekking tot artikel 11a:15.

Artikel 11a.16.0.1 Uitvoeringsvoorschriften suppletieregeling

In aanvulling op artikel 11a:16 vindt u bij het onderdeel “Lokale regelingen” de Uitvoeringsvoorschriften suppletieregeling van de gemeente Nijmegen.

Artikel 11a:17 Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of uitkering wegens ziekte
  • Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

  • 1 Degene die op 31 december 1995 uit hoofde van een ontslag uit de sector gemeenten recht heeft op een herplaatsingswachtgeld als bedoeld in artikel K 4, tweede lid, juncto artikel K 6 van de Algemene burgerlijke pensioenwet, zoals die wet luidde op die datum, en waarvan de duur op 1 januari 1996 nog niet is verstreken, heeft recht op suppletie.

  • 2 Het in het eerste lid bedoelde recht op suppletie bedraagt bij een op 31 december 1995 genoten recht op herplaatsingswachtgeld van.

    1 maandgedurende de eerste 27 maanden 80%vervolgens 33 maanden 70%
    2 maanden gedurende de eerste 26 maanden 80%vervolgens 33 maanden 70%
    3 maanden gedurende de eerste 25 maanden 80%vervolgens 33 maanden 70%
    4 maandengedurende de eerste 24 maanden 80%vervolgens 33 maanden 70%
    5 maanden gedurende de eerste 22 maanden 80%vervolgens 33 maanden 70%
    6 maanden gedurende de eerste 21 maanden 80%vervolgens 33 maanden 70%
    7 maanden gedurende de eerste 20 maanden 80%vervolgens 33 maanden 70%
    8 maanden gedurende de eerste 19 maanden 80%vervolgens 33 maanden 70%
    9 maanden gedurende de eerste 18 maanden 80%vervolgens 33 maanden 70%
    10 maandengedurende de eerste 17 maanden 80%vervolgens 33 maanden 70%
    11 maandengedurende de eerste 16 maanden 80%vervolgens 33 maanden 70%
    12 maandengedurende de eerste 15 maanden 80%vervolgens 33 maanden 70%
    13 maandengedurende de eerste 14 maanden 80%vervolgens 33 maanden 70%
    14 maandengedurende de eerste 13 maanden 80%vervolgens 33 maanden 70%
    15 maandengedurende de eerste 12 maanden 80%vervolgens 33 maanden 70%
    16 maandengedurende de eerste 11 maanden 80%vervolgens 33 maanden 70%
    17 maandengedurende de eerste 10 maanden 80%vervolgens 33 maanden 70%
    18 maanden gedurende de eerste   9 maanden 80%vervolgens 33 maanden 70%
    19 maanden gedurende de eerste   9 maanden 80%vervolgens 33 maanden 70%
    20 maandengedurende de eerste   8 maanden 80%vervolgens 33 maanden 70%
    21 maandengedurende de eerste   7 maanden 80%vervolgens 33 maanden 70%
    22 maandengedurende de eerste   6 maanden 80%vervolgens 33 maanden 70%
    23 maandengedurende de eerste   5 maanden 80%vervolgens 33 maanden 70%
    24 maandengedurende de eerste   4 maanden 80%vervolgens 33 maanden 70%
    25 maanden gedurende de eerste   3 maanden 80%vervolgens 33 maanden 70%
    26 maanden gedurende de eerste   2 maanden 80%vervolgens 33 maanden 70%
    27 maanden gedurende de eerste   1 maand 80%vervolgens 33 maanden 70%
    28 maanden  gedurende 33 maanden 70%
    29 maanden  gedurende 32 maanden 70%
    30 maanden  gedurende 31 maanden 70%
    31 maanden  gedurende 30 maanden 70%
    32 maanden  gedurende 29 maanden 70%
    33 maanden  gedurende 28 maanden 70%
    34 maanden  gedurende 27 maanden 70%
    35 maanden  gedurende 26 maanden 70%
    36 maanden  gedurende 25 maanden 70%
    37 maanden  gedurende 24 maanden 70%
    38 maanden  gedurende 23 maanden 70%
    39 maanden  gedurende 22 maanden 70%
    40 maanden  gedurende 21 maanden 70%
    41 maanden  gedurende 20 maanden 70%
    42 maanden  gedurende 19 maanden 70%
    43 maanden  gedurende 18 maanden 70%
    44 maanden  gedurende 17 maanden 70%
    45 maanden  gedurende 16 maanden 70%
    46 maanden  gedurende 15 maanden 70%
    47 maanden  gedurende 14 maanden 70%
    48 maanden  gedurende 13 maanden 70%
    49 maanden  gedurende 11 maanden 70%
    50 maanden  gedurende 10 maanden 70%
    51 maanden  gedurende   9 maanden 70%
    52 maanden  gedurende   8 maanden 70%
    53 maanden  gedurende   7 maanden 70%
    54 maanden  gedurende   6 maanden 70%
    55 maanden  gedurende   5 maanden 70%
    56 maanden  gedurende   4 maanden 70%
    57 maanden  gedurende   3 maanden 70%
    58 maanden  gedurende   2 maanden 70%
    59 maanden  gedurende   1 maand 70%
  • 3 De artikelen 11a:3, 11a:4, 11a:5, 11a:6, tweede lid, 11a:7, 11a:8, 11a:9, 11a:10, 11a:11, alsmede artikel 11a:12, derde lid tot en met 11a:16 zijn van overeenkomstige toepassing.

  • 4 Het bestuursorgaan stelt ambtshalve van iedere overheidswerknemer als bedoeld in het eerste lid, het recht op suppletie vast met inachtneming van het in dit artikel bepaalde.

  • 5 Artikel 11a:6, eerste lid, is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor de vaststelling van de berekeningsgrondslag voor de betrokkene als dagloon geldt het dagloon zoals bepaald in artikel 42, derde en vierde lid, van de WPA, zonder toepassing van de maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.

  • 6 Bij de bepaling op 1 januari 1996 van de periode waarover herplaatsingswachtgeld is genoten, wordt deze periode naar beneden afgerond op een hele maand.

Artikel 11a:18 Conversie herplaatsingswachtgeld en bezoldiging of uitkering wegens ziekte

Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

Indien de overheidswerknemer, bedoeld in artikel 2 van de WPA, op 1 januari 1996 gedurende een periode van 52 weken of langer onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest in de zin van artikel 19, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering en de mate van zijn algemene invaliditeit op grond van het pensioenreglement is vastgesteld op ten minste 15 procent dan wel de mate van arbeidsongeschiktheid ingevolge de ministeriële regeling op grond van artikel 8, derde lid, van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet is vastgesteld op ten minste 25 procent, binnen een periode van zes maanden is aan te merken als betrokkene, geldt voor hem als dagloon het dagloon zoals bepaald in artikel 39, vierde en vijfde lid, van de WPA, zonder toepassing van de maximumdagloongrens van artikel 9, eerste lid, van de Coördinatiewet Sociale Verzekering.

Artikel 11a:19 Overige en slotbepalingen

Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

Indien het niveau van de WAO-conforme uitkering als bedoeld in paragraaf 9 van de WPA een algemene neerwaartse wijziging ondergaat, wordt deze neerwaartse wijziging, tenzij de LOGA-partners anders overeenkomen, binnen zes maanden na de datum van het Staatsblad, waarin de maatregel is gepubliceerd, op overeenkomstige wijze ten aanzien van de suppletie doorgevoerd vanaf de in het Staatsblad vermelde datum van inwerkingtreding van bedoelde maatregel, doch niet eerder dan zes maanden na de datum van het Staatsblad.

Artikel 11a:20 Overige en slotbepalingen

Dit hoofdstuk is van toepassing op een zeer beperkte groep ambtenaren. (Zie artikel 11a:21)

Dit hoofdstuk treedt in werking met ingang van 1 januari 1996.

Artikel 11a:21 Overige en slotbepalingen
  • 1 Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen op of na 1 januari 2004 en die op of na 1 januari 2007 op grond van artikel 8:5 is ontslagen, met uitzondering van de ambtenaar die op grond van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering.

  • 2 Dit hoofdstuk is niet van toepassing op de ambtenaar, van wie de eerste dag van ongeschiktheid, bedoeld in artikel 8:5, is gelegen op of na 1 januari 2004 en die tussen 1 juli 2006 en 1 januari 2007 op grond van artikel 8:5 is ontslagen en volledig arbeidsongeschikt is, met uitzondering van de ambtenaar die op grond van de WAO recht heeft op een WAO-uitkering.

Artikel 1 Uitvoeringsvoorschriften suppletieregeling

Besluit van burgemeester en wethouders d.d. 30 januari 1996.

In deze regeling wordt verstaan onder:

  • a

    suppletieregeling: de suppletieregeling die is opgenomen in hoofdstuk 11a van de AGN;

  • b

    suppletie: de suppletie, bedoeld in artikel 11a:6 van de suppletieregeling;

  • c

    betrokkene: de betrokkene, bedoeld in artikel 11a:1, onder d, van de suppletieregeling;

  • d

    Tica: het Tijdelijke instituut voor coördinatie en afstemming dat is erkend op grond van artikel 31 van de Organisatiewet sociale verzekeringen en is ingesteld op grond van artikel 35 van die wet;

  • e

    uitvoeringsinstelling: de instelling aan wie het bestuursorgaan, belast met de uitvoering van de suppletieregeling, de werkzaamheden, verbonden aan de uitvoering van de suppletieregeling, heeft opgedragen.

Artikel 2 Uitvoeringsvoorschriften suppletieregeling

Lid 1

De artikelen 1 tot en met 8 van het Model-uitkeringsreglement Werkloosheidswet gelden voor zoveel mogelijk als uitvoeringsvoorschriften ten behoeve van een doelmatige controle van betrokkenen en als uitvoeringsvoorschriften met betrekking tot het genieten van vakantie tijdens de duur van de suppletie, met dien verstande dat voor de hierna te noemen begrippen uit het model-uitkeringsreglement moet worden gelezen:

  • a

    bedrijfsvereniging: het bestuursorgaan belast met de uitvoering van de suppletieregeling;

  • b

    bestuur: de uitvoeringsinstelling;

  • c

    werknemer: betrokkene;

  • d

    werkgever: het bestuursorgaan dat bevoegd is betrokkenen ontslag te verlenen;

  • e

    uitkering: suppletie;

  • f

    Werkloosheidswet, wat de toepassing van artikel 7 betreft: suppletieregeling.

Lid 2

Met betrekking tot het genieten van vakantie tijdens de duur van de suppletie gelden als uitvoeringsvoorschriften de Regels betreffende het begrip vakantie en de perioden van vakantie met behoud van recht op uitkering, vastgesteld bij besluit van de toenmalige Sociale Verzekeringsraad d.d. 23 januari 1992 (Stcrt. 1992, 19), welke ingevolge artikel Regels vakantieperiode met behoud van recht op uitkering XLVII van de Invoeringswet Organisatiewet sociale verzekeringen gelden als het besluit van het Tica op grond van artikel 19, vijfde lid, van de Werkloosheidswet, met dien verstande dat voor uitkering dient te worden gelezen: suppletie.

Lid 3

Wijzigingen in het in het eerste lid genoemde modelreglement onderscheidenlijk die in het tweede lid genoemde Regels, gelden, voor zover deze als uitvoeringsvoorschriften van de suppletieregeling zijn aangeduid, als wijzigingen van deze uitvoeringsvoorschriften.

Artikel 3 Uitvoeringsvoorschriften suppletieregeling

Betrokkene is verplicht om met inachtneming van de nadere aanwijzingen van de uitvoeringsinstelling, het ontstaan van de ziekte als gevolg waarvan hij verhinderd is arbeid te verrichten, aan de uitvoeringsinstelling te melden, alsook zijn herstel daarvan.

Artikel 4 Uitvoeringsvoorschriften suppletieregeling

Het recht op suppletie van de betrokkene die gaat deelnemen aan een voor hem naar het oordeel van de uitvoeringsinstelling noodzakelijke opleiding of scholing, blijft bestaan totdat die opleiding of scholing is beëindigd, indien:

  • a

    de opleiding of scholing arbeidsmarktgericht is, deel uitmaakt van het reïntegratieplan dat door de uitvoeringsinstelling in samenspraak met betrokkene is vastgesteld en naar aard en omvang niet meer omvat dan in het reïntegratieplan is vastgesteld; of

  • b

    de opleiding of scholing arbeidsmarktgericht is en, wanneer er geen reïntegratieplan is, zoals bedoeld in onderdeel a, de uitvoeringsinstelling daarvoor toestemming geeft.

Artikel 5 Uitvoeringsvoorschriften suppletieregeling

In afwijking van artikel 4 blijft het recht op suppletie van de betrokkene die gaat deelnemen aan een voor hem naar het oordeel van de uitvoeringsinstelling noodzakelijke opleiding of scholing, na afloop van de ingevolge de artikelen 11a:2, 11a:6 en 11a:7, onderscheidenlijk artikel 11a:17  van de suppletieregeling vastgestelde reguliere duur van de suppletie niet bestaan totdat die opleiding of scholing is beëindigd, indien:

  • a

    tijdens de opleiding of scholing ter zake van die opleiding of scholing recht bestaat op een voorziening in de derving van de inkomsten;

  • b

    de opleiding of scholing de strekking heeft om na afloop daarvan werkzaamheden bij één bepaalde onderneming of één bepaald bestuursorgaan te gaan verrichten;

  • c

    de opleiding of scholing langer duurt dan één jaar;

  • d

    tijdens de opleiding of scholing sprake is van het verrichten van productieve werkzaamheden.

12 Overleg met organisaties van overheidspersoneel

Artikel 12.0.0.1 (Q) Inleiding

Op grond van de Ambtenarenwet dient er overleg te worden gevoerd met de organisaties van overheidspersoneel over alle aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd; een en ander voor zover dit overleg niet reeds op sectoraal niveau wordt gevoerd. Bedoeld overleg vindt plaats in het georganiseerd overleg (G.O.). Zie in dit verband ook bij “Lokale regelingen” het Protocol voor Lokale Arbeidsvoorwaardenoverleg inzake de totstandkoming van een gemeentelijke pakket arbeidsvoorwaarden, en de Ondernemingsovereenkomst medezeggenschap.

Artikel 12:1 Algemene bepalingen
  • 1 Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

    • a

      de commissie: de in artikel 12:2 bedoelde commissie voor georganiseerd overleg;

    • b

      de ambtenaren: de ambtenaren in de zin van de collectieve arbeidsvoorwaardenregeling en de werknemers die werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst;

    • c

      de organisaties: de plaatselijk werkende groeperingen van de landelijke verenigingen van overheidspersoneel, aangesloten bij de centrales welke zijn toegelaten tot het centraal overleg met het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

  • 2 Er is een commissie voor georganiseerd overleg, die is samengesteld uit een vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en een vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties.

  • 3 Onder toegelaten organisaties worden verstaan: de Algemene Centrale van Overheidspersoneel (ACOP) , de Christelijke Centrale van Overheids- en Onderwijzend Personeel (CCOOP) en de Centrale van Middelbare en Hogere Functionarissen bij overheid, onderwijs, bedrijven en instellingen (CMHF) , dan wel een van de bij deze centrales aangesloten bonden, voorzover deze centrales, respectievelijk bonden voldoende representatief geacht kunnen worden.

  • 4 De leden van ABVAKABO en NOVON die op 1 juli 1998 zitting hebben in de commissie namens ACOP of Ambtenarencentrum, dan wel namens ABVAKABO of NOVON, behouden hun zetels als vertegenwoordigers van ACOP dan wel ABVAKABO FNV/NOVON. Indien deze leden ophouden lid van de commissie te zijn, worden ze niet vervangen totdat het aantal leden namens ACOP dan wel ABVAKABO FNV/NOVON in overeenstemming is met het aantal als genoemd in de bepaling van de samenstelling van de commissie. Uiterlijk op 1 juli 2002 wordt het aantal leden in overeenstemming gebracht met de hier geldende bepalingen.

  • 5 Andere vakorganisaties dan bedoeld in het derde lid kunnen toegelaten worden indien zij representatief geacht kunnen worden. Een desbetreffend verzoek wordt in het georganiseerd overleg besproken.

  • 6 Organisaties die tot het georganiseerd overleg zijn toegelaten, verliezen hun toegang tot dit overleg zodra zij niet meer voldoende representatief geacht worden.

Artikel 12:1:1 Samenstelling
  • 1 Voor de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur in de commissie, bedoeld in artikel 12:1, wijst het college uit zijn midden een of meer vertegenwoordigers en hun plaatsvervangers aan. De aanwijzing geschiedt bij elke nieuwe zittingsperiode van de raad en voorts telkens ter vervanging van hen die ophouden lid van het college te zijn.

  • 2 Voor de vertegenwoordiging van de toegelaten organisaties in de commissie, bedoeld in artikel 12:1, worden per centrale, bedoeld in artikel 12:1, derde lid, twee leden en hun plaatsvervangers aangewezen. Deze aanwijzing geschiedt door en uit de organisaties, welke een minimum aantal ambtenaren tot haar leden tellen. Indien verschillende organisaties deel uitmaken van een zelfde centrale, geldt het in de vorige zin bepaalde voor deze organisaties gezamenlijk. In een nader vast te stellen regeling wordt het bedoelde minimum aantal ambtenaren bepaald.

Artikel 12.1.1.0 Samenstelling

Het minimum aantal ambtenaren zoals bedoeld in lid 2 van artikel 12:1:1 is gesteld op 10.

Artikel 12:1:2 Samenstelling
  • 1 Uiterlijk 1 februari van elk jaar doet elke organisatie, bedoeld in artikel 12:1:1 , tweede lid, aan college opgaaf van het aantal der op 1 januari van dat jaar bij haar aangesloten ambtenaren.

  • 2 Degene, die als lid of als plaatsvervanger door een organisatie is aangewezen, houdt op dit te zijn zodra hij geen lid van de organisatie of geen ambtenaar meer is, alsmede indien de organisatie schriftelijk aan college doet weten dat zijn aanwijzing als vertegenwoordiger of plaatsvervanger is ingetrokken. In deze gevallen wordt zo spoedig mogelijk een opvolger aangewezen.

Artikel 12:1:3 Samenstelling
  • 1 Voorzitter van de commissie is de door het college aangewezen vertegenwoordiger of bij afwezigheid zijn plaatsvervanger.

  • 2 Het college wijst een ambtenaar, niet behorende tot de vertegenwoordiging van de organisaties, tot secretaris van de commissie aan, alsmede diens plaatsvervanger. Zo nodig stelt het college verder personeel voor het secretariaat ter beschikking.

  • 3 De secretaris kan aan de besprekingen deelnemen.

Artikel 12:1:4 Mededeling omtrent CAR en UWO
  • 1 Ingeval het LOGA tussen het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de centrales van overheidspersoneel leidt tot overeenstemming, als gevolg waarvan de tekst van de CAR wijzigt, doet het college daarvan mededeling aan de commissie voor georganiseerd overleg.

  • 2 Ten aanzien van gemeenten die zijn aangesloten bij de UWO geldt dat, ingeval het LOGA, bedoeld in het eerste lid, leidt tot overeenstemming, als gevolg waarvan de tekst van de UWO wijzigt, het college daarvan mededeling doet aan de commissie voor georganiseerd overleg.

Artikel 12:2 Taak en bevoegdheden
  • 1 De commissie voert overleg over alle aangelegenheden van algemeen belang voor de rechtstoestand van de ambtenaren met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd. De commissie kan niet overleggen over onderwerpen die voorbehouden zijn aan het LOGA tussen het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de centrales van overheidspersoneel.

  • 2 Er worden nadere regels gesteld over de werkwijze van de commissie voor georganiseerd overleg.

  • 3 De nadere regels, bedoeld in het tweede lid, bevatten een bepaling hoe moet worden gehandeld indien een geschil niet tot overeenstemming leidt.

Artikel 12.2.1.0 Taak en bevoegdheden

Invoering, intrekking of wijziging van een regeling welke verplichtingen schept voor individuele ambtenaren, dan wel waaraan individuele ambtenaren rechten kunnen ontlenen vindt niet plaats dan nadat daarover overeenstemming is bereikt met de centrales van overheidspersoneel.

Artikel 12.2.1.1 Reorganisatie

Lid 1

De commissie voert overleg over invoering en wijziging van de Leidraad bij Organisatieveranderingen. Deze leidraad is een regeling als bedoeld in artikel 12.2.1.0.

Lid 2

De commissie voert overleg over aspecten van werkgelegenheid verband houdende met een reorganisatie, met inbegrip van een eventuele termijn verbonden aan de herschikkingsstatus van de bij de reorganisatie betrokken ambtenaren. Op het overleg over de lengte van deze termijn is artikel 12.2.1.0 van toepassing.

Lid 3

Indien een reorganisatie ingrijpend is, wordt de commissie door het college geïnformeerd. Ook tijdens het verloop van het veranderingsproces wordt de commissie regelmatig actief geïnformeerd.

Artikel 12.2.1.2 Privatisering

Lid 1

De commissie voert overleg over invoering en wijziging van de Leidraad bij Privatisering. Deze leidraad is een regeling als bedoeld in artikel 12.2.1.0.

Lid 2

De commissie voert overleg over een proces van privatisering op basis van de in het voorgaande lid bedoelde leidraad. Op het overleg over het in verband daarmee vast te stellen sociaal plan is artikel 12.2.1.0 van toepassing.

Artikel 12.2.1.3 Convenant

Lid 1

In verband net het bepaalde in artikel 27 lid 3, juncto artikel 32 van de Wet op de Ondernemingsraden, dient de verdeling van bevoegdheden tussen de commissie en de organen van medezeggenschap als bedoeld in de Wet op de Ondernemingsraden nader te worden geregeld.

Lid 2

De in het voorgaande lid bedoelde regeling wordt vastgelegd in een convenant tussen de organisaties en het college. Met betrekking tot de inhoud van de regeling dient de ondernemingsraad van advies.

Artikel 12.2.1.4 Lokaal Akkoord Arbeidsvoorwaarden

Lid 1

Het finale overleg over het "Lokaal Akkoord Arbeidsvoorwaarden" wordt gevoerd in de commissie. De bepalingen uit dit hoofdstuk zijn daarbij onverkort van toepassing.

Lid 2

De wijze waarop het overleg over het "Lokaal Akkoord Arbeidsvoorwaarden" wordt gevoerd, wordt geregeld in het 'protocol voor lokale arbeidsvoorwaardenoverleg inzake de totstandkoming van een gemeentelijk pakket arbeidsvoorwaarden'. Op dit protocol is artikel 12.2.1.0 van toepassing.

Artikel 12:2:2 Taak en bevoegdheden
  • 1 De commissie, alsmede de vertegenwoordiging van de organisaties, is bevoegd aangaande de in artikel 12:2, eerste lid, bedoelde onderwerpen voorstellen te doen aan het college.

  • 2 Heeft een voorstel betrekking op onderwerpen behorende tot de bevoegdheid van het college, dan neemt het college daaromtrent een beslissing. Behoort het voorstel tot de bevoegdheid van de raad, dan legt het college het voorstel voorzien van zijn advies ter besluitvorming voor aan de raad.

  • 3 De besluiten, welke worden genomen naar aanleiding van voorstellen van de commissie, worden meegedeeld aan de vertegenwoordiging van de organisaties en aan de hoofdbesturen van de vertegenwoordigde organisaties.

Artikel 12:2:3 Taak en bevoegdheden
  • 1 De commissie kan een subcommissie instellen, bestaande uit door haar aan te wijzen voorzitter en leden, indien dit voor de behandeling van een bepaald onderwerp nodig wordt geacht.

  • 2 De secretaris van de commissie is tevens secretaris van de subcommissie. Hij kan zich doen bijstaan of vervangen door degenen die ingevolge artikel 12:1:3, tweede lid, ter beschikking staan.

  • 3 Het bepaalde in artikel 12:2:7 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12:2:4 Vergaderingen
  • 1 De commissie vergadert indien de voorzitter dit nodig oordeelt op door hem te bepalen tijdstippen.

  • 2 Voorts belegt de voorzitter een vergadering indien ten minste drie leden van de commissie hem dit schriftelijk met opgaaf van redenen verzoeken en wel uiterlijk binnen één maand na ontvangst van het verzoek.

Artikel 12.2.4.1 Schriftelijke afhandeling

In aanvulling op artikel 12:2:4 is in de gemeente Nijmegen het volgende bepaald: De voorzitter is bevoegd onderwerpen, welke naar zijn oordeel geen mondelinge bespreking vereisen, dan wel in geval van spoed, schriftelijk te doen afhandelen.

Artikel 12:2:5 Vergaderingen
  • 1 De commissie wordt tijdig, in de regel 14 dagen van tevoren, ter vergadering opgeroepen. De oproepingsbrief vermeldt zoveel mogelijk de te behandelen onderwerpen.

  • 2 Een vergadering kan slechts plaatshebben indien de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur aanwezig is en tenminste de helft van de organisaties is vertegenwoordigd. Wanneer de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur bestaat twee of meer leden van het college kan de vergadering slechts plaatshebben indien ten minste de helft van de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur aanwezig is en tenminste de helft van de organisaties is vertegenwoordigd.

