Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Overijssel

Regeling uitwegen

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieOverijssel
OrganisatietypeProvincie
Officiële naam regelingRegeling uitwegen
CiteertitelRegeling uitwegen
Vastgesteld doorgedeputeerde staten
Onderwerpruimtelijke ordening, verkeer en vervoer
Eigen onderwerp
Externe bijlageBijlage_1_140101stu_tbv_vergunningen-a4_okt_2013.pdf (151 Kb)

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Datum ondertekening inwerkingtredingsbesluit: 10-12-2013

Bron bekendmaking inwerkingtredingsbesluit: Provinciaal Blad nr. 2013/0398132

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Onbekend.

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-2014nieuwe regeling

10-12-2013

Provinciaal Blad nr. 2013/0398132

2013/0387881

Tekst van de regeling

Intitulé

Regeling uitwegen

 

 

Algemene toelichting

1.1 Inleiding

Met de inwerkingtreding van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) op 1 oktober 2010 zijn burgemeester en wethouders het bevoegde gezag geworden om een omgevingsvergunning te verlenen voor het aanleggen of veranderen van een uitweg of het veranderen van het gebruik van een uitweg op een provinciale weg. Naar aanleiding van deze wetswijziging is in de ‘Omgevingsverordening Overijssel 2009' en de provinciale ‘Regeling uitwegen' het toetsingskader opgenomen waaraan burgemeester en wethouders een aanvraag moeten toetsen. Daarbij is ook bepaald dat burgemeester en wethouders bij elke aanvraag advies inwinnen bij Gedeputeerde Staten, voordat zij een besluit nemen op de aanvraag.

In de praktijk is gebleken dat sindsdien de aanleg van een provinciale uitweg niet meer in alle gevallen overeenkomstig de wet- en regelgeving verloopt. Provinciale uitwegen worden al aangelegd of veranderd zonder dat daarvoor eerst een omgevingsvergunning is aangevraagd en/of is verleend. Ook komt het voor dat er geen advies door de gemeenten wordt ingewonnen bij Gedeputeerde Staten over een aanvraag om een provinciale uitweg.

Ten gevolge hiervan worden er bijvoorbeeld geen omgevingsvergunningen verleend voor het aanleggen van provinciale uitwegen of worden er geen noodzakelijke voorwaarden aan die vergunningen verbonden. In totaal zijn er in de provincie Overijssel ongeveer 19.500 provinciale uitwegen. Jaarlijks werden tot nu toe ongeveer 50 aanvragen per jaar voor nieuwe maar vooral ook voor wijziging van bestaande uitwegen gedaan. 

De kans bestaat dat als er geen voorschrift aan een omgevingsvergunning voor een uitweg is verbonden ter zake van het onderhoud en er vindt een ongeval plaatsvindt op een provinciale uitweg ten gevolge van de slechte staat, de provincie hiervoor aansprakelijk is. Op de provincie rust de zorgplicht voor het onderhouden van een provinciale weg en het houden van toezicht op de naleving van de onderhoudsplicht. Bovendien is de provincie doorgaans eigenaar van de grond van de uitweg voor zover die behoort tot de berm van de provinciale weg. Het is dus belangrijk dat degene die een uitweg maakt of verandert, verplicht is of wordt tot het beheren en onderhouden van een provinciale uitweg. Om die reden heeft de provincie onderzocht of het uitwegvergunningsstelsel kan worden gewijzigd in een uitwegmeldingsstelsel. Alsdan moet degene die een uitweg op een provinciale weg aanlegt, verandert en onderhoudt daarbij de algemene regels in acht nemen.     

