Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Utrecht (Utr)

Nota uitvoeringsbeleid: De GBA en persoonsgebonden adresgegevens

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieUtrecht (Utr)
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingNota uitvoeringsbeleid: De GBA en persoonsgebonden adresgegevens
CiteertitelNota uitvoeringsbeleid: De GBA en persoonsgebonden adresgegevens
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerpbestuur

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Wet Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (GBA)

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

1.Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

28-08-200805-05-2017nieuwe regeling

10-07-2007

Gemeenteblad van Utrecht 2008, nr. 49

Besluit college van B&W van 10 juli 2007

Tekst van de regeling

Intitulé

Nota uitvoeringsbeleid: De GBA en persoonsgebonden adresgegevens

 

 

Artikel 0 Dit artikel moet nog worden gesplitst

Nota uitvoeringsbeleid: De GBA en persoonsgebonden adresgegevens(besluit van 10 juli 2007)

Het college van burgemeester en wethouders

BESLUIT:

vast te stellen de navolgende

NOTA UITVOERINGSBELEID: de GBA en persoonsgebonden adresgegevens

Overzicht en uitgangspunten van uitvoeringsbeleid

1.1 Inleiding

De Wet Gemeentelijke Basisadministratie persoonsgegevens (GBA) stelt kaders als het gaat om inschrijving in de GBA. Voor wat betreft het registreren van persoonsgebonden adresgegevens zijn er hiaten in de huidige wetgeving die aanvullende regelgeving behoeven middels het stellen van nadere regels. Deze nota heeft dan ook als doel: formalisering van het stellen van nadere regelgeving. Daarnaast levert de nadere regelgeving ook een bijdrage aan de fraudebestrijding.

De vraag ten aanzien van de kwaliteit van de GBA gegevens spitst zich met name toe op de actualiteit en juistheid van de persoonsgebonden adresgegevens. Dit gegeven is van groot belang voor de GBA-afnemers.

De GBA beschrijft namelijk de administratieve situatie; dat is de bewoning van een adres, zoals die aan de GBA kan worden ontleend. Daarnaast is er de feitelijke situatie; dat is de feitelijke bewoning van een adres, dus het aantal personen dat daadwerkelijk op het betreffende adres verblijft. De feitelijke situatie kan dus afwijken van de administratieve situatie.

Om de gegevens in de GBA zo actueel mogelijk te houden, is het noodzakelijk om ten aanzien van het registreren van adressen nader uitvoeringsbeleid vast te stellen.

De Wet GBA legt de verantwoordelijkheid voor een juiste registratie in de GBA ook bij de individuele burger.

In de praktijk blijkt dat veel burgers, soms uit onwetendheid soms uit berekening, te laat of helemaal geen adreswijziging doorgeven.

Spookbewoning, illegale onderhuur etc zijn voorbeelden van misbruik.

Deze indicaties geven aanleiding tot een adresonderzoek door de houder van de GBA.

Het is wenselijk dat de gemeentelijke basisadministratie zoveel mogelijk een weergave is van de feitelijke situatie. Dit belang dient meerdere zaken, o.a. het feit dat afnemers voor hun bedrijfsvoering afhankelijk zijn van de persoonsgebonden adresgegevens uit de GBA. Tevens is het verdedigbaar dat de verantwoordelijkheid en daarmee de aansprakelijkheidsvraag van het gemeentebestuur zo nauw mogelijk aansluit bij de werkelijkheid, bijvoorbeeld in verband met calamiteiten (ramp Bijlmer en Enschede). Immers de gemeente kan, doordat grote groepen personen hun adres niet duidelijk bekend maken, haar beleid hieromtrent niet juist inrichten.

4.Beleid met betrekking tot het woonadres

2.1 Definitie woonadres;

Onder woonadres wordt verstaan:

Het adres waar betrokkene woont, waaronder begrepen het adres van een woning die zich in een voertuig of vaartuig bevindt, indien het voertuig of vaartuig een vaste stand of ligplaats heeft, of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten (artikel 1 sub a Wet GBA).

