Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Utrecht

Besluit van provinciale staten van Utrecht van 14 oktober 1998 houdende een reglement van orde voor hun vergaderingen en andere werkzaamheden (Reglement van orde provincie Utrecht 2003)

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieUtrecht
OrganisatietypeProvincie
Officiële naam regelingBesluit van provinciale staten van Utrecht van 14 oktober 1998 houdende een reglement van orde voor hun vergaderingen en andere werkzaamheden (Reglement van orde provincie Utrecht 2003)
CiteertitelReglement van orde provincie Utrecht 2003
Vastgesteld doorprovinciale staten
Onderwerpbestuur en recht
Eigen onderwerpbestuurlijke organisatie

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

De historie bij het Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen is niet compleet. Er ontbreken wijzigingen tussen het ontstaan van de regeling en de eerste opgenomen wijziging daarvan.

Taakomschrijving plaatsvervangend voorzitter van provinciale staten.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Provinciewet, art. 16
  2. Provinciewet, art. 104a
  3. Provinciewet, art. 143a, lid 2, 3
  4. Provinciewet, art. 143b, lid 2
  5. Provinciewet, art. 151

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

18-04-201508-12-2014Art. 62, 63, 71

08-12-2014

Provinciaal blad, 2015, 2060

81E4022D
02-07-201218-04-2015art. 46, 48, 58, 65

02-07-2012

Provinciaal blad, 2012, 41

80BD159E
19-11-200810-09-2012art. 3B, 9B, 25, 48, 66, 69

20-10-2008

Provincieblad 2008, 60

2008INT200121

Tekst van de regeling

Intitulé

Besluit van provinciale staten van Utrecht van 14 oktober 1998 houdende een reglement van orde voor hun vergaderingen en andere werkzaamheden (Reglement van orde provincie Utrecht 2003)

Besluit van provinciale staten van Utrecht van 14 oktober 1998, prov. blad 34, houdende een reglement van orde voor hun vergaderingen en andere werkzaamheden, zoals gewijzigd bij besluiten van 13 september 1999, prov. blad 23, 25 juni 2001, prov. blad 18, 13 mei 2002, prov. blad 11, 7 april 2003, 24 mei 2004, prov. blad 12, 7 november 2005, prov. blad 42 en 29 mei 2007, prov. blad 31, 24 september 2007, prov. blad 44 en 20 oktober 2008, prov. blad 2008, 60 (Reglement van orde provincie Utrecht 2003).

Provinciale staten van Utrecht;

Op het voorstel van de Werkgroep dualisme van 16 december 2002, PS2003DUAL01;

Gelet op de artikelen 16, 104a, 143a, tweede en derde lid, 143b, tweede lid, en 151 van de Provinciewet;

Besluiten:

1. De voorzitter;

Provinciewet 9: De commissaris van de Koning is voorzitter van provinciale staten.

Artikel 1.

De voorzitter is, naast hetgeen hem verder bij dit reglement is opgedragen, belast met het leiden van de vergadering en het doen naleven van dit reglement.

Provinciewet 75-1-derde, vierde en vijfde volzin: Het voorzitterschap van provinciale staten wordt bij verhindering of ontstentenis van de commissaris waargenomen door het langstzittende lid van provincale staten. Indien meer leden van provinciale staten even lang zitting hebben, dan vindt de waarneming van het voorzitterschap plaats door het oudste lid in jaren van hen. Provinciale staten kunnen een ander lid van provinciale staten met de waarneming van het voorzitterschap belasten.

Artikel 1a.

  • 1

    Provinciale staten kiezen een plaatsvervangend voorzitter uit hun midden. Provinciale staten stellen op voorstel van het fractievoorzittersconvent het profiel van de plaatsvervangend voorzitter vast en regelen zijn bevoegdheden (2).

  • 2

    De zittingsduur van de plaatsvervangend voorzitter loopt af aan het einde van de zittingsduur van provinciale staten.

Artikel 2. Fracties

Indien leden alleen of tezamen als een afzonderlijke fractie wensen op te treden, geven zij hiervan kennis aan de voorzitter onder mededeling van de samenstelling van hun fractie alsmede - zonodig - van haar benaming.

Artikel 3a. Fractievoorzittersconvent en presidium (2)

  • 1

    De voorzitter en plaatsvervangend voorzitter van provinciale staten en de gezamenlijke voorzitters van de fracties of hun plaatsvervangers vormen het fractievoorzittersconvent.

  • 2

    De voorzitter van provinciale staten zit de vergaderingen van het fractievoorzittersconvent voor. De plaatsvervangend voorzitter van provinciale staten vervangt hem in voorkomend geval.

  • 3

    Het fractievoorzittersconvent vergadert voorafgaand aan elke statenvergadering.

  • 4

    Het fractievoorzittersconvent wordt voorts bijeen geroepen indien tenminste een derde van de leden van het convent om een vergadering vraagt. Het fractievoorzittersconvent kan tevens op verzoek van het presidium, de voorzitter of de plaatsvervangend voorzitter worden bijeengeroepen. De vergadering wordt dan binnen twee weken nadat dit verzoek is ingekomen gehouden.

  • 5

    Het fractievoorzittersconvent heeft tot taak het bespreken van de politiek strategische onderwerpen onderdeel uitmakend van het besluitvormingsproces van de Staten, het bewaken van de strategische agendaplanning en de majeure organisatorische onderwerpen betreffende de Staten, het bevorderen van het besluitvormingsproces, het stimuleren van het dualisme en het voeren van het werkgeverschap voor de griffie.

  • 6

    De griffier, dan wel diens plaatsvervanger is secretaris/adviseur van het fractievoorzitters-convent.

Artikel 3b. Presidium

  • 1.

    De voorzitter van provinciale staten, de plaatsvervangend voorzitter van provinciale staten en de voorzitters van de statencommissies, dan wel hun plaatsvervangers vormen samen het presidium.

  • 2.

    De plaatsvervangend voorzitter van provinciale staten is de voorzitter van het presidium. De voorzitter van provinciale staten vervangt hem in voorkomend geval.

  • 3.

    De secretaris/algemeen directeur, dan wel zijn plaatsvervanger woont als adviseur de vergaderingen van het presidium bij.

  • 4.

    Het presidium komt in beginsel maandelijks bijeen en voorts indien tenminste een derde van de leden van het presidium om een vergadering vraagt. De vergadering wordt dan binnen twee weken nadat dit verzoek is ingekomen gehouden.

  • 5.

    Het presidium heeft een (a-politieke) taak inhoudende het bepalen van de agenda van de statencommissies en de statenvergaderingen, waarvoor als uitgangspunt geldt de termijnagenda.

Provinciale staten.

Provinciewet 17-1: Provinciale staten vergaderen zo vaak als zij daartoe hebben besloten.

Artikel 4. Tijd van vergaderen; vergaderschema.

  • 1.

    Provinciale staten vergaderen in beginsel eenmaal per maand, behalve in het zomerreces.

  • 2.

    Twee maanden voor het begin van elk kalenderjaar ontvangen de leden van provinciale staten van het presidium een overzicht van de data en aanvangstijdstippen waarop dat jaar de vergaderingen van provinciale staten worden gehouden. 

Provinciewet 17-2: Voorts vergaderen zij indien de commissaris van de Koning het nodig oordeelt of indien ten minste een vijfde van het aantal leden waaruit provinciale staten bestaan schriftelijk, met opgave van redenen, daarom verzoekt.

Artikel 5. Vergadering op verzoek.

Indien op grond van artikel 17, tweede lid, van de Provinciewet een in die bepaling aangegeven aantal leden om een vergadering van provinciale staten vraagt, wordt deze gehouden binnen twee weken nadat dit verzoek is ontvangen. 

Artikel 6. Onderzoek van de geloofsbrieven en toelating

  • 1.

    Het onderzoek van de geloofsbrieven, met de daarbij behorende bescheiden, van nieuw benoemde leden geschiedt door een commissie uit provinciale staten, door de voorzitter te benoemen. Deze benoeming geschiedt telkens na de opening van de eerste vergadering van een zittingsperiode, voor de duur van die periode. De commissie bestaat uit een voorzitter en vier leden; zonodig kunnen plaatsvervangers worden aangewezen.

  • 2.

    De commissie onderzoekt de volgens de Kieswet vereiste bescheiden. Zij betrekt tevens in haar beoordeling andere ter zake door provinciale staten vereiste en aan haar overgelegde stukken.

  • 3.

    Namens de commissie brengt haar voorzitter daarna verslag uit, waarna de vergadering zo mogelijk dadelijk over de toelating beslist. 

Provinciewet. 11-1: De leden van provinciale staten maken openbaar welke andere functies dan het lidmaatschap van provinciale staten zij vervullen. 2: Openbaarmaking geschiedt door terinzagelegging van een opgave van de in het eerste lid bedoelde functies op het provinciehuis.

Artikel 7. Nevenfuncties.

Na de toelating doet ieder lid bij de voorzitter opgave van de andere functies dan het lidmaatschap van provinciale staten die worden vervuld als bedoeld in artikel 11 van de Provinciewet. Een eventueel noodzakelijke aanvulling of wijziging van deze opgave brengt het lid direct ter kennis van de voorzitter.

Eed.

Provinciewet 14: Alvorens hun functie te kunnen uitoefenen, leggen de leden van provinciale staten in de vergadering, in handen van de voorzitter, de volgende eed(verklaring en belofte) af: "Ik zweer (verklaar) dat ik, om tot lid van provinciale staten benoemd te worden, rechtstreeks noch middellijk, onder welke naam of welk voorwendsel ook, enige gift of gunst heb gegeven of beloofd. Ik zweer (verklaar en beloof) dat ik, om iets in dit ambt te doen of te laten, rechtstreeks noch middellijk enig geschenk of enige belofte heb aangenomen of zal aannemen. Ik zweer (beloof) dat ik getrouw zal zijn aan de Grondwet, dat ik de wetten zal nakomen en dat ik mijn plichten als lid van provinciale staten naar eer en geweten zal vervullen. Zo waarlijk helpe mij God Almachtig! (Dat verklaar en beloof ik!)".

Eerste vergadering.

Provinciewet 18: Provinciale staten vergaderen na de periodieke verkiezing van hun leden voor de eerste maal in nieuwe samenstelling op de dag met ingang waarvan de leden van provinciale staten in oude samenstelling aftreden. 

Provinciewet 19- 1: De commissaris roept de leden schriftelijk tot de vergadering op. 2: Tegelijkertijd met de oproeping brengt de commissaris dag, tijdstip en plaats van de vergadering ter openbare kennis. De agenda en de daarbij behorende voorstellen met uitzondering van de in artikel 25, tweede lid, bedoelde stukken worden tegelijkertijd met de oproeping op een bij de openbare kennisgeving aan te geven wijze ter inzage gelegd.

Artikel 8. Oproep voor vergadering.

De oproeping voor de vergadering wordt ten minste tien dagen voor de vergadering aan de leden verzonden. 

Provinciewet 143a-1: Een lid van provinciale staten kan een voorstel voor een verordening of een ander voorstel ter behandeling in provinciale staten indienen.

Artikel 9a. Agenda

  • 1

    Gedeputeerde staten, een fractie of een lid van provinciale staten kunnen bij het presidium een voorstel indienen ter behandeling in provinciale staten. De voorzitter van provinciale staten zendt een burgerinitiatiefvoorstel door aan het presidium.

  • 2

    Het presidium kan een voorstel voorleggen aan een statencommissie ter voorbereiding van de besluitvorming van provinciale staten.

  • 3

    Het presidium plaatst elk voorstel op een ontwerpagenda voor de eerste daarvoor geschikte vergadering van provinciale staten. Bij elk voorstel geeft het een beslissingsvoorstel. Een beslissingsvoorstel kan beperkt blijven tot kennisneming door provinciale staten.

  • 4

    Het presidium zendt ten minste vier weken voor elke vergadering van provinciale staten een voorlopige ontwerpagenda aan de leden. Het definitieve ontwerp wordt met de oproep voor de vergadering meegezonden. De vergadering stelt de agenda vast.