Op grond van de Wegenwet, als ook op grond van de Wabo, staat het de provincie vrij om het vergunningsstelsel voor een provinciale uitweg te veranderen in een meldingsstelsel met algemene regels. De enige beperking daarbij is dat het meldingsstelsel niet in strijd mag zijn met de Wegenwet. Voor de materiële normstelling sluit de Wabo volledig aan bij de regelgeving op decentraal niveau. De Wabo treedt dus niet in de vrijheid van een provinciebestuur om tot een vergunningplicht te besluiten of het toetsingskader. Het bepalen van een toetsingskader vergt een politiek-beleidsinhoudelijke beoordeling. Deze beoordeling is onder meer afhankelijk van het provinciale omgevingsbeleid en lokale omstandigheden. Zo kan het zijn dat in de ene provincie wordt gekozen voor een vergunningplicht en in de andere wordt volstaan met algemene regels. Gelet op het politiek-beleidsmatige karakter geschiedt die afweging op decentraal niveau. De Wabo heeft voor de bij verordening gereguleerde activiteiten zoals een provinciale uitweg dan ook geen landelijke vergunningplicht of landelijke criteria voor vergunningverlening geïntroduceerd. Het inhoudelijke primaat blijft bij de decentrale overheden.

Gelet op de wettelijke mogelijkheid om een meldingsstelsel in het leven te roepen voor provinciale uitwegen, alsmede gelet op de ervaring met de vergunningverlening voor provinciale uitwegen door de gemeenten en het feit dat de provincie aansprakelijk is voor ongevallen op haar wegen, is besloten tot het instellen van een meldingsstelsel op basis van algemene regels. Hiermee is de bevoegdheid ten aanzien van provinciale uitwegen weer - evenals voor de inwerkingtreding van de Wabo - terug bij Gedeputeerde Staten en kunnen zij daarop ook weer toezicht uitoefenen.

Het laten vervallen van de vergunningsplicht voor provinciale uitwegen, levert bovendien ook een belangrijke bijdrage aan het verminderen van de administratieve lasten in het kader van de deregulering.

1.2 Algemene regels met meldingsstelsel

In de Omgevingsverordening is bepaald dat gedeputeerde staten nadere regels kunnen stellen met betrekking tot gevallen waarin in de plaats van een ontheffing met een melding kan worden volstaan. Dat doen zij in deze regeling voor uitwegen.

Het uitgangspunt van de regeling is dat het algemene regels bevat die gelden voor alle provinciale uitwegen. Het aanleggen, veranderen en onderhouden van provinciale uitwegen leent zich bij uitstek voor een regime waarbij algemene regels in acht moeten worden genomen. De regeling voorziet slechts in drie soorten uitwegen en een doorsteek. Voor elke soort uitweg zijn de eisen eenduidig. Het betreffen vooral materiële en technische bepalingen waaraan een provinciale uitweg moet voldoen. Deze bepalingen hebben rechtstreekse werking.

Een vereiste is dat algemene regels goed uitvoerbaar en handhaafbaar moeten zijn. Dit betekent voor de inhoud van de regels dat ze helder, eenduidig  en voor een ieder hanteerbaar moeten zijn. De regels moeten voorts voor Gedeputeerde Staten voldoende mogelijkheden bieden om effectief toezicht te kunnen houden en zo nodig te kunnen handhaven. Om deze reden is voor zover mogelijk aansluiting gezocht bij de systematiek en redactie van de AMvB Brandveilig gebruik bouwwerken.

Voor de meeste uitwegen kan worden volstaan met de algemene regels, maar niet uitgesloten kan worden dat in een aantal gevallen specifieke voorwaarden nodig zijn. Dit kan te maken hebben met de omgeving waarin de uitweg zich bevindt; er staat bijvoorbeeld een forse boom direct naast de beoogde uitweg die het zicht op de provinciale weg belemmert. Daarom bieden de algemene regels waar nodig mogelijkheden voor Gedeputeerde Staten om voorwaarden op te leggen in het kader van een doelmatig en (verkeers-)veilig gebruik van uitwegen. Naar verwachting zal hier terughoudend gebruik van worden gemaakt.

