Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Rozendaal

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Rozendaal houdende regels omtrent maatschappelijk leven Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Rozendaal 2019

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieRozendaal
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingVerordening van de gemeenteraad van de gemeente Rozendaal houdende regels omtrent maatschappelijk leven Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Rozendaal 2019
CiteertitelVerordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Rozendaal 2019
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpalgemeen
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Deze regeling vervangt de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Rozendaal 2016.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

artikel 2 van de Uitvoeringsregeling Wmo 2015

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

09-04-201901-02-2019nieuwe regeling

26-03-2019

gmb-2019-82922

Tekst van de regeling

Intitulé

Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Rozendaal houdende regels omtrent maatschappelijk leven Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Rozendaal 2019

De raad van de gemeente Rozendaal;

 

Gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders d.d. 12 maart 2019, nummer MJ-19-06;

 

 

Gelet op artikel 2 van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

 

 

Overwegende dat:

  • burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven;

  • van burgers verwacht mag worden dat zij elkaar daarin naar vermogen bijstaan;

  • burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op ondersteuning door de gemeente, zodat zij zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven wonen;

  • het noodzakelijk is om regels vast te stellen ter uitvoering van het beleidsplan als bedoeld in artikel 2.1.2 van de wet met betrekking tot de ondersteuning bij de versterking van de zelfredzaamheid en participatie van personen met een beperking of met chronische psychische of psychosociale problemen, beschermd wonen en opvang;

  • het noodzakelijk is om de toegankelijkheid van voorzieningen, diensten en ruimten voor mensen met een beperking te bevorderen en daarmee bij te dragen aan het realiseren van een inclusieve samenleving.

 

BESLUIT

Vast te stellen: de navolgende

 

Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Rozendaal 2019

 

HOOFDSTUK 1: BEGRIPPEN

Artikel 1. Begripsbepalingen

  • 1.

    In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

    • a.

      Algemeen gebruikelijke voorziening: een voorziening waarvan gelet op de omstandigheden, aannemelijk is dat de cliënt daarover, ook als hij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken;

    • b.

      Andere voorziening: voorziening anders dan in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • c.

      Bijdrage in de kosten: bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4, eerste lid, van de wet;

    • d.

      Budgethouder: de cliënt aan wie een pgb is toegekend;

    • e.

      Cliënt: een klant aan wie een Wmo product of dienst wordt geleverd;

    • f.

      Hoofdverblijf: de woonruimte, bestemd en geschikt voor permanente bewoning, waar de persoon met beperkingen zijn vaste woon- en verblijfplaats heeft;

      • -

        en in de gemeentelijke basisadministratie staat ingeschreven;

      • -

        dan wel zal staan ingeschreven; dan wel

      • -

        het feitelijke woonadres indien de persoon met beperkingen met een briefadres is ingeschreven

    • g.

      Hulpvraag: behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015;

    • h.

      Ingezetene: cliënt die hoofdverblijf heeft in de gemeente Rozendaal;

    • i.

      Instellingsvervoer: vervoer van en naar de Wmo geïndiceerde ondersteuning zoals dagbesteding en groepsactiviteiten;

    • j.

      Integraal plan: het integraal plan geeft vorm en inhoud aan de inrichting van de benodigde ondersteuning en omvat tevens het onderzoeksverslag;

    • k.

      Melding: kenbaar maken van de hulpvraag om maatschappelijke ondersteuning aan het college als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015;

    • l.

      Onderzoeksverslag: verslag van het onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2, vierde lid, van de Wmo 2015;

    • m.

      Persoonlijk plan: plan waarin de cliënt de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 Wmo 2015 onderdelen a tot en met g van de wet beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen;

    • n.

      Persoonsgebonden budget (pgb): het persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 2.3.6 van de wet, wordt door het college aan een cliënt verstrekt wanneer de cliënt dit wenst en in staat is hier uitvoering aan te geven. Het pgb stelt de cliënt in staat de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen die tot de maatwerkvoorziening behoren, van derden te betrekken;

    • o.

      Sociaal netwerk: een familielid, huisgenoot, (voormalig) echtgenoot of mantelzorger of andere personen met wie de cliënt een sociale relatie onderhoudt;

    • p.

      Sociaal vervoer: vervoer in het kader van sociale activiteiten en activiteiten verband houdend met de zelfredzaamheid. Bijvoorbeeld boodschappen halen, hobby’s uitoefenen, contacten met het sociale netwerk, arts bezoeken;

    • q.

      Uitvoeringsbesluit: uitvoeringsbesluit Wmo 2015;

    • r.

      Voorziening in natura: een voorziening in natura is een voorziening die bestaat uit goederen of diensten, niet uit geld.

    • s.

      Wet: Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

    • t.

      Wettelijke vertegenwoordiger: een natuurlijk persoon of rechtspersoon die op grond van wettelijke bepalingen is aangewezen om op te treden in plaats van iemand die handelingsonbekwaam is handelingsonbekwaamheid.

  • 2.

    Alle begrippen die in deze verordening worden gebruikt en die niet nader worden omschreven hebben dezelfde betekenis als in de wet, het uitvoeringsbesluit Wmo 2015 en de Algemene wet bestuursrecht.

     

HOOFDSTUK 2: MELDING, ONDERZOEK EN AANVRAAG

Artikel 2. Melding

  • 1.

    Een hulpvraag kan door of namens een cliënt vormvrij bij het college worden gemeld.

  • 2.

    Het college bevestigt de ontvangst van de melding binnen twee werkdagen en maakt, indien nodig, zo spoedig mogelijk een afspraak voor een gesprek.

  • 3.

    In spoedeisende gevallen als bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wet treft het college na de melding onverwijld een tijdelijke maatwerkvoorziening in afwachting van de uitkomst van het onderzoek.

Artikel 3. Cliëntondersteuning

  • 1.

    Het college draagt zorg voor de beschikbaarheid van kosteloze en onafhankelijke cliëntondersteuning.

  • 2.

    Het college wijst de cliënt en zijn mantelzorger voor het onderzoek op de mogelijkheid gebruik te maken van gratis cliëntondersteuning.

Artikel 4. Persoonlijk plan

  • 1.

    Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van de Wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de melding in de gelegenheid het plan te overhandigen waarin hij de omstandigheden, bedoeld in artikel 2.3.2., vierde lid, onderdelen a tot en met g, beschrijft en aangeeft welke maatschappelijke ondersteuning naar zijn mening het meest is aangewezen. Het college betrekt het persoonlijk plan bij het onderzoek als bedoeld in artikel 6 van deze verordening.

  • 2.

    Als de cliënt een persoonlijk plan als bedoeld in het eerste lid aan het college heeft overhandigd, betrekt het college dat plan bij het onderzoek als bedoeld in artikel 6 van deze verordening.

Artikel 5. Informatie en identificatie

  • 1.

    De cliënt dan wel diens (wettelijke) vertegenwoordiger verschaft het college de gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen.

  • 2.

    Bij het onderzoek, bedoeld in artikel 6 van deze verordening, stelt het college de identiteit van de cliënt vast aan de hand van een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

Artikel 6. Gesprek en onderzoek

  • 1.

    Een gesprek maakt deel uit van het onderzoek, tenzij de hulpvraag genoegzaam bekend is. Het gesprek wordt gevoerd met de cliënt, dan wel zijn (wettelijke) vertegenwoordiger, voor zover mogelijk zijn mantelzorger en voor zover nodig zijn familie.

  • 2.

    De factoren, genoemd in artikel 2.3.2, vierde lid, van de wet maken in ieder geval deel uit van het onderzoek en vormen de basis van het gesprek als bedoeld in het eerste lid. Deze factoren zijn:

    • a.

      de behoeften, persoonskenmerken en de voorkeuren van de cliënt;

    • b.

      de mogelijkheden om op eigen kracht of met gebruikelijke hulp zijn zelfredzaamheid of zijn participatie te verbeteren of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

    • c.

      de mogelijkheden om met mantelzorg of hulp van andere personen uit zijn sociale netwerk te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie of te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

    • d.

      de behoefte aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger van de cliënt;

    • e.

      de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening of door het verrichten van maatschappelijk nuttige activiteiten te komen tot verbetering van zijn zelfredzaamheid of zijn participatie, onderscheidenlijk de mogelijkheden om met gebruikmaking van een algemene voorziening te voorzien in zijn behoefte aan beschermd wonen of opvang;

    • f.

      de mogelijkheden om door middel van samenwerking met zorgverzekeraars en zorgaanbieders als bedoeld in de Zorgverzekeringswet en partijen op het gebied van publieke gezondheid, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen, te komen tot een zo goed mogelijk afgestemde dienstverlening met het oog op de behoefte aan verbetering van zijn zelfredzaamheid, zijn participatie of aan beschermd wonen of opvang;

    • g.

      welke bijdragen in de kosten de cliënt met toepassing van het bepaalde bij of krachtens, verschuldigd zal zijn.

  • 3.

    Tijdens het gesprek wordt aan de cliënt, dan wel diens (wettelijke) vertegenwoordiger, in begrijpelijke bewoordingen medegedeeld welke mogelijkheden bestaan om te kiezen voor een pgb en wat de gevolgen van die keuze zijn.

  • 4.

    Het college informeert de cliënt over de gang van zaken bij het gesprek, diens rechten en plichten en de vervolgprocedure, vraagt de cliënt toestemming om zijn persoonsgegevens te verwerken.

  • 5.

    Indien de gespreksvoorbereiding een afgerond beeld oplevert over de hulpvraag, kan het college in overleg met degene door, of namens wie de melding is gedaan, afzien van een gesprek.

  • 6.

    Het college is bevoegd om, voor zover dit van belang kan zijn voor het onderzoek, degene door of namens wie een melding of aanvraag is ingediend of bij gebruikelijke hulp diens relevante huisgenoten:

    • a.

      op te roepen in persoon te verschijnen op een door het college te bepalen plaats en tijdstip en hem te bevragen;

    • b.

      op een door het college te bepalen plaats en tijdstip door een of meer daartoe aangewezen deskundigen te doen bevragen en/of onderzoeken.

  • 7.

    Het college verstrekt de cliënt dan wel diens (wettelijke) vertegenwoordiger een schriftelijke weergave van de uitkomsten van het onderzoek, middels een integraal plan of gespreksverslag.

  • 8.

    Het college wijst de cliënt dan wel zijn (wettelijke) vertegenwoordiger op de mogelijkheid om een aanvraag in te dienen.

Artikel 7. Advisering

Het college kan een door hem daartoe aangewezen adviesinstantie om advies vragen indien:

  • a.

    het een melding of aanvraag betreft van een persoon die niet eerder een voorziening heeft gehad c.q. met wie niet eerder een gesprek als bedoeld in artikel 6 is gevoerd;

  • b.

    het een melding of aanvraag betreft van een persoon die wel eerder een voorziening heeft gehad of een gesprek zoals bedoeld in artikel 6 heeft gevoerd, maar waarvan de persoonlijke omstandigheden zodanig zijn veranderd dat die gewijzigde omstandigheden de noodzaak van een voorziening of de soort van voorziening kunnen beïnvloeden;

  • c.

    het college dat overigens gewenst vindt.

Artikel 8. Aanvraag

  • 1.

    Een aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas worden ingediend nadat het onderzoek is uitgevoerd, tenzij het onderzoek niet is uitgevoerd binnen zes weken na de ontvangst van de melding.

  • 2.

    Een aanvraag kan door, of namens de cliënt door de (wettelijke) vertegenwoordiger, schriftelijk en ondertekend bij het college worden ingediend.

  • 3.

    Een schriftelijke aanvraag kan worden ingediend door middel van een door het college vastgesteld aanvraagformulier.

  • 4.

    Een voor akkoord ondertekend onderzoeksverslag als integraal plan, of ondertekend integraal plan, of in voorkomend geval, een ondertekend persoonlijk plan wordt door het college als complete aanvraag voor een maatwerkvoorziening beschouwd.

  • 5.

    De ontvangst van de aanvraag wordt schriftelijk bevestigd.

  • 6.

    De cliënt die een aanvraag doet voor een maatwerkvoorziening, verstrekt het college desgevraagd terstond een document als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht.

  • 7.

