Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Utrecht (Utr)

Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieUtrecht (Utr)
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingGemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht
CiteertitelGemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Wet gemeenschappelijke regelingen, hoofdstuk V
  2. Gemeentewet, art. 232, lid 4
  3. Waterschapswet, art. 124, lid 5
  4. Wet waardering onroerende zaken, art. 30, lid 8
  5. Algemene wet bestuursrecht, titel 10.1

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

20-01-2014art. 36, 59

19-12-2013

Gemeenteblad, 17-01-2014

1
01-12-201220-01-2014nieuwe regeling

11-09-2012

Gemeenteblad van Utrecht 2012, nr. 89

Besluit college van B&W van 11 september 2012

Tekst van de regeling

Intitulé

Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht

Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerkinggemeenten en hoogheemraadschap Utrecht(collegebesluit van 11 september 2012, op 15 november 2012 heeft de gemeenteraad

het college toestemming verleend tot het aangaan

van deze gemeenschappelijke regeling, waarna

de gemeenschappelijke regeling is ondertekend)

De colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten De Bilt en Utrecht en het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden;

Overwegende dat

het uit overwegingen van kwaliteit, continuïteit en efficiency gewenst is om hun samenwerking bij de beleidsvoorbereiding, heffing en invordering van waterschapsbelastingen en gemeentelijke belastingen, alsmede bij de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken en het beheer en de uitvoering van vastgoedinformatie vorm te geven op basis van een gemeenschappelijke regeling;

de colleges van burgemeester en wethouders en het college van dijkgraaf en hoogheemraden van hun raden onderscheidenlijk hun algemeen bestuur daartoe de vereiste toestemming hebben verkregen;

het voornemen bestaat om met ingang van 1 juli 2013 de samenwerking operationeel te hebben en de taken daadwerkelijk gezamenlijk te gaan uitvoeren met ingang van 1 januari 2014;

Gelet op:

  • -

    hoofdstuk V van de Wet gemeenschappelijke regelingen,

  • -

    artikel 232, vierde lid, van de Gemeentewet;

  • -

    artikel 124, vijfde lid, van de Waterschapswet;

  • -

    artikel 30, achtste lid, van de Wet waardering onroerende zaken, en

  • -

    titel 10.1 van de Algemene wet bestuursrecht

BESLUITEN

de navolgende gemeenschappelijke regeling te treffen

GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht

 

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

  • a.

    algemeen bestuur: het algemeen bestuur van het samenwerkingsverband;

  • b.

    ambtenaar van het samenwerkingsverband: de door het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 232, vierde lid onder c, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 124, vijfde lid onder c, van de Waterschapswet, bevoegd tot heffing of invordering van belastingen en tot uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken;

  • c.

    belastingdeurwaarder: de door het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband als bedoeld in artikel 232, vierde lid onder d, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 124, vijfde lid onder d, van de Waterschapswet, dan wel als een belastingdeurwaarder aangewezen gerechtsdeurwaarder, bedoeld in de Gerechtsdeurwaarderswet;

  • d.

    belastingen: de gemeentebelastingen en de waterschapbelastingen;

  • e.

    belastingverordening: de verordeningen van de deelnemers tot heffing en invordering van belasting als bedoeld in artikel 216 van de Gemeentewet en artikel 110 van de Waterschapswet;

  • f.

    colleges: de colleges van burgemeester en wethouders van de gemeenten De Bilt en Utrecht, alsmede het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden;

  • g.

    dagelijks bestuur: het dagelijks bestuur van het samenwerkingsverband;

  • h.

    deelnemende gemeenten: de gemeenten De Bilt en Utrecht;

  • i.

    deelnemers: de rechtspersonen waartoe de colleges behoren, als bedoeld in artikel 1:1, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht;

  • j.

    directeur: de door het algemeen bestuur van het samenwerkingsverband benoemde secretaris, die tevens de bestuurder in de zin van Wet op de ondernemingsraden is;

  • k.

    gedeputeerde staten: Gedeputeerde staten van Utrecht;

  • l.

    gemeentelijke belastingen: de belastingen die de gemeente heft en waarvan de heffing en invordering op grond van artikel 35 of 36 is overgedragen aan het samenwerkingsverband;

  • m.

    heffingsambtenaar: de door het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 232, vierde lid onder a, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 124, vijfde lid onder a, van de Waterschapswet, bevoegd tot heffing van belastingen en tot uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken;

  • n.

    invorderingsambtenaar: de door het dagelijks bestuur aangewezen ambtenaar van het samenwerkingsverband, als bedoeld in artikel 232, vierde lid onder b, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 124, vijfde lid onder b, van de Waterschapswet, bevoegd tot invordering van belastingen;

  • o.

    kwijtscheldingsregels: de door de vertegenwoordigende organen van de deelnemers vastgestelde regels als bedoeld in artikel 255, derde en vierde lid, van de Gemeentewet respectievelijk artikel 144, derde en vierde lid, van de Waterschapswet;

  • p.

    nadere regels: nadere regels ter uitvoering van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, van de Invorderingswet 1990 en van de belastingverordening;

  • q.

    regeling: de Gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht;

  • r.

    reglement: het Reglement Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2008;

  • s.

    samenwerkingsverband: het openbaar lichaam Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht;

  • t.

    vertegenwoordigende organen: de raden van de deelnemende gemeenten en het algemeen bestuur van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden;

  • u.

    voorzitter: de voorzitter van het samenwerkingsverband, en

  • v.

    waterschapsbelastingen: de belastingen die het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden heft als bedoeld in artikel 113 van de Waterschapswet.

Artikel 2 Belang

In het kader van deze regeling worden de belangen van de deelnemers behartigd, elk voor zover het hun grondgebied en hun belangen betreft, op het gebied van:

  • a.

    de heffing en invordering van belastingen, en

  • b.

    de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken, waaronder tevens wordt begrepen de administratie van vastgoedgegevens op basis van die wet en het verstrekken van vastgoedgegevens aan de deelnemers en derden.

Artikel 3 Het openbaar lichaam

  • 1.

    Bij deze regeling wordt een rechtspersoonlijkheid bezittend openbaar lichaam ingesteld, genaamd Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht.

  • 2.

    Het samenwerkingsverband is gevestigd te Utrecht.

Hoofdstuk 2 Inrichting en samenstelling van het bestuur

Afdeling 1 Het bestuur

Artikel 4 Bestuur

Het bestuur van het samenwerkingsverband bestaat uit een algemeen bestuur, een dagelijks bestuur en een voorzitter.