1.3. Handhaving

De primaire verantwoordelijkheid voor het aanleggen, veranderen, onderhouden en gebruiken van een uitweg ligt bij de gebruiker van een uitweg. Diegene is verantwoordelijk voor de naleving van de bepalingen van de regeling. De regeling spreekt van het gebruik, en niet van de gebruiker. Er wordt in principe geen onderscheid gemaakt tussen bijvoorbeeld een eigenaar of een huurder van een woning waarvoor de uitweg is aangelegd. Maar afhankelijk van de omstandigheden van het geval zal soms een ander dan de eigenaar (uitsluitend of mede) als overtreder van een bepaling van deze regeling worden aangemerkt. Bij de constatering van een acute gevaarlijke situatie als gevolg van een overtreding van deze regeling is het voor Gedeputeerde Staten alleen van belang dat zo snel mogelijk alsnog aan de bepalingen wordt voldaan. Van Gedeputeerde Staten behoeft niet te worden verwacht dat zij zich in een dergelijk acuut geval eerst in de relatie tussen de diverse gebruikers van een uitweg verdiept alvorens handhavend op te treden. Wanneer het voor Gedeputeerde Staten onvoldoende duidelijk is wie voor de overtreding verantwoordelijk is, kunnen zonodig de eigenaar en de huurder worden aangesproken.

De mate waarin deze regeling wordt nageleefd is mede afhankelijk van de relatie tussen de provincie en degene die een provinciale uitweg heeft of wil aanleggen. De provincie blijft verantwoordelijk voor het toezicht en de handhaving van de regeling.

In het geval één of meer bepalingen uit de regeling niet worden nageleefd, is sprake van een overtreding ingevolge artikel 5.1 lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Onder een overtreding wordt verstaan: "een gedraging die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift". De term "krachtens" geeft aan dat niet alleen sprake is van een overtreding bij het niet naleven van een wettelijke bepaling zoals uit de regeling, maar ook bij het niet naleven van een voorschrift verbonden aan een vergunning of ontheffing of een ander type beschikking zoals een opgelegde voorwaarde ter zake van een uitwegmelding.

In het geval dat bijvoorbeeld bij de aanleg of de wijziging van een uitweg niet wordt voldaan aan de algemene regels of een opgelegde voorwaarde, kan daartegen met toepassing van bestuursrechtelijke handhaving worden opgetreden. Gedeputeerde Staten kunnen op grond van artikel 122 Provinciewet in samenhang met artikel 5:24 Awb een last onder bestuursdwang opleggen. Ingevolge artikel 5:32 lid 1 Awb kunnen Gedeputeerde Staten in plaats daarvan aan de overtreder ook een last op straffe van een dwangsom opleggen. Ook kunnen Gedeputeerde Staten afhankelijk van de situatie er voor kiezen om één of meer nadere voorwaarden na een uitwegmelding op te leggen. Er zijn dus voldoende (sanctie)middelen voorhanden om naleving van de algemene regels en eventuele nadere voorwaarden af te dwingen.

Uitdrukkelijk wordt hierbij nog opgemerkt dat wanneer de melding van de aanleg of verandering van een uitweg achterwege blijft dat strikt genomen de mogelijkheid biedt tot bestuursrechtelijke handhaving. Toepassing hiervan ligt echter in het algemeen niet direct in de rede, behalve in situaties waarbij door het niet melden aan Gedeputeerde Staten belangrijke informatie over bijvoorbeeld het gebruik van een uitweg wordt onthouden, waardoor ook de handhaving kan worden bemoeilijkt. In het algemeen zal in een situatie dat niet wordt gemeld worden beoordeeld of is voldaan aan de algemene regels ter zake van de materiële en technische eisen voor een uitweg.

1.4 Opbouw van de regeling uitwegen

Deze regeling bestaat uit drie hoofdstukken. Hoofdstuk 1 betreft algemene bepalingen, hoofdstuk 2 betreft uitwegen, hoofdstuk 3 bevat de overgangs- en slotbepalingen. In hoofdstuk 2 staan de materiële en procedurele voorschriften voor de aanleg van een uitweg. Voor de overzichtelijkheid is dit hoofdstuk naar onderwerp onderverdeeld in paragrafen.

Inhoud

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • 1.

    Openbare weg: wegen die openbaar zijn in de zin van de Wegenwet met inbegrip van verhardingen, bermen en bermsloten, met alle bijbehorende werken en begroeiingen.