  • 5

    Het presidium plaatst inlichtingen van gedeputeerde staten of van de commissaris van de Koningin als bedoeld in de artikelen 167, tweede lid, en 179, tweede lid, van de Provinciewet en andere aan provinciale staten gerichte stukken die geen voorstellen zijn als bedoeld in het eerste lid op een lijst van ingekomen stukken bij de ontwerpagenda voor hun eerstvolgende vergadering.

  • 6

    Het presidium kan gedeputeerden uitnodigen om in de vergadering van provinciale staten aanwezig te zijn en aan de beraadslaging deel te nemen als bedoeld in artikel 21, tweede lid, van de Provinciewet.

Artikel 9b. Meespreken toehoorders

  • 1

    De voorzitter stelt toehoorders bij een openbare vergadering van Provinciale Staten op hun verzoek in de gelegenheid het woord te voeren tijdens de vergadering. Dit inspreekrecht beperkt zich tot agendapunten die rechtstreeks (of wel zonder voorafgaande bespreking in een statencommissie) zijn geagendeerd voor de statenvergadering.

  • 2

    Het hiervoor bedoelde verzoek wordt tenminste een week voor de vergadering ingediend bij de griffier.

  • 3

    Voor de inspreker bedoeld in het eerste lid geldt een spreektijd van vijf minuten per agendapunt.

  • 4

    Het inspreken vindt plaats voorafgaand aan de bespreking van het betreffende agendapunt door Provinciale Staten.

Artikel 10. Toezending statenvoorstellen

  • 1

    De aan provinciale staten gerichte voorstellen en eventueel andere stukken worden ten minste tien dagen voor de vergadering tezamen met de agenda aan de leden toegezonden.

  • 2

    Uitsluitend vergaderstukken met een spoedeisend karakter kunnen later aan provinciale staten worden toegezonden.

Artikel 11. Terinzagelegging stukken

Niet tevoren aan de leden toegezonden stukken waarvan zij in verband met de af te handelen agenda kennis moeten kunnen nemen, liggen op het provinciehuis voor hen en een ieder ter inzage, behoudens stukken ten aanzien waarvan geheimhouding is opgelegd op grond van artikel 25, tweede lid, van de Provinciewet. Zij kunnen worden ingezien vanaf de dag dat de agenda is verzonden tot na afloop van de betreffende vergadering.

Artikel 12. Orde der vergadering, schorsing

Indien dat naar de mening van de voorzitter in verband met de verstoring van de orde gewenst is, schorst hij de vergadering voor een door hem te bepalen tijd. In andere gevallen kan hij dit eveneens doen, al dan niet op verzoek van een of meer leden van de staten. De beraadslaging wordt hervat nadat de schorsingsperiode is verlopen.

Artikel 13. Verdaging

Na raadpleging van de staten kan de voorzitter de vergadering verdagen tot een gelijktijdig daarbij door hem te bepalen dag en uur.

Artikel 14. Presentie

Ieder lid, komende ter vergadering, tekent de presentielijst. Deze blijft bij de door de griffier aangewezen ambtenaar op de tafel liggen voor ondertekening door leden die na het openen van de vergadering binnenkomen. Een lid dat vertrekt voor het einde van de vergadering, meldt zich af bij de door de griffier aangewezen ambtenaar.

Artikel 15. Zitplaatsen

Ieder lid heeft in de vergaderzaal een vaste zitplaats, door de voorzitter na overleg met het fractievoorzittersconvent aan te wijzen. De leden nemen hun zitplaats in, wanneer de voorzitter de wens daartoe te kennen geeft.

Artikel 16. Opening, quorum

De voorzitter opent de vergadering zodra de meegedeelde aanvangstijd is bereikt en het vereiste aantal leden tegenwoordig is.

Provinciewet 20-1: De vergadering van provinciale staten wordt niet geopend voordat blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.

2: Indien ingevolge het eerste lid de vergadering niet kan worden geopend, belegt de commissaris van de Koning, onder verwijzing naar dit artikel, opnieuw een vergadering tegen een tijdstip dat ten minste vierentwintig uur na het bezorgen van de oproeping is gelegen.

3: Op de vergadering, bedoeld in het tweede lid, is het eerste lid niet van toepassing. Provinciale staten kunnen echter over andere aangelegenheden dan die waarvoor de ingevolge het eerste lid niet geopende vergadering was belegd alleen beraadslagen of besluiten, indien blijkens de presentielijst meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden tegenwoordig is.

Artikel 17. Spreekregels

  • 1.

    De leden voeren het woord staande achter de katheder dan wel achter de interruptiemicrofoon.

  • 2.

    De leden richten het woord tot de voorzitter.

  • 3.

    Met toestemming van de voorzitter kan een spreker demonstratiemateriaal in de vergaderzaal doen opstellen of documentatiemateriaal doen verspreiden.

Provinciewet 21-1: De commissaris van de Koning heeft het recht in de vergadering aan de beraadslaging deel te nemen.

2: Een gedeputeerde kan al dan niet op zijn verzoek door provinciale staten worden uitgenodigd om in de vergadering aanwezig te zijn en aan de beraadslaging deel te nemen.

Artikel 18. Volgorde sprekers

  • 1.

    Geen lid voert het woord dan na het aan de voorzitter gevraagd en van hem verkregen te hebben.

  • 2.

    De voorzitter verleent zoveel mogelijk het woord in de volgorde waarin het is gevraagd, tenzij hieromtrent na overleg met het presidium andere afspraken zijn gemaakt.

  • 3.

    Deze volgorde kan worden verbroken, wanneer een lid het woord vraagt:

    • a.

      over een persoonlijk feit;

    • b.

      om een motie of een voorstel van orde in te dienen;

    • c.

      over de vaststelling van het te beslissen vraagpunt.

Openbaarheid.

Provinciewet 23:

1: De vergadering van provinciale staten wordt in het openbaar gehouden.

2: De deuren worden gesloten wanneer ten minste een tiende van het aantalleden dat de presentielijst heeft getekend daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt.

3: Provinciale staten beslissen vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd.

4: Provinciale staten maken de besluitenlijst van hun vergaderingen op de in de provincie gebruikelijke wijze openbaar. Provinciale staten laten openbaarmaking achterwege voor zover het aangelegenheden betreft ten aanzien waarvan op grond van artikel 25 geheimhouding is opgelegd of ten aanzien waarvan openbaarmaking in strijd is met het openbare belang.

Provinciewet 24: In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd of besloten over:

a. de toelating van nieuw benoemde leden;

b. de vaststelling en wijziging van de begroting en de vaststelling van de jaarrekening;

c. de invoering, wijziging en afschaffing van provinciale belastingen en;

d. de benoeming en het ontslag van gedeputeerden.

Geheimhouding.

Provinciewet 25-1: Provinciale staten kunnen op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, omtrent het in een besloten vergadering behandelde en omtrent de inhoud van stukken die aan provinciale staten worden voorgelegd, geheimhouding opleggen. Geheimhouding omtrent het in een besloten vergadering behandelde wordt tijdens die vergadering opgelegd. De geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen totdat provinciale staten haar opheffen.

2: Op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, kan de geheimhouding eveneens worden opgelegd door gedeputeerde staten, de commissaris van de Koning en een commissie, ieder ten aanzien van stukken die zij aan provinciale staten of aan leden van provinciale staten overleggen. Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt.

3: De krachtens het tweede lid opgelegde verplichting tot geheimhouding met betrekking tot aan provinciale staten overgelegde stukken vervalt, indien de oplegging niet door provinciale staten in hun eerstvolgende vergadering die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt bekrachtigd.

4: De krachtens het tweede lid opgelegde verplichting tot geheimhouding met betrekking tot aan leden van provinciale staten overgelegde stukken wordt in acht genomen totdat het orgaan dat de verplichting heeft opgelegd, dan wel, indien het stuk waaromtrent geheimhouding is opgelegd aan provinciale staten is voorgelegd, totdat provinciale staten haar opheffen. Provinciale staten kunnen deze beslissing alleen nemen in een vergadering die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht.

Provinciewet 26-1: De voorzitter zorgt voor de handhaving van de orde in de vergadering en is bevoegd, wanneer die orde op enigerlei wijze door toehoorders wordt verstoord, deze en zonodig andere toehoorders te doen vertrekken.

2: Hij is bevoegd toehoorders die bij herhaling de orde in de vergadering verstoren voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering te ontzeggen.

Artikel 19. Orde

  • 1.

    Indien een lid zich beledigende of onbehoorlijke uitdrukkingen veroorlooft, afwijkt van het aan de orde zijnde onderwerp, of op andere wijze de orde verstoort, wordt hij door de voorzitter tot de orde geroepen.

  • 2.

    Indien het lid hieraan geen gehoor geeft, kan de voorzitter hem het woord ontnemen. In de vergadering, waarin dit gebeurt, mag het lid aan wie het woord is ontnomen niet meer aan de beraadslagingen over het aan de orde zijnde onderwerp deelnemen.

Provinciewet 26-3: Hij (de voorzitter) kan provinciale staten voorstellen aan een lid dat door zijn gedragingen de geregelde gang van zaken belemmert, het verdere verblijf in de vergadering te ontzeggen. Over het voorstel wordt niet beraadslaagd. Na aanneming daarvan verlaat het lid de vergadering onmiddellijk. Zo nodig doet de voorzitter hem verwijderen. Bij herhaling van zijn gedrag kan het lid bovendien voor ten hoogste drie maanden de toegang tot de vergadering worden ontzegd.

3. De voorzitter kan, zo mogelijk na overleg met het presidium, bepalen dat hetgeen heeft geleid tot maatregelen als bedoeld in het eerste of tweede lid of artikel 26, derde lid, van de Provinciewet niet in het verslag van de vergadering wordt opgenomen.

Artikel 20. Voorstellen van orde

Een voorstel van orde kan uitsluitend de werkzaamheden van de vergadering betreffen en komt alleen in behandeling wanneer een lid van provinciale staten hierom verzoekt. De beraadslaging erover heeft voorrang boven die over het onderwerp zelf.

Artikel 21. Interrupties

De voorzitter biedt de leden de gelegenheid korte interrupties te plaatsen, tenzij de normale gang van de vergadering door herhaalde interrupties dreigt te worden verstoord.

Artikel 22. Aantal spreekbeurten

  • 1

    Een lid krijgt niet meer dan twee maal de gelegenheid over eenzelfde aangelegenheid, onderdeel of artikel te spreken. Het indienen van amendementen en moties schept, behalve voor de indiener, geen nieuwe spreektermijn.

  • 2

    Van het bepaalde in het eerste lid kan de voorzitter afwijking toestaan.

  • 3

    Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:

    • a.

      het lid van gedeputeerde staten dat met de verdediging van een voorstel van dat college is belast;

    • b.

      de ondertekenaar van een voorstel, amendement of motie die met de verdediging daarvan is belast;

    • c.

      de rapporteur of woordvoerder van een door provinciale staten ingestelde commissie met betrekking tot het voorstel waarover het rapport van de commissie handelt.

Artikel 23. Spreektijd

De voorzitter kan na overleg met het fractievoorzittersconvent voor de behandeling van een of meer onderwerpen of voor de gehele vergadering de spreektijd regelen.

Artikel 24. Besluitvorming, volgorde beslissingen

  • 1

    Indien een amendement op een aanhangig voorstel is ingediend, wordt eerst beslist overdat amendement en vervolgens over het voorstel waarop het betrekking heeft in zijn geheel, zoals het dan luidt.

  • 2

    Indien twee of meer amendementen zijn ingediend, bepaalt de voorzitter de volgorde waarin daarover zal worden beslist. Daarbij geldt de regel dat over het verst strekkende het eerst wordt beslist.

Artikel 25. Te beslissen vraagpunt

Nadat de beraadslaging is gesloten of indien niemand het woord verlangt, legt de voorzitter het te nemen besluit voor. Vervolgens brengt hij een eventueel op het aanhangige voorstel ingediende motie, dan wel moties in stemming.

