Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Veere

Wet werk en bijstand

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieVeere
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingWet werk en bijstand
CiteertitelAfstemmingsverordening Wet werk en bijstand
Vastgesteld doorcollege van burgemeester en wethouders
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Geen.

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

Onbekend

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen.

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-07-2004Nieuwe regeling

01-06-2004

Onbekend

Onbekend

Tekst van de regeling

Intitulé

Wet werk en bijstand

Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand

Hoofdstuk 1 Nieuw Hoofdstuk

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

  • 1

    In deze verordening wordt verstaan onder

    a. de wet: de Wet werk en bijstand (Staatsblad 2003, 375)b. wet Suwi: de Wet structuur uitvoeringsorganisaties werk en inkomen (Staatsblad 2001, 692)c. Win: Wet inburgering nieuwkomers (Staatsblad 1998, 261)d. college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veeree. belanghebbende: degene, waaronder ook wordt verstaan diens gezin, wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokkenf. fraude: het verwijtbaar informatie ach¬terhouden, of verwijtbaar onjuiste informatie ver¬strekken, met het doel een (hogere) uitkering te ontvangen anders als waar men op grond van de juiste en/of volledige informatie recht op zou hebbeng. inlichtingenverplichting: de in artikel 17 lid 1 van de wet genoemde verplichtingh. benadelingsbedrag: het bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting ten onrechte is verleend als bijstandi. grens aangiftebedrag Openbaar Ministerie: het bruto uitkeringsbedrag waarvoor de gemeente is benadeeld door een belanghebbende en waarboven het college aangifte doet bij het Openbaar Ministeriej. recidive: het binnen een in deze verordening benoemde termijn opnieuw plegen van een verwijtbare handeling uit dezelfde of hogere categoriek. onverwijld uit eigen beweging: het via een daartoe beschikbaar gesteld formulier - het rechtmatigheidsonderzoekformulier (rof) of ander mutatieformulier - op de daarop opgenomen wijze en/of tijdstip mededeling doen van alle van belang zijnde feiten en omstandighedenl. norm: de som van de norm zoals genoemd in hoofdstuk 3, paragraaf 2 van de wet, de gemeentelijke toeslag en de periodiek bijzondere bijstand voor de algemene kosten van het bestaan, inclusief vakantiegeld, zonder rekening te houden met verlagingen als gevolg van schaalvoordelen wegens het kunnen delen van de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan of met het ontbreken van kosten in verband met de woonsituatie of andere inkomstenkortingenm. werk boven uitkering: een intensief integraal traject gericht op het verwerven van arbeid waarbij het opdoen van werkervaring (arbeidsritme, arbeidshouding, arbeidsvaardig-heden), al dan niet in de vorm van werken met behoud van uitkering, een belangrijke component vormt en waarbij het aanwezigheidsvereiste van groot belang is;

  • 2

    Voor zover daar in deze verordening niet van wordt afgeweken, zijn de gehanteerde begrippen gelijk aan die in de wet.

Artikel 2 Indeling in categorieën met betrekking tot bepaalde verwijtbare gedragingen

  • 1

    Ten aanzien van belanghebbenden, die naar het oordeel van het college blijk geven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan dan wel de uit deze wet dan wel de wet Suwi dan wel de Win voortvloeiende verplichtingen niet of onvoldoende nakomen, wordt de ernst van het verwijtbare gedrag onderverdeeld in de navolgende categorieën.

  • 2

    Categorieën:

    A. Categorie 1: het niet dan wel onvoldoende nakomen van de aan de uitkering verbonden verplichtingen en voorwaarden, dan wel het niet dan wel onvoldoende verlenen van gevraagde medewerking aan de uitvoering van de wet die nodig is voor een adequate en juiste wetstoepassing en een efficiënte gemeentelijke uitvoering. Daaronder wordt in ieder geval verstaan:

