Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Utrecht (Utr)

Richtlijn Participatieplaatsen en Participatiepremie Werkzoekenden

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieUtrecht (Utr)
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingRichtlijn Participatieplaatsen en Participatiepremie Werkzoekenden
CiteertitelRichtlijn Participatieplaatsen en Participatiepremie Werkzoekenden
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerpmaatschappelijke zorg

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Wet werk en bijstand, art. 10a

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

07-10-2009nieuwe regeling

14-09-2009

Gemeenteblad van Utrecht 2009, nr. 47

Besluit college van B&W van 14 september 2009

Tekst van de regeling

Intitulé

Richtlijn Participatieplaatsen en Participatiepremie Werkzoekenden

 

 

 

Richtlijn Participatieplaatsen en Participatiepremie Werkzoekenden

(b. en w.-besluit van 14 september 2009)

Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht;

Besluit

vast te stellen de volgende

RICHTLIJN Participatieplaatsen

en Participatiepremie

Werkzoekenden.

Toelichting:

Per 1 januari 2009 is er een wijziging doorgevoerd in artikel 10a van de Wet werk en bijstand, met betrekking tot participatieplaatsen. In de nieuwe versie van de wet is opgenomen dat personen die in het kader van hun re-integratie langer dan zes maanden additionele werkzaamheden verrichten, met behoud van WWB-uitkering, in aanmerking kunnen komen voor een premie. Per 9 juli 2009 heeft de gemeenteraad de maximale hoogte van deze premie vastgesteld. Om de toekenning en verstrekking van de premies vast te leggen en verder in te kaderen, dient de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid de nieuwe regelgeving verder uit te werken in een beleidsrichtlijn. Dit document is een concept van deze richtlijn. In de bijlage is de gewijzigde wettekst van artikel 10a opgenomen. De dikgedrukte tekst verwijst naar deze bijlage.

1. Begripsomschrijvingen

  • a.

    Participatieplaats: het re-integratie-instrument als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, WWB, bestaand uit het verrichten van onbeloonde additionele werkzaamheden gedurende maximaal twee jaar.

  • b.

    Additionele werkzaamheden: de werkzaamheden bedoeld in artikel 10a, tweede lid, WWB.

  • c.

    Startkwalificatie: het diploma als bedoeld in artikel 6, eerste lid onder d, WWB.

  • d.

    Premie: de premie als bedoeld in artikel 10a, zesde lid, WWB.

2. Voorwaarden

  • 2.1.

    Er is sprake van een participatieplaats als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

    • a.

      de additionele werkzaamheden zijn onderdeel van een door het college vastgesteld traject- of voorzieningenplan gericht op arbeidsinschakeling, dat na overleg met belanghebbende is opgesteld;

    • b.

      de werkzaamheden zijn expliciet gericht op de arbeidsinschakeling, specifiek voor dat doel in het leven geroepen en van tijdelijke aard, met een maximum van 2 jaar en de mogelijkheid van verlenging als bedoeld in artikel 10a, negende en tiende lid, en met inachtneming van het derde en vierde lid, WWB;

    • c.

      de werkzaamheden worden gedurende gemiddeld 16 uur of meer per week onder begeleiding verricht;

    • d.

      de begeleiding vindt plaats onder verantwoordelijkheid van het re-integratiebedrijf of de klantmanager indien er geen re-integratiebedrijf bij de begeleiding is betrokken.

    • e.

      belanghebbende ontvangt gedurende de uitvoering van de werkzaamheden een WWB-uitkering.

      2.2. Er is geen sprake van een participatieplaats als aan één of meer van de in het eerste lid genoemde voorwaarden niet wordt voldaan. 2.3. Een stage in het kader van een opleiding, die noodzakelijk is voor de verwerving van een diploma, alsmede vrijwilligerswerk dat, al dan niet met instemming van het college, zonder begeleiding en niet onder de uitdrukkelijke verantwoordelijkheid van het college wordt verricht of een structureel karakter heeft, alsmede de werkzaamheden die gedurende de eerste zes maanden na aanvang van de bijstand met behoud van uitkering in het kader van Work First worden verricht, zijn geen participatieplaats in de zin van artikel 10a WWB.

3. Aanvang en duur van de participatieplaats

  • 3.1.

    De participatieplaats vangt aan op het moment dat het voorzieningenplan, waarvan de additionele werkzaamheden deel uitmaken, na overleg met belanghebbende is opgesteld en door het college is vastgesteld.

  • 3.2.

    De duur van de participatieplaats bedraagt maximaal twee jaar, behoudens de mogelijkheid tot verlenging bedoeld in artikel 8 van deze richtlijn.

  • 3.3.

    Voor de vaststelling van de duur worden werkzaamheden die zijn verricht met behoud van uitkering in het kader van een andere voorziening als bedoeld in artikel 10a, derde lid, WWB, voor maximaal zes maanden buiten beschouwing gelaten.

4. Verplichtingen

  • 4.1.