  • 3 Indien wegens onvoltalligheid in de zin van het tweede lid een vergadering niet kan plaatshebben, worden de aan de orde zijnde onderwerpen door de voorzitter geplaatst op de agenda van een binnen 14 dagen te houden nieuwe vergadering, in welke vergadering die onderwerpen in elk geval kunnen worden behandeld.

Artikel 12:2:6 Vergaderingen

Elk lid heeft het recht onderwerpen ter behandeling aanhangig te maken door deze schriftelijk op te geven aan de voorzitter. Deze stelt die onderwerpen zoveel mogelijk in de eerstvolgende vergadering aan de orde.

Artikel 12:2:7 Vergaderingen
  • 1 De vergaderingen zijn niet openbaar.

  • 2 De voorzitter kan hoofden van dienst of andere ambtenaren de vergadering laten bijwonen. Deze kunnen aan de besprekingen deelnemen.

  • 3 De vertegenwoordigers van de organisaties kunnen zich laten bijstaan door een vertegenwoordiger van het hoofdbestuur van hun organisatie; zij zijn voorts bevoegd de onderwerpen van de agenda binnen de grenzen van een doelmatige en vertrouwelijke behandeling van zaken aan voorbespreking in eigen kring te onderwerpen.

  • 4 De voorzitter kan omtrent het in de vergadering behandelde en omtrent de inhoud van aan de commissie overgelegde stukken geheimhouding opleggen. Deze geheimhouding geldt niet ten opzichte van het college en van de raad, alsmede niet tegenover de hoofdbesturen van de vertegenwoordigende organisaties.

Artikel 12:2:8 Vergaderingen

De voorzitter kan op verzoek van ten minste twee leden of zo dikwijls hij dit nodig acht, de vergadering schorsen voor een door hem te bepalen tijd.

Artikel 12:2:9 Vergaderingen
  • 1 Indien in de vergadering moet worden gestemd brengt elke vertegenwoordiging, bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, één stem uit.

  • 2 De stem van de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur wordt bepaald door hoofdelijke stemming van de aanwezige leden in of buiten de vergadering. Bij staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter.

  • 3 De stem van de vertegenwoordiging van de organisaties wordt bepaald door stemming per vertegenwoordigende organisatie, waarbij voor elke organisatie zoveel stemmen worden uitgebracht als ambtenaren bij haar zijn aangesloten op de eerste dag van het lopende jaar, met dien verstande dat voor een organisatie niet meer stemmen in aanmerking komen dan het totaal aantal stemmen dat door de andere organisaties gezamenlijk wordt uitgebracht. Bij staking van stemmen wordt de vertegenwoordiging geacht tegen te hebben gestemd.

  • 4 Indien een organisatie in de loop van het jaar wordt vertegenwoordigd, geldt voor de toepassing van het derde lid het aantal aangesloten ambtenaren op dat tijdstip.

Artikel 12:2:10 Vergaderingen

Het in de vergadering behandelde wordt zakelijk weergegeven in de notulen, welke zo spoedig mogelijk in afschrift aan de leden worden gezonden, tenzij in het reglement, bedoeld in artikel 12:2:11, anders is bepaald.

Artikel 12:2:11 Vergaderingen

Indien door de commissie een reglement van orde voor de vergaderingen wordt vastgesteld, behoeft dit de goedkeuring van het college.

Artikel 12:3:1 Advies- en arbitragecommissie

De artikelen 12:3:2, 12:3:3, 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en 12:3:8 zijn slechts van toepassing in die gemeenten die zijn aangesloten bij de advies- en arbitragecommissie.

Artikel 12:3:2 Advies- en arbitragecommissie

Voor de toepassing van de artikelen 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en 12:3:8 wordt verstaan onder:

  • a

    deelnemers aan het overleg: de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de vertegenwoordigers van de organisaties genoemd in artikel 12:1, derde lid;

  • b

    advies- en arbitragecommissie: de advies- en arbitragecommissie ingesteld door het College voor Arbeidszaken van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.

Artikel 12:3:3 Advies- en arbitragecommissie

De artikelen 12:3:4, 12:3:5, 12:3:6, 12:3:7 en 12:3:8 zijn slechts van toepassing op geschillen inzake aangelegenheden, bedoeld in artikel 12:2, eerste lid, voor zover die aangelegenheden uitsluitend de rechtstoestand van ambtenaren betreffen, met inbegrip van de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd.

Artikel 12:3:4 Advies- en arbitragecommissie

Indien een of meer van de deelnemers aan het overleg tijdens het overleg tot het oordeel komen dat dit overleg niet zal leiden tot een uitkomst die de instemming van alle deelnemers aan het overleg zal hebben, brengen zij dat oordeel binnen zes dagen, nadat zij daarvan in het overleg blijk hebben gegeven, schriftelijk ter kennis van de overige deelnemers aan het overleg.

Artikel 12:3:5 Advies- en arbitragecommissie
  • 1 Binnen tien dagen na de kennisgeving, bedoeld in artikel 12:3:4, schrijft de voorzitter een vergadering uit van de commissie voor georganiseerd overleg. De vergadering moet worden gehouden binnen zeven dagen nadat deze is uitgeschreven.

  • 2 Tenzij door de commissie, bedoeld in het eerste lid, wordt besloten het overleg voort te zetten dan wel te beëindigen, wordt in de vergadering nagegaan of overeenstemming bestaat over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil is en of een oplossing van dat geschil zal worden gezocht door middel van voortzetting van het overleg nadat het advies is ingewonnen van de advies- en arbitragecommissie dan wel door onderwerping van het geschil aan een arbitrale uitspraak van die commissie.

  • 3 Tot het inwinnen van advies zijn - ieder voor zich - de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en een meerderheid van alle toegelaten organisaties, als bedoeld in artikel 12:1, derde en vierde lid, bevoegd.

  • 4 Voor onderwerping van het geschil aan arbitrage is overeenstemming vereist tussen de vertegenwoordiging van het gemeentebestuur en de toegelaten organisaties, als bedoeld in artikel 12:1, derde en vierde lid. Het bepaalde in artikel 12:2:9 is hierbij onverkort van toepassing.

Artikel 12:3:6 Advies- en arbitragecommissie
  • 1 Binnen zes dagen na de vergadering, bedoeld in artikel 12:3:5, wordt het verzoek om advies ter kennis gebracht van de voorzitter van de advies- en arbitragecommissie. Het verzoek wordt ondertekend door de deelnemers aan het overleg die zich voor inwinning van het advies hebben uitgesproken en bevat ten minste het onderwerp en de inhoud van het geschil. Indien in de vergadering bedoeld in artikel 12:3:5 geen overeenstemming is bereikt tussen alle deelnemers aan het overleg over de vraag wat het onderwerp en de inhoud van het geschil is, brengen de overige deelnemers aan het overleg hun visie op het onderwerp en de inhoud van het geschil eveneens binnen zes dagen na eerdergenoemde vergadering ter kennis van de voorzitter van de advies- en arbitragecommissie.

  • 2 Binnen zes dagen na de vergadering bedoeld in artikel 12:3:5 wordt het verzoek om arbitrage ter kennis gebracht van de voorzitter van de advies- en arbitragecommissie. Het verzoek daartoe wordt ondertekend door alle deelnemers aan het overleg en dient ten minste te bevatten:

    • a

      het onderwerp en de inhoud van het geschil;

    • b

      de standpunten van alle deelnemers aan het overleg omtrent onderwerp en inhoud van het geschil.

Artikel 12:3:7 Advies- en arbitragecommissie

Binnen twee weken na ontvangst van het advies wordt het overleg over het geschil voortgezet.

Artikel 12:3:8 Advies- en arbitragecommissie

De arbitrale uitspraak van de advies- en arbitragecommissie heeft bindende kracht.

Artikel 12:3:9 Advies- en arbitragecommissie

In de gevallen, waarin deze regeling niet voorziet, beslist het college, na overleg met de commissie van georganiseerd overleg.

Artikel 1 Voorwoord

Zoals u bekend zal zijn is het stakingsrecht voor personeel in dienst van de overheid nog steeds niet wettelijk geregeld, ondanks de ratificatie door Nederland van het Europees Sociaal Handvest waarin ten principale het recht op collectieve acties in geval van belangengeschillen wordt erkend. In feite wordt de beantwoording van de vraag of een collectieve actie rechtmatig is aan de civiele c.q. de administratieve rechter overgelaten, die bij gemis aan een wettelijke regeling toetst aan algemene rechtsbeginselen. Uit een aantal recente uitspraken kan de conclusie worden getrokken dat collectieve acties in beginsel als rechtmatig kunnen worden beschouwd, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan. Zo dient het middel van de staking slechts gehanteerd te worden als er geen andere middelen meer openstaan, het zogenaamde 'ultimum remedium'. Verder moeten de door de staking gediende belangen opwegen tegen de door de staking aan de overheid en derden toegebrachte schade, waarbij in deze afweging uiteraard de vraag een rol speelt in welke mate de rechtspositie van het overheidspersoneel wordt bedreigt, alsmede de vraag in hoeverre van de zijde van het personeel en hun organisaties maatregelen zijn getroffen om de uit de acties voortvloeiende schade zoveel mogelijk te beperken. Ook het tijdstip van aankondigen van de acties en de mogelijkheid nog tijdig maatregelen te treffen, spelen een belangrijke rol. Gelet op de aard van de recente gerechtelijke uitspraken, en in navolging van de rijksoverheid, hebben wij besloten de rechtmatigheid van collectieve acties van personeel in dienst van de gemeente Nijmegen - mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan - als gegeven te accepteren. Daarnaast zijn wij ons terdege bewust van de noodzaak over concrete richtlijnen en instructies te kunnen beschikken in verband met de vraag hoe gehandeld dient te worden bij (dreigende) acties mede gezien in het licht van de meest recente ontwikkelingen.

Wij hebben daarom de volgende regelingen opgesteld. Wij wijzen U er nog op dat het door of vanwege ons College verlenen van medewerking aan het in goede banen leiden van acties c.q. het beperken van de schade daarvan, niet impliceert dat wij de rechtmatigheid van de desbetreffende actie erkennen. Wij behouden ons uitdrukkelijk het recht voor om in die gevallen waarin een actie door ons College als evident-onrechtmatig wordt beschouwd, zonodig een gerechtelijke voorziening te vragen. Bovendien zullen de organiserende vakorganisaties altijd door ons College aansprakelijk kunnen worden gesteld voor de door de gemeente geleden schade. Daarenboven zal elke (voorgenomen) actie worden beoordeeld tegen de achtergrond van de specifieke omstandigheden; afwijking van het gestelde in de hierna volgende regeling is dus - indien de omstandigheden naar het oordeel van ons College daartoe noodzaken - in principe mogelijk, echter niet eerder dan na overleg met het betrokken hoofd van dienst. Tot slot delen wij U nog mede dat wij U tijdig zullen informeren over de inwerkingtreding van een wettelijke regeling m.b.t. het stakingsrecht en de als gevolg daarvan noodzakelijke wijzigingen in richtlijnen en instructies.

Artikel 2 Richtlijnen en instructies met betrekking tot (voorgenomen) collectieve acties van gemeentepersoneel

Lid 1

Onder een collectieve actie wordt verstaan:

  • -

    werkstaking: het collectief en volledig neerleggen van de arbeid voor een dag of langer;

  • -

    werkonderbreking: het collectief neerleggen van de arbeid voor een gedeelte van de dag;

  • -

    stiptheidsactie: het collectief verrichten van (alle) werkzaamheden naar de letter van instructie en opdracht;

  • -

    'wilde' staking: het collectief neerleggen van de arbeid buiten verantwoordelijkheid en medewerking van de erkende vakorganisaties.

Lid 2

Zodra een mogelijke collectieve actie wordt vermoed, dient dit door het betrokken hoofd van dienst onmiddellijk aan het college, in casu de portefeuillehouder personeelsbeleid, te worden gemeld. Van de vakorganisaties wordt verwacht dat zij het hoofd van dienst/het college tijdig, en in ieder geval in een zo vroeg mogelijk stadium, informeren over op handen zijnde collectieve acties, uiteraard alleen voorzover deze plaatsvinden onder verantwoordelijkheid en medewerking van de erkende vakorganisaties.

Lid 3

Er zal onmiddellijk met de verantwoordelijke vakorganisaties overleg worden gepleegd teneinde zoveel mogelijk inzicht te krijgen in/afspraken te maken over ondermeer:

  • -

    de omvang van de collectieve actie (welke categorie personeel, welke functies/werkzaamheden);

  • -

    de mogelijkheid en bereidheid van de vakorganisaties om met name genoemde maatregelen te nemen teneinde de schade voor overheid en derden zoveel mogelijk te beperken, onder andere door de bemanning van vitale functies en het beschikbaar houden van personeel in verband met optreden bij mogelijke calamiteiten. Het hoofd van dienst dient overigens het college een nominatieve opgave te verstrekken van de functies welke bemand zullen moeten blijven om de minimaal-noodzakelijke werkzaamheden in het belang van veiligheid, openbare orde en volksgezondheid uit te kunnen voeren;

  • -

    welke vakbondsleden met de organisatie van de actie worden belast;

  • -

    de houding ten opzichte van werkwilligen;

  • -

    onderwerpen van organisatorische aard als de communicatie tussen gemeentebestuur en stakingsleiding e.d.

Lid 4

Deelnemers aan werkstakingen en werkonderbrekingen dienen voor de duur van de staking c.q. onderbreking vakantieverlof aan te vragen. Vakbondsleden belast met de organisatie van de staking of werkonderbreking genieten buitengewoon verlof met behoud van bezoldiging op basis van artikel 6:4:2, derde lid sub a van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen. In beide situaties geldt uiteraard het voorbehoud: 'voor zover het dienstbelang zulks toelaat' (zie ook punt 2 voor wat betreft de bemanning van vitale functies). Indien het aantal vakantiedagen niet meer toereikend is, dan wel indien betrokkenen zulks wenst in plaats van op te nemen verlof, zal op grond van artikel 3:1:1, vierde lid van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen over de tijd gedurende welke niet werd gewerkt, de bezoldiging niet worden doorbetaald. Het werkgeversaandeel in de IZA- en pensioenpremie blijft voor rekening van de gemeente. Bij acties van korte duur kan het college beslissen, dat de verzuimde uren ingehaald mogen worden. Aangezien het voor de uitvoering van het hierboven staande essentieel is onderscheid te maken tussen hen die aan de staking hebben deelgenomen en hen die als werkwillige kunnen worden beschouwd, danwel afwezig waren wegens ziekte of op grond van vakantieverlof, zal er in geval van een collectieve actie tussen het college c.q. de portefeuillehouder personeelsbeleid enerzijds, en het betrokken hoofd van dienst anderzijds, een afspraak moeten worden gemaakt over de wijze waarop - gelet op de specifieke omstandigheden - een dergelijk inzicht kan worden verkregen. Dit overleg dient op een zo vroeg mogelijk tijdstip plaats te vinden. Na afloop van de actie kunnen deelnemers dan aangeven hoe de niet-gewerkte tijd verrekend moet worden (afschrijven van verlofdagen of inhouding op de bezoldiging). De verkregen gegevens zullen niet in het persoonsdossier worden opgenomen en binnen twee maanden na afloop van de actie worden vernietigd. Ten aanzien van een 'wilde staking' zal voor zoveel mogelijk op dezelfde wijze worden gehandeld.

Lid 5

Personeelsleden die zich als werkwillige wensen te beschouwen dienen zich tijdens de actie op hun werkplek te melden, of - indien dat niet mogelijk is - op een andere door het hoofd van dienst tijdig bekend gemaakte plaats. Indien nodig kunnen andere dan de normaal te verrichten werkzaamheden worden opgedragen.

Lid 6

Het college behoudt zich uitdrukkelijk het recht voor tegen deelnemers aan 'wilde stakingen' disciplinaire maatregelen te nemen als bedoeld in hoofdstuk 13 en zonodig artikel 8:12 van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen.

Lid 7

In geval van acties bij het openbaar vervoer wordt van het gemeentepersoneel, dat niet aan de actie deelneemt, het volgende verwacht: zij die in Nijmegen woonachtig zijn, alsmede zij die buiten Nijmegen woonachtig zijn en voor het woon-/werkverkeer onder 'normale' omstandigheden geen gebruik maken van het openbaar vervoer, dienen tijdig op hun werk te verschijnen. Voor hen die buiten Nijmegen woonachtig zijn en bovendien zijn aangewezen op openbaar vervoer kan een uitzondering worden gemaakt, afhankelijk van de omstandigheden (onder andere tijdstip van aankondiging van actie, mogelijkheid tot car-pooling en dergelijke). Eventueel kunnen oplossingen worden gezocht in de sfeer van thuiswerken, inhalen of iets dergelijke. In het algemeen kan worden gesteld, dat deze moeilijkheden op een zo laag mogelijk niveau dienen te worden opgelost via overleg tussen betrokkenen en directe chefs.

Artikel 3 Circulaire van burgemeester en wethouders d.d. 22 november 1983 aan alle personeelsleden van de gemeente

Momenteel vinden er op meerdere plaatsen stakingen en andere acties van personeelsleden in dienst bij de overheid plaats of worden voorbereid. Hierbij doen zich verschillende vormen van acties voor zoals stakingen, werkonderbrekingen, (gedeeltelijke) werkweigering, stiptheidsacties en dergelijke. Deze acties zijn gericht tegen het arbeidsvoorwaardenbeleid van de regering. Wij hebben gemerkt, dat er onder u vragen bestaan over de gevolgen voor ambtenaren van deze gemeente bij deelname aan bedoelde acties. Voor de duidelijkheid volgt daarom hieronder informatie over een aantal 'spelregels' en mogelijke gevolgen bij deelname aan acties.

Deze spelregels hebben echter een algemeen karakter en zijn niet speciaal opgesteld in verband met de op dit moment plaatsvindende acties. Afhankelijk van de concrete situatie kan daarvan worden afgeweken. Op 12 oktober 1983 is uw hoofd van dienst reeds schriftelijk geïnformeerd over de hiernavolgende regels; aangezien het een zaak is waarbij elk personeelslid in principe is betrokken, hebben wij nu gekozen voor informatieverstrekking op ruimere schaal. Deze mededelingen zijn alleen bedoeld ter informatie in uw eigen belang.

Verlenen van verlof

Voor het deelnemen aan acties, zoals het bijwonen van manifestaties moet vrijwel altijd verlof worden opgenomen. Bij acties van korte duur kunnen deelnemers in de gelegenheid worden gesteld de verzuimde uren in te halen, danwel via de klokkaart te verrekenen.  Wij hebben er geen bezwaar tegen dat aanvragen voor verlof met dit doel worden ingewilligd voor zover het belang van de dienst het toelaat.

Inhouding bezoldiging

Indien door deelname aan acties niet wordt voldaan aan de verplichting tot werken wordt, indien het aantal vakantiedagen niet meer toereikend is, de bezoldiging voor de verzuimde werktijd inhouden. Het werkgeversaandeel in de IZA- en pensioenpremie wordt in principe niet op de deelnemers aan acties verhaald. De bezoldiging van werkwilligen, die als gevolg van acties hun normale werkzaamheden niet kunnen verrichten, wordt normaal doorbetaald.

Registratie werkwilligen

Om te voorkomen dat bezoldiging wordt ingehouden, dienen werkwilligen zich als zodanig te later registreren indien zij door acties niet aan de verplichting tot werken kunnen voldoen. Ieder, die niet geregistreerd is, wordt geacht aan de actie deel te nemen, tenzij hij of zij ten tijde van de actie vrij of (buitengewoon) verlof heeft of ziek gemeld is. Registratie dient te geschieden op een zodanig tijdstip en een zodanige wijze dat een juist inzicht wordt verkregen in de vraag wie als werkwillige wenst te worden beschouwd. Over tijdstip en wijze van registratie zult u in geval van een concrete actie tijdig worden geïnformeerd. De gegevens uit de registratie worden uitsluitend gebruikt om te bepalen of al dan niet uitbetaling van bezoldiging zal plaatsvinden c.q. verlof moet worden opgenomen. De gegevens mogen niet in de personeelsdossiers worden opgenomen. Van werkwilligen kan verlangd worden dat zij tijdens de normale werkuren op een door het diensthoofd aangewezen plaats aanwezig zijn.

Positie ongeorganiseerden

Wellicht ten overvloede wijzen wij erop, dat georganiseerde leden van de erkende vakorganisaties bij deelname aan acties meestal kunnen rekenen op een bijdrage uit de stakingskassen (mits uiteraard de vakorganisaties achter de actie staan). Voor ongeorganiseerden, die deelnemen aan (staking-)acties, geldt dat niet; zij lopen het risico voor de duur van de actie in het geheel geen salaris te ontvangen en aansprakelijk gesteld te worden voor eventueel veroorzaakte schade.

Disciplinaire maatregelen

Wij zullen in principe deelname aan een collectieve actie niet aanmerken als plichtsverzuim. Dit houdt in dat wij in dat geval geen straf zullen opleggen. (Wel wordt dus de bezoldiging ingehouden c.q. vindt verrekening via het vakantieverlof plaats.) Bij sommige actievormen - te denken valt daarbij aan zogenaamde 'wilde stakingen' - zullen wij moeten bepalen of sprake is van plichtsverzuim. Alleen bij plichtsverzuim zullen wij naast inhouding van bezoldiging ook strafoplegging overwegen. In het algemeen kan gesteld worden dat het risico voor disciplinaire maatregelen veel minder is als erkende vakorganisatie(s) zich achter de actie hebben gesteld en het niet om zogenaamde 'vitale' functies gaat.

Gebruik gemeentelijk materieel

Gebruik van gemeentelijk materieel als bedrijfswagens, gereedschappen en dergelijke is buiten de gemeentegrenzen zonder meer niet toegestaan. Gebruik binnen de gemeentegrenzen is alleen toegestaan als wij tevoren daartoe toestemming hebben verleend. Belangrijk daarbij is of te voren afspraken gemaakt zijn over aspecten van verzekering en aansprakelijkheid.

Aansprakelijkheid voor schade

Ieder is verantwoordelijk voor de door hem/haar veroorzaakte schade aan gemeentematerieel en (materiaal van) derden. Indien de actie wordt gesteund door een erkende vakorganisatie zal die organisatie daarnaast aansprakelijk voor schade worden gesteld.

Afspraken met vakorganisaties

Ten behoeve van een verantwoorde afweging van belangen en een aanvaardbaar verloop van de acties voeren wij regelmatig overleg met de organiserende vakorganisaties. Dit betreft overleg over tijdige melding, aanwijzing van vitale functies en werkzaamheden, gebruik van gemeentelijk materieel, communicatie tussen bestuur, dienstleiding en vakorganisaties en dergelijke. Voor eventuele individuele gevolgen is van groot belang of vakorganisaties de acties steunen en welke afspraken met die organisaties zijn gemaakt. Het is daarom in uw belang om bij het voeren van en deelnemen aan acties tevoren overleg te hebben met (vertegenwoordigers van) die vakorganisaties. Dit kunnen zijn de leden van de medezeggenschapscommissie van uw dienst of de leiding van de plaatselijke organisaties. In geval van 'wilde' acties (niet gesteund door erkende vakorganisaties) zullen wij trachten zoveel mogelijk overleg te hebben met de actieleiding. Dergelijke acties erkennen wij echter onder geen beding!

Tenslotte

Als werkgever streven wij naar een goede verstandhouding met onze medewerk(st)ers; als gemeentebestuur moeten wij echter ook de belangen van de burgerij en dus een goede dienstverlening behartigen. Wij streven daarom naar een handelwijze, waarbij het verloop van acties zodanig zal zijn, dat de risico's voor de openbare veiligheid en persoonlijk welzijn worden vermeden. Daarnaast proberen wij bij afweging van belangen de dienstverlening voorzover mogelijk in stand te houden. Wij verzoeken hieraan mede te werken zowel in uw belang als dat van de gemeente. Wij vertrouwen erop u met deze informatie van dienst te zijn geweest en verzoeken u met het vermelde rekening te houden.

13 Overgangsbepaling en slotbepalingen CAR

Artikel 13:1 Overgangs- en slotbepaling CAR
  • 1 Deze regeling treedt in werking per............ (*1)

    Noot *1:De ingangsdatum wordt lokaal ingevuld. LOGA-partijen zijn overeengekomen dat als uiterste ingangsdatum geldt 1 januari 1996.

  • 2 Met ingang van de datum waarop deze regeling in werking treedt, vervallen de bepalingen van het geldende algemeen ambtenarenreglement dan wel van die verordeningen, die tekstueel dan wel materieel gelijkluidend zijn aan de bepalingen van deze regeling.

  • 3 Indien de inwerkingtreding van deze regeling ertoe leidt dat bepalingen uit het geldende algemeen ambtenarenreglement vervallen, waardoor aanspraken van individuele ambtenaren in neerwaartse of opwaartse zin worden bijgesteld, vindt overleg plaats over de gevolgen daarvan.