2.2 Inschrijving in de GBA

Artikel 66 van de Wet GBA geeft aan dat de ingezetene die zijn adres wijzigt, verplicht is binnen vijf dagen na de wijziging van het adres bij het college van burgermeester en wethouders (B&W) van de gemeente waar hij zijn nieuwe adres heeft, schriftelijk aangifte van adreswijziging te doen.

Het begrip adreswijziging omvat zowel de verhuizing naar een adres binnen de gemeente als naar een volgende gemeente. Binnen vijf dagen nadat de ingezetene is verhuisd, moet hij van de adreswijziging schriftelijk -dus niet mondeling- aangifte doen. En wel bij B&W van de gemeente waar hij zijn nieuwe adres heeft. In de praktijk blijken veel burgers zich van hun verplichtingen te kwijten door de schriftelijke aangifte over de post aan B&W te doen toekomen, daarbij gebruikmakend van het zogenoemde TPG-verhuisbericht.

Degene die aangifte heeft gedaan als bedoeld in de artikelen 65 tot en met 68 is verder verplicht, ingevolge artikel 70 Wet GBA, om op verzoek van B&W, desverlangd in persoon, ter zake van zijn aangifte de inlichtingen te geven en de geschriften te over leggen die van belang zijn voor de bijhouding met betrekking tot hem van de basisadministratie.

In de praktijk blijkt B&W het instrument van artikel 70 Wet GBA nodig te hebben om informatie in te winnen die bijdraagt tot de beslissing om al dan niet gevolg te geven aan de aangifte van verblijf en adres (artikel 65 Wet GBA), van adreswijziging (artikelen 66 en 67 Wet GBA) en van vertrek (artikel 68), dan wel om te komen tot ambtshalve aanpassing van gegevens. Vooral in de gevallen waar getwijfeld wordt aan de juistheid van de aangifte of uit ingewonnen informatie blijkt dat de feitelijke situatie niet overeenstemt met de gegevens in de basisadministratie.

Naarmate de inschrijving in de basisadministratie meer bepalend wordt in het verkeer met de overheid, zullen de belangen verbonden aan de inschrijving in de basisadministratie groter worden. Voor de toekenning van huursubsidie is inschrijving aan het te subsidiëren adres bepalend. Een bijstandsuitkering is in beginsel gekoppeld aan inschrijving in de basisadministratie. Vanwege dergelijke belangen proberen personen die niet voor inschrijving in de basisadministratie in aanmerking komen, toch ingeschreven te geraken. Bij de aangifte van verblijf en adres wordt een willekeurig adres opgegeven. In de praktijk spreekt men ook wel van het fenomeen 'spookbewoning'. B&W dat vermoedt dat valse aangifte van verblijf en adres of adreswijziging is gedaan, kan met behulp van artikel 70 een burger dwingen het tegendeel te bewijzen. Artikel 70 Wet GBA verplicht de burger om inlichtingen te verschaffen of documenten te overleggen van belang voor de bijhouding van de basisadministratie.

Om onjuiste inschrijvingen in de GBA te voorkomen worden conform Wet- en regelgeving verscheidene documenten ter overlegging van de burger gevraagd.

Hetgeen inhoudt dat ingevolge deze beleidsnotitie;

Bij elke aangifte tot vestiging of adreswijziging het volgende in acht genomen dient te worden:

  • -

    Het vaststellen van de identiteit van de aangever: De identiteitsvaststelling vindt plaats ingevolge artikel 70 jo 77 van de Wet GBA en ingevolge artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht. Ter meerdere zekerheid, bij de aangifte van een adreswijziging binnen de gemeente, omtrent de juistheid van de identiteit van de aangever is deze verplicht zich te identificeren met een document als wordt bedoeld in artikel 77 Wet GBA.