    De belanghebbende is verplicht naar vermogen gebruik te maken van de aangeboden werkzaamheden en begeleiding, alsmede deel te nemen aan de aangeboden scholing of opleiding of andere voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling, wanneer deze in een voorzieningplan zijn overeengekomen. Genoemde verplichting is een verplichting in de zin van artikel 9, eerste lid onder b, WWB.

  • 4.2.

    Het niet nakomen van de aan de participatieplaats verbonden verplichtingen is een verwijtbare gedraging als bedoeld in artikel 18 WWB en kan leiden tot tijdelijke verlaging van de bijstand overeenkomstig de bepalingen in de Verordening afstemming bijstand.

5. Begeleiding

Het re-integratiebedrijf (of indien er geen re-integratiebedrijf is ingeschakeld, de klantmanager) is verantwoordelijk voor een adequate begeleiding bij de uitvoering van de werkzaamheden. Het re-integratiebedrijf (of de klantmanager) draagt zorg voor de nadere invulling van deze begeleiding.

6. Scholing

  • 6.1.

    Het college biedt aan de belanghebbende die in het kader van een participatieplaats werkzaamheden verricht en niet over een startkwalificatie beschikt scholing of opleiding aan.

  • 6.2.

    Het in het vorige lid bedoelde aanbod vindt alleen plaats nadat in voldoende mate uit onderzoek is gebleken dat de scholing of opleiding een reële bijdrage levert aan de toegang tot de arbeidsmarkt. Dit is ter beoordeling aan het college. Het re-integratiebedrijf brengt hierover binnen zes maanden na aanvang van de werkzaamheden advies aan het college uit. Indien er geen re-integratiebedrijf is ingeschakeld, evalueert en registreert de klantmanager de wenselijkheid van scholing of opleiding.

  • 6.3.

    Het bovengenoemde onderzoek kan, in opdracht van het college, worden uitgevoerd door een deskundige derde.

  • 6.4.

    Voor belanghebbenden die wel in het bezit zijn van een startkwalificatie wordt op basis van het scholingsprotocol de noodzaak tot aanvullende training of scholing beoordeeld.

7. Premie

  • 7.1.

    De belanghebbende ontvangt telkens nadat hij gedurende een periode van zes maanden zonder onderbreking werkzaamheden heeft verricht in het kader van een participatieplaats in de zin van deze richtlijn en aan zijn verplichtingen bedoeld in artikel 4 van deze richtlijn heeft voldaan, een premie van EUR 300,00 op basis van een gemiddelde arbeidsduur van 32 uur per week of meer. *) *) Wanneer werkzaamheden niet een volledige periode van zes maanden hebben voortgeduurd, vervalt het recht op de premie voor deze gehele periode van zes maanden. Dit is in de wet verankerd.

  • 7.2.

    Een ziekteverzuim gedurende de in het eerste lid bedoelde periode van zes maanden van minder dan 50% van de totale afgesproken arbeidsduur wordt niet als onderbreking van de werkzaamheden aangemerkt.

  • 7.3.

    De hoogte van de premie wordt naar rato vastgesteld als de arbeidsduur van de additionele werkzaamheden minder dan 32 uur per week bedraagt. De hoogte van de premie wordt berekend op basis van indeling naar gemiddeld aantal gewerkte uren, waarbij een onderverdeling wordt gemaakt in drie categorieën:

a) van 16 t/m 23 uur (EUR 175,00);

b) van 24 t/m 31 uur (EUR 250,00);

c) 32 uur of meer (EUR 300,00).

  • 7.4.

    Behoudens het bepaalde in het tweede lid, wordt bij een ziekteverzuim van meer dan 25%, maar minder dan 50% van de totale afgesproken arbeidsduur de met toepassing van het eerste en derde lid vastgestelde premie met 50% verminderd.

  • 7.5.

    Het minimum aantal gewerkte uren benodigd om in aanmerking te komen voor de premie wordt door het college vastgesteld op 16 uur per week. **)

  • 7.6.

    Indien de belanghebbende in de periode waarin hij recht heeft op een participatiepremie, reeds een vrijwilligersvergoeding ontvangt, komt de belanghebbende niet in aanmerking voor een participatiepremie.

  • 7.7.

    Het re-integratiebedrijf rapporteert periodiek, maar ten minste eenmaal per zes maanden, aan het college of de belanghebbende heeft voldaan aan zijn verplichtingen bedoeld in artikel 4 van deze richtlijn en of de werkzaamheden nog voldoen aan de eisen gesteld in artikel 2 van deze richtlijn.

  • 7.8.

    Indien er geen re-integratiebedrijf is ingeschakeld, evalueert en registreert de klantmanager ten minste eenmaal per zes maanden, of de belanghebbende heeft voldaan aan zijn verplichtingen bedoeld in artikel 4 van deze richtlijn en of de werkzaamheden nog voldoen aan de eisen gesteld in artikel 2 van deze richtlijn.

  • 7.9.

    De beoordeling of belanghebbende in aanmerking komt voor de premie wordt uitgevoerd door het college.