  • 2.

    Regeling uitwegen: de door Gedeputeerde Staten van Overijssel op 21 september 2010 vastgestelde Regeling uitwegen met kenmerk 2010/0155299, welke op 1 oktober 2010 is gepubliceerd in het Provinciaal blad en in werking is getreden.

  • 3.

    Uitweg: elke rechtstreekse ontsluiting van een perceel op een in deze regeling bedoelde openbare weg. Voor de toepassing van deze regeling worden tot een uitweg ook de daarbij behorende doorsteken, dammen, duikers en verhardingen van de tussenberm gerekend.

  • 4.

    Uitwegmelding: melding als bedoeld in artikel 3.

  • 5.

    Perceel: een kadastraal perceel ten behoeve van een woning, een bedrijf of de landbouw.

Artikel 2 Reikwijdte

2

Deze regeling is van toepassing op openbare wegen in beheer bij de provincie Overijssel.

Hoofdstuk 2 Uitwegen

 

Paragraaf 2.1 Melding uitweg

Artikel 3 Uitweg meldingplicht

3

Het is verboden om zonder een melding een uitweg aan te leggen en een uitweg te wijzigen, te verwijderen of het gebruik van een uitweg te wijzigen, indien dit gebruik afwijkt van de bij de eerdere melding verstrekte gegevens.

Artikel 4 Indiening uitwegmelding

  • 1.

    Een uitwegmelding wordt ten minste vier weken voor de aanvang van de aanleg van een uitweg schriftelijk ingediend bij Gedeputeerde Staten.

  • 2.

    Bij de uitwegmelding, bedoeld in artikel 3, wordt gebruik gemaakt van het bij deze regeling als bijlage II opgenomen formulier. De melder verstrekt bij het formulier ten minste de navolgende gegevens:

    • a.

      de naam en het adres van de melder;

    • b.

      een plattegrondtekening met een schaal die niet kleiner mag zijn dan 1:1.000. Op de plattegrondtekening is aangegeven:

    • -

      schaalaanduiding;

    • -

      adres;

    • -

      kadastrale aanduiding;

    • -

      wegnummer provinciale weg;

    • -

      hectometrering en de situering van de uitweg aan de provinciale weg;

    • -

      obstakels in de nabijheid van de uitweg.

  • 3.

    De melding en de daarbij te verstrekken gegevens worden in enkelvoud ingediend.

Artikel 5 Afhandeling uitwegmelding

5

De melder krijgt door of namens Gedeputeerde Staten een bewijs van ontvangst toegezonden, waarin de datum van ontvangst is vermeld.

Paragraaf 2.2 Aanleg, beheer en onderhoud uitweg

Artikel 6 Aanleg

  • 1.

    Ten behoeve van de ontsluiting van een perceel kan een uitweg op een openbare weg worden aangelegd, indien geen uitweg mogelijk is op een weg van een gemeente, het waterschap, een particulier of anderszins, dan wel indien via een reeds bestaande uitweg op de provinciale weg geen keermogelijkheid bestaat zodat hierdoor een gevaarlijke situatie kan ontstaan.

  • 2.

    De uitweg mag nimmer afbreuk doen aan de veiligheid en doorstroming van het verkeer op en het doelmatig gebruik van de openbare weg.

  • 3.

    Bij het aanleggen en wijzigen van een uitweg gelden de volgende voorwaarden:

  • a.

    de uitweg komt overeen met een van de standaarduitwegen aangegeven op de bij deze regeling behorende Standaardtekening Uitwegen (STU) als opgenomen in  bijlage I;

  • b.

    de vormgeving en constructie van de uitweg voldoen aan de eisen aangegeven op de bij deze regeling behorende STU, waarbij tevens het volgende in acht wordt genomen:

    • a.

      de betonstraatstenen worden uitgevoerd in elleboogverband;

    • b.

      de waterafvoer van verhardingen blijft vrij aflopen;

    • c.

      een bestaand fietspad is leidend in de aansluitingen;

    • d.