  • -

    Het vaststellen van de bevoegdheid van de aangever: De bevoegdheid van de aangever blijkt uit relevante overlegde documenten. Bij eigendom van een woning dient een koopcontract overlegt te worden; Bij huur van een woning dient een (kamer)huurcontract overlegt te worden; Bij inwoning, samenwoning of twijfel bij de aangifte zal ook een verklaring van instemming1 moeten worden overlegt.

1Een verklaring van instemming houdt in dat men bij ondertekening hiervan verklaart dat men op de hoogte is van de aangifte van adreswijziging en hiermee instemt. Ook wordt op het formulier aangegeven of er wel of geen (gemotiveerde) bezwaren zijn tegen de inschrijving van de betreffende persoon op het nieuwe adres. De verklaring van instemming dient ingevuld te worden door; -de verhuurder (tevens eigenaar) of -de beheerder (namens de eigenaar).

Voorts krijgen veel burgers (met name studenten) wel toestemming om feitelijk ergens te wonen, maar mogen zich vervolgens niet laten inschrijven in de GBA op het betreffende adres van de hoofdbewoner. Deze burgers krijgen in het algemeen dan ook geen verklaring van instemming van de hoofdbewoner. Waarop een inschrijving in de GBA niet tot de mogelijkheden zou behoren. Om zorg te dragen voor een feitelijke weergave van de werkelijkheid is het noodzakelijk dat in deze gevallen een afspraak wordt gemaakt voor een controle door de buitendienstmedewerker van DB&G. Indien deze constateert dat betrokkene feitelijk woonachtig is op het betreffende adres zal vervolgens worden overgegaan tot inschrijving in de GBA.

Wordt geconstateerd dat betrokkene niet woonachtig is op het adres dan wordt de aanvraag tot adreswijziging geweigerd conform artikel 83 Wet GBA.

2.3 Uitzonderingen op de over te leggen stukken

Het overleggen van een verklaring van instemming is in de volgende situaties niet nodig:

  • -

    Bij inschrijving in een instelling (zoals verzorgingshuis, verpleeghuis, penitentiaire inrichting) wanneer de instelling zelf de aangifte inschrijving of adreswijziging verzorgt;

  • -

    Degene die verhuist is de echtgeno(o)t(e) van de hoofdhuurder. Op grond van artikel 1623g boek 7a BW is de echtgeno(o)t(e) van rechtswege medehuurder;

  • -

    De inschrijving in de GBA gebeurt in verband met een aangifte van geboorte.

2.4 Incomplete aangifte woonadres

Ontbreken bij de aangifte tot inschrijving of adreswijziging een of meer van de benodigde stukken, dan wordt de aangifte behandeld als een incomplete aangifte. De aangever wordt, conform de regels van de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb), d.m.v. een brief in de gelegenheid gesteld binnen veertien dagen het verzuim te herstellen en de aangifte alsnog aan te vullen met het ontbrekende(n) stuk(ken). De burger kan echter aangeven binnen welke redelijke andere termijn hij de aangifte kan aanvullen.

Indien de burger zijn of haar aangifte niet kan herstellen wegens het feit dat;

  • -

    de eigenaar/verhuurder weigert een verklaring van instemming af te geven, dan zal de burger contact moeten opnemen met de eigenaar/verhuurder met de vraag waarom geen verklaring van instemming wordt verstrekt.

  • -

    de eigenaar/verhuurder blijft weigeren een verklaring van instemming af te geven of wel een verklaring van instemming afgeeft waarbij hij aangeeft bezwaar te hebben tegen de inschrijving, dan wordt een afspraak gemaakt voor een controle door de buitendienst op het betreffende adres.

Wanneer betrokkene niet binnen twee weken zijn aangifte aanvult wordt er een brief gestuurd met het voornemen zijn aangifte te weigeren. Hierna krijgt betrokkene nogmaals vier weken de tijd om de ontbrekende stukken aan te vullen.