8. Herbeoordeling, verlenging en (her)verlenging

  • 8.1.

    De in artikel 10a, achtste lid, WWB bedoelde herbeoordeling vindt plaats als negen maanden na aanvang van de werkzaamheden zijn verstreken.

  • 8.2.

    Het re-integratiebedrijf rapporteert ten behoeve van de herbeoordeling of de wenselijkheid van verlenging of (her)verlenging van de participatieplaats periodiek, maar ten minste eenmaal per zes maanden, aan het college over de voortgang met betrekking tot de vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt, na overleg met belanghebbende en de betrokken opdrachtgever (inlener).

  • 8.3.

    Indien er geen re-integratiebedrijf is ingeschakeld, evalueert en registreert de klantmanager ten behoeve van de herbeoordeling of de wenselijkheid van verlenging of (her)verlenging van de participatieplaats periodiek, maar ten minste eenmaal per zes maanden, de voortgang met betrekking tot de vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt.

  • 8.4.

    Als uit deze rapportage blijkt dat de participatieplaats in de voorafgaande negen maanden niet tot vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt heeft geleid, beëindigt het college de participatieplaatsen als twaalf maanden na aanvang van de additionele werkzaamheden zijn verstreken.

**) Dezelfde minimum ureneis wordt gehanteerd bij de beoordeling ten behoeve van de resultaatfinanciering van trajecten voor niet-uitkeringsgerechtigden.

8.5.Voor afloop van de termijn van twee jaar of, na een eerste verlenging, voor afloop van het derde jaar neemt het college op grond van de rapportage een besluit over verlenging respectievelijk (her)verlenging van de participatieplaats.

9. Beëindiging van de participatieplaats

Behoudens in de gevallen, waarin de participatieplaats met toepassing van artikel 8, derde lid, van deze richtlijn wordt beëindigd, of wanneer de participatieplaats met toepassing van artikel 8, vierde lid, van deze richtlijn wordt verlengd, eindigt de participatieplaats van rechtswege bij het verstrijken van de termijn van twee jaar.

10. Uitvoering

Het re-integratiebedrijf (of indien er geen re-integratiebedrijf is ingeschakeld, de klantmanager) is verantwoordelijk voor de begeleiding op de participatieplaats en voor rapportage en advies zoals genoemd in artikel 6, 7 en 8 van deze richtlijn. Het college is verantwoordelijk voor de inzet van het instrument participatieplaats en voor de beoordeling van het traject zoals genoemd in artikel 6, 7 en 8 van deze richtlijn.

Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders op 14 september 2009.

De secretaris, De burgemeester,

Drs. J. Schuilenburg Mr. A. Wolfsen

Bekendmaking is geschied op 30 september 2009.

Deze beleidsregels zijn in werking getreden op 7 oktober 2009

BIJLAGEN BEHOREND BIJ GEMEENTEBLAD VAN UTRECHT 2009, NR. 47

Toelichting op de richtlijn ten behoeve van de uitvoering

De onderstaande toelichting is bedoeld om uitvoering van deze richtlijn te implementeren en geeft waar nodig een uitleg van de diverse bepalingen.

Bij de beoordeling van het recht op een premie als bedoeld in artikel 10a, zesde lid, WWB moet eerst worden vastgesteld dat er sprake is van onbeloond additionele werkzaamheden binnen een participatieplaats. Vervolgens moet worden beoordeeld vanaf welk moment sprake is van een participatieplaats en voor welke duur, met andere woorden: vanaf welk moment en tot wanneer aanspraak op een premie ontstaat. Een participatieplaats is niet vrijblijvend; er zijn verplichtingen aan verbonden. Het niet nakomen daarvan heeft gevolgen. Voor de beoordeling van het recht op premie is ook van belang of de belanghebbende aan zijn verplichtingen heeft voldaan.

De hoogte van de premie wordt vastgesteld aan de hand van het aantal feitelijk gewerkte uren.

Verder bevat de richtlijn bepalingen over de begeleiding, het aanbieden van scholing, alsmede bepalingen over herbeoordeling, verlenging en (her)verlenging van de participatieplaats en de beëindiging daarvan.

Definities (artikel 1)

De richtlijn gebruikt voor allerlei relevante begrippen dezelfde definities als in de Wet werk en bijstand (WWB). Dat voorkomt misverstanden en interpretatieverschillen. Daarom verwijst artikel 1 van deze richtlijn naar artikel 10a van de WWB (voor de tekst hiervan: zie de bijlage).

De geeft geen gedetailleerde omschrijving van de term 'additionele werkzaamheden'. Uit de toelichting van de wetgever bij deze bepaling vallen wel een aantal aspecten af te leiden, die in deze richtlijn zijn vastgelegd:

  • -

    het is onbetaald werk;

  • -

    het werk is tijdelijk;

  • -

    het is werk waarbij geen sprake is van verdringing op de arbeidsmarkt, hetgeen tot uitdrukking komt door ofwel noodzakelijke begeleiding (en daardoor een lagere productiviteit) ofwel doordat het gaat om een speciaal voor deze groep gecreëerde functie.