    1. niet ingeschreven staan of blijven bij de Centrale organisatie Werk en Inkomen (CWI)2. het niet onverwijld uit eigen beweging of binnen de door of namens het college of het CWI daartoe gestelde termijn verstrekken van informatie die van belang is of kan zijn voor de verlening van bijstand of de voortzetting hiervan3. het niet of niet tijdig voldoen aan een oproep om in verband met de inschakeling in de arbeid of (sociale) activering of ter informatieverstrekking op een aangegeven plaats en tijdstip te verschijnen in verband met de uitvoering van de wet4. het niet op verzoek tonen van een identiteitsbewijs5. het niet of niet tijdig vooraf melden van een (voorgenomen) vakantie, waarbij onder tijdig wordt verstaan minimaal twee weken voor de vakantie aanvangt6. het langer dan is toegestaan met vakantie gaan7. het niet of niet tijdig melden via het rechtmatigheidsonderzoeksformulier van het verrichten van vrijwilligerswerk of wijzigingen daarin.

    B. Categorie 2: niet of onvoldoende meewerken aan (de voorbereiding op) de arbeidsinschakeling en (sociale) activering - waaronder begrepen onderzoek naar de mogelijkheden daartoe - of deze belemmeren, dan wel niet of onvoldoende meewerken aan het bewerkstelligen van mogelijke verlaging van de te verstrekken bijstand. Daaronder wordt in ieder geval verstaan:

    1. het niet of in onvoldoende mate meewerken aan onderzoek naar mogelijkheden m.b.t. scholing, (sociale) activering en/of arbeidsinschakeling2. een aangeboden trajectplan niet ondertekenen of niet tijdig retourneren3. het niet of onvoldoende trachten arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen4. gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren 5. het niet of onvoldoende meewerken aan noodzakelijke scholing of opleiding6. het niet voldoen aan verplichtingen, niet zijnde die op grond van hoofdstuk 2 van de wet, die het college op grond van artikel 55 van de wet oplegt aan belanghebbende7. het niet vragen van alimentatie conform artikel 56 van de wet indien de verplichting hiertoe door het college is opgelegd8. het niet of onvoldoende meewerken aan de uitvoering van aan de bijstand te verbinden dan wel verbonden verplichtingen dat belanghebbende eraan meewerkt dat het college in diens naam noodzakelijke betalingen uit de toegekende bijstand verricht of andere noodzakelijk geachte financiële handelingen conform artikel 57 aanhef en sub a van de wet9. het als zelfstandige verwijtbaar niet komen tot een doelmatige bedrijfsvoering of beroepsuitoefening dan wel het niet voeren van een behoorlijke administratie10. het niet behoorlijk meewerken aan het vestigen van een krediethypotheek of andere zekerheidstelling.C. Categorie 3: het in ernstige mate verwijtbaar handelen ten aanzien van het verkrijgen of behouden van algemeen geaccepteerde arbeid of een andere vorm van inkomen. Daaronder wordt in ieder geval verstaan:

    1. het niet aanvaarden of door eigen toedoen niet verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid2. het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid3. het door eigen toedoen verwijtbaar verliezen of niet verkrijgen van een inkomstenbron, anders dan onder lid 2;4. het weigeren van deelneming aan een door de gemeente aangeboden traject "werk boven uitkering" .

Artikel 3 Hoogte en wijze van de afstemming en recidive

  • 1

    De verlaging van de norm als gevolg van verwijtbaar handelen van belanghebbende zoals bedoeld in artikel 2 is voor:eerste maal recidive recidiveperiode

    categorie 1

    0%waarschuwing 10% gedurende 1 maand 12 maanden

    categorie 2

    20% gedurende 1 maand 40% gedurende 1 maand 24 maanden

    categorie 3

    100% gedurende 1 maand 100% gedurende 2 maanden 36 maanden;

  • 2

    Bij herhaalde recidive wordt een individueel besluit genomen afgestemd op de ernst van het feit, de verwijtbaarheid en de omstandigheden van belanghebbende;

  • 3

    In bijzondere gevallen kan worden afgeweken van de hoogte en wijze van verlaging van de norm zoals genoemd in lid 1 en wordt de afstemming geëffectueerd conform artikel 48 lid 2 sub b van de wet.