  • 4 In afwijking van het gestelde in het eerste en tweede lid hebben de artikelen 10:1, 10:6, 10:15 eerste en tweede lid, 10:19, 10:23 tweede lid, 11:1, 11:6 zevende en achtste lid, 11:13 eerste en tweede lid, 11:23, 11:24 en artikel 11:27 tweede lid, terugwerkende kracht tot en met 1 augustus 1993.

Artikel 13:2 Overgangs- en slotbepaling CAR

Ten aanzien van degene die per 31 december 1996 geen volledige betrekking bekleedt, geldt dat de omvang van deze betrekking per 1 januari 1997 naar rato is teruggebracht, tenzij betrokkene heeft verzocht om handhaving van het aantal uren van de betrekking per 31 december 1996 en dit verzoek niet is afgewezen.

Artikel 13:3 Overgangs- en slotbepaling CAR

Ten aanzien van de toegekende FLO-uitkeringen, wachtgelden en uitkeringen ingevolge hoofdstuk 11 die voortduren tot na 1 januari 1997 geldt dat de artikelen 9:2, tweede lid, 10:5, eerste lid, en 11:5, eerste lid, terugwerkende kracht hebben tot en met 1 januari 1997.

14 Medezeggenschap

Artikel 14.0.0.1 Ondernemingsovereenkomst medezeggenschap

In aanvulling op Hoofdstuk 14 vindt u bij het onderdeel “Lokale regelingen” de Ondernemingsovereenkomst medezeggenschap voor de gemeente Nijmegen.

Artikel 14:1 Medezeggenschap

Aan het begin van iedere zittingsperiode van de OR sluiten de ondernemer en de (centrale) ondernemingsraad een convenant over de benodigde inzet voor het OR-werk, de compensatie daarvoor en het (maximum) aantal zittingstermijnen.

Artikel 14:1:1 Medezeggenschap in ondernemingen met 35-50 werknemers

Gelet op het bepaalde in artikel 5a, eerste lid van de Wet op de ondernemingsraden (WOR) zijn gemeenten voor hun onderneming of onderdelen daarvan als bedoeld in artikel 4 van de WOR, verplicht een ondernemingsraad in te stellen indien en voor zolang in hun onderneming ten minste 35 personen werkzaam zijn als bedoeld in artikel 1, tweede en derde lid, van de WOR.

Artikel 1 Overlegstructuur

Er is een commissie voor Georganiseerd Overleg, verder te noemen GO; een ondernemingsraad en door de OR ingestelde onderdeelcommissies.  

Artikel 2 Verdeling bevoegdheden met betrekking tot instemming

Lid 1

Voor wat betreft de instemmingbevoegdheid is er sprake van een enkelvoudige bevoegdheid. Dit betekent dat voor ieder onderwerp slechts één medezeggenschapsorgaan bevoegd is instemming te geven.

Lid 2

Waar aspecten spelen, die onder de competentie van meerdere organen vallen, kunnen deze deelaspecten bij zowel het Georganiseerd Overleg als de Ondernemingsraad besproken worden.

Lid 3

In principe worden de onderwerpen die in de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen of in de landelijke of lokale CAO geregeld zijn of worden, voorgelegd aan het Georganiseerd Overleg.   

Lid 4

Indien niet geheel duidelijk is waar een onderwerp thuis hoort, wordt dit besproken met een afvaardiging van de bestuurder, van de SBO en van de OR.  

Artikel 3 Bevoegdheden commissie voor Georganiseerd Overleg

Onder de overeenstemmingsvereiste vallen de onderwerpen die opgenomen zijn in de landelijke of lokale CAO en die opgenomen zijn of worden in de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen. Van adviesrecht is sprake bij werkgelegenheidsbeleid, verzelfstandiging van onderdelen en algemeen personeelsbeleid.   In bijlage 1 staan de onderwerpen, die in het GO besproken worden in het kader van de overeenstemmingsvereiste het adviesrecht.

Artikel 4 Bevoegdheden Ondernemingsraad

In de Wet op de Ondernemingsraden, artikel 27 staan de onderwerpen geformuleerd waarvoor de instemmingsrecht van de Ondernemingsraad geldt. Indien in de CAO of het Georganiseerd Overleg reeds overeenstemming bereikt is over een in de wet genoemd onderwerp, wordt dit onderwerp niet meer ter instemming aan de OR voorgelegd. In aanvulling op de WOR heeft de OR ook instemmingsrecht met betrekking tot het personeelsplan bij een organisatiewijziging. Onder het adviesrecht vallen de in de wet (artikel 25) genoemde onderwerpen. In bijlage 1 staan de onderwerpen, die in de OR besproken worden in het kader van de instemmingvereiste of het adviesrecht.

Artikel 5 Bevoegdheden OC

In de Wet op de Ondernemingsraden, artikel 27 staan de onderwerpen geformuleerd waarvoor de instemmingsrecht van de Ondernemingsraad geldt. Deze gelden voor de onderdeelcommissie in plaats van de OR voor zover een onderwerp slechts één directie betreft. Indien in de CAO of het Georganiseerd Overleg reeds overeenstemming bereikt is over een in de wet genoemd onderwerp, wordt dit onderwerp niet meer ter instemming aan de OR of OC voorgelegd. Onder het adviesrecht vallen de in de wet (artikel 25) genoemde onderwerpen, voorzover het één directie betreft. In bijlage 1 staan de onderwerpen  nader gespecificeerd (maar wel in grote lijn), die in de OC besproken worden in het kader van de instemmingvereiste of het adviesrecht.

Artikel 6 Informatierecht

Ter uitvoering van  het bepaalde in de wet verstrekt de ondernemer, mede ter bespreking van de algemene gang van zaken van de onderneming, ten minste eenmaal per jaar aan de OR mondeling of schriftelijk alle gegevens omtrent de werkzaamheden en de resultaten van de onderneming in het verstreken tijdvak, in het bijzonder met betrekking tot de aangelegenheden van WOR artikel 25 (adviesrechtonderwerpen). Tevens doet de ondernemer ten minste eenmaal per jaar mededeling over de verwachtingen van werkzaamheden en resultaten in het komend tijdvak.   Onverminderd het bepaalde in WOR artikel 25, verstrekt de ondernemer informatie over:

  • 1

    voorgenomen besluiten van de ondernemer die directe of indirecte personele gevolgen kunnen hebben;

  • 2

    ambtelijke voorstellen die directe of indirecte personele gevolgen kunnen hebben;

  • 3

    voorstellen tot aanpassing en wijziging van het personeelsbeleid / sociaal beleid;

  • 4

    per jaar de belangrijkste kengetallen: formatie vast/tijdelijk, inhuur, vacaturegegevens, doorstroom, uitstroom, flexibel belonen, gratificaties, ziekteverzuim;

  • 5

    jaarverslag, jaarrekening inclusief sociaal jaarverslag en arbojaarverslag.

  • 6

    adviezen van de Arbo-dienst;

  • 7

    het (concept) directie-/dienst-/afdelingsplan inclusief ARBO-jaarplan;

Over genoemde onderwerpen 1, 2 en 3 wordt ook het GO geïnformeerd.

Artikel 7 Geschillenregeling

Ingevolge de WOR geldt voor geschillen van de Ondernemingsraad met de bestuurder:

  • 1

    dat alle geschillen die voortvloeien uit de wet en de daarop berustende bepalingen, kunnen worden voorgelegd aan de kantonrechter van de rechtbank;

  • 2

    dat de bevoegdheid tot het voeren van rechtsgedingen uitsluitend voorbehouden is aan de OR.

Voor het Georganiseerd Overleg geldt een geschillenregeling (LAAC) met bindende arbitrage of adviesvraag van en aan één of beide partijen (gemeente, vakbonden).

Artikel 8 Slotbepalingen

Lid 1

Deze overeenkomst treedt in de plaats van eerder ter zake gemaakte afspraken tussen partijen.

Lid 2

De ondernemingsovereenkomst treedt in werking op 20 december 2005 en geldt voor een periode die gelijk is aan de lopende zittingsperiode van de OR en de OC's (2005-2008) of tot de eerstvolgende verkiezingen als dit eerder is. Als geen van de betrokken partijen de overeenkomst opzegt, uiterlijk drie maanden voor afloop van de zittingsperiode, blijft de overeenkomst ongewijzigd van kracht.

Lid 3

Een voornemen tot opzegging van de overeenkomst moet tenminste drie maanden van tevoren schriftelijk en gemotiveerd aan de wederpartij kenbaar worden gemaakt. Vervolgens vindt hierover tenminste eenmaal overleg plaats. Deze overeenkomst kan alleen door partijen gezamenlijk beëindigd worden.

Aldus door partijen opgemaakt en ondertekend te Nijmegen op 23 maart 2006,

Namens de gemeente Nijmegen als ondernemer De heer P. J.J. Lucassen wethouder personeelszaken

Namens de gemeente Nijmegen als bestuurder De heer H.K.W. Bekkers Gemeentesecretaris,

Namens de Medezeggenschap volgens de WOR De heer M.J.M. Vloet Voorzitter OR gemeente Nijmegen

Namens de vakorganisaties vertegenwoordigd in het GO, de heer J.H.A. Sanders voorzitter van de SBO

De heer B. Groen Regiobestuurder AbvaKabo-FNV

en de heer M. Matser Regiobestuurder CNV Publieke Zaak

BIJLAGE 1

Georganiseerd Overleg

Onder het overeenstemmingsvereiste vallen (in grote lijn):

  • 1

    vaststelling en aanpassing van regelingen, die opgenomen zijn in de AGN, waarbij wijzigingen aangebracht conform de CAR-bepalingen, schriftelijk afgehandeld worden met de SBO en niet in het GO besproken;

  • 2

    wijziging of intrekking van het Sociaal Statuut en Leidraad Privatisering;

  • 3

    werkgelegenheidsafspraken, met inbegrip van een eventuele termijn verbonden aan de herschikkingstatus van de bij een reorganisatie betrokken ambtenaren;

  • 4

    indien afgeweken wordt van het sociaal statuut: een sociaal plan bij reorganisatie of privatisering;

  • 5

    een regeling pensioenverzekering, winstdeling of een sparen;

  • 6

    een kaderregeling vakantie;

  • 7

    een kaderregeling arbeids- en rusttijden;

  • 8

    een regeling voor beloningsbeleid (bv. gratificatiebeleid, toekennen of stopzetten periodieken) of bevorderingsbeleid;

  • 9

    een regeling op het gebied van het aanstellings-, ontslagbeleid;

  • 10

    de conversietabel bij het functiewaarderingssysteem.

Onder het adviesrecht / bespreekrecht vallen:

  • 1

    het werkgelegenheidsbeleid;

  • 2

    privatiseringsoperaties en overdracht van taken aan andere overheidslichamen (b.v. rijk, provincie, samenwerkingsverbanden);

  • 3

    de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd voor de onderwerpen die op tijd of geld waardeerbaar zijn.

Ondernemingsraad

Onder het instemmingsrecht van de OR vallen:

  • 1

    afspraken op het gebied van onder artikel 4 lid 6 t/m 11 genoemde regelingen binnen de door het GO gestelde kaders;

  • 2

    het vaststellen van collectieve vrije dagen;

  • 3

    een regeling op het gebied van arbeidsomstandigheden, het ziekteverzuim of het reïntegratiebeleid;

  • 4

    het arbobeleid;

  • 5

    het personeelsplan bij een organisatiewijziging;

  • 6

    onderwerpen waarover in het GO is overeengekomen om de nadere uitwerking te laten plaatsvinden in het overleg tussen bestuurder en OR;

  • 7

    een regeling op het gebied van personeelsopleiding;

  • 8

    een regeling op het gebied van bedrijfsmaatschappelijk werk;

  • 9

    een nieuw functiewaarderingssysteem (met uitzondering van de conversietabel);

  • 10

    een regeling op het gebied van de personeelsbeoordeling;

  • 11

    een regeling op het gebied van het werkoverleg;

  • 12

    een regeling op het gebied van de behandeling van klachten;

  • 13

    een regeling over het verwerken van en de bescherming van de persoonsgegevens van de in de onderneming werkzame personen;

  • 14

    een regeling inzake voorzieningen die gericht zijn op of geschikt zijn voor waarneming van of controle op aanwezigheid, gedrag of prestaties van de in de onderneming werkzame personen.

Onder het adviesrecht vallen buiten de in de wet (artikel 25) genoemde onderwerpen:

  • 1

    de algemene regels volgens welke het personeelsbeleid zal worden gevoerd op (onderwerpen op tijd of geld waardeerbaar zijn aan het GO);

  • 2

    het strategisch beleid, zoals genoemd in bijvoorbeeld het concernjaarplan voor het concern;.

  • 3

    de belangrijke BBI-producten (jaarverslag, directieplan) wat betreft de personele aspecten.

Onderdeelcommissie

Onder het instemmingsrecht van een OC vallen:

  • 1

    de onderin de wet in artikel 27 genoemde onderwerpen, voorzover een onderwerp slechts één directie betreft;

  • 2

    het opleidingsplan voor de directie;

  • 3

    het ARBO-jaarplan van de directie;

  • 4

    de extra collectieve vrije dagen voor een directie;

  • 5

    de besteding restbudget functioneringstoelage voor zover het past binnen kader beloningsbeleid.

Onder het adviesrecht vallen de in de wet (artikel 25) genoemde onderwerpen, voorzover het onderwerpen zijn die één directie betreffen.”

Artikel 1 Overlegstructuur

Lid 1

Er is een commissie voor Georganiseerd Overleg, verder te noemen het GO; een ondernemingsraad en door de OR ingestelde onderdeelcommissies.

Lid 2

Er is een SBO dat bestaat uit maximaal uit 12 vakbondsleden.

Lid 3

De personeelsafvaardiging uit de SBO in het GO bestaat uit 4 leden: twee leden van de Abvakabo-FNV en twee leden van de CNV-Publieke Zaak.

Lid 4

Aan de SBO zijn als adviseur de regiobestuurders van beide bonden verbonden.

Lid 5

Ook de regiobestuurders van de bonden nemen formeel deel aan het GO.

Lid 6

De OR heeft in afwijking van de wet (WOR) 11 zetels.

Lid 7

De OR wordt gekozen door de kiesgerechtigde medewerkers conform het bepaalde in het OR-reglement, dat aangeeft dat er een afgevaardigde per directie gekozen wordt naast leden rechtstreeks uit en door de gehele organisatie.

Lid 8

Een Onderdeelcommissies bestaat uit rechtstreeks gekozen leden en een lid van de OR (bij voorkeur het door de kiesgroep van een directie in de OR gekozen lid).

Lid 9

De onderdeelcommissies worden ingesteld door de Ondernemingsraad voor de diverse directies.

Lid 10

Het aantal gekozen commissieleden bedraagt voor de Directie Stadsbedrijven 7 leden, de Directie Inwoners 7 leden, de Directie Grondgebied 5 leden, de Brandweer 3 leden, de Directie Wijk en Stad 3 leden en de directie Staf 3 leden.

Lid 11

De in lid 6 genoemde leden worden via aparte verkiezingen conform het bepaalde in het OR-reglement gekozen binnen twee weken na de OR-verkiezing.  

Lid 12

De OR heeft de mogelijkheid leden het aantal leden van een onderdeelcommissie uit te breiden, indien dit voor de medezeggenschap van een onderdeel beter is. Dit geschiedt in overeenstemming met de directeur van de betreffende directie (onderdeelcommissie). Er wordt geen extra budget beschikbaar gesteld voor uitbreiding van de onderdeelcommissies.

Artikel 2 Uren Georganiseerd Overleg / Samenwerkende Bonden Overheidspersoneel

Leden SBO die in het GO zitting hebben Voor het dagelijks bestuur (voorzitter en secretaris) staat 180 uur per jaar per persoon ter beschikking. Voor de twee overige SBO/GO-leden staat per lid  per jaar 86 uur ter beschikking, uitgaande van 6 vergaderingen, 4 overlegvergaderingen, scholing en overleg met de achterban. Afdelingen zorgen zelf voor vrijroostering van de leden voor de vergaderuren. Uren dienen in de taakplannen van de medewerkers opgenomen te worden (gewoon werk / officiële taak). De medewerkers hebben recht op de uren die in deze overeenkomst zijn vastgelegd.

Leden SBO die geen zitting in het GO hebben Deze leden krijgen gelegenheid van de afdeling waar ze werken de SBO-vergaderingen (ongeveer 6 per jaar) te bezoeken. Afdelingen zorgen zelf voor vrijroostering van de leden voor deze uren. Uren dienen in de taakplannen van de medewerkers opgenomen te worden (werktaak). De medewerkers hebben recht op de uren die in deze overeenkomst zijn vastgelegd. De uren worden niet centraal gecompenseerd, maar komen ten laste van de directie

Artikel 3 Uren Ondernemingsraad
  • -

    Voor de voorzitter staat per jaar 440 uur ter beschikking.

  • -

    Voor de twee vice-voorzitters staat per jaar per persoon 320 uur ter beschikking.

  • -

    Voor de gewone OR-leden staat per jaar per persoon 200 uur ter beschikking.

  • -

    Voor de OR-leden die tevens afgevaardigd zijn naar een OC staan per jaar 150 uur ter beschikking (naast OC-uren).

Afdelingen zorgen zelf voor vrijroostering van de leden voor deze uren. Uren dienen in de taakplannen van de medewerkers opgenomen te worden (gewoon werk / officiële taak). De medewerkers hebben recht op de uren die in deze overeenkomst zijn vastgelegd.

Artikel 4 Uren Onderdeelcommissie
  • -

    Voor de voorzitter van een onderdeelcommissie staat per jaar 236 uur ter beschikking.

  • -

    Voor de vice-voorzitter van de twee grote directies (DIW en DSB) staat per jaar 196 uur ter beschikking.

  • -

    Voor de OC-leden staat per jaar per persoon 116 uur ter beschikking.

Afdelingen zorgen zelf voor vrijroostering van de leden voor deze uren. Uren dienen in de taakplannen van de medewerkers opgenomen te worden (werktaak). De medewerkers hebben recht op de uren die in deze overeenkomst zijn vastgelegd.

Artikel 5 Scholing

Een OR-lid heeft, buiten de in artikel 3 en 4 genoemde uren, recht op 36 uur scholing per jaar en een OC-lid 22 uur. Afdelingen zorgen zelf voor vrijroostering van de leden voor de scholingsuren. Uren dienen in de taakplannen van de medewerkers opgenomen te worden. De medewerkers hebben recht op de uren die in deze overeenkomst zijn vastgelegd.

Artikel 6 Inhuur deskundigheid

Ieder orgaan heeft volgens de wet recht op externe adviezen die door het concern / de directie betaald worden, mits deze vooraf hiervan in kennis is gesteld. De medezeggenschap zal hier al naargelang behoefte in overleg met de bestuurder gebruik van maken. Er wordt altijd eerst gekeken of er interne deskundigen zijn die de medezeggenschap kunnen ondersteunen.

Artikel 7 Overige faciliteiten

Alle kantoorbenodigdheden, kopieerwerk, vergaderfaciliteiten en werkplekken voor de ambtelijke ondersteuning komen voor rekening van de directie van het ondersteunde medezeggenschapsorgaan. Eventuele overige facilitaire voorzieningen voor het medezeggenschapsorgaan worden vastgesteld in overleg tussen de OR en de bestuurder.

Artikel 8 Faciliteiten Budget

Het direct besteedbare budget van de medezeggenschap en de SBO is geprognosticeerd op € 15.000 voor secretariële faciliteiten als abonnementen, documentatiemateriaal, kopieerkosten, drukwerk, representatie, e.d. Het bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd. Overdragen van budgetten naar volgende jaren is conform BBV niet toegestaan. Budgethouder is de voorzitter van de OR. Uitgaven voor de OR en SBO gaan in overleg tussen de beide voorzitters. De budgethouder legt jaarlijks verantwoording af aan de gemeentesecretaris. Het Bureau Ondersteuning Medezeggenschap zorgt voor financiële secretariële ondersteuning: aanmaken verplichtingen, prestatieverklaringen. Voor scholing en inhuur deskundigen kan conform de wet een beroep gedaan worden op budgetten die bij de werkgever zijn belegd (in 2005 € 35.000 beschikbaar).

Artikel 9 Afwijken

Afwijkingen in het faciliteitenbudget kunnen plaatsvinden conform 16 van de WOR als er overeenstemming bereikt is tussen het medezeggenschapsorgaan en de bestuurder.

Artikel 10 Ambtelijke ondersteuning

Lid 1

De ambtelijke ondersteuning van de medezeggenschap en de SBO vindt plaats door medewerkers die zijn ondergebracht in één bureau (Bureau Ondersteuning Medezeggenschap) dat functioneel aangestuurd wordt door het afdelingshoofd.

Lid 2

De formatie van het bureau bedraagt 4,8 plaatsen:

  • -

    er is 1 formatieplaats beschikbaar voor inhoudelijke advisering en coördinatie van het bureau;

  • -

    er is 1 formatieplaats beschikbaar voor communicatieactiviteiten;

  • -

    er zijn 2,8 formatieplaatsen beschikbaar voor secretariële ondersteuning van de medezeggenschapsorganen, de SBO en GAON.

Lid 3

Ieder orgaan heeft recht op secretariële, inhoudelijke en communicatieve ambtelijke ondersteuning.

Lid 4

Over de taakverdeling, de urenbesteding worden afspraken gemaakt met de (politiek/ambtelijk) bestuurders en betrokken organen. Evaluatie van de afspraken vindt jaarlijks plaats conform bijlage 1.

Lid 5

Zaken als loopbaanplanning, opleiding vallen onder het afdelingshoofd. Werkoverleg en  vervanging bij ziekte vallen onder de verantwoordelijkheid van de coördinator. Functionerings-, POP- en beoordelingsgesprekken worden gevoerd het afdelingshoofd Administratief beheer met raadpleging van de voorzitter van de OR of SBO en in samenspraak met de voorzitters van de OC’s.

Artikel 11 Verkiezingen

Behoudens in geval van noodzakelijke tussentijdse verkiezingen vinden de verkiezingen voor de OR en OC’s direct na elkaar plaats. Binnen twee weken na de verkiezing van de OR worden de OC’s gekozen. Verkiezingen vinden plaats conform het verkiezingsreglement. De zittingsduur van de OR en de OC's (in 2005 de COR en de OR’en), die actief zijn op het moment van de verkiezingen, geldt tot de datum waarop de leden van de nieuwe OR en de OC in functie treden.

Artikel 12 Geschillenregeling

Ingevolge de WOR geldt voor geschillen van de Ondernemingsraad met de bestuurder:

  • 1

    alle geschillen die voortvloeien uit de wet en de daarop berustende bepalingen kunnen worden voorgelegd aan de kantonrechter van de rechtbank.

  • 2

    is de bevoegdheid tot het voeren van rechtsgedingen uitsluitend voorbehouden aan de OR.

Voor het Georganiseerd Overleg geldt een geschillenregeling met bindende arbitrage of adviesvraag van en aan één of beide partijen (gemeente, vakbonden).

Artikel 13 Gedragscode medezeggenschap

De visie op de organisatie en medezeggenschap met de intenties om te komen tot een volwaardige, goede medezeggenschap met voldoende faciliteiten, ondersteuning en informatievoorziening zijn opgenomen zijn opgenomen in een apart document. Het is gedragscode met intenties hoe bestuurder en medezeggenschap met elkaar omgaan. Deze gedragscode is als bijlage 1 bij deze overeenkomst opgenomen en onlosmakelijk verbonden met de ondernemingsovereenkomst.

Artikel 14 Slotbepalingen

Lid 1

Deze overeenkomst treedt in de plaats van eerder ter zake gemaakte afspraken tussen partijen.

Lid 2

De ondernemingsovereenkomst treedt in werking op 20 december 2005 en geldt voor een periode die gelijk is aan de lopende zittingsperiode van de OR en de OC's (2005-2008) of tot de eerstvolgende verkiezingen als dit eerder is. Als geen van de betrokken partijen de overeenkomst opzegt, uiterlijk drie maanden voor afloop van de zittingsperiode, blijft de overeenkomst ongewijzigd van kracht.

Lid 3

Een voornemen tot opzegging van de overeenkomst moet tenminste drie maanden van tevoren schriftelijk en gemotiveerd aan de wederpartij kenbaar worden gemaakt. Vervolgens vindt hierover tenminste eenmaal overleg plaats. Deze overeenkomst kan alleen door partijen gezamenlijk beëindigd worden.