Wordt door betrokkene wederom de gegevens niet aangevuld, dan wordt een besluit genomen namens het college van Burgemeester en Wethouders van Utrecht om de aangifte te weigeren. Dit vloeit voort uit artikel 83 onder a Wet GBA met inachtneming van de Awb.

Behoudens wanneer uit onderzoek door de buitendienstmedewerkers blijkt dat aangever daadwerkelijk woonachtig is op het adres, dan wordt de aangifte zonder verklaring van instemming geaccepteerd.

Bij aangifte in persoon wordt als datum van aangifte de datum van inschrijving in de GBA conform artikel 47 , derde lid Wet GBA gehanteerd.

Bij een schriftelijke aangifte wordt als datum van aangifte de dag opgenomen waarop de aangifte is ontvangen, dan wel de dag waarop van het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens betreffende het adres aan betrokkene schriftelijk is medegedeeld.

Als er wel een schriftelijke aangifte is ontvangen met alle bijbehorende stukken maar er ontbreekt een handtekening op de aangifte is er geen sprake van een aangifte en zal, wanneer de handtekening alsnog onder de aangifte is geplaatst, als datum van adreswijziging in de GBA de datum worden opgenomen waarop de ondertekende aangifte is ontvangen.

2.5 Bijzondere situaties bij te overleggen stukken

Op grond van artikel 73, eerste lid onder a Wet GBA zijn tot het doen van aangifte van verhuizing bevoegd de ouders, voogden en verzorgers voor minderjarigen jonger dan 16 jaar. Ingeval de verhoudingen tussen de ouders verstoord zijn en zij op verschillende adressen wonen en door een ouder aangifte wordt gedaan van verhuizing van een kind naar diens adres, wordt toestemming van de ouder van het huidige adres gevraagd. Als die toestemming niet wordt gegeven dient onderzoek te worden verricht naar het feitelijke adres van het kind. Pas als vastgesteld is dat het kind daadwerkelijk op het adres woonachtig is wordt overgegaan tot verwerking van de aangifte van verhuizing.

Wordt geconstateerd dat het kind niet woonachtig is op het adres dan wordt de aanvraag tot adreswijziging geweigerd conform artikel 83 Wet GBA.

5.Beleid met betrekking tot het briefadres

3.1 Definitie briefadres

Onder briefadres wordt verstaan:

Het adres waar voor betrokkene bestemde geschriften in ontvangst worden genomen en waar, indien daartoe grond bestaat, zorg wordt gedragen dat geschriften of inlichten daarover, betrokkene bereiken (art. 1 b sub a Wet GBA).

Artikel 65, eerste lid, Wet GBA zegt voorts: degene die naar redelijke verwachting gedurende een half jaar tenminste twee derden van de tijd in Nederland verblijf zal houden, is verplicht zich binnen vijf dagen na de aanvang van zijn verblijf in persoon te melden bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn woonadres heeft om daarbij schriftelijk aangifte van verblijf en adres te doen.

Indien hij geen woonadres heeft, is hij verplicht een briefadres te kiezen en dient hij zich binnen de gestelde termijn te melden bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar hij zijn briefadres heeft om de bedoelde aangifte te doen.

3.2 Voorwaarden voor het houden van een briefadres

Het houden van een briefadres is alleen mogelijk als betrokkene geen woonadres heeft. Dit dient te worden onderzocht om fraude tegen te gaan. Het onderzoek in deze bestaat uit een vragenlijst en een uitnodiging aan betrokkene om zijn verzoek in persoon toe te lichten.

Een briefadres kan, in aanvulling op wat de wet regelt, worden gekozen binnen elke gemeente in Nederland. Het is niet verplicht om een briefadres te kiezen in de gemeente waar voor het laatst een woonadres werd gehouden. De aangifte wordt altijd gedaan in de gemeente waar het briefadres zich bevindt.