Artikel 4 Onverantwoord omgaan met vermogen

  • 1

    Indien voorafgaand aan dan wel ten tijde van de bijstandsverlening over een vermogen kon worden beschikt boven het bescheiden vrij te laten vermogen conform artikel 34 lid 2 sub b en lid 3 van de wet en hierop is ingeteerd op een wijze die getuigt van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, wordt de bijstand verlaagd en daarbij zoveel mogelijk afgestemd op:- de wijze van onverantwoord interen op het vermogen en- de hoogte van het bedrag dat onverantwoord is ingeteerd en- het eventueel resterende vermogen onder het vrij te laten bescheiden vermogen van belanghebbende;

  • 2

    De verlaging bedraagt 10 procent van de norm gedurende maximaal 3 jaar als er geen of nagenoeg geen liquide of liquide te maken vermogensbestanddelen resteren ten tijde van de constatering van genoemd feit;

  • 3

    Onder 'nagenoeg geen' zoals genoemd in lid 2 wordt verstaan een verschil dat kleiner is dan de daadwerkelijk van toepassing zijnde norm;

  • 4

    De verlaging bedraagt 100 procent van de van toepassing zijnde norm als er liquide of liquide te maken vermogensbestanddelen resteren boven 2 maal de van toepassing zijnde norm ten tijde van de constatering van genoemd feit;

  • 5

    De verlaging bedoeld in lid 4 wordt toegepast gedurende 1, 2 of 3 maanden als het resterende liquide of liquide te maken vermogen respectievelijk 2 dan wel 3 dan wel 4 of meer maal de van toepassing zijnde norm bedraagt;

  • 6

    Als het resterende liquide of liquide te maken vermogen meer bedraagt dan: a. 2 maal de van toepassing zijnde norm maar minder dan 3 maal, wordt de verlaging bedoeld in lid 4 gevolgd door een verlaging van 10% van de van toepassing zijnde norm gedurende maximaal nog 26 maanden; b. 3 maal de van toepassing zijnde norm maar minder dan 4 maal, wordt de verlaging bedoeld in lid 4 gevolgd door een verlaging van 10% van de van toepassing zijnde norm gedurende maximaal nog 16 maanden;c. 4 maal de van toepassing zijnde norm wordt de verlaging bedoeld in lid 4 gevolgd door een verlaging van 10% gedurende maximaal nog 6 maanden;

  • 7

    Het totale bedrag waarmee de bijstand wordt verlaagd, berekend over de hele periode van verlaging, kan niet meer bedragen dan het bedrag dat onverantwoord is ingeteerd.

Artikel 5 Fraude en recidive

  • 1

    Indien door het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting ten onrechte (te veel) bijstand wordt of is verstrekt, wordt de bijstand verlaagd met:10 procent van de norm gedurende 1 maand indien het benadelingsbedrag minder bedraagt dan € 500,00; 

  • 2

    25 procent van de norm gedurende 1 maand indien het benadelingsbedrag minder bedraagt dan € 2000,00 maar meer bedraagt dan of gelijk is aan € 500,00;

  • 3

    25 procent van de norm gedurende 2 maanden indien het benadelingsbedrag minder bedraagt dan het netto bedrag van de grens aangiftebedrag Openbaar Ministerie, maar meer bedraagt dan of gelijk is aan € 2000,00;

  • 4

    Bij recidive binnen een periode van 36 maanden na het vaststellen van een eerste fraude, wordt de bijstand verlaagd met 50 procent van de norm gedurende 2 maanden ongeachte de hoogte van het benadelingsbedrag;

  • 5

    Bij herhaalde recidive wordt een individueel besluit genomen met als uitgangspunt uitsluiting van het recht op bijstand gedurende minimaal 3 maanden.

Artikel 6 Het zich jegens het college zeer ernstig misdragen

  • 1

    Indien een belanghebbende zich jegens het college, dan wel diens vertegenwoordigers, verbaal zeer ernstig misdraagt, wordt de bijstand verlaagd conform de verlaging benoemd in artikel 3 onder categorie 1;

  • 2

    Indien een belanghebbende jegens het college, dan wel diens vertegenwoordigers, zich fysiek - al of niet in combinatie met het zich verbaal misdragen - zeer ernstig misdraagt, wordt de bijstand verlaagd conform de verlaging benoemd in artikel 3 onder categorie 2;

  • 3

    De respectievelijke recidiveperioden zoals genoemd in artikel 3 gelden ook voor de gedragingen zoals benoemd in lid 1 en 2 van dit artikel;

  • 4

    Bij meermalen binnen de recidiveperiode het zich fysiek, al of niet in combinatie met het zich verbaal, zeer ernstig misdragen van belanghebbende wordt een individueel afstemmingsbesluit genomen. Tijdelijke uitsluiting van het recht op bijstand behoort daarbij tot de mogelijkheden.