Aldus door partijen opgemaakt en ondertekend te Nijmegen op 23 maart 2006,

Namens de gemeente Nijmegen als ondernemer De heer P.J.J. Lucassen wethouder personeelszaken

Namens de gemeente Nijmegen als bestuurder De heer H.K.W. Bekkers Gemeentesecretaris,

Namens de Medezeggenschap volgens de WOR De heer M.J.M. Vloet Voorzitter OR gemeente Nijmegen

Namens de vakorganisaties vertegenwoordigd in het GO, de heer J.H.A. Sanders voorzitter van de SBO

de heer B. Groen Regiobestuurder AbvaKabo-FNV

de heer M. Matser Regiobestuurder CNV Publieke Zaak

BIJLAGE 1

GEDRAGSCODE / VISIE / INTENTIES

Intentieverklaring Directieteam en medezeggenschap zijn overeengekomen dat beide zullen streven naar volwaardige medezeggenschap. Daar wordt onder verstaan:

  • -

    Dat de verschillende medezeggenschapsorganen (OR, OC’s en GO) vroegtijdig bij besluitvormingsprocessen betrokken worden;

  • -

    Dat zij daarbij tijdig van optimale informatie worden voorzien;

  • -

    Dat de inhoudelijke discussie daarbij leidend is boven de procedurele gang van zaken;

  • -

    Dat de medezeggenschapsorganen inspanningen zullen verrichten om in hun opvatting de mening van het personeel dat zij vertegenwoordigen, te laten doorklinken;

  • -

    Dat leden van het DT die optreden als bestuurder in de zin van de WOR het medezeggenschapsorgaan zullen behandelen als een van de hiërarchie onafhankelijke en gelijkwaardige gesprekspartner

Politiek primaat Indien sprake is van uiteindelijke besluitvorming in het college en/of de gemeenteraad en er juridisch gezien sprake is van politiek primaat, zal de betrokken bestuurder in de zin van WOR het betreffende besluit (desondanks) voorleggen aan de OR /de OC ter advisering. Daarbij worden de hierboven omschreven uitgangspunten gehanteerd en wordt het betreffende medezeggenschapsorgaan in staat gesteld advies uit te brengen, voordat besluitvorming in het college en/of de gemeenteraad plaatsvindt. Het advies van de OR/OC wordt betrokken bij de uiteindelijke besluitvorming in het college en/of de raad.

Scholing Op grond van het streven naar volwaardige medezeggenschap erkennen het DT en de medezeggenschap het belang van gerichte scholing en begeleiding. Daarvoor benodigde middelen zijn opgenomen in de begroting. Deze laten onverlet de rechten dienaangaande zoals die zijn opgenomen in de WOR (art 18). Scholing en begeleiding worden opgenomen in een driejaarlijks scholingsplan dat steeds na elke verkiezingsronde wordt opgesteld. Het scholingsplan komt tot stand na een inventarisatie van aanwezige en ontbrekende competenties, waarbij vooral gekeken wordt naar procesmatige competenties. Tenminste twee gespecialiseerde bureaus worden uitgenodigd op basis van de inventarisatie een offerte uit te brengen. In de offerte dient aandacht besteed te worden aan de volgende vormen van scholing en begeleiding:

  • -

    Cursusdagen per OR / OC

  • -

    Cursusdagen waarvoor individuele OR- en OC-leden zich kunnen aanmelden

  • -

    Werkconferenties met alle OR- en OC-leden

  • -

    Mogelijkheid van coaching van de OR / OC of het dagelijks bestuur daarvan

  • -

    Begeleiding van de vaste inhoudelijke commissies

  • -

    Scholing van de personen die als bestuurder in de zin van de WOR optreden

  • -

    Scholing van de medewerkers binnen het bureau Medezeggenschap

De OR neemt initiatief.

Evaluatie Overwegende dat met ingang van de verkiezingen in maart 2005 grote veranderingen optreden binnen de medezeggenschapspraktijk binnen de gemeente Nijmegen, is afgesproken jaarlijks een evaluatie te laten plaatsvinden. Die evaluatie heeft betrekking op de volgende onderwerpen:

  • -

    Naleving van de intenties in het convenant en de handelwijze in het reglement van orde. De bestuurder neemt het initiatief;

  • -

    De OC’s in verband met:

    • o

      de verdergaande centralisering van het beleid. De centrale vraag zal zijn of de centralisering aanleiding geeft tot een fundamentele wijziging van de (structuur) van de medezeggenschap. De bestuurder neemt het initiatief;

    • o

      de omvang van de OC van DSB. De OC DSB neemt het initiatief;

    • o

      de OC Brandweer, met name de overgang van de gemeentelijke brandweer naar de regionale brandweer zal hierbij betrokken worden. De OC Brandweer neemt het initiatief;

    • o

      de OC Staf . Met name twee elementen worden meegewogen: de omvang van de concernstaf  en bestuursstaf en de bevoegdheden van de leidinggevende. De OC Staf neemt het initiatief;

    • o

      Het functioneren van de commissies die de medezeggenschap heeft ingesteld. De OR is initiatiefnemer.

  • -

    De bijdrage die de ondersteuning levert aan het functioneren van de medezeggenschap. Initiatief ligt bij de functioneel leidinggevende (van de OR) van de ondersteuning.

  • -

    De kwaliteit van de medezeggenschap. De OR neemt het initiatief;

  • -

    De voortgang van het uitvoeren van het scholingsplan. De OR is initiatiefnemer;

  • -

    De urenbesteding van de medezeggenschap (zie hieronder). De OR neemt initiatief.

Uren voor de medezeggenschap De betrokken partijen onderkennen het basisbeginsel: “medezeggenschap is werk”. Aanvullend aan hetgeen daar nu over is vastgelegd binnen de organisatie worden onderstaande afspraken gemaakt:

  • -

    De uren die door een medewerker aan medezeggenschap besteed worden, worden in het taakplan van een medewerker opgenomen. De bestuurder ziet daarop toe.

  • -

    De leidinggevende van de betreffende medewerker kan een beroep doen op de bestuurder om extra faciliteiten om het ontstane knelpunt op te lossen.

De opgenomen urenbesteding is tot stand gekomen na vergelijking van drie uitgangspunten: de in WMO vastgelegde minima, de ervaringscijfers van de mensen die nu binnen Nijmegen in de medezeggenschap werkzaam zijn en de budgetten die momenteel in de begrotingen zichtbaar zijn. Afgesproken is dat we uitgaan van de beschikbare budgetten. Tijdens de evaluatie zullen met name de volgende aspecten de aandacht krijgen:

  • -

    de daadwerkelijk bestede uren. Tijdschrijven moet dit inzichtelijk maken;

  • -

    de verankering van de medezeggenschap in de taakplannen;

  • -

    eventuele compensatie van uren door middel van budgetten aan de (aangetoonde) behoefte.

Artikel 1 Begripsbepalingen

Dit reglement verstaat onder:

  • a

    de ondernemer: de gemeente Nijmegen;

  • b

    de ondernemingen: de ‘Directie Stadsbedrijven’, ‘Directie Inwoners’, ‘Directie Grondgebied’, ‘Directie Wijkaanpak en Leefbaarheid’, ‘Directie Strategie en Projecten’, ‘Directie Bestuur en Organisatie’, de ‘Dienst Afvalstoffen en Reiniging’ en de ‘Brandweer’;

  • c

    ondernemingsraden (OR-en): de voor de meeste van de in lid 1b genoemde ondernemingen ingestelde ondernemingsraden;

  • d

    centrale ondernemingsraad (COR): de centrale ondernemingsraad voor de in lid 1b genoemde ondernemingen bestaat uit leden gekozen door de ondernemingsraden en uit leden op grond van WOR artikel 34 lid 4;

  • e

    onderdeelcommissies: de door een ondernemingsraad eventueel in te stellen organen volgens WOR artikel 15 lid 3; afspraken daarover zijn opgenomen in de 'Ondernemingsovereenkomst Medezeggenschap 1999' genoemd in lid j.

  • f

    de wet: de Wet op de ondernemingsraden (WOR);

  • g

    de bedrijfscommissie: de bedrijfscommissie voor de Overheid;

  • h

    de bestuurder: de gemeentesecretaris voor de Centrale Ondernemingsraad; de directeuren van de in artikel 1 lid 1b genoemde ondernemingen;

  • i

    werknemersorganisaties: de verenigingen van werknemers bedoeld in artikel 9 lid 2 onder a van de wet;

  • j

    ondernemingsovereenkomst medezeggenschap 1999: de tussen de ondernemingsraden, de centrale ondernemingsraad, de gemeentesecretaris als hoogste bestuurder, de werknemersvertegenwoordiging in het Georganiseerd Overleg en het bevoegd gezag van de gemeente Nijmegen gemaakte afspraken over de structuur van de medezeggenschap, de verdeling van de zeggenschap, de faciliteiten, de scholing en de ambtelijke ondersteuning. In maart 1999 worden de twee eerstgenoemden vertegenwoordigd door de Ondernemingsraad die op dat ogenblik bevoegd is.

  • k

    Personen die bij de ondernemingen werkzaam zijn:

    • 1

      degenen die in de onderneming werkzaam zijn uit hoofde van een met de ondernemer gesloten arbeidsovereenkomst, dan wel uit hoofde van een publiekrechtelijke aanstelling

    • 2

      ingeleende werknemers (als gedetacheerden, uitzendkrachten, banenpoolers) mits zij langer dan 12 maanden in die onderneming gewerkt hebben in het kader van de werkzaamheden van de onderneming; dit werk moet hebben bijgedragen aan ondernemingsactiviteiten. (Uitgeleende werknemers, gedetacheerden, uitzendkrachten, banenpoolers hebben eveneens medezeggenschapsrechten in de onderneming van waaruit zij zijn uitgeleend).

Artikel 2 Bestuurders

Voor de toepassing van de bij of krachtens het Reglement Centrale Ondernemingsraad en Ondernemingsraden gemeente Nijmegen bepaalde, worden de bestuurders van de ondernemingen geacht niet te behoren tot de in de onderneming werkzame personen.

Artikel 3 Doel

De raad heeft tot doel door goede samenwerking tussen ondernemer, bestuurder en personeel het optimaal functioneren van de onderneming in al haar doelstellingen te bevorderen en het welzijn en de belangen van de werknemers in dienst van de ondernemer te behartigen. Het is een orgaan van overleg, advies, informatie en communicatie en een vertegenwoordiging van werknemers binnen de onderneming en zal op basis van de hem bij de wet, de CAO of in afspraken in het Georganiseerd Overleg gegeven bevoegdheden participeren in de besluitvorming, dan wel zelfstandig besluiten en initiatieven nemen.

Artikel 4 Structuur

In de Ondernemingsovereenkomst  medezeggenschap 1999' is afgesproken dat er per directie / dienst / zelfstandig gemeentelijk bedrijf met meer dan 50 medewerkers een OR ingesteld wordt, met op concernniveau een COR. Op basis van artikel 1 lid e wordt er in principe één onderdeelcommissies ingesteld: voor de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Directie Inwoners.

Artikel 5 Samenstelling COR

Lid 1

De Centrale Ondernemingsraad bestaat uit 15 leden, gekozen door de betrokken ondernemingsraden uit de leden van elk van die raden ofwel rechtstreeks uit en door de vertegenwoordigers van ondernemingen conform artikel 5 lid 2. De COR kiest uit zijn midden een voorzitter en een plaatsvervangend voorzitter en een secretaris. Samen vormen deze personen het dagelijks bestuur van de COR, bijgestaan door een ambtelijk ondersteuner.

Lid 2

De ondernemingsraad van onderneming ‘Directie Stadsbedrijven’ kiest uit zijn midden 3 leden voor de COR. De ondernemingsraad van onderneming ‘Directie Inwoners’ kiest uit zijn midden 3 leden voor de COR. De ondernemingsraad van onderneming ‘Directie Grondgebied’ kiest uit zijn midden 2 leden voor de COR. De ondernemingsraad van onderneming ‘Dienst Afvalstoffen en Reiniging’ kiest uit zijn midden 2 leden voor de COR. De ondernemingsraad van onderneming ‘Brandweer’ kiest uit zijn midden 2 leden voor de COR. De ondernemingsraad van onderneming ‘Directie Bestuur en Organisatie’ kiest uit zijn midden 1 lid voor de COR. De ondernemingsraad van onderneming  ‘Directie Strategie en Projecten’ kiest uit zijn midden 1 lid voor de COR. De Personeelsvertegenwoordiging van onderneming ‘Directie Wijkaanpak en Leefbaarheid’ kiest uit haar midden 1 lid voor de COR.

Artikel 6 Samenstelling OR-en

Lid 1

De ondernemingsraad van de onderneming ‘Directie Stadsbedrijven’ bestaat uit 13 leden. De ondernemingsraad van de onderneming ‘Directie Inwoners’ bestaat uit 13 leden. De ondernemingsraad van de onderneming ‘Directie Grondgebied’ bestaat uit 9 leden; De ondernemingsraad van de onderneming ‘Dienst Afvalstoffen en Reiniging’ bestaat uit 7 leden; De ondernemingsraad van de onderneming ‘Brandweer’ bestaat uit 7 leden. De ondernemingsraad van de onderneming ‘Directie Bestuur en Organisatie’ bestaat uit 5 leden; De ondernemingsraad van de onderneming ‘Directie Strategie en Projecten’ bestaat uit 5 leden; De personeelsvertegenwoordiging van de onderneming ‘Directie Wijkaanpak en Leefbaarheid’ bestaat uit 3 leden.

Lid 2

Elke ondernemingsraad kiest uit zijn midden een voorzitter en een secretaris die tevens plaatsvervangende voorzitter is.

Lid 3

De voorzitter, of bij diens verhindering de plaatsvervangende voorzitter, vertegenwoordigt de ondernemingsraad in rechte.

Lid 4

De voorzitter en de secretaris vormen tezamen het dagelijks bestuur van de ondernemingsraad.

Lid 5

Bij de Directie Stadsbedrijven en de Directie Inwoners is de secretaris geen plaatsvervangend voorzitter. Bij deze directies wordt een aparte plaatsvervangend voorzitter gekozen. Bij deze directies is de samenstelling van het dagelijks bestuur: voorzitter, plaatsvervangend voorzitter en secretaris.

Artikel 7 Samenstelling OC

Lid 1

Een onderdeelcommissie kan altijd ingesteld worden door een OR volgens het bepaalde in artikel 15 lid 3 van de WOR.

Lid 2

In de ondernemingsovereenkomst 1999 medezeggenschap is vastgelegd dat de OR-en dit slechts doen na overleg met de directeur / bestuurder en indien daar organisatorisch dringende redenen voor zijn, zoals een grote reorganisatie.

Lid 3

Op basis van de ondernemingsovereenkomst wordt alleen een onderdeelcommissie ingesteld voor de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid van de Directie Inwoners (9 leden). Voor deze commissie worden verkiezingen gehouden gelijktijdig met de verkiezingen voor de Ondernemingsraden.

Lid 4

De onderdeelcommissie kiest uit haar midden een voorzitter en secretaris, die tevens plaatsvervangend voorzitter is.

Lid 5

De voorzitter en de secretaris vormen tezamen het dagelijks bestuur van de commissie.

Artikel 8 Secretaris

Het secretariaat gebeurt onder eindverantwoordelijkheid van de gekozen secretaris en is gemandateerd aan de ambtelijk ondersteuner.

Artikel 9 Zittingsduur

Lid 1

De leden van elke ondernemingsraad treden om de 3 jaar tegelijk af. Ook de leden van de COR en de onderdeelcommissies treden dan af.

Lid 2

De aftredende leden zijn terstond herkiesbaar voor de OR-en en de onderdeelcommissies.

Lid 3

De zittingsduur van de leden van de raden en onderdeelcommissies eindigt op de dag waarop de nieuwe leden van deze medezeggenschapsorganen in functie treden.

Artikel 10 Beëindiging lidmaatschap

Lid 1

Het lidmaatschap van een raad of commissie eindigt van rechtswege, wanneer de werknemer ophoudt in de onderneming werkzaam te zijn.

Lid 2

Een lid kan door schriftelijke kennisgeving aan de voorzitter voor het lidmaatschap bedanken.

Lid 3

De ondersteuner van de raad stelt de bestuurder van de beëindiging van het lidmaatschap van een lid zoals gesteld in lid 2 zo spoedig mogelijk in kennis.

Artikel 11 Organisatie verkiezingen

Lid 1

De organisatie van de verkiezing van de leden van de ondernemingsraden geschiedt onder verantwoordelijkheid van de ondernemingsraden. Hiertoe stellen de gezamenlijke ondernemingsraden één verkiezingscommissie in (de verkiezingen in 1999 vallen onder verantwoordelijkheid van de OR).

Lid 2

De organisatie van de verkiezing van de leden van de onderdeelcommissies geschiedt onder verantwoordelijkheid van de betreffende ondernemingsraden (in 1999 van de OR).

Lid 3

De organisatie van de verkiezing van de leden van de centrale ondernemingsraad die uit en door de ondernemingsraden gekozen worden geschiedt onder verantwoordelijkheid van de gezamenlijke OR-en.

Artikel 12 Kiesgerechtigd/verkiesbaar

Lid 1

Kiesgerechtigd zijn degenen die op de verkiezingsdatum tenminste drie maanden in de onderneming werkzaam zijn (in 1999: bij de ondernemer gemeente Nijmegen werkzaam zijn) uit hoofde van een met de ondernemer gesloten arbeidsovereenkomst, dan wel uit hoofde van een publiekrechtelijke aanstelling.

Lid 2

Kiesgerechtigd zijn ingeleende werknemers mits zij op de verkiezingsdatum langer dan zes maanden in die onderneming  gewerkt hebben in het kader van de werkzaamheden van de onderneming (in 1999: zes maanden bij de ondernemer gemeente Nijmegen werkzaam zijn).

Lid 3

Verkiesbaar tot lid van de ondernemingsraad zijn degenen die op de verkiezingsdatum langer dan zes maanden in de onderneming werkzaam zijn (in 1999: bij de ondernemer gemeente Nijmegen werkzaam zijn) uit hoofde van een met de ondernemer gesloten arbeidsovereenkomst, dan wel uit hoofde van een publiekrechtelijke aanstelling.

Lid 4

Verkiesbaar tot lid van de ondernemingsraad zijn ingeleende werknemers mits zij op de verkiezingsdatum langer dan twaalf maanden in de onderneming werkzaam zijn (in 1999: bij de ondernemer gemeente Nijmegen werkzaam zijn).

Artikel 13 Verkiezingen

De voorbereiding van de verkiezingen, de wijze van stemmen en het kiesstelsel staan beschreven in de toelichting van dit reglement.

Artikel 14 Tussentijdse vacatures

Lid 1

In geval van een tussentijdse vacature in de ondernemingsraad wijst de ondernemingsraad tot opvolger van het betrokken lid aan de kandidaat die bij de laatstgehouden verkiezing als volgende op de lijst voorkwam. Indien er geen kandidaten meer beschikbaar zijn komt de kandidaat via de lijstverbinding in aanmerking.

Lid 2

De aanwijzing geschiedt binnen een maand na het ontstaan van de vacature. Deze aanwijzing wordt door de ondersteuner bekend gemaakt aan de ondernemer, aan de in de onderneming werkzame personen en aan de werknemersorganisaties die de kandidatenlijsten hebben ingediend.

Lid 3

Indien er geen opvolger als bedoeld in het eerste lid van dit artikel voorhanden is, wordt in de vacature voorzien door het houden van een tussentijdse verkiezing, tenzij binnen zes maanden een algemene verkiezing zal plaatsvinden.

Artikel 15 Bezwaar

Lid 1

Iedere belanghebbende kan, binnen een week na de bekendmaking daarvan, bij de ondernemingsraad bezwaar maken tegen een besluit van de ondernemingsraad of de verkiezingscommissie met betrekking tot:

  • a

    de bepaling van de datum van de verkiezing en de tijdstippen van aanvang en einde van de stemming, zoals geregeld in artikel 1 lid 1 van bijlage 1;

  • b

    de opstelling van de lijst van kiesgerechtigde en verkiesbare personen, zoals geregeld in artikel 2 lid 1 van bijlage 1;

  • c

    de vaststelling van het aantal handtekeningen dat nodig is voor de indiening van een kandidatenlijst door degenen die geen lid zijn van een werknemersorganisatie welke een kandidatenlijst heeft ingediend, zoals geregeld in artikel 2 lid 4 van bijlage 1;

  • d

    de geldigheid van een kandidatenlijst, zoals geregeld in artikel 3 van bijlage 1;

  • e

    de vaststelling van de uitslag van de verkiezing, zoals geregeld in artikel 11 lid 2 van bijlage 1;

  • f

    de voorziening in een tussentijdse vacature, zoals geregeld in artikel 14.

Lid 2

De ondernemingsraad beslist zo spoedig mogelijk op het bezwaar en treft daarbij de voorzieningen die nodig zijn.

Artikel 16 Vergaderingen

Lid 1

De (centrale) ondernemingsraad of onderdeelcommissie komt in vergadering bijeen:

  • a

    op verzoek van de voorzitter;

  • b

    op gemotiveerd verzoek van ten minste twee leden;

  • c

    voorafgaand aan elke overlegvergadering.

Lid 2

De (centrale) ondernemingsraad of onderdeelcommissie vergadert minimaal zes keer per jaar.

Lid 3

De voorzitter bepaalt datum en tijdstip van de vergadering in overleg met de leden. De ondersteuner regelt de plaats. Een vergadering op verzoek van leden van de raad of commissie wordt gehouden binnen 14 dagen nadat hun verzoek daartoe bij de voorzitter is ingekomen.

Lid 4

De bijeenroeping geschiedt door de ambtelijk ondersteuner, door middel van een schriftelijke kennisgeving aan de leden van de ondernemingsraad. De bijeenroeping geschiedt, behoudens in spoedeisende gevallen, niet later dan zeven dagen voor de vergadering.

Lid 5

Een vergadering kan slechts plaatsvinden indien de meerderheid van de leden van de ondernemingsraad (het quorum) aanwezig is. Indien deze meerderheid niet aanwezig is, is er sprake van informeel overleg. In een informeel overleg gemaakte afspraken dienen ter bevestiging aan de eerstvolgende OR-vergadering te worden voorgelegd. Afspraken kunnen dan vastgelegd worden zonder vereist quorum. Tussen deze vergaderingen zit ten minste een periode van twee weken.

Lid 6

Bij ontstentenis van de voorzitter en van diens plaatsvervanger kiest de raad of de commissie uit de aanwezige leden een voorzitter voor de vergadering.

Lid 7

De vergaderingen van de (centrale) ondernemingsraad en de onderdeelcommissie(s) zijn toegankelijk voor de in de onderneming werkzame personen, tenzij de ondernemingsraad of de commissie anders besluit.

Artikel 17 Ondersteuner

Lid 1

De COR, OR-en en OC’s hebben recht op ambtelijke ondersteuning.

Lid 2

De ambtelijke ondersteuner is belast met het bijeenroepen van de COR / OR / OC, het opmaken van de agenda en het opstellen van het verslag van de vergadering, alsmede met het voeren van de briefwisseling en het beheren van de voor de ondernemingsraad bestemde en van de ondernemingsraad uitgaande stukken.

Lid 3

Bij afwezigheid van de ambtelijk ondersteuner worden de secretariële werkzaamheden uitgevoerd door een collega ondersteuner of door de gekozen secretaris.

Lid 4

Verder is de ambtelijk ondersteuner verantwoordelijk voor:

  • a

    adviseren ten aanzien van de WOR en andere regelingen betreffende de medezeggenschap

  • b

    het inhoudelijk advies geven ten aanzien van onderwerpen waarop advies-, instemmings- en initiatiefrecht van toepassing is

  • c

    op verzoek van OR opstellen van reacties van de raden ten aanzien van onder b genoemde onderwerpen

  • d

    het voorbereiden van scholing; aanbod en behoefte aan scholing peilen

  • e

    beleid van de raden en commissies

  • f

    deelname aan het overleg en activiteiten van het overleg van de ambtelijk ondersteuners om daarmee het goed functioneren van de medezeggenschap te bevorderen.

Artikel 18

Lid 1

De ondersteuner maakt in overleg met de voorzitter voor iedere vergadering een agenda op. Ieder lid van de ondernemingsraad kan de ondersteuner verzoeken een onderwerp op de agenda te plaatsen.

Lid 2

De ondersteuner brengt de agenda ter kennis van de leden van de ondernemingsraad, alsmede van de ondernemer en bevordert, zoveel als in zijn vermogen ligt, dat de in de onderneming werkzame personen van de agenda kunnen kennisnemen. Behoudens in spoedeisende gevallen geschiedt de bekendmaking van de agenda niet later dan zeven dagen voor de vergadering van de ondernemingsraad.

Artikel 19

Lid 1

De ondernemingsraad beslist bij gewone meerderheid van stemmen. Hierbij tellen de blanco stemmen niet mee.

Lid 2

Over zaken wordt mondeling en over personen wordt schriftelijk gestemd.

Lid 3

Indien bij een besluit met betrekking tot de benoeming van een persoon geen van de kandidaten bij de eerste stemming de gewone meerderheid haalt, vindt herstemming plaats tussen de twee kandidaten die bij de eerste stemming de meeste stemmen kregen. Bij deze herstemming is degene die de meeste stemmen op zich heeft verenigd, gekozen. Indien de stemmen staken beslist het lot.

Lid 4

Bij staking van stemmen over een voorstel tot een door de ondernemingsraad te nemen besluit dat geen betrekking heeft op een te benoemen persoon, wordt dit voorstel op de eerstvolgende vergadering opnieuw aan de orde gesteld. Indien dan wederom de stemmen staken, wordt het voorstel geacht te zijn verworpen.