Artikel 26. Stemverklaring

Ieder lid heeft het recht na het sluiten van de beraadslaging en voor tot besluitvorming wordt overgegaan, een korte stemverklaring af te leggen.

Artikel 27. Besluitvorming

Over voorstellen tot benoeming, voordracht of aanbeveling van personen wordt gestemd indien de voorzitter of een van de leden dat verlangt. Pr.w. 31-1:De stemming over personen voor het doen van benoemingen, voordrachten of aanbevelingen geschiedt bij gesloten en ongetekende stembriefjes.

Inzake voorstellen tot andere beslissingen dan bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Provinciewet kan de voorzitter een meningspeiling houden. Een meningspeiling kan plaats vinden: door de mening van de fracties te vragen; bij handopsteken; op andere wijze. Op basis van de meningspeiling kan de voorzitter vaststellen dat het voorstel is aangenomen, dan wel is verworpen, tenzij één van de leden alsnog stemming verlangt. Bij de uitvoering van de meningspeiling inventariseert de voorzitter de mening per fractie, waarbij het aantal leden van een fractie dat de presentielijst heeft getekend én aanwezig is bepalend is voor het aantal stemmen van die fractie. Pr.w. 32-3: Indien over een voorstel geen stemming wordt gevraagd, is het aangenomen.

Indien de voorzitter of een der leden, al dan niet na een meningspeiling, stemming over een voorstel tot een andere beslissing dan bedoeld in artikel 31, eerste lid, van de Provinciewet verlangt, vindt die stemming plaats bij hoofdelijke oproeping en wel mondeling of electronisch. Pr.w. 32-1:De overige stemmingen geschieden bij hoofdelijke oproeping indien de voorzitter of een der leden dat verlangt. In dat geval geschieden zij mondeling.

Artikel 28. Aantekening geacht tegen te hebben gestemd

Indien een voorstel zonder stemming wordt aangenomen, kunnen ter vergadering aanwezige leden aantekening vragen dat zij geacht willen worden te hebben tegen gestemd. 

Artikel 29. Aankondiging stemming

De voorzitter kondigt een stemming duidelijk aan. Bij de stemming nemen de leden hun plaats in de vergaderzaal in.

Last

Pr.w. 27: De leden van provinciale staten stemmen zonder last.

Deelnemen aan de stemming

Pr.w. 28-1: Een lid van provinciale staten neemt niet deel aan de stemming over: a. een aangelegenheid die hem rechtstreeks of middellijk persoonlijk aangaat of waarbij hij als vertegenwoordiger is betrokken; b. de vaststelling of goedkeuring der rekening van een lichaam waaraan hij rekenplichtig is of tot welks bestuur hij behoort.

3: Een benoeming gaat iemand persoonlijk aan, wanneer hij behoort tot personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt. 4: Het eerste lid is niet van toepassing bij de beslissing betreffende de geloofsbrieven van de na periodieke verkiezing benoemde leden._

Geldigheid stemming

Pr.w. 29-1: Een stemming is alleen geldig, indien meer dan de helft van het aantal leden dat zitting heeft en zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden, daaraan heeft deelgenomen. 2: Het eerste lid is niet van toepassing. a: in geval opnieuw wordt gestemd over een voorstel of over een benoeming van een of meer personen ten aanzien van wie in een vorige vergadering een stemming op grond van dat lid niet geldig was; b: in een vergadering als bedoeld in artikel 20, tweede lid, voor zover het betreft onderwerpen die in de daaraan voorafgaande, ingevolge artikel 20, eerste lid, niet geopende vergadering aan de orde waren gesteld.

Stemquorum

Pr. W. 30- 1:Voor het tot stand komen van een besluit bij stemming wordt de volstrekte meerderheid vereist van hen die een stem hebben uitgebracht. 

Artikel 30. Stemmen over personen

Stemopnemingscommissie

Wanneer een schriftelijke stemming over personen voor het doen van een benoeming, voordracht of aanbeveling moet plaatshebben, benoemt de voorzitter vier leden tot stemopnemers. Voorafgaande aan de stemming stelt de voorzitter vast hoeveel leden in de vergaderzaal aanwezig zijn en zich niet op grond van artikel 28 van de Provinciewet van stemmen behoeven te onthouden. Deze leden zijn verplicht elk één stembriefje in te leveren. De stemopnemers onderzoeken of het aantal ingeleverde stembriefjes gelijk is aan het door de voorzitter vastgestelde aantal leden en stellen de uitslag van de stemming vast. Schriftelijke stemming

Pr.w. 28-2:Bij een schriftelijke stemming wordt onder het deelnemen aan de stemming verstaan het inleveren van een stembriefje. 

Artikel 31. Nieuwe stemming

Indien er verschil is tussen het aantal ingeleverde stembriefjes en het aantal van de leden, dat in de vergaderzaal aanwezig was en zich niet van stemmen behoefde te onthouden, en de vergadering op voorstel van de voorzitter of ten minste vier leden beslist dat dit verschil van invloed kan zijn op de uitslag van de gehouden stemming, wordt een nieuwe stemming gehouden.

Uitbrengen van een stem

Pr.w. 30-2:Bij een schriftelijke stemming wordt onder het uitbrengen van een stem verstaan het inleveren van een behoorlijk ingevuld stembriefje.

Artikel 32. Twijfel over stembriefje

Bij twijfel over het al dan niet behoorlijk ingevuld zijn van een stembriefje beslist de voorzitter na raadpleging van de vergadering. 

Artikel 33. Aantal stemmingen

Er hebben zoveel stemmingen plaats als personen te benoemen, voor te dragen of aan te bevelen zijn. De vergadering kan op voorstel van de voorzitter of ten minste vier leden besluiten dat van het vorige lid wordt afgeweken.  

Pr.w. 31-2: Indien de stemmen staken over personen tot wie de keuze door een voordracht of bij een herstemming is beperkt, wordt in dezelfde vergadering een herstemming gehouden.

Artikel 34. Herstemming en tussenstemming

Indien bij een stemming als bedoeld in artikel 33 door niemand de volstrekte meerderheid is verkregen, heeft een herstemming plaats tussen de twee personen, die bij de eerstbedoelde stemming de meeste stemmen op zich hebben verenigd. Zijn bij de eerstbedoelde stemming de meeste stemmen over meer dan twee personen verdeeld, dan wordt bij een tussenstemming uitgemaakt over welke twee personen de herstemming zal lopen. 

 Pr.w. 31-3: Staken bij deze stemming de stemmen opnieuw, dan beslist terstond het lot._

Artikel 35. Loting na stemming

Wanneer het lot moet beslissen, schrijft een van de stemopnemers de namen van hen tussen wie de beslissing moet plaatshebben op afzonderlijke, geheel gelijke, briefjes. Deze briefjes worden nadat zij door de andere stemopnemers zijn gecontroleerd, door een van hen op gelijke wijze naar binnen gevouwen, in een bus gedaan en omgeschud. Vervolgens neemt de voorzitter één van de briefjes uit de bus. Degene, wiens naam op dit briefje voorkomt, is gekozen.

Artikel 36. Vernietiging stembriefjes

De griffier zorgt ervoor dat de stembriefjes onmiddellijk na afloop van de vergadering worden vernietigd.

Stemmen over zaken

Stemplicht

Pr.w. 32-2: Bij hoofdelijke oproeping is ieder ter vergadering aanwezig lid dat zich niet van deelneming aan de stemming moet onthouden verplicht zijn stem voor of tegen uit te brengen. 

Artikel 37. Mondelinge stemming

Mondelinge stemming bij hoofdelijke oproeping vindt plaats naar de volgorde van de namen op de uit de presentielijst samengestelde stemlijst. Voor iedere stemming bepaalt de voorzitter door trekking van een nummer bij welke naam op de stemlijst het afroepen van de namen wordt begonnen. Ieder lid brengt zijn stem uit met het woord "voor"of het woord "tegen", zonder enige bijvoeging. Van de uitgebrachte stemmen houdt de griffier aantekening op de stemlijst. De uitslag van de stemming wordt aan de hand van deze lijst bepaald.  

Artikel 38. Electronische stemming

Bij electronische stemming draagt de voorzitter zorg dat tijdens of na de stemming van ieder lid dat aan de stemming heeft deelgenomen de naam wordt bekend gemaakt en of hij voor of tegen heeft gestemd. De uitgebrachte stemmen worden bewaard in een bestand dat als stemlijst fungeert.

Artikel 39. Vergissing bij uitbrengen stem

Heeft een lid zich bij het uitbrengen van zijn stem vergist, dan kan hij bij een mondelinge stemming deze vergissing herstellen zolang het op hem volgende lid zijn stem nog niet heeft uitgebracht dan wel, indien hij als laatste stemde, totdat de voorzitter de uitslag van de stemming mededeelt. Bemerkt hij zijn vergissing eerst later of maakte hij haar bij een electronische stemming, dan kan hij na afloop van de stemming aantekening vragen dat hij zich vergist heeft. In de uitslag van de stemming brengt dit geen wijziging. 

Artikel 40. Nieuwe stemming

Indien blijkt, dat een of meer stemmen niet juist op de stemlijst zijn aangegeven dan wel indien de uitslag niet juist is vastgesteld of aangekondigd alsmede bij twijfel over een en ander, kan de vergadering, op voorstel van de voorzitter of ten minste vier leden, binnen een kwartier na de stemming besluiten tot het houden van een nieuwe stemming.

Staken van stemmen

Pr.w. 32-4: Tenzij de vergadering voltallig is, wordt bij staking van stemmen het nemen van een besluit uitgesteld tot een volgende vergadering, waarin de beraadslagingen kunnen worden heropend. 5: Indien de stemmen staken in een voltallige vergadering of in een ingevolge het vierde lid opnieuw belegde vergadering, is het voorstel niet aangenomen. 6: Onder een voltallige vergadering wordt verstaan een vergadering waarin alle leden waaruit provinciale staten bestaan, voor zover zij zich niet van deelneming aan de stemming moesten onthouden, een stem hebben uitgebracht. 

Artikel 41. Tweede lezing voorstel

Veranderingen in de volgnummers en andere aanduidingen van onderdelen of artikelen of in de aanhaling van nummers van onderdelen of artikelen, nodig geworden door de bij de beraadslaging in een voorstel of ontwerpbesluit aangebrachte wijzigingen of door aangenomen amendementen, worden aangebracht door gedeputeerde staten.

Stemmen voor verkiezing leden Eerste Kamer

Artikel 42. Stemmen voor verkiezing leden Eerste Kamer

Bij de stemming voor de verkiezing van de leden van de Eerste Kamer der Staten-Generaal maken de leden van provinciale staten gebruik van de daarvoor in de vergaderzaal ingerichte plaats. Na het uitbrengen van zijn stem steekt het lid het stembiljet ter inlevering bij de voorzitter in een onder diens berusting zijnde stembus.

Indienen van voorstellen 

Pr.w. 143b-1: Een lid van provinciale staten kan een voorstel tot wijziging van een voor de vergadering geagendeerde ontwerp-verordening of ontwerp-beslissing indienen.

Artikel  43. (3) Amendementen

Ieder lid is bevoegd wijzigingen in een aan de orde zijnd ontwerpbesluit voor te stellen. Elk amendement wordt schriftelijk en ondertekend aan de voorzitter ter hand gesteld en kan door de voorsteller worden toegelicht. Een ingediend amendement wordt, tenzij de vergadering anders beslist, zo spoedig mogelijk vermenigvuldigd en aan de leden rondgedeeld.  

Artikel 44. (1) Moties

Een lid dat het woord voert kan daarbij een motie over het in behandeling zijnde onderwerp indienen. Artikel 43, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 45. Initiatiefvoorstellen

Voorstellen die buiten de agenda vallen, kunnen op ieder moment schriftelijk bij de voorzitter worden ingediend. Artikel 43, derde lid, is van overeenkomstige toepassing. Voorstellen die buiten de vergadering zijn ingediend, plaatst de voorzitter op de agenda voor de eerstvolgende vergadering. Op voorstel van de voorzitter bepaalt de vergadering wanneer de indiener zijn voorstel mondeling kan toelichten. De vergadering kan, hetzij op dezelfde, hetzij op een nader te bepalen dag, het voorstel in overweging nemen. Vragen en interpellaties

Verantwoording, inlichtingen

Pr.w. 167-1 : Gedeputeerde staten en elk van hun leden afzonderlijk zijn aan provinciale staten verantwoording schuldig voor het door hen gevoerde bestuur. 2. Zij geven provinciale staten alle inlichtingen die provinciale staten voor de uitoefening van hun taak nodig hebben. 3. Zij geven provinciale staten mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen, tenzij het verstrekken ervan in strijd is met het openbaar belang. 4. Zij geven provinciale staten vooraf inlichtingen over de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 158, eerste lid, onder e, f en h, indien provinciale staten daarom verzoeken of indien de uitoefening ingrijpende gevolgen kan hebben voor de provincie. In het laatste geval nemen gedeputeerde staten geen besluit dan nadat provinciale staten hun wensen en bedenkingen terzake ter kennis van gedeputeerde staten hebben kunnen brengen. 5. Indien de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 158, eerste lid, onder f, geen uitstel kan leiden, geven zij in afwijking van het vierde lid provinciale staten zo spoedig mogelijk inlichtingen over de uitoefening van deze bevoegdheid en het terzake genomen besluit. 

Pr.w. 151-2: Een lid van provinciale staten kan provinciale staten verlof vragen tot het houden van een interpellatie over een onderwerp dat niet staat vermeld op de agenda, bedoeld in artikel 19, tweede lid, om gedeputeerde staten of de commissaris van de Koning hierover inlichtingen te vragen. Provinciale staten stellen hierover nadere regels.

Artikel 46. Interpellaties

1. Indien een lid wil beraadslagen over een onderwerp dat niet op de agenda is aangekondigd, maar wat de provincie aangaat of aan kan gaan, dient hij daartoe een schriftelijk voorstel tot het houden van een interpellatie in bij de voorzitter, met een toelichting. Hij doet dat ten minste drie dagen voor de betreffende vergadering en geeft daarbij op welke vragen hij wil stellen. De voorzitter brengt de inhoud van het voorstel zo spoedig mogelijk ter kennis van de leden. Provinciale staten bepalen of het voorstel wordt behandeld. Voor zover provinciale staten zich met het voorstel verenigen, bepalen zij de dag waarop de gevraagde verantwoording of inlichtingen zullen worden gegeven. Gedeputeerde staten kunnen, indien dat hun gewenst voorkomt, het antwoord op de gestelde vragen reeds schriftelijk aan provinciale staten meedelen. De vragen en het eventuele schriftelijk antwoord vormen een agendapunt voor de vergadering waarin de interpellatie gehouden zal worden. Provinciale staten kunnen, indien gedeputeerde staten daarmee instemmen, besluiten tot een mondelinge afdoening terstond na de aanvaarding van het voorstel tot het houden van een interpellatie. In een eerste spreektermijn krijgt alleen de interpellant het woord. Na het antwoord van gedeputeerde staten of een lid van dat college kan de interpellant opnieuw het woord verkrijgen. Vervolgens kunnen ook andere leden in beginsel in ten hoogste twee spreektermijnen aan de beraadslaging deelnemen.  

Pr.w. 151-1: Een lid van provinciale saten kan gedeputeerde staten of de commissaris van de Koning mondeling of schriftelijk vragen stellen.

Artikel 47. Schriftelijke vragen

Ieder lid kan, ook wanneer geen vergadering wordt gehouden, aan gedeputeerde staten of aan een gedeputeerde schriftelijk vragen stellen over het door hen gevoerde bestuur. Schriftelijke vragen worden kort en duidelijk geformuleerd. Zij worden bij de voorzitter ingediend. Deze draagt er zorg voor dat de vragen, tenzij tegen de vorm of inhoud daarvan bezwaar bestaat, binnen acht dagen ter kennis van de overige leden van provinciale staten worden gebracht. Gedeputeerde staten beantwoorden de vragen binnen dertig dagen nadat zij zijn ingekomen. Indien beantwoording niet binnen deze termijn kan plaatsvinden, geven gedeputeerde staten daarvan binnen die termijn bericht aan de vragenstellers en de overige leden van provinciale staten onder mededeling binnen welke termijn het antwoord zal komen. Van het antwoord op de vragen stellen gedeputeerde staten de vragenstellers en de overige leden van provinciale staten in kennis.  

Artikel 48. Mondelinge vragen (vragenhalfuur)

  • 1

    Indien een lid over een onderwerp dat buiten de agenda valt verantwoording of inlichtingen van gedeputeerde staten verlangt, bepaalt de voorzitter het tijdstip waarop hem tijdens de vergadering de gelegenheid wordt geboden daarover mondeling vragen te stellen. Bij het stellen van vragen door een lid over meer dan een onderwerp, kan de voorzitter een of meer vragen verwijzen naar de eerstvolgende vergadering. In dat geval dient de vragensteller de rangorde voor te stellen.

  • 2

    De vragen moeten kort en duidelijk worden geformuleerd en mogen van een korte toelichting zijn voorzien. De vragen zijn urgent, in agendering van het punt is niet al voorzien en het gaat om een onderwerp dat de provincie aangaat of aan kan gaan. Dit ter beoordeling van de voorzitter na overleg met de voorzitter van het Presidium en de griffier.

  • 3

    De vragen moeten uiterlijk op de dag van statenvergadering, voor 09.00 uur, schriftelijk bij de griffier worden ingediend. Hij brengt de vragen zo spoedig mogelijk ter kennis van de leden.

  • 4

    Afhankelijk van de inhoud en het tijdstip van indiening van de vragen, geven gedeputeerde staten antwoord tijdens de eerstvolgende statenvergadering waarbij zij zo mogelijk de verlangde verantwoording of inlichtingen geven.

  • 5

    Na de beantwoording kan de vragensteller over hetzelfde onderwerp nog een of meer korte nadere vragen stellen en deze op beknopte wijze toelichten en kan beraadslaging over de gestelde vragen plaats vinden.

  • 6

    De behandeling van de vragen neemt ten hoogste een half uur in beslag, tenzij de vergadering op voorstel van de voorzitter na overleg met de voorzitter van het presidium en de griffier anders beslist.

  • 7

    Tijdens het mondelingen vragenuur kunnen geen moties worden ingediend. 

Artikel 49. Informatieplicht statenleden

leder lid kan vragen stellen aan door of op voordracht of aanbeveling van provinciale staten uit hun midden benoemde leden van organen van privaat- en publiekrechtelijke lichamen over aangelegenheden die tot het werkterrein van die lichamen behoren. Deze vragen worden schriftelijk bij de voorzitter ingediend met vermelding van de naam en kwaliteit van degene tot wie de vragen zijn gericht. De voorzitter draagt er zorg voor dat de vragen, tenzij tegen de vorm of inhoud daarvan bezwaar bestaat, binnen acht dagen ter kennis van de overige leden van provinciale staten worden gebracht, De voorzitter stelt degene tot wie de vragen zijn gericht in de gelegenheid daarop schriftelijk te antwoorden binnen vier weken nadat zij zijn ingekomen. Indien beantwoording niet binnen deze termijn kan plaatsvinden, geeft degene tot wie de vragen zijn gericht daarvan binnen die termijn bericht aan de vragenstellers en de overige leden van provinciale staten, met mededeling binnen welke termijn het antwoord zal komen. Van het antwoord op de vragen stelt de voorzitter de vragenstellers en de overige leden van provinciale staten in kennis. Indien het lid dat vragen wil stellen mondelinge beantwoording mogelijk of wenselijk vindt, is artikel 48 van overeenkomstige toepassing. De griffier stelt degene tot wie de vragen zijn gericht daarvan terstond na de indiening overeenkomstig het derde lid van dat artikel in kennis.  

Artikel 50. Verslag

Van het verhandelde in een vergadering wordt door de zorg van de griffier een verslag opgemaakt. Het verslag bevat: a. de namen van de voorzitter, de griffier en de ter vergadering aanwezige leden alsmede de namen van de leden die al dan niet met kennisgeving afwezig waren; b. de vermelding van ingekomen stukken, mededelingen, voorstellen en hetgeen door de vergadering is besloten, onder vermelding van de namen van de fracties of leden die aantekening hebben verzocht dat zij geacht wensen te worden tegen het voorstel te hebben gestemd; c. de uitkomst van de stemmingen en, wat stemmingen bij hoofdelijke oproeping betreft, de namen van hen die voor en die tegen stemden; d. een zo getrouw mogelijke weergave van wat in de vergadering is gezegd; met toestem-ming van de voorzitter worden aan deze weergave toegevoegd de gegevens welke door een lid als toelichting bij het door hem gesprokene zijn gebruikt. Het verslag wordt zo spoedig mogelijk aan de leden toegezonden en daarna ter vaststelling aan provinciale staten voorgelegd.  

Pr.w. 23-4: Van een vergadering met gesloten deuren wordt een afzonderlijk verslag opgemaakt, dat niet openbaar wordt gemaakt, tenzij provinciale staten anders beslissen.

Artikel 51. Verslag besloten vergadering

Van een besloten vergadering wordt een afzonderlijk verslag opgesteld. Het wordt in een volgende besloten vergadering aan provinciale staten ter vaststelling voorgelegd. Het verslag van die vergadering wordt zo mogelijk tijdens de vergadering vastgesteld. 

Artikel 52. Uitleg en afwijking hoofdstuk 4

Bij twijfel over de uitleg van dit hoofdstuk en in de gevallen waarin de wet of dit reglement niet voorziet, beslist de voorzitter na overleg met de staten.

Commissies

Toepasbaarheid

Artikel 53. Commissies

Dit hoofdstuk is van toepassing op de statencommissies, bedoeld in artikel 80 van de Provinciewet. Dit hoofdstuk is van overeenkomstige toepassing op de andere door provinciale staten uit hun midden ingestelde commissies, voor zover in hun instellingsbesluiten niet anders is bepaald.  

Artikel 54. (3) Samenstelling

De commissie bestaat uit een door provinciale staten te bepalen aantal leden. De fracties zijn evenwichtig onder de leden vertegenwoordigd. Voor ieder lid kan een plaatsvervangend lid worden benoemd. Een plaatsvervanger treedt slechts als lid op bij afwezigheid van het lid dat hij vervangt. Tenzij provinciale staten de benoeming aan zich houden, geschiedt de benoeming van de leden en de plaatsvervangende leden door de voorzitter van provinciale staten. Iedere fractie kan in maximaal twee commissies één lid laten benoemen, die bij de vorige statenverkiezingen wel verkiesbaar was maar niet in provinciale staten is gekozen. Voor het overige bestaan commissies uit statenleden. Alvorens zijn functie te kunnen uitoefenen, legt een commissielid die geen statenlid is in de vergadering van provinciale staten, in handen van de voorzitter, een eed (verklaring en belofte) af zoals weergegeven in artikel 14 van de Provinciewet, met dien verstande dat: In de eerste zin ⿿provinciale staten⿝ wordt vervangen door de aanduiding ⿿commissie⿝; In de tweede zin ⿿dit ambt⿝ wordt vervangen door: deze functie; In de derde zin ⿿lid van het provinciaal bestuur⿝ vervangen wordt door: adviseur van het provinciebestuur. Indien een commissielid en zijn plaatsvervangend commissielid beide verhinderd zijn voor een commissievergadering, kan het commissielid zich laten vervangen door een willekeurig lid van provinciale staten van dezelfde fractie, of door iemand die geen lid is van provinciale staten, maar wel namens dezelfde fractie lid, dan wel plaatsvervangend lid is van een andere commissie. Zittingsduur; einde lidmaatschap

Artikel 55. Zittingsduur; einde lidmaatschap

De zittingsduur van de leden van de commissie is gelijk aan die van de leden van provinciale staten en loopt daarmee parallel. Het lidmaatschap en het plaatsvervangend lidmaatschap houden op tegelijk met het einde van het lidmaatschap van het betrokken lid van provinciale staten. Het lidmaatschap dan wel het plaatsvervangend lidmaatschap eindigt voorts door ontslagneming of door het verlenen van tussentijds ontslag door de voorzitter van provinciale staten in overeenstemming met het lid. Is de overeenstemming niet mogelijk, dan wordt het ontslag verleend door provinciale staten.  

Artikel 56. Taak

Het werkterrein van de commissie wordt bepaald bij haar instelling. De commissie bereidt de besluitvorming van provinciale staten voor inzake de voorstellen, bedoeld in artikel 9, tweede lid. De commissie kan een gedeputeerde of de commissaris van de Koningin uitnodigen voor overleg. De commissie dient provinciale staten uit eigen beweging of op verzoek van advies bij de voorbereiding van besluitvorming op haar werkterrein.  

Pr.w. 80-4: Een lid van provincale staten is voorzitter van een statencommissie.

Artikel 57. (2) Voorzitter

Provinciale staten benoemen de voorzitter van de commissie - aan de hand van het door hen opgestelde profiel - uit de leden van provinciale staten. Eens in de twee jaar wordt het functioneren van de voorzitters geëvalueerd. Indien de nieuwe voorzitter lid is van de betreffende commissie eindigt zijn lidmaatschap van deze commissie op het moment dat hij tot voorzitter wordt gekozen. Op dezelfde manier wordt een plaatsvervangend voorzitter benoemd. De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter behoren tot verschillende fracties. Artikel 64, vierde lid, is op de plaatsvervangend voorzitter slechts van toepassing als hij het voorzitterschap uitoefent. Het voorzitterschap houdt op tegelijk met het einde van het lidmaatschap van provinciale staten. Het voorzitterschap eindigt voorts door ontslagneming en door het verlenen van tussentijds ontslag door provinciale staten, in overeenstemming met het presidium.  

Artikel 58. Taak voorzitter

2. De voorzitter leidt de commissievergadering en zorgt voor de handhaving van de orde tijdens de vergadering. Hij verleent het woord, omschrijft de door de vergadering te nemen beslissingen en formuleert de adviezen van de commissie. Hij is bevoegd de personen die de orde verstoren te doen verwijderen. Hij zorgt voor opstelling van de termijnagenda. 

Artikel 59. Secretariaat

De griffier regelt het secretariaat van de commissie.

Vergaderingen en advies 

Artikel 60. Tijd van vergaderen, oproep

De commissie vergadert op de tijdstippen vermeld in een vergaderschema dat wordt vastgesteld door het presidium, na overleg met de griffier. Het presidium stelt, na overleg met de voorzitter en de griffier de agenda voor de vergadering vast. De voorzitter kan in bijzondere gevallen met opgaaf van redenen een vergadering laten vervallen. Hij bericht dat aan de leden in beginsel ten minste zeven dagen voor de dag waarop de vergadering zou worden gehouden. Indien de voorzitter het nodig oordeelt of wanneer er door gedeputeerde staten of ten minste drie leden van verschillende fracties schriftelijk met opgaaf van redenen om is gevraagd, vergadert de commissie in afwijking van het vergaderschema. Met inachtneming van het gestelde in dit reglement, bepaalt de voorzitter na overleg met het betrokken lid of de betrokken leden van gedeputeerde staten, de griffier en zo mogelijk de leden van de commissie dag en uur van de vergadering. De voorzitter, of namens hem de griffier, roept de leden schriftelijk tot de vergadering op onder gelijktijdige aanbieding van de vergaderstukken. De oproeping tot een vergadering geschiedt tenminste tien dagen voor de dag waarop ze gehouden wordt. Uitsluitend vergaderstukken met een spoedeisend karakter kunnen later aan de commissie toegezonden worden. Pr.w. 80-5 jo. 19-2:Tegelijkertijd met de oproeping brengt de voorzittervan een statencommissie dag, tijdstip en plaats van de vergadering ter openbare kennis. De agenda en de daarbij behorende voorstellen met uitzondering van de stukken (waaromtrent geheimhouding is opgelegd) worden tegelijkertijd met de oproeping en op een bij de openbare kennisgeving aan te geven wijze ter inzage gelegd. 

Artikel 61. Quorum

De commissie neemt geen beslissingen indien niet ten minste de helft van het aantal zitting hebbende leden aanwezig is. Ingeval een half uur na de opening van de vergadering het volgens het eerste lid vereiste aanwezige aantal leden nog niet aanwezig is, bepaalt de voorzitter in overeenstemming met de leden en leden van gedeputeerde staten of de vergadering wordt gesloten dan wel of de beraadslagingen worden voortgezet. Ingeval de vergadering wordt gesloten, bepaalt de voorzitter dag en uur waarop een nieuwe vergadering zal worden gehouden. Tussen deze nieuwe vergadering en de eerste vergadering ligt een periode van ten minste twee maal vierentwintig uur. Indien krachtens het tweede lid een nieuwe vergadering is belegd, is in die vergadering de aanwezigheid van een derde deel van het aantal zitting hebbende leden voldoende om te besluiten over de onderwerpen die voor de eerste vergadering aan de orde waren gesteld.  

_ Pr. w. 80-5 jo. 23-1:De vergadering van (de commissie) wordt in het openbaar gehouden. 2. De deuren worden gesloten wanneer ten minste een tiende van het aantal leden dat de presentielijst heeft getekend daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt._

Artikel 62. Openbaarheid

Vervallen

Artikel 63. Geheimhouding

Vervallen

Artikel 64. Deelnemen aan beraadslagingen

Ingeval een andere commissie is uitgenodigd om bij de behandeling van een agendapunt in de commissie aanwezig te zijn, kunnen de leden of plaatsvervangende leden van die commissie eveneens aan de beraadslagingen deelnemen. De voorzitter van de commissie neemt niet deel aan de beraadslagingen of de besluitvorming.  

Artikel 65. Spreektijden Commissies

De voorzitter kan na mededeling aan de leden voorafgaand aan de vergadering voor de behandeling van een of meer onderwerpen of voor de gehele vergadering spreektijd regelen. 

Artikel  66. Meespreken toehoorders

De voorzitter stelt toehoorders bij een openbare vergadering van de commissie op hun verzoek in de gelegenheid het woord te voeren tijdens de vergadering. Het hiervoor bedoelde verzoek dient uiterlijk op de werkdag voorafgaande aan de vergadering bij de griffier te worden ingediend, onder vermelding van het punt of de punten waarover men het woord wil voeren. Verzoeken met betrekking tot punten die niet op de agenda staan, maar wel op het terrein van de commissie liggen, worden ten minste een week voor de vergadering ingediend bij de griffier. Het betreffende punt wordt dan aan de agenda toegevoegd. De voorzitter kan, als hij dat vanuit het oogpunt van een adequate voorbereiding dienstig acht, besluiten het punt niet in de eerstvolgende vergadering aan de orde te stellen (1). Hiervan is sprake als in de agendering van het betreffende punt reeds voor een volgende vergadering is voorzien. Bij de behandeling van ieder agendapunt met uitzondering van de rondvraag, stelt de voorzitter degene die het daartoe strekkend verzoek heeft ingediend in de gelegenheid het woord te voeren over het aan de orde zijnde agendapunt. Voor een toehoorder die in de gelegenheid wordt gesteld het woord te voeren geldt een spreektijd van ten hoogste vijf minuten per punt. De totale spreektijd per punt is ten hoogste vijftien minuten. Hiervan kan worden afgeweken indien er behalve van inspreken ook sprake is van horen.  

Artikel 67. Horen belanghebbenden

Voor zover niet op andere wijze in de door de commissie nodig geachte inspraak en informatie is voorzien, is de commissie met betrekking tot onderwerpen waaromtrent provinciale staten nog een standpunt moeten bepalen, bevoegd hen die de commissie als belanghebbenden beschouwt, te horen.

Raadplegen deskundigen

Artikel 68. Raadplegen deskundigen

De commissie is bevoegd deskundigen, ook buiten het provinciaal personeel, in haar vergaderingen over een bepaalde zaak te raadplegen. Indien dit kosten met zich meebrengt, geschiedt deze raadpleging niet dan na machtiging van provinciale staten.  

Artikel 69. (1) Advies commissie

Indien de voorzitter vaststelt dat een voorstel voldoende is besproken sluit hij de beraadslaging, tenzij de statencommissie anders beslist. Nadat de beraadslaging is gesloten vat de voorzitter het advies van de commissie samen. Het advies kan inhouden dat het voorstel als “sterstuk” (= behandeling zonder inhoudelijke bespreking, behoudens de mogelijkheid tot het afleggen van een� stemverklaring) voor de eerstvolgende statenvergadering wordt geagendeerd. Het advies kan ook inhouden dat een voorstel van Gedeputeerde Staten niet wordt doorgeleid naar Provinciale Staten, maar voorzien van het standpunt van de commissie wederom in handen wordt gesteld van Gedeputeerde Staten. In het advies worden naast het standpunt van de commissie, eventuele onbeantwoord gebleven vragen, alsmede een conclusie opgenomen. De commissie kan besluiten daarvoor in aanmerking komende voorstellen schriftelijk te behandelen.  

Artikel 70. Verslag

Van de vergaderingen van de commissie wordt een beknopt verslag gemaakt. Het conceptverslag wordt binnen vijf werkdagen aan de commissieleden verzonden. Indien er binnen tien dagen geen wijzigingsvoorstellen worden ingediend door de leden of plaatsvervangende leden, wordt het verslag geacht te zijn vastgesteld. Zijn er op het conceptverslag wel wijzigingsvoor-stellen ingediend, dan vindt de vaststelling van het verslag plaats tijdens de eerstvolgende commissievergadering. 

Artikel 71. Uitleg hoofdstuk 5

Bij twijfel over de uitleg van dit hoofdstuk en in de gevallen waarin de wet of dit hoofdstuk niet voorziet, beslist de voorzitter na overleg met de leden van de commissie

Slotbepalingen 

Artikel 71a Protocol Geheimhouding

 Het Protocol Geheimhouding GS en PS Provincie Utrecht dat als bijlage bij dit reglement is gevoegd, wordt gevolgd bij het opleggen, bekrachtigen en opheffen van geheimhoudingen en het houden van besloten vergaderingen

Artikel 72. Afwijking reglement

Provinciale staten kunnen te allen tijde besluiten van de bepalingen van dit reglement af te wijken, indien geen der leden zich daartegen verzet en indien de afwijking niet in strijd is met de Provinciewet of een andere wet 

Artikel 73. Intrekking vorige tekst

Het Reglement van orde provincie Utrecht 1998 wordt ingetrokken.

Inwerkingtreding

Artikel 74. Inwerkingtreding

Dit reglement treedt in werking met ingang van 21 maart 2003.

Artikel 75. citeertitel

Dit reglement wordt aangehaald als: Reglement van orde provincie Utrecht 2003.

Voorzitter, B. Staal Griffier, .L.F. van Herwijnen 

Toelichting

Onder verwijzing naar hetgeen is vermeld in de inleiding, kan deze toelichting beperkt zijn. Het betreft immers de technische uitwerking in de vorm van wijziging van het Reglement van Orde, waartoe u op 27 juni jl. besloot in het kader van de evaluatie van het dualisme.

De voorgestelde wijzigingen betreffen concreet : - de opstelling van een profiel, mede inhoudende de bevoegdheden van de plaatsvervangend voorzitter - de herformulering van de samenstelling en taak van het fractievoorzittersconvent en het presidium - de toets van de voorzitters van de commissies bij hun benoeming aan een profiel en de evaluatie van hun functioneren eens in de twee jaar.

Tenslotte zij verwezen naar de bijlagen I en II waarin de overige items die in het kader van de evaluatie van het dualisme aan de orde zijn gesteld zijn weergegeven. Per item is een voorstel van afdoening geformuleerd.

Resumerend betreft het onderhavige voorstel derhalve:

1. instemming met het per onderdeel als voorstel geformuleerde in de bijlagen I en II.

2. instemming met de voorgestelde wijzigingen van het Reglement van Orde voor uw Staten.

Het presidium en het fractievoorzittersconvent hebben ingestemd met dit voorstel.

Toelichting (wijzigingsbesluit van 29 mei 2007).

Zoals gebruikelijk wordt bij aanvang van een nieuwe statenperiode het geldende Reglement van Orde voor de staten- en commissievergaderingen bezien op de wenselijkheid tot het aanbrengen van wijzigingen.

De fractievoorzitters zijn uitgenodigd wijzigingsvoorstellen in te dienen.

Het fractievoorzittersconvent heeft op 23 april 2007 besloten de volgende wijzigingen voor te stellen:

- het vastleggen van het bestaande gebruik moties en amendementen te ondertekenen;

- het aantal commissieleden, niet zijnde statenleden per fractie vast te stellen op twee;

- het schrappen van de mogelijkheid dat commissieleden (niet statenleden) het statenlid, dan wel het andere commissielid kunnen vervangen in een commissie bij verhindering. Vervanging dient plaats te vinden door een statenlid.

Artikelsgewijze toelichting.

Artikel 1.

Deze wijziging van artikel 43, tweede lid betreft het vastleggen van de bestaande praktijk amendementen te ondertekenen. Eenzelfde regeling voor moties is niet nodig daar het betreffende artikel over moties verwijst naar het artikel betreffende de indiening van amendementen.

Artikel 2.

De wijziging van artikel 54, tweede lid betreft de maximering van het aantal commissieleden (niet zijnde statenleden).

Toelichting (wijzigingsbesluit 24 september 2007).

Artikelsgewijze toelichting.

Artikel I. In het fractievoorzittersconvent en presidium is gediscussieerd over de wijze van meningspeiling in uw vergadering, als bedoeld in artikel 27, lid 2 van het Reglement van Orde. Het betreft in essentie de situatie, waarbij de voorzitter kan vaststellen of een aanhangig voorstel in uw Staten al dan niet kan rekenen op een meerderheid en daarmee is aangenomen. Voor deze meningspeiling is uitgangspunt het aantal leden van een fractie dat de presentielijst heeft getekend én aanwezig is in de vergadering.

Artikel IIDit artikel regelt de inwerkingtreding.

Toelichting (wijzigingsbesluit van 20 oktober 2008)

Artikelsgewijze toelichting

Onderdeel A betreft de verankering van de termijnagenda’s voor de commissies en statenvergaderingen.De heersende praktijk is dat deze termijnagenda’s per vergadering worden afgestemdtussen commissievoorzitter en GS. Om de procedurele rol van het presidium te waarborgenwordt de bepaling van de agenda van de statencommissies niet langer gedelegeerd aande voorzitters van de statencommissies, maar komt deze taak weer bij het presidium te liggen.Om die reden wordt voorgesteld de delegatie-bepaling te schrappen. De termijnagenda wordttevens benut voor de voortgangscontrole van de afdoening van toezeggingen en moties.Onderdeel B introduceert het inspreekrecht voor toehoorders bij een openbare statenvergaderingvoor onderwerpen die rechtstreeks zijn geagendeerd voor de statenvergadering.Anders dan bij voorafgaande commissiebehandeling kan op grond van de bestaande redactiegeen gebruik van het inspreekrecht worden gemaakt. De te volgen procedure door de toehoorderis afgeleid van de procedure die wordt gehanteerd bij het inspreekrecht tijdenscommissievergaderingen.Onderdeel C voorziet in de lacune van het Reglement van orde dat bij de besluitvorming alsvolgorde wordt gehanteerd om eerst (sub-)amendementen in stemming te brengen, vervolgenshet voorliggend ontwerp-besluit en tenslotte de ingediende motie(s).Onderdeel D neemt de belemmerende bepalingen voor het indienen van vragen voor hetvragenhalfuur weg. Nieuwe ontwikkelingen en vragen over voortdurend geagendeerde onderwerpenkunnen immers reden geven tot het stellen van vragen, ook al zijn over dat onderwerpreeds eerder vragen gesteld en is in behandeling van het onderwerp in de commissie voorzien.Ook wordt voorzien in de lacune, dat vragen, die voorafgaand aan de statenvergaderingworden ingediend ten behoeve van het vragenhalfuur direct ter kennis worden gebracht van deleden van Provinciale Staten.Onderdeel E biedt de voorzitter van een commissie de mogelijkheid het inspreekrecht overeen onderwerp dat niet is geagendeerd aan te houden in de situatie dat in agendering van hetbetreffende punt waarvoor de inspraak is aangevraagd is voorzien in een volgende vergadering.Onderdeel F actualiseert de wijze van advisering door een statencommissie. In het voorgesteldeartikel wordt bijvoorbeeld opgenomen het fenomeen van sterstukken en de mogelijkheidvan terugverwijzing van een voorstel naar Gedeputeerde Staten voorzien van eenstandpunt van de commissie. Ook worden in het voorgestelde artikel de eisen geformuleerdwaaraan een advies dient te voldoen.  

1) Wijziging van 24 mei 2004, inwerkintreding 25 mei 2004. 2) Wijziging van 7 november 2005, inwerkingtreding 7 november 2005. 3) Wijziging van 29 mei 2007, inwerkingtreding 5 juli 2007.

Bijlagen

PROTOCOL GEHEIMHOUDING GS en PS Provincie Utrecht Vaststellingsdatum in PS 8 december 2014

Preambule

Het protocol geheimhouding Gedeputeerde Staten (GS) en Provinciale Staten (PS) van provincie Utrecht bevat de regels over hoe in de praktijk moet worden omgegaan met het opleggen, bekrachtigen en opheffen van geheimhouding op stukken. Daarnaast bevat het ook regels over hoe in de praktijk moet worden omgegaan met beslotenheid van vergaderingen, de verslagen daarvan en de genomen besluiten. De uitwerking van beide onderwerpen in dit protocol geldt zowel ten aanzien van GS als PS, die allebei een eigen Reglement van Orde kennen.

Aanleiding voor dit protocol vormde het onderzoek van de Randstedelijke Rekenkamer ’Openbaar tenzij’, juni 2014. PS van Utrecht hebben bij besluit van 7 juli 2014 de aanbevelingen uit het Rekenkameronderzoek overgenomen en besloten tot het laten maken van dit protocol. Dit protocol vervangt het ‘Protocol besloten vergaderingen, geheimhouding en vertrouwelijkheid’ uit 2011.

Belangrijkste uitgangspunt bij dit protocol is het beginsel “openbaar, tenzij”. Uiteraard volgt dit protocol datgene wat is vastgelegd over geheimhouding en beslotenheid in de relevante regelgeving: de Wet openbaarheid van bestuur (Wob), de Provinciewet (Pw) en de Reglementen van Orde van GS en PS van provincie Utrecht nauwgezet. Waar dit aan de orde is, wordt naar deze regelgeving verwezen.

Hoofdstuk 1: Algemene uitgangspunten

1. Hoofdregel: vergaderingen en stukken van de Provincie zijn openbaar, tenzij regelgeving anders bepaalt (basis artikel 110 Grondwet). Geheimhouding vormt hierop een uitzondering en kan alleen worden opgelegd als daar een wettelijke grondslag voor is.

2. GS hebben een informatieplicht waaruit volgt dat statenleden een informatierecht hebben (artikel 167 Pw). De verstrekte informatie is in beginsel openbaar, tenzij sprake is van toepasselijkheid van één of meer uitzonderingsgronden die in artikel 10 van de Wob zijn opgenomen (zie bijlage wetsartikelen voor tekst artikel 10 Wob).

3. Geheimhouding geldt voor iedereen die kennis neemt van informatie waarop geheimhouding rust. (artikelen 25, 55 en 91 Pw). Schending van de geheimhouding is strafbaar (artikel 272 Wetboek van Strafrecht).

Hoofdstuk 2: Opleggen, bekrachtigen en opheffen van geheimhouding

2A. Opleggen, bekrachtigen en opheffen van geheimhouding op stukken door GS of cvdK

4. GS of de commissaris van de Koning (cvdK) hebben de bevoegdheid om geheimhouding op stukken te leggen (artikelen 25, 55 en 91 Pw). Geheimhouding kan alleen worden opgelegd als er sprake is van een belang zoals genoemd in artikel 10 van de Wob. Dit besluit moet goed worden onderbouwd.

5. Als stukken geheim dienen te blijven om redenen als bedoeld in artikel 10 van de Wob en het gaat om stukken die aan PS worden overgelegd, dan is de grondslag voor het opleggen van geheimhouding artikel 25 Pw. GS of de cvdK sturen deze geheime informatie dus altijd op grond van artikel 25, tweede lid, Pw naar PS. Het gaat in dat geval om geheimhouding die door PS bekrachtigd moet worden.

6. Ook aan een individueel Statenlid of individuele Statenleden kan op basis van artikel 25 Pw een geheimhoudingsplicht worden opgelegd door GS of PS ten aanzien van stukken die aan hem worden overgelegd. Zie hiervoor verder punt 14 en 15 van dit protocol.

7. GS of de cvdK bieden het stuk aan PS aan onder duidelijke vermelding van geheimhouding op het stuk en met de reden en de duur van de geheimhouding. De onderbouwing van de reden van geheimhouding in het besluit tot het opleggen van geheimhouding moet in ieder geval bestaan uit een verwijzing naar het desbetreffende artikel uit de Provinciewet, een verwijzing naar een belang zoals genoemd in artikel 10 van de Wob en een toelichting hierop.

8. Stukken waarop geheimhouding wordt opgelegd, worden ofwel per post naar de huisadressen van PS gestuurd of op de griffie ter inzage gelegd. Bij postzending en ter inzage legging wordt een dubbele envelop gebruikt. Op de binnenste envelop met het betreffende stuk staat “GEHEIM”. In de buitenste envelop is aangegeven wat het onderwerp van het betreffende stuk is. Op elke pagina van het stuk staat de aanduiding “GEHEIM”.

9. Het feit van toezending van de informatie onder geheimhouding valt onder het wettelijke regime van de geheimhouding. Statenleden kunnen zich niet onttrekken aan de geheimhouding door het niet openen van de gesloten binnenenveloppe.

10. GS kunnen ook geheimhouding opleggen op stukken die tot de eigen invloedsfeer behoren. De grondslag voor deze geheimhouding vormt artikel 55 Pw. Zie hiervoor punt 29 van dit protocol.

Variant A: Stuk aangeboden aan PS als geheel

11. Als GS of de cvdK een geheim stuk doorsturen naar PS als geheel, dan moeten PS in de eerstvolgende vergadering na ontvangst van het stuk, een besluit nemen over het al dan niet bekrachtigen van de geheimhouding. Als PS geen besluit nemen of als PS besluiten om de geheimhouding niet te bekrachtigen, vervalt de geheimhouding. Als PS besluiten om de geheimhouding wel te bekrachtigen, blijven de stukken geheim, zolang PS de geheimhouding niet opheft.

12. Als door handelen van PS de geheimhouding vervalt, wordt de informatie niet automatisch openbaar in de zin van de Wob. Dit kan zich voordoen als het gaat om informatie bedoeld in artikel 10, eerste lid, Wob (bijv. bedrijfs- of fabricagegegevens). Deze informatie valt onder de bescherming van de genoemde voorschriften van de Algemene wet bestuursrecht en het Wetboek van Strafrecht.

13. Als PS de geheimhouding bekrachtigen, dan mogen alleen PS de geheimhouding opheffen.

Variant B: Stuk aangeboden aan een statencommissie of individuele leden van PS

14. Als GS of de cvdK het geheime stuk niet naar PS als geheel sturen, maar direct naar de statencommissie of naar één of meer leden van PS op basis van artikel 91, tweede lid Pw, dan hoeft de geheimhouding niet door PS te worden bekrachtigd in de eerstvolgende vergadering.

15. Als de geheimhouding door GS of cvdK is opgelegd en het stuk niet naar PS als geheel is gestuurd, dan zijn GS of de cvdK degenen die de geheimhouding op mogen heffen.

2B. Opleggen, bekrachtigen en opheffen geheimhouding stukken door PS, statencommissie of voorzitter statencommissie

16. PS, statencommissies of statencommissievoorzitters hebben eveneens de bevoegdheid om geheimhouding op stukken te leggen (artikelen 25 en 91 Pw). Geheimhouding kan alleen worden opgelegd als er sprake is van een belang zoals genoemd in artikel 10 van de Wob. Dit besluit moet worden onderbouwd conform punt 7 van dit Protocol. Geheimhouding kan ook opgelegd worden op verzoek van een ander bestuursorgaan.

17. Als de statencommissie of statencommissievoorzitter geheimhouding heeft opgelegd, dan wordt deze in acht genomen totdat het orgaan dat de verplichting heeft opgelegd, dan wel PS haar opheffen. Als de commissie zich ter zake van het behandelde waarvoor een verplichting tot geheimhouding geldt tot PS heeft gericht, wordt de geheimhouding in acht genomen totdat PS haar opheffen (artikel 91, tweede en derde lid Pw).

18. Als PS zelf geheimhouding op een stuk opleggen, is bekrachtiging van de geheimhouding door PS niet aan de orde. PS mogen als enigen de geheimhouding op termijn weer opheffen.

2C. Registratie van opleggen, bekrachtigen en opheffen van geheimhouding door PS en GS

19. GS laten alle stukken waarop zij geheimhouding opleggen registreren door de provinciesecretaris.

20. PS laten alle aan hen, in welke samenstelling dan ook, overlegde stukken waarop geheimhouding is opgelegd registreren door de griffier.

21. Beide bedoelde registraties worden in één register door de provinciesecretaris bijgehouden.

22. Bij de registratie door provinciesecretaris of griffier wordt aangegeven, voor zover mogelijk, wanneer de geheimhouding wordt opgeheven. Ieder half jaar wordt het register door provinciesecretaris en griffier geactualiseerd wat betreft de data voor opheffing van de geheimhouding. Indien nodig bereiden zij een opheffingsbesluit voor.

Hoofdstuk 3: Beslotenheid van vergaderingen en geheimhouding van het behandelde, genomen besluiten en verslagen

3A. Besloten vergaderingen van PS en statencommissies

23. PS en statencommissies vergaderen in principe in het openbaar. In een openbare vergadering kan op verzoek van 1/10e van de aanwezige leden van PS of van een statencommissie, of op verzoek van de voorzitter van PS of van een statencommissie, besloten worden om de deuren te sluiten. Na het sluiten van de deuren beslissen PS of de statencommissie over het houden van een besloten vergadering conform artikelen 23 en 80 Pw.

24. Als PS of een statencommissie besluiten om in beslotenheid te vergaderen, dan moet een apart verslag van dit deel van de vergadering worden opgesteld. Inhoudelijke bespreking geschiedt in beslotenheid, dat wil zeggen dat alleen degenen aanwezig zijn die functioneel betrokken zijn.

25. Als PS of een statencommissie achter gesloten deuren vergaderen dan wordt tijdens de vergadering een besluit genomen of er op het behandelde, de genomen besluiten en het verslag geheimhouding wordt opgelegd.

26. Als geheimhouding wordt opgelegd, zijn het behandelde, de genomen besluiten en het verslag geheim. Deze geheimhouding moet worden bekrachtigd en opgeheven conform de daarvoor geldende regels. De geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen totdat het bevoegde orgaan de geheimhouding opheft.

27. Als geen geheimhouding wordt opgelegd dat zijn de besluiten en het behandelde openbaar. Het verslag is niet-openbaar. Het wordt openbaar zodra daar een besluit over genomen is door PS of de Statencommissie conform art. 23, vierde lid of art. 80 vijfde lid Pw.

3B. Besloten vergaderingen van GS en opleggen en opheffen van geheimhouding in GS

28. GS vergaderen, conform artikel 54, eerste lid Pw, met gesloten deuren, voor zover GS niet anders heeft bepaald. In artikel 55 Pw is de geheimhoudingsregeling opgenomen voor hetgeen in de besloten vergadering van GS is behandeld en de inhoud van stukken die aan het college zijn voorgelegd. De daarvoor in aanmerking komende besluiten uit de GS-vergadering worden opgenomen in een openbaar GS-verslag, voor zover het College niet anders heeft bepaald. De beraadslagingen van GS over stukken die aan het GS zijn voorgelegd en over de standaardagendapunten, zoals de rondvraag, worden opgenomen in een niet-openbaar GS-verslag, vanwege het besloten karakter van de vergadering. Het niet-openbare GS-verslag bevat geen besluiten.

29. GS kunnen, op grond van artikel 55 Pw, geheimhouding opleggen op grond van een belang, genoemd in artikel 10 Wob over een kwestie die in hun vergadering wordt behandeld en omtrent de inhoud van stukken die aan hen worden overlegd. Deze geheimhouding geldt dan ook voor het GS-advies en/of nader benoemde bijlagen bij het GS-advies over deze kwestie. De geheimhouding moet opgenomen zijn in de beslispunten in het GS-advies, waarbij ook en onderbouwing hiervoor (reden en duur) is opgenomen. Het GS-advies en/of de nader benoemde bijlagen bij het GS-advies moet(en) op elke pagina voorzien zijn van de aanduiding ‘GEHEIM”.

30. Als het opleggen van geheimhouding, zoals bedoeld in punt 29 van dit protocol, informatie betreft die met PS gedeeld wordt in het kader van de informatieplicht dan wel in het kader van besluitvorming, dan leggen GS of de cvdK geheimhouding op grond van het artikel 25, tweede lid,van de Provinciewet. Ook dan geldt de regeling zoals onder punt 29 is beschreven.

31. Als geheimhouding wordt opgelegd, zijn het behandelde, de genomen besluiten en het verslag geheim. Hiertoe wordt een apart GS-verslag gemaakt welke op elke pagina voorzien wordt van de aanduiding “GEHEIM”.

32. ‘Op grond van een belang, genoemd in artikel 10 Wob, kan de geheimhouding eveneens worden opgelegd door de cvdK of een commissie, ten aanzien van stukken die zij aan het GS overleggen. Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt, conform artikel 25, tweede lid Pw en geldt verder de regeling zoals onder punt 29 van dit protocol is beschreven.

Bijlage 1: Relevante wetsartikelen geheimhouding

Artikel 3:46 Algemene wet bestuursrecht Een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

Artikel 3:47 Algemene wet bestuursrecht 1. De motivering wordt vermeld bij de bekendmaking van het besluit. 2. Daarbij wordt zo mogelijk vermeld krachtens welk wettelijk voorschrift het besluit wordt genomen. 3. Indien de motivering in verband met de vereiste spoed niet aanstonds bij de bekendmaking van het besluit kan worden vermeld, verstrekt het bestuursorgaan deze binnen een week na de bekendmaking. 4. In dat geval zijn de artikelen 3:41 tot en met 3:43 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 110 Grondwet De overheid betracht bij de uitvoering van haar taak openbaarheid volgens regels bij de wet te stellen.

Artikel 23 van de Provinciewet 1. De vergadering van provinciale staten wordt in het openbaar gehouden. 2. De deuren worden gesloten, wanneer ten minste een tiende van het aantal leden dat de presentielijst heeft getekend daarom verzoekt of de voorzitter het nodig oordeelt. 3. Provinciale staten beslissen vervolgens of met gesloten deuren zal worden vergaderd. 4. Van een vergadering met gesloten deuren wordt een afzonderlijk verslag opgemaakt, dat niet openbaar wordt gemaakt tenzij provinciale staten anders beslissen. 5. Provinciale staten maken de besluitenlijst van hun vergaderingen op de in de provincie gebruikelijke wijze openbaar. Provinciale staten laten openbaarmaking achterwege voor zover het aangelegenheden betreft ten aanzien waarvan op grond van artikel 25 geheimhouding is opgelegd of ten aanzien waarvan openbaarmaking in strijd is met het openbaar belang

Artikel 24 van de Provinciewet In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd of besloten over: a. de toelating van nieuw benoemde leden; b. de vaststelling en wijziging van de begroting en de vaststelling van de jaarrekening; c. de invoering, wijziging en afschaffing van provinciale belastingen; en d. de benoeming en het ontslag van gedeputeerden.

Artikel 25 van de Provinciewet 1. Provinciale staten kunnen op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, omtrent het in een besloten vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken die aan provinciale staten worden overgelegd, geheimhouding opleggen. Geheimhouding omtrent het in een besloten vergadering behandelde wordt tijdens die vergadering opgelegd. De geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen totdat provinciale staten haar opheffen. 2. Op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, kan de geheimhouding eveneens worden opgelegd door gedeputeerde staten, de commissaris van de Koning en een commissie, ieder ten aanzien van stukken die zij aan provinciale staten of aan leden van provinciale staten overleggen. Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt. 3. De krachtens het tweede lid opgelegde verplichting tot geheimhouding met betrekking tot aan provinciale staten overgelegde stukken vervalt, indien de oplegging niet door provinciale staten in hun eerstvolgende vergadering die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht, wordt bekrachtigd. 4. De krachtens het tweede lid opgelegde verplichting tot geheimhouding met betrekking tot aan leden van provinciale staten overgelegde stukken wordt in acht genomen totdat het orgaan dat de verplichting heeft opgelegd, dan wel, indien het stuk waaromtrent geheimhouding is opgelegd aan provinciale staten is voorgelegd, totdat provinciale staten haar opheffen. Provinciale staten kunnen deze beslissing alleen nemen in een vergadering die blijkens de presentielijst door meer dan de helft van het aantal zitting hebbende leden is bezocht.

Artikel 54 van de Provinciewet 1. De vergaderingen van gedeputeerde staten worden met gesloten deuren gehouden, voor zover gedeputeerde staten niet anders hebben bepaald. 2. Het reglement van orde voor de vergaderingen kan regels geven omtrent de openbaarheid van de vergaderingen van gedeputeerde staten.

Artikel 55 van de Provinciewet 1. Gedeputeerde staten kunnen op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, omtrent het in een besloten vergadering behandelde en omtrent de inhoud van de stukken die aan hen worden overgelegd, geheimhouding opleggen. Geheimhouding omtrent het in een besloten vergadering behandelde wordt tijdens die vergadering opgelegd. De geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen totdat gedeputeerde staten haar opheffen. 2. Op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, kan de geheimhouding eveneens worden opgelegd door de commissaris van de Koning of een commissie, ten aanzien van de stukken die zij aan gedeputeerde staten overleggen. Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt. De geheimhouding wordt in acht genomen totdat het orgaan dat de verplichting heeft opgelegd, dan wel provinciale staten, haar opheffen. 3. Indien gedeputeerde staten zich ter zake van het behandelde waarvoor een verplichting tot geheimhouding geldt tot provinciale staten hebben gericht, wordt de geheimhouding in acht genomen totdat provinciale staten haar opheffen.

Artikel 60 van de Provinciewet 1. Provinciale staten kunnen regelen van welke beslissingen van gedeputeerde staten aan de leden van provinciale staten kennisgeving wordt gedaan. Daarbij kunnen provinciale staten de gevallen bepalen waarin met terinzagelegging kan worden volstaan. 2. Gedeputeerde staten laten de kennisgeving of terinzagelegging achterwege voor zover deze in strijd is met het openbaar belang. 3. Gedeputeerde staten maken de besluitenlijst van hun vergaderingen op de in de provincie gebruikelijke wijze openbaar. Zij laten de openbaarmaking achterwege voor zover het aangelegenheden betreft ten aanzien waarvan op grond van artikel 55 geheimhouding is opgelegd of ten aanzien waarvan openbaarmaking in strijd is met het openbaar belang.

Artikel 80 van de Provinciewet 1. Provinciale staten kunnen Statencommissies instellen die besluitvorming van provinciale staten kunnen voorbereiden en met gedeputeerde staten of de commissaris kunnen overleggen. Zij regelen daarbij de taken, de bevoegdheden, de samenstelling en de werkwijze, daaronder begrepen de wijze waarop de leden van provinciale staten inzage hebben in stukken waaromtrent door de commissie geheimhouding is opgelegd. Deze inzage kan slechts worden geweigerd voor zover zij in strijd is met het openbaar belang. 2. De commissaris en de gedeputeerden zijn geen lid van een Statencommissie. 3. Bij de samenstelling van een Statencommissie zorgen provinciale staten, voor zover het de benoeming betreft van leden van provinciale staten, voor een evenwichtige vertegenwoordiging van de in provinciale staten vertegenwoordigde groeperingen. 4. Een lid van provinciale staten is voorzitter van een Statencommissie. 5. De artikelen 19 en 21 tot en met 23 zijn van overeenkomstige toepassing op een vergadering van een Statencommissie, met dien verstande dat in artikel 19 voor «commissaris» wordt gelezen «voorzitter van de Statencommissie» en in artikel 23, vijfde lid, voor « artikel 25» wordt gelezen « artikel 91».

Artikel 81 van de Provinciewet 1. Provinciale staten, onderscheidenlijk gedeputeerde staten, kunnen bestuurscommissies instellen die bevoegdheden uitoefenen die hun door provinciale staten, onderscheidenlijk gedeputeerde staten, zijn overgedragen. Zij regelen daarbij de taken, de bevoegdheden, de samenstelling en de werkwijze, daaronder begrepen de wijze waarop zij inzage hebben in de stukken waaromtrent door een bestuurscommissie geheimhouding is opgelegd. Deze inzage kan slechts worden geweigerd voor zover zij in strijd is met het openbaar belang. 2. De commissaris en de gedeputeerden zijn geen lid van een door provinciale staten ingestelde bestuurscommissie. Leden van provinciale staten zijn geen lid van een door gedeputeerde staten ingestelde bestuurscommissie. 3. De artikelen 136, tweede lid, 137 en 138 zijn van overeenkomstige toepassing op een besluit tot instelling van een bestuurscommissie. 4. De artikelen 19, tweede lid, 22 en 23, eerste tot en met vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de vergadering van een door provinciale staten ingestelde bestuurscommissie, met dien verstande dat in artikel 19, tweede lid, voor «de commissaris» wordt gelezen: de voorzitter van een bestuurscommissie. 5. Voor zover zulks in verband met de aard en omvang van de overgedragen bevoegdheden nodig is, regelen gedeputeerde staten de openbaarheid van vergaderingen van een door hen ingestelde bestuurscommissie.

Artikel 91 van de Provinciewet 1. Een commissie kan in een besloten vergadering, op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, omtrent het in die vergadering met gesloten deuren behandelde en omtrent de inhoud van de stukken die aan de commissie worden overgelegd, geheimhouding opleggen. Geheimhouding omtrent het in een besloten vergadering behandelde wordt tijdens die vergadering opgelegd. De geheimhouding wordt door hen die bij de behandeling aanwezig waren en allen die van het behandelde of de stukken kennis dragen, in acht genomen totdat de commissie haar opheft. 2. Op grond van een belang, genoemd in artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur, kan de geheimhouding eveneens worden opgelegd door de voorzitter van de commissie, gedeputeerde staten en de commissaris van de Koning, ieder ten aanzien van stukken die zij aan de commissie overleggen. Daarvan wordt op de stukken melding gemaakt. De geheimhouding wordt in acht genomen totdat het orgaan dat de verplichting heeft opgelegd, dan wel provinciale staten haar opheffen. 3. Indien de commissie zich ter zake van het behandelde waarvoor een verplichting tot geheimhouding geldt tot provinciale staten heeft gericht, wordt de geheimhouding in acht genomen totdat provinciale staten haar opheffen.

Artikel 167 van de Provinciewet 1. Gedeputeerde staten en elk van hun leden afzonderlijk zijn aan provinciale staten verantwoording schuldig over het door hen gevoerde bestuur. 2. Zij geven provinciale staten alle inlichtingen die provinciale staten voor de uitoefening van hun taak nodig hebben. 3. Zij geven provinciale staten mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen, tenzij het verstrekken ervan in strijd is met het openbaar belang. 4. Zij geven provinciale staten vooraf inlichtingen over de uitoefening van de bevoegdheden, bedoeld in artikel 158, eerste lid, onder e, f en h, indien provinciale staten daarom verzoeken of indien de uitoefening ingrijpende gevolgen kan hebben voor de provincie. In het laatste geval nemen gedeputeerde staten geen besluit dan nadat provinciale staten hun wensen en bedenkingen ter zake ter kennis van gedeputeerde staten hebben kunnen brengen. 5. Indien de uitoefening van de bevoegdheid, bedoeld in artikel 158, eerste lid, onder f, geen uitstel kan lijden, geven zij in afwijking van het vierde lid provinciale staten zo spoedig mogelijk inlichtingen over de uitoefening van deze bevoegdheid en het ter zake genomen besluit.

Artikel 272 Wetboek van Strafrecht 1. Hij die enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep verplicht is het te bewaren, opzettelijk schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vierde categorie. 2. Indien dit misdrijf tegen een bepaald persoon gepleegd is, wordt het slechts vervolgd op diens klacht.

Artikel 10 van de Wet openbaarheid van bestuur 1. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit: a. de eenheid van de Kroon in gevaar zou kunnen brengen; b. de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden; c. bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld; d. persoonsgegevens betreft als bedoeld in paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van de Wet bescherming persoonsgegevens, tenzij de verstrekking kennelijk geen inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maakt. 2. Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: a. de betrekkingen van Nederland met andere staten en met internationale organisaties; b. de economische of financiële belangen van de Staat, de andere publiekrechtelijke lichamen of de in artikel 1a, onder c en d, bedoelde bestuursorganen; c. de opsporing en vervolging van strafbare feiten; d. inspectie, controle en toezicht door bestuursorganen; e. de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer; f. het belang, dat de geadresseerde erbij heeft als eerste kennis te kunnen nemen van de informatie; g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden. 3. Het tweede lid, aanhef en onder e, is niet van toepassing voor zover de betrokken persoon heeft ingestemd met openbaarmaking. 4. Het eerste lid, aanhef en onder c en d, het tweede lid, aanhef en onder e, en het zevende lid, aanhef en onder a, zijn niet van toepassing voor zover het milieu-informatie betreft die betrekking heeft op emissies in het milieu. Voorts blijft in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder c, het verstrekken van milieu-informatie uitsluitend achterwege voor zover het belang van openbaarmaking niet opweegt tegen het daar genoemde belang. 5. Het tweede lid, aanhef en onder b, is van toepassing op het verstrekken van milieu-informatie voor zover deze handelingen betreft met een vertrouwelijk karakter. 6. Het tweede lid, aanhef en onder g, is niet van toepassing op het verstrekken van milieu-informatie. 7. Het verstrekken van milieu-informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen: a. de bescherming van het milieu waarop deze informatie betrekking heeft; b. de beveiliging van bedrijven en het voorkomen van sabotage. 8. Voor zover het vierde lid, eerste volzin, niet van toepassing is, wordt bij het toepassen van het eerste, tweede en zevende lid op milieu-informatie in aanmerking genomen of deze informatie betrekking heeft op emissies in het milieu.

Bijlage 2: Stroomschema geheimhouding

Hieronder is de meest uitgebreide versie van het stroomschema geheimhouding opgenomen, namelijk de versie waarin GS de geheimhouding opleggen. Er zijn twee alternatieven: • Wanneer een statencommissie de geheimhouding oplegt, start het stroomschema bij het tweede blauwe en groene blokje, waarbij de statencommissie de geheimhouding kunnen opheffen of het stuk door kunnen sturen naar PS. • Wanneer PS de geheimhouding opleggen, dan zijn alleen het onderste blauwe en groene blokje van toepassing.

Voor de Stroomschema bekijk de link van het Provinciaal blad:

Bijlage 3: Verkorte weergave regels geheimhouding en vindplaats in de wetten

Regels geheimhouding en vindplaatsen

 

Regels omtrent geheimhouding in het kort

 Artikel

Algemeen

- Hoofdregel: openbaar, tenzij - Geheimhouding geldt voor iedereen die kennis neemt van informatie waarop geheimhouding rust. - Schending van de geheimhouding is strafbaar. - De redenen voor het opleggen van geheimhouding zijn opgenomen in de Wet openbaarheid van bestuur (Wob).

- 110 Grondwet - O.a. 25 en 55  Provinciewet (PW) - 272 Sr - 10 Wob

PS

Vergaderingen - In principe openbaar - Kan ook met gesloten deuren als PS of voorzitter dat wenst - PS nemen over beslotenheid een besluit - Verslag in dat geval niet openbaar, tenzij hiertoe een besluit is genomen - Op behandelde kan daarnaast nog (in dezelfde vergadering) expliciet geheimhouding worden gelegd - Besluitenlijst openbaar tenzij geheimhouding is opgelegd of in strijd met het openbaar belang

 - 23 lid 1 PW - 23 lid 2 PW - 23 lid 3 PW - 23 lid 4 PW

- 25 lid 1 PW

- 23 lid 5 PW

 

Stukken ontvangen van GS, CdK of commissie - Stuk wordt onder geheimhouding naar PS gestuurd - PS krijgen stuk onder “voorlopige geheimhouding”, maar stuk is wel geheim - Bekrachtiging van geheimhouding door PS in eerst volgende vergadering - Alleen PS kunnen geheimhouding opheffen

- 25 lid 2 PW - 25 lid 2 PW - 25 lid 3 PW - 25 lid 4 PW  

 

“Eigen” stukken (komt zelden voor) - PS leggen geheimhouding op - Motivering vereist (Provinciewet, Wob) - Bekrachtiging niet aan de orde - Alleen PS kunnen geheimhouding opheffen

- 25 lid 1 PW - 3:46 & 3:47 (Awb) - 25 lid 1 PW

Individuele Statenleden 

Stukken van GS, CdK of voorzitter commissie - Stuk wordt onder geheimhouding aan individuele Statenleden gestuurd - Indien het stuk niet wordt gestuurd naar PS: geen bekrachtiging en oplegger heft geheimhouding op

- 25 lid 2 PW - 25 lid 4 PW

Statencommissies 

 Vergaderingen (is gelijk aan PS) - In principe openbaar - Kan ook met gesloten deuren als PS of voorzitter dat wenst - PS nemen over beslotenheid een besluit - Verslag in dat geval niet openbaar, tenzij hiertoe een besluit is genomen - Op behandelde kan daarnaast nog (in dezelfde vergadering) expliciet geheimhouding worden gelegd - Besluitenlijst openbaar tenzij geheimhouding is opgelegd of in strijd met het openbaar belang

80 lid 5 jo. 23 lid 1 PW 80 lid 5 jo 23 lid 2 PW 80 lid 5 jo 23 lid 3 PW 80 lid 5 jo 23 lid 4 PW

91 lid 1 PW

80 lid 5 jo 23 lid 5 PW

 

Stukken van GS, CdK of voorzitter commissie - Stuk wordt onder geheimhouding naar commissie gestuurd - Commissie bekrachtigt niet en kan de geheimhouding niet opheffen

- 91 lid 2 PW

 

“Eigen” stukken (komt zelden voor) - Commissie legt geheimhouding op - Motivering vereist (Provinciewet, Wob) - Bekrachtiging niet aan de orde - Commissie heft geheimhouding op, tenzij stuk naar PS wordt gestuurd

- 91 lid 1 PW - 3:46 & 3:47 Awb

- 91 lid 3 PW

 GS

Vergaderingen - Vinden in principe in beslotenheid plaats - Verslagen zijn niet openbaar - Besluiten zijn wel openbaar, tenzij: o GS geheimhouding hebben opgelegd o In strijd met openbaar belang (=uitzonderlijk)

- 54 lid 1 PW

- 60 lid 3 PW

 

Stukken en behandelde - GS kunnen op zowel stukken als het behandelde geheimhouding opleggen. - Opleggen geheimhouding moet gemotiveerd worden (PW, Wob) - GS kunnen geheimhouding weer opheffen, tenzij de betreffende informatie naar PS is gegaan. Dan zijn PS bevoegd om geheimhouding op te heffen

- 55 lid 1PW

- 3:46 & 3:47 Awb - 55 lid 3 PW, 25 lid 2 en lid 4 PW