      de inritconstructie sluit vloeiend aan op de weg en het fietspad;

    • e.

      voor de aansluiting op de weg en het fietspad wordt een rechte zaagsnede aangebracht, die de weg en het fietspad niet noemenswaardig versmallen;

    • f.

      na de aanleg wordt de berm aangevuld met teelaarde en ingezaaid met een bermgraszaadmengsel;

    • g.

      indien een bermsloot moet worden gedempt wordt de waterafvoer geborgd door een duiker aan te leggen met een diameter die gelijk is aan die van aanpalende uitritten;

    • h.

      de breedte van de uitweg mag maximaal een meter breder worden dan op de STU is aangegeven;

    • i.

      slechts indien de rijcurve van de voertuigen die het perceel bezoeken dit noodzakelijk maken, wordt voor een bedrijfsuitrit een grotere breedte, mits gemotiveerd aangegeven op het meldingsformulier toegestaan.

  • c.

    Ten minste drie werkdagen voordat met graafwerkzaamheden in provinciale grond wordt begonnen, wordt daarvan melding gemaakt bij Kadaster-Klic (telefoon 0800 0080). Via de link www.kadaster.nl/klic/particulier.html kan een particulier de benodigde informatie en een graafmeldingsformulier verkrijgen. Instanties en bedrijven die geautoriseerd zijn moeten de graafmelding digitaal bij klic-online aanleveren.

  • d.

    Ten minste vijf dagen voordat met het aanleggen van de uitweg wordt begonnen, wordt dit gemeld aan de provincie Overijssel.

Artikel 7 Verkeersmaatregelen tijdens aanleg en onderhoud

  • 1.

    Gedurende de werkzaamheden voor het aanleggen en onderhouden van een uitweg op de openbare weg is het verboden om het verkeer op de openbare weg meer dan onvermijdelijk te hinderen.

  • 2.

    Voor aanvang van de werkzaamheden voor het aanleggen of onderhouden van een uitweg op de openbare weg moeten verkeerstekens worden geplaatst overeenkomstig de CROW-publicatie 96b "Maatregelen bij werken in uitvoering op niet-autosnelwegen en wegen binnen de bebouwde kom". Als voor of tijdens de werkzaamheden blijkt dat aanvullende of andere verkeerstekens nodig zijn, dan moet u de aanwijzingen van de provinciaal medewerker opvolgen. Een exemplaar van de CROW-publicatie 96b kunt u bij CROW bestellen:

    • -

      schriftelijk: Postbus 37, 6710 BA Ede;

    • -

      per e-mail: met bestelformulier op de CROW-site www.crow.nl of door een  bericht te sturen naar crow@crow.nl.

  • 3.

    Degene(n) die de werkzaamheden voor het aanleggen of onderhouden van een uitweg op de openbare weg uitvoeren, dienen veiligheidskleding te dragen. Deze kleding moet voldoen aan de bepalingen van de Europese norm "Waarschuwingskleding met hoge zichtbaarheid (NEN-EN 471)" met inachtneming van de Richtlijnen en Specificaties voor Veiligheidskleding bij Wegwerkzaamheden (Rijkswaterstaat, Adviesdienst Verkeer en Vervoer, oktober 1995). De kleding moet goed waarneembaar zijn.

Artikel 8 Aanleg, beheer en onderhoud

  • 1.

    Een uitweg, als bedoeld in artikel 6, wordt aangelegd door of in opdracht van een meldinghouder.

  • 2.

    De meldinghouder van een uitweg draagt zorg voor het onderhoud van de uitweg. Onder onderhoud wordt ook begrepen het herstellen van verzakkingen van bermen, werken en taluds van sloten.

  • 3.

    De kosten voor aanleg, verandering, beheer en onderhoud van een uitweg, als bedoeld in artikel 3, komen voor rekening van de meldinghouder. Hieronder worden ook de kosten begrepen voor het herstellen van verzakkingen van bermen, werken en taluds van sloten, die zijn ontstaan binnen een jaar na het aanleggen en/of veranderen van een uitweg.