Artikel 20

Lid 1

Zo spoedig mogelijk na iedere vergadering van de ondernemingsraad maakt de ondersteuner daarvan een verslag en zendt hij dit in ontwerp toe aan de leden. Dit verslag wordt vastgesteld in de volgende OR-vergadering of in het vooroverleg van de Overlegvergadering.

Lid 2

Na het vaststellen ligt het verslag ter inzage bij de ondersteuner en de leden van het medezeggenschapsorgaan. Over het op een andere wijze bekend maken (via bijvoorbeeld het GIS of een nieuwsbrief) van het besprokene in de OR-vergadering beslist het medezeggenschapsorgaan. Het aan de in de onderneming werkzame personen bekend te maken verslag bevat geen gegevens waaromtrent ingevolge artikel 20 van de wet geheimhouding moet worden betracht.

Artikel 21

Lid 1

De ondersteuner maakt jaarlijks vóór 1 maart een verslag op van de werkzaamheden van de ondernemingsraad en van de commissies van de raad in het afgelopen jaar. Dit verslag behoeft de goedkeuring van de ondernemingsraad.

Lid 2

De ondersteuner maakt het jaarverslag na de goedkeuring van de ondernemingsraad bekend aan de ondernemer en aan de in de onderneming werkzame personen, alsmede aan de bedrijfscommissie.

Artikel 22 Werkwijze van de overlegvergadering

In de overlegvergadering kunnen alle aangelegenheden, de onderneming betreffende, aan de orde worden gesteld ten aanzien waarvan de ondernemer of de raad overleg wenselijk acht of waarover ingevolge het bij of krachtens de wet of het reglement bepaalde overleg tussen de ondernemer en de raad moet plaatsvinden.

Artikel 23

Lid 1

De (centrale) ondernemingsraad of onderdeelcommissie komt in overlegvergadering bijeen:

  • a

    op verzoek van de bestuurder

  • b

    op verzoek van de voorzitter

  • c

    op gemotiveerd verzoek van ten minste twee leden

Lid 2

De (centrale) ondernemingsraad of onderdeelcommissie vergadert minimaal zes keer per jaar.

Lid 3

De agenda van de overlegvergadering bevat alle onderwerpen, die door of namens de ondernemer of door de ondernemingsraad bij het agendaoverleg voor het overleg zijn aangemeld.

Lid 4

In overleg worden datum en tijdstip van vergaderen bepaald.

Lid 5

De ambtelijk ondersteuner stelt (eventueel in samenspraak met een ambtelijk secretaris van bestuurderszijde) de leden van de raad en de ondernemer ten minste zeven dagen tevoren schriftelijk op de hoogte van plaats en tijd van de vergadering onder bijvoeging van de agenda en de bijbehorende stukken. De ambtelijk ondersteuner draagt er zorg voor dat een schriftelijke toelichting wordt gegeven op ieder agendapunt, dat naar zijn oordeel toelichting behoeft.

Lid 6

De ondersteuner draagt er eveneens zorg voor dat de in lid 5 genoemde stukken ter inzage liggen bij het secretariaat.

Lid 7

In spoedeisende gevallen kan van het bepaalde in de voorgaande leden worden afgeweken. De bespreking beperkt zich in dat geval tot het onderwerp, dat tot spoedige behandeling aanleiding geeft, tenzij de vergadering anders beslist.

Lid 8

Met de bestuurder maakt het overlegorgaan afspraken over het maken van een verslag van de overlegvergadering. Dit verslag wordt voor de eerstkomende vergadering aan de leden en de bestuurder toegezonden. In die vergadering wordt het verslag aan de overlegvergadering ter goedkeuring en vaststelling voorgelegd.

Lid 9

Het overleg wordt voor de ondernemer gevoerd door de bestuurder van de onderneming.

Lid 10

Bij verhindering kan de bestuurder zich doen vervangen.

Lid 11

De bestuurder kan zich bij het overleg laten bijstaan door een of meer in de onderneming werkzame personen.

Lid 12

Voorzitter van de overlegvergadering is bij toerbeurt de bestuurder en de voorzitter van het medezeggenschapsorgaan.

Lid 13

De overlegvergadering is niet openbaar tenzij de vergadering anders besluit.

Lid 14

Een overlegvergadering kan slechts plaatsvinden indien de meerderheid van de leden van de ondernemingsraad aanwezig is. Bij het niet aanwezig zijn van het quorum kan er alleen informeel overlegd worden. In dit overleg eventueel gemaakte afspraken dienen ter bevestiging aan de eerstvolgende Overlegvergadering te worden voorgelegd. Afspraken kunnen dan vastgelegd worden zonder vereist quorum. Tussen deze vergaderingen zit ten minste een periode van twee weken.

Artikel 24

Lid 1

In de overlegvergadering wordt ten minste tweemaal per jaar de alge€mene gang van zaken in de onderneming besproken, waarbij ten minste éénmaal op basis van de in artikel 31 A WOR bedoelde gegevens en ten minste éénmaal op basis van de in artikel 31 B WOR bedoelde gegevens wordt gesproken.

Lid 2

De Ondernemingsraad heeft het recht om bij de in lid 1 bedoelde besprekingen een wethouder uit te nodigen.

Artikel 25

Lid 1

Tijdens de overlegvergadering kunnen zowel door de ondernemer als door de raad besluiten worden genomen.

Lid 2

Een overlegvergadering wordt door de voorzitter geschorst, wanneer de ondernemer of de ondernemingsraad ten aanzien van een bepaald onderwerp afzonderlijk beraad wenselijk acht.

Lid 3

De ondernemer neemt geen besluiten over voorstellen van de raad, zowel die in als buiten de overlegvergadering zijn gedaan, dan nadat hij hierover ten minste éénmaal met de raad in een overlegvergadering heeft overlegd.

Lid 4

Na het overleg deelt de ondernemer zo spoedig mogelijk schriftelijk en met redenen omkleed aan de raad mee of en in hoeverre hij overeenkomstig het voorstel zal besluiten. Wanneer de ondernemer of de raad te kennen geeft daarop prijs te stellen, wordt het besluit in een overlegvergadering kenbaar gemaakt.

Artikel 26

Ten aanzien van de overlegvergadering zijn de artikelen 17 en 22 WOR van overeenkomstige toepassing.

Artikel 27

Lid 1

Zowel de raad als de ondernemer kunnen een of meer deskundigen uitnodigen met het oog op de behandeling van een bepaald onderwerp.

Lid 2

De ondernemer en/of de raad die besluit(en) een deskundige te raadplegen op grond van dit artikel, stellen elkaar hiervan tijdig vooraf in kennis.

Lid 3

De kosten die redelijkerwijze noodzakelijk zijn van het uitnodigen van een deskundige komen ten laste van de ondernemer, tenzij de ondernemingsraad beschikt over een eigen budget, als bedoeld in artikel 22 lid 3 WOR.

Lid 4

Bij bezwaar van de ondernemer onderscheidenlijk de ondernemingsraad tegen het uitnodigen van een deskundige, kan de ondernemingsraad, onderscheidenlijk de ondernemer een beslissing aan de kantonrechter vragen.

Artikel 28 Slotbepaling

Lid 1

Dit reglement inclusief  de bijlagen kunnen uitsluitend worden gewijzigd en aangevuld bij besluit van de centrale ondernemingsraad.

Lid 2

Alvorens de wijziging of aanvulling vast te stellen, stelt de centrale ondernemingsraad de ondernemer, alle OR-en  in de gelegenheid daarover hun standpunt kenbaar te maken.

Lid 3

In de vergadering waarin wordt besloten het reglement te wijzigen of aan te vullen dient ten minste twee derde van het aantal leden van de centrale ondernemingsraad aanwezig te zijn.

Lid 4

Een dergelijk besluit behoeft een meerderheid van ten minste twee derde van de uitgebrachte stemmen. Voor de bepaling of aan dit voorschrift is voldaan, tellen de blanco stemmen niet mee.

Lid 5

De centrale ondernemingsraad maakt de wijziging of aanvulling bekend aan de in de onderneming werkzame personen en verstrekt een afschrift daarvan aan de ondernemer en aan de bedrijfscommissie.

Bijlage 1 Verkiezingen
Artikel 1 Verkiezingsdatum en verkiezingscommissie
Artikel 2 Kandidatenlijsten
Artikel 3 Geldigheid kandidatenlijsten
Artikel 4 Geen verkiezingen
Artikel 5 Stemmen geheim, stemmen bij volmacht
Artikel 6 Oproepingskaarten
Artikel 7 Stembiljetten
Artikel 8 Stembureau(s)
Artikel 9 Stemmen
Artikel 10 Geldigheid
Artikel 11 Uitslag
Artikel 12 Afhandeling

Verkiezingsdatum, kandidaatstelling

Artikel 1 Verkiezingsdatum en verkiezingscommissie

Lid 1

De centrale ondernemingsraad (in 1999 de ondernemingsraad) bepaalt, na overleg met de ondernemer, de datum van de verkiezingen, alsmede de tijdstippen van aanvang en einde van de stemming. Zoveel mogelijk zal aansluiting gezocht worden bij de landelijke verkiezingsdag voor gemeentelijke ondernemingsraden. De ambtelijk ondersteuner van de centrale ondernemingsraad (in 1999 de ondernemingsraad) doet van een en ander mededeling aan de ondernemer, aan de in de onderneming werkzame personen en aan de werknemersorganisaties. Tussen het doen van deze mededeling en de datum waarop de verkiezing wordt gehouden, liggen ten minste dertien weken.

Lid 2

De datum van de verkiezing ligt niet eerder dan vier weken en niet later dan twee weken voor de afloop van de zittingsperiode van de aftredende leden van de ondernemingsraad, tenzij buitengewone omstandigheden als een reorganisatie een andere datum voor de verkiezingen vereisen.

Lid 3

De organisatie van de verkiezingen wordt gerealiseerd door de centrale ondernemingsraad en de ondernemingsraden in goed overleg. Daartoe wordt door de gezamenlijke OR-en één verkiezingscommissie in het leven geroepen.

Lid 4

In de verkiezingscommissie hebben in ieder geval de ambtelijk ondersteuners zitting en bij voorkeur van iedere OR één lid en uit iedere directie één vertegenwoordiger.

Lid 5

De ingestelde verkiezingscommissie benoemt uit haar midden een lid tot voorzitter en een ander tot secretaris van de commissie.

Lid 6

De ingestelde verkiezingscommissie kan zich bij de organisatie van de verkiezingen bij laten staan door een werkgroep per directie.

Lid 7

De ingestelde verkiezingscommissie kan zich laten bijstaan door een of meer stembureaus, die elk bestaan uit ten hoogste drie in de onderneming werkzame personen.

Artikel 2 Kandidatenlijsten

Lid 1

Uiterlijk negen weken voor de verkiezingsdatum stelt elke verkiezingscommissie een lijst op van de in de onderneming werkzame personen die op de verkiezingsdatum kiesgerechtigd, respectievelijk verkiesbaar zijn en maakt deze lijst in de onderneming bekend.

Lid 2

Kandidaatstelling geschiedt door indiening van een lijst van een of meer kandidaten bij één van de leden van de verkiezingscommissie. Deze verstrekt een gedagtekend bewijs van ontvangst op naam van degene die de lijst heeft ingediend.

Lid 3

Tot uiterlijk zes weken voor de verkiezingsdatum kunnen werknemersorganisaties kandidatenlijsten indienen. De secretaris van de verkiezingscommissie doet hiervan melding aan de ondernemer, aan de in de onderneming werkzame personen en aan de werknemersorganisaties tegelijk met de mededeling van de verkiezingsdatum.

Lid 4

Binnen een week nadat de in lid 3 bedoelde termijn is verstreken, bepaalt de verkiezingscommissie het aantal handtekeningen dat ten minste nodig is voor de indiening van een kandidatenlijst door degenen die geen lid zijn van een werknemersorganisatie welke een kandidatenlijst heeft ingediend.

Lid 5

Tot uiterlijk drie weken voor de verkiezingsdatum kunnen de in lid 4 bedoelde kandidatenlijsten bij de één van de leden van de verkiezingscommissie worden ingediend. De secretaris van de verkiezingscommissie doet hiervan melding aan de ondernemer, aan de in de onderneming werkzame personen en aan de werknemersorganisaties.

Lid 6

Bij elke kandidatenlijst wordt van iedere daarop voorkomende kandidaat een schriftelijke verklaring overgelegd dat deze de kandidatuur aanvaardt (cq. zich aanmeldt als kandidaat).

Lid 7

De naam van een kandidaat mag slechts op één kandidatenlijst voorkomen.

Lid 8

De indieners van een kandidatenlijst voorzien de kandidatenlijst van een benaming; is dit niet het geval dan wordt de naam van de lijsttrekker als naam van de lijst gehanteerd.

Lid 9

Degenen die geen lid zijn van een werknemersorganisatie welke een kandidatenlijst heeft ingediend, kunnen slechts één van de in lid 4 bedoelde kandidatenlijsten ondertekenen.

Lid 10

De kandidatenlijsten zijn bij voorkeur zo samengesteld dat zoveel mogelijk afdelingen van de directies / afdelingen vertegenwoordigd zijn. Bij de COR is dit reeds gewaarborgd in dit reglement via artikel 5.

Lid 12

Voor het aangaan van lijstverbindingen worden de betreffende artikelen uit de kieswet gevolgd.

Artikel 3 Geldigheid kandidatenlijsten

Lid 1

De verkiezingscommissie onderzoekt of de ingediende kandidatenlijsten en de daarop voorkomende kandidaten voldoen aan de vereisten van de wet en van dit reglement.

Lid 2

De verkiezingscommissie verklaart een kandidatenlijst die niet voldoet aan de in het vorige lid bedoelde vereisten ongeldig en doet hiervan onmiddellijk schriftelijk en met opgave van redenen mededeling aan degene(n) door wie de lijst is ingediend. Gedurende één week na deze mededeling bestaat de gelegenheid de lijst aan de gestelde vereisten aan te passen.

Lid 3

De kandidatenlijsten worden uiterlijk twee weken voor de verkiezingsdatum door de verkiezingscommissie aan de in de onderneming werkzame personen bekend gemaakt.

Artikel 4 Geen verkiezingen

Indien er niet meer kandidaten zijn gesteld dan er plaatsen in de ondernemingsraad zijn te vervullen, vindt er geen verkiezing plaats en worden de gestelde kandidaten geacht te zijn gekozen.

Wijze van stemmen bij verkiezingen

Artikel 5 Stemmen geheim, stemmen bij volmacht

Lid 1

De verkiezing geschiedt bij geheime schriftelijke stemming.

Lid 2

Op de dag van de verkiezing wordt door of namens de ondernemingsraad, op de door hem daarvoor aangewezen plaatsen aan iedere kiesgerechtigde persoon een gewaarmerkt stembiljet uitgereikt. Op dit stembiljet staan de kandidaten vermeld. Dadelijk na invulling deponeert de kiesgerechtigde persoon dit stembiljet in een daartoe bestemde bus.

Lid 3

Iedere kiesgerechtigde persoon kan voor ten hoogste twee andere kiesgerechtigde personen een stembiljet invullen, mits hij door deze personen schriftelijk daartoe is gemachtigd.

Artikel 6 Oproepingskaarten

Lid 1

De verkiezingscommissie stuurt de kiesgerechtigden, behalve in de situatie zoals opgenomen in artikel 4 van deze bijlage, tien dagen voor de verkiezingsdatum een oproepingskaart tot deelname aan de verkiezingen.

Lid 2

De verkiezingscommissie gebruikt een lijst van de kiesgerechtigde personen als stemregister op de verkiezingsdatum.

Lid 3

Op de oproepingskaarten wordt in ieder geval vermeld:

  • a

    de naam en voorletters van de kiesgerechtigde;

  • b

    de plaats(en) waar de stem kan worden uitgebracht;

  • c

    de datum van de verkiezingen;

  • d

    de uren waarop het stembureau geopend is, onderscheidenlijk de

  • e

    stembureaus geopend zijn;

  • f

    de mogelijkheid bij volmacht te stemmen.

Lid 4

Op de achterzijde van de oproepingskaarten is een verklaring tot volmacht opgenomen.

Artikel 7 Stembiljetten

Lid 1

De verkiezingscommissie verschaft het stembureau op de dag van de verkiezing de stembiljetten.

Lid 2

De verkiezingscommissie voorziet de stembiljetten van de kandidatenlijsten in de hieronder aangegeven volgorde:

  • a

    kandidatenlijsten die kunnen worden beschouwd als voortzetting van de bestaande groeperingen in de zittende ondernemingsraad worden in volgorde van grootte van bestaande groeperingen geplaatst. Bij groeperingen van gelijke grootte wordt de volgorde door middel van loting, zoals aangegeven in artikel lid 3, bepaald;

  • b

    kandidatenlijsten die niet kunnen worden beschouwd als voortzetting van bestaande groeperingen in de zittende ondernemingsraad, worden na de onder a. genoemde kandidatenlijsten geplaatst in de volgende volgorde:

    • -

      de volgorde van grootte van het aantal handtekeningen waarmede de kandidatenlijsten ondertekend zijn;

    • -

      bij een gelijk aantal handtekeningen wordt de volgorde bepaald door middel van loting zoals aangegeven in lid 3.

Lid 3

De voorzitter van de verkiezingscommissie verricht de in lid 2 genoemde loting in het openbaar in aanwezigheid van de overige leden van de verkiezingscommissie. De secretaris van de verkiezingscommissie legt de uitkomst van de loting vast in een procesverbaal, dat door drie leden van de verkiezingscommissie wordt ondertekend.

Lid 4

Ten behoeve van het uitbrengen van de stem is op de stembiljetten voor iedere kandidaat een vakje geplaatst.

Artikel 8 Stembureau(s)

Lid 1

De verkiezingscommissie kan één of meer stembureau(s) aanwijzen, die tijdens de verkiezingen zorg dragen voor een regelmatig verloop van de verkiezingen. Als de verkiezingscommissie zelf geen stembureau(s) aanwijst, treedt zij zelf op als stembureau.

Lid 2

De verkiezingscommissie draagt er zorg voor, dat het stembureau zodanig is ingericht dat een geheime stemming is gewaarborgd.

Lid 3

Op de verkiezingsdag wordt door het stembureau op de daarvoor aangewezen plaats aan iedere stemgerechtigde die zich door middel van de oproepingskaart legitimeert, dan wel aan een stemgerechtigde die daartoe door middel van de op de achterzijde van de oproepingskaart door een stemgerechtigde is gemachtigd, een gewaarmerkt stembiljet uitgereikt. Dadelijk na invulling doet de kiesgerechtigde persoon dit stembiljet in een daartoe bestemde bus, tenzij het stembiljet per post wordt verzonden.

Lid 4

Bij het uitreiken van het stembiljet wordt de oproepingskaart door het stembureau ingenomen.

Lid 5

Als de stem per volmacht wordt uitgebracht, maakt het stembureau hiervan aantekening in het kiesregister.

Lid 6

De verkiezingscommissie plaatst het stembureau op de verkiezingsdag op een, of achtereenvolgens op meer, zodanige plaats(en) dat zoveel mogelijk kiesgerechtigden aan de stemming kunnen deelnemen.

Lid 7

De verkiezingscommissie stelt de openingstijden van het stembureau vast met inachtneming van de werktijden van het personeel.

Kiesstelsel

Artikel 9 Stemmen

Lid 1

Iedere kiesgerechtigde persoon brengt één stem uit.

Lid 2

Het stemmen bij volmacht geschiedt gelijktijdig met het uitbrengen van de eigen stem.

Artikel 10 Geldigheid

Lid 1

Een geldig ingevuld stembiljet is elk stembiljet waarop de stem is uitgebracht door middel van het aankruisen van de naam van één kandidaat op de daartoe bestemde plaats.

Lid 2

Ongeldig zijn de stembiljetten:

  • a

    die niet door de verkiezingscommissie zijn gewaarmerkt;

  • b

    waaruit niet duidelijk de keuze van de stemgerechtigde blijkt;

  • c

    waarop meer dan één stem is uitgebracht;

  • d

    waarop andere aantekeningen voorkomen dan de aanwijzing van de verkozen kandidatenlijst.

Lid 3

Omtrent de geldigheid van de uitgebrachte stemmen beslist het stembureau.

Artikel 11 Uitslag

Lid 1

Na het einde van de stemming stelt de verkiezingscommissie het aantal geldige stemmen vast dat op elke kandidatenlijst en op elke daarop voorkomende kandidaat is uitgebracht.

Lid 2

Ter bepaling van de uitslag van de verkiezing berekent de verkiezingscommissie in de eerste plaats de kiesdeler, door het aantal geldig uitgebrachte stemmen te delen door het aantal te bezetten zetels in de ondernemingsraad / onderdeelcommissie. Vervolgens worden aan iedere kandidatenlijst zoveel zetels toegewezen als de kiesdeler begrepen is in het aantal op die lijst uitgebrachte geldige stemmen. De daarbij overblijvende stemmen alsmede de stemmen uitgebracht op een lijst die de kiesdeler niet haalde gelden als overschotstemmen. Zetels die op deze wijze niet kunnen worden vervuld, worden als restzetel achtereenvolgens toegekend aan de lijsten met de grootste stemmenoverschotten. Bij een gelijk stemmenoverschot van twee of meer lijsten beslist het lot welke lijst het eerst een restzetel krijgt. De voorzitter van de verkiezingscommissie verricht de loting in het openbaar in aanwezigheid van de overige leden van die commissie. De secretaris van de verkiezingscommissie legt de uitkomst van de loting vast in een procesverbaal, dat door alle leden van de verkiezingscommissie wordt ondertekend. De aan een lijst toegevallen zetels worden toegewezen aan de daarop staande kandidaten in de volgorde waarop zij op de lijst voorkomen, met dien verstande dat een kandidaat die persoonlijk 25 % van de stemmen voor die lijst heeft gehaald, in ieder geval is gekozen.

Lid 3

De uitslag van de verkiezing wordt door de verkiezingscommissie vastgesteld en volledig bekend gemaakt aan de ondernemer, aan de in de onderneming werkzame personen en aan de werknemersorganisaties die de kandidatenlijsten hebben ingediend.

Lid 4

De verkiezingscommissie maakt van de uitslag van de verkiezing een procesverbaal op. Dit procesverbaal vermeldt:

  • a

    de openingstijden van het stembureau, onderscheidenlijk de stembureaus;

  • b

    het aantal kiesgerechtigden;

  • c

    het aantal uitgereikte stembiljetten;

  • d

    het aantal bij volmacht uitgebrachte stemmen;

  • e

    het aantal geldig uitgebrachte stemmen;

  • f

    het aantal ongeldig verklaarde stemmen;

  • g

    het aantal stemmen per kandidatenlijst;

  • h

    per kandidatenlijst het aantal stemmen per kandidaat;

  • i

    het tijdstip waarop de telling werd verricht;

  • j

    eventuele bijzondere voorvallen die zich hebben voorgedaan.

Lid 5

Het procesverbaal wordt door minimaal drie leden van de verkiezingscommissie ondertekend. De verkiezingscommissie legt het procesverbaal ter inzage bij haar secretaris.

Lid 6

De verkiezingscommissie maakt de uitslag van de stemming onverwijld bekend aan de organisaties, degenen die de kandidatenlijsten hebben ingediend, de ondernemingsraad, de bestuurder en het voltallige personeel.

Lid 7

De voorzitter van de verkiezingscommissie stelt de kandidaten aan wie een zetel is toegewezen, schriftelijk in kennis van hun verkiezing. Deze kandidaten berichten binnen zeven dagen na deze in kennisstelling schriftelijk aan de voorzitter van de verkiezingscommissie of zij de hun toegewezen zetel aanvaarden.

Artikel 12 Afhandeling

Lid 1

De gekozen kandidaten treden binnen 30 dagen na de stemming in hun functie.

Lid 2

De gebruikte stembiljetten worden door de secretaris van de ondernemingsraad in gesloten envelop ten minste drie maanden bewaard.

15 Overige rechten en verplichtingen

Artikel 15.1.1 (Q) Verplichtingen

Onder de werking van dit artikel kunnen ook zaken als geheimhouding, vertrouwelijkheid en gedrag van ambtenaren (gedragscode)worden gebracht. Dat is verder niet expliciet in de AGN geregeld. Artikel 15:1 dient hiervoor dus als kapstokartikel. Zie ook: Gedragscode voor ambtenaren en bestuurders van de gemeente Nijmegen.

Artikel 15.1.1.1 Verbod op alcohol

Het is de ambtenaar verboden aangeschoten of dronken op zijn werk te verschijnen. Ook is het verboden gedurende werktijd alcoholhoudende drank te gebruiken.

Artikel 15:1 Verplichtingen

De ambtenaar is gehouden zijn betrekking nauwgezet en ijverig te vervullen en zich ook overigens te gedragen zoals een goed ambtenaar betaamt.

Artikel 15:1a Verplichtingen

De ambtenaar is verplicht de eed of belofte af te leggen die bij wet, bij instructie of bij besluit van het college is voorgeschreven.

Artikel 15.1a.0.1 Ambtseed

Lid 1

De ambtenaar legt de ambtseed of belofte binnen drie maanden na indiensttreding af. Dit vindt plaats ten overstaan van de burgemeester en/of de wethouder Personele Zaken.