Voorwaarden (artikel 2)

Om in aanmerking te komen voor een premie voor het verrichten van onbeloonde additionele arbeid in een participatieplaats moet aan een aantal voorwaarden worden voldaan. De richtlijn geeft criteria om vast te stellen of onbeloonde, additionele werkzaamheden als participatieplaats kunnen worden aangemerkt en daardoor meetellen bij de bepaling van het recht op een premie.

De volgende voorwaarden zijn van toepassing:

  • 1.

    De werkzaamheden zijn onderdeel van een voorzieningenplan en gericht op arbeidsinschakeling. Er moet een onderliggend voorzieningenplan zijn, waarin de onbeloonde werkzaamheden een activiteit zijn om de vaardigheden van de klant te vergroten. Wanneer de activiteit niet is opgenomen in een voorzieningenplan, kan er dus geen sprake zijn van een participatieplaats. De werkzaamheden moeten gericht zijn op de arbeidsinschakeling. Dat betekent dat niet alle soorten vrijwilligerswerk onder de regeling vallen. In het derde lid van artikel 2 wordt dit uitgewerkt. Een stage in het kader van een opleiding kan nooit een participatieplaats zijn, want is immers een onderdeel van de opleiding en niet speciaal gericht op arbeidsinschakeling. Dit geldt ook voor vrijwilligerswerk dat iemand geheel zelfstandig, dus zonder begeleiding verricht, niet is bedoeld om arbeidsvaardigheden te trainen en er evenmin wezenlijk aan bijdraagt. Tot slot zijn werkzaamheden met behoud van uitkering gedurende de eerste zes maanden van de bijstand in het kader van Work first geen participatieplaats en tellen dus ook niet mee voor de aanspraak op een premie (zie onder Premie). Ze tellen, net als de andere werkzaamheden met behoud van uitkering, echter wel mee voor de vaststelling van de resterende maximale duur van de participatieplaats (zie hierna onder Aanvang en duur).

  • 2.

    De klant is vooralsnog niet in staat tot arbeid in loondienst. Deze voorwaarde vloeit eigenlijk rechtstreeks voort uit de wet. Iedereen die direct in staat is om algemeen geaccepteerde arbeid te verrichten, heeft een sollicitatieplicht en moet ieder aanbod aanvaarden, of neemt deel aan een traject dat rechtstreeks gericht is op uitstroom naar betaalde arbeid. Voor deze categorie bijstandsgerechtigden is het instrument participatieplaats niet bedoeld. Het gaat hier om klanten voor wie het verrichten van arbeid in loondienst vooralsnog niet haalbaar is. Inzet van het instrument is niet gekoppeld aan een van de treden van de re-integratieladder.

  • 3.

    De werkzaamheden zijn tijdelijk. De wet verbindt een maximale duur van twee jaar aan het verrichten van additionele arbeid in het kader van deze regeling, met een mogelijkheid tot verlenging. De duur mag natuurlijk ook korter zijn. Zie verder onder: Aanvang en duur.

  • 4.

    Minimale arbeidsduur 16 uur per week. Het uiteindelijke doel van de participatieplaats is de re-integratie op de (reguliere) arbeidsmarkt. Om dat doel binnen een redelijke termijn (maximaal twee jaar) te kunnen verwezenlijken, wordt een werkweek van minimaal 16 uur per week noodzakelijk geacht om voldoende werkervaring, werkritme en sociale vaardigheden op te doen. Een reguliere arbeidsduur van minder dan 16 uur levert onvoldoende resultaat op.

  • 5.

    Er is sprake van begeleiding. De klant moet de werkzaamheden in beginsel slechts onder speciale begeleiding kunnen verrichten, waardoor hij minder productief is dan iemand op een vergelijkbare reguliere arbeidsplaats. Op deze wijze is betrekkelijk eenvoudig aannemelijk te maken dat het additionele werkzaamheden betreft en geen verkapte reguliere werkzaamheden. De begeleiding is in ieder geval noodzakelijk als de werkzaamheden lijken op regulier werk. Het zal in de meeste gevallen echter gaan om zeer eenvoudige werkzaamheden die geen verdringing op de arbeidsmarkt opleveren. De praktische invulling van de begeleiding is in beginsel opgedragen aan het re-integratiebedrijf, of indien er geen re-integratiebedrijf is ingeschakeld, de klantmanager (artikel 5).

  • 6.

    De belanghebbende moet een WWB-uitkering ontvangen. Alleen als de klant bijstand ontvangt, kan SoZaWe de voorziening van een participatieplaats aanbieden. Nuggers zijn op grond van de wet van deze voorziening uitgesloten.