Bij de aangifte dient een schriftelijke verklaring van instemming te worden gevoegd van degene bij wie het briefadres wordt gehouden conform artikel 70, tweede lid Wet GBA. In de schriftelijke verklaring van aangifte dienen de redenen van een briefadres te worden opgenomen.

Het is niet mogelijk een briefadres te hebben op een postbus of leeg adres2 . Eventuele uitzonderingen worden met het afdelingshoofd besproken. Een besluit daarop wordt alleen door het afdelingshoofd genomen.

2Een leeg adres is een woonadres waarop geen personen staan ingeschreven op dat moment.

3.3 Redenen voor aangifte briefadres

Conform artikel 70, tweede lid Wet GBA dient betrokkene redenen aan te geven voor de aangifte van een briefadres.

Redenen voor aangifte van een briefadres kunnen zijn;

  • -

    kort verblijf buitenland ( minder dan acht maanden);

  • -

    korte overbrugging tussen 2 woningen (minder dan half jaar) waarbij overlegging plaatsvindt door betrokkene van bewijsstukken ter verkrijging van de nieuwe woning;

  • -

    wanneer sprake is van echtscheiding.

De volgende situaties zijn geen redenen om een briefadres te houden;

  • -

    verblijf in het buitenland voor meer dan acht maanden;

  • -

    wanneer betrokkene kiest voor een briefadres wegens uitkerings- of subsidieproblemen;

  • -

    wanneer betrokkene verklaart op diverse adressen te verblijven. In dat geval is het adres waar betrokkene enkele nachten in de maand verblijft zijn woonadres;

Wanneer een verzoek tot aangifte briefadres niet voldoet aan de genoemde redenen, dient het verzoek afzonderlijk te worden beoordeeld.

3.4 Termijnen voor het houden van een briefadres

In eerste instantie wordt een briefadres voor de duur van drie maanden verstrekt met een verlenging van eventueel nog eens drie maanden. Echter kan hiervan in individuele gevallen van worden afgeweken.

Vanaf het moment van het instellen van briefadres zal ieder half jaar, maximaal zes maanden (tenzij anders afgesproken) door de medewerkers Gegevensbeheer gekeken worden of de aanvrager inmiddels een woonadres heeft gekregen. Dit geschied ook wanneer de aanvrager in gebreke is gebleven met het doen van aangifte van verhuizing naar een woonadres.

Dit geldt niet voor mensen die een briefadres hebben aangevraagd bij de Sociale Dienst. In dat geval is de sociale dienst de instantie die bepaalt wanneer en voor hoelang iemand op een briefadres ingeschreven staat.

3.5. Incomplete aangifte briefadres

Ontbreekt bij de aangifte tot briefadres één of meer van de benodigde stukken, dan wordt de aangifte behandeld als een incomplete aangifte. De aangever wordt door middel van een brief in de gelegenheid gesteld binnen veertien dagen na verzending van het verzoek het verzuim te herstellen en de aangifte alsnog aan te vullen met het ontbrekende(n) stuk(ken). De burger kan echter in reactie daarop aangeven, binnen welke redelijke andere termijn hij de aangifte kan aanvullen.

Wanneer betrokkene niet binnen twee weken zijn aangifte aanvult wordt er een brief gestuurd met het voornemen zijn aangifte te weigeren. Hierna krijgt betrokkene nogmaals vier weken de tijd gegeven om de ontbrekende stukken aan te vullen. Als betrokkene wederom de gegevens niet aanvult, dan wordt een besluit genomen namens het college van Burgemeester en Wethouders van Utrecht om de aangifte te weigeren. Dit vloeit voort uit artikel 83 onder a Wet GBA met inachtneming van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De datum aangifte briefadres is de datum van inschrijving in de GBA conform artikel 74, derde lid. Dit is de datum waarop de aangifte van briefadres is ontvangen, dan wel de dag waarop van het voornemen tot ambtshalve opneming van gegevens betreffende het adres aan betrokkene schriftelijk is medegedeeld.