  • 4.

    Het derde lid is niet van toepassing indien de provincie Overijssel onderhoud pleegt aan de openbare weg ten gevolge waarvan schade wordt veroorzaakt aan de uitweg. Onder die omstandigheid draagt de provincie er zorg voor dat de uitweg op haar kosten wordt hersteld en/of aangepast.

Paragraaf 2.3 De melding

Artikel 9 Voorwaarden na uitwegmelding

  • 1.

    Gedeputeerde Staten kunnen na een melding als bedoeld in artikel 3 nadere voorwaarden opleggen indien nodig voor een doelmatig en veilig gebruik van de openbare weg.

  • 2.

    Het is verboden in strijd te handelen met de nadere voorwaarden, bedoeld in het eerste lid.

Artikel 10 Wijzigen nadere voorwaarden uitwegmelding

  • 1.

    Gedeputeerde Staten kunnen de nadere voorwaarden, bedoeld in artikel 9, eerste lid, wijzigen:

    • a.

      indien een verandering van inzichten of van omstandigheden gelegen buiten de uitweg die bij de beoordeling van de melding een rol hebben gespeeld dit noodzakelijk maakt, en

    • b.

      op verzoek van de meldinghouder.

  • 2.

    Gedeputeerde Staten gaan niet over tot wijziging van de nadere voorwaarden, bedoeld in artikel 9, eerste lid, dan nadat zij de meldinghouder in de gelegenheid hebben gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.

Artikel 11 Zaakgebonden karakter melding

11

Een melding geldt voor een ieder die een uitweg aanlegt, onderhoudt en gebruikt waarop de melding betrekking heeft. De meldinghouder draagt ervoor zorg dat de aan de melding verbonden voorwaarden worden nageleefd.

Hoofdstuk 3 Overgangs- en slotbepalingen

Artikel 12 Intrekken Regeling uitwegen

De Regeling Uitwegen, vastgesteld door Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel op 21 september 2010, provinciaal blad 2010/0155299, wordt ingetrokken.

Artikel 13 Overgangsbepalingen

  • 1.

    Een vergunning voor een uitweg, bedoeld in artikel 4 van de Regeling uitwegen uit 2010, verleend voor het tijdstip waarop deze regeling  in werking treedt, wordt voor zover deze betrekking heeft op een situatie waarvoor op grond van deze regeling een melding als bedoeld in artikel 3 is vereist, beschouwd als een melding als bedoeld in laatstgenoemd artikel.

  • 2.

    Een aanvraag om vergunning voor een uitweg als bedoeld in artikel 4 van de Regeling uitwegen uit 2010, ingediend voor het tijdstip waarop deze regeling in werking treedt, wordt voor zover deze betrekking heeft op een situatie als waarvoor op grond van deze regeling een melding als bedoeld in artikel 3 is vereist, beschouwd als een melding als bedoeld in laatstgenoemd artikel.

Artikel 14 Inwerkingtreding

Deze regeling treedt in werking op 1 januari 2014.

Artikel 15 Citeertitel

Deze regeling kan worden aangehaald als Regeling uitwegen.


1

[Toelichting: In artikel 1 is een aantal begripsbepalingen opgenomen. Een gedeelte daarvan bevat een uitgeschreven definitie, voor een ander deel is verwezen naar een artikel in de regeling.

Er is bewust voor gekozen het begrip "weg" breder te definiëren dan in de Wegenwet is gebeurd, zodat ook alle bij de weg horende werken en begroeiingen onder het wegbegrip vallen.]

2

[Toelichting: In hoofdstuk 2 zijn de materiële en procedurele bepalingen ten aanzien van het aanleggen, veranderen en onderhouden van een provinciale uitweg opgenomen. Deze bepalingen zijn zo geformuleerd dat zij rechtstreekse werking hebben. Het is dus niet nodig dat zij eerst als nadere voorwaarde zijn opgelegd na een uitwegmelding.]