    Als een cliënt zelf wenst in te kopen met een pgb, dient de cliënt daartoe een pgb-plan in zoals bedoeld in artikel 20 van deze verordening. Het pgb-plan geldt als een aanvraag voor een pgb.

  • 8.

    De ontvangst van de aanvraag wordt schriftelijk bevestigd.

Artikel 9. Second opinion

  • 1.

    Als de cliënt het niet eens is met de gang van zaken tijdens de procedure van het onderzoek, tussen de melding en aanvraag, dan heeft hij eenmalig de mogelijkheid tot een second opinion. Deze second opinion betekent een nieuw onderzoek met een andere gespreksvoerder.

  • 2.

    Als de uitvoering van onderzoek in het kader van een second opinion een overschrijding van de onderzoekstermijn, bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de Wmo 2015 met zich brengt, dan wordt cliënt hierover zo spoedig als mogelijk voorgelicht. Aan cliënt wordt tevens expliciet gevraagd in te stemmen met de verlenging van de onderzoekstermijn.

 

HOOFDSTUK 3: MAATWERKVOORZIENING

Artikel 10. Criteria voor een maatwerkvoorziening

  • 1.

    Het college verstrekt een maatwerkvoorziening indien er sprake is van een noodzaak tot ondersteuning en de cliënt niet of niet volledig in staat is tot zelfredzaamheid of participatie door gebruik te maken van:

    • a.

      eigen kracht en/of

    • b.

      gebruikelijke hulp en/of

    • c.

      mantelzorg en/of

    • d.

      hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of

    • e.

      algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of

    • f.

      algemene voorzieningen en/of

    • g.

      andere voorzieningen.

  •  

  • 2.

    Het college verstrekt een maatwerkvoorziening in de vorm van opvang/beschermd wonen als:

    • a.

      de cliënt problemen heeft bij het zich handhaven in de samenleving; of

    • b.

      de cliënt de thuissituatie heeft verlaten, al dan niet in verband met risico’s voor zijn veiligheid als gevolg van huiselijk geweld;

    • c.

      voor zover de cliënt deze problemen niet kan wegnemen/verminderen door gebruik te maken van:

      • 1°.

        eigen kracht en/of

      • 2°.

        gebruikelijke hulp en/of

      • 3°.

        mantelzorg en/of

      • 4°.

        hulp van andere personen uit het sociale netwerk en/of

      • 5°.

        voorliggende voorzieningen

      • algemeen gebruikelijke voorzieningen en/of

      • 7°.

        algemene voorzieningen en/of

      • 8°.

        andere voorzieningen;

    • d.

      cliënt kan alleen voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komen als de voorziening het goedkoopst compenserend is.

  • 3.

    Als een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter vervanging van een eerder door het college verstrekte voorziening, wordt deze slechts verstrekt als de periode waarvoor de voorziening is verstrekt (de economische levensduur), is verstreken:

    • a.

      tenzij de eerder verstrekte voorziening verloren is gegaan als gevolg van omstandigheden die niet aan de cliënt zijn toe te rekenen; of

    • b.

      tenzij de cliënt geheel of gedeeltelijk tegemoet komt in de veroorzaakte kosten; of

    • c.

      als de eerder verstrekte voorziening niet langer een oplossing biedt voor de behoefte van de cliënt aan maatschappelijke ondersteuning.

    Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de duur waarvoor voorzieningen worden verstrekt.

Artikel 11. Maatwerkvoorziening vervoer

  • 1.

    Een cliënt kan in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening voor vervoer, indien cliënt vanwege zijn beperkingen:

    • -

      geen gebruik kan maken van het Openbaar Vervoer;

    • -

      geen gebruik kan maken van eigen vervoer;

    • -

      onvoldoende of geen mogelijkheden heeft in de omgeving om in de behoefte te voorzien.

  • 2.

    De maatwerkvoorziening voor sociaal vervoer stelt de cliënt in staat binnen de eigen woon- en leefomgeving (lokaal) een afstand van 1500 km per jaar te reizen.

  • 3.

    Een maatwerkvoorziening voor verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving stelt cliënt in staat een afstand van 750 km per jaar af te leggen.

  • 4.

    Beschikt cliënt over een maatwerkvoorziening voor vervoer in de directe woon- en leefomgeving, dan wordt de reisafstand bedoeld in het tweede lid gesteld op 750 km per jaar.

  • 5.

    Als cliënt een aantoonbaar grotere vervoersbehoefte heeft dan bedoeld in het tweede lid om in aanvaardbare mate te participeren, zulks ter beoordeling door het college, dan wordt een vervoersvoorziening toegekend overeenkomstige deze grotere vervoersbehoefte.

  • 6.

    De maatwerkvoorziening collectief vraag afhankelijk vervoer heeft voorrang boven individuele vervoersvoorzieningen. Dat wil zeggen dat een cliënt alleen in aanmerking komt voor een individuele vervoersvoorziening als het collectief vraagafhankelijk vervoer voor cliënt geen adequate compensatie vormt.

  • 7.

    Een maatwerkvoorziening voor vervoer per eigen auto wordt verstrekt in de vorm van een financiële tegemoetkoming. De tegemoetkoming wordt vastgesteld aan de hand van een tarief van € 0,19 per kilometer. Voor sociaal vervoer geldt een maximum tegemoetkoming van € 285,00 per jaar. Beschikt de cliënt over een vervoersvoorziening voor de directe woon- en leefomgeving, dan is de tegemoetkoming maximaal € 142,50 per jaar.

  • 8.

    Is een cliënt aangewezen op een maatwerkvoorziening voor vervoer om te kunnen deelnemen aan dagbestedingsactiviteiten, dan voorziet de maatwerkvoorziening in het hiervoor benodigde vervoer.

  • 9.

    Een maatwerkvoorziening in de vorm van een auto-aanpassing of een pgb hiervoor, wordt alleen verstrekt als de aan te passen auto niet ouder is dan 36 maanden op de datum van aanvraag voor een autoaanpassing.