3.6 Bijzondere briefadressen

Degene die zijn woonadres heeft in een instelling, kan in afwijking van de artikelen 65, eerste lid, en 66 eerste lid, in plaats van zijn woonadres een briefadres kiezen. Hierbij kan worden gedacht aan: Blijf van mijn lijf huizen, opvanghuizen en verpleeghuizen en penitentiaire inrichtingen. Het is van groot belang dat de gegevens van de bewoners van de genoemde instellingen geheim blijven. Hoewel de geheimhoudingsprocedure van de GBA voldoende waarborgen biedt, is dit niet altijd voldoende. Het valt en staat met de wijze waarop binnen- en buitengemeentelijke afnemers en verplichte derden (advocaten, rechtskundig adviseurs) met de geheimhouding omgaan. Geheimhouding is echter niet altijd mogelijk. De Nederlandse Vereniging van Burgerzaken (NVVB) neemt het standpunt in dat een kantooradres van het opvanghuis ook gebruikt moet kunnen worden als briefadres (mits het kantooradres niet hetzelfde is als die van de opvang).

Mocht de burger tijdelijk of permanent in een verpleegtehuis/inrichting verblijven dan zijn verschillende situaties mogelijk:

  • -

    Bij tijdelijk verblijf in de inrichting (betrokkene gaat er vanuit dat hij weer terugkeert naar het oude adres). In dit geval verandert er dus niets. De burger blijft beschreven aan het "oude" adres.

  • -

    Wanneer betrokkene in een inrichting verblijft en niet zal terugkeren naar het oude adres heeft betrokkene de mogelijkheid om ingeschreven te worden aan het adres van de inrichting of

  • -

    Bij verblijf in de inrichting kan betrokkene op verzoek ingeschreven worden op een briefadres elders.

3.7 Briefadres van dakloze uitkeringsgerechtigden

Ingevolge artikel 67, vierde lid Wet GBA heeft het college van burgemeester en wethouders een instelling op het terrein van maatschappelijke opvang, bedoeld in artikel 2, onder d, van de Welzijnswet 1994, in dit kader de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling (DMO), aangewezen als instelling om uitkeringsgerechtigden zonder vast woonadres in te schrijven. De gemeente Utrecht is aangewezen als centrumgemeente in deze voor de regio.

Het is mogelijk om als uitkeringsgerechtigde zonder vast woonadres ingeschreven te worden bij de Sociale dienst van de DMO en/of andere instellingen. Indien de Sociale dienst Utrecht de uitkering verzorgt, kunnen de uitkeringsgerechtigden een briefadres verkrijgen van de instelling. De oorspronkelijke redenen die ten grondslag liggen aan het verkrijgen van een briefadres en wel in Utrecht is de mogelijkheid om een legitimatiebewijs te kunnen aanvragen. Dit document is immers op zijn beurt weer noodzakelijk voor het verkrijgen van een uitkering. De Wet op de Identificatieplicht van 1 januari 2005 heeft de noodzaak van het registreren van een adres doen toenemen.

4.Handhaving

4.1 Handhaven

Het nalaten van de wettelijke plicht tot aangifte van adreswijziging door de burgers zorgt ervoor dat de gemeente op haar beurt niet kan voldoen aan de plicht om de adresgegevens overeenkomstig de feitelijke werkelijkheid te registreren. Hierdoor krijgen de afnemers van de GBA niet de adresgegevens die zij nodig hebben voor de uitoefening van hun (publiekrechtelijke) taak. Ook in rampensituaties kan dat leiden tot cruciale belemmeringen, enerzijds bij de opsporing en registratie van mogelijke slachtoffers en anderzijds bij het generen en verstrekken van informatie.

De mogelijkheid bestaat om een strafrechtelijke boete op te leggen op grond van artikel 147 Wet GBA. De landelijke toepassing van dit artikel is nog niet in kaart gebracht. Om artikel 147 Wet GBA goed te kunnen uitvoeren is het van belang dat er over het vervolgingsbeleid afspraken worden gemaakt met het OM en de politie.

Uitgangspunt bij handhaving van artikel 147 Wet GBA is dat gemeente ervan uitgaat dat burgers te goeder trouw zijn, maar dat in bijzondere situaties toch aangifte zal worden gedaan wanneer er twijfel bestaat over de integriteit van betrokkenen.

Twee voorbeelden van bijzondere situaties waarbij aangifte dient te worden gedaan zijn;

  • -

    een sterk vermoeden van fraude en;

  • -

    het opzettelijk doen van valse aangifte adreshouding.

4.2 Uitzonderingssituaties

Er kunnen zich echter situaties voordoen waarbij een spanningsveld ontstaat tussen de uitoefening van de wettelijke regels en andere maatschappelijke belangen.

Als voorbeeld geldt de situatie waarbij personen direct gevaar lopen voor lijf en goed zoals bij eerwraak.

Deze situaties verdienen een bijzonder zorgvuldige behandeling.

Handhaving hiervan zal plaatsvinden in overleg met de directeur c.q. de portefeuillehouder van Burgerzaken.

4.3 Terugmeldplicht binnengemeentelijke afnemers

Een bijzondere vorm van handhaven is het gebruik maken van adresgegevens die als gevolg van fraudeonderzoek aan het licht zijn gekomen.

Het gaat in deze om gegevens die de Sociale Dienst (als onderdeel van de DMO) en andere onderdelen van de gemeente, waaronder begrepen de Dienst Stadsontwikkeling (DSO), die het resultaat zijn van fraudeonderzoek. Deze gegevens kunnen worden gebruikt voor de correctie van adresgegevens in de GBA. Men kan hierbij denken aan een gescheiden echtpaar dat administratief op verschillende adressen woonachtig is, een niet rechtmatige uitkering geniet en feitelijk op één adres woonachting is.

Het doel van de verwerking van de fraudegegevens dient ter correctie van de GBA met inachtneming van artikel 43 WBP jo 9 sub 1 WBP. Daarmee is de verenigbaarheid ten aanzien van het gebruik van gegevens, die in casu door de Sociale Dienst worden verwerkt, voor correctie in de GBA bereikt en voldaan aan de wettelijke regel van artikel 9, tweede lid Wet Bescherming Persoonsgegevens (WBP).

Hiermee is bereikt dat het college van burgemeester en wethouders dat formeel verantwoordelijk is voor de uitvoering van de verwerking van (strafrechtelijke) gegevens door de sociale dienst maar ook van de gegevens van DSO, instemt met het feit dat het college van burgemeester en wethouders alle binnengemeentelijke afnemers (van de GBA) gehouden acht medewerking te verlenen om afwijkende gegevens als gevolg van fraude en andere onderzoeken (bijv. bij de DSO, huisvestingsonderzoeken) door te geven aan de beheerder van de GBA teneinde deze registratie in overeenstemming te brengen met de maatschappelijke juistheid.

Tevens wordt hiermee expliciet uitvoering gegeven aan artikel 19 (terugmelding) van hoofdstuk 4 Overige bepalingen van de Beheer- en Privacyverordening Gemeentelijke Bevolkingsadministratie 2002 (Raadsbesluit van 4 juni 2002, Gemeenteblad van Utrecht 2002, nr 12).

Aldus vastgesteld door burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht op 10 juli 2007.

De secretaris, De burgemeester,

Drs. J. Schuilenburg Mr. A.H. Brouwer-Korf

Bekendmaking is geschied op 20 augustus 2008.

Dit uitvoeringsbeleid treedt in werking met ingang van 28 augustus 2008.