Artikel 5 Hoofdschap

Het algemeen bestuur staat aan het hoofd van het samenwerkingsverband.

Afdeling 2 Algemeen bestuur

Artikel 6 Samenstelling

  • 1.

    Elk van de colleges wijst uit zijn midden een lid aan dat hem in het algemeen bestuur vertegenwoordigt, behoudens het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden dat twee leden uit zijn midden aanwijst die hem in het algemeen bestuur vertegenwoordigen.

  • 2.

    De leden van het algemeen bestuur worden aangewezen voor de duur van de zittingsperiode van de colleges.

  • 3.

    Indien tussentijds binnen het algemeen bestuur een plaats vacant of beschikbaar komt, wijst het college van de deelnemer die het aangaat in zijn eerstvolgende vergadering, of, als dit niet mogelijk is, ten spoedigste daarna, een nieuw lid aan.

  • 4.

    Hij die ter vervulling van een tussentijdse vacature als lid van het algemeen bestuur wordt benoemd, treedt af op het tijdstip waarop degene in wiens plaats hij is benoemd, zou hebben moeten aftreden.

  • 5.

    Een lid van het algemeen bestuur kan te allen tijde ontslag nemen. Hij deelt zijn ontslag mee aan de deelnemer die het aangaat. De betreffende deelnemer doet mededeling van het ontslag aan het algemeen bestuur. Het lid houdt zitting in het algemeen bestuur totdat in de opvolging is voorzien.

  • 6.

    Voor ieder lid van het algemeen bestuur wordt tevens een plaatsvervangend lid aangewezen door het college van de deelnemer die het lid heeft aangewezen. Op het plaatsvervangend lid zijn het tweede tot en met het vijfde lid alsmede artikel 20 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 7 Reglement van orde

Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergaderingen en andere werkzaamheden een reglement van orde vast.

Artikel 8 Vergaderingen

  • 1.

    Het algemeen bestuur vergadert jaarlijks ten minste twee maal en voorts zo vaak als daartoe besloten is.

  • 2.

    Voorts vergadert het algemeen bestuur indien de voorzitter of het dagelijks bestuur het nodig oordeelt of indien ten minste een vijfde van het aantal leden waaruit het algemeen bestuur bestaat schriftelijk, met opgave van redenen, daarom verzoekt.

  • 3.

    Het algemeen bestuur vergadert binnen twee weken na een conform het tweede lid ingediend verzoek.

Artikel 9 Oproeping

  • 1.

    De voorzitter roept de leden schriftelijk tot de vergadering op.

  • 2.

    Tegelijkertijd met de oproeping brengt de voorzitter dag, tijdstip en plaats van de vergadering ter openbare kennis. De agenda en de daarbij behorende voorstellen worden tegelijkertijd met de oproeping en op een bij de openbare kennisgeving aan te geven wijze ter inzage gelegd.

Artikel 10 Quorum

  • 1.

    De vergadering van het algemeen bestuur wordt niet geopend voordat uit de presentielijst blijkt dat meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.

  • 2.

    Indien ingevolge het eerste lid de vergadering niet kan worden geopend, belegt de voorzitter, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering tegen een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het bezorgen van de oproeping is gelegen.

  • 3.

    Op de vergadering, bedoeld in het tweede lid, is het eerste lid niet van toepassing. Het algemeen bestuur kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de ingevolge het eerste lid niet geopende vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten, indien uit de presentielijst is gebleken dat meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.

Artikel 11 Vergaderorde

  • 1.

    De voorzitter zorgt voor de handhaving van de orde in de vergadering en is bevoegd, wanneer die orde op enigerlei wijze door toehoorders wordt verstoord, deze en zo nodig andere toehoorders te doen vertrekken.

  • 2.

    Hij is bevoegd toehoorders die bij herhaling de orde in de vergadering verstoren voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering te ontzeggen.

  • 3.

    Hij kan het algemeen bestuur voorstellen aan een lid dat door zijn gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert, het verdere verblijf in de vergadering te ontzeggen. Over het voorstel wordt niet beraadslaagd. Na aanneming daarvan verlaat het lid de vergadering onmiddellijk. Zo nodig doet de voorzitter hem verwijderen. Bij herhaling van zijn gedrag kan het lid bovendien voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering worden ontzegd.

Artikel 12 Belangenverstrengeling

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 2:4 van de Algemene wet bestuursrecht neemt een lid van het algemeen bestuur niet deel aan een stemming over:

    • a.

      een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken;

    • b.

      de vaststelling of goedkeuring der rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welks bestuur hij behoort.

  • 2.

    Bij een schriftelijke stemming wordt onder het deelnemen aan de stemming verstaan het inleveren van een stembriefje.

  • 3.

    Een benoeming gaat iemand persoonlijk aan, wanneer hij behoort tot de personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt.

Artikel 13 Stemming

  • 1.

    Een stemming is alleen geldig, indien meer dan de helft van het aantal leden dat zitting heeft en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen.

  • 2.

    Het eerste lid is niet van toepassing:

    • a.

      ingeval opnieuw wordt gestemd over een voorstel of over een benoeming, voordracht of aanbeveling van een of meer personen ten aanzien van wie in een vorige vergadering een stemming op grond van dat lid niet geldig was;

    • b.

      in een vergadering als bedoeld in artikel 10, tweede lid, voor zover het betreft onderwerpen die in de daaraan voorafgaande, ingevolge artikel 10, eerste lid, niet geopende vergadering aan de orde waren gesteld.

Artikel 14 Besluitvorming

  • 1.

    Voor het tot stand komen van een besluit bij stemming wordt de volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht, tenzij deze regeling anders bepaalt en met dien verstande dat:

    • a.

      het lid van het algemeen bestuur dat door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht is aangewezen drie stemmen heeft;

    • b.

      de overige leden van het algemeen bestuur ieder één stem hebben.

  • 2.

    Bij een schriftelijke stemming wordt onder het uitbrengen van een stem verstaan het inleveren van een behoorlijk ingevuld stembriefje.

Artikel 15 Stemmen over personen

  • 1.

    De stemming over personen voor het doen van benoemingen, voordrachten of aanbevelingen geschiedt bij gesloten en ongetekende stembriefjes.

  • 2.

    Indien de stemmen staken over personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt, wordt in dezelfde vergadering een herstemming gehouden.

  • 3.

    Staken bij deze stemming de stemmen opnieuw, dan beslist terstond het lot.

Artikel 16 Overige stemmingen

  • 1.

