Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Sint Anthonis

Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Sint Anthonis 2017

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieSint Anthonis
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingBeleidsregels Jeugdhulp gemeente Sint Anthonis 2017
CiteertitelBeleidsregels Jeugdhulp gemeente Sint Anthonis 2017
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Gemeentewet
  2. Wet Maatschappelijke Ondersteuning
  3. Wet op de Jeugdzorg

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

17-01-2017Nieuwe Regeling

17-01-2017

Elektronisch Gemeenteblad 2017

Z-16-19374 INT/018237

Tekst van de regeling

Intitulé

Beleidsregels Jeugdhulp gemeente Sint Anthonis 2017

 

 

1. Inleiding

Vanaf 1 januari 2015 is beschikbaarheid en een goede verdeling van zorg en ondersteuning voor jeugdigen en hun ouders de verantwoordelijkheid van de gemeente. De uitvoering is in handen van alle professionals die in enige vorm van zorg verlenen aan deze jeugdigen en hun ouders.

Bij deze opgave zijn gemeenten en jeugdzorgaanbieders, -professionals en burgers van elkaar afhankelijk. Daarbij zijn er verschillende rollen en verantwoordelijkheden te onderscheiden. Gemeenten moeten erop toezien dat de beschikbare budgetten redelijk en rechtvaardig verdeeld worden. Zorgaanbieders moeten in het belang van de cliënt gezamenlijk de best mogelijke zorg verlenen met deze beschikbare middelen. Professionals moeten hun uiterste best doen om deze zorg naar de laatste stand van zaken op gebied van kennis en ontwikkeling uit te voeren. Burgers moeten verantwoord gebruik maken van beschikbare hulp en waar mogelijk zelfstandig en met eigen kracht hun problemen oplossen.

De Jeugdwet maakt onderdeel uit van de bestuurlijke en financiële decentralisatie naar gemeenten van een aantal taken uit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), Zorgverzekeringswet (ZVW) en de Wet op de Jeugdzorg (WJZ). Deze taken worden toegevoegd aan het takenpakket dat al bij gemeenten lag onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo).

In de Verordening Jeugdhulp zijn regels opgenomen over de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor preventie, ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen en ouders bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. De beleidsregels Jeugdhulp Sint Anthonis 2017 zijn een nadere uitwerking van deze verordening.

Binnen het Land van Cuijk werken we samen voor wat betreft de uitvoering van de jeugdhulp. Hierbij is een groot deel van de (uitvoerende) bevoegdheden van het college gemandateerd aan het Basisteam Jeugd en Gezin Land van Cuijk (BJG), op grond van de bepalingen in de algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor de in mandaat genomen besluiten blijft het college verantwoordelijk.

 

1.1Basisteam Jeugd en Gezin (BJG)

Als er een vraag binnenkomt, wordt deze opgepakt door het aanmeld- en adviesteam. Als de vraag enkel om informatie of advies vraagt, wordt deze direct afgehandeld. Indien een vraag meer omvat dan alleen informatie of advies, is er sprake van een hulpvraag. De medewerker van het BJG neemt contact op met de cliënt om de vraag verder op te pakken en indien nodig door te verwijzen.

Het CJG en BJG lopen in het Land van Cuijk naadloos in elkaar over en worden door de zelfde medewerkers bemand. Deze begrippen kunnen daarmee ook door elkaar heen gebruikt worden.

 

1.2Begripsbepaling

Alle definities die in deze beleidsregels worden gebruikt, hebben dezelfde betekenis als in de Jeugdwet, de hierop gebaseerde algemene maatregelen van bestuur, uitvoeringsbesluiten en de Verordening Jeugdhulp gemeente Sint Anthonis 2015.

Hieronder zijn de belangrijkste begripsbepalingen weergegeven:

  • ·

    Aanvraag: aanvraag tot een verleningsbeschikking van een individuele voorziening.

  • ·

    Basishulp: jeugdhulp waarvoor geen verleningsbeschikking nodig is en die wordt verleend door het basisteam of daartoe aangewezen derde.

  • ·

    Basisteam jeugd en gezin (basisteam): team van brede jeugdprofessionals die zelf jeugdhulp verlenen en zo nodig flexibele jeugdhulp of een individuele voorziening inzetten. Het basisteam wordt zowel aangeduid als CJG als BJG.

  • ·

    Familiegroepsplan: hulpverleningsplan of plan van aanpak opgesteld door de ouders, samen met bloedverwanten, aanverwanten of anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren.

  • ·

    Gecertificeerde instelling: rechtspersoon die in het bezit is van een certificaat of voorlopig certificaat als bedoeld in artikel 3.4 Jeugdwet en die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitvoert;

  • ·

    Gesprek: gesprek als bedoeld in artikel 6 van de verordening.

  • ·

    Hulpvraag: behoefte van een jeugdige of zijn ouders aan jeugdhulp in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, van de wet.

  • ·

    Jeugdhulp: ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie (o.a. informatie en advies), aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie-gerelateerde problemen.

  • ·

    Jeugdige: persoon die

    • 1.

      de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt;

    • 2.

      de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht, of

    • 3.

      de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt, en voor wie de voortzetting van jeugdhulp als bedoeld in onderdeel 1, die was aangevangen, of voor wie het college vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp noodzakelijk is of voor wie, na beëindiging van jeugdhulp die was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, binnen een termijn van een half jaar hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is.

  • ·

    Lokaal maatwerk: zorg welke lokaal, dichtbij en snel ingezet kan worden door het BJG. Hiervoor zijn beperkte financiële middelen beschikbaar.

  • ·

    Melding: melding van een hulpvraag als bedoeld in artikel 4, eerste lid.

  • ·

    Ouders: gezaghebbende ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder.

  • ·

    PGB: persoonsgebonden budget als bedoeld in artikel 8.1.1 van de wet, zijnde een door het college verstrekt budget aan een jeugdige of zijn ouders, dat hen in staat stelt de jeugdhulp die tot de individuele voorziening of het lokaal maatwerk behoort van derden te betrekken.

  • ·

    Voorzieningen:

    • 1.

      voorliggende voorzieningen: zijn zonder indicatie toegankelijk. Hierbij wordt zowel gesproken over algemene voorzieningen en overige voorzieningen.

      • §

        Algemene voorziening: betreft een voorziening waar iedereen, zonder indicatie of andere vorm van toegang, gebruik van kan maken. Algemene voorzieningen kunnen commerciële diensten zijn maar ook diensten zonder winstoogmerk, zoals sportclubs of jeugdactiviteiten in de buurt. Ook maatschappelijk werk, GGD, Welzijnswerk, Jongerenwerk behoren tot de algemene voorzieningen. 

      • §

        Overige voorziening: betreft o.a. basishulp, door het BJG verleent. Hiervoor is geen verleningsbeschikking voor nodig. Dit is jeugdhulp waarvoor geen verleningsbeschikking, maar wel een verwijsdocument voor nodig is.

    • 2.

      Individuele voorziening: de via een verleningsbeschikking of via een verwijsbericht van de huisarts, medisch specialist, jeugdarts, Veilig Thuis of gecertificeerde instelling, toegankelijke op de jeugdige of zijn ouders toegesneden jeugdhulp in het kader van de Jeugdwet. Dit kan ook groepswerk zijn.