Lid 2

Het college van burgemeester en wethouders kan hierover nadere regels of voorwaarden stellen en zijn bevoegd te beslissen in gevallen, waarin dit artikel niet of niet in redelijkheid voorziet.

Artikel 15:1b Persoonlijk gebruik van goederen of diensten

Het is de ambtenaar verboden, behoudens toestemming verleend door of namens het college in bijzondere gevallen, ten eigen bate:

  • a

    diensten te laten verrichten door personen in gemeentedienst;

  • b

    aan de gemeente toebehorende eigendommen te gebruiken;

  • c

    gebruik te maken van hetgeen hem in of in verband met zijn betrekking ter kennis is gekomen.

Artikel 15:1c Aannemen van geschenken en gelden

Het is de ambtenaar verboden:

  • a

    in verband met zijn betrekking vergoedingen, beloningen, giften of beloften van derden te vorderen, te verzoeken of aan te nemen, anders dan met toestemming van het college;

  • b

    steekpenningen aan te nemen.

Artikel 15:1d In acht nemen ordemaatregelen
  • 1 De ambtenaar is verplicht zich te gedragen naar de maatregelen van orde die ten aanzien van het verblijf in de kantoren, werkplaatsen of op andere arbeidsterreinen zijn vastgesteld.

  • 2 Indien de ambtenaar verhinderd is zijn betrekking te vervullen, is hij verplicht dit zo spoedig mogelijk mede te delen of te doen mededelen.

Artikel 15:1e Nevenwerkzaamheden
  • 1 De ambtenaar is verplicht aan het college, op een door dit orgaan te bepalen wijze, opgave te doen van de nevenwerkzaamheden die hij verricht of voornemens is te gaan verrichten, die de belangen van de dienst, voorzover deze in verband staan met zijn functievervulling, kunnen raken.

  • 2 Er wordt een registratie gevoerd op basis van de ingevolge het eerste lid gedane opgaven.

  • 3 Het is de ambtenaar verboden nevenwerkzaamheden te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voorzover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels worden gesteld.

  • 4 Het college regelt de openbaarmaking van de in het eerste lid bedoelde nevenwerkzaamheden van de gemeentesecretaris en directeuren van gemeentelijke diensten en bedrijven, alsmede van andere ambtenaren aangesteld in een functie waarvoor ter bescherming van de integriteit van de openbare dienst openbaarmaking van nevenwerkzaamheden noodzakelijk is.

Artikel 15.1e.0.2 Lidmaatschap beroepsvereniging

Indien het lidmaatschap van een beroepsvereniging van voldoende belang wordt geacht voor de dienst c.q. de functievervulling, wordt het lidmaatschap bij voorkeur aangegaan door de directie. Indien dit niet mogelijk is kan een medewerker zelf lid van de beroepsvereniging worden en worden de kosten van dit lidmaatschap vergoed.

Artikel 15:1f Melding financiële belangen
  • 1 Het college wijst ambtenaren aan die zijn aangesteld in een functie waaraan in het bijzonder het risico van financiële belangenverstrengeling of het risico van oneigenlijk gebruik van koersgevoelige informatie verbonden is.

  • 2 De ambtenaar bedoeld in het eerste lid meldt aan het college, op een door dit orgaan te bepalen wijze, zijn financiële belangen respectievelijk bezit van en transacties in effecten, die de belangen van de dienst, voor zover deze in verband staan met de functievervulling, kunnen raken.

  • 3 Er wordt een registratie gevoerd van de meldingen bedoeld in het tweede lid.

  • 4 Het is de ambtenaar verboden financiële belangen te hebben, effecten te bezitten en transacties in effecten te verrichten waardoor de goede vervulling van zijn functie of de goede functionering van de openbare dienst, voorzover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd. Omtrent dit verbod kunnen nadere regels worden gesteld.

Artikel 15:1g Aanneming en levering ten behoeve van de openbare dienst
  • 1 Het is de ambtenaar verboden middellijk of onmiddellijk deel te nemen aan aannemingen en leveringen ten behoeve van de openbare dienst.

  • 2 Het college kan regelen stellen betreffende het deelnemen van de ambtenaar, middellijk of onmiddellijk, aan aannemingen en leveringen ten behoeve van anderen.

Artikel 15.1.6 (Q) Nevenwerkzaamheden

De registratie van nevenwerkzaamheden vindt plaats door aantekening in het persoonsdossier van de betrokken ambtenaar. Eventuele afspraken zoals hiervoor bedoeld, worden eveneens in het persoonsdossier van de betrokken ambtenaar vastgelegd. Anders dan nevenfuncties van bestuurders zijn nevenfuncties van ambtenaren niet vanzelf openbaar. Op grond van de Wet Openbaarheid Bestuur (WOB) moeten nevenfuncties van ambtenaren op verzoek openbaar worden gemaakt. Voor hen geldt echter een bescherming. Het verstrekken van gegevens over nevenfuncties van individuele ambtenaren kan op grond van artikel 10, lid 2e WOB worden geweigerd vanwege de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Het verstrekken van bijvoorbeeld gegevens op afdelingsniveau mag wel, mits deze niet herleidbaar zijn naar personen.

Artikel 15:1:9 Vervallen

(Vervallen)

De artikelen 15:1:1 tot en met 15:1:6 zijn vernummerd tot 15:1 tot en met 15:1e

Artikel 15:1:8 is vernummerd tot 15:1g

Artikel 15:1:10 Plicht tot aanvaarden andere betrekking
  • 1 De ambtenaar is verplicht - nadat hij is gehoord - een andere betrekking te aanvaarden voor de vervulling waarvan hij in het belang van de dienst is aangewezen, indien deze betrekking hem redelijkerwijs in verband met zijn persoonlijkheid, zijn omstandigheden en de voor hem bestaande vooruitzichten kan worden opgedragen.

  • 2 Indien het college dit in het dienstbelang nodig acht is de ambtenaar verplicht om:

    • a

      tijdelijk niet tot zijn betrekking behorende werkzaamheden te verrichten, dan wel tijdelijk een andere betrekking waar te nemen;

    • b

      tijdelijk werkzaamheden te verrichten buiten de voor hem vastgestelde werktijden;

    • c

      zich buiten de voor zijn betrekking vastgestelde werktijden ter beschikking te houden. Voor het gedurende onbepaalde tijd periodiek verrichten van deze beschikbaarheidsdiensten wordt de ambtenaar schriftelijk aangewezen, indien deze diensten ten minste op gemiddeld zestig kalenderdagen in een periode van twaalf maanden zullen moeten worden verricht, hetgeen uit de schriftelijke aanwijzing moet blijken.

  • 3 Wanneer de ambtenaar meent, dat in verband met zijn persoonlijkheid en omstandigheden de in het tweede lid bedoelde werkzaamheden redelijkerwijs niet van hem kunnen worden gevergd, geeft hij - onverminderd zijn verplichting om die werkzaamheden terstond aan te vangen - daarvan door tussenkomst van het hoofd van dienst terstond kennis aan het college, dat zo spoedig mogelijk een beslissing ter zake neemt.

  • 4 De ambtenaar kan niet worden verplicht, indien bij enig particulier werkgever een staking is uitgebroken of een uitsluiting plaats heeft, ter vervanging van stakers of uitgeslotenen werkzaamheden te verrichten of werknemers bij het verrichten van werkzaamheden behulpzaam te zijn, tenzij naar het oordeel van het college zulks met het oog op de openbare veiligheid of gezondheid of voor de regelmatige functionering van de openbare dienst van de gemeente noodzakelijk is.

  • 5 Ter zake van de toepassing van het bepaalde in het vierde lid wordt zo spoedig mogelijk overleg gepleegd in de commissie, bedoeld in artikel 12:1 tweede lid.

Artikel 15:1:11 Aanvaarden andere werkzaamheden
  • 1 De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door of namens het college wordt aangewezen, in tijden van oorlog, oorlogsgevaar of andere buitengewone omstandigheden andere werkzaamheden te verrichten dan die welke hij gewoonlijk verricht, mits deze werkzaamheden strekken ter uitvoering van de taak die de gemeente in die tijden heeft of zal krijgen, dan wel ertoe strekken een zo goed en ongestoord mogelijke uitvoering van die taak te verzekeren.

  • 2 De ambtenaar is verplicht, indien hij daartoe door het college wordt aangewezen, taken te verrichten in het kader van de Wet rampen en zware ongevallen.

  • 3 In geval van een ramp of zwaar ongeval als bedoeld in artikel 1, sub b, Wet rampen en zware ongevallen, is de ambtenaar die is aangewezen op grond van het tweede lid van dit artikel verplicht de taken in het kader van de Wet rampen en zware ongevallen te verrichten onder leiding en toezicht van het college waar de ramp of het zware ongeval plaatsvindt.

  • 4 De ambtenaar, op grond van het eerste of tweede lid aangewezen, is te allen tijde verplicht lessen te volgen en deel te nemen aan oefeningen welke verband houden met zijn in dat lid aangeduide taak.

  • 5 De aanwijzing, bedoeld in het eerste of tweede lid geschiedt slechts, indien de persoonlijke omstandigheden van de ambtenaar zulks redelijkerwijs toelaten.

Artikel 15:1:12 Vergoeding van schade
  • 1 De ambtenaar kan worden verplicht tot gehele of gedeeltelijke vergoeding van door de gemeente geleden schade, voor zover deze aan zijn schuld of nalatigheid is te wijten.

  • 2 Het bedrag van de schadevergoeding en de wijze van inhouding daarvan op zijn bezoldiging worden niet vastgesteld dan nadat de ambtenaar in de gelegenheid is gesteld zich schriftelijk of mondeling te verantwoorden en ter zake van de wijze van inhouding zijn wensen kenbaar te maken.

Artikel 15:1:13 Plichten rekenplichtige ambtenaar
  • 1 De rekenplichtige ambtenaar wordt voor de verplichting tot aanzuivering van een tekort geheel of gedeeltelijk ontheven naarmate hij het beheer nauwgezet heeft gevoerd en de nodige voorzorgen heeft genomen voor de bewaring van gelden en geldswaardige papieren.

  • 2 Vloeit de verplichting tot aanzuivering van een tekort voort uit een aansprakelijkheid voor ondergeschikt personeel dan wordt bovendien in aanmerking genomen in hoeverre hij op de handelingen van dat personeel deugdelijk toezicht heeft gehouden.

  • 3 De rekenplichtige ambtenaar is van zijn verantwoordelijkheid ontheven gedurende de tijd dat hij door ziekte of wettige afwezigheid zijn beheer niet persoonlijk heeft gevoerd, indien gedurende die tijd zijn betrekking wordt waargenomen krachtens aanwijzing door of namens het college.

Artikel 15:1:14 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 15:1:15 Beoordeling van de ambtenaar
  • 1 Het college kan bepalen, dat met inachtneming van door het college te stellen regelen over de ambtenaar periodiek een beoordeling wordt uitgebracht omtrent de wijze waarop hij zijn betrekking vervult en omtrent zijn gedragingen tijdens de uitoefening van die betrekking.

  • 2 Onverminderd het bepaalde in het eerste lid wordt met de ambtenaar zijn gedrag besproken tijdens de uitoefening van zijn betrekking of de wijze waarop hij zijn betrekking vervult, voor zover deze aanleiding geven tot aanmerkingen, waarbij tevens aandacht wordt geschonken aan de wijze waarop het gedrag of de wijze waarop hij zijn betrekking vervult naar het oordeel van het college verbeterd kan worden.

Artikel 15.1.15.1 Beoordelings- en functioneringsgesprekken

In aanvulling op artikel 15:1:15 vindt u bij het onderdeel “Lokale regelingen” het Reglement systematische personeelsbeoordeling en Richtlijnen functioneringsgesprekken voor de gemeente Nijmegen.

Artikel 15:1:16 Dragen van uniform of dienstkleding
  • 1 De ambtenaar is verplicht tijdens de vervulling van zijn betrekking de door het college voor die betrekking of voor bepaalde werkzaamheden voorgeschreven kleding of uniform en onderscheidingstekenen te dragen.

  • 2 Het deelnemen aan betogingen en optochten in het voorgeschreven uniform is de ambtenaar slechts toegestaan, indien daarvoor door of namens het college toestemming is gegeven.

  • 3 Het is de ambtenaar verboden om bij gekleed gaan in uniform insignes of andere onderscheidingstekens of in dienst uniformkledingstukken te dragen, een en ander voor zover die niet van gemeentewege zijn verstrekt of voorgeschreven of tot het dragen waarvan niet door het college vergunning is verleend. Dit verbod is niet van toepassing ten aanzien van ordetekenen tot het aannemen of dragen waarvan door het hoger bestuursorgaan verlof is verleend.

  • 4 Bij afzonderlijke regeling kunnen regelen worden gesteld betreffende de verstrekking, reiniging en herstelling van de in het eerste lid bedoelde kleding.

Artikel 15.1.16.1 Regeling dienst-, werk- en uniformkleding

In aanvulling op artikel 15:1:16 vindt u bij het onderdeel “Lokale regelingen” de Dienst- en werkkledingregeling,de Regeling toelage uniformkleding en artikel 23 van de Bezoldigingsregeling van de gemeente Nijmegen.

Artikel 15:1:17 Standplaats
  • 1 Indien het dienstbelang dit eist, kan de ambtenaar de verplichting worden opgelegd in of meer nabij zijn standplaats te gaan wonen.

  • 2 Onder standplaats dient te worden verstaan: de gemeente of het met name genoemde gedeelte van de gemeente, waar de ambtenaar gewoonlijk zijn werkzaamheden verricht.

  • 3 Het college kan ter uitvoering van het in het eerste lid bepaalde nadere regels stellen.

Artikel 15.1.17.1 Nadere regels standplaats

Woongebied wordt gedefinieerd als: een door het bevoegde gezag aan te wijzen gebied aansluitend aan de standplaats. Bij besluit van burgemeester en wethouders d.d. 18 november 1997 bepaald op het gebied waarvan de grens wordt gevormd door de plaatsen Elst, Gendt, Leuth, Groesbeek, Mook, Grave, Wijchen, Ewijk en Valburg.

Aanvulling: Bij besluit van Burgemeester en Wethouders d.d. van 30-03-2010 is het gebied van de stad Nijmegen aangewezen als vestigingsplaats voor alle nieuw te benoemen medewerkers van de directie Brandweer Nijmegen die functioneren in het rooster van de Officier van Dienst.

Artikel 15:1:18 Dienstwoning
  • 1 De ambtenaar is verplicht, indien hem door het college een dienstwoning is aangewezen, deze te betrekken en zich ter zake van de bewoning en het gebruik te gedragen naar de voorschriften die daaromtrent zijn gesteld.

  • 2 Hij draagt de onderhoudskosten welke volgens de wet en het plaatselijk gebruik gemeenlijk voor rekening van de huurder zijn, tenzij terzake een afwijkende regeling is vastgesteld.

Artikel 15:1:19 Verbod betreden arbeidsterrein

Aan de ambtenaar kan door of namens het college de toegang tot de kantoren, werkplaatsen of andere arbeidsterreinen, dan wel het verblijf aldaar worden ontzegd.

Artikel 15.1.19 (Q) Verbod betreden arbeidsterrein

Aan dit artikel zijn geen vormvoorwaarden verbonden. Het kan worden gebruikt in noodsituaties. Bijvoorbeeld bij een conflict dat dreigt te escaleren en het raadzaam is dat een ambtenaar even niet op het werk verschijnt. Bijvoorbeeld als afkoelings- of bezinningsperiode. Ook kan het gebruikt worden als voorloper van een formele schorsing zoals bedoeld in artikel 16:1:2, lid 1i  (disciplinaire straffen) waarbij wel vormvoorschriften zijn gegeven en de schorsing bedoeld in artikel 8:15:1 (schorsing i.v.m. ontslag als disciplinaire straf).

Artikel 15:1:20 Infectieziekten
  • 1 De ambtenaar die in contact staat of kort geleden gestaan heeft met een persoon, die een ziekte heeft, waarvoor ingevolge het krachtens de Infectieziektewet bepaalde een nominatieve aangifteplicht geldt, mag zijn betrekking niet vervullen en heeft geen toegang tot de dienstgebouwen, -lokalen en -terreinen voor zolang de hoofdinspecteur of de inspecteur van het staatstoezicht op de volksgezondheid niet heeft verklaard, dat hij het gevaar voor overbrenging van een infectieziekte, of het gevaar dat hij verdacht moet worden te lijden aan zodanige ziekte, geweken acht.

  • 2 De ambtenaar die verkeert in de in het vorige lid omschreven situatie, is verplicht daarvan ten spoedigste kennis te geven aan het college. Hij is gehouden zich te gedragen naar de door of vanwege het college gegeven aanwijzingen, waaronder die met betrekking tot het ondergaan van een geneeskundig onderzoek.

  • 3 De ambtenaar geniet over de tijd, gedurende welke het hem overeenkomstig het bepaalde in dit artikel verboden is zijn betrekking te vervullen, zijn volledige bezoldiging.

Artikel 15:1:21 Vervallen

(Vervallen)

Artikel 15:1:22 Reis- en verblijfkosten
  • 1 De ambtenaar heeft recht op vergoeding van reis- en verblijfkosten ter zake van reizen in het belang van de dienst.

  • 2 Deze vergoeding wordt vastgesteld en uitgekeerd overeenkomstig de daarvoor door het college gestelde regelen.

Artikel 15.1.22.1 Reis- en verblijfkostenregeling

In aanvulling op artikel 15:1:22 vindt u bij het onderdeel “Lokale regelingen” de Reis- en verblijfkostenregeling van de gemeente Nijmegen.

Artikel 15:1:23 Vergoeden van schade
  • 1 Aan de ambtenaar wordt de schade aan hem toebehorende kleding en uitrusting, geen motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen zijnde, vergoed welke hij buiten zijn schuld of nalatigheid lijdt ten gevolge van de vervulling van zijn betrekking, voor zover die schade niet bestaat uit de normale slijtage dier goederen.

  • 2 Aan de ambtenaar wordt schade vergoed aan een aan hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen welke hij lijdt ten gevolge van de vervulling van zijn betrekking, tenzij:

    • a

      die schade bestaat uit de normale slijtage of;

    • b

      er sprake is van aan opzet of bewuste roekeloosheid grenzende verwijtbaarheid of;

    • c

      de ambtenaar in de regel 10.000 of meer kilometers per jaar rijdt ten behoeve van de dienst en per kilometer een vergoeding ontvangt gelijk aan of hoger dan het belastingvrije bedrag per kilometer.

Artikel 15:1:24 Gebruik motorrijtuig

Het is de ambtenaar slechts toegestaan een hem toebehorend motorrijtuig in de zin van de Wet Aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen bij de vervulling van zijn betrekking te gebruiken, indien en voor zover hem daartoe door of namens het college toestemming is verleend. Aan deze toestemming kunnen bepaalde voorwaarden worden verbonden.

Artikel 15.1.24 (Q) Gebruik motorrijtuig

In artikel 15:1:23, lid 2 is bepaald dat aan de ambtenaar de schade wordt vergoed aan een aan hem toebehorend motorrijtuig die hij lijdt tijdens de vervulling van zijn functie. In de gemeente Nijmegen zijn behalve het sluiten van een deugdelijke WA-verzekering zoals bedoeld in artikel 15 van de Reis- en verblijfkostenregeling geen verdere regels vastgesteld aangaande de verplichting tot het sluiten van een all-risk-verzekering. Dat brengt in praktijk een behoorlijk financieel risico met zich mee. Als de ambtenaar bijvoorbeeld zijn auto tijdens een dienstreis “totall loss” rijdt en hij is niet all-risk verzekerd, draait de gemeente voor de schade op. Het is dus aan te bevelen bij het verlenen van toestemming om de eigen auto te mogen gebruiken voor dienstreizen met het voorgaande rekening te houden.

Artikel 15:1:25 Schadeloosstelling

Het college kan bepalen in welke niet elders voorziene gevallen schadeloosstelling en vergoeding van kosten zullen worden verleend.

Artikel 15.1.25.1 Rechtsbijstandverzekering

Rechtsbijstandverzekering

Als uitvloeisel uit het sectorale arbeidsvoorwaardenakkoord 2002-2003 is met ingang van 1 januari 2003 door de gemeente Nijmegen een collectieve rechtsbijstandverzekering voor haar medewerkers gesloten. Deze verzekering is afgesloten bij Centraal Beheer/Achmea. Deze rechtsbijstandverzekering  biedt uitkomst in tal van situaties die voortvloeien uit de functie-uitoefening van de ambtenaar, zoals bijvoorbeeld:

  • 1

    Strafrechtelijke vervolging wegens het plegen van een strafbaar feit tijdens de functie-uitoefening. In deze situatie kan de ambtenaar worden verweten dat hij niet goed heeft gehandeld waardoor derden letsel oplopen of zijn overleden. Dit kan voor een officier van justitie reden zijn hem strafrechtelijk te vervolgen.

  • 2

    Civielrechtelijk afspraken van derden voor schade veroorzaakt in verband met de functie-uitoefening. Hierbij kan de ambtenaar worden verweten geen goede beslissing/controle te hebben genomen, waardoor schade aan derden is toegebracht.

  • 3

    Schade als gevolg van fysiek geweld door derden, ontstaan in verband met de functie-uitoefening, die de ambtenaar via een gerechtelijke procedure wil verhalen. Hierbij loopt de ambtenaar zelf materiële of immateriële schade op door handelingen van derden, zowel op het werk als thuis, mits dit laatste in verband staat met zijn werkzaamheden.

  • 4

    Een klacht op grond van het toepasselijke tuchtrecht, ten aanzien van zijn handelen of nalaten in verband met de functie-uitoefening.Hierbij valt te denken aan het optreden van een functionaris, waarbij het tuchtcollege betrokken is en mogelijk een disciplinaire maatregel (berisping) kan worden opgelegd.

Enkele aanvullende opmerkingen:

  • -

    De premie wordt door de gemeente betaald.

  • -

    De medewerker heeft geen aanspraak op rechtsbijstand indien tegen de gemeente wordt geprocedeerd.

  • -

    De medewerker heeft geen aanspraak op rechtsbijstand terzake van een strafbaar feit waar hij van verdacht wordt, waarvan door de gemeente aangifte is gedaan.

Voor nadere informatie kunt u zich desgewenst wenden tot Jos Hendriks (tst. 3308) of Theo Jansen (tst. 3307) van de afdeling Financiën van de Directie Stadsbedrijven. Bij hen ligt ook de verzekeringspolis ter inzage.

Artikel 15:1:26 Volgen van een opleiding

De ambtenaar is, indien het college dit bepaalt, verplicht zich voor het volgen van een bijzondere vakopleiding beschikbaar te stellen of enig ander door het college nader aan te duiden onderwijs te volgen. De aan het volgen van het in dit artikel bedoelde onderwijs verbonden kosten komen ten laste van de gemeente.

Artikel 15:1:27 Volgen van een opleiding

Aan de ambtenaar beneden de leeftijd van 18 jaar wordt, indien hij dit wenst en voor zolang de belangen van de dienst zich daartegen niet verzetten, gedurende ten hoogste één dag per week verlof met behoud van bezoldiging verleend voor het volgen van lessen aan inrichtingen voor voortgezet, herhalings- of vakonderwijs en vormingsinstituten voor leerplichtvrije jeugd.

Artikel 15:1:28 Bijzondere prestaties

Wegens buitengewone toewijding of bijzonder loffelijke vervulling van de betrekking kan aan de ambtenaar, naast een tevredenheidsbetuiging, een bijzondere beloning worden toegekend in de vorm van:

  • a

    extra verlof;

  • b

    gratificatie.

Artikel 15.1.28 (Q) Bijzondere prestaties

Voor een aantal gratificaties of extra beloningen is het nodig om vooraf een personeelsbeoordeling op te maken. Of dat al dan niet het geval is wordt bepaald in het aanwijzingsbesluit rechtspositionele beslissingen voor personeelsbeoordeling.

Artikel 15.1.28.1 Bezoldigingsverordening

In aanvulling op artikel 15:1:28 vindt u bij het onderdeel “Lokale regelingen” meer informatie bij artikel 14 van de Bezoldigingsverordening van de gemeente Nijmegen.

Artikel 15:1:29 Onbekendheid met gemeentelijke bepalingen

Ter zake van niet-naleving van bepalingen welke redelijkerwijs niet kunnen worden geacht de ambtenaar bekend te zijn, worden hem geen voordelen onthouden of nadelen toegebracht.

Artikel 15:1:30 Borstvoeding

Aan de vrouwelijke ambtenaar, die een borstkind heeft, wordt gedurende ten hoogste 1 jaar na de geboorte van het kind de gelegenheid gegeven haar kind te zogen dan wel de borstvoeding te kolven.

Artikel 15:1:31 Benadeling positie gemeentelijke organisatie

De gemeente draagt er zorg voor dat degene die als lid of als plaatsvervangend lid door een organisatie is aangewezen voor de commissie bedoeld in artikel 12:1, tweede lid, dan wel activiteiten vervult waarvoor hij krachtens artikel 6:4:2 buitengewoon verlof kan genieten, niet uit hoofde van zijn lidmaatschap of activiteiten wordt benadeeld in zijn positie in de gemeentelijke organisatie.