Artikel 12. Maatwerkvoorziening kortdurend verblijf

Om in aanmerking te komen voor Kortdurend Verblijf moet worden voldaan aan alle hieronder genoemde voorwaarden:

  • a.

    de cliënt heeft een somatische, psychogeriatrische, psychische, verstandelijke, lichamelijke en/of zintuiglijke aandoening of handicap;

  • b.

    de cliënt is aangewezen op zorg en ondersteuning die gepaard gaat met permanent toezicht;

  • c.

    de cliënt maakt geen of kan geen gebruik maken van een indicatie op grond van de Wet langdurige zorg of de Zorgverzekeringswet;

  • d.

    de persoon die gebruikelijke zorg of mantelzorg levert aan de cliënt moet ontlast worden van deze zorg.

Artikel 13. Maatwerkvoorziening opvang en beschermd wonen

Het college heeft voor het verstrekken en uitvoeren van de maatwerkvoorziening beschermd wonen, de centrumgemeente Arnhem gemandateerd. Centrumgemeente Arnhem verstrekt de maatwerkvoorziening beschermd wonen overeenkomstig het daartoe vastgesteld beleid van de centrumgemeente, waaronder de vigerende verordening maatschappelijke ondersteuning, het vigerende besluit maatschappelijke ondersteuning, de regels omtrent het pgb in relatie tot beschermd wonen, de regels voor bijdrage in de kosten van beschermd wonen en de overige nadere regels van de centrumgemeente.

Artikel 14. Weigeringsgronden

  • 1.

    Geen maatwerkvoorziening wordt verstrekt:

    • a.

      voor zover de cliënt aanspraak kan maken op enige andere passende voorziening of dienst op grond van andere wet- en regelgeving;

    • b.

      ten behoeve van zelfredzaamheid en participatie indien er geen sprake is van geobjectiveerde beperkingen vastgesteld aan de hand van reguliere onderzoeksmethoden;

    • c.

      wanneer de gevraagde maatwerkvoorziening een (mogelijk) anti-revaliderende werking heeft;

    • d.

      indien het een voorziening betreft die de cliënt na de melding als bedoeld in artikel 2.3.2, eerste lid, van de wet en vóór datum van besluit, als bedoeld in artikel 2.3.5, tweede lid, van de wet, heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft verleend of de noodzaak achteraf nog kan worden vastgesteld;

    • e.

      voor zover deze niet in overwegende mate op het individu is gericht;

    • f.

      als deze voorziening niet noodzakelijk was geweest wanneer de cliënt rekening had gehouden met de reeds bestaande beperkingen, niet verband houdende met de overgang naar een volgende levensfase.

  • 2.

    Geen maatwerkvoorziening gericht op zelfredzaamheid en participatie wordt verstrekt:

    • a.

      indien de cliënt geen ingezetene is van de gemeente Rozendaal;

    • b.

      indien de cliënt tekortschietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond.

  • 3.

    Geen woonvoorziening wordt verstrekt:

    • a.

      voor zover de beperkingen voortvloeien uit de aard van de in de woning gebruikte materialen;

    • b.

      ten behoeve van hotels/pensions, trekkerswoonwagens, kloosters, tweede woningen, vakantie- en recreatiewoningen, ADL-clusterwoningen en gehuurde kamers, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing;

    • c.

      indien de noodzaak het gevolg is van een verhuizing waarvoor geen aanleiding bestaat op grond van beperkingen bij de zelfredzaamheid of participatie en er geen belangrijke reden voor verhuizing aanwezig is;

    • d.

      indien de cliënt niet is verhuisd naar de voor zijn of haar beperkingen op dat moment meest geschikte woning, tenzij daarvoor vooraf schriftelijk toestemming is verleend door het college;

    • e.

      de aanvrager verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is om het hele jaar door bewoond te worden;

    • f.

      indien cliënt zijn hoofdverblijf niet heeft of niet zal hebben in de woning waaraan de voorziening wordt getroffen, tenzij er sprake is van co-ouderschap;

    • g.

      voor zover het voorzieningen in gemeenschappelijke ruimten betreft, anders dan automatische deuropeners, hellingbanen, het verbreden van gemeenschappelijke toegangsdeuren, het aanbrengen van rempelhulpen of vlonders of het aanbrengen van een opstelplaats bij de toegangsdeur van de gemeenschappelijke ruimte, met uitzondering van een voorziening voor verhuizing.

  • 4.

    Het college kent geen maatwerkvoorziening in de vorm van een woningaanpassing toe, als een maatwerkvoorziening voor verhuizing en herinrichting de goedkoopst compenserende voorziening vormt.

  • 5.

    Geen vergoeding voor verhuiskosten wordt verstrekt indien:

    • a.

      een persoon met beperking voor het eerst zelfstandig gaat wonen;

    • b.

      een persoon met beperking verhuist naar een instelling op grond van de Wet langdurige zorg.

  • 6.

    Bij de te verstrekken vervoersvoorziening wordt ten aanzien van de vervoersbehoefte ten behoeve van maatschappelijke participatie uitsluitend rekening gehouden met de verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving.

Artikel 15. Inhoud beschikking

  • 1.

    In de beschikking tot verstrekking van een maatwerkvoorziening wordt in ieder geval aangegeven of deze als voorziening in natura, als pgb of als financiële tegemoetkoming wordt verstrekt en wordt ook aangegeven hoe bezwaar tegen de beschikking kan worden gemaakt.

  • 2.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in natura wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      welke maatwerkvoorziening verstrekt wordt en wat het beoogde resultaat daarvan is;

    • b.

      de ingangsdatum en duur van de verstrekking;

    • c.

      hoe de voorziening wordt verstrekt, en indien van toepassing;

    • d.

      welke andere voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn;

    • e.

      of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening.

  • 3.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb wordt in de beschikking in ieder geval vastgelegd:

    • a.

      aan welk doel het pgb moet worden besteed;

    • b.

      welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het pgb;

    • c.

      wat de hoogte van het pgb is en hoe dit tot stand is gekomen;

    • d.

      wat de duur is van de verstrekking waarvoor het pgb is bedoeld;

    • e.

      de wijze van verantwoording van de besteding van het pgb; en

    • f.

      of een bijdrage in de kosten verschuldigd is en de daarbij door het college gehanteerde uitgangspunten, zoals de kostprijs van de voorziening.

  • 4.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening maakt het integraal plan of gespreksverslag deel uit van de beschikking.

  • 5.