3

[Toelichting: Met de uitwegmelding wordt het bevoegd gezag geïnformeerd over de voorgenomen aanleg en het gebruik van een uitweg. Na deze melding kunnen Gedeputeerde Staten op basis van eigen prioriteitstelling besluiten om hetzij voor aanvang van de aanleg of verandering van een uitweg, hetzij tijdens die aanleg, hetzij helemaal niet te gaan controleren of de uitweg  daadwerkelijk aan de voorschriften van de regeling voldoet.

Van de uitweg mag slechts gebruik worden gemaakt ten behoeve van een woning, een bedrijf of landbouwactiviteiten op het betrokken perceel. Zonder nadere kennisgeving mag van de uitweg geen ander of omvangrijker gebruik worden gemaakt dan volgens de melding is toegestaan.

Het is mogelijk dat naast melding nog andere besluiten nodig zijn. De meldingplichtige kan hiervoor http://www.omgevingsloketonline.nl/ raadplegen.]

4

[Toelichting: In dit artikel is de procedure voor het indienen van een uitwegmelding opgenomen.

In het eerste lid is bepaald dat een uitwegmelding ten minste vier weken voor  aanvang van de aanleg of verandering van een uitweg schriftelijk moet worden ingediend bij Gedeputeerde Staten, zodat een voorcontrole mogelijk blijft.

In het tweede lid is bepaald dat een melding moet worden gedaan op een door Gedeputeerde Staten vastgesteld formulier. Gedeputeerde Staten stellen dit formulier op verzoek ter beschikking. Een meldingsformulier is ook te downloaden op www.overijssel.nl/loket.

Op de plattegrondtekening wordt de feitelijke inrichting van de uitweg weergegeven, maar ook obstakels in de nabijheid van de uitweg. Hiermee worden bijvoorbeeld bomen, heggen of lichtmasten bedoeld, die de aanleg kunnen bemoeilijken of die het uitzicht op de weg kunnen belemmeren.

Aangezien de provincie bij het afhandelen van een melding geen dienst jegens de melder verricht, is de melder voor het doen van een melding geen leges verschuldigd.]

5

[Toelichting: In dit artikel is bepaald dat de melder een ontvangstbevestiging van Gedeputeerde Staten krijgt. Overigens zijn op de afhandeling van een melding de algemene uitgangspunten van de Algemene wet bestuursrecht van toepassing. Met andere woorden als de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn, stellen Gedeputeerde Staten de melder in de gelegenheid om de gegevens binnen een redelijke door hen gestelde termijn aan te vullen.

Een ontvangstbevestiging is niet een vereiste om met de gemelde activiteit te kunnen starten: dat kan gewoon vier weken na de melding.]

6

[Toelichting: In dit artikel wordt aangegeven aan welke technische eisen de aanleg van een uitweg moet voldoen. Tenminste vijf dagen voordat met de aanleg van de uitweg wordt begonnen moet dit worden doorgegeven, zodat Gedeputeerde Staten desgewenst kunnen controleren of aan alle voorwaarden in de regeling wordt voldaan.

In beginsel gelden maximale afmetingen. Maar indien de rijcurve of bestreken baan van de voertuigen die het perceel bezoeken dit noodzakelijk maakt, wordt voor een bedrijfsuitrit een grotere breedte, mits gemotiveerd aangegeven op het meldingsformulier toegestaan.]

7

[Toelichting: Tijdens werkzaamheden aan de uitweg moeten veiligheidsmaatregelen worden getroffen.]

8

[Toelichting: In dit artikel is geregeld dat de meldinghouder de uitweg aanlegt, onderhoudt en betaalt. Tot het onderhoud hoort ook het herstel van bermen, taluds en duikers, behalve als de schade door de wegbeheerder is veroorzaakt. Het schoonhouden van eventuele duikers, net als het schoonhouden van de bermsloot, behoort tot de taak van de wegbeheerder.]