Artikel 15:2 Klokkenluiders
  • 1 Het college stelt een regeling vast voor het omgaan met vermoedens van misstanden.

  • 2 Ambtenaren en door het college aangewezen interne vertrouwenspersonen die misstanden conform de vast te stellen regeling aan de orde stellen, mogen niet om die reden worden ontslagen of anderszins in hun positie binnen de gemeente benadeeld worden.

Artikel 15.2.0.1 Klokkenluidersregeling

In aanvulling op artikel 15:2 vindt u bij het onderdeel “Lokale regelingen” de Klokkenluidersregeling van de gemeente Nijmegen.

Artikel 15:3 Vervallen

(Vervallen)

Dienst- en werkkledingregeling

Besluit van burgemeester en wethouders d.d. 27 mei 1952, laatstelijk gewijzigd 5 september 1995.

Artikel 1 Dienst- en werkkledingregeling

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

  • a

    het hoofd van de dienst: het hoofd van de betrokken dienst of degene, die hem vervangt;

  • b

    ambtenaar: de ambtenaar als bedoeld in artikel 1:1, eerste lid van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen, met uitzondering van het personeel van de Gemeente Brandweer;

  • c

    arbeidscontractant: hij, met wie een arbeidsovereenkomst is gesloten op grond van artikel 2:5 van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen;

  • d

    dienstkleding: kleding met een representatief karakter;

  • e

    werkkleding: kleding, welke als gereedschap is te beschouwen.

Artikel 2

Lid 1

Met goedkeuring van Het college kan door het hoofd van dienst, overeenkomstig een nader vast te stellen regeling, dienst- en/of werkkleding worden verstrekt.

Lid 2

Met goedkeuring van het college worden door het hoofd van dienst de draagtijden bepaald.

Lid 3

De in het tweede lid bedoelde draagtijden kunnen, in verband met de aard van de functie, voor eenzelfde kledingstuk verschillend zijn.

Lid 4

Door het college kan een bedrag worden vastgesteld, waaruit de herstel- en bewassingskosten dienen te worden bestreden.

Lid 5

Het herstel van dienst- en werkkledingstukken geschiedt overeenkomstig de aanwijzingen van het hoofd van dienst, op kosten van de belanghebbende.

Lid 6

De bewassing van de dienst- en werkkledingstukken geschiedt, behoudens na verkregen toestemming van het college, ingeval van vuile werkzaamheden, op kosten van belanghebbende.

Artikel 3

De dienst- en/of werkkleding is eigendom van de gemeente. Zij wordt bij het verstrekken van nieuwe kledingstukken, alsmede bij het beëindigen van de dienstbetrekking, ingenomen.

Artikel 4

Deze regeling, welke kan worden aangehaald als "Dienst- en werkkledingregeling", treedt in werking op 1 juli 1952 en treedt in plaats van de "Verordening houdende regelen voor het verstrekken van dienstkleding" d.d. 2 oktober 1923, zoals deze nader is gewijzigd.

Gedragscode voor ambtenaren

1 Inleiding 2 Onafhankelijkheid, vriendjespolitiek en belangenverstrengeling 3 Nevenfuncties en andere activiteiten in de privé-sfeer 4 Vertrouwelijke informatie 5 Relatiegeschenken 6 Reizen en diners 7 Gemeentelijke eigendommen; gebruik van pc en (mobiele) telefoon; werktijden 8 Klantvriendelijkheid en gelijke behandeling van burgers 9 Samenwerking met collega’s; omgangsvormen 10 Professionaliteit 11 Enkele relevante regelingen 

MOTTO: IN DIENST VAN HET BESTUUR,TEN DIENSTE VAN DE STAD

1 Inleiding

De democratische rechtsstaat stelt hoge eisen aan de overheid. De overheid is gebonden aan het recht, en dient uitsluitend het algemeen belang. Op het moment dat bestuurders of medewerkers van de overheid hun eigen belang voorrang geven boven het algemeen belang is de integriteit in het geding. Een overheid die niet integer is, is geen overheid meer. Daarbij gelden nog steeds de woorden van oud-burgemeester en oud-minister Dales: een beetje integer bestaat niet. De overheid werkt bovendien met geld dat door burgers en bedrijven wordt opgebracht. Dat geld moet dus zorgvuldig en doelmatig worden besteed. De gemeente Nijmegen voert daarom al geruime tijd een actief integriteitsbeleid. Sinds 1996 kent de gemeente een gedragscode voor bestuurders en ambtenaren. Omdat integriteit zo belangrijk is voor de overheid, is het goed om zo helder mogelijk te zijn over welk gedrag daar bij hoort. Daarom staat in de code onder meer geregeld hoe wij omgaan met nevenfuncties, geschenken, gemeentelijke eigendommen en vertrouwelijke informatie. Daarnaast zijn risicofuncties in kaart gebracht, is de voorbeeldfunctie van bestuurders en leidinggevenden benadrukt en zijn workshops over integriteit gehouden waar veel medewerkers aan hebben deelgenomen. Integriteit maakt ook expliciet deel uit van de formulering van het hoofddoel van de ambtelijke organisatie. Daarin is namelijk vastgelegd dat wij professioneel, integer en servicegericht zijn naar burger en bestuur. Ook is in 2004 de ambtseed weer ingevoerd. Er is aanleiding om met een nieuwe code te komen, speciaal voor de medewerkers. Voor bestuurders en raadsleden zijn namelijk op grond van de Gemeentewet speciaal op hen toegesneden gedragscodes gemaakt. Binnenkort wordt bovendien een code voor goed ambtenaarschap wettelijk verplicht op grond van de Ambtenarenwet. Daarom is gewerkt aan een nieuwe code. De nieuwe code is uitgebreider dan de vorige, omdat gestreefd is naar een grotere begrijpelijkheid. Het resultaat ligt hier voor u. De nieuwe code beoogt vast te leggen wat wij verstaan onder een goed ambtenaarschap. Dat valt uiteen in drie onderdelen, te weten het naleven van regels, het naleven van organisatiewaarden en ten slotte de ambtelijke professionaliteit. De basis van goed ambtelijk handelen, goed ambtenaarschap, is vastgelegd in de Ambtenarenwet en de daarop gebaseerde Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen (AGN.) Ook het Wetboek van Strafrecht bevat normen voor ambtelijk handelen. In deze voorschriften staan onder meer de ambtseed, het melden van bepaalde nevenfuncties, het verbod geschenken of toezeggingen te vragen of aan te nemen en het bewaren van ambtsgeheimen. Integer handelen is handelen in overeenstemming met de regels, waarbij het algemeen belang voorop staat, alle burgers gelijk worden behandeld en zelfs de schijn van belangenverstrengeling wordt vermeden. Een integere ambtenaar en een integere organisatie zijn betrouwbaar, objectief en rechtvaardig; zij zijn weerbaar tegenover integriteitsinbreuken. Andere waarden die voor ambtenaren gelden zijn bestuursgevoeligheid en resultaatgerichtheid, openheid en omgevingsgerichtheid, en klantvriendelijkheid en collegiale samenwerking. Ten slotte zijn er de eisen op het gebeid van deskundigheid die aan de ambtenaar worden gesteld. Zowel de genoemde wetten als de genoemde organisatiewaarden en de gevraagde deskundigheid stellen eisen aan het gedrag van de medewerkers. Een aantal normen voor goed ambtelijk handelen en voor integriteit staat in deze gedragscode bij elkaar. Deze regels gaan met name over situaties die veel voor komen. Het is namelijk niet mogelijk regels te maken voor iedere situatie die ooit eens een keer voor zou kunnen komen. Daarom is de code vooral bedoeld om een integere geesteshouding te bevorderen en een moreel kompas te bieden waarmee in alle situaties de juiste keuze kan worden gemaakt. De uitgangspunten en regels in deze code komen overigens niet in de plaats van al die andere bestaande voorschriften. Ze zijn te zien als een invulling van het begrip “goed ambtenaarschap” uit de Ambtenarenwet en de AGN. De code geldt rechtstreeks ook voor medewerkers met een tijdelijk dienstverband. Het college heeft de code ook van toepassing verklaard voor medewerkers op inhuur- en detacheringbasis. De rol van de leidinggevenden is om meerdere redenen van groot belang. Leidinggevenden hebben een belangrijke taak als het gaat om integriteit en het handhaven van de regels van het bedrijf. Om te beginnen hebben ze een voorbeeldfunctie in hun eigen handel en wandel. Daarnaast kunnen ze vanwege hun overzicht en ervaring hun medewerkers behulpzaam zijn bij het maken van moreel verantwoorde keuzen. En ten slotte zijn zij het die in geval van niet integer handelen sancties zullen kunnen voorstellen of opleggen. Een handige vuistregel als het gaat om integriteit is daarom: in geval van twijfel, vraag het uw leidinggevende.

generated_22 Onafhankelijkheid, vriendjespolitiek en belangenverstrengeling Waar gaat het om? Een ambtenaar moet altijd vanuit een onafhankelijke instelling het algemeen belang dienen. Dat is soms lastig. U leeft immers niet in een isolement, bent lid van verenigingen, zit misschien in een bestuur. U hebt familie en vrienden die iets van de gemeente nodig hebben. Belangenverstrengeling kan worden tegengegaan door organisatorische maatregelen zoals een objectief en voor iedereen inzichtelijk besluitvormingsproces. En ook door het scheiden van het behandelen van aanvragen, het nemen van besluiten daarover en de handhaving ervan. Voor de medewerkers gelden los daarvan de volgende regels.Regels

  • -

    Aanvragen van of opdrachten voor familie, buren, vrienden of kennissen draagt u in overleg met uw leidinggevende over aan een collega.

  • -

    Beoordeel eveneens geen subsidieaanvragen van verenigingen, waar u of uw partner lid van zijn of waarbij u of uw partner in het bestuur zit.

  • -

    Meld financiële belangen in bedrijven of transacties in aandelen als die belangen of transacties uw functioneren kunnen raken.

  • -

    Onderhandel en voer vertrouwelijke gesprekken met externe partijen – waarmee u afspraken maakt met financiële of juridische gevolgen – zo veel mogelijk samen met ten minste één collega.

  • -

    Maak van deze gesprekken verslagen, waarin duidelijk aanleiding, doel, gemaakte afspraken en de mate en termijn van vertrouwelijkheid staan.

  • -

    Zorg dat het juiste orgaan of de juiste functionaris de beslissing neemt en leg de beslissing vast.

  • -

    Bij werving en selectie moet u objectief zijn; sta onbevooroordeeld ten opzichte van elke kandidaat. Selecteer dus niet mee als het gaat om familie of kennissen.

  • -

    Medewerkers met een eigen bedrijf komen niet in aanmerking voor opdrachten van de gemeente. Uitzonderingen zijn met toestemming van het college mogelijk in bijzondere gevallen, bijvoorbeeld in het kader van een afvloeiingsregeling.

  • -

    Een ambtenaar wordt binnen een jaar na zijn uitdiensttreding niet als externe ingehuurd (anti-draaideurconstructie.)

generated_33 Nevenfuncties en andere activiteiten in de privé-sfeer Waar gaat het om? Net als iedere andere burger zijn ambtenaren vrij om nevenfuncties te bekleden of in hun eigen tijd activiteiten te verrichten. Wettelijk is evenwel bepaald dat belangenverstrengeling bij ambtenaren moet worden voorkomen ook bij nevenfuncties. Belangenverstrengeling is namelijk mogelijk als u privé functies bekleedt of activiteiten verricht naast uw werk die invloed hebben op uw werk als ambtenaar of op dat van uw collega’s. Voorbeelden zijn bestuursfuncties of vrijwilligerswerk bij bedrijven of instellingen die contacten hebben met de gemeente. Of een ambtenaar heeft een eigen bedrijf dat zaken wil doen met de gemeente. Of u wordt gevraagd burgers te helpen bij aanvragen bij of bezwaren tegen de gemeente. Deze functies of activiteiten kunnen soms het functioneren van de betreffende gemeenteambtenaar op een of andere manier raken. Belangen kunnen dan door elkaar gaan lopen. Collega’s kunnen bovendien in de positie komen daar een oordeel over te moeten geven. Dat oordeel moet ook dan onbevooroordeeld en vanuit het algemeen belang gegeven kunnen worden. Strafbaar of laakbaar gedrag in de privé sfeer kan ook in strijd zijn met de plicht om zich te gedragen als een goed ambtenaar. Het gaat dan om gedrag in de privé situatie waarmee de persoon zich zelf in diskrediet brengt en waardoor ook het vertrouwen in een goede functievervulling wankelt. Voor de hand liggende voorbeelden zijn die van de medewerker die een alcoholprobleem heeft als gevolg waarvan hij zijn werk niet meer goed kan doen, of de medewerker die geld verduistert, terwijl hij in zijn werk veel met geld te maken heeft. Of de parkeerwachter die zelf met regelmaat de verkeersregels aan zijn laars lapt.Regels

  • -

    Nevenfuncties of nevenactiviteiten (al dan niet betaald) die een goede uitoefening van de functie van de gemeenteambtenaar kunnen raken zijn in beginsel niet toegestaan.

  • -

    Meld ze daarom aan uw leidinggevende. De leidinggevende beoordeelt zorgvuldig of er door de werkzaamheden belangenverstrengeling kan ontstaan. Dit kan met name het geval zijn bij nevenfuncties of activiteiten die in het verlengde liggen van het eigen werkterrein.

  • -

    U onthoudt zich van laakbaar gedrag in de privé sfeer als dat het vertrouwen in uw ambtelijk functioneren beschadigt.

4 Vertrouwelijke informatie Waar gaat het om? Als ambtenaar beschikt u over informatie. Soms is dat vertrouwelijke of gevoelige informatie. Wanneer is informatie ‘vertrouwelijk”? Het kan gaan om informatie, die de gemeente of derden kan schaden als zij bekend wordt. Bijvoorbeeld als plannen zich nog in de voorbereidende fase bevinden en de partij met wie onderhandeld wordt al te weten zou komen welk bedrag de gemeente er voor over heeft om de plannen te realiseren. Als het om persoonsgegevens gaat, is informatie (bijna) altijd vertrouwelijk. In de meeste andere gevallen wordt het erbij gezegd, of blijkt het uit een vermelding op een stuk. Overleg bij twijfel binnen uw afdeling of met uw afdelingshoofd. Vertrouwelijk betekent dat u de informatie uitsluitend mag doorgeven als dat is afgesproken en dan nog alleen aan die mensen binnen de organisatie die met die informatie iets moeten doen. Staat op de informatie het stempel geheim of wordt er bij gezegd dat zij geheim is, dan mag u er met absoluut niemand over praten. In alle gevallen is het verstandig om voorzichtig te zijn met het verstrekken van informatie aan derden. Een speciaal dilemma kan ontstaan, wanneer u over informatie beschikt, waarvoor u binnen de organisatie geen gehoor krijgt. Bijvoorbeeld over een strafbaar feit of een schending van regels. In die situatie kunt u gaan praten met de vertrouwenspersoon en wordt u door de zogenoemde klokkenluidersregeling beschermd.Regels

  • -

    Zorg dat u informatie die u onder geheimhouding is verstrekt aan niemand doorgeeft.

  • -

    Wees voorzichtig met het verstrekken van vertrouwelijke informatie; ga na of U die informatie mag verstrekken. Check eerst of die derde wel bevoegd is de informatie te krijgen.

  • -

    Laat geen geheime, vertrouwelijke of anderszins gevoelige informatie op uw bureau of op een toegankelijke plaats in uw kamer liggen, ook niet als u even gaat pauzeren.

  • -

    Beveilig de informatie in uw computer tegen niet-bevoegden. Laat geen geheime, vertrouwelijke of gevoelige informatie lekken.

  • -

    Respecteer altijd de privacy van burgers en (zakelijke) relaties.

  • -

    Bedenk dat de Wet openbaarheid bestuur en de Wet bescherming persoonsgegevens van toepassing zijn; als u niet weet wat die inhouden vraag dan advies aan een deskundige collega.

  • -

    Geheime of vertrouwelijke informatie blijft geheim of vertrouwelijk ook als u intussen bij een andere gemeente of een ander bedrijf bent gaan werken.

generated_55 Relatiegeschenken Waar gaat het om? Regelmatig bieden leveranciers of instellingen en bedrijven, waarmee de gemeente  samenwerkt relatiegeschenken of andere voordelen aan.Voorbeelden zijn de fles wijn, de stropdas, de uitnodiging voor een voetbalwedstrijd, de boekenbon na het houden van een inleiding, hulp bij het aanleggen van een tuin, korting bij het doen van aankopen, en natuurlijk het kerstpakket. Maar niemand krijgt zo maar iets gratis. Soms is het de bevestiging van een plezierige relatie, soms wordt direct of indirect een tegenprestatie verwacht. Het is daarom goed altijd na te denken over wat de gever kan bedoelen. Er mag geen situatie ontstaan, waarbij uw onafhankelijkheid in het geding komt. Niet alleen op basis van uw eigen beoordeling, maar ook niet in de ogen van een ander. Is het informele contact noodzakelijk, is er sprake van wederkerigheid, kan er open over gepraat worden? Deze vragen moeten positief beantwoord worden – begin er anders niet aan. Openheid wordt bevorderd door een meldplicht van geschenken. De duurdere geschenken van boven de €25 worden eigendom van de gemeente. De directeur beslist wat er mee gebeurt. Bij de meer op de persoon gerichte geschenken zoals uitnodigingen kan de beslissing alleen luiden of zij al dan niet aanvaard kunnen worden. Regels

  • -

    Meld altijd aan uw leidinggevende als iemand u een geschenk geeft, een uitnodiging stuurt of een korting aanbiedt. De leidinggevende zal zorgdragen voor registratie en zal daarbij vermelden of het geschenk geaccepteerd is en wat er vervolgens mee is gedaan.

  • -

    Persoonlijke geschenken met een waarde boven de € 25,- zijn voor zover ze daarvoor vatbaar zijn eigendom van de gemeente. Over de bestemming neemt de directeur een beslissing.

  • -

    Alle geschenken die aan het huisadres worden bezorgd, worden geretourneerd onder opgave van reden.

  • -

    Geschenken tijdens een onderhandelingsfase mag u niet accepteren.

  • -

    Deze regels gelden ook voor kerstpakketten.

  • -

    Kortingen op privé-aankopen accepteert u niet, tenzij het een formele overeenkomst betreft waarvan alle medewerkers kunnen profiteren, zoals het afsluiten van een collectieve verzekering.

generated_66 Reizen en diners Waar gaat het om? Reizen en diners liggen in dezelfde sfeer als relatiegeschenken. Uitnodigingen voor diners en lunchafspraken horen er bij sommige functies gewoon bij. Om snel een afspraak te kunnen maken of om de afsluiting van een project te vieren. Ook krijgen sommigen af en toe een uitnodiging om een reis mee te maken. Maar het is van belang om uiterst zorgvuldig te zijn met het accepteren van uitnodigingen, omdat ze de onafhankelijkheid van het gemeentelijk oordeel kunnen beïnvloeden. Een duidelijk voorbeeld is een diner tijdens de offertefase. Bij sommige afdelingen geldt dan ook de regel dat in deze fase geen enkele uitnodiging van derden worden geaccepteerd. Voor reizen staat voorop dat ze functioneel en in het belang van de gemeente moeten zijn. Bijvoorbeeld om te zien hoe een systeem of product in de praktijk functioneert. In dat geval is het ook logisch dat de gemeente de reis betaalt.Regels

  • -

    Uitnodigingen voor diners, lunches, feesten en recepties accepteert u alleen als ze functioneel zijn voor het werk en in het belang van de gemeente. Toestemming van de leidinggevende of de gemeentesecretaris (en voor hem van het college) is vereist. De gemeente betaalt. Eventueel kan er sprake zijn van wederkerigheid, bijvoorbeeld om de beurt betalen.

  • -

    Reizen zijn eveneens alleen toegestaan als ze in het belang van de gemeente zijn. Net als bij diners geldt dan dat de gemeente betaalt. Bepaalde vormen van wederkerigheid kunnen met zich meebrengen dat de uitnodigende partij betaalt.

  • -

    Inhoudelijk zinvolle reizen die erg zijn opgetuigd met ontspannende elementen kunt u in overleg met de organisator beter terugbrengen tot hun functionele proporties. Snoepreisjes zijn immers uit den boze.

  • -

    Alle medewerkers hebben toestemming nodig van de leiding om in aanmerking te komen voor een reis- en verblijfkostenvergoeding.

  • -

    Van belangrijke (buitenlandse) reizen moet verslag worden gedaan, bijvoorbeeld in het managementoverleg en het afdelingsoverleg.

  • -

    Voor medewerkers die in hoedanigheid van hun baan bij de gemeente een functie bekleden bij een stichting of een vennootschap zijn de regels over reizen, diners en geschenken onverkort van toepassing.

generated_77 Gemeentelijke eigendommen; gebruik van pc en (mobiele) telefoon; werktijden Waar gaat het om? Van andermans spullen blijf je normaal gesproken af. Dat geldt ook als ze van de baas zijn. Gemeentelijke eigendommen zijn in het algemeen belang en op kosten van de belastingbetaler aangekocht. Er moet dus zuinig mee worden omgegaan. Onder werktijd moet je werken. Daar worden we immers uit gemeenschapsgeld voor betaald. Maar het komt toch wel eens voor dat iemand een boodschap onder werktijd doet, te laat komt of een paar pennen of een diskette van de gemeente thuis heeft. Dat ene schrijfblok, dat halve uurtje: het lijkt allemaal zo onbenullig. Maar als we alle uren en alle spullen bij elkaar optellen, kost het de gemeente handenvol geld – iets om bij stil te staan. Het kan zijn, dat uw functie van u vraagt ook thuis of elders te werken en dat u daar materiaal, bijvoorbeeld een laptop voor nodig hebt. Stel u werkt in de groenvoorziening. U werkt wel eens op een vrije dag bij een kennis in zijn tuin. Werkkleding is dan handig. Ooit er bij stilgestaan wat het effect is op anderen als zij dan het logo van Nijmegen zien op uw werkkleding? Zorg ook dat over uw eigendommen en die van de gemeente geen misverstand ontstaat. Het zal duidelijk zijn, dat het bellen van de tandarts om een afspraak te maken vaak tijdens werktijd moet, maar een vakantiereis uitzoeken en boeken via internet doet u natuurlijk gewoon thuis na werktijd. En het postkantoor en de kapper zijn ook op zaterdag open. Het op de juiste manier declareren van gemaakte kosten hoort ook thuis in dit hoofdstuk.Regels

  • -

    Uitgangspunt is dat het niet is toegestaan gemeentelijke eigendommen mee naar huis te nemen. In speciale gevallen kunt u toestemming vragen. Zo’n uitzondering kan bijvoorbeeld zijn, dat u iets nodig hebt voor het vervullen van uw functie. Dit wordt dan afgesproken en vastgelegd.

  • -

    Per directie kunnen nadere regels worden gemaakt. Als er binnen uw directie regels bestaan over het lenen van gemeentelijke materialen moet u zich daar uiteraard aan houden.

  • -

    Houdt u aan de geldende werktijden. Als u op afwijkende tijden wilt of moet werken doet u dit in overleg met uw leidinggevende.

  • -

    Bezoek aan tandarts en huisarts gebeurt in eigen tijd.

  • -

    De (mobiele) telefoon, e-mail of internet (en ook het kopieerapparaat of andere voorzieningen) worden gebruikt voor het werk. Alleen bij uitzondering en in beperkte mate kan hiervan met toestemming van de leidinggevende voor privé-zaken gebruik worden gemaakt. Zakelijk bellen en faxen vanuit het buitenland is alleen bij wijze van uitzondering toegestaan, ter beoordeling van de leidinggevende.

  • -

    U doet via internet geen privé-bestellingen.

  • -

    Het downloaden van illegale software is niet toegestaan.

  • -

    Het bezoeken van racistische, seksistische of pornografische sites is niet toegestaan.

  • -

    U declareert alleen werkelijk gemaakte onkosten volgens de daarvoor geldende regels.

generated_88 Klantvriendelijkheid en gelijke behandeling van burgers Waar gaat het om? De ene persoon komt sympathieker over dan de andere. Maar de burger dient in gelijke gevallen gelijk behandeld te worden. Ook mag de burger verwachten dat hij door zijn overheid met respect behandeld wordt en dat u de rechten van de burgers eerbiedigt.Regels

  • -

    U behandelt burgers in gelijke gevallen op gelijke wijze.

  • -

    Correct omgaan met derden betekent ook dat u zich dienstverlenend opstelt en altijd uw volledige deskundigheid in zet.

  • -

    Laat de ‘klant’ weten met wie hij heeft te maken en wat uw hoedanigheid is.

  • -

    Leg relevante gesprekken met of meldingen van burgers altijd vast. Zeker als u zelf een toezegging aan die burger hebt gedaan over de behandeling van zijn verzoek.