    Bij het verstrekken van een maatwerkvoorziening wordt in de beschikking vermeld dat de cliënt zich moet houden aan een eventueel van toepassing zijnde bruikleenovereenkomst.

Artikel 16. Persoonsgebonden budget algemeen

  • 1.

    Het college verstrekt een pgb in overeenstemming met artikel 2.3.6 van de wet.

  • 2.

    De hoogte van het pgb voor een roerende zaak wordt maximaal vastgesteld op:

    • a.

      het bedrag van de goedkoopst compenserende voorziening in natura bij de leverancier waarmee de gemeente een overeenkomst heeft gesloten, zo nodig aangevuld met een vergoeding voor onderhoud; of

    • b.

      het bedrag van de kosten volgens de door het college geaccepteerde offerte indien de gemeente voor de betreffende voorziening geen overeenkomst heeft gesloten.

  • 3.

    Als de natura verstrekking een tweedehands voorziening betreft, wordt de kostprijs daarop gebaseerd, rekening houdend met de kosten van onderhoud en verzekering.

  • 4.

    Indien het op basis van het eerste en tweede lid vastgestelde pgb in een individueel geval onvoldoende is om de aangewezen voorziening te kunnen inkopen, wordt het tarief zodanig aangepast dat de hulp hiermee bij tenminste één aanbieder kan worden ingekocht.

  • 5.

    Het college kan nadere regels stellen over de hoogte van het pgb.

Artikel 17. Persoonsgebonden budget vervoer

  • 1.

    Indien een cliënt, die gebruik kan maken van het collectief vraagafhankelijk vervoer, in plaats daarvan aanspraak maakt op een pgb, dan wordt de hoogte van dit pgb berekend aan de hand van de kosten die de gemeente zou maken als de cliënt met het collectief vraagafhankelijk vervoer zou reizen. Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot de berekening van deze kosten.

  • 2.

    Het tarief voor individuele rolstoeltaxikosten wordt bepaald op basis van het tarief dat door zorgverzekeraars vergoed wordt voor rolstoeltaxivervoer op grond van de Zorgverzekeringswet.

  • 3.

    Voor instellingenvervoer georganiseerd vanuit de cliënt, wordt de hoogte van het pgb berekend aan de hand van een tarief van € 0,19 per kilometer. Het aantal kilometers wordt berekend, uitgaande van het aantal noodzakelijk vervoersbewegingen voor de persoon die de cliënt brengt en haalt.

Artikel 18. Persoonsgebonden budget wonen

De hoogte van het pgb voor een bouwkundige of woontechnische woonvoorziening wordt vastgesteld aan de hand van het bedrag van de door het college geaccepteerde offerte van een door of namens de gemeente Rozendaal gecontracteerde leverancier, die de goedkoopst compenserende voorziening kan leveren.

Artikel 19. Persoonsgebonden budget voor dienstverlening

  • 1.

    Bij de vaststelling van de hoogte van het pgb voor dienstverlening wordt onderscheid gemaakt tussen:

    • a.

      het tarief voor gekwalificeerde hulp. Tot deze groep behoren personen die:

      • werkzaam zijn bij een instelling die ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007), en die beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.

      • aangemerkt zijn als Zelfstandige zonder personeel en de beschikking hebben over een beschikking geen loonheffingen (BGL). Daarnaast moeten ze ten aanzien van de uit het pgb te voeren taken/werkzaamheden ingeschreven staan in het Handelsregister (conform artikel 5 van de Handelsregisterwet 2007) en beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.

    • b.

      ongekwalificeerde hulp. Tot deze groep behoren personen die:

      • werkzaam zijn bij een instelling of zelfstandige zonder personeel zijn als bedoeld in het eerste lid, onder a, maar die niet beschikken over de relevante diploma’s die nodig zijn voor uitoefening van de desbetreffende taken.

      • behoren tot het sociaal netwerk van cliënt en die niet voldoen aan het bepaalde in het eerste lid, onder a.

  • 2.

    De hoogte van het pgb voor gekwalificeerde hulp bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 1, is gelijk aan het tarief voor gecontracteerde ondersteuning in natura, tenzij op basis van budgetplan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht.

  • 3.

    De hoogte van het pgb voor gekwalificeerde hulp bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2, is gelijk aan 85% van het tarief als bedoeld in het tweede lid, tenzij op basis van budgetplan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht.

    Omdat het administratieve proces omtrent een pgb minder lasten met zich mee brengt en de regie bij de inwoner ligt, zijn er voor een pgb minder overheadkosten, namelijk 12%. Daarnaast is het risico als overheidsorganisatie laag, dit is 3%.

  • 4.

    De hoogte van het pgb voor ongekwalificeerde hulp is gelijk aan het minimum uurloon, inclusief vakantiebijslag, zoals bedoeld in de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag voor een persoon van 22 jaar of ouder met een 36-urige werkweek, tenzij op basis van budgetplan van de cliënt passende en toereikende ondersteuning voor een lager tarief kan worden ingekocht.

  • 5.

    Als de ondersteuning geboden wordt door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad van de budgethouder, is altijd sprake van ongekwalificeerde hulp.

  • 6.

    Voorwaarde voor toekenning van een pgb voor dienstverlening is dat zowel de gekwalificeerde als de niet-gekwalificeerde hulp desgevraagd kunnen beschikken over een Verklaring omtrent het gedrag, met uitzondering van bloed- en aanverwanten van cliënt in de eerste en tweede graad.

  • 7.

    De volgende kosten zijn uitgesloten voor vergoeding vanuit een pgb:

    • a.

      kosten voor bemiddeling;

    • b.

      kosten voor tussenpersonen of belangenbehartigers;

    • c.

      kosten voor het voeren van een pgb-administratie;

    • d.

      kosten voor ondersteuning bij het aanvragen en beheren van een pgb;

    • e.

      kosten voor feestdagenuitkering en een eenmalige uitkering.

  • 8.

    Loondoorbetaling bij ziekte, vervanging bij ziekte en claims zijn verzekerd via de Sociale Verzekeringsbank (SVB).

  • 9.

    Het college kan nadere regels stellen over de hoogte van het pgb.

Artikel 20. Aanvullende criteria pgb

  • 1.