9

[Toelichting: Het eerste lid betreft het opleggen van nadere voorwaarden. Gedeputeerde Staten  beoordelen of de gemelde voorgenomen aanleg en ingebruikneming van een uitweg wel voldoende veilig kan worden geacht. Wanneer de voorgenomen uitweg niet voldoende veilig is, beoordeeld naar de uitgangspunten van deze regeling, kunnen Gedeputeerde Staten beslissen nadere voorschriften over het veilig gebruik op te leggen. De noodzaak om in het concrete geval nadere voorwaarden te stellen, moet door Gedeputeerde Staten te allen tijde worden gemotiveerd. Tegen een besluit tot het opleggen van nadere voorwaarden kan bezwaar en beroep worden ingesteld.

Indien ook door het stellen van nadere voorwaarden niet een voldoende veilig gebruik kan worden bereikt kunnen Gedeputeerde Staten besluiten dat de uitwegmelding niet (langer) geldig is en zo nodig kunnen zij tot handhaving overgaan.

In het tweede lid is bepaald dat het verboden is te handelen in strijd met de nadere voorwaarden, bedoeld in het eerste lid. ]

10

[Toelichting: In het eerste lid is bepaald dat Gedeputeerde Staten de na de melding opgelegde nadere voorwaarden kunnen wijzigen wanneer er sprake is van een verandering van inzichten of van omstandigheden gelegen buiten de uitweg, die zijn opgetreden na de melding en dit noodzakelijk maken. Ook kunnen de nadere voorwaarden worden gewijzigd op verzoek van de melder.

Het tweede lid bepaalt dat Gedeputeerde Staten geen gebruik van de in het eerste lid gegeven mogelijkheden mogen maken zonder de melder eerst in de gelegenheid te stellen hierover zijn mening te geven. ]

11

[Toelichting: De uitwegmelding is zaakgebonden. Een nieuwe gebruiker van een bestaande uitweg die de oude wijze van gebruik voortzet hoeft dus niet opnieuw een melding te doen. Ook geldt de gebruiksmelding in principe onbeperkt. Alleen in de in deze regeling genoemde gevallen kan de gebruiksmelding worden gewijzigd. Wanneer de uitweg of het gebruik daarvan wordt veranderd en door die verandering afwijking ontstaat van de bij de uitwegmelding verstrekte gegevens, dient een melding van de gewijzigde situatie te worden gedaan.

Bij een voorgenomen wijziging van een uitweg of van het gebruik daarvan zal de gebruiker  moeten beoordelen of het gebruik dan nog steeds aan de criteria van de melding voldoet en zo nodig een nieuwe melding voor het gewijzigde gebruik moeten doen.

Onder meldinghouder wordt begrepen een ieder die de uitweg gebruikt. Dat hoeft niet de melder te zijn, maar kan ook diens rechtsopvolger zijn, of een pachter.]

12

[Toelichting: In hoofdstuk 3 is met name het overgangsrecht opgenomen. De overgangsbepalingen zijn zo geformuleerd dat verworven rechten worden gerespecteerd. ]

13

[Toelichting: Voor de invoering van deze regeling werd het aanleggen en gebruiken van een provinciale uitweg toegestaan door middel van het verlenen van een vergunning onder voorschriften. Bij de opstelling van deze overgangsbepalingen is uitgegaan van het beginsel dat verworven rechten worden gerespecteerd. In de overgangsbepalingen worden twee situaties onderscheiden.

In het eerste lid is bepaald dat een vergunning voor een uitweg verleend voor de inwerkingtreding van deze regeling voor zover die betrekking heeft op een situatie waarvoor dit besluit een melding voorschrijft, beschouwd wordt als een melding als bedoeld in artikel 6 van deze regeling. De voorwaarden die aan de oorspronkelijke vergunning waren verbonden worden daarmee beschouwd als nadere voorwaarden in de zin van artikel 9. Ook zijn de voorschriften met betrekking tot het wijzigen van de gebruiksmelding (artikel 10) automatisch van toepassing.

Het tweede lid behandelt de situatie waarin een aanvraag om een gebruiksvergunning is gedaan voor inwerkingtreding van deze regeling voor een situatie waar na die inwerkingtreding een melding is vereist. Deze aanvraag wordt  beschouwd als een melding als bedoeld in artikel 6.]