Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug

BELEIDSREGEL BOETEOPLEGGING REGIONALE DIENST WERKEN INKOMEN KROMME RIJN HEUVELRUG (RDWI) 2015

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieRegionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug
OrganisatietypeRegionaal samenwerkingsorgaan
Officiële naam regelingBELEIDSREGEL BOETEOPLEGGING REGIONALE DIENST WERKEN INKOMEN KROMME RIJN HEUVELRUG (RDWI) 2015
CiteertitelBeleidsregel Boeteoplegging Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug 2015.
Vastgesteld doordagelijks bestuur
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Participatiewet

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

10-09-2015nieuwe regeling

09-09-2015

Onbekend

Onbekend

Tekst van de regeling

Intitulé

BELEIDSREGEL BOETEOPLEGGING REGIONALE DIENST WERKEN INKOMEN KROMME RIJN HEUVELRUG (RDWI) 2015

Het Dagelijks Bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug;

 

stelt vast dat het noodzakelijk is een aantal aspecten van het opleggen van een bestuurlijke boete in een beleidsregel te regelen;

 

en besluit de volgende beleidsregel vast te stellen:

 

BELEIDSREGEL BOETEOPLEGGING REGIONALE DIENST WERK

EN INKOMEN KROMME RIJN HEUVELRUG (RDWI) 2015

 

Het Dagelijks Bestuur van de Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug;

 

stelt vast dat het noodzakelijk is een aantal aspecten van het opleggen van een bestuurlijkeboete in een beleidsregel te regelen;

 

en besluit de volgende beleidsregel vast te stellen:

 

BELEIDSREGEL BOETEOPLEGGING REGIONALE DIENST WERK

EN INKOMEN KROMME RIJN HEUVELRUG (RDWI) 2015

 

1 Schriftelijke waarschuwing

 

Waarschuwing

Bij schending van de inlichtingenplicht wordt in beginsel een waarschuwing gegeven als:

  • -

    er niet teveel bijstand is verleend; en

  • -

    betrokkene in de twee jaar voorafgaand aan de start van de boetewaardige gedraginggeen waarschuwing heeft gehad.

Van dit uitgangspunt kan in bijzondere omstandigheden gemotiveerd worden afgeweken.

 

2 Verwijtbaarheid

 

Verwijtbaarheid

Bij verminderde verwijtbaarheid wordt de boete lager vastgesteld; hiervan kan gemotiveerdworden afgeweken.

Verwijtbaarheid wordt verondersteld tenzij dit wordt aangevochten en het tegendeel wordtbewezen.

Er is sprake van verminderde verwijtbaarheid, als bedoeld in artikel 18a, lid 7, onder a, Participatiewet:

  • -

    in de situaties als beschreven in artikel 2a, lid 2, Boetebesluit sociale zekerheidswetten;

  • -

    als er sprake is van een samenstel van omstandigheden die elk op zich niet, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot het oordeel dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid;

  • -

    als er sprake is van "gedeelde verwijtbaarheid".

 

Geen verminderde verwijtbaarheid

Er is géén sprake van verminderde verwijtbaarheid, als bedoeld in artikel 18a, lid 7, onder a, Participatiewet, als:

-de betrokkene de inhoud van de correspondentie van de Regionale Dienst Werk enInkomen niet begrijpt; of

-de betrokkene langere tijd niet in staat is zijn belangen te behartigen.

 

3 Hoogte boete

 

De hoogte van de boete bedraagt:

  • -

    als er sprake is van opzet: 100% van het benadelingsbedrag, met een maximum van EUR 81.000;

  • -

    als er sprake is van grove schuld: 75% van het benadelingsbedrag, met een maximum van EUR 8.100;

  • -

    als er sprake is van normale verwijtbaarheid: 50% van het benadelingsbedrag, met een maximum van EUR 8.100;

  • -

    als er sprake is van verminderde verwijtbaarheid: 25% van het benadelingsbedrag, met een maximum van EUR 8.100.

 

3a Hoogte boete bij recidive

 

De hoogte van de boete bij recidive, als bedoeld in artikel 18a, lid 5, Participatiewet bedraagt:

  • -

    als er sprake is van opzet: 150% van het benadelingsbedrag, met een maximum van EUR 81.000;

  • -

    als er sprake is van grove schuld: 112% van het benadelingsbedrag, met een maximum van EUR 8.100;

  • -

    als er sprake is van normale verwijtbaarheid: 75% van het benadelingsbedrag, met een maximum van EUR 8.100;

  • -

    als er sprake is van verminderde verwijtbaarheid: 37% van het benadelingsbedrag, met een maximum van EUR 8.100.

 

4 Pseudoverrekening

 

Pseudoverrekening

Bij een verzoek van belanghebbende, als bedoeld in artikel 60b, lid 2, Wet werk en bijstand,besluit het Dagelijks Bestuur zoals zij volgens de Verordening verrekening bestuurlijke boete bij recidive ten aanzien van de verrekening van een zelf opgelegde boete zou doen.

 

5 Hardheidsclausule

 

Het Dagelijks Bestuur kan in de gevallen waarin de beleidsregel niet voorziet, dan wel in gevallenwaarin toepassing van deze beleidsregel leidt tot onevenredig nadelige gevolgen voor debelanghebbende, besluiten om op individuele gronden van de verordening of deze beleidsregel af te

wijken.

 

6 Citeertitel

 

Deze beleidsregel kan worden aangehaald als: Beleidsregel Boeteoplegging Regionale Dienst Werk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug2015.

 

7 Inwerkingtreding

 

Deze beleidsregel treedt in werking met ingang van de eerste dag na bekendmaking ervan.

