Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Utrecht (Utr)

Bankreglement van de gemeentelijke kredietbank Utrecht

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieUtrecht (Utr)
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingBankreglement van de gemeentelijke kredietbank Utrecht
CiteertitelBankreglement KBU
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerpfinanciën

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Wet op het financieel toezicht (Wft), art. 4:37

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

1.Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

16-09-2010nieuwe regeling

29-06-2010

Gemeenteblad van Utrecht 2010, nr. 76

Besluit college van B&W 29 juni 2010

Tekst van de regeling

Intitulé

Bankreglement van de gemeentelijke kredietbank Utrecht

Bankreglement van de Gemeentelijke Kredietbank Utrecht(besluit van 29 juni 2010)

Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht;

gelet op artikel 4:37 Wet op het financieel toezicht (Wft);

BESLUIT:

vast te stellen het volgende

BANKREGLEMENT van de Gemeentelijke Kredietbank Utrecht

HOOFDSTUK I ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Voor de toepassing van het krachtens dit reglement bepaalde wordt verstaan onder:

  • a.

    beleidsregel: een regel waarbij nadere invulling wordt gegeven aan de eisen van de wet en het besluit, niet zijnde een beleidsregel als bedoeld in artikel 1.3 lid 4 van de Algemene wet bestuursrecht;

  • b.

    besluit: Besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen (BGfo);

  • c.

    bevoegd gezag: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, hierna te noemen: college;

  • d.

    budgetbegeleiding: het stimuleren, het motiveren en het ondersteunen van een natuurlijke persoon teneinde te komen tot een verantwoord financieel beheer en het aanreiken van vaardigheden;

  • e.

    budgetbeheer: het beheren van het inkomen van een natuurlijke persoon;

  • f.

    cliënt: de niet in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf handelende natuurlijke persoon waaraan de KBU een financiële dienst verleent of aan wie de KBU voornemens is een financiële dienst te verlenen;

  • g.

    consumptief krediet: krediet, niet zijnde hypothecair krediet, starterskrediet of onderhoudskrediet;

  • h.

    directeur: de directeur van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling (DMO), handelend krachtens mandaat en volmacht van het college;

  • i.

    financiële dienst: het aanbieden of adviseren ter zake van een financieel product;

  • j.

    financiële dienstverlening: het verlenen van diensten als bedoeld in de wet, zijnde: het aanbieden van krediet, behoudens starterskrediet

  • k.

    financieel product: a . krediet

b budgetbeheer, voor zover dit niet plaatsvindt in het kader van integrale hulpverlening;

  • l.

    KBU: Kredietbank Utrecht, ressorterend onder de DMO van de gemeente Utrecht, afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SoZaWe), statutair gevestigd Minrebroederstraat 1 te Utrecht, kantoorhoudende aan de St Jacobsstraat 300 te Utrecht, en belast met de uitvoering van taken op het gebied van het aanbieden of adviseren ter zake van een financieel product;

  • m.

    krediet: het aan de kredietnemer ter beschikking stellen van een geldsom, waarbij de kredietnemer gehouden is ter zake een of meer betalingen te verrichten;

  • n.

    kredietnemer: de niet in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf handelende natuurlijke persoon waarmee de KBU een overeenkomst tot kredietverlening sluit;

  • o.

    kredietovereenkomst: de overeenkomst waarbij de KBU namens de gemeente aan de kredietnemer een geldsom ter beschikking stelt en waarbij de kredietnemer gehouden is ter zake één of meer betalingen te verrichten;

  • p.

    overeenkomst op afstand: een overeenkomst inzake een financiële dienst of financieel product tussen de KBU en een cliënt die wordt gesloten in het kader van een door de KBU georganiseerd systeem voor de verkoop of dienstverrichting op afstand, waarbij tot en met de totstandkoming van deze overeenkomst gebruik wordt gemaakt van één of meer technieken voor communicatie op afstand;

  • q.

    rekeninghouder: de natuurlijke persoon die met de KBU een overeenkomst tot budgetbeheer heeft gesloten;

  • r.

    representatieve organisatie: de Nederlandse Vereniging voor Volkskrediet, statutair gevestigd te Amsterdam en kantoorhoudende te 2512 HE Den Haag aan het Westeinde 40;

  • s.

    saneringskrediet: een krediet dat door de KBU wordt verstrekt, teneinde schulden van de kredietnemer integraal of tegen finale kwijting te voldoen;

  • t.

    schuldenaar: de niet in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf handelende natuurlijke persoon die een aanvraag voor een schuldregeling indient;

  • u.

    schuldhulpverlening: het ondersteunen bij het vinden van een adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden als redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijke persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of als hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, alsmede nazorg;

  • v.

    schuldregeling: bij een schuldregeling bemiddelt KBU tussen de schuldenaar en zijn schuldeisers om een minnelijke regeling van de totale schuldenlast te bewerkstelligen;

  • w.

    schuldregelingsovereenkomst: een overeenkomst waarin de rechten, verplichtingen en voorwaarden van de schuldenaar en de KBU ter zake van de schuldregeling zijn opgenomen;

  • x.

    sociaal krediet: een krediet dat door de KBU, anders dan in de vorm van een saneringskrediet, in overeenstemming met de Wet financiering decentrale overheden, aan de kredietnemer ter beschikking wordt gesteld;

  • y.

    toezicht: het toezicht als bedoeld in artikel 4:37, derde lid, van de wet;

  • z.

    toezichthouder: het college;

  • aa.

    uitvoeringsregeling: Uitvoeringsregeling Wft;

  • bb.

    wet: Wet op het financieel toezicht (Wft).

HOOFDSTUK II DOEL, TAAKSTELLING, BEHEER EN TOEZICHT

Artikel 2 Doelstelling

De KBU streeft de volgende doelstellingen na:

  • 1.

    het op sociaal-maatschappelijk verantwoorde wijze ter beschikking stellen van een aantal financiële diensten aan inwoners van de gemeente Utrecht en het werkgebied van de KBU;

  • 2.

    het bijdragen aan het voorkomen en bestrijden van woeker, overkreditering en het nemen van onverantwoorde persoonlijke financiële risico’s;

  • 3.

    het geven van advies en voorlichting op financieel gebied;

  • 4.

    het verrichten van schuldregelende werkzaamheden voor cliënten in een problematische schuldsituatie;

  • 5.

    het aanhouden van budgetbeheerrekeningen;

  • 6.

    het verzorgen van budgetbegeleiding en

  • 7.

    het verrichten van door het college goedgekeurde financiële transacties voor de gemeente Utrecht.

Artikel 3 Taakstelling

De KBU tracht haar doelstellingen onder meer te verwezenlijken door:

  • 1.

    het op sociaal/maatschappelijk verantwoorde wijze verstrekken van kredieten, met uitzondering van het pandhuiskrediet;

  • 2.

    het beheer van budgetten en het aanhouden van budgetbeheerrekeningen;

  • 3.

    het verzorgen van budgetbegeleiding;

  • 4.

    het verrichten van schuldregelende werkzaamheden ten behoeve van natuurlijke personen in een (problematische) schuldsituatie;

  • 5.

    het opstellen van gemeentelijke verklaringen als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onderdeel f, van de Faillissementswet;

  • 6.

    het bieden van faciliteiten voor de uitvoering van de bewindvoering als bedoeld in titel III van de Faillissementswet;

  • 7.

    het bieden van faciliteiten voor de uitvoering van de bewindvoering als bedoeld in titel 19 van Boek I van het Burgerlijk Wetboek en

  • 8.

    het verrichten van overige diensten welke een bijdrage kunnen leveren aan het realiseren van de doelstellingen van de KBU als bedoeld in artikel 2 van dit reglement.