Aanvang en duur van de participatieplaats (artikel 3)

Een participatieplaats ontstaat op het moment dat een traject- of voorzieningenplan, gericht op re-integratie is vastgesteld en met de werkzaamheden is gestart. Het kan natuurlijk gebeuren dat iemand zonder trajectplan al een tijdje onder begeleiding vrijwilligerswerk verricht, dat mogelijk aan de eisen van een participatieplaats voldoet. In dat geval kan de klantmanager onderzoeken of die werkzaamheden passen in een op te stellen traject- of voorzieningenplan. Zolang een dergelijk plan er (nog) niet is, kan niet van een participatieplaats worden gesproken en tellen de werkzaamheden niet mee voor de aanspraak op premie (zie onder Premie).

Alle werkzaamheden verricht in de laatste twee voorafgaande jaren die voldoen aan de eisen die gesteld worden aan een participatieplaats, tellen mee voor de vaststelling van de (resterende) maximale duur van de participatieplaats. Met de maximale duur wordt de standaard maximale duur van een participatieplaats bedoeld, dus niet de (her)verlengingsmogelijkheden naar een derde of vierde jaar in uitzonderingsgevallen (zie artikel 8 van de toelichting).

De wetgever heeft een bepaling opgenomen dat werkzaamheden met behoud van uitkering in het kader van een andere voorziening voor maximaal 6 maanden buiten beschouwing mogen blijven bij de vaststelling van de duur van de participatieplaats, als die werkzaamheden naar het oordeel van het college een reëel uitzicht bieden op een dienstverband bij degene bij wie de werkzaamheden worden verricht. Werkzaamheden die langer dan twee jaar geleden zijn verricht blijven helemaal buiten beschouwing. Dit betekent in de praktijk het volgende:

  • -

    werkzaamheden die langer dan twee jaar geleden verricht zijn, blijven bij de bepaling van de maximale duur van de participatieplaats buiten beschouwing;

  • -

    alle in de afgelopen twee jaar met behoud van uitkering verrichte additionele werkzaamheden, tellen volledig mee voor de berekening van de (resterende) maximale duur van de participatieplaats (exclusief (her)verlenging);

  • -

    na het verstrijken van de (resterende) maximale duur van de participatieplaats (exclusief (her)verlenging) mag een belanghebbende nog gedurende maximaal 6 maanden werkzaamheden met behoud van uitkering verrichten in het kader van een andere re-integratievoorziening, op voorwaarde dat er een reëel uitzicht op een dienstverband bestaat bij degene waar de werkzaamheden worden verricht; zo kan een belanghebbende bijvoorbeeld toch nog deelnemen aan een leerwerktraject met baantoezegging.

Verplichtingen (artikel 4)

Een participatieplaats is niet vrijblijvend. Hij maakt deel uit van de re-integratie van de bijstandsgerechtigde. Deze is op grond van artikel 9 WWB verplicht hieraan mee te werken op straffe van een afstemming op grond van artikel 18 WWB en artikel 2, derde lid, van de Verordening Afstemming bijstand.

Het nakomen van de verplichting om naar vermogen aan de participatieplaats deel te nemen (uitvoeren van de werkzaamheden, mee te werken aan begeleiding en/of scholing en/of andere voorziening) is bovendien een voorwaarde om voor de premie in aanmerking te komen (zie onder Premie).

Begeleiding (artikel 5)

Het re-integratiebedrijf is verantwoordelijk voor een passende begeleiding bij de werkzaamheden. Indien er geen re-integratiebedrijf is ingeschakeld, is de klantmanager hiervoor verantwoordelijk. Onder begeleiding wordt onder meer verstaan;

  • -

    regelmatige communicatie met de opdrachtgever van de werkzaamheden over het functioneren van de klant;

  • -

    regelmatig contact met de klant over zijn ervaringen en voortgang;

  • -

    regelmatig evalueren van de inzet en voortgang van de klant.

Scholing (artikel 6)

Het re-integratiebedrijf brengt binnen zes maanden na aanvang van de werkzaamheden een advies uit over een noodzakelijk scholingsaanbod.

Uit het advies moet blijken of de klant over een startkwalificatie beschikt en dat de voorgestelde scholing bijdraagt aan een reële verbetering van de toegang tot de arbeidsmarkt. In de regel zal het college dit advies volgen wanneer de klant niet over een startkwalificatie beschikt, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om hiervan af te zien. Een reden kan bijvoorbeeld uitkeringsfraude zijn, die leidt tot beëindiging van de uitkering. Of de klant geeft blijk van ander verwijtbaar gedrag waarmee hij zijn kansen op de arbeidsmarkt ernstig schaadt.

Personen die wel over een startkwalificatie beschikken kunnen eveneens een (beperkt) aanbod voor scholing of training krijgen. De uitvoering van de inkoop van scholing moet passen in het scholingsprotocol.

Het begrip 'startkwalificatie' wordt omschreven in artikel 6 WWB: een diploma van een opleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen b tot en met e, van de Wet educatie en beroepsonderwijs of een diploma hoger algemeen voortgezet onderwijs of voorbereidend wetenschappelijk onderwijs, bedoeld in artikel 7 onderscheidenlijk 8 van de Wet op het voortgezet onderwijs.

Het daadwerkelijke scholingsaanbod en de praktische uitvoering lopen via het re-integratiebedrijf.

Indien er geen re-integratiebedrijf is ingeschakeld, beoordeelt de klantmanager zelf of een scholingsaanbod noodzakelijk is en regelt hij de praktische uitvoering voor het scholingsaanbod.

Premie (artikel 7)

Het recht op premie ontstaat pas vanaf het moment dat gedurende zes maanden additionele werkzaamheden in het kader van een participatieplaats zijn verricht (dus vanaf het moment dat hiervoor een traject- of voorzieningenplan is vastgesteld). Uitkering van een premie met terugwerkende kracht (dat wil zeggen vóór vaststelling van het re-integratieplan en vóór aanvang van de werkzaamheden) is niet mogelijk. Dat betekent ook dat werkzaamheden die niet in het kader van een participatieplaats zijn verricht niet in aanmerking komen voor een premie.

Daarnaast gelden voor het recht op een premie de volgende voorwaarden:

  • -

    De werkzaamheden moeten ononderbroken zijn. Ongeoorloofd verzuim betekent dat er over die zes maanden geen recht op premie bestaat. Voor verzuim wegens ziekte geldt dat dit maximaal 50% van de totale arbeidsduur mag bedragen. Een hoger verzuim wordt gezien als onderbreking en betekent dat er geen recht is op premie. Bij een verzuim dat onder de 50% ligt maar boven de 25%, wordt de premie gehalveerd.

  • -

    De klant moet voldoen aan zijn verplichtingen. Het nakomen van de verplichting om naar vermogen aan de participatieplaats deel te nemen (uitvoeren van de werkzaamheden, meewerken aan begeleiding en/of scholing en/of andere voorziening) is een voorwaarde om voor de premie in aanmerking te komen.

Alvorens over te gaan tot uitbetaling van de premie moet uit rapportages blijken dat aan bovenstaande voorwaarden is voldaan.

Voor de hoogte van de premie is het aantal daadwerkelijk gewerkte uren bepalend, berekend naar een gemiddelde per week over de voorafgaande periode van zes maanden. Bij een wisselend aantal uren moet dus worden uitgerekend hoeveel het gemiddeld aantal gewerkte uren per week bedraagt. Ziekte-uren worden als gewerkte uren geteld (tot 25% van de totale arbeidsduur, bij meer dan 25% ziekteverzuim wordt de premie gehalveerd en bij meer dan 50% ziekteverzuim is er geen recht op premie – zie hierboven).

De premie bedraagt:

  • -

    EUR 175,00 van 16 t/m 23 uur;

  • -

    EUR 250,00 van 24 t/m 31uur;

  • -

    EUR 300,00 bij een arbeidsduur van minimaal 32 uur per week.

Herbeoordeling, verlenging en (her)verlenging (artikel 8)

Essentieel voor het slagen van een participatieplaats is dat deze de kansen op de arbeidsmarkt moet vergroten. Hierover moet minstens eenmaal per zes maanden worden gerapporteerd, ofwel door het re-integratiebedrijf ofwel door de klantmanager. De participatieplaats wordt na twaalf maanden beëindigd als uit deze rapportage blijkt dat de participatieplaats niet tot vergroting van de kansen op de arbeidsmarkt heeft geleid.

Verlenging en (her)verlenging zijn alleen mogelijk als deze de kansen op de arbeidsmarkt vergroten. Dit moet blijken uit rapportages. Verlenging en (her)verlenging vinden plaats bij beschikking.

Beëindiging (artikel 9)

De participatieplaats eindigt in beginsel na twee jaar of na het verstrijken van de maximale termijn van verlenging of (her)verlenging van rechtswege. Daarover neemt het college geen besluit. Het college kan wel besluiten om de participatieplaats tussentijds te beëindigen, dus vóór het verstrijken van de termijn van twee jaar of vóór het verstrijken van de toegekende termijn van verlenging respectievelijk (her)verlenging.

Redenen van tussentijdse beëindiging kunnen zijn:

  • -

    geen of onvoldoende medewerking;

  • -

    wangedrag, zoals agressie;

  • -

    het instrument blijkt niet geschikt voor de betrokken klant;

  • -

    het instrument draagt voor de betrokken klant in onvoldoende mate bij aan arbeidsinschakeling.

BIJLAGEN BIJ DE RICHTLIJN PARTICIPATIEPREMIE

Artikel 10a. WWB – Participatieplaatsen

  • 1.

    Het college kan ter uitvoering van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, degene die algemene bijstand ontvangt en voor wie de kans op inschakeling in het arbeidsproces gering is en die daardoor vooralsnog niet bemiddelbaar is op de arbeidsmarkt, onbeloonde additionele werkzaamheden laten verrichten gedurende maximaal twee jaar.

  • 2.

    Onder additionele werkzaamheden als bedoeld in het eerste lid worden primair op de arbeidsinschakeling gerichte werkzaamheden verstaan die onder verantwoordelijkheid van het college in het kader van deze wet worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid, en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.