  • -

    U behandelt de burgers zoals u zelf behandeld zou willen worden.

generated_99 Samenwerking met collega’s; omgangsvormen Waar gaat het om? Collega’s hebben er recht op correct behandeld te worden. Ook voor hen geldt gelijke behandeling in gelijke gevallen. Ongewenste omgangsvormen kunnen zich voordoen tussen individuele medewerkers of groepen medewerkers. Het gaat om gedrag, dat als ongewenst wordt ervaren, zoals roddelen, pesten, (seksuele) intimidatie. Wat precies ongewenst is, kan per persoon verschillen. Wat de een als een grapje ervaart, kan voor de ander te ver gaan en zelfs tot ziekteverzuim leiden. Leidinggevenden zijn verantwoordelijk voor het signaleren, voorkomen en bestrijden van ongewenste omgangsvormen en kunnen erop aangesproken worden. Wees zorgvuldig met afspraken. Maak ze niet lichtvaardig. Maar een eenmaal gemaakte afspraak is en blijft een afspraak.Regels

  • -

    Houd rekening met gevoelens van anderen.

  • -

    Ga altijd correct met collega’s om; ongewenste omgangsvormen als pesten, roddelen en seksuele intimidatie zijn uit den boze.

  • -

    U maakt zich niet schuldig aan discriminatie van collega’s.

  • -

    U praat niet over anderen, maar mét anderen.

  • -

    U geeft zakelijke op werk en werkgedrag gerichte feedback.

  • -

    Afspraak is afspraak.

  • -

    Gedraag u tegen collega’s zoals u wilt dat ze zich tegen u gedragen.

generated_1010 Professionaliteit Waar gaat het om? Als gemeenteambtenaar oefent u een vak uit. Van u wordt verwacht dat u te allen tijde “vakwerk” levert. Vakwerk leveren betekent professioneel handelen. Dit is handelen op basis van de actuele stand van zaken binnen uw vak.Regels

  • -

    U zorgt dat u bij blijft in uw vak. Kennis en vaardigheden moeten dus worden bijgehouden.

  • -

    U bent alert op mogelijkheden om nog beter werk te leveren.

  • -

    Uw informatie aan bestuurders, maar ook aan leidinggevenden en collega’s is altijd juist, volledig, duidelijk en tijdig.

  • -

    Handelen als professioneel ambtenaar betekent ook dat u er in uw optreden zowel ten opzichte van derden als ten opzichte van elkaar blijk van geeft de positie van de bestuursorganen raad, college en burgemeester te respecteren. U hebt een transparante werkverhouding met bestuurders en raadsleden, en behandelt alle fracties als gelijkwaardig.

11 Enkele relevante regelingen

De gemeente Nijmegen kent enkele regelingen die samenhangen met de Het gaat om de al vaker genoemde AGN, de klokkenluidersregeling, het protocol onderzoek misstanden en de klachtenregeling seksuele intimidatie, discriminatie, agressie en geweld. De AGN, de arbeidsvoorwaardenregeling van de gemeente Nijmegen, regelt zaken als aanstelling en ontslag, salaris en overige vergoedingen. Het hoofdstuk “Overige rechten en plichten” begint met de bepaling dat een ambtenaar zich dient te gedragen “zoals een goed ambtenaar betaamt.” De klokkenluidersregeling gaat over het melden van een vermoeden dat er een misstand of een schending van deze gedragscode plaatsvindt. Met andere woorden: wat moet u doen als u weet of vermoedt dat iemand niet integer handelt. Voorop staat een melding aan uw leidinggevende. Hebt u redenen om daar van af te zien, dan kunt u terecht bij een speciaal voor dit doel ingestelde vertrouwenspersoon. De AGN bevat nog de bepaling dat iemand die volgens de regeling een misstand meldt niet om die reden nadelen mag ondervinden in zijn rechtspositie. Het protocol onderzoek missstanden bevat een overzicht van de manier waarop de gemeente te werk gaat als misstanden gemeld zijn. Zowel de bevoegdheden van de gemeente om onderzoek te doen als bijvoorbeeld het recht op privacy van de medewerkers komen daarbij aan de orde. De klachtenregeling seksuele intimidatie, discriminatie, agressie en geweld regelt hoe U een klacht kunt indienen als u slachtoffer van ongewenste omgangsvormen bent geworden. Voor opvang en begeleiding na een dergelijke bejegening kunt u zich ook wenden tot de vertrouwenspersonen die op grond van genoemde regeling zijn aangesteld. De klachtenregeling bepaalt ook dat een klager niet benadeeld mag worden in zijn of haar rechtspositie. Meer informatie over deze regelingen, hun toepassing en over de namen van de vertrouwenspersonen kunt u krijgen bij uw afdeling Personeelszaken. De regelingen zijn bovendien alle te vinden op de AGN-pagina’s op intraweb.

Procedure- en onderzoeksprotocol bij (concrete) vermoedens van misstanden

Inhoudsopgave

  • 1

    Hoofdregels procedure

  • 2

    Toepassingsbereik en definities

  • 3

    Relatie met de regeling

  • 4

    Advisering en begeleiding in afhandeling

  • 5

    De aangifte bij de politie

  • 6

    Onderzoek

    • -

      6.1 Bevoegdheden

    • -

      6.2 Vaststellen van doel, procedure, strategie en methode van onderzoek

    • -

      6.3 Melding aan verzekeringsmaatschappij

    • -

      6.4 Uitbesteding van het onderzoek aan derden

    • -

      6.5 Inlichten van de persoon in kwestie

    • -

      6.6 Informatieverstrekking door onderzoekers

    • -

      6.7 Informatieverstrekking door de opdrachtgever van het onderzoek

    • -

      6.8 Medewerking aan het onderzoek

    • -

      6.9 Dossiervorming gedurende en na het onderzoek

  • 7

    Onderzoeksmethoden

    • -

      7.1 Het verkrijgen van informatie van personen

    • -

      7.2 Observatie

    • -

      7.3 Doorzoeken van de werkomgeving

    • -

      7.4 Onderzoek telecommunicatie

    • -

      7.5 Andere onderzoeksmethoden

      • o

        7.5.1 Statistisch onderzoek

      • o

        7.5.2 Handschriftenanalyse

  • 8

    De bevindingen van het onderzoek

    • -

      8.1 Het onderzoeksrapport

    • -

      8.2 Wederhoor

    • -

      8.3 Rapportage aan het college

    • -

      8.4 Openbaar maken van onderzoeksbevindingen

    • -

      8.5 Rectificatie en eerherstel

  • 9

    De wet bescherming persoonsgegevens en de wet op de ondernemingsraden

  • 10

    Bezwaarschriften en klachten

1. Hoofdregels procedure

  • -

    Een vermoeden van een misstand kan zowel ontstaan uit informatie die verkregen is binnen de eigen organisatie als uit informatie van personen van buiten de eigen organisatie.

  • -

    Medewerkers van de gemeente Nijmegen kunnen een vermoeden van een misstand melden binnen de lijn waarin zij werkzaam zijn. Deze melding wordt vervolgens via de (direct) leidinggevende(n) gemeld aan de directeur. Medewerkers kunnen er ook voor kiezen een melding te doen aan de vertrouwenspersoon klokkenluidersregeling of aan de, binnen de directies werkzame, vertrouwenspersonen ongewenste omgangsvormen (zie verder hoofdstuk 3).

  • -

    Het begrip misstand is in het protocol breed gedefinieerd.

  • -

    Indien de burgemeester, een wethouder, de gemeentesecretaris, de griffier of een directeur op enige wijze kennis verkrijgen van een vermoeden van een misstand zoals is gedefinieerd in 2.1. en het betreft een persoon genoemd in 2.2., vindt melding hiervan plaats aan de afdeling Bestuurlijk Juridische Zaken (BJZ) van de Concernstaf. De melding wordt door de afdeling BJZ centraal geregistreerd en uiteindelijk ook de wijze van afhandeling. Voor deze registratie wordt gebruik gemaakt van het (basisformulier) Landelijk Modelformulier Registratie Integriteitsschendingen (zie bijlage). Dit registratieformulier wordt bewaard door de afdeling BJZ. Bij BJZ ligt ook de verantwoordelijkheid voor de registratie op het modelformulier en de mogelijkheid tot inzage in deze stukken. Gegevens over de melding en de afhandeling worden, analoog aan het gestelde in artikel 39, lid 5 van de WBP, verwijderd uiterlijk twee jaar nadat de melding is geregistreerd.

  • -

    De afdeling BJZ beoordeelt de ernst van het vermoeden van een misstand aan de hand van alle, op dat moment, beschikbare informatie en meldt, indien de misstand ernstig genoeg wordt geacht, het vermoeden schriftelijk aan de gemeentesecretaris. De gemeentesecretaris informeert de burgemeester, de portefeuillehouder P&O en het college. De gemeentesecretaris is vervolgens beslissingsbevoegd tot het instellen van (nader) onderzoek.Indien het vermoeden van een misstand betrekking heeft op de gemeentesecretaris, vindt melding via de burgemeester en de portefeuillehouder P&O plaats aan het college en stelt het college zelf onderzoek in.In het geval de afdeling BJZ geen reden ziet de gemeentesecretaris schriftelijk te informeren, geldt als uitgangspunt dat een directeur beslissingsbevoegd is tot het instellen van onderzoek indien het vermoeden van een misstand betrekking heeft op een medewerker binnen zijn/haar directie. In dat geval informeert de directeur de gemeentesecretaris over de (afhandeling van de) melding. De gemeentesecretaris informeert vervolgens de burgemeester, de portefeuillehouder P&O en het college.

  • -

    Het vermoeden van een misstand wordt in ieder geval door de afdeling BJZ aan de gemeentesecretaris gemeld:

    • o

      indien het vermoeden van een misstand een directeur betreft;

    • o

      indien, mocht het vermoeden van een misstand waar blijken te zijn, dit zal leiden tot het opleggen van een disciplinaire maatregel die niet aan de directeuren is gemandateerd (strafontslag, plaatsing in een andere betrekking, schorsing voor een bepaalde tijd);

    • o

      indien het vermoeden van een misstand meerdere directies raakt;

    • o

      indien het vermoeden van een misstand een politiek gevoelige kwestie betreft;

    • o

      indien het vermoeden van een misstand bij uitkomst kan leiden tot veel negatieve publiciteit.

  • -

    Indien het vermoeden van een misstand de griffier betreft, is de burgemeester beslissingsbevoegd. Betreft het vermoeden één van de medewerkers van de griffie, is de griffier bevoegd. De in dit protocol opgenomen procedure dient voorts zoveel mogelijk op dezelfde wijze plaats te vinden. Meldingen over vermoedens van misstanden het griffiepersoneel betreffende worden ook bij de afdeling BJZ gemeld en geregistreerd.

  • -

    Indien de burgemeester, een wethouder, de gemeentesecretaris, de griffier, een directeur of een raadslid op enige wijze kennis verkrijgen van een vermoeden van een misstand zoals is gedefinieerd in 2.1. en het betreft een wethouder, vindt melding hiervan plaats aan de burgemeester. De burgemeester beoordeelt de ernst van het vermoeden aan de hand van alle, op dat moment, beschikbare informatie en meldt, bij aanwezige ernst, het vermoeden van een misstand aan het college. Het college kan vervolgens besluiten tot het instellen van een onderzoek en tenzij het college anders beslist, wordt de burgemeester hiermee belast. Indien het vermoeden betrekking heeft op een wethouder gelden, waar mogelijk, ook de procedure- en overige bepalingen uit dit protocol.

  • -

    Indien het vermoeden van een misstand de burgemeester betreft, dient melding plaats te vinden aan de loco-burgemeester. Hij beoordeelt de ernst van het vermoeden van een misstand en meldt bij aanwezige ernst, het vermoeden aan het college. Het college kan vervolgens besluiten tot het instellen van een onderzoek en tenzij het college anders beslist, wordt de loco-burgemeester hiermee belast. Indien het vermoeden betrekking heeft op de burgemeester gelden, waar mogelijk, ook de procedure- en overige bepalingen uit dit protocol.

  • -

    Het college en de gemeentesecretaris laten zich bij de afhandeling van een vermoeden van een misstand inhoudelijk bijstaan door medewerkers uit de ABA-groep (advies-, begeleidings-, en afhandelingsgroep). Dit houdt in dat er in dit geval geen (inhoudelijke) besluiten worden genomen zonder vooraf medewerkers uit deze groep te hebben geraadpleegd. Het hoofd van de afdeling BJZ van de Concernstaf is het aanspreekpunt van de ABA-groep.

  • -

    Op verzoek van een beslissingsbevoegde directeur of indien de afdeling BJZ dit wenselijk acht, brengt de ABA-groep ook advies uit aan de beslissingsbevoegde directeur ten aanzien van de afhandeling van een vermoeden van een misstand betrekking hebbende op medewerkers binnen zijn/haar directie.

  • -

    Bij een vermoeden van een misstand dienen in ieder geval de volgende vragen te worden beantwoord door het college, de gemeentesecretaris of de directeur (afhankelijk van wie beslissingsbevoegd is tot het instellen van een onderzoek):

    • 1

      Berust het vermoeden op voldoende concrete aanwijzingen,

    • 2

      Dient het vermoeden te worden aangegeven bij de Officier van Justitie,

    • 3

      Verricht de gemeente eigen onderzoek en wie gaat dat vervolgens, met behulp van welke onderzoeksmethode doen,

    • 4

      Worden externen ingeschakeld om onderzoek te verrichten en wie krijgt hiertoe de opdracht,

    • 5

      Wanneer wordt welke informatie gegeven aan mensen in de eigen organisatie en wanneer wordt welke informatie gegeven aan mensen buiten de eigen organisatie.

    De ABA-groep, met het hoofd van de afdeling BJZ als eindverantwoordelijke, geeft advies over de voorliggende vragen.

  • -

    Alvorens wordt overgegaan tot (intern) onderzoek dienen doel, procedure, strategie en methode van onderzoek te worden vastgesteld. Dit dient schriftelijk te worden vastgelegd.

  • -

    Indien de bevoegdheid tot het instellen van een onderzoek op grond van de afweging van de afdeling BJZ bij het college dan wel de gemeentesecretaris is komen te liggen, worden de burgemeester, de portefeuillehouder P&O, de gemeentesecretaris en de betrokken directeur regelmatig over de voortgang van het onderzoek geïnformeerd. In dit geval ook geschiedt informatieverstrekking over het onderzoek richting de raad, de OR en de medewerkers pas nadat het college via de gemeentesecretaris hierover een beslissing heeft genomen. Informatieverstrekking richting de pers geschiedt door de gemeentelijke woordvoerder, ook eerst nadat het college via de gemeentesecretaris hierover een beslissing heeft genomen.

  • -

    Indien de bevoegdheid tot het instellen van onderzoek bij de directeur ligt, is de directeur verantwoordelijk voor een goede informatieverstrekking richting bestuur, medewerkers en de pers.

  • -

    De bevindingen van het onderzoek en de reactie van de persoon in kwestie hierop worden aan de opdrachtgever van het onderzoek gerapporteerd. Indien de opdrachtgever van oordeel is dat er een disciplinaire maatregel in de zin van hoofdstuk 16 van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen dient te worden getroffen, worden de mandaatregels behorende bij dat hoofdstuk in acht genomen. Besluitvorming vindt eerst plaats nadat de afdeling P&O Beleid van de Concernstaf hierover een advies heeft uitgebracht. Opgelegde disciplinaire maatregelen worden opgenomen in het personeelsdossier van de personen in kwestie.

  • -

    Het hoofd BJZ verstrekt aan de gemeentesecretaris jaarlijks een overzicht van binnengekomen en afgehandelde meldingen betreffende (concrete) vermoedens van misstanden.

2 Toepassingsbereik en definities

2.1

Onder een misstand in de zin van het protocol wordt verstaan:

  • -

    Een strafbaar feit (bijv. diefstal, verduistering, fraude, corruptie),

  • -

    Manipulatie van of misbruik van (de toegang tot) informatie,

  • -

    Misbruik van bevoegdheden,

  • -

    Verspilling en misbruik van gemeentelijke eigendommen,

  • -

    Een schending van regelgeving, beleidsregels of de gedragscode voor ambtenaren,

  • -

    Het misleiden van justitie,

  • -

    Een gevaar voor de volksgezondheid, de veiligheid of het milieu, of

  • -

    Het bewust achterhouden van informatie over deze feiten.

Het vermoeden van een misstand is op redelijke gronden gebaseerd.

2.2

Het voorliggende protocol wordt toegepast indien het vermoeden van een misstand betrekking heeft op: de gemeentesecretaris, de griffier, een directeur en alle overige medewerkers van de gemeente Nijmegen (ook arbeidscontractanten, stagiairs, gedetacheerden en uitzendkrachten vallen hieronder).

2.3

Indien de melding van het vermoeden van een misstand heeft plaatsgevonden conform de regeling klokkenluiders gemeente Nijmegen, is artikel 3 van genoemde regeling van overeenkomstige toepassing.

2.4

ABA-groep: advies-, begeleidings- en afhandelingsgroep. Informatie over taken en bevoegdheden en informatie over de vraag wie onderdeel uitmaakt van deze groep staat opgenomen in hoofdstuk 4 van dit protocol.

2.5

De persoon in kwestie: de medewerker van de gemeente Nijmegen wiens handelingen worden onderzocht.

2.6

Intern betrokkenen: ambtenaren en bestuurders van de gemeente Nijmegen, alsmede arbeidscontractanten, uitzendkrachten en gedetacheerden van de gemeente Nijmegen.

2.7

Extern betrokkenen: personen aan wie opdracht is gegeven onderzoek te verrichten.

2.8

Proportionaliteit: er is sprake van een redelijke verhouding tussen middel en doel (evenredigheid).

2.9

Subsidiariteit: bij de afweging welke procedure/strategie/methode toegepast gaat worden, wordt gekozen voor de variant die het minst ingrijpend is.

2.10

Eventuele disciplinaire maatregelen worden genomen met toepassing van hoofdstuk 16 van de Arbeidsvoorwaardenregeling Gemeente Nijmegen (AGN). Hierbij worden de mandaatregels behorende bij dit hoofdstuk in acht genomen. Besluitvorming vindt eerst plaats nadat de afdeling P&O Beleid van de Concernstaf hierover een advies heeft uitgebracht. Opgelegde disciplinaire maatregelen worden opgenomen in het personeelsdossier van de personen in kwestie.

3 Relatie met de regeling klokkenluiders

Het vermoeden van een misstand kan zowel ontstaan uit informatie die verkregen is binnen de eigen organisatie als uit informatie van personen van buiten de eigen organisatie. Veelal vinden meldingen binnen een directie plaats en verkrijgen directeuren hier kennis van. Ook is het echter mogelijk dat bijvoorbeeld de burgemeester of een wethouder door een persoon van buiten de organisatie geïnformeerd worden over een vermoeden van een misstand.

In hoofdstuk 1 is aangegeven hoe de procedure luidt op het moment dat de burgemeester, een wethouder, de gemeentesecretaris, de griffier of een directeur kennis verkrijgen van een vermoeden van een misstand dat valt onder 2.1 en 2.2. van dit protocol.

Op grond van de regeling klokkenluiders gemeente Nijmegen 2004 kan een ambtenaar van de gemeente Nijmegen die een vermoeden van een misstand wil melden, dit ook doen bij de vertrouwenspersoon klokkenluidersregeling. De vertrouwenspersoon draagt er vervolgens zorg voor dat het college via de gemeentesecretaris onverwijld op de hoogte wordt gesteld van een gemeld vermoeden van een misstand en de datum waarop de melding is ontvangen. Naar aanleiding van de melding van een vermoeden van een mistand stelt de gemeentesecretaris onverwijld een onderzoek in.Artikel 2 lid 6 van de regeling klokkenluiders gemeente Nijmegen 2004 vermeldt voorts dat indien een melding aan de vertrouwenspersoon betrekking heeft op de gemeentesecretaris, de burgemeester of een ander lid van het college, de vertrouwenspersoon er zorg voor draagt dat het college onverwijld op de hoogte wordt gesteld van het gemelde vermoeden van een misstand. In dit geval stelt het college onverwijld een onderzoek in.

Op grond van het bovenstaande is hetzij het college (de melding heeft betrekking op de gemeentesecretaris, de burgemeester of een ander lid van het college), hetzij de gemeentesecretaris (in alle andere gevallen) beslissingsbevoegd tot het instellen van een onderzoek. Indien het vermoeden geen betrekking heeft op een bestuurder, maar op de gemeentesecretaris, de griffier, een directeur of één van de overige medewerkers van de gemeente Nijmegen, gelden waar mogelijk ook de procedure- en overige bepalingen uit dit protocol.

Vermoedens van misstanden kunnen ook worden gemeld aan de binnen de directies werkzame vertrouwenspersonen ongewenste omgangsvormen. Deze vertrouwenspersonen kunnen de melder desgewenst begeleiden richting de regionale klachtencommissie ongewenste omgangsvormen. Indien gewenst kan het vermoeden echter ook ter verdere afhandeling worden gemeld aan de afdeling Bestuurlijk Juridische Zaken van de Concernstaf. Waar mogelijk gelden dan de procedure- en overige bepalingen uit dit protocol.

4 Advisering en begeleiding in afhandeling

College en gemeentesecretaris laten zich bij de afhandeling van een vermoeden van een misstand bijstaan door de ABA-groep (advies-, begeleidings- en afhandelingsgroep). Op verzoek van een beslissingsbevoegde directeur of indien de afdeling BJZ dit wenselijk acht, brengt de ABA-groep ook advies uit aan de beslissingsbevoegde directeur ten aanzien van de afhandeling van een vermoeden van een misstand betrekking hebbende op medewerkers binnen zijn/haar directie.

De ABA-groep bestaat in ieder geval uit medewerkers van de centrale vakdisciplines juridische zaken, communicatie en arbeidszaken. Indien het vermoeden aanwezig is dat de misstand is begaan door iemand die deelneemt aan de ABA-groep, maakt deze persoon geen deel uit van de ABA-groep. Het hoofd van de afdeling Bestuurlijk Juridische Zaken van de Concernstaf is het aanspreekpunt van de ABA-groep.

De ABA-groep, met het hoofd van de afdeling BJZ als eindverantwoordelijke, kan zich in ieder geval buigen over de volgende vragen:

  • -

    Bestaat het vermoeden van de misstand uit voldoende concrete aanwijzingen;

  • -

    Dient het vermoeden van de misstand te worden aangegeven aan de Officier van Justitie (de verplichte aangifte);

  • -

    Verricht de gemeente eigen onderzoek en wie gaat dat vervolgens, met behulp van welke onderzoeksmethode doen;

  • -

    Worden externen ingeschakeld om onderzoek te verrichten en wie krijgt hiertoe de opdracht;

  • -

    Wanneer wordt welke informatie gegeven aan mensen in de eigen organisatie en wanneer wordt welke informatie gegeven aan mensen buiten de eigen organisatie.

5 De aangifte bij de politie

A

In artikel 162, lid 1 Wetboek van Strafvordering staat opgenomen dat openbare colleges en ambtenaren die in de uitoefening van hun bediening kennis krijgen van een misdrijf met de opsporing waarvan zij niet zijn belast, verplicht zijn om daarvan onverwijld aangifte te doen aan de Officier van Justitie (of aan één van zijn hulpofficieren),

  • a

    indien het misdrijf een ambtsmisdrijf is als bedoeld in titel XXVIII van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht (Sr), dan wel

  • b

    indien het misdrijf is begaan door een ambtenaar die daarbij een bijzondere ambtsplicht heeft geschonden of daarbij gebruik heeft gemaakt van macht, gelegenheid of middel hem door zijn ambt geschonken, dan wel

  • c

    ndien door het misdrijf inbreuk op of onrechtmatig gebruik wordt gemaakt van een regeling waarvan de uitvoering of de zorg voor de naleving aan hen is opgedragen.

De aangifteplicht geldt dus als openbare colleges en ambtenaren … kennis krijgen van een misdrijf. Dit kennis krijgen houdt in dat de aangifteplichtige weet dat een feit zich heeft voorgedaan en in de redelijke veronderstelling verkeert dat dit feit kan worden gekwalificeerd als een misdrijf dat valt onder de reikwijdte van lid 1. Dat het feit zich heeft voorgedaan hoeft nog niet wettelijk bewezen te zijn. Het moet natuurlijk wel meer zijn dan een gerucht of vermoedens.De aangifteplicht geldt ten aanzien van ambtenaren, bestuurders, raad en commissieleden.

Om welke misdrijven gaat het nu?

Bij de ambtsmisdrijven, genoemd in lid 1 onder a, gaat het om de ambtsmisdrijven als bedoeld in de artikelen 355-380 Sr. Voor de hand liggende voorbeelden zijn: het verduisteren van geld, vervalsing van boeken of registers, aannemen van steekpenningen, onrechtmatig binnentreden of in beslag nemen, (medeplichtigheid aan) schending van telefoongeheim, deelneming aan leveranties of aannemingen waarover hem toezicht is opgedragen.Bij de misdrijven, genoemd in lid 1 onder b, gaat het om alle soorten misdrijven, mits daarbij ook het gestelde onder b van