Artikel 4 Beheer, uitoefening bevoegdheden en verlenen van volmacht

  • 1.

    Het beheer en de dagelijkse bedrijfsvoering van de KBU vinden plaats onder verantwoordelijkheid van het college en zijn opgedragen aan de directeur van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling en het afdelingshoofd Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

  • 2.

    Het college verleent mandaat aan de directeur van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling en het afdelingshoofd Sociale Zaken en Werkgelegenheid voor de bevoegdheid tot het vaststellen van de kredietvergoedingen als bedoeld in hoofdstuk IV, paragraaf 5, van dit reglement en met inachtneming van het bepaalde in artikel 30, tweede lid.

  • 3.

    De directeur van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling verleent, overeenkomstig de mandaatregeling van de gemeente Utrecht, ondermandaat aan medewerkers die uit hoofde van hun functie zijn belast met de dagelijkse uitvoering van de taken genoemd in het derde lid. Het ondermandaat geldt voor de bevoegdheid tot het nemen van besluiten op aanvragen van kredietverlening, schuldhulpverlening en budgetbeheer alsmede voor de bevoegdheid tot het nemen van besluiten tot het aangaan van kredietovereenkomsten, overeenkomsten tot schuldregeling en overeenkomsten tot budgetbeheer en budgetbegeleiding. Het mandaat wordt verleend aan het afdelingshoofd SoZaWe, de unitmanagers SoZaWe, de teamleiders Sociale voorzieningen, kredietadviseurs, kwaliteitsmedewerkers, trajectbegeleiders en schuldregelaars.

  • 4.

    De directeur van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling kan de volmacht om de gemeente Utrecht te vertegenwoordigen bij het ondertekenen van overeenkomsten en andere privaatrechtelijke rechtshandelingen in verband met de uitoefening van de in artikel 3 genoemde taken delen met medewerkers die uit hoofde van hun functie zijn belast met de dagelijkse uitvoering van deze taken, voor zover het betreft:

    • a.

      het verlenen van kredieten in de zin van artikel 15;

    • b.

      het afwijzen van aanvragen in de zin van artikel 20;

    • c.

      het aangaan van kredietovereenkomsten in de zin van artikel 21, eerste lid;

    • d.

      het overgaan tot vervroegde invordering in de zin van artikel 31;

    • e.

      het verlenen van kwijtschelding in de zin van de artikelen 32 en 33;

    • f.

      het verrichten van werkzaamheden ter zake van schuldregeling in de zin van artikel 34;

    • g.

      het afwijzen van aanvragen in de zin van artikel 37;

    • h.

      het aangaan van overeenkomsten tot schuldregeling in de zin van artikel 38, eerste lid;

    • i.

      het afwijzen van aanvragen in de zin van artikel 45; en

    • j.

      het aangaan van overeenkomsten tot budgetbeheer en budgetbegeleiding in de zin van artikel 46, eerste lid.

  • 5.

    De directeur van de Dienst Maatschappelijke Ontwikkeling deelt de volmacht in de zin van het derde lid met:

    • a.

      kwaliteitsmedewerkers voor het aangaan van een privaatrechtelijke overeenkomst en de ondertekening ervan in verband met de uitvoering van de taken omschreven in het derde lid, onder a. tot en met e., voor bedragen van minder dan EUR 10.000,00;

    • b.

      trajectbegeleiders voor het aangaan van een privaatrechtelijke overeenkomst en de ondertekening ervan in verband met de uitvoering van de taken omschreven in het derde lid, onder f. tot en met j., voor bedragen van minder dan EUR 5.000,00;

    • c.

      kwaliteitsmedewerkers voor het aangaan van een privaatrechtelijke overeenkomst en de ondertekening ervan in verband met de uitvoering van de taken omschreven in het derde lid, onder f. tot en met j., voor bedragen vanaf EUR 5.000,00 tot EUR 10.000,00;

    • d.

      de teamleiders Sociale voorzieningen en de unitmanagers SoZaWe voor het aangaan van een privaatrechtelijke overeenkomst en de ondertekening ervan in verband met de taken omschreven in het derde lid, onder b. tot en met e. en f. tot en met j., voor bedragen vanaf EUR 10.000,00 tot EUR 45.000,00;

    • e.

      het afdelingshoofd SoZaWe voor het aangaan van een privaatrechtelijke overeenkomst en de ondertekening ervan in verband met de taken omschreven in het derde lid, onder a. tot en met e. en f. tot en met j., voor bedragen vanaf EUR 45.000,00.

Artikel 5 Toezicht

Het college houdt in overeenstemming met artikel 4:37, derde lid, onderdeel c, van de wet toezicht op de naleving van dit reglement door de KBU.

HOOFDSTUK III FINANCIËLE DIENSTVERLENING

Artikel 6 Toepassingsbereik

De artikelen 7 tot en met 14 zijn alleen van toepassing op financiële diensten en financiële producten waarop de wet van toepassing is.

Artikel 7 Betrouwbaarheid

  • 1.

    De KBU draagt er zorg voor dat de betrouwbaarheid van de personen die het beleid bepalen of mede bepalen, alsmede de betrouwbaarheid van de medewerkers en andere personen die zich onder verantwoordelijkheid van de KBU rechtstreeks met financiële dienstverlening bezighouden, buiten twijfel staat.

  • 2.

    De KBU bepaalt de betrouwbaarheid van de in het eerste en tweede lid van dit artikel bedoelde personen op basis van de in hoofdstuk 2 van de beleidsregels genoemde normen.

Artikel 8 Deskundigheid

  • 1.

    De KBU draagt er zorg voor dat de personen van de KBU die het dagelijkse uitvoeringsbeleid bepalen deskundig zijn in verband met de bedrijfsvoering van de KBU.

  • 2.

    De KBU draagt zorg voor de deskundigheid van zijn werknemers en van andere natuurlijke personen die zich onder zijn verantwoordelijkheid rechtstreeks bezighouden met het verlenen van financiële diensten aan cliënten.

  • 3.

    De KBU beschikt in ieder geval over een zodanig aantal feitelijk leidinggevenden met voldoende deskundigheid, dat de kwaliteit van de financiële diensten aan de cliënten kan worden gewaarborgd.

  • 4.

    De deskundigheid van de personen als bedoeld in het eerste en tweede lid van dit artikel wordt vastgesteld overeenkomstig de in hoofdstuk 3 van de beleidsregels genoemde normen.

Artikel 9 Integere bedrijfsvoering en toezicht

  • 1.

    De KBU voert een adequaat beleid dat een integere uitoefening van zijn bedrijf waarborgt.

  • 2.

    De KBU voorkomt dat de KBU of haar medewerkers strafbare feiten of andere wetsovertredingen begaan die het vertrouwen in de KBU of in de financiële markten kunnen schaden.

  • 3.

    De KBU is niet met personen verbonden in een formele of feitelijke zeggenschapsstructuur die in zodanige mate ondoorzichtig is dat deze een belemmering vormt of kan vormen voor het adequaat uitoefenen van toezicht op de KBU.

  • 4.

    De KBU richt de bedrijfsvoering zodanig in dat deze een beheerste en integere uitoefening van haar bedrijf waarborgt.

  • 5.

    De KBU stelt de beheerste en integere bedrijfsvoering vast op basis van de in hoofdstuk 4 van de beleidsregels genoemde normen.