    De overige stemmingen geschieden bij hoofdelijke oproeping, indien de voorzitter of een van de leden dat verlangt. In dat geval geschieden zij mondeling.

  • 2.

    Bij hoofdelijke oproeping is ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden verplicht zijn stem voor of tegen uit te brengen.

  • 3.

    Indien over een voorstel geen stemming wordt gevraagd, is het aangenomen.

  • 4.

    Tenzij de vergadering voltallig is, wordt bij staking van stemmen het nemen van een besluit uitgesteld tot een volgende vergadering, waarin de beraadslagingen kunnen worden heropend.

  • 5.

    Indien de stemmen staken in een voltallige vergadering of in een ingevolge het vierde lid opnieuw belegde vergadering, is het voorstel niet aangenomen.

  • 6.

    Onder een voltallige vergadering wordt verstaan een vergadering waarin alle leden waaruit het algemeen bestuur bestaat, voor zover zij zich niet van deelneming aan de stemming moesten onthouden, een stem hebben uitgebracht.

Artikel 17 Openbaarheid vergaderingen

  • 1.

    De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar. De deuren worden gesloten wanneer een vijfde gedeelte van de aanwezige leden daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt. Het algemeen bestuur beslist vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd.

  • 2.

    In de vergadering van het algemeen bestuur kan slechts worden beraadslaagd en besloten indien ten minste de helft van het aantal leden aanwezig is.

  • 3.

    Indien het vereiste aantal leden niet tegenwoordig is, belegt de voorzitter, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering tegen een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het bezorgen van de oproeping is gelegen.

  • 4.

    Op de vergadering, bedoeld in het derde lid, is het tweede lid niet van toepassing. Het algemeen bestuur kan echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de eerdere vergadering was belegd, alleen beraadslagen of besluiten indien ten minste de helft van het aantal leden tegenwoordig is.

Artikel 18 Besluitvorming in besloten vergaderingen

  • 1.

    In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd, noch een besluit worden genomen, ter zake van de begroting, de wijzigingen daarvan en de jaarrekening.

  • 2.

    In een besloten vergadering kan evenmin worden beraadslaagd, noch een besluit worden genomen, over het ontslag van leden van het dagelijks bestuur en de voorzitter.

  • 3.

    In een besloten vergadering kan geen besluit worden genomen ter zake van:

    • a.

      het aangaan van geldleningen, het uitlenen van gelden en het aangaan van rekening-courantovereenkomsten;

    • b.

      het kopen, ruilen, vervreemden, bezwaren en verpanden van eigendommen;

    • c.

      het doen van een uitgaaf voordat de begroting of de begrotingswijziging waarbij deze uitgaaf is geraamd, is goedgekeurd.

Artikel 19 Onschendbaarheid

De leden van het bestuur van het samenwerkingsverband en andere personen die deelnemen aan de beraadslaging kunnen niet in rechte worden vervolgd of aangesproken voor dan wel worden verplicht getuigenis af te leggen als bedoeld in artikel 165, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering over hetgeen zij in de vergadering van het algemeen bestuur hebben gezegd of aan het algemeen bestuur schriftelijk hebben overlegd.

Artikel 20 Ontslag

Het college van de deelnemer kan het door hem in het algemeen bestuur aangewezen lid te allen tijde ontslaan wanneer dit lid het vertrouwen van het betreffende college niet langer bezit. Op het ontslagbesluit is artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Afdeling 3 Dagelijks bestuur

Artikel 21 Samenstelling

  • 1.

    Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en de overige leden van het algemeen bestuur.

  • 2.

    Degene die ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt tevens op lid van het dagelijks bestuur te zijn.

  • 3.

    Indien tussentijds een plaats in het dagelijks bestuur vacant of beschikbaar komt, wijst het algemeen bestuur zo spoedig mogelijk een nieuw lid aan met inachtneming van het bepaalde in het eerste en tweede lid. Gaat het openvallen van een plaats in het dagelijks bestuur gepaard met het openvallen van een plaats in het algemeen bestuur, dan wordt het aanwijzen van een nieuw lid in het dagelijks bestuur uitgesteld totdat de opengevallen plaats in het algemeen bestuur is bezet.

  • 4.

    Artikel 6, zesde lid, is niet van toepassing op het lidmaatschap van het dagelijks bestuur.

Artikel 22 Vergaderingen

  • 1.

    Het dagelijks bestuur vergadert zo vaak de voorzitter het nodig oordeelt of ten minste één lid daar de voorzitter om verzoekt.

  • 2.

    De vergaderingen van het dagelijks bestuur zijn niet openbaar.

  • 3.

    Ieder lid heeft één stem.

  • 4.

    Het dagelijks bestuur besluit bij volstrekte meerderheid van stemmen.

  • 5.

    Het dagelijks bestuur stelt een reglement van orde voor zijn vergaderingen vast.

Artikel 23 Ontslag

Het algemeen bestuur kan een of meer leden van het dagelijks bestuur, met uitzondering van de voorzitter, ontslag verlenen, indien deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezitten. Op het ontslagbesluit zijn de artikelen 4:8 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

Afdeling 4 Voorzitter

Artikel 24 Aanwijzing

  • 1.

    De voorzitter wordt door en uit het algemeen bestuur aangewezen.

  • 2.

    Het algemeen bestuur kan de voorzitter ontslag verlenen, indien deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit. Op het ontslagbesluit zijn de artikelen 4:8 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.

  • 3.

    Uit de andere leden als bedoeld in artikel 21, eerste lid wordt een plaatsvervangend voorzitter aangewezen door het algemeen bestuur. Het tweede lid is niet van toepassing op de plaatsvervangend voorzitter.

Afdeling 5 Secretaris

Artikel 25 Benoeming, schorsing en ontslag

  • 1.

    De secretaris wordt door het algemeen bestuur benoemd.

  • 2.

    De bevoegdheid tot schorsing of ontslag van de secretaris berust bij het algemeen bestuur.

  • 3.

    In spoedeisende gevallen kan het dagelijks bestuur tot schorsing overgaan. Het doet daarvan terstond mededeling aan het algemeen bestuur. De schorsing vervalt indien het algemeen bestuur haar niet bekrachtigt in een, binnen acht weken na de datum van het schorsingsbesluit gehouden, vergadering.

Artikel 26 Taak

  • 1.

    De secretaris staat het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter ter zijde bij de uitoefening van hun taak. Hij is aanwezig in de vergadering van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur. Hij ondertekent de stukken die van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan, mede.

  • 2.