  • 3.

    Voor de termijn van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, worden werkzaamheden, verricht in het kader van een andere voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, voor maximaal zes maanden buiten beschouwing gelaten indien er naar het oordeel van het college een reëel uitzicht is op een dienstbetrekking bij degene bij wie de werkzaamheden worden verricht van dezelfde of grotere omvang die aanvangt tijdens of aansluitend op die zes maanden.

  • 4.

    Voor de termijn van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, worden werkzaamheden verricht voor 1 januari 2007, buiten beschouwing gelaten.

  • 5.

    Het college biedt aan degene die op grond van dit artikel additionele werkzaamheden verricht en die niet beschikt over een startkwalificatie na een periode van zes maanden na aanvang van die werkzaamheden een voorziening gericht op arbeidsinschakeling aan in de vorm van scholing of opleiding die de toegang tot de arbeidsmarkt bevordert, tenzij naar het oordeel van het college een dergelijke scholing of opleiding de krachten of bekwaamheden van de belanghebbende te boven gaat. Geen scholing of opleiding wordt aangeboden indien scholing of opleiding naar het oordeel van het college niet bijdraagt aan vergroting van de kans op inschakeling in het arbeidsproces van belanghebbende.

  • 6.

    Het college verstrekt aan belanghebbende, telkens nadat hij gedurende zes maanden op grond van dit artikel additionele werkzaamheden heeft verricht, een premie als bedoeld in artikel 31, tweede lid, onderdeel j, indien hij naar het oordeel van het college in die zes maanden voldoende heeft meegewerkt aan het vergroten van zijn kans op inschakeling in het arbeidsproces.

  • 7.

    Indien het college en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen zijn overeengekomen dat artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van toepassing is op een persoon aan wie het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een uitkering verstrekt, dient bij de toepassing van het eerste lid voor «algemene bijstand» te worden gelezen: uitkering van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.

  • 8.

    Met betrekking tot degene die op grond van het eerste lid additionele werkzaamheden verricht, beoordeelt het college na een periode van negen maanden na de aanvang van die werkzaamheden of de toepassing van dit artikel zijn kans op inschakeling in het arbeidsproces heeft vergroot. Indien dat niet het geval is wordt het verrichten van de additionele werkzaamheden twaalf maanden na aanvang van die werkzaamheden beëindigd.

  • 9.

    Met betrekking tot degene die op grond van het eerste lid additionele werkzaamheden verricht, beoordeelt het college voor afloop van de termijn van twee jaar, bedoeld in het eerste lid, of de voortzetting daarvan met het oog op in de persoon gelegen factoren zijn kans op inschakeling in het arbeidsproces aanmerkelijk verbetert. Indien dat het geval is, kan het college de termijn van twee jaar verlengen met een jaar, onder de voorwaarde dat de belanghebbende in het derde jaar in een andere omgeving andere additionele werkzaamheden verricht dan die hij in de eerste twee jaar heeft verricht.

  • 10.

    Indien de termijn van twee jaar is verlengd op grond van het negende lid, beoordeelt het college voor afloop van het derde jaar of de voortzetting daarvan met het oog op in de persoon gelegen factoren zijn kans op inschakeling in het arbeidsproces aanmerkelijk verbetert. Indien dat het geval is, kan het college de termijn nogmaals verlengen met een jaar.

Kader Participatieplaatsen, zoals op 9 juli 2009 vastgesteld door de Gemeenteraad

Inleiding

Op 1 januari 2009 is de wet Stimulering ArbeidsParticipatie, kortweg STAP, in werking getreden. De Eerste Kamer besloot hier eind december 2008 toe. In deze wet worden mogelijkheden geschapen voor gesubsidieerde arbeid voor uitkeringsgerechtigden waarvoor UWV verantwoordelijk is en er worden nadere regels gesteld waarbinnen werk met behoud van een bijstandsuitkering mogelijk is.

Voor wat betreft het laatste element is een aantal artikelen in de wet Werk en Bijstand aangepast.

Bij Koninklijk besluit is voorgeschreven dat voor 1 april 2009 de re-integratieverordening van gemeenten op dit punt aangepast dient te zijn. De wetgever wil de voorgeschreven rechten en plichten op dit onderwerp zo spoedig mogelijk implementeren. Om aan deze eis te voldoen is de raad in maart een aanpassing van de re-integratieverordening voorgesteld. Als gevolg van de collegecrisis is de behandeling van dit voorstel uitgesteld en wordt het kader opnieuw ter besluitvorming aan de raad voorgelegd. Dit biedt het algemene juridische kader voor het werken met behoud van uitkering. Nadere uitwerking wordt vervolgens door ons college in richtlijnen vastgelegd.

Voor het kader is het van belang dat de gemeenteraad zich uitspreekt over de manier waarop dit instrument in Utrecht een plek krijgt in het re-integratie-instrumentarium.

In deze notitie wordt kort ingegaan op de wet en wordt het voorstel voor de lokale invulling van dit instrument gedaan.