Artikel 7 Cumulatie

  • 1

    Bij samenloop van gedragingen die een verlaging van de bijstand tot gevolg hebben zoals genoemd in de artikelen 3 tot en met 6 vindt cumulatie plaats van de percentages;

  • 2

    Indien dit leidt tot cumulatie boven de 100 procent wordt de verlaging gemaximaliseerd op 100 procent;

  • 3

    Het college kan op grond van individuele bijzondere omstandigheden besluiten af te wijken van lid 2.

Artikel 8 Incidentele (bijzondere) bijstand

  • 1

    Bijstand aan een belanghebbende ten behoeve van goederen of diensten die naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit het reguliere inkomen en het beschikbare vermogen, wordt verstrekt in de vorm van een geldlening of borgtocht indien de noodzaak tot bijstandsverlening het gevolg is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan;

  • 2

    Bijstand ten behoeve van gehele of gedeeltelijke aflossing van een schuld wordt verstrekt in de vorm van een geldlening of borgtocht tenzij artikel 49 sub b van de wet van toepassing is.

Artikel 9 Nieuwkomers en de Win

  • 1

    Afstemming conform artikel 1 lid 2 ten aanzien van nieuwkomers in de zin van artikel 1 lid 1 sub a van de Win die niet voldoen aan de verplichtingen opgelegd op grond van artikel 18 lid 1 van de Win en die tevens een uitkering op grond van de wet ontvangen gebeurt conform deze verordening;

  • 2

    Aan nieuwkomers in de zin van artikel 1 lid 1 sub a van de Win die niet voldoen aan de verplichtingen opgelegd op grond van artikel 18 lid 1 van de Win en die geen uitkering op grond van de wet ontvangen wordt een bestuurlijke boete opgelegd;

  • 3

    De hoogte van de boete wordt afgestemd op de ernst van het feit, de omstandigheden waarin de nieuwkomer verkeert, en de mate van verwijtbaarheid;

  • 4

    Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn, kan het college van burgemeester en wethouders besluiten van het opleggen van een boete af te zien;

  • 5

    De hoogte van de boete wordt vastgesteld conform artikel 3 categorie 2;

  • 6

    Bij toepassing van lid 5 wordt van de norm uitgegaan die zou gelden voor de nieuwkomer indien deze belanghebbende in de zin van de wet zou zijn;

  • 7

    De bevoegdheid tot het opleggen van een boete vervalt twee jaar nadat de overtreding is begaan;

  • 8

    Indien het college van burgemeester en wethouders of een ambtenaar jegens de nieuwkomer een handeling verricht waaraan deze in redelijkheid de gevolgtrekking kan verbinden dat aan hem wegens een bepaald feit een boete zal worden opgelegd is ten aanzien van het horen van de nieuwkomer en de verdere procedures artikel 19 van de WIN van toepassing.

Artikel 10 Horen van belanghebbende

  • 1

    Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen;

  • 2

    Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten indien:a. de vereiste spoed zich daartegen verzet;b. de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;c. de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het college of van een derde aan wie het college met toepassing van artikel 7 van de wet werkzaamheden in het kader van de wet heeft uitbesteed, om binnen een gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 17 van de wet of;d. het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid.

Artikel 11 Uitvoering

Het college is belast met de uitvoering van het bepaalde in deze verordening.

Artikel 12 Hardheidsclausule en onvoorziene omstandigheden

  • 1

    Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen in deze verordening, indien onverkorte toepassing zou leiden tot onredelijkheid of onbillijkheid;

  • 2

    In gevallen waarin deze verordening niet voorziet, beslist het college.