    De secretaris staat, als directeur, aan het hoofd van de ambtelijke organisatie van het samenwerkingsverband.

Artikel 27 Vervanging

  • 1.

    Het algemeen bestuur regelt de vervanging van de secretaris.

  • 2.

    Artikel 25, tweede en derde lid, en artikel 26 zijn van overeenkomstige toepassing op degene die de secretaris vervangt.

Afdeling 6 Overige bestuursorganen

Artikel 28 Bestuurscommissies

Het algemeen bestuur is bevoegd om bestuurscommissies als bedoeld in artikel 25, eerste lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen in te stellen.

Artikel 29 Algemene bepaling

Het samenwerkingsverband heeft een of meer heffingsambtenaren, invorderingsambtenaren, ambtenaren van het samenwerkingsverband en belastingdeurwaarders.

Artikel 30 Heffingsambtenaar

  • 1.

    De heffingsambtenaar heeft ter zake van de belastingen als bedoeld in artikel 1, onder d en de Wet waardering onroerende zaken de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer, de Waterwet of de Wet waardering onroerende zaken zijn toegekend aan de inspecteur, respectievelijk de ambtenaar belast met de heffing van de deelnemers.

  • 2.

    Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid neemt de heffingsambtenaar de nadere regels van het dagelijks bestuur in acht en houdt hij rekening met de beleidsregels die het dagelijks bestuur heeft geformuleerd ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.

Artikel 31 Invorderingsambtenaar

  • 1.

    De invorderingsambtenaar heeft ter zake van de belastingen als bedoeld in artikel 1, onder d de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer of de Waterwet zijn toegekend aan de ontvanger, respectievelijk de ambtenaar belast met de invordering van de deelnemers.

  • 2.

    De invorderingsambtenaar beslist niet tot het voeren van een executieprocedure in eerste aanleg en niet tot het instellen van hoger beroep en cassatie, dan nadat hij het dagelijks bestuur van zijn voornemen op de hoogte heeft gesteld.

  • 3.

    Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste en tweede lid neemt de invorderingsambtenaar de kwijtscheldingsregels van de desbetreffende deelnemer en de nadere regels van het dagelijks bestuur in acht, alsmede houdt hij rekening met de beleidsregels van het dagelijks bestuur ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.

Artikel 32 Ambtenaar van het samenwerkingsverband

  • 1.

    De ambtenaar van het samenwerkingsverband heeft ter zake van de belastingen als bedoeld in artikel 1, onder d en de Wet waardering onroerende zaken de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer, de Waterwet of de Wet waardering onroerende zaken zijn toegekend aan de ambtenaren van de Rijksbelastingdienst, respectievelijk de ambtenaar belast met de heffing of invordering van de deelnemers als bedoeld in artikel 231, tweede lid onder d, van de Gemeentewet en artikel 123, derde lid onder d, van de Waterschapswet.

  • 2.

    Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid neemt de ambtenaar van het samenwerkingsverband de nadere regels van het dagelijks bestuur in acht, alsmede houdt hij rekening met de beleidsregels van het dagelijks bestuur ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.

Artikel 33 Belastingdeurwaarder

  • 1.

    De belastingdeurwaarder heeft ter zake van de belastingen als bedoeld in artikel 1, onder d de bevoegdheden en verplichtingen die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, de Gemeentewet, de Waterschapswet, de Wet milieubeheer of de Waterwet zijn toegekend aan de belastingdeurwaarder.

  • 2.

    Bij de uitoefening van de bevoegdheden als bedoeld in het eerste lid neemt de belastingdeurwaarder de nadere regels van het dagelijks bestuur in acht en houdt hij rekening met de beleidsregels die het dagelijks bestuur heeft geformuleerd ter zake van de uitoefening van zijn bevoegdheid.

Afdeling 7 Ombudsfunctie

Artikel 34 Ombudsfunctie

Onverminderd het bepaalde in artikel 1a van de Wet Nationale ombudsman is de Nationale ombudsman als bedoeld in artikel 2 van de Wet Nationale ombudsman bevoegd verzoekschriften als bedoeld in artikel 9:18 van de Algemene wet bestuursrecht te behandelen.

Hoofdstuk 3 Bevoegdheden van het samenwerkingsverband

Afdeling 1 Bevoegdheden van het bestuur

Artikel 35 Bevoegdheden

Het bestuur van het samenwerkingsverband is bevoegd tot regeling en bestuur ter behartiging van die belangen die aan het samenwerkingsverband zijn opgedragen.

Artikel 36 Overdracht bevoegdheden

  • 1.

    Het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden draagt aan het bestuur van het samenwerkingsverband de bevoegdheid tot heffing en invordering van alle door het algemeen bestuur van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden ingestelde waterschapsbelastingen over, voor zover deze waterschapsbelastingen later niet zijn opgeheven.

  • 2.

    De colleges van de deelnemende gemeenten dragen aan het samenwerkingsverband over de bevoegdheid tot heffing en invordering van de volgende gemeentelijke belastingen, voor zover de betreffende belasting door de raad van die gemeente is ingesteld en niet later weer is opgeheven:

    • a.

      de onroerende-zaakbelasting, bedoeld in artikel 220 van de Gemeentewet;

    • b.

      de forensenbelasting, bedoeld in artikel 223 van de Gemeentewet;

    • c.

      de toeristenbelasting, bedoeld in artikel 224 van de Gemeentewet;

    • d.

      de hondenbelasting, bedoeld in artikel 226 van de Gemeentewet;

    • e.

      de precariobelasting, bedoeld in artikel 228 van de Gemeentewet;

    • f.

      de rioolheffing, bedoeld in artikel 228a van de Gemeentewet;

    • g.

      reinigingsrechten geheven krachtens artikel 229, eerste lid onder a en b, van de Gemeentewet;

    • h.

      de vermakelijkhedenretributie, bedoeld in artikel 229, eerste lid onder c, van de Gemeentewet;

    • i.

      de BIZ-bijdrage, bedoeld in artikel 1 van de Experimentenwet BI-zones, en

    • j.

      de afvalstoffenheffing, bedoeld in artikel 15.33 van de Wet milieubeheer.

  • 3.

    De colleges van de deelnemende gemeenten dragen aan het samenwerkingsverband over de uitvoering van de Wet waardering onroerende zaken.

Artikel 37 Additionele overdracht

  • 1.

    Het college van een deelnemende gemeente kan de bevoegdheid tot heffing en invordering van andere gemeentelijke belastingen dan bedoeld in artikel 36 overdragen aan het samenwerkingsverband.