  • ·

    Verleningsbeschikking: een beschikking in de zin van de Algemene wet bestuursrecht afgegeven door een gemeente aan een jeugdige, waarmee die jeugdige in aanmerking komt voor jeugdhulp.

  • ·

    Verwijsdocument: een bericht van de gecertificeerde instelling, Veilig Thuis, huisarts, medisch specialist of jeugdarts waarmee de jeugdige in aanmerking komt voor een individuele voorziening.

  • ·

    Verwijzer: huisarts, medisch specialist, jeugdarts, gecertificeerde instelling, basisteam jeugd en gezin, Veilig Thuis of een andere, door gemeenten aangewezen verwijzer.

  • ·

    Vraag: Informatie en advies, gegeven door het CJG.

  • ·

    Wet: Jeugdwet

  • ·

    Zorg in Natura (ZIN): De ondersteuning of jeugdhulp die aan personen wordt geleverd door aanbieders die door de gemeente gecontracteerd zijn.

     

    • 2.

      Procedure

       

      2.1Hulpvraag van jeugdigen en/of ouders

      Wanneer jeugdigen of ouders behoefte hebben aan hulp, zorg of ondersteuning kunnen zij terecht op hen bekende plaatsen waar zij nu ook al hun vragen stellen. Ouders en jeugdigen stellen hun vragen bij de huisarts of op de school, kinderdagverblijf of consultatiebureau. Maar vragen kunnen ook binnenkomen bij welzijnswerk, vluchtelingenwerk, vrijwilligers in de wijk, het sociale kernteam en de thuiszorg. Ook kan men bij vragen terecht bij het Basisteam Jeugd en Gezin (BJG).

      Als na een korte vraagverkenning door het BJG blijkt dat informatie en advies voldoende is voor de belanghebbende om het ondervonden probleem op te lossen, pakt de BJG-medewerker dit op. Wanneer de problematiek meer complex is en verdere vraagverheldering of verdieping nodig blijkt, of wanneer bij voorbaat al duidelijk is dat een individuele voorziening ingezet moet worden, wordt deze vraag verder in behandeling genomen. Er is dan sprake van een formele melding van een hulpvraag.

       

      2.2Melding van een hulpvraag en vooronderzoek (art. 4 en 5 Verordening)

      Indien er sprake is van een formele melding van een hulpvraag, neemt de BJG-medewerker contact op met de jeugdige en/of de ouders. Er wordt een afspraak gemaakt voor het voeren van een gesprek. Hierbij komen de in artikel 4 van de Verordening genoemde onderwerpen aan de orde. Voorafgaand aan het gesprek kan het BJG, uiteraard met vastgelegde toestemming van de betrokkenen, gegevens en bescheiden die voor het onderzoek nodig zijn verzamelen.

      De BJG-medewerker kan in overleg met de jeugdige en/of de ouder(s) afzien van het voeren van het gesprek. Dat kan als er al voldoende informatie voorhanden is over de situatie en problematiek en direct overgegaan kan worden tot het doen van een aanvraag en het nemen van een gemotiveerd besluit op die aanvraag. Er wordt dan nog wél met de jeugdige en/of de ouder(s) gesproken, maar er is dan geen sprake meer van een uitgebreid onderzoek. Een en ander wordt vastgelegd in een klantplan, welke is ondertekend door de ouders.

       

      2.3.2. Dyslexie

      Bij dyslexie is sprake van een afwijkende procedure en dient de intern begeleider van de (basis)school in samenspraak met de jeugdigen en de ouders een aanvraag in bij het Basisteam Jeugd en Gezin (BJG). De intern begeleider stelt zelf de aanvraag én een advies op basis van het protocol Dyslexie Diagnostiek en Behandeling inzake het te nemen besluit op. Het BJG maakt de beschikking en gaat hierbij af op de informatie en advies van de intern begeleider.

       

      2.3Het gesprek en het verslag van het gesprek (art. 6 en 7 Verordening)

      Het intakegesprek vindt zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk binnen twee weken na de melding van de hulpvraag plaats. Het vindt bij voorkeur plaats in de thuissituatie van de jeugdige en/of zijn ouder(s) (“aan de keukentafel”). Wanneer dit niet mogelijk of niet gewenst is, kan ook een andere locatie gekozen worden. De betrokken jeugdigen en/of ouder(s) kunnen zich bij het gesprek laten bijstaan door bijvoorbeeld een mantelzorger uit hun sociale omgeving of onafhankelijke cliëntondersteuning door MEE.

       

      Familiegroepsplan

      Tijdens het gesprek worden de jeugdige en/of zijn ouder(s) geïnformeerd over de mogelijkheden van onafhankelijke cliëntondersteuning en de inzet van het familiegroepsplan. In een familiegroepsplan kunnen ouders, samen met familie, vrienden en anderen die tot de sociale omgeving van de jeugdige behoren, aangeven hoe zij zelf denken de opvoed- en opgroeisituatie voor hun kind(eren) te kunnen verbeteren. Wat kunnen zij zelf doen? Wat kunnen zij met behulp van mensen uit hun omgeving doen? En welke professionele hulp en ondersteuning denken zij daarbij nodig te hebben? En met welke te behalen concrete doelen? Met het familiegroepsplan krijgen ouders, gezinnen en hun netwerk de mogelijkheid om de regie te voeren over hulp die zij nodig hebben.

      Als een gezin vóór de start van de hulp al een familiegroepsplan heeft gemaakt, dan vormt dit de basis voor verdere hulpverlening (met uitzondering van onder toezicht gestelde kinderen). Als het familieplan ontbreekt, worden ouders gewezen op de mogelijkheid om eerst een familiegroepsplan te maken en op de ondersteuning die hierbij mogelijk is.

      Tijdens het gesprek doet de BJG-medewerker in samenspraak met de jeugdige en de ouder(s) een onderzoek naar de situatie. Daarbij komen de in artikel 6 van de Verordening genoemde onderwerpen aan de orde. Het, met toestemming van de ouder(s) en/of de jeugdige, vragen van een medisch of ander advies bij de door de gemeente ingestelde expert-pool, kan onderdeel uitmaken van het onderzoek.

      De BJG medewerker kijkt samen met de jeugdige en/of zijn ouder(s) wat zij zelf en samen met mensen uit hun omgeving (familie, vrienden, bekenden) aan hun problemen kunnen doen, voordat zij kijken naar welke professionele hulp noodzakelijk is.

      In het klantplan wordt de uiteindelijke hulpvraag vastgelegd en wordt de doelstelling bepaald. Samen wordt gekeken wat de beste oplossing is voor de voorliggende vraag, gelet op de situatie en de omstandigheden.

      Het klantplan wordt verstrekt aan de jeugdige en/of zijn ouder(s), zodat deze het nog rustig kunnen bekijken en eventuele opmerkingen en aanvullingen kunnen maken. Na ondertekening van het Klantplan wordt deze opgenomen in het digitaal dossier.

      Indien een voorziening wordt ingezet, wordt tevens besproken of ZIN toereikend is, of dat een PGB de beste oplossing is. Indien dit laatste het geval is, wordt bezien of aan de criteria hiervoor voldaan wordt.