Artikel 10 Zorgvuldige dienstverlening

  • 1.

    De KBU draagt er zorg voor dat de door of namens haar verstrekte of beschikbaar gestelde informatie ter zake van een financieel product of financiële dienst, waaronder reclame-uitingen, geen afbreuk doet aan de bij of krachtens de wet aan de cliënt te verstrekken of beschikbaar te stellen informatie.

  • 2.

    De door de KBU verstrekte informatie is feitelijk juist, begrijpelijk en niet misleidend.

  • 3.

    De KBU verstrekt de cliënt voorafgaand aan het adviseren of de totstandkoming van de overeenkomst inzake een financieel product informatie voor zover dit redelijkerwijs relevant is voor een adequate beoordeling van dat product.

  • 4.

    De KBU verstrekt de cliënt gedurende de looptijd van een overeenkomst inzake een financieel product of een financiële dienst tijdig informatie over wezenlijke wijzigingen in de informatie bedoeld in het derde lid van dit artikel, voor zover deze informatie redelijkerwijs relevant is voor de cliënt dan wel informatie over bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen andere onderwerpen.

  • 5.

    Hoofdstuk 5 van de beleidsregels is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11 Adviseren en execution only

  • 1.

    Als de KBU een cliënt adviseert:

    • a.

      wint de KBU in het belang van de cliënt informatie in over zijn financiële positie, kennis, ervaring, doelstellingen en risicobereidheid, voor zover dit redelijkerwijs relevant is voor het advies;

    • b.

      draagt de KBU er zorg voor dat zijn advies, voor zover redelijkerwijs mogelijk, rekening houdt met de onder a bedoelde informatie;

    • c.

      licht de KBU de overwegingen toe die ten grondslag liggen aan het advies, voor zover dit nodig is voor een goed begrip van het advies.

  • 2.

    Als de KBU bij het verlenen van een financiële dienst aan een cliënt niet adviseert (execution only), maakt de KBU dat bij de aanvang van de dienstverlening aan de cliënt kenbaar.

Artikel 12 Zorgvuldige behandeling van de cliënt

  • 1.

    De KBU houdt zich aan de bij of krachtens beleidsregels te stellen nadere regels met betrekking tot de bij de behandeling van de cliënt in acht te nemen zorgvuldigheid.

  • 2.

    Artikel 81 van het besluit en hoofdstuk 5 van de beleidsregels zijn hierbij van overeenkomstige toepassing.

Artikel 13 Uitbesteding werkzaamheden

  • 1.

    Bij uitbesteding van werkzaamheden aan een derde draagt de KBU er zorg voor dat deze derde de ingevolge de wet met betrekking tot die werkzaamheden op de KBU van toepassing zijnde regels naleeft.

  • 2.

    Artikel 37 van het besluit is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 14 Verkoop op afstand

  • 1.

    De artikelen 4:20, 4:28, 4:29 en 4:30 van de wet zijn van toepassing op het sluiten van overeenkomsten op afstand.

  • 2.

    De artikelen 77 tot en met 80 van het besluit en hoofdstuk 5 van de beleidsregels zijn van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK IV KREDIETVERLENING

Paragraaf 1 Inleidende bepalingen

Artikel 15 Kredietverlening

  • 1.

    De KBU kan kredieten verstrekken aan inwoners van de gemeente Utrecht en aan inwoners van gemeenten waar geen voorziening op het terrein van sociale kredietverlening aanwezig is, mits de gemeente Utrecht hiertoe een overeenkomst heeft gesloten met de desbetreffende gemeente.

  • 2.

    De kredietverlening vindt plaats met in achtneming van de Gedragscode Sociale Kredietverlening van de representatieve organisatie.

Artikel 16 Kredietregistratie

De KBU neemt deel aan een stelsel van kredietregistratie.

Artikel 17 Kredietprospectus

  • 1.

    De KBU houdt een kredietprospectus beschikbaar op het internet.

  • 2.

    De KBU verstrekt de kredietprospectus op verzoek van de cliënt onverwijld en kosteloos.

  • 3.

    De KBU verstrekt voorafgaand aan het tot stand komen van een kredietovereenkomst een kredietprospectus aan de cliënt, indien de KBU geen kredietprospectus op het internet beschikbaar houdt, en wel kosteloos.

  • 4.

    Artikel 112 van het besluit en hoofdstuk 5 van de beleidsregels zijn van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 2 Kredietaanvraag en afwijzing

Artikel 18 Aanvraag

  • 1.

    Een krediet kan bij de KBU worden aangevraagd.

  • 2.

    De aanvraag tot kredietverlening vindt plaats op een daartoe door de KBU, op verzoek van de cliënt, ter beschikking te stellen aanvraagformulier Krediet.

Artikel 19 Beoordeling

  • 1.

    De KBU legt de criteria vast die de KBU ten grondslag legt aan de beoordeling van de kredietaanvraag van een cliënt en past deze criteria toe bij de beoordeling van de kredietaanvraag.

  • 2.

    De artikelen 113, eerste lid, en 114, eerste lid, van het besluit zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 20 Afwijzing aanvraag

  • 1.

    Indien de KBU besluit de kredietaanvraag af te wijzen, doet de KBU hiervan schriftelijk mededeling aan de aanvrager van een krediet onder opgaaf van redenen.

  • 2.

    In de schriftelijke mededeling wordt tevens vermeld welke mogelijkheden tegen afwijzing van de kredietaanvraag openstaan.

Paragraaf 3 Kredietovereenkomst

Artikel 21 Algemeen

  • 1.

    De kredietovereenkomst wordt aangegaan bij een door alle partijen ondertekende onderhandse akte.

  • 2.

    De KBU verstrekt een door de KBU ondertekend afschrift van de kredietovereenkomst aan de kredietnemer.

  • 3.

    Voorafgaand aan de totstandkoming van een kredietovereenkomst wint de KBU, in het belang van de kredietnemer, informatie in over zijn financiële positie en beoordeelt de KBU, ter voorkoming van overkreditering van de kredietnemer, of het aangaan van de overeenkomst verantwoord is.

  • 4.

    De KBU gaat geen kredietovereenkomst aan met een kredietnemer indien dit, met het oog op het voorkomen van overkreditering van de kredietnemer, onverantwoord is.

  • 5.

    De artikelen 113, eerste lid, 114, eerste lid, en 115, eerste lid, van het besluit zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 22 Inhoud van de overeenkomst

  • 1.

    Van elke kredietovereenkomst wordt een onderhandse akte opgemaakt waarin in ieder geval worden vermeld:

    • a.

      de naam en het adres van ieder van de partijen;

    • b.

      de naam en het adres van de kredietbemiddelaar die bij de totstandkoming van de kredietovereenkomst betrokken is geweest;

    • c.

      kredietsom in cijfers en in letterschrift;

    • d.

      het totale bedrag van de kredietvergoeding voor zover het niet betreft een doorlopend krediet of een krediettransactie waarbij de kredietvergoeding variabel is;

    • e.

      de effectieve rente op jaarbasis, berekend op de door de Minister van Financiën aangegeven wijze;

    • f.

      de betalingsregeling;

    • g.

      de bedingen betreffende zekerheidsrechten van de KBU, met inbegrip van een afzonderlijke aanduiding van de zaak waarop een zodanig recht rust;

    • h.

      de bevoegdheid van de kredietnemer tot volledige of gedeeltelijke vervroegde aflossing;

    • i.

      de plaats en datum van ondertekening.

  • 2.

    Indien niet voldaan wordt aan het bepaalde in het eerste lid van dit artikel, is de overeenkomst vernietigbaar.

  • 3.

    Alleen de kredietnemer kan een beroep op de vernietigbaarheid doen.

Artikel 23 Ter beschikkingstelling van het kredietbedrag

  • 1.

    Na het sluiten van de kredietovereenkomst wordt:

    • a.

      bij een persoonlijke lening, niet zijnde een saneringskrediet, de kredietsom die bij de kredietovereenkomst is bepaald, door de KBU in zijn geheel aan de kredietnemer beschikbaar gesteld;

    • b.

      bij een persoonlijke lening, zijnde een saneringskrediet, de kredietsom die bij de kredietovereenkomst is bepaald, door de KBU in zijn geheel aan de bij de KBU bekende schuldeisers uitgekeerd en wel na daartoe verkregen akkoord van alle bekende schuldeisers.

  • 2.

    Indien de ter beschikkingstelling als bedoeld in lid 1 sub a of b van dit artikel op onjuiste wijze plaatsvindt en dit geheel of in overwegende mate te wijten is aan onregelmatigheden aan de kant van de kredietnemer, is dit geheel voor rekening en risico van de kredietnemer.

  • 3.

    Ten aanzien van de ter beschikkingstelling van het krediet kan de KBU aanvullende voorwaarden stellen.

Artikel 24 Algemene voorwaarden

  • 1.

    Het college stelt de algemene voorwaarden vast die van toepassing zijn op de door de KBU gesloten kredietovereenkomsten.

  • 2.

    De algemene voorwaarden dienen in ieder geval de volgende bepalingen te bevatten:

    • a.

      de boeken, dit in ruimste zin van het woord, van de KBU strekken tot volledig bewijs van:

    • i.

      alle door de KBU aan of voor rekening van de kredietnemer gedane betalingen;

    • ii.

      alle door of vanwege de kredietnemer aan de KBU gedane betalingen;

    • iii.

      de hoogte van de vordering;

één en ander onverminderd het recht van de kredietnemer tot het leveren van tegenbewijs;

  • b.

    de KBU zal ook in rechte ten bewijze van haar vordering kunnen volstaan met het produceren van door de KBU conform getekende uittreksels uit haar boeken;

  • c.

    de KBU is bevoegd het krediet vervroegd op te eisen in de gevallen als bedoeld in artikel 31 van dit reglement.

    • 3.

      De KBU draagt er zorg voor dat de aanvrager van een krediet uiterlijk voor of bij het sluiten van de kredietovereenkomst daarvan een schriftelijk exemplaar ontvangt.

Artikel 25 Zakelijke of persoonlijke zekerheid

Indien omstandigheden met betrekking tot de kredietnemer dan wel het doel van de kredietverlening dit rechtvaardigen, kan de KBU verlangen dat zakelijke of persoonlijke zekerheid wordt gesteld.

Artikel 26 Overige bepalingen

  • 1.

    Van elke aflossing wordt de kredietnemer een bewijs verstrekt, tenzij betaling is geschied door tussenkomst van een aan het giraal verkeer deelnemende instelling.

  • 2.

    De KBU informeert de cliënt gedurende de looptijd van de kredietovereenkomst overeenkomstig artikel 68 en 80 van het besluit alsmede de bepalingen in hoofdstuk 5 van de beleidsregels.

Paragraaf 4 Betalingsregeling en vervroegde aflossing

Artikel 27 Betalingsregeling

  • 1.

    De KBU houdt bij de vaststelling van de betalingsregeling van het krediet rekening met de draagkracht van de kredietnemer.

  • 2.

    De draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van de richtlijnen van de representatieve organisatie dan wel aan de hand van de in het maatschappelijke verkeer aanvaarde normen.

Artikel 28 Vervroegde aflossing

De kredietnemer is te allen tijde bevoegd tot gehele of gedeeltelijke vervroegde aflossing.

Paragraaf 5 Kredietvergoeding

Artikel 29 Kredietvergoeding

Indien een krediet met een van tevoren vastgelegde kredietsom is overeengekomen kunnen door de KBU vergoedingen in rekening worden gebracht:

  • a.

    voor de afwikkeling overeenkomstig de betalingsregeling van de krediettransactie;

  • b.

    indien de kredietnemer, na ingebrekestelling, nalatig blijft in zijn verplichting tot betaling ingevolge de krediettransactie;

  • c.

    indien de kredietnemer vervroegd aflost.

Artikel 30 Vaststelling kredietvergoeding

  • 1.

    De kredietvergoedingen worden vastgesteld door het college.

  • 2.

    De kredietvergoedingen bedragen ten hoogste de door de Minister van Financiën toegelaten maximum kredietvergoedingen voor zover deze betrekking hebben op consumptief krediet.

Paragraaf 6 Opeisbaarheid en kwijtschelding

Artikel 31 Opeisbaarheid

De KBU is bevoegd het krediet vervroegd op te eisen, indien:

  • a.

    de kredietnemer gedurende ten minste twee maanden achterstallig is in de betaling van een vervallen maandtermijn, na in gebreke te zijn gesteld, nalatig blijft in de nakoming van zijn verplichtingen;

  • b.

    de kredietnemer Nederland metterwoon heeft verlaten, dan wel redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de kredietnemer Nederland binnen enkele maanden zal verlaten;

  • c.

    de kredietnemer is overleden en de KBU gegronde redenen heeft om aan te nemen dat zijn verplichtingen uit hoofde van de kredietovereenkomst niet zullen worden nagekomen;

  • d.

    de kredietnemer in staat van faillissement is komen te verkeren of ten aanzien van de kredietnemer de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard;

  • e.

    de kredietnemer de tot zekerheid verbonden zaak heeft verduisterd;

  • f.

    de kredietnemer aan de KBU, met het oog op het aangaan van de kredietovereenkomst, bewust onjuiste inlichtingen heeft verstrekt van dien aard, dat de KBU de kredietovereenkomst geheel niet of niet onder dezelfde voorwaarden zou hebben aangegaan indien de KBU met de juiste stand van zaken bekend zou zijn geweest.

Artikel 32 Kwijtschelding bij overlijden

  • 1.

    De KBU kan het nog niet afgeloste deel van het krediet tot een nader vast te stellen bedrag kwijtschelden, indien de eerste kredietnemer overlijdt.

  • 2.

    De in het voorgaande lid bedoelde kwijtschelding geldt in ieder geval niet:

    • a.

      voor zover deze betrekking heeft op betalingen van achterstallige termijnen en daaruit voortvloeiende bijkomende kosten;

    • b.

      voor zover deze betrekking heeft op vervroegd betaalde termijnen;

    • c.

      indien het overlijden het rechtstreekse gevolg is van binnenlandse onlusten, epidemische ziekten, natuurrampen, oorlogsgeweld en terrorisme;

    • d.

      indien het overlijden het gevolg is van suïcide dan wel een poging daartoe plaatsvindt binnen zes maanden na het sluiten van de kredietovereenkomst;

    • e.

      indien dit uitdrukkelijk door de KBU en de kredietnemer is overeengekomen.

  • 3.

    De KBU kan besluiten, indien het voorgaande lid van toepassing is, wegens bijzondere omstandigheden alsnog kwijtschelding te verlenen.

Artikel 33 Kwijtschelding bij arbeidsongeschiktheid

  • 1.

    De KBU kan het nog niet afgeloste deel van het krediet tot een nader vast te stellen bedrag kwijtschelden, indien de eerste kredietnemer gedurende de looptijd van de kredietovereenkomst arbeidsongeschikt wordt verklaard.

  • 2.

    De in het voorgaande lid bedoelde kwijtschelding vindt niet plaats, indien:

    • a.

      de kredietnemer al bij het aangaan van de kredietovereenkomst inkomsten genoot uit één of meerdere sociale verzekeringen, dan wel uit een overeenkomst van verzekering ter vervanging van de sociale verzekeringen;

    • b.

      de kredietnemer al bij het aangaan van de kredietovereenkomst niet in staat was zijn werkzaamheden, op grond van zijn gezondheid, naar behoren te verrichten;

    • c.

      de kredietnemer bij het beroep op kwijtschelding geen verklaring kan overleggen van de uitkerende instantie dat de arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80 tot 100% en deze arbeidsongeschiktheid een langdurig karakter heeft.

  • 3.

    De KBU kan, indien het voorgaande lid van toepassing is, wegens bijzondere omstandigheden van het geval alsnog kwijtschelding verlenen.

HOOFDSTUK V SCHULDREGELING

Paragraaf 1 Schuldregeling

Artikel 34 Schuldregeling algemeen

  • 1.

    De KBU verricht werkzaamheden ten behoeve van natuurlijke personen die zich in een schuldsituatie bevinden, dan wel daarin dreigen te geraken.

  • 2.

    De dienstverlening van de KBU kan zowel een begeleidend, regelend, adviserend als administratief karakter hebben.

  • 3.

    De werkzaamheden van de KBU zullen bij een problematische schuldsituatie plaatsvinden in overeenstemming met de richtlijnen van de Gedragscode Schuldregeling van de representatieve organisatie.

  • 4.

    Indien de KBU heeft vastgesteld dat van een problematische schuldsituatie geen sprake is en toch ten behoeve van de schuldenaar een schuldregeling wil opzetten, dient de KBU bij een voorstel aan de schuldeisers expliciet aan te geven dat op deze regeling de Gedragscode Schuldregeling niet van toepassing is.

  • 5.

    Bij het regelen van schulden treedt de KBU op als intermediair tussen de schuldenaar en zijn schuldeisers dan wel namens de schuldeisers optredende derden, om een minnelijke regeling van de schuldenlast tot stand te brengen.

  • 6.

    De KBU kan aan een schuldregeling verplichtingen verbinden.

Paragraaf 2 Aanvraag en afwijzing

Artikel 35 Aanvraag schuldregeling

  • 1.

    Een schuldregeling kan bij de KBU, dan wel via daartoe aangewezen derden, worden aangevraagd.

  • 2.

    De aanvraag voor een schuldregeling dient plaats te vinden op een daartoe door de KBU voorgeschreven wijze.

Artikel 36 Beoordeling aanvraag

De KBU legt de criteria vast die de KBU ten grondslag legt aan de beoordeling van een aanvraag schuldregeling door de aanvrager.

Artikel 37 Afwijzing aanvraag

  • 1.

    Indien de KBU besluit om de aanvraag voor een schuldregeling af te wijzen, doet de KBU hiervan schriftelijk mededeling aan de aanvrager onder opgaaf van redenen.

  • 2.

    In de schriftelijke mededeling wordt tevens vermeld welke mogelijkheden tot het indienen van een klacht tegen de afwijzing van de aanvraag openstaan.

Paragraaf 3 Overeenkomst tot schuldregeling

Artikel 38 Overeenkomst tot schuldregeling

  • 1.

    De rechten en verplichtingen van de KBU en de schuldenaar worden vastgelegd in een overeenkomst tot schuldregeling.

  • 2.

    De bemiddeling van de KBU kan leiden tot een voortzetting van de overeenkomst tot schuldregeling, het verstrekken van een saneringskrediet of beëindiging van de overeenkomst tot schuldregeling.

  • 3.

    de KBU verstrekt aan de schuldenaar een door de KBU ondertekend afschrift van de overeenkomst tot schuldregeling en de overeenkomst tot kredietverlening bij het verstrekken van een saneringskrediet.

  • 4.

    Op het saneringskrediet is hoofdstuk IV en wel de paragrafen 1 tot en met 6 van toepassing, zulks met uitzondering van de artikelen 15, 23, eerste lid sub a, en 26 van dit reglement.

Artikel 39 Algemene voorwaarden

  • 1.

    Het college stelt de algemene voorwaarden op die van toepassing zijn op de door de KBU gesloten overeenkomst tot schuldregeling.

  • 2.

    De KBU draagt er zorg voor dat de schuldenaar uiterlijk voor of bij het sluiten van de overeenkomst tot schuldregeling daarvan een schriftelijk exemplaar ontvangt.

  • 3.

    De KBU registreert de overeenkomst tot schuldregeling bij Bureau Krediet Registratie voor zover daarbij sprake is van een problematische schuldsituatie.

Paragraaf 4 Overige bepalingen schuldregeling

Artikel 40 Overige bepalingen schuldregeling

  • 1.

    De KBU verstrekt op verzoek van de schuldenaar kosteloos een gespecificeerd overzicht van de in het kader van de schuldregeling ten behoeve van de schuldeisers gereserveerde gelden.

  • 2.

    De KBU verstrekt op verzoek van de schuldenaar kosteloos een gespecificeerde eindafrekening.

Paragraaf 5 Schuldhulpverlening

Artikel 41 Begeleiding algemeen

De KBU kan begeleiding geven in de vorm van preventieve en curatieve voorlichting, dan wel deze voorlichting doen uitvoeren door andere instellingen, werkzaam op het terrein van schuldhulpverlening.

Artikel 42 Integrale schuldhulpverlening

De KBU vervult een actieve rol bij de vormgeving en uitvoering van de integrale schuldhulpverlening onder verantwoordelijkheid van het college conform het door de raad vastgestelde plan als bedoeld in de Wet schuldhulpverlening en conform de bepalingen in deze wet.

HOOFDSTUK VI BUDGETBEHEER

Paragraaf 1 Algemene bepalingen

Artikel 43 Budgetbeheer

  • 1.

    De KBU kan een natuurlijke persoon in de gelegenheid stellen een budgetbeheerrekening te openen.

  • 2.

    De werkzaamheden van de KBU vinden plaats in overeenstemming met de richtlijnen van de Gedragscode Budgetbeheer van de representatieve organisatie.

Paragraaf 2 Aanvraag en afwijzing

Artikel 44 Aanvraag

  • 1.

    Budgetbeheer kan bij de KBU, dan wel via een daartoe aangewezen derde, worden aangevraagd.

  • 2.

    De aanvraag voor budgetbeheer dient plaats te vinden op een daartoe door de KBU op verzoek ter beschikking te stellen aanvraagformulier Budgetbeheer.

  • 3.

    De aanvraag kan achterwege blijven indien de KBU budgetbeheer als voorwaarde aan een schuldregeling verbindt.

Artikel 45 Afwijzing aanvraag

  • 1.

    Indien de KBU besluit de aanvraag voor budgetbeheer af te wijzen, doet de KBU hiervan schriftelijk mededeling aan de aanvrager onder opgaaf van redenen.

  • 2.

    In de schriftelijke mededeling wordt tevens vermeld welke mogelijkheden tot het indienen van een klacht tegen de afwijzing van de aanvraag openstaan.

Paragraaf 3 Overeenkomst tot budgetbeheer en budgetbegeleiding

Artikel 46 Overeenkomst tot budgetbeheer en/of budgetbegeleiding

  • 1.

    De rechten en verplichtingen van de KBU en de rekeninghouder worden vastgelegd in een overeenkomst tot budgetbeheer en/of een overeenkomst tot budgetbegeleiding.

  • 2.

    De KBU verstrekt de rekeninghouder een door de KBU ondertekend exemplaar van de in het eerste lid bedoelde overeenkomst.

Artikel 47 Algemene voorwaarden

  • 1.

    Het college stelt algemene voorwaarden vast die van toepassing zijn op de door de KBU gesloten overeenkomsten tot budgetbeheer en budgetbegeleiding.

  • 2.

    De KBU draagt er zorg voor dat aan de rekeninghouder die een aanvraag tot budgetbeheer en/of budgetbegeleiding doet, uiterlijk voor of bij het sluiten van de overeenkomst tot budgetbeheer dan wel de overeenkomst tot budgetbegeleiding daarvan een schriftelijk exemplaar ontvangt.

Paragraaf 4 Overige bepalingen

Artikel 48 Overige bepalingen

  • 1.

    De KBU verstrekt periodiek aan de rekeninghouder kosteloos een afschrift van het verloop van de budgetbeheerrekening.

  • 2.

    De KBU is bevoegd aan de rekeninghouder een vergoeding in rekening te brengen voor de kosten van het budgetbeheer en/of budgetbegeleiding en voor het opnieuw verstrekken van een al eerder toegezonden periodiek afschrift en/of de eindafrekening.

HOOFDSTUK VII BEPALINGEN VAN COMPTABELE AARD

Artikel 49 Verslag werkzaamheden en bedrijfseconomische ontwikkeling

  • 1.

    De KBU doet jaarlijks verslag van haar werkzaamheden en van de bedrijfseconomische ontwikkeling.

  • 2.

    Het verslag wordt ter kennis gebracht van het college.

Artikel 50 Reserves en fondsen

  • 1.

    De KBU treft reserves en voorzieningen conform het besluit alsmede het besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

  • 2.

    De mutaties in de reserves en voorzieningen vinden plaats conform het besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten.

  • 3.

    Op de bepalingen van comptabele aard zijn de Gemeentelijke comptabiliteitswet en het besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten van overeenkomstige toepassing.

HOOFDSTUK VIII KLACHTEN

Artikel 51 Klachtenprocedure

  • 1.

    De KBU draagt zorg voor een adequate behandeling van klachten van cliënten over financiële diensten, financiële producten en andere producten van de KBU. De gemeentelijke klachtenprocedure conform de regels in de Algemene wet bestuursrecht en het klachtenprotocol is hierbij van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    De in het eerste lid bedoelde klachtenprocedure voorziet in de behandeling van klachten van natuurlijke personen met betrekking tot de beslissing en de gang van zaken rond kredietverlening, schuldregeling en budgetbeheer en gedragingen jegens een cliënt.

  • 3.

    De KBU geeft op afdoende wijze bekendheid aan het bestaan van een klachtenprocedure.

HOOFDSTUK IX SLOTBEPALINGEN

Artikel 52 Slotbepaling

In alle gevallen waarin niet bij of krachtens de wet of het bankreglement is voorzien, handelt de KBU naar redelijkheid en billijkheid.

Artikel 53 Inwerkingtreding

Dit bankreglement treedt in werking met ingang van de dag volgend op de dag waarop het bankreglement door Gedeputeerde Staten van de provincie is goedgekeurd en zal worden gepubliceerd in het gemeenteblad.

Artikel 54 Citeertitel

Dit bankreglement kan worden aangehaald als: Bankreglement KBU.

Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van Utrecht in haar vergadering van 29 juni 2010

De secretaris, De burgemeester,

J.Bakker Mr. A. Wolfsen

Goedgekeurd door het college van gedeputeerde staten van de provincie Utrecht in haar vergadering van 30 augustus 2010, nr. 2010INT262753.

De provinciesecretaris, De commissaris van de koningin,

H.Sietsma R. Robbertsen

Bekendmaking is geschied op 15 september 2010.

Deze beleidsregels zijn in werking getreden op 16 september 2010.

BIJLAGE BEHOREND BIJ GEMEENTEBLAD VAN UTRECHT 2010, NR. 76

Toelichting op het bankreglement Gemeentelijke Kredietbank Utrecht

ALGEMEEN

Sinds enige tijd zijn de activiteiten van de Kredietbank Utrecht ondergebracht bij de teams Sociale Voorzieningen van de afdeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De Kredietbank Utrecht is derhalve niet langer een zelfstandige eenheid binnen de organisatie, maar een onderdeel van een groter geheel. De activiteiten zijn echter hetzelfde gebleven en worden uitgevoerd door een groep gespecialiseerde medewerkers. Aangezien de activiteiten zich afspelen op het terrein van de financiële dienstverlening, is de Wet op het Financieel Toezicht (Wft) hierop onverkort van toepassing.

Dat houdt in dat voor de uitvoering van deze activiteiten SoZaWe Utrecht, handelend namens en in opdracht van het college, zich aan de bepalingen in deze wet dient te houden. Daartoe vormt het onderhavige bankreglement een belangrijk instrument. Het waarborgt dat de financiële dienstverlening die door de daartoe aangestelde medewerkers binnen het team Sociale wordt verzorgd, plaatsvindt binnen de kaders van de Wft. Uit praktisch oogpunt wordt in dit reglement het onderdeel van SoZaWe dat is belast met de werkzaamheden op het gebied van financiële dienstverlening aangeduid als Kredietbank Utrecht (afgekort KBU).

Het reglement moet worden goedgekeurd door gedeputeerde staten. Burgemeester en wethouders zien toe op de naleving van het reglement.

In de Wft zijn de verantwoordelijkheden en plichten van financiële dienstverleners vastgelegd. De Wft stelt regels omtrent de bedrijfsvoering, de deskundigheid en betrouwbaarheid van medewerkers, zorgvuldige dienstverlening, (financiële) verslaglegging, het treffen van financiële reserves en voorzieningen en klachtafhandeling. Voor alle aanbieders van kredieten gelden standaard kwaliteitseisen, door de koepelorganisatie, de Nederlandse Vereniging Van Kredietbanken (NVVK) uitgewerkt in een aantal beleidsregels.

De beleidsregels vormen een nadere uitwerking van de Wft en het besluit gedragstoezicht financiële ondernemingen (BGfo) en maken integraal onderdeel uit van dit bankreglement, waar zij als bijlage aan zijn toegevoegd.

Op de kredietbanken rust de verplichting om in hun reglement van bedrijfsvoering aan te geven hoe zij aan bepaalde verplichtingen uit het deel Gedragstoezicht Financiële Ondernemingen voldoen (artikel 4:37 Wft). Het bankreglement vormt een uitwerking van deze verplichting. De Wft stelt ook eisen aan de vakbekwaamheid van de medewerkers die kredieten verstrekken. De vakbekwaamheid moet kunnen worden aangetoond.

Transacties van de kredietbank zijn privaatrechtelijk van aard en niet publiekrechtelijk. Bij beslissingen, termijnen en bijvoorbeeld de klachtenregeling is dan ook vaak gebruik gemaakt van de modellen NVVK en de binnen de eigen organisatie ontwikkelde modellen. Ondanks het feit dat de handelingen van de kredietbank privaatrechtelijk van aard zijn is er in Utrecht voor gekozen om cliënten van de Kredietbank de mogelijkheid te geven een bezwaarschrift in te dienen tegen een besluit. Zij kunnen dit doen bij het college. De ambtelijke bezwaarschriftencommissie bij de Bestuurs- en concerndienst van de gemeente behandelt de bezwaren. Omdat het privaatrecht van toepassing is, staat de mogelijkheid van beroep bij de bestuursrechter niet open. In een beslissing op het bezwaarschrift wijst de bezwaarschriftencommissie op de mogelijkheid een klacht in te dienen bij het Algemeen bestuur van de NVVK.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

Artikel 1 bevat de definities van de begrippen die in het bankreglement worden gehanteerd. De begrippen staan in alfabetische volgorde. Hieronder worden enkele begripsomschrijvingen nader toegelicht.

Bevoegd Gezag

Bij het opstellen van het bankreglement is het uitgangspunt dat de kredietbank die deel uit maakt van de gemeentelijke organisatie. De kredietbank Utrecht is organisatorisch onderdeel van de Dienst Maatschappelijke ontwikkeling afdeling Sociale Zaken en daarbinnen een onderdeel van de teams Sociale Voorzieningen.

Budgetbegeleiding en budgetbeheer

Kredietbanken houden zich van oudsher bezig met het verstrekken van sociale kredieten en het regelen van schulden van natuurlijke personen in een problematische schuldsituatie. In het kader van schuldhulpverlening zijn nieuwe taken ontwikkeld, zoals budgetbeheer en budgetbegeleiding. In navolging van het Landelijk Platform Integrale Schuldhulpverlening worden in het bankreglement de begrippen budgetbegeleiding en budgetbeheer omschreven.

Cliënt

De omschrijving van het begrip “cliënt” is gelijk aan de definitie van het begrip “consument” in de Wft. De reikwijdte van deze definitie is daardoor beperkt tot de dienstverlening die onder de Wft valt.

De kredietbanken verlenen alleen financiële diensten en financiële producten aan natuurlijke personen. Zij houden zich niet bezig met zakelijke kredietverlening of bedrijfssaneringen. Diensten worden wel verleend aan natuurlijke personen die hun onderneming of hun zelfstandig beroep hebben beëindigd. Zij zijn immers vergelijkbaar met natuurlijke personen zonder een onderneming of een eigen beroep, met dien verstande dat hun schuldenlast vaak aanzienlijk hoger is.

Kredietovereenkomst

De omschrijving van het begrip kredietovereenkomst komt overeen met de omschrijving in de Wet op het consumptief krediet (Wck). Artikel 30 Wck is onverkort van toepassing op kredietverlening door kredietbanken.

Overeenkomst op afstand

Steeds vaker worden financiële producten gekocht via internet. In de Wft zijn bijzondere bepalingen opgenomen ten aanzien van de overeenkomst op afstand. Deze bepalingen zijn ook van belang voor kredietbanken die hun financiële diensten en financiële producten via hun eigen website of de website van de gemeente aanbieden.

Schuldhulpverlening en schuldregeling

In verband met de verbreding van het takenpakket bij bijna alle kredietbanken is een omschrijving van het begrip “schuldhulpverlening” opgenomen. Met het begrip “schuldhulpverlening” wordt tot uitdrukking gebracht, dat kredietbanken zich met meer bezighouden dan alleen de traditionele curatieve dienstverlening. Instrumenten als budgetbeheer en budgetbegeleiding hebben ook een duidelijk preventief karakter. Met behulp van deze instrumenten kan immers worden voorkomen, dat schulden uitgroeien tot problematische schulden.

Toezicht

De kredietbanken vallen in het kader van de Wft niet onder het toezicht van de Autoriteit Financiële Markten (AFM). Voor kredietbanken die onderdeel zijn van de gemeente is dit gebaseerd op art. 4:37 lid 3, onderdeel c, Wft.

Artikel 2 Doelstelling

In artikel 2 van het bankreglement staat het doel van de kredietbank geformuleerd. Het doel van de kredietbank is mede afhankelijk van het gemeentelijke beleid.

Artikel 3 Taakstelling

In artikel 3 wordt aangegeven op welke wijze de kredietbank haar doel tracht te bereiken. Met betrekking tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) is volstaan met het bieden van faciliteiten aan bewindvoerders. De bewindvoerder is volgens de Wsnp ten aanzien van de uitvoering van zijn wettelijke taak alleen rekening en verantwoording verschuldigd aan de rechter-commissaris. Over de uitvoering daarvan heeft de kredietbank geen zeggenschap. Dit ligt anders ten aanzien van de faciliteiten die de kredietbank aan de bewindvoerder ter beschikking stelt of ten aanzien van de kantoortijden van de bewindvoerder. Deze zijn gelijk aan die van de organisatie waar hij arbeidsrechtelijk gezien (ambtenaren hebben overigens een aanstelling en geen arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht) ondergeschikt aan is.

Artikel 4 Beheer, uitoefening bevoegdheden en verlenen van volmacht

Eerste lid:

Op grond van de Wet dualisering gemeentebesturen berust het beheer van de kredietbank niet meer bij de gemeenteraad maar bij het college van burgemeester en wethouders. De dagelijkse leiding van de kredietbank is opgedragen aan de leidinggevenden van de teams Sociale Voorzieningen. Deze leggen hierover verantwoording af aan het hoofd Sociale Zaken en Werkgelegenheid en de directeur DMO.

Tweede tot en met vierde lid:

Met deze bepalingen wordt voorzien in het mandateren van bevoegdheden en het delen van volmachten door de directeur DMO met de door hem aangewezen ambtenaren. Bij mandaat gaat het om uitoefening van bevoegdheden besluiten te nemen in naam van en voor rekening van het bestuursorgaan dat de bevoegdheden heeft gemandateerd. Bij volmacht gaat het om het verrichten van rechtshandelingen met een privaatrechtelijk karakter. Het verlenen van een volmacht is geen aangelegenheid van het college van burgemeester en wethouders, maar van de burgemeester alleen.

Artikel 6 Toepassingbereik

Dit artikel bepaalt de reikwijdte van de artikelen 7 tot en met 14. Deze artikelen zijn vanzelfsprekend alleen van toepassing op de financiële diensten en financiële producten waarop de Wft van toepassing is. Het gaat hierbij in de eerste plaats om het aanbieden van krediet op basis van de publieke taakstelling van de kredietbank.

Artikel 7 Betrouwbaarheid

De integriteit van de personen en instellingen die actief zijn op de financiële markten is van groot belang voor het maatschappelijke vertrouwen in de financiële markten en instellingen die hierop handelen. Over de betrouwbaarheid van (mede)beleidsbepalers van financiële instellingen, zoals bestuurders en leden van raden van commissarissen, mag geen twijfel bestaan.

Normen hiervoor zijn vastgelegd in hoofdstuk 2 van de beleidsregels, die als bijlage bij dit reglement zijn gevoegd.

Artikel 8 Deskundigheid

Binnen de onderneming van een financiële dienstverlener moeten verschillende soorten van vakbekwaamheid aanwezig zijn. Zo moeten beleidsbepalers vakbekwaam zijn op het gebied van de bedrijfsvoering. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeld managementvaardigheden en de vaardigheid om inhoudelijke vakbekwaamheid bij het personeel te organiseren. De werknemers moeten beschikken over inhoudelijke vakbekwaamheid. Deze verplichting geldt ook voor bijvoorbeeld uitzendkrachten die werkzaam zijn voor en mensen die gedetacheerd zijn bij een financiële dienstverlener of een verbonden bemiddelaar.

Vakbekwaamheid kan op verschillende wijzen worden georganiseerd. Personen kunnen zelf deskundig zijn op een bepaald werkterrein. Deskundige personen in een organisatie kunnen hun kennis en vaardigheden ook toegankelijk maken voor anderen in de organisatie door de kennis en vaardigheden bijvoorbeeld in een computersysteem of handleiding op te nemen. In het laatste geval dienen de instructies zo te zijn geformuleerd en gerangschikt, dat de gebruiker ze ook daadwerkelijk kan opvolgen. De invulling van de deskundigheidsvereisten is vastgelegd in hoofdstuk 3 van de beleidsregels.

Artikel 9 Integere bedrijfsvoering en toezicht

Een financiële dienstverlener dient te beschikken over een deugdelijke administratieve organisatie en een adequaat systeem van interne controle om goed te kunnen functioneren. Op deze wijze kan het college ook op adequate wijze zijn toezichthoudende taak uitoefenen.

De kredietbank dient ook maatregelen te nemen om tot een integere bedrijfsvoering te komen en deze te behouden. In het kader daarvan zullen niet alleen de beleidsbepalers moeten worden getoetst op hun integriteit, maar zal ook de integriteit van de feitelijk leidinggevenden en medewerkers in zekere mate moeten worden onderzocht.

Nadere regels en criteria voor een integere bedrijfsvoering zijn vastgelegd in hoofdstuk 4 van de beleidsregels.

Artikel 11 Adviseren en execution only

In artikel 4:23 Wft is een bijzondere bepaling opgenomen ten aanzien van het adviseren van de cliënt door een financiële dienstverlener. Bijzondere bepalingen gelden bovendien voor de bemiddelaar en de adviseur. Alleen een financiële dienstverlener die werkzaamheden verricht waarbij hij een concreet financieel product aanbeveelt, dient aan de in artikel 4:23 Wft gestelde eisen te voldoen. Er bestaat geen adviesplicht.

Dit artikel richt zich tot íedere financiële dienstverlener die adviseert en daarom zijn de bepalingen niet alleen van toepassing op de adviseur maar ook op de financiële dienstverlener die adviseert en tegelijkertijd optreedt als aanbieder, bemiddelaar of als (onder)gevolmachtigde agent ten aanzien van het door hem aanbevolen product. Wanneer de financiële dienstverlener de consument niet adviseert dan moet dit voor de aanvang van de werkzaamheden aan de consument worden gemeld. Op deze wijze kan de consument zich een goed beeld vormen over de precieze aard van de financiële dienstverlening en wat hij van de financiële dienstverlener mag verwachten.

In verband met de verplichting van de kredietbank om aan te tonen op welke wijze aan de verplichtingen van de Wft wordt voldaan, is artikel 4:23 Wft overgenomen in artikel 11 van dit bankreglement.

In de praktijk is er niet in alle gevallen sprake van adviseren. De grens tussen “adviseren” en “informeren” is echter in de praktijk erg vaag. Een kredietbank die op verzoek van een cliënt een brochure of prospectus met algemene informatie over een bepaald product toestuurt, adviseert de cliënt niet. Hij informeert de cliënt slechts. Een kredietbank die een cliënt meedeelt dat hij voor het gevraagde krediet niet in aanmerking komt en vervolgens aangeeft dat een krediet voor een lager bedrag wel mogelijk is, adviseert de cliënt. De kredietbank doet de cliënt immers een aanbod en de definitie van adviseren is ontleend aan de bepaling van het BW betreffende aanbod. Ook als de kredietbank zich richt tot een bepaalde groep cliënten met een bepaald omschreven product, adviseert de kredietbank deze groep cliënten.

Artikel 12 Zorgvuldige behandeling van de cliënt

De consument moet door een financiële dienstverlener zorgvuldig worden behandeld. In verband daarmee zijn in de Wft verschillende voorschriften opgenomen die financiële dienstverleners in acht moeten nemen bij het verlenen van financiële diensten. Nadere regels omtrent zorgvuldige dienstverlening zijn vastgelegd in hoofdstuk 5 van de beleidsregels alsmede artikel 81 van het besluit.

Artikel 13 Uitbesteding werkzaamheden

Ook kredietbanken kunnen een deel van hun werkzaamheden uitbesteden, maar blijven daarvoor wel eindverantwoordelijk. Het uitbesteden van werkzaamheden mag ook niet leiden tot het onmogelijk maken van het toezicht door het college.

Artikel 15 Kredietverlening

Dit artikel bevat de algemene bepaling omtrent kredietverlening. Hierin is uitdrukkelijk de mogelijkheid opgenomen om ook aan inwoners van andere gemeenten kredieten te verstrekken als in die gemeenten geen voorziening op het terrein van sociale kredietverlening voor handen is en met de desbetreffende gemeente hiertoe een overeenkomst is gesloten.

Artikel 18 t/m 20 Kredietaanvraag en afwijzing

Kredietaanvragen vinden schriftelijk plaats. Met schriftelijk wordt hier bedoeld dat de aanvraag van een krediet op papier of elektronisch moet zijn vastgelegd.

De kredietbank is niet verplicht om een aanvraag voor een krediet te honoreren. Aan een afwijzing van een kredietaanvraag kunnen verschillende redenen ten grondslag liggen, zoals de hoogte van het gevraagde krediet in relatie tot het inkomen van de kredietnemer, het inkomen van de kredietnemer is hoger dan de gestelde grenzen op basis van de Wet Fido of de kredietnemer levert onvoldoende gegevens aan. Als de kredietbank besluit om een aanvraag af te wijzen, dient hiervan schriftelijke mededeling te worden gedaan aan de aanvrager en dienen de redenen voor afwijzing te worden vermeld.

In het tweede lid van dit artikel is voorzien in een mogelijkheid om tegen een beslissing van de kredietbank om de kredietaanvraag af te wijzen beklag te doen. Op grond van de Wft dient de kredietbank te beschikken over een interne bezwaarprocedure met betrekking tot de financiële producten en financiële diensten die onder de Wft vallen.

Artikel 34 Schuldregeling

Dit artikel bevat algemene bepalingen over het aanbieden van schuldregeling aan natuurlijke personen.

Artikel 35 tot en met 37 Aanvraag en afwijzing

Zie toelichting bij artikel 18 tot en met 20.

Artikel 43 tot en met 48 Budgetbeheer

Budgetbeheer is een instrument in het kader van schuldregeling. Niet alleen als instrument in het kader van de curatieve schuldregeling, maar juist ook in toenemende mate als preventief instrument. Voorkomen kan worden dat een beheersbare schuldpositie uiteindelijk leidt tot een problematische schuldsituatie.

De koppeling tussen budgetbeheer en schuldregeling is in dit reglement losgelaten. Budgetbeheer is in beginsel dus ook zonder schuldregeling mogelijk.

Artikel 51 Klachtenprocedure

Ten aanzien van gedragingen door de kredietbank en zijn medewerkers geldt met ingang van 1 januari 2005 de Wet extern klachtrecht (Wek). Op grond van deze wet moet de kredietbank voorzien in een klachtenregeling ten aanzien van gedragingen van de kredietbank ten opzichte van de cliënten. Het gaat hierbij om bijvoorbeeld verbale en non-verbale behandeling van de cliënt.

In deze bepaling wordt gerefereerd aan de gemeentelijke klachtenprocedure conform de Awb. Weliswaar is deze wet niet van toepassing op de werkzaamheden van de kredietbanken, maar om praktische redenen is ervoor gekozen om bij deze regeling aan te sluiten.