De wet STAP

De wet Stimulering ArbeidsParticipatie biedt op onderdelen een duidelijk kader, met als belangrijkste elementen:

  • o

    het instrument wordt ingezet voor bijstandsgerechtigden met een grote afstand tot de arbeidsmarkt, waarbij instrumenten niet hebben geleid tot plaatsing op de reguliere arbeidsmarkt, als gevolg van persoonlijke werkbelemmeringen

  • o

    er dient sprake te zijn van additioneel werk; dat wil zeggen: een speciaal gecreëerde functie of een al bestaande functie die een uitkeringsgerechtigde alleen met individuele begeleiding kan verrichten.

  • o

    het college dient van oordeel te zijn dat inzet van dit instrument een positieve invloed heeft op de vergroting van kansen op de arbeidsmarkt en dient dit jaarlijks te toetsen

  • o

    een maximale periode van vier jaar van werken met behoud van uitkering behoort tot de mogelijkheden

  • o

    een bijstandsgerechtigde die op een dergelijke plaats werkzaam is en geen startkwalificatie heeft, heeft na zes maanden recht op een scholingsaanbod, tenzij het college oordeelt dat scholing niet bijdraagt aan een verbetering van de kansen op de arbeidsmarkt van betrokkene

  • o

    bijstandsgerechtigden die werken op een Participatieplaats hebben recht op een halfjaarlijkse premie, waarvan de hoogte door het college kan worden vastgesteld, tot een maximum van EUR 1.080,00 per zes maanden. Hierbij wordt opgemerkt dat de hoogte van de premie geen drempel op mag leveren om regulier werk te aanvaarden (armoedeval).

Lokale invulling

Wij stellen, mede naar aanleiding van eerdere bespreking in de commissie Mens en Samenleving en afstemming in G4-verband, voor om de landelijke kaders in Utrecht als volgt uit te werken:

  • o

    ten aanzien van de vraagstelling omtrent het al dan niet verplichtend karakter van het werk op de participatieplaats:

    • -

      het werk op de participatieplaats wordt gezien als een re-integratieactiviteit; dat wil zeggen dat het instrument wordt ingezet wanneer dit past bij de mogelijkheden van de werkzoekende en als onderdeel van een traject naar regulier werk;

    • -

      de werkzoekende is bij de totstandkoming van het voorzieningenplan (waarin de in te zetten instrumenten worden opgenomen) betrokken en

    • -

      wanneer is besloten tot inzet van dit instrument is er geen sprake meer van vrijblijvendheid, net zoals dat geldt voor de inzet van andere instrumenten om de kansen op re-integratie op de arbeidsmarkt te vergroten.

  • o

    wij verwachten dat een periode van twee jaar lang genoeg is om te beoordelen of een (andere) vervolgstap naar regulier werk mogelijk is of niet. Verlenging van de plaatsing na een periode van twee jaar zullen wij daarom alleen in uitzonderingsgevallen toestaan;

  • o

    van een werkzoekende wordt een minimale inzet verwacht van 24 uur per week, waarbij wordt toegewerkt naar een inzet van 32 uur per week;

  • o

    na afstemming met de G4 en met name Rotterdam en Den Haag, zijn we voornemens om de premie bij inzet van 32 uur per week op EUR 300,00 per half jaar te bepalen. Een mindere inzet per week leidt tot een lagere premie. Hiertoe zal de richtlijn premie- en vrijlatingsbeleid worden aangepast;

o de additionaliteit van de werkplekken zal worden getoetst aan criteria als:

  • -

    er is sprake van een speciaal gecreëerde functie;

  • -

    het betreft werkzaamheden die onder begeleiding worden uitgevoerd.

    • o

      wanneer de bijstandsgerechtigde geen startkwalificatie bezit, wordt dit instrument waar mogelijk ingezet in combinatie met scholing, gericht op het behalen van een startkwalificatie;

    • o

      bemiddeling, plaatsing en begeleiding zal vanaf 2010 door een contractpartij worden uitgevoerd, in samenspel met inlenende organisaties en bedrijven;

    • o

      voor deze begeleiding is een budget geraamd van EUR 7.500,00 voor de eerste twee jaar (EUR 5.000,00 voor het eerste en EUR 2.500,00 voor het tweede jaar) en EUR 2.500,00 voor het eventuele derde en vierde jaar;

    • o

      vooralsnog zal vanaf 2010 een maximum aantal van 200 participatieplaatsen in Utrecht worden ingevoerd, waarbij vanaf medio 2009 maximaal 75 plaatsen via de Doe Mee organisatie ingevuld zullen worden;

    • o

      gestreefd wordt naar een breed aanbod van werkplekken, passend bij de mogelijkheden van de klanten en van de arbeidsmarkt.

Tot de doelgroep van de regeling behoren die bijstandsgerechtigden waarvan is gebleken dat zij, ondanks de inzet van diverse instrumenten, niet op de reguliere arbeidsmarkt geplaatst kunnen worden.