 

Aldus vastgesteld door het Dagelijks Bestuur van de gemeenschappelijke regeling “Regionale DienstWerk en Inkomen Kromme Rijn Heuvelrug” in zijn vergadering van 9 september 2015.

 

 

 

TOELICHTING

 

Algemeen

Deze beleidsregels met betrekking tot boeteoplegging gaan over een aantal bevoegdheden diehet Dagelijks Bestuur met inwerkingtreding van de fraudewet heeft gekregen:

  • -

    het geven van een waarschuwing in plaats van het opleggen van een boete;

  • -

    het opleggen van de boete bij opzet, grove schuld, normale en verminderde verwijtbaarheid;

  • -

    het op verzoek van de klant toepassen van de beslagvrije voet bij pseudoverrekening.

 

Artikelsgewijs

 

1 Schriftelijk waarschuwing

Het vierde lid van artikel 18a van de Wet werk en bijstand biedt de mogelijkheid te volstaan meteen waarschuwing als het schenden van de inlichtingenplicht niet heeft geleid tot eenbenadelingsbedrag (“nulfraude”). Dit kan alleen als er in de twee jaren voorafgaand aan deschending van de inlichtingenplicht niet zo’n waarschuwing gegeven is.

Van deze mogelijkheid wordt in principe gebruikt gemaakt. Er kan in bijzondere omstandighedengemotiveerd van worden afgewezen.

In de toekomst zal er ook een waarschuwing opgelegd kunnen worden bij:

  • -

    een gering benadelingsbedrag;

  • -

    bij zelfmelding.

Het is niet toegestaan hierop te anticiperen totdat deze wijzigingen in de boetebepalingen en het Boetebesluit zullen zijn opgenomen.

 

2 Verwijtbaarheid

Onderdeel a van het zevende lid van artikel 18a van de Wet werk en bijstand biedt demogelijkheid de boete te verlagen als er sprake is van verminderde verwijtbaarheid. Het gaathierbij om omstandigheden ten tijde van de gedraging.

In welke situaties er in ieder geval sprake is van verminderde verwijtbaarheid staat in het tweedelid van artikel 2a van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten.

In dit artikel van deze beleidsregels wordt bepaald dat er naast de in het Besluit socialezekerheidswetten geen situaties worden aangewezen waarin in ieder geval sprake is vanverminderde verwijtbaarheid.

Op aanwijzing van het ministerie zijn daaraan de volgende situaties toegevoegd:

  • -

    als er sprake is van een samenstel van omstandigheden die elk op zich niet, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot het oordeel dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid;

  • -

    als er sprake is van "gedeelde verwijtbaarheid".

 

Van gedeelde verwijtbaarheid is sprake als het verwijt ook deels aan de RDWI te wijten is. Voorbeelden hiervan zijn fouten in de uitvoering en het laten voortduren van een incorrecte situatie, terwijl de uitvoering van het bestaan wist.

Ook kan gedacht worden aan voortvarendheid en oplettendheid van de behandelende medewerker en het informeren van klanten van nieuwe dan wel gewijzigde controlevoorschriften en interne handelswijzen

Miscommunicatie tussen de uitkeringsgerechtigde en de klantmanager vormt doorgaans een grondslag om de boete te matigen.

De kwaliteit van de bedrijfsvoering van de gemeente en de informatieplicht van de uitkeringsgerechtigden aan de gemeente zijn communicerende vaten. Bij kwaliteit van de bedrijfsvoering gaat het vooral om de kwaliteit van voorlichting aan bestaande en potentiële uitkeringsgerechtigden en de wijze waarop de verstrekte inlichtingen adequaat worden verwerkt. Maar, zoals uit de jurisprudentie blijkt, toetst de rechter ook de wijze van controle door de gemeente. Hierbij kun je denken aan voortvarendheid en oplettendheid van de behandelende medewerker en het informeren van klanten van nieuwe dan wel gewijzigde controlevoorschriften en interne handelswijzen. Kortom, de rechter toetst integraal de kwaliteit van het handhavingsbeleid als deelelement van de verminderende mate van verwijtbaarheid.

Er worden twee situaties aangewezen die niet zonder meer leiden tot verminderde

verwijtbaarheid:

  • -

    betrokkene begrijpt de inhoud van de correspondentie van de RDWI niet;

  • -

    betrokkene is langere tijd niet in staat zijn belangen te behartigen.

    In beide situaties wordt betrokkene geacht iemand te zoeken die de correspondentie begrijpten/of de belangen kan behartigen.

 

3 Hoogte boete

Op basis van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep en op basis van aanwijzingen van het ministerie die daarop zijn gebaseerd, wordt bij normale verwijtbaarheid niet langer de maximale boete opgelegd, maar bedraagt deze maximaal de helft van het benadelingsbedrag.

Als er uit dossier geen feitelijke omstandigheden blijken waardoor opzet/grove schuld wordt vermoed, zal 50% als maximale hoogte van de boete als uitgangspunt genomen moeten worden.

Het is dus niet zo dat voor alle overtredingen actief zal moeten worden onderzocht of er opzet of grove schuld aan de orde is. Daar moet vanuit het dossier/situatie wel aanleiding toe zijn om dat nader te onderzoeken.

 

4 Pseudoverrekening

Artikel 60b, eerste lid, biedt bij recidive de mogelijkheid de boete met de uitkering te verrekenenzonder toepassing van de beslagvrije voet. Dit kan ook bij de zogenaamde pseudoverrekening:

de boete-opleggende gemeenten verrekend met een uitkering van een andere gemeente.

Artikel 60b, tweede lid biedt de mogelijkheid hiervan af te zien op verzoek van de klant. Dit artikelregelt dat we dit soort verzoeken afdoen als ware het een verrekening van een zelf opgelegdeboete.