    Als een cliënt in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening, maar de ondersteuning zelf wenst in te kopen door middel van een pgb, dient de cliënt daartoe een pgb-plan in volgens een door het college ter beschikking gesteld format, waarbij de cliënt aangeeft:

    • a.

      wat hij met het pgb wenst in te kopen en welk resultaat hij wenst te behalen;

    • b.

      de motivatie waarom hij de ondersteuning in de vorm van een pgb wenst te ontvangen;

    • c.

      hoe hij de ondersteuning wenst te organiseren en de voorgenomen uitvoerder van de maatwerkvoorziening;

    • d.

      op welke wijze de kwaliteit van de ondersteuning is gewaarborgd in het geval van informele hulp;

      • 1°.

        De hulpverlener dient een verklaring omtrent gedrag (niet ouder dan twee jaar) te kunnen overleggen, met uitzondering van bloed- en aanverwanten van de cliënt in de eerste en tweede graad;

      • 2°.

        De hulpverlener kan de grenzen van het eigen kunnen en bevoegdheden inschatten en kan aangeven wanneer professionele of specialistische hulp nodig is;

      • 3°.

        De hulpverlener heeft aangegeven dat de zorg aan de budgethouder voor hem niet tot overbelasting leidt, en;

      • 4°.

        De hulpverlener werkt actief samen met andere hulpverleners wanneer sprake is van een bedreiging van de veiligheid of welzijn van de cliënt.

    • e.

      een onderbouwde begroting.

Artikel 21. Nadere verplichtingen budgethouder

  • 1.

    De budgethouder is verplicht om gedurende de gebruiksduur de aangeschafte voorziening voldoende te laten onderhouden en toereikend te verzekeren.

  • 2.

    De budgethouder dient over een nota/factuur en betalingsbewijs van de aangeschafte maatwerkvoorziening te beschikken.

  • 3.

    De budgethouder deelt het college op diens verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op de toekenning van het pgb.

  • 4.

    Indien een, met een pgb aangeschafte, zaak binnen de periode waarover het pgb is verstrekt, niet langer wordt gebruikt of het recht daarop is komen te vervallen, dient dit direct aan het college te worden gemeld.

  • 5.

    Een pgb dient door de cliënt binnen zes maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt.

  • 6.

    De cliënt dient zich te houden aan de verplichtingen die in een eventuele bruikleenovereenkomst zijn opgenomen.

  • 7.

    De cliënt is verplicht om zorgvuldig om te gaan met de verstrekte voorziening.

Artikel 22. Financiële tegemoetkoming

  • 1.

    Het college kan een maatwerkvoorziening verstrekken in de vorm van een financiële tegemoetkoming in de kosten van een voorziening.

  • 2.

    De hoogte van de financiële tegemoetkoming wordt gemaximeerd op een bedrag van € 500,00 per jaar. Overschrijden de kosten van de maatwerkvoorziening dit maximumbedrag, dan wordt de maatwerkvoorziening verstrekt in natura of in de vorm van een pgb.

  • 3.

    Uitbetaling van de financiële tegemoetkoming vindt plaats op declaratiebasis.

     

HOOFDSTUK 4: BIJDRAGE IN DE KOSTEN EN REIZIGERSBIJDRAGE

Artikel 23. Bijdrage in de kosten maatwerkvoorzieningen

  • 1.

    Een cliënt is een bijdrage in de kosten verschuldigd voor een maatwerkvoorziening in natura dan wel een pgb zolang de cliënt gebruik maakt van de maatwerkvoorziening in natura of gedurende de periode waarvoor het pgb wordt verstrekt.

  • 2.

    Voor de maatwerkvoorziening in de vorm van een financiële tegemoetkoming is de cliënt geen bijdrage in de kosten verschuldigd.

  • 3.

    In afwijking van het eerste lid is geen eigen bijdrage verschuldigd voor de volgende maatwerkvoorzieningen:

    • a.

      rolstoelvoorzieningen;

    • b.

      kindvoorzieningen, waaronder woningaanpassingen;

    • c.

      voorziening in de verhuis- en herinrichtingskosten;

    • d.

      transferhulpmiddelen (zoals tilliften);

    • e.

      woonvoorzieningen die voorzien in toegankelijkheid van de woning.

  • 4.

    De bijdrage in de kosten overstijgt niet de kostprijs van de voorziening.

  • 5.

    De kostprijs van een maatwerkvoorziening in natura of een pgb is gelijk aan de kosten die het college voor de desbetreffende maatwerkvoorziening of het pgb zelf maakt.

  • 6.

    De bedragen en percentages die gelden voor een bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening zijn gelijk aan de maximale bedragen en percentages opgenomen in het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015.

  • 7.

    Voor deelname aan het collectief vraagafhankelijk vervoer is cliënt naast de bijdrage in de kosten een reizigersbijdrage verschuldigd. De hoogte hiervan wordt vastgesteld door het college en is niet hoger dan het Openbaar Vervoer-tarief voor vervoer met een OV-Chipkaart.

Artikel 24. Bijdrage in de kosten van algemene voorzieningen

Voor de volgende algemene voorzieningen is de cliënt een bijdrage verschuldigd:

  • a.

    De maaltijdservice: € 5,00 tot € 10,00 per maaltijd, afhankelijk van de maaltijdkeuze van cliënt.

     

HOOFDSTUK 5: KWALITEIT EN VEILIGHEID

Artikel 25. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Aanbieders zorgen voor een goede kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen, door in elk geval:

    • a.

      het afstemmen van voorzieningen op de persoonlijke situatie van de cliënt;

    • b.

      het afstemmen van voorzieningen op andere vormen van zorg;

    • c.

      erop toe te zien dat beroepskrachten tijdens hun werkzaamheden in het kader van het leveren van voorzieningen handelen in overeenstemming met de professionele standaard;

    • d.

      de zelfredzaamheid van de cliënt en het vermogen om te participeren te stimuleren, en aldus zorgafhankelijkheid te verminderen.

  • 2.

    Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen.

  • 3.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de op basis van het eerste en tweede lid gestelde eisen door periodieke overleggen met de aanbieders, een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek en het zo nodig in overleg met de cliënt ter plaatse controleren van de geleverde voorzieningen.

  • 4.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden wijst het college aanbieders van een voorziening erop om overeenkomstig de betreffende privacywetgeving zorg te dragen voor de bescherming van de privacy van de cliënten afkomstig uit de gemeente Rozendaal. 

Artikel 26. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden

  • 1.

    Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren diensten, in ieder geval rekening met:

    • a.

      de aard en omvang van de te verrichten taken;

    • b.

      de voor de sector toepasselijke cao-schalen in relatie tot de zwaarte van de functie;

    • c.

      een redelijke toeslag voor overheadkosten;

    • d.

      een voor de sector reële mate van non-productiviteit van het personeel als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg;

    • e.

      kosten voor bijscholing van het personeel;

    • f.

      de professionele standaard.

  • 2.

    Het college houdt in het belang van een goede prijs-kwaliteitverhouding bij de vaststelling van de tarieven die het hanteert voor door derden te leveren overige voorzieningen, in ieder geval rekening met:

    • a.

      de marktprijs van de voorziening; en

    • b.

      de eventuele extra taken die in verband met de voorziening van de leverancier worden gevraagd, zoals:

      • 1°.

        aanmeten, leveren en plaatsen van de voorziening;

      • 2°.

        instructie over het gebruik van de voorziening;

      • 3°.

        onderhoud van de voorziening; en

      • 4°.

        verplichte deelname in bepaalde samenwerkingsverbanden (bijvoorbeeld wijkteams).

Artikel 27. Meldingsregeling calamiteiten en geweld

  • 1.

    Het college treft een regeling voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening door een aanbieder en wijst een toezichthoudend ambtenaar aan.

  • 2.

    Aanbieders melden iedere calamiteit en ieder geweldsincident dat zich heeft voorgedaan bij de verstrekking van een voorziening onverwijld aan de toezichthoudend ambtenaar.

  • 3.

    De toezichthoudend ambtenaar in dienst van de GGD, als bedoeld in artikel 6.1 van de wet, doet onderzoek naar de calamiteiten en geweldsincidenten en adviseert het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

  • 4.

    Het college kan bij nadere regeling bepalen welke verdere eisen gelden voor het melden van calamiteiten en geweld bij de verstrekking van een voorziening.

     

HOOFDSTUK 6: TOEZICHT EN HANDHAVING

Artikel 28. Bestrijding oneigenlijk gebruik, misbruik en niet-gebruik van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget

  • 1.

    Het college zorgt voor een rechtmatige en doelmatige uitvoering van de wet, waaronder de bestrijding van misbruik, oneigenlijk gebruik en niet-gebruik van deze wet.

  • 2.

    Het college stelt handhavingsbeleid vast, waarin beleidsuitgangspunten en -prioriteiten worden aangegeven.

  • 3.

    Het college stelt ter nadere uitvoering van de handhaving een handhavingsuitvoeringsplan vast met inachtneming van het gestelde in het handhavingsbeleidskader.

  • 4.

    Dit handhavingsuitvoeringsplan omvat in elk geval de wijze van preventie en bestrijding van fraude, oneigenlijk gebruik en misbruik van de wet alsmede welke handhavingsinstrumenten daartoe worden ingezet en de wijze waarop deze worden toegepast.

  • 5.

    Het college informeert cliënten of hun (wettelijke) vertegenwoordiger in begrijpelijke bewoordingen over de rechten en plichten die aan het ontvangen van een maatwerkvoorziening of pgb zijn verbonden en over de mogelijke gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet.

  • 6.

    Het college onderzoekt, al dan niet steekproefsgewijs, het gebruik van maatwerkvoorzieningen en pgb’s met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en recht- en doelmatigheid daarvan en rapporteert jaarlijks aan de gemeenteraad over de uitvoering, de resultaten en de effecten op het gebeid van handhaving in relatie tot de beleidsuitgangspunten en-prioriteiten zoals vastgelegd in het handhavingsbeleidskader.

     

HOOFDSTUK 7: HERZIENING, INTREKKING EN TERUGVORDERING

Artikel 29. Herziening, intrekking en terugvordering

  • 1.

    Degene aan wie krachtens deze verordening een maatwerkvoorziening is verstrekt, is verplicht op verzoek of onverwijld uit eigen beweging aan het college mededeling te doen van feiten en omstandigheden waarvan hun redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze aanleiding kunnen zijn tot heroverweging van een beslissing aangaande een maatwerkvoorziening.

  • 2.

    Het college kan een besluit, genomen op grond van deze verordening, beëindigen, wijzigen, herzien of intrekken als het college vaststelt dat:

    • a.

      de cliënt en/of diens (wettelijke) vertegenwoordiger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid;

    • b.

      de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb is aangewezen;

    • c.

      de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb niet meer toereikend is te achten;

    • d.

      de cliënt niet voldoet aan de voorwaarden van de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb, of

    • e.

      de cliënt de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb niet of voor een ander doel gebruiken dan waarvoor het is bestemd.

  • 3.

    Als het college een besluit op grond van het tweede lid aanhef en onder a heeft herzien of ingetrokken, kan het college de geldswaarde vorderen van de teveel of ten onrechte genoten maatwerkvoorziening of het teveel of ten onrechte genoten pgb.

Artikel 30. Controle

  • 1.

    Het college kan, al dan niet steekproefsgewijs, onderzoek doen naar het gebruik van maatwerk en algemene voorzieningen met het oog op de beoordeling van de kwaliteit en de recht- en doelmatigheid.

  • 2.

    Het college kan nadere regels stellen met betrekking tot deze controle.

     

HOOFDSTUK 8: WAARDERING MANTELZORGERS EN TEGEMOETKOMING MEERKOSTEN

Artikel 31. Jaarlijkse waardering mantelzorgers

  • 1.

    Mantelzorgers van cliënten in de gemeente kunnen door middel van een melding bij het college voor het ontvangen van een jaarlijkse blijk van waardering in aanmerking worden gebracht.

  • 2.

    Deze blijk van waardering bestaat uit de dag van de mantelzorg, die jaarlijks georganiseerd wordt.

     

HOOFDSTUK 9: KLACHTEN, MEDEZEGGENSCHAP EN INSPRAAK

Artikel 32. Klachtregeling

  • 1.

    Voor de afhandeling van klachten van cliënten -of anderen die namens de cliënt betrokken zijn geweest bij de procedure zoals bedoeld in hoofdstuk 2- die betrekking hebben op gedragingen jegens cliënt van het college of de voor haar werkzame personen bij de afhandeling van meldingen en aanvragen als bedoeld in hoofdstuk 2 van deze verordening, hanteert het college de klachtenregeling zoals vastgesteld in de Verordening interne afhandeling klachten.

  • 2.

    Aanbieders stellen een regeling vast voor de afhandeling van klachten van cliënten ten aanzien van alle voorzieningen.

  • 3.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de klachtregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders.

Artikel 33. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning

  • 1.

    Aanbieders stellen een regeling vast voor de medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder welke voor de gebruikers van belang zijn waar het betreft geleverde diensten of voorzieningen.

  • 2.

    Onverminderd andere handhavingsbevoegdheden ziet het college toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Artikel 34. Betrekking van ingezetenen bij het beleid

  • 1.

    Het college betrekt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun (wettelijke) vertegenwoordigers, bij de voorbereiding van het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning, overeenkomstig de krachtens artikel 150 van de Gemeentewet gestelde regels met betrekking tot de wijze waarop inspraak wordt verleend.

  • 2.

    Het college stelt ingezetenen van de gemeente, waaronder in ieder geval cliënten of hun (wettelijke) vertegenwoordigers, vroegtijdig in de gelegenheid voorstellen voor het beleid betreffende maatschappelijke ondersteuning te doen, advies uit te brengen bij de besluitvorming over verordeningen en beleidsvoorstellen betreffende maatschappelijke ondersteuning, en voorziet hen van ondersteuning om hun rol effectief te kunnen vervullen.

  • 3.

    Het college stelt nadere regels vast ter uitvoering van het tweede lid en de overige onderwerpen als genoemd in artikel 2.1.3, derde lid, van de Wet.

     

HOOFDSTUK 10: PRIVACY EN AFSTEMMING MET ANDERE VOORZIENINGEN

Artikel 35. Privacy

  • 1.

    Het college verwerkt geen gegevens betreffende een cliënt, tenzij dit voor de uitvoering van de wet noodzakelijk is.

  • 2.

    Het college verwerkt geen persoonsgegevens betreffende een cliënt zonder daartoe van de cliënt toestemming te verkrijgen.

  • 3.

    In afwijking van het tweede lid kan het college persoonsgegevens van een cliënt verwerken zonder daartoe de toestemming van die cliënt te hebben verkregen, wanneer daarmee tegemoet gekomen wordt aan een spoedeisend belang van de cliënt of een wettelijke bevoegdheid bestaat om te mogen handelen zonder toestemming.

  • 4.

    Het college beveiligt de persoonsgegevens die zijn verkregen ten behoeve van de uitvoering van de wet deugdelijk en adequaat.

Artikel 36. Jeugdwet

 

  • 1.

    Het college draagt zorg voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en voorzieningen op grond van de Jeugdwet.

  • 2.

    In het kader van deze voorgenoemde verantwoordelijkheden van het college wisselen consulenten jeugd en consulenten Wmo persoonsgegevens uit indien dat noodzakelijk is en daar een grondslag voor is.

  • 3.

    Het college draagt zorg voor de continuïteit van zorg onder zijn verantwoordelijkheid wanneer de jeugdige de leeftijd van 18 jaar bereikt.

Artikel 37. Voorzieningen werk en inkomen

  • 1.

    Het college draagt zorg voor een goede afstemming van voorzieningen op grond van deze verordening en (re‐integratie)voorzieningen op grond van de Participatiewet, waaronder leerwerktrajecten.

  • 2.

    In het kader van deze voorgenoemde verantwoordelijkheden van het college wisselen consulenten Wmo en consulenten werk en inkomen persoonsgegevens uit indien dat noodzakelijk is en daar een grondslag voor is.

     

HOOFSTUK 11: OVERGANGSRECHT EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 38. Evaluatie

Het door het gemeentebestuur gevoerde beleid wordt in ieder geval eenmaal per twee jaar geëvalueerd. Indien de evaluatie daartoe aanleiding bestaat, kunnen het beleid en/of beleidsregels en/of nadere regels en/of het financieel besluit met inachtneming van de bevindingen van de evaluatie, worden aangepast. Het college zendt hiertoe in ieder geval telkens twee jaar na de inwerkingtreding van de verordening aan de gemeenteraad een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.

Artikel 39. Hardheidsclausule

Het college kan in bijzondere gevallen ten gunste van de cliënt afwijken van de bepalingen van deze verordening indien toepassing van de verordening tot onbillijkheden van overwegende aard leidt.

Artikel 40. Intrekking oude verordening en overgangsrecht

  • 1.

    De Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Rozendaal 2016, vastgesteld d.d. 13 december 2016 wordt, met inachtneming van het bepaalde in het tweede, derde en vierde lid van dit artikel, ingetrokken met ingang van inwerkingtreding van deze verordening.

  • 2.

    Een cliënt houdt recht op een lopende voorziening verstrekt op grond van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Rozendaal 2016, totdat het college een nieuw besluit heeft genomen waarbij het besluit waarmee deze voorziening is verstrekt, wordt ingetrokken.

  • 3.

    Aanvragen die zijn ingediend onder de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Rozendaal 2016, en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze verordening, worden afgehandeld krachtens deze verordening.

  • 4.

    Op bezwaarschriften tegen een besluit op grond van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning gemeente Rozendaal 2016, wordt beslist met inachtneming van die verordening.

Artikel 41. Indexering

Het college kan jaarlijks per 1 januari de in het kader van deze verordening en het op deze verordening berustende gemeentelijk Besluit maatschappelijke ondersteuning geldende bedragen aanpassen aan de hand van de Overheidsbijdrage in de arbeidsontwikkeling.

Artikel 42. Inwerkingtreding en citeertitel

  • 1.

    Deze verordening treedt in werking de dag na bekendmaking en werkt terug tot en met 1 februari 2019.

  • 2.

    Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Rozendaal 2019.

     

Aldus besloten in de openbare vergadering van

de gemeenteraad van Rozendaal d.d. 26 maart 2019,

de griffier

K.M. Schaap

de voorzitter

drs. E. Weststeijn