      Bij een PGB wordt het klantplan uitgebreid met een Persoonlijk plan. Hier komen we in hoofdstuk 5 op terug.

       

      2.4Aanvraag (art. 8 Verordening)

      Als uit het Klantplan naar voren komt dat een individuele voorziening nodig is en de jeugdige en/of de ouders het Klantplan ondertekenen, kan dit fungeren als aanvraagformulier voor de individuele voorziening.

      Een aanvraag kan alleen in behandeling worden genomen wanneer een Klantplan, voorzien van naam, BSN, geboortedatum en ondertekening door jeugdige en/of ouders bij de gemeente is ingeleverd, begeleid door een aanvraagformulier. De datum waarop de aanvraag juist en volledig is, geldt als aanvraagdatum. In het Klantplan moet daarnaast een situatieschets, analyse en conclusie bevatten.

      Wanneer men kiest voor een PGB wordt bij de aanvraag tevens een aanvraag voor toekenning voor PGB gedaan.

      Aan de jeugdige en/of ouders wordt toestemming gevraagd om de noodzakelijke gegevens uit te wisselen in het kader van de Wet Bescherming Persoonsgegevens.

       

      2.5De verleningsbeschikking (art. 9 Verordening)

      De jeugdige en/of zijn ouder(s) ontvangen de beslissing op de aanvraag binnen 8 weken na de indiening van de aanvraag schriftelijk in een beschikking. Indien deze termijn overschreden lijkt te worden, zal op grond van de Awb de klant schriftelijk geïnformeerd worden over een verlenging van dit termijn met 8 weken.

      In de beschikking staat: de aanvraagdatum, de beslissing, de motivering van de beslissing, welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is, welke algemene voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn en informatie over de effectuering van het besluit. Tegen deze beslissing zijn bezwaar en beroep volgens de Awb mogelijk.

      De beschikking voor Zorg in Natura vermeldt de in te zetten zorgsoort en niet de intensiteit en de omvang van de voorziening: dat bepalen de zorgaanbieder en de cliënt in overleg. De beschikking kent wel een maximale duur, namelijk 1 jaar, tenzij de aard van de voorziening zich hiertegen verzet of duidelijk is dat de aangevraagde hulp voor een langere periode noodzakelijk is. Zo is bijvoorbeeld een perspectief biedende vervangende woonplek bij een pleeggezin altijd voor een langere periode bedoeld. Uiterlijk 8 weken vóór het verstrijken van de termijn van 1 jaar van de beschikking, moet er door de jeugdige en/of zijn ouders een aanvraag voor een nieuwe verleningsbeschikking gedaan worden, indien er nog voortzetting van de zorg nodig is.

      De verleningsbeschikking moet binnen een half jaar verzilverd worden. Daarna vervalt de geldigheid van de beschikking en moet zo nodig een nieuwe aanvraag worden gedaan.

      Voor het inzetten van Lokaal maatwerk is een verwijsdocument nodig. In dit verwijsdocument staat: de aanvraagdatum, wat de te verstrekken jeugdhulp is en wat het beoogde resultaat is en of er ook andere algemene voorzieningen worden ingezet. Tegen dit verwijsdocument is geen bezwaar en beroep mogelijk. De BJG-er geeft dit verwijsdocument mee aan de klant. De klant kan met dit verwijsdocument naar de zorgaanbieder waar Lokaal maatwerk is ingekocht voor de gemeenten in Noordoost Brabant. De zorgaanbieder stuurt bij aanvang van de hulp dit verwijsdocument door naar de centrumgemeente zodat zij de totale inzet Lokaal maatwerk kan bewaken.

       

      2.6Toegang via de huisarts

      Alle voorzieningen voor jeugdhulp zijn ook toegankelijk via verwijzing door een huisarts, de medische specialist en de jeugdarts van de GGD. Deze verwijzingen zijn geen beschikkingen in de zin van de Awb.

       

      2.7Toegang via de Gecertificeerde Instelling

      Alle voorzieningen voor jeugdhulp zijn ook toegankelijk via een verwijzing door een medewerker van een Gecertificeerde Instelling, in het kader van de uitvoering van een maatregel van jeugdbescherming of jeugdreclassering. Tegen een dergelijk besluit is, gelet op de juridische context, géén bezwaar of beroep mogelijk.

       

      2.8Procedure in geval van crisis en onveiligheid

      In geval van crisis en onveiligheid is de procedure binnen en buiten kantooruren verschillend. Buiten kantooruren wordt de triage en eventuele afhandeling opgepakt dar Spoedeisende Zorg (SEZ). Binnen kantooruren wordt deze verzorgd door het BJG. In deze paragraaf gaan we in op de procedure van het BJG.

      In een acute situatie moet zorgvuldig worden afgewogen wat de urgentie van de situatie is en hoe snel gehandeld moet worden. Wanneer het BJG, ofwel door eigen waarneming, ofwel doordat men hierop opmerkzaam is gemaakt door derden, op de hoogte is van een crisissituatie bij een jeugdige of in een gezin, zal dan ook direct gehandeld worden. Allereerst zal triage verricht worden, waarna vervolgstappen ondernomen worden.

      In crisissituaties gaat het om levensbedreigende situaties of direct gevaar voor de jeugdige door bijvoorbeeld ernstige verwaarlozing, ernstig fysiek geweld of seksueel misbruik. Ook situaties waarin ouder of jeugdige dreigt met zelfdoding of een psychose heeft vallen in deze categorie. Het BJG grijpt in deze gevallen altijd direct in. Er is overleg met Veilig Thuis en/of de SEZ, op basis hiervan wordt bepaald welke actie nodig is, wie actie onderneemt en of SEZ nodig is.

      Wanneer de situatie spoedeisend is, maar niet direct bedreigend, gaat het BJG binnen 24 uur in gesprek met het gezin. Wanneer er een vermoeden is van kindermishandeling wordt dit vermoeden met het gezin besproken, tenzij dit niet mogelijk is gelet op veiligheidsaspecten. Het BJG kan Veilig Thuis en/of de Raad voor de Kinderbescherming bij de zaak betrekken. Ook in deze gevallen kan ervoor gekozen worden SEZ in te zetten.

      Wanneer crisis- of spoedhulp wordt ingezet, kan dit op vrijwillige basis zónder formele verleningsbeschikking gedurende maximaal 4 weken. Gedurende dat termijn zal het BJG alsnog met de jeugdige en/of de ouder(s) het gesprek voeren en bezien of vervolg-hulp nodig is.

      De Raad voor de Kinderbescherming kan besluiten dat er geen of onvoldoende gronden zijn voor een kinderbeschermingsmaatregel. De burgemeester heeft de bevoegdheid om de Raad voor de Kinderbescherming te vragen om de zaak alsnog voor een oordeel aan de rechter voor te leggen. De Raad voor de Kinderbescherming heeft de plicht om aan dit verzoek gehoor te geven. Deze route via de burgemeester geldt alleen voor verzoeken tot onderzoek die zijn ingediend door ‘het college’, dat wil zeggen: de gemeente of een door de gemeente daartoe gemachtigde instelling (artikel 2.4 Jeugdwet, lid 1). Voor onze gemeente is het Basisteam Jeugd en Gezin hiervoor gemachtigd.

       

      2.9Spoedhulp ingezet door de Raad voor de Kinderbescherming

      De Raad voor de Kinderbescherming kan het, hangende het onderzoek, noodzakelijk achten dat een kind (met spoed) in gesloten jeugdzorg wordt geplaatst. In alle gevallen van gesloten jeugdzorg is een machtiging van de rechter nodig. Die machtiging kan slechts worden afgegeven wanneer het BJG heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp met verblijf nodig is. De gemeente geeft vervolgens een verleningsbeschikking af. Gelet op de geboden haast, dient de gemeente met spoed aan een dergelijk verzoek van de Raad te voldoen.

      Overigens kán de gemeente besluiten géén verleningsbeschikking af te geven. Uiteraard luistert de motivatie dan nauw. In die gevallen kan de Raad dan overigens de rechter verzoeken (uiteraard ook gemotiveerd), ondanks die weigering van de gemeente, de machtiging tóch af te geven.

      Ook bij vrijwillige gesloten jeugdzorg is een machtiging van de kinderrechter nodig.

       

      2.10Start van de jeugdhulp bij Zorg in Natura

      Met het verwijsdocument of de verleningsbeschikking kunnen de jeugdige en/of zijn ouders zich aanmelden bij een zorgaanbieder welke is gecontracteerd door de gemeente. Dit is anders als gekozen wordt voor een PGB, zie daarvoor hoofdstuk 5 van deze Beleidsregels.

      De door de gemeente gecontracteerde zorgaanbieders hebben een acceptatieplicht, zij mogen derhalve geen cliënten weigeren. Zij dienen binnen vier weken na de aanmelding te starten met de toegewezen hulp. Wanneer een zorgaanbieder in overleg met de jeugdige, de ouder(s) en eventueel hun verwijzers concludeert dat een andere zorgaanbieder beter of eerder de benodigde hulp kan bieden, zorgt de zorgaanbieder waarbij het eerste is aangemeld, voor een warme overdracht naar die andere aanbieder.

      Indien er binnen vier weken door de oorspronkelijke zorgaanbieder geen passend alternatief wordt gevonden, dan wel geen begin is gemaakt met het bieden van jeugdhulp, blijft de oorspronkelijke zorgaanbieder verantwoordelijk voor het verlenen van jeugdhulp in de vorm van overbruggingshulp totdat er een andere zorgaanbieder is gevonden.

      In het geval van Jeugdhulp met Verblijf kan de overbruggingshulp bestaan uit het bieden van Jeugdhulp zonder Verblijf.

      De jeugdige en/of zijn ouders hebben de keuze gebruik te maken van het geboden alternatief, dan wel te wachten op de oorspronkelijk te verlenen jeugdhulp door de oorspronkelijke zorgaanbieder.

      Indien er sprake is van crisis en tevens verwijzing door daartoe bevoegde instanties, start zorgaanbieder binnen 24 uur na de aanmelding, of zoveel eerder als de verwijzer noodzakelijk acht, met de verlening van jeugdhulp.

       

      2.11Uitvoering van de jeugdhulp

      Tijdens de uitvoering van de jeugdhulp houdt de zorgaanbieder, dit in overleg met en met toestemming van de jeugdige en/of de ouders, contact met de verwijzer (onder meer het BJG). De intensiteit van dit contact is afhankelijk van de omstandigheden van het geval en van de daarover gemaakte afspraken. In overleg wordt gedurende de uitvoering van de jeugdhulp bezien of de gestelde doelen en resultaten behaald worden, wanneer de zorg afgesloten kan worden en of daarna andere of nazorg nodig is.

       

  • 3.

    Criteria

     

    3.1Inleiding

    De Jeugdwet kent geen grondslagen en geen recht op jeugdzorg. In de Jeugdwet is de diagnose niet leidend. Er wordt vastgesteld wat de hulpvraag is en vervolgens wordt via het zogenaamde trechtermodel beoordeeld wat de aanvrager zelf of met hulp van de eigen omgeving kan oplossen, wat met algemene voorzieningen kan worden opgelost en tenslotte waarvoor individuele voorzieningen noodzakelijk zijn.

    In de Jeugdwet vormt het gesprek (het onderzoek) de basis voor de verlening van jeugdhulp. Jeugdhulp is bedoeld voor het ondersteunen van en hulp en zorg aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, opvoedingsproblemen van de ouders of adoptie-gerelateerde problemen.

    De Jeugdwet is van toepassing op jeugdigen die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt. In bepaalde gevallen, opgenomen in artikel 1.1 van de Jeugdwet, onder “jeugdige” onderdelen 2 en 3, kan jeugdhulp verleend worden na het 18e jaar, in de meeste gevallen tot uiterlijk 23 jaar.

     

    3.2Woonplaats

    De gemeente is gehouden voorzieningen voor jeugdhulp te treffen voor jeugdigen en hun ouders die in de gemeente Sint Anthonis wonen. Daarbij horen ook jeugdigen die onder voogdij van een Gecertificeerde Instelling staan en in een instelling in de gemeente Sint Anthonis wonen. Om de woonplaats te bepalen, kan gebruik worden gemaakt van het ontwikkelde stroomschema woonplaatsbeginsel.

    In de Jeugdwet zijn regels opgenomen inzake de verantwoordelijkheid van de gemeente voor het treffen van voorzieningen voor rechtmatig en niet rechtmatig in de gemeente verblijvende vreemdelingen.

     

    • 3.3Voorliggende voorzieningen

       

      3.3.1. Algemene voorzieningen

       

      Wanneer blijkt dat jeugdigen en/of hun ouders niet op eigen kracht of met hulp van het sociaal netwerk (familie, vrienden, kennissen) tot een oplossing kunnen komen, wordt beoordeeld of er algemene voorzieningen zijn die de problemen die jeugdigen en ouders ervaren (gedeeltelijk) kunnen oplossen. Algemene voorziening is een breed begrip. Het betreft voorzieningen waar iedereen, zonder indicatie of andere vorm van toegang, gebruik van kan maken. Algemene voorzieningen kunnen commerciële diensten zijn maar ook diensten zonder winstoogmerk, zoals sportclubs of jeugdactiviteiten in de buurt. Ook maatschappelijk werk, schuldhulpverlening, GGD, Welzijnswerk, Jongerenwerk behoren tot de algemene voorzieningen. 

      Jeugdigen en hun ouders komen niet in aanmerking voor een individuele voorziening of voor overige voorzieningen indien er een algemene voorziening is die:

      • ·

        daadwerkelijk beschikbaar is voor de jeugdige en/of de ouder;

      • ·

        financieel gedragen kan worden door het gezin. Het college beoordeelt of het gezin in redelijkheid de algemene voorziening kan betalen. Het is vervolgens aan de ouders om dit te weerleggen. De ouders moeten aannemelijk maken dat de algemene voorziening financieel niet gedragen kan worden, en;

      • ·

        passend en toereikend is voor de jeugdige en/of de ouder.

         

      3.3.2. Overige voorzieningen

       

      De medewerkers van het BJG kunnen in beperkte mate ook zélf hulp verlenen (basishulp). Met gerichte inzet kunnen zij wellicht in een korte periode zoveel betekenen dat daarmee de inzet van een individuele voorziening voorkomen of beperkt kan worden. Hiervoor is geen verleningsbeschikking nodig.

       

      Er moet in elke individuele situatie worden beoordeeld of de voorliggende voorziening toereikend en passend is. Is dit niet het geval, dan zal alsnog een (aanvullende) individuele jeugdhulpvoorziening worden geboden. Indien jeugdigen en/of hun ouders geen gebruik wensen te maken van een beschikbare voorliggende voorziening kan dat niet automatisch leiden tot het verlenen van een individuele voorziening.

       

    • 3.4Voorliggende voorzieningen op grond van andere wet- en regelgeving

       

      3.4.1. WLZ, ZVW en Beginselenwet Justitiële jeugdinrichtingen

      Voorliggend op de Jeugdwet is een voorziening/dienst op grond van een andere wettelijke regeling, zoals de Wet langdurige zorg (Wlz), Zorgverzekeringswet of Beginselenwet Justitiële jeugdinrichtingen. Jeugdigen die gebruik kunnen maken van voorzieningen in het kader van deze genoemde regelingen kunnen geen aanspraak maken op jeugdhulp in het kader van de Jeugdwet. Indien dit het geval is, zal er op grond van de Jeugdwet geen voorziening worden verstrekt en zullen ouders en kinderen die een aanvraag voor jeugdhulp doen worden verwezen naar de instantie waar een aanvraag voor een voorziening op basis van de voornoemde wetten kan worden behandeld.

      De gemeente maakt met zorgverzekeraars afspraken over samenwerking en afstemming.

       

      3.4.2. Afbakening Wmo en Jeugdwet

      Begeleiding, kortdurend verblijf en persoonlijke verzorging voor jeugdigen tot en met 18 jaar zijn in de Jeugdwet ondergebracht. De hulpmiddelen en rolstoelen voor jeugdigen blijven onder de Wmo vallen. Hiervoor mag geen bijdrage in de kosten worden gevraagd. Woningaanpassingen voor jeugdigen onder de 18 jaar, die thuis blijven wonen, blijven ook onder de Wmo vallen. Hiervoor mag wél een bijdrage in de kosten aan de ouders worden gevraagd.

      Aangezien de gemeente zélf verantwoordelijk is voor zowel de uitvoering van de Jeugdwet als van de Wmo, is het mogelijk ervoor te zorgen dat jeugdigen die zowel vóór als ná hun 18e verjaardag hulp nodig hebben, geen last hebben van de overgang naar een ander wettelijk kader. De BJG’s, het Sociale kernteam, de consulent Wmo en de consulent Participatiewet zullen hier goede afspraken over maken.

       

      3.4.3. (Wettelijke) voorliggende voorzieningen in geval van Begeleiding

      Dit zijn (wettelijke) voorzieningen waar eerst een beroep op kan worden gedaan alvorens individuele voorziening “begeleiding” wordt overwogen:

      • ·

        Onderwijs: begeleiding van jeugdigen met problemen is de verantwoordelijkheid van school. Tevens zijn er mogelijkheden vanuit de Wet passend onderwijs. Alleen in zeer uitzonderlijke situaties; als toezicht en aansturen meer vraagt dan van school en ouders kan worden verwacht en de mogelijkheden vanuit de Wet passend onderwijs ontoereikend zijn kan begeleiding worden geïndiceerd.

      • ·

        Kinderopvang en buitenschoolse opvang: kinderopvang is verantwoordelijkheid van ouders, werkgever en overheid. Kinderopvang is ook voor jeugdigen met een beperking voorliggend. Ouders hebben een verantwoordelijkheid in het leren omgaan van leidsters met hun jeugdige met een beperking. Alleen in zeer uitzonderlijke situaties als een jeugdige extra begeleiding nodig heeft die niet door leidsters kan worden geboden en niet van ouders kan worden verwacht, kan begeleiding worden geïndiceerd.

     

    3.5Gebruikelijke hulp

    Gebruikelijke hulp is hulp die verwacht wordt van huisgenoten, die “normaal” wordt geacht in de relatie tussen huisgenoten en/of niet structureel meer is dan wanneer de huisgenoot geen beperking zou hebben.

    Hulp en ondersteuning door de ouder, volwassen inwonend kind of andere volwassen huisgenoot wordt als gebruikelijke hulp beschouwd:

    • ·

      In kortdurende situaties (max. 3 maanden): als uitzicht op herstel (van de zelfredzaamheid) dusdanig is dat begeleiding daarna niet meer nodig zal zijn.

    • ·

      In langdurige situaties;

    • -

      bij normaal maatschappelijk verkeer binnen de persoonlijke levenssfeer (bezoek familie/vrienden, bezoek huisarts, brengen en halen van kinderen naar school, sport of clubjes);

    • -

      het leren omgaan van derden (familie/vrienden/leerkracht etc.) met het kind;

    • -

      ouderlijk toezicht op kinderen, de aard en mate hiervan is afhankelijk van de leeftijd van het kind;

    • -

      het bieden van een beschermende woonomgeving aan kinderen ten minste tot en met de leeftijd van 17 jaar.

       

      3.5.1Huiswerkbegeleiding

      De verantwoordelijkheid voor huiswerkbegeleiding ligt bij ouders en valt onder gebruikelijke hulp. Mochten ouders dit niet kunnen of de jeugdige de aansturing van ouders niet accepteren, is een reguliere huiswerkklas voorliggend. Ook ligt een gedeelte van de zorg rondom het huiswerk bij school. Mochten de reguliere middelen van school ontoereikend zijn, dan kan vanuit het samenwerkingsverband gekeken worden wat de mogelijkheden zijn. Alleen dat deel van de begeleiding dat boven op de gebruikelijke zorg van ouders en school komt, kan vanuit de jeugdwet ingezet worden.

      Er kan alleen begeleiding worden ingezet op het gebied van het plannen en structureren van het huiswerk. Voorwaarden om hiervoor in aanmerking te komen zijn ten minste:

      • ·

        De jeugdige heeft een diagnose waaruit blijkt dat er meer moeite is met het plannen, structureren en overzicht houden;

      • ·

        Op meerdere vlakken komen de problemen met plannen, structureren en overzicht houden voor, dus niet alleen bij schoolse zaken maar ook in de vrije tijd en thuissituatie;

      • ·

        Reguliere huiswerkwerkbegeleiding is niet toereikend/passend.

    •  

      3.6Verantwoordelijkheden belanghebbende versus college

    In de Verordening wordt uitgebreid de verantwoordelijkheid van het college en de verantwoordelijkheid van belanghebbende benoemd. In de Jeugdwet wordt uitgegaan van wederzijdse inspanningen. Er wordt zowel een beroep gedaan op het BJG om zeer uitgebreid alle mogelijkheden om tot oplossingen te komen te onderzoeken, als op de eigen kracht van de belanghebbende van wie wordt verwacht eerst zelf naar oplossingen te zoeken voordat bij het BJG om ondersteuning wordt gevraagd.

     

  • 4.

    Jeugdhulp

     

    4.1Categorieën Jeugdhulp

    Jeugdhulp wordt vanaf 1 januari 2016 toegekend op basis van de volgende indeling in hoofd- en subcategorieën:

    Hoofdcategorie

    Subcategorieën

     

    Jeugdhulp zonder verblijf

    Ambulante zorg op locatie van de aanbieder

    Basis GGZ

    SGGz

    Dyslexie

    Overig

    Daghulp op locatie van de aanbieder

    Licht

    Zwaar

    Jeugdhulp in het netwerk van de jeugdige

     

    Jeugdhulp met verblijf

    Pleegzorg

     

    Gezinsgericht

     

    Gesloten plaatsing

     

    Overig residentieel

     

    Behalve het type jeugdhulp wordt in de beschikkingen en verwijzingen ook het perspectief opgenomen. Daarbij gelden de volgende opties:

    ·Stabilisatie van de crisissituatie

    Deze optie wordt alleen gebruikt als dit het enige perspectief van de door de zorgaanbieder geleverde jeugdhulp is. Er is later geen begeleiding of behandeling nodig.

    ·Diagnostiek

    Deze optie wordt alleen gehanteerd als diagnostiek het enige perspectief is en er geen begeleiding of behandeling uit volgt.

    ·Begeleiden

    Activiteiten waarmee een jeugdige wordt ondersteund bij het uitvoeren van dagelijkse levensverrichtingen en het aanbrengen en behouden van structuur in en regie over het persoonlijke leven.

    ·Behandelen

    Hierbij gaat het om het oplossen of verhelpen van een psychisch-, psychosociaal-, gedrags- of opvoedprobleem, dan wel een psychische stoornis. Behandelen kan ook gericht zijn op het leren omgaan met, verminderen of stabiliseren van het probleem of de stoornis.

    De zorgaanbieder komt alleen in aanmerking voor financiering indien er een deelovereenkomst met de aanbieder is en indien de hulpvrager verwezen is door:

    • ·

      Het Basisteam Jeugd en Gezin;

    • ·

      De huisarts, jeugdarts of medisch specialist (o.a. de kinderarts);

    • ·

      De Gecertificeerde Instelling;

    • ·

      Andere, door gemeenten aangewezen verwijzers (via mandaat, bijv. Veilig Thuis).

    Voorts zetten we vooralsnog de in de praktijk gegroeide werkwijze door, waarbij kinderrechters bevoegd zijn om zonder indicatiebesluit omgangsbegeleiding (een vorm van jeugdhulp zonder verblijf, ambulante jeugdhulp) in te zetten.

    De verwijzing bestaat uit een verleningsbeschikking of een verwijsbericht.

     

    4.2Vervoer naar de locatie van de zorgaanbieder

    Voorzieningen op het gebied van jeugdhulp omvatten voor zover noodzakelijk in verband met de medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, het vervoer van de jeugdige van en naar de locatie van de zorgaanbieder.

    Wanneer een cliënt in staat is met het openbaar vervoer te reizen (eventueel na oefenen onder begeleiding) of met de fiets of een ander vervoermiddel zelfstandig (of onder begeleiding van mantelzorg of vrijwilliger, indien beschikbaar) kan reizen dan is dat voorliggend. Dus zowel bij Zorg In Nature als bij PGB geldt dat ouders in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor vervoer. Slechts indien de ouders niet in staat zijn om zelf of met behulp van het sociaal netwerk in het vervoer te voorzien, kan hiervoor een beroep worden gedaan.

    Met de zorgaanbieders Zorg In Natura is afgesproken dat vervoer door de gemeente niet wordt opgenomen in de verleningsbeschikking, maar dat zij in overleg met jeugdigen en/of hun ouders nagaan of vervoer noodzakelijk is en hoe zij daar vorm aan geven. Aanbieders kunnen dan ook het noodzakelijke vervoer op zo efficiënt mogelijke wijze organiseren.

    Wanneer een PGB wordt toegekend kan indien noodzakelijk het vervoer wél meegenomen worden in het verleningsbesluit. Alle voorliggende voorzieningen zoals hierboven omschreven moeten zijn afgewogen. Het BJG kan er ook voor kiezen om de kosten van taxivervoer te vergoeden.

     

    4.3Kwaliteit

    De door de gemeente te contracteren zorgaanbieders dienen te voldoen aan de in de Jeugdwet, Hoofdstuk 4, paragraaf 4.1, gestelde kwaliteitsvereisten.

    Verder voldoen de zorgaanbieders (inclusief PGB aanbieders) aan het Besluit Jeugdwet en hierin genoemde beroepen registratie Kwaliteitsregister Jeugd (hoofdstuk 5). Daarnaast worden in de deelcontracten nadere afspraken over de te leveren kwaliteit gemaakt.

    Het toezicht op de kwaliteit van de jeugdhulp is in de Jeugdwet opgedragen aan de Inspectie Jeugdzorg, welke ressorteert onder het ministerie van VWS.

     

    4.4Cliëntervaringsonderzoek

    Het college is conform artikel 2.10 Jeugdwet verplicht jaarlijks cliëntervaring te meten en de uitkomsten daarvan te publiceren. Hierom voert het college een continu ervaringsmonitor uit. Iedere cliënt wordt aan het eind van een hulptraject in gelegenheid gesteld om zijn of haar mening te uiten over cliëntervaring.

    Het college publiceert de resultaten van de monitor ten minste een maal per jaar.

    Resultaten van het onderzoek worden uitsluitend gebruikt ter verbetering van de jeugdhulp.

     

5.Regels voor een persoonsgebonden budget (PGB)

Indien na het doorlopen van de procedure, zoals beschreven in hoofdstuk 2, wordt geconcludeerd dat de gewenste zorg niet geleverd kan worden middels Zorg in Natura, kan een Persoonsgebonden Budget (PGB) worden toegekend.

Een PGB kan een geschikt instrument zijn voor de cliënt om zijn leven naar eigen wensen en behoeften in te vullen. Het is een verstrekking vorm die bij uitstek geschikt is voor mensen die zelf de regie over hun leven kunnen voeren. De gemeente streeft ernaar dat jeugdhulp zo dicht mogelijk in de omgeving van de jeugdigen beschikbaar is. Niet voor alle vormen is dit mogelijk. De gemeente vindt het van belang dat mensen eigen regie over hun leven kunnen voeren. Als zij dit kunnen motiveren waarom een ZIN voorziening niet adequaat is kunnen zij, hiervoor een PGB aanvragen.

De aanvraag voor een PGB kan gedaan worden door de jeugdige en/of zijn ouders. Zij zijn in dat geval de aanvrager. Indien de jeugdige en/of zijn ouders zelf voldoen aan de beoordelingscriteria zoals genoemd in 5.1.1. zijn zij tevens budgethouder. Indien een aanvrager niet zelf voldoet aan deze beoordelingscriteria, kan ervoor gekozen worden een vertegenwoordiger uit het sociale netwerk, een bewindvoerder, mentor, gemachtigde of Gecertificeerde Instelling aan te wijzen als budgethouder. In dat geval dient deze te voldoen aan de genoemde criteria.

 

  • 5.1Voorwaarden om in aanmerking te komen voor een PGB

    5.1.1. Bekwaamheid van de budgethouder

    Om na te gaan of de PGB-budgethouder op verantwoorde wijze om kan gaan met een PGB wordt de bekwaamheid beoordeeld. De beoordelingscriteria zijn:

    • a.

      Is de budgethouder goed op de hoogte van de rechten en plichten die horen bij het beheer van een PGB en kan hij/zij hiermee omgaan;

    • b.

      Is de budgethouder in staat de opdrachtgeverstaak op zich te nemen, zoals een aanbieder uitzoeken, sollicitatiegesprekken voeren, contracten afsluiten, facturen afhandelen, bewaken van de kwaliteit en de voortgang van de hulp.

    Overwegende bezwaren zijn er als er een ernstig vermoeden is dat de budgethouder problemen zal hebben met het omgaan met een PGB. De situaties waarbij het risico groot is dat het PGB niet besteedt wordt aan het daarvoor bestemde doel zijn:

    • ·

      de budgethouder is handelingsonbekwaam;

    • ·

      de budgethouder heeft als gevolg van dementie, een verstandelijke handicap of ernstige psychische problemen onvoldoende inzicht in de eigen situatie;

    • ·

      er is sprake van verslavingsproblematiek bij aanvrager/budgethouder;

    • ·

      er is sprake van schuldenproblematiek bij aanvrager/budgethouder;

    • ·

      er is eerder misbruik gemaakt van een PGB door aanvrager/budgethouder;

    • ·

      er is eerder sprake geweest van fraude door aanvrager/budgethouder.

    Bovenstaande opsomming is niet limitatief. Er kunnen andere situaties denkbaar zijn waarin het verstrekken van een PGB niet gewenst is. In deze situaties kan een PGB worden geweigerd. Indien een PGB geweigerd wordt, dient de onderbouwing hiervan vermeld te worden in de beschikking.

     

    5.1.2. Persoonlijk Plan

    Een individuele voorziening in de vorm van een PGB wordt alleen verstrekt indien de aanvrager dit gemotiveerd, aan de hand van een opgesteld Persoonlijk Plan, indient. De aanvrager moet motiveren dat het bestaande aanbod van Zorg in Natura niet passend is. In het plan moet duidelijk worden aangetoond dat de verstrekking van een PGB aantoonbaar leidt tot betere en effectievere ondersteuning. Ook dient de ondersteuning aantoonbaar doelmatiger te zijn. De gemeente beoordeelt of dit plan voldoet. Door het opstellen van een Persoonlijk Plan worden cliënten gestimuleerd na te denken over de zorgvraag, deze uit te werken en te concretiseren, en tevens het doelbereik en daarmee de kwaliteit van de zorg te evalueren.

    Het Persoonlijk Plan bevat minimaal de volgende onderdelen:

    • ·

      Een probleemanalyse, inclusief onderbouwing waarom een PGB passender is dan ZIN

    • ·

      De beoogde resultaten van de hulpverlening en ondersteuning

    • ·

      Waar en hoe de budgethouder de hulp en ondersteuning zal inkopen

    • ·

      Hoe de kwaliteit van de hulp en ondersteuning gewaarborgd is

    • ·

      De verwachte / gewenste omvang en duur van de ondersteuning

    • ·

      Een begroting

    De budgethouder komt met de aanbieder een PGB zorgovereenkomst overeen waar ten minste afspraken in zijn opgenomen over de kwaliteit en het resultaat van de maatschappelijke ondersteuning, de inschakeling van het type hulpverlener (medewerker van zorgorganisatie, zzp’er/andere zorgorganisatie of sociaal netwerk), begroting en de wijze van declareren. Het BJG toetst de schriftelijke concept-zorgovereenkomst tussen aanbieder en de budgethouder op voorwaarden en toepassing van het gedifferentieerd tarief, danwel andere ter goedkeuring van de het college aan te leveren gegevens.

    Het indienen van de motivering, waaronder de schriftelijke concept-zorgovereenkomst, is onderdeel van de onderzoeksfase zoals bedoeld in artikel 5 van de Verordening jeugdhulp gemeente Sint Anthonis 2015.

    Het persoonsgebonden budget voor Specialistisch Verblijf wordt vastgesteld op basis van een door belanghebbende aan te leveren offerte van de kosten. Er wordt vervolgens een maatwerktarief gevormd gerelateerd aan de AWBZ PGB tarieven ZZP 2014.

     

    5.1.3 Kwaliteit van dienstverlening

    De PGB aanbieder verleent verantwoorde hulp, waaronder wordt verstaan hulp van een goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder.

    De hulpverlener neemt bij zijn werkzaamheden de zorg van een goede hulpverlener in acht en handelt daarbij in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor die hulpverlener geldende professionele standaard, uiteraard voor zover de hulpverlener een professional is.

    De PGB aanbieder is in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens van personen die in hun opdracht beroepsmatig of niet incidenteel als vrijwilliger in contact kunnen komen met jeugdigen of ouders. Een dergelijke verklaring is niet eerder afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip dat de aanbieder ging werken.

     

    5.1.4 Verplichtingen

    Het PGB mag niet worden besteed aan een voorziening die voor de jeugdige en/of de ouder algemeen gebruikelijk is.

    Uit het PGB mogen geen administratieve bemiddelingsbureaus, geen tussenpersonen of belangenbehartigers worden betaald. Kosten voor arbeidsbemiddeling voor vakanties en bij ziekte mogen uit het PGB worden betaald indien de betrokken partij een Per Saldo keurmerk heeft.

    De budgethouder aan wie een PGB is verleend komt met de aanbieder een zorgovereenkomst overeen waarin ten minste afspraken zijn opgenomen over de kwaliteit en het resultaat van de jeugdhulp, de inschakeling van het type hulpverlener (medewerker van een zorgorganisatie, zzp’er of sociaal netwerk) en wijze van declareren.

     

    5.1.5. Sociaal Verzekeringsbank (SVB)

    De budgethouder stuurt zelf de zorgovereenkomst in naar de SVB. De gemeente vult het verleningsbericht (o.g.v. de beschikking jeugdhulp) in en keurt de zorgovereenkomst goed. Nadat alle documenten bij de SVB zijn ontvangen, betaalt de SVB de hulpverlener als de budgethouder een goedgekeurde factuur indient bij de SVB.

    Bij verandering van hulpverlener dient de budgethouder dit door te geven aan de gemeente. Het Deze zal dan opnieuw kijken of de kwaliteit voldoende is. De gemeente zal dit doorgeven aan de SVB. De budgethouder stuurt de zorgovereenkomst met de nieuwe hulpverlener naar de SVB. Op basis van goedgekeurde zorgovereenkomst betaalt de SVB de nieuwe hulpverlener uit.

     

    5.1.6. Uitzonderingen

    Een PGB kan niet worden ingezet voor de volgende zorgvormen:

    • ·

      Crisishulp / crisisopvang / spoedeisende hulp

    • ·

      Pleegzorg

    • ·

      Gebruikelijke zorg, zoals genoemd in artikel 3.8

    • ·

      Zorg die onder de aanvullende verzekering van de Zorgverzekeringswet (Zvw) valt, zoals alternatieve geneeswijzen

 

5.2Voorlichting

Zoals uit de Jeugdwet is af te leiden, is het belangrijk dat belanghebbenden vooraf goed weten wat het PGB inhoudt en welke verantwoordelijkheden ze daarbij hebben. Deze voorlichting zal al bij het moment van aanvragen worden gegeven. Tijdens het (keukentafel)gesprek zal de belanghebbende door de BJG-medewerker geïnformeerd worden. Daarnaast verzorgt het servicecentrum PGB van de SVB voorlichting voor en ondersteuning van budgethouders.

 

5.3Eigen verantwoordelijkheden van de budgethouder

De budgethouder is zelf verantwoordelijk voor het sluiten van een zorgovereenkomst met een dienstverlener.

 

5.4Beschikking PGB

In de verleningsbeschikking PGB is in ieder geval opgenomen:

  • ·

    Welke de te verstrekken voorziening is en wat het beoogde resultaat daarvan is.

  • ·

    Welke andere of overige voorzieningen relevant zijn of kunnen zijn.

  • ·

    Welke kwaliteitseisen gelden voor de besteding van het PGB.

  • ·

    Wat de hoogte van het PGB is en hoe hiertoe is gekomen (omvang van de voorziening): de tarieven zijn opgenomen in de Nadere Regels jeugdhulp gemeente Sint Anthonis 2017. De tarieven kunnen jaarlijks worden geactualiseerd.

  • ·

    Wat de duur van de voorziening is waarvoor het PGB is bedoeld.

  • ·

    De wijze van verantwoording van de besteding van het PGB.

De toekenning eindigt wanneer:

  • ·

    de jeugdige verhuist naar een andere gemeente;

  • ·

    de jeugdige en/of budgethouder overlijdt;

  • ·

    als de indicatieperiode of geldigheidsduur is verstreken;

  • ·

    als de jeugdige aangeeft dat zijn situatie is veranderd en (de gemeente) vaststelt dat de voorziening niet meer voldoet;

  • ·

    de budgethouder geen verantwoording aflegt;

  • ·

    de aanvrager en/of budgethouder het PGB laat omzetten in ZIN.

Het BJG kan periodiek controleren op de voortgang en kwaliteit van de resultaten van de individuele voorziening.

Bij een PGB hoger dan € 25.000, of een lager budget wanneer dat wenselijk geacht wordt, kan het college een aanvullend advies eisen van een inhoudelijk deskundige over het zorgplan en/of de uitvoering daarvan.

 

5.5Trekkingsrecht via SVB

In de Jeugdwet is de verplichting opgenomen dat gemeenten PGB’s uitbetalen in de vorm van trekkingsrecht. Dit houdt in dat de gemeente het PGB niet op de bankrekening van de budgethouder stort, maar op rekening van het servicecentrum PGB van de SVB. De budgethouder laat via declaraties of facturen aan de SVB weten hoeveel uren hulp zijn geleverd en de SVB zorgt vervolgens voor de uitbetaling van de zorgverlener. De niet bestede PGB bedragen worden door de SVB na afloop van de verantwoordingsperiode terugbetaald aan de gemeente. Bij onderbesteding van meer dan 25 % van het toegekende jaarbudget, vindt door het college onderzoek naar de oorzaak hiervan plaats. Afhankelijk van de resultaten van dit onderzoek kan het college het niet bestede deel terugvorderen of het budget bijstellen.

 

5.6Inzetten sociaal netwerk of mantelzorgers

In het Persoonlijk Plan van de cliënt kan hij of zij de wens uitspreken om zijn sociale netwerk of mantelzorgers in te willen zetten. In navolging van de regering is de gemeente van mening dat de beloning van het sociale netwerk in elk geval beperkt moet blijven tot die gevallen waarin het de gebruikelijke hulp overstijgt en dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is dan zorg in natura. Ingeval hiervoor een PGB wordt aangevraagd is voor gemeenten van belang dat slechts een PGB wordt verstrekt indien naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de in te kopen diensten veilig, doeltreffend en cliëntgericht worden verstrekt.

Bij de beoordeling of de inzet vanuit het sociale netwerk geoorloofd is, kunnen de volgende factoren meespelen:

  • ·

    Het gaat niet om gebruikelijke zorg (zie hoofdstuk 3).

  • ·

    Er is sprake van langdurige, omvangrijke en frequente ondersteuning.

  • ·

    Er is sprake van zorg en ondersteuning gericht op participatie en zelfredzaamheid. Geen inzet van het sociale netwerk als het gaat om ondersteuning gericht op gedragsverandering en verpleging tenzij dit aantoonbaar beter, efficiënter en doelmatiger is.

  • ·

    Er is sprake van onplanbare 24-uurs ondersteuning en door de aard van de beperking kan alleen een bekende de ondersteuning leveren

  • ·

    Iemand moet (deels) zijn baan opzeggen om de ondersteuning te kunnen bieden.

 

5.7PGB in geval van een verwijzingsbesluit van de Gecertificeerde Instelling

De Gecertificeerde Instelling (GI) is op grond van de Wet bevoegd om een individuele voorziening voor jeugdhulp in te zetten. Ook voor die jeugdhulp kan gekozen worden voor inzet in de vorm van een PGB. De Gecertificeerde Instelling moet daarom net als het BJG, de mogelijkheid om te kiezen voor de verstrekking van een PGB ter sprake te brengen met ouders en jeugdigen. De GI zal hier in overleg met het BJG afspraken maken over de voorwaarden en uitsluitingsgronden voor PGB en totstandkoming van een Persoonlijk Plan. Hierbij is het niet de bedoeling dat gesprekken dubbel gaan plaats vinden zowel bij GI als BJG. Door middel van coproductie dient de jeugdige en/of zijn ouders in begrijpelijke bewoordingen in te lichten over de gevolgen van die keuze en ondersteuning bij de inzet van zorg via PGB.

Het afgeven van een verleningsbeschikking gebeurd door de gemeente. De GI zal in samenwerking met het BJG zorgen voor de benodigde documentatie ( Persoonlijk Plan en zorgovereenkomst) voor afgeven van een verleningsbeschikking door de gemeente

 

5.8PGB in geval van een verwijzingsbesluit van een arts

Huisartsen, medisch specialisten en jeugdartsen zijn op grond van de Wet bevoegd om een individuele voorziening voor jeugdhulp in te zetten. Voor die jeugdhulp kan gekozen worden voor inzet in de vorm van een PGB. De huisarts dient derhalve, evenals de gemeente, de mogelijkheid om te kiezen voor de verstrekking van een PGB ter sprake te brengen met ouders en jeugdigen. Wanneer ouders en jeugdigen hiervoor willen kiezen, moeten zij een aanvraag hiertoe indienen bij het BJG. Het BJG zorgt voor de verdere behandeling van die aanvraag.

 

6.Regels voor de ouderbijdrage

De ouderbijdrage is per 1 januari 2016 afgeschaft.

 

7.Slotbepaling

 

7.1Inwerkingtreding

De “Verordening jeugdhulp gemeente Sint Anthonis 2015” is in werking getreden op 1 januari 2015. In de Nadere Regels zijn de verplichte uitwerkingen opgenomen. In deze Beleidsregels is een gedetailleerde uitwerking van de verordening en de nadere regels opgenomen. Deze beleidsregels treden in werking na vaststelling door het college.