  • 2.

    Het algemeen bestuur neemt hetgeen dat op grond van het vorige lid is overgedragen, op in een register bij de gemeenschappelijke regeling en zendt deze ter kennisname aan de colleges en aan gedeputeerde staten, overeenkomstig het bepaalde in artikel 26, vierde lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen.

Afdeling 2 Bevoegdheden van het algemeen bestuur

Artikel 38 Algemene bevoegdheden

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 66 van de wet berust de in artikel 35 omschreven bevoegdheid bij het algemeen bestuur, voor zover deze niet bij of krachtens de wet of algemene maatregel van bestuur, het Reglement of deze regeling is toegekend aan het dagelijks bestuur of de voorzitter.

  • 2.

    Het algemeen bestuur maakt de verordeningen die het nodig oordeelt voor de behartiging van de belangen die het samenwerkingsverband zijn opgedragen, met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 36 en 37.

  • 3.

    Het algemeen bestuur regelt de bezoldiging van de ambtenaren van het samenwerkingsverband.

Artikel 39 Overdracht van bevoegdheden

  • 1.

    Het algemeen bestuur kan aan het dagelijks bestuur bevoegdheden van het algemeen bestuur overdragen, tenzij de aard van de bevoegdheid zich tegen overdracht verzet.

  • 2.

    Het algemeen bestuur kan het dagelijks bestuur niet overdragen de bevoegdheid tot:

    • a.

      het vaststellen of wijzigen van de begroting;

    • b.

      het vaststellen van de jaarrekening;

    • c.

      het vaststellen van regels met betrekking tot de organisatie van de administratie en het beheer van vermogenswaarden van het samenwerkingsverband;

    • d.

      het vaststellen van regels met betrekking tot de controle op de administratie en het beheer van vermogenswaarden van het samenwerkingsverband;

    • e.

      het nemen van besluiten die krachtens deze regeling bij gekwalificeerde meerderheid of unanimiteit moeten worden genomen; en

    • f.

      het besluiten tot het vaststellen van de dienstverleningsregeling, bedoeld in artikel 60.

Artikel 40 Inlichtingen en verantwoording

  • 1.

    Een lid van het algemeen bestuur geeft het college van de deelnemer die hem heeft aangewezen alle inlichtingen die door één of meer leden van dat college worden gevraagd.

  • 2.

    Een lid van het algemeen bestuur kan door het college van de deelnemer dat hem heeft aangewezen, ter verantwoording worden geroepen voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid.

  • 3.

    Een verzoek om inlichtingen te verschaffen en/of verantwoording af te leggen kan uitsluitend worden geweigerd indien dit in strijd zal zijn met de belangen genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur.

  • 4.

    Het bepaalde in het eerste en tweede lid is van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vertegenwoordigende organen van de deelnemers.

  • 5.

    Het bepaalde in de voorgaande leden is van overeenkomstige toepassing op plaatsvervangende leden.

  • 6.

    Het algemeen bestuur geeft de vertegenwoordigende organen van de deelnemers mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen.

Afdeling 3 Bevoegdheden van het dagelijks bestuur

Artikel 41 Bevoegdheid

  • 1.

    Het dagelijks bestuur is belast met de dagelijkse aangelegenheden van het samenwerkingsverband.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur is belast met de voorbereiding van al hetgeen in de vergadering van het algemeen bestuur ter overweging en beslissingen moet worden gebracht.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur is belast met de uitvoering van de beslissingen van het algemeen bestuur, tenzij bij de regeling of bij of krachtens de wet de voorzitter hiermee is belast.

  • 4.

    Het dagelijks bestuur neemt, ook alvorens is besloten tot het voeren van een rechtsgeding, alle conservatoire maatregelen en doet wat nodig is ter voorkoming van verjaring of verlies van recht of bezit.

  • 5.

    Het dagelijks bestuur is bevoegd, tenzij het algemeen bestuur daaromtrent in voorkomende gevallen een beslissing heeft genomen, tot het procederen in kort geding en tot voeging in strafzaken als bedoeld in artikel 51a van het Wetboek van Strafvordering.

  • 6.

    Het dagelijks bestuur is bevoegd, indien ingevolge wettelijk voorschrift aan de gemeente of aan het gemeentebestuur respectievelijk het waterschap of aan het waterschapsbestuur hetzij een recht van beroep hetzij een recht bezwaar te maken toekomt, om spoedshalve beroep in te stellen of bezwaar te maken alsmede, voor zover de voorschriften dat toelaten, om schorsing van het aangevochten besluit of om een voorlopige voorziening ter zake te verzoeken.

  • 7.

    Het ingestelde beroep of het gemaakte bezwaar wordt ingetrokken, indien het algemeen bestuur de beslissing van het dagelijks bestuur tot het instellen van beroep of het maken van bezwaar niet in zijn eerstvolgende vergadering bekrachtigt.

  • 8.

    Het dagelijks bestuur beheert de inkomsten, uitgaven en het vermogen van het samenwerkingsverband.

  • 9.

    Het dagelijks bestuur houdt een register bij van de belastingverordeningen waarvan de bestuursorganen van het samenwerkingsverband belast zijn met de heffing en invordering. In het register worden tevens de bij de die belastingverordeningen behorende kwijtscheldingsregelingen opgenomen.

  • 10.

    Het dagelijks bestuur oefent de bevoegdheden en verplichtingen uit die bij of krachtens de Algemene wet inzake rijksbelastingen, de Invorderingswet 1990, de Kostenwet invordering rijksbelastingen, Hoofdstuk XV van de Gemeentewet, Hoofdstuk XVI van de Waterschapswet, Hoofdstuk 7 van de Waterwet, de Wet milieubeheer en de Wet waardering onroerende zaken zijn toegekend aan de Minister van Financiën, het bestuur van ’s Rijksbelastingdienst en de directeur, respectievelijk de colleges, met inachtneming van het bepaalde in artikel 36 en 37.

  • 11.

    Het dagelijks bestuur is belast met het houden van toezicht op de uitoefening van de bevoegdheden door de heffingsambtenaar, de invorderingsambtenaar, de ambtenaar van het samenwerkingsverband en de belastingdeurwaarder.

  • 12.

    Het dagelijks bestuur is bevoegd tot aanwijzing van een of meer ambtenaren als bedoeld in de artikelen 30 tot en met 33.

  • 13.

    Het dagelijks bestuur is bevoegd tot het vaststellen van beleidsregels en het per geval of in het algemeen instructies geven ter zake van de uitoefening van bevoegdheden door de heffingsambtenaar, de invorderingsambtenaar, de ambtenaar van het samenwerkingsverband onderscheidenlijk de belastingdeurwaarder voor de uitoefening van hun bevoegdheden.

  • 14.

    Het dagelijks bestuur is bevoegd tot het stellen van nadere regels met betrekking tot de heffing en invordering van belastingen.

  • 15.

    Het dagelijks bestuur is bevoegd tot het geheel of gedeeltelijk oninbaar verklaren van de belasting.

Artikel 42 Mandaat

  • 1.

    Het dagelijks bestuur kan mandaat verlenen aan een of meer leden van het dagelijks bestuur.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur kan tevens mandaat verlenen aan de secretaris, voor zover de aard van de bevoegdheid zich niet tegen mandatering verzet. Het dagelijks bestuur kan de secretaris toestaan ondermandaat te verlenen.

Artikel 43 Inlichtingen en verantwoording

  • 1.

    De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur.

  • 2.

    Zij geven het algemeen bestuur mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen voor zover het verstrekken daarvan niet in strijd is met het openbaar belang.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur geeft de vertegenwoordigende organen van de deelnemers mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen.

Afdeling 4 De taken bevoegdheden van de voorzitter

Artikel 44 Taken

  • 1.

    De voorzitter bevordert een goede behartiging van de zaken van het samenwerkingsverband.

  • 2.

    Hij heeft de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur.

  • 3.

    Hij ondertekent alle stukken welke van het algemeen bestuur en het dagelijks bestuur uitgaan.

Artikel 45 Bevoegdheden

De voorzitter vertegenwoordigt het samenwerkingsverband in en buiten rechte. Indien de voorzitter aan een ander machtiging verleent tot vertegenwoordiging, behoeft deze machtiging de instemming van het dagelijks bestuur.

Artikel 46 Inlichtingen en verantwoording

  • 1.

    De voorzitter is aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door hem gevoerde bestuur.

  • 2.

    Hij geeft het algemeen bestuur mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen voor zover het verstrekken daarvan niet in strijd is met het openbaar belang.

  • 3.

    De voorzitter geeft de vertegenwoordigende organen van de deelnemers mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen.

Hoofdstuk 4 Het personeel

Artikel 47 Ambtelijke organisatie

  • 1.

    Het samenwerkingsverband heeft een ambtelijke organisatie, met aan het hoofd een directeur.

  • 2.

    Het algemeen bestuur stelt een organisatieverordening vast.

  • 3.

    Het algemeen bestuur is bevoegd rechtspositionele regelingen en besluiten vast te stellen.

  • 4.

    Het dagelijks bestuur is bevoegd de ambtenaren, niet zijnde de directeur, te benoemen, te schorsen te ontslaan.

Hoofdstuk 5 Financiën van het samenwerkingsverband

Afdeling 1 Inleidende bepalingen

Artikel 48 Kostentoerekening

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt jaarlijks, als onderdeel van de begroting, binnen de kaders van de bijdrageverordening als bedoeld in het derde lid, de toerekening van de kosten vast voor de uitvoering van de taken als bedoeld in artikel 36 onderscheidenlijk artikel 37.

  • 2.

    De kosten over het lopende kalenderjaar worden bij de deelnemers in rekening gebracht overeenkomstig de in de begroting opgenomen bijdragen.

  • 3.

    Het algemeen bestuur stelt een bijdrageverordening vast met daarin de methode en richtlijnen voor de kostenverdeelsleutel.

  • 4.

    In afwijking van artikel 14, eerste lid, wordt de bijdrageverordening als bedoeld in het derde lid bij unanimiteit vastgesteld.

Artikel 49 Inrichting

  • 1.

    De begroting, de begrotingswijzigingen, de meerjarenraming, de jaarrekening en het jaarverslag worden ingericht overeenkomstig artikel 198 van de Gemeentewet en het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

  • 2.

    Op de administratie en controle is Hoofdstuk XIV van de Gemeentewet alsmede het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten van overeenkomstige toepassing.

Afdeling 2 De begroting

Artikel 50 Begroting

  • 1.

    Voor alle aan het samenwerkingsverband opgedragen taken brengt het algemeen bestuur jaarlijks op de begroting de bedragen die het daarvoor beschikbaar stelt, alsmede de van de deelnemers te ontvangen bijdragen en andere financiële middelen die naar verwachting kunnen worden aangewend.

  • 2.

    De begroting bevat mede een bedrag voor onvoorziene uitgaven.

  • 3.

    De begroting moet in evenwicht zijn. Hiervan kan worden afgeweken indien aannemelijk is dat het evenwicht in de begroting in de eerstvolgende jaren tot stand zal zijn gebracht.

  • 4.

    Ten laste van het samenwerkingsverband kunnen slechts lasten en daarmee overeenstemmende balansmutaties worden genomen tot de bedragen die hiervoor op de begroting zijn gebracht.

  • 5.

    Het begrotingsjaar is het kalenderjaar.

Artikel 51 Ontwerpbegroting

  • 1.

    Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting acht weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden toe aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemers.

  • 2.

    De ontwerpbegroting wordt door de zorg van de deelnemers voor een ieder ter inzage gelegd en tegen betaling van kosten algemeen verkrijgbaar gesteld. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling geschiedt openbare kennisgeving.

  • 3.

    De vertegenwoordigende organen van de deelnemers kunnen bij het dagelijks bestuur hun zienswijze over de ontwerpbegroting naar voren brengen. Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin deze zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting, zoals deze tijdig aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.

  • 4.

    Het eerste en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met uitzondering van die wijzigingen waarbij geen verandering wordt gebracht in de bijdragen van de deelnemers.

Artikel 52 Vaststelling begroting

  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt de begroting vast in het jaar voorafgaande aan dat waarvoor zij dient.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur zendt de begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar voorafgaande aan het jaar waarop de begroting betrekking heeft, aan gedeputeerde staten.

  • 3.

    Het algemeen bestuur zendt, zo nodig, de begroting aan de vertegenwoordigende organen van de deelnemers, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijzen naar voren kunnen brengen.

  • 4.

    Besluiten tot wijziging van de begroting kunnen tot uiterlijk het eind van het desbetreffende begrotingsjaar worden genomen.

  • 5.

    Het derde lid is van overeenkomstige toepassing op besluiten tot wijziging van de begroting, met uitzondering van die wijzigingen waarbij geen verandering wordt gebracht in de bijdragen van de deelnemers.

Afdeling 3 Jaarrekening

Artikel 53 Jaarrekening en jaarverslag

  • 1.

    Het dagelijks bestuur legt aan het algemeen bestuur over elk begrotingsjaar verantwoording af over het door hem gevoerde bestuur, onder overlegging van de jaarrekening en het jaarverslag.

  • 2.

    De in het eerste lid bedoelde stukken liggen, zodra zij aan het algemeen bestuur zijn overgelegd, voor een ieder ter inzage en zijn algemeen verkrijgbaar. Van de terinzagelegging en de verkrijgbaarstelling wordt openbaar kennis gegeven. Het algemeen bestuur beraadslaagt over de jaarrekening en het jaarverslag niet eerder dan twee weken na de openbare kennisgeving.

  • 3.

    Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening en het jaarverslag vast in het jaar volgende op het jaar waarop ze betrekking hebben. De jaarrekening betreft alle baten en lasten van het samenwerkingsverband.

  • 4.

    Indien het algemeen bestuur tot het standpunt komt dat onrechtmatige totstandkoming van in de jaarrekening opgenomen baten, lasten of balansmutaties aan de vaststelling van de jaarrekening in de weg staat, brengt hij dit terstond ter kennis van het dagelijks bestuur met vermelding van de gerezen bedenkingen.

  • 5.

    Het dagelijks bestuur zendt het algemeen bestuur binnen twee maanden na ontvangst van het standpunt, bedoeld in het vierde lid, een voorstel voor een indemniteitsbesluit, vergezeld van een reactie op de bij het algemeen bestuur gerezen bedenkingen.

  • 6.

    Indien het dagelijks bestuur een voorstel voor een indemniteitsbesluit heeft gedaan, stelt het algemeen bestuur de jaarrekening niet vast dan nadat hij heeft besloten over het voorstel.

  • 7.

    De leden van het dagelijks bestuur nemen niet deel aan stemmingen over besluiten als bedoeld in het derde, vierde en zesde lid. Hun plaatsvervangers zijn wel stemgerechtigd.

  • 8.

    Behoudens later in rechte gebleken onregelmatigheden, ontlast de vaststelling van de jaarrekening de leden van het dagelijks bestuur ten aanzien van het daarin verantwoorde financieel beheer.

  • 9.

    Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval vóór 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten.

Artikel 54 Garantstelling

De deelnemers zullen er steeds zorg voor dragen dat het samenwerkingsverband te allen tijde over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te kunnen voldoen.

Hoofdstuk 6 Toetreding, uittreding, wijziging, opheffing

Artikel 55 Toetreding

  • 1.

    Het college van burgemeester en wethouders van een gemeente of het dagelijks bestuur van een waterschap dat wenst toe te treden, dient hiertoe een verzoek in bij het dagelijks bestuur van het samenwerkingsverband. Het college van de desbetreffende gemeente of het dagelijks bestuur van het desbetreffende waterschap voegt hierbij het besluit tot toestemming van de gemeenteraad respectievelijk het algemeen bestuur van het waterschap als bedoeld in artikel 61, tweede lid van de wet.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur van het samenwerkingsverband brengt het verzoek ter kennis van het algemeen bestuur en geeft daarbij een advies over de toetreding.

  • 3.

    Toetreding kan geschieden nadat het algemeen bestuur hiertoe unaniem heeft besloten.

  • 4.

    Een lid kan in het algemeen bestuur slechts voor toetreding stemmen, dan nadat hij hiervoor de instemming van het college van de deelnemer die hem heeft aangewezen heeft verkregen. Dit college kan deze instemming pas verlenen na verkregen toestemming van zijn vertegenwoordigend orgaan als bedoeld in artikel 61, tweede lid van de wet.

  • 5.

    De toetreding gaat in op de eerste dag van het kalenderjaar volgende op het jaar waarin de in het derde lid bedoelde besluit van het algemeen bestuur is genomen, met dien verstande dat tussen de toetreding en het in het derde lid bedoelde besluit een periode van ten minste zes maanden is gelegen.

  • 6.

    Het algemeen bestuur kan algemene en specifieke regels stellen omtrent de toetreding van nieuwe waterschappen of gemeenten.

Artikel 56 Uittreding

  • 1.

    Voor uittreding uit de regeling wordt een opzegtermijn van ten minste één jaar in acht genomen. Gedurende drie jaar na de datum van toetreding tot de regeling is uittreding niet mogelijk.

  • 2.

    Het voornemen tot uittreding wordt door het betreffende college bij aangetekende kennisgeving aan het dagelijks bestuur van het samenwerkingsverband meegedeeld.

  • 3.

    Na ontvangst van de in het tweede lid vermelde kennisgeving wordt een in overleg met de uittredende deelnemer aan te wijzen onafhankelijke derde opdracht verleend een liquidatieplan op te stellen als ware tot opheffing van de regeling besloten.

  • 4.

    Op grond van het in het derde lid opgestelde liquidatieplan besluit het college dat een kennisgeving als bedoeld in het tweede lid heeft gedaan of daadwerkelijk tot uittreding wordt overgegaan. Het college besluit hier niet toe dan nadat het toestemming van zijn vertegenwoordigend orgaan heeft gekregen als bedoeld in artikel 61, tweede lid van de wet.

  • 5.

    Wanneer toepassing wordt gegeven aan het vierde lid, stelt het algemeen bestuur het liquidatieplan vast. De in het liquidatieplan omschreven financiële verplichtingen zijn voor de uittredende deelnemer bindend.

  • 6.

    Nadat het liquidatieplan is vastgesteld is de uittredende deelnemer gehouden om binnen zes maanden de daarin voor hem omschreven financiële verplichtingen aan het samenwerkingsverband te voldoen.

  • 7.

    De kosten van het opstellen van het liquidatieplan komen voor rekening van de deelnemer die het voornemen heeft om uit te treden.

Artikel 57 Wijziging

  • 1.

    De colleges of het dagelijks bestuur kunnen een voorstel tot wijziging van de regeling indienen bij het algemeen bestuur.

  • 2.

    Het algemeen bestuur zendt het wijzigingsvoorstel aan de colleges.

  • 3.

    Wijziging kan geschieden nadat het algemeen bestuur hiertoe unaniem heeft besloten.

  • 4.

    Een lid kan in het algemeen bestuur slechts voor wijziging stemmen, dan nadat hij hiervoor de instemming van het college van de deelnemer dat hem heeft aangewezen heeft verkregen. Dit college kan deze instemming pas verlenen na verkregen toestemming van zijn vertegenwoordigend orgaan als bedoeld in artikel 61, tweede lid van de wet.

  • 5.

    De wijziging bepaalt zelf wanneer deze in werking treedt, met in acht neming van het hierom in artikel 26 en 27 van de wet bepaalde.

Artikel 58 Opheffing en liquidatie

  • 1.

    De colleges of het dagelijks bestuur kunnen een voorstel tot opheffing van de regeling indienen bij het algemeen bestuur.

  • 2.

    Het algemeen bestuur zendt het voorstel aan de colleges.

  • 3.

    Opheffing kan geschieden nadat het algemeen bestuur hiertoe unaniem heeft besloten.

  • 4.

    Een lid kan in het algemeen bestuur slechts voor opheffing stemmen, dan nadat hij hiervoor de instemming van het college van de deelnemer dat hem heeft aangewezen heeft verkregen. Dit college kan deze instemming pas verlenen na verkregen toestemming van zijn vertegenwoordigend orgaan als bedoeld in artikel 61, tweede lid van de wet.

  • 5.

    Bij opheffing van de regeling wordt een plan opgesteld als bedoeld in artikel 56, derde lid. Het bepaalde in artikel 56, derde, vijfde, zesde en zevende lid is van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk 7 Overige bepalingen

Artikel 59 Archief

  • 1.

    Het dagelijks bestuur draagt de zorg voor de archiefbescheiden van de organen van het openbaar lichaam.

  • 2.

    Het algemeen bestuur stelt, met inachtneming van de Archiefwet 1995, regels vast omtrent de zorg voor de bewaring en het beheer van de archiefbescheiden, alsmede omtrent het toezicht daarop.

  • 3.

    In geval van toetreding, uittreding of opheffing van de regeling draagt het dagelijks bestuur zorg voor het treffen van voorzieningen voor de archiefbescheiden.

Artikel 60: Dienstverleningsregeling

Het algemeen bestuur stelt een dienstverleningsregeling vast waarin ten minste aan bod komen:

  • a.

    de randvoorwaarden en uitgangspunten voor de dienstverlening van het samenwerkingsverband;

  • b.

    de door het samenwerkingsverband te leveren producten en diensten;

  • c.

    de definitie van resultaatgebieden;

  • d.

    de wijze van aanslagoplegging;

  • e.

    de invulling van klantcontacten;

  • f.

    het regime voor afdrachten;

  • g.

    de uitwisseling van eigendom en gegevens;

  • h.

    de werkrelatie tussen het samenwerkingsverband en de deelnemers, en

  • i.

    de invulling van overlegstructuren tussen het samenwerkingsverband en de deelnemers.

Artikel 61 Maatwerkovereenkomst

Binnen de kaders van de dienstverleningsregeling, bedoeld in artikel 60, sluit het samenwerkingsverband jaarlijks met iedere afzonderlijke deelnemer een maatwerkovereenkomst waarbij ook nadere afspraken kunnen worde gemaakt over additionele taken als bedoeld in artikel 37.

Artikel 62 Secretarissenoverleg

Het algemeen bestuur stelt een verordening vast waarbij een permanente adviescommissie, onder de naam secretarissenoverleg, wordt ingesteld. De adviescommissie bestaat ten minste uit de secretaris van de gemeente Utrecht en de secretaris-directeur van het waterschap Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden. De secretaris onderscheidenlijk de secretaris-directeur kan zich laten vertegenwoordigen.

Artikel 63 Geschillen

  • 1.

    Onverminderd het bepaalde in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen worden geschillen over de toepassing van de regeling, in de ruimste zin van het woord, onderworpen aan een niet-bindend deskundigenadvies.

  • 2.

    Voordat wordt overgegaan tot het vragen van het in het eerste lid bedoelde deskundigenadvies, wordt het geschil besproken tussen een afvaardiging van het dagelijks bestuur en een afvaardiging van het college waarmee het geschil bestaat.

  • 3.

    Indien het in het tweede lid bedoelde overleg niet tot een oplossing leidt, benoemen het dagelijks bestuur en het college waarmee het geschil bestaat elk een onafhankelijke deskundige. Beide deskundigen benoemen een derde deskundige, die tevens als voorzitter van de adviescommissie optreedt. Het dagelijks bestuur treedt mede namens het betreffende college op als opdrachtgever van de commissie. In de opdracht wordt tenminste het probleem geschetst, worden de te beantwoorden vragen geformuleerd en wordt de termijn genoemd waarbinnen de commissie haar advies dient uit te brengen.

  • 4.

    De in het derde lid bedoelde commissie regelt zelf de wijze waarop zij haar advies tot stand brengt. Het advies wordt tegelijkertijd toegezonden aan het dagelijks bestuur en aan het betreffende college.

  • 5.

    Op basis van het advies treden de in het tweede lid bedoelde personen nogmaals in overleg om te trachten tot een oplossing van het geschil te komen. Indien het overleg niet tot een oplossing leidt, is elk der partijen vrij om het geschil overeenkomstig het gestelde in artikel 28 van de Wet gemeenschappelijke regelingen voor te leggen aan gedeputeerde staten.

  • 6.

    De kosten van de adviescommissie worden door het dagelijks bestuur en het betreffende college ieder voor de helft gedragen.

Hoofdstuk 8 Slotbepalingen

Artikel 64 Inwerkingtreding

  • 1.

    Deze wijziging treedt in werking op de derde dag nadat de laatste deelnemer het collegebesluit en het besluit van het algemeen bestuur van de gemeenschappelijke regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht tot wijziging overeenkomstig artikel 26, tweede lid, van de Wet gemeenschappelijke regelingen bekend heeft gemaakt.

Artikel 65 Duur van de regeling

De regeling wordt aangegaan voor onbepaalde tijd.

Artikel 66 Inzending regeling

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht wordt belast met de inzending van deze regeling aan gedeputeerde staten.

Artikel 67 Citeerwijze

Deze regeling kan worden aangehaald als: Gemeenschappelijke Regeling Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht.

Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht op 11 september 2012.

De secretaris, De burgemeester,

Drs. M.R. Schurink Mr. A. Wolfsen

Aldus vastgesteld door het college van dijkgraaf en hoogheemraden van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden op 27 november 2012.

De secretaris, De dijkgraaf,

Drs. E.Th. Meuleman P.J.M. Poelmann

Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Bilt op 18 september 2012.

De secretaris, De burgemeester,

R.A.K. Huijbregts A.J. Gerritsen

Bekendmaking is geschied op 28november 2012.

Dit besluit treedt in werking op 1 december 2012.