Artikel 13 Inwerkingtreding

Deze verordening kan worden aangehaald als: "Afstemmingsverordening Wet werk en bijstand"Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 juli 2004.

Artikelsgewijze toelichting 1  

TOELICHTING BIJ DE AFSTEMMINGSVERORDENING WET WERK EN BIJSTANDALGEMEENBeginsel en opzet van de afstemmingsverordeningDeze verordening is geschreven vanuit het beginsel dat verwijtbaar gedrag niet lonend mag zijn, maardat niet elk verwijtbaar gedrag meteen moet leiden tot een financiële maatregel. Zij is bedoeld als eenrichtlijn voor de uitvoerders en is onder meer afgeleid van de regelgeving die onder de oude wet wasvastgelegd in het z.g. Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz, het Boetebesluit sociale zekerheidswettenen aanvullende gemeentelijke regelgeving.In deze verordening is gekozen voor een indeling van verwijtbaar gedrag in drie categorieën. Hierbijis gekozen voor een waarschuwing in gevallen waarbij er sprake is van administratieve verzuimenzonder dat er ten onrechte uitkering is verleend, tot uitsluiting wanneer belanghebbende door duidelijkverwijtbaar handelen een beroep op bijstand moet doen, of dat als gevolg hiervan de uitkeringsafhankelijkheidvoortduurt.De omschrijving van het verwijtbare gedrag en de indeling in een bepaalde categorie is verduidelijktmet voorbeelden. Het is geenszins de bedoeling om deze opsommingen een limitatief karakter tegeven.Berekening van de maatregelEen maatregel moet worden berekend over de bijstandsnorm, verhoogd met de maximale toeslag. Datwil zeggen voor een echtpaar 100%, een alleenstaande ouder 90% en een alleenstaande 70% van hetminimumloon. Het is niet de bedoeling om rekening te houden met verlagingen en inkomsten. Eenlagere gemeentelijke toeslag in verband met lagere woonlasten geeft in principe een zelfde (vrij)besteedbaar inkomen en rechtvaardigt een in absolute bedragen gelijke korting.Het is ook niet de bedoeling om rekening te houden met mogelijke aanspraken op de langdurigheidstoeslag,noch hierop een maatregel toe te passen. Deze kan immers al uitbetaald zijn of het rechthierop in de toekomst kan nog onzeker zijn.Wettelijke basisMet de inwerkingtreding van de Wet werk en bijstand (WWB) is het systeem van boeten en maatregelenvan de Algemene bijstandswet (Abw) te vervallen. In plaats daarvan moeten gemeenten zelf hunsanctiebeleid vormgeven. De WWB kent slechts één soort sanctie: het verlagen van de uitkering. Deboete als sanctie voor uitkeringsgerechtigden die hun inlichtingenplicht niet zijn nagekomen, verdwijnt.Voor nieuwkomers ingevolge de Wet inburgering nieuwkomers zonder bijstandsuitkeringblijft de boete nog wel bestaan.De Afstemmingsverordening is door de wetgever verplicht gesteld in artikel 8, lid 1 onder letter b vande Wet werk en bijstand. Verwezen wordt verder naar artikel 18 van de wet. Hierin is geregeld dat debijstand en de daaraan verbonden verplichtingen worden afgestemd op de omstandigheden, mogelijkhedenen middelen van belanghebbende.In het tweede lid van artikel 18 van de wet is dwingend voorgeschreven dat wanneer het college vindtdat belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorzieningin het bestaan, dan wel zijn verplichtingen niet of onvoldoende nakomt, de bijstand verlaagd wordt.IndividualiserenBijstand verlenen, maar vooral het afstemmen van bijstand, waaronder het opleggen van maatregelen,vraagt van de gemeente een zorgvuldig taxeren van omstandigheden, mogelijkheden en middelen, enafwegen of er sprake is van verwijtbare aspecten in het gedrag van belanghebbende. Bij het ontbrekenvan elke persoonlijke verwijtbaarheid wordt vanzelfsprekend afgezien van een verlaging van debijstand.LangdurigheidstoeslagDe keuze om geen verlagingen toe te passen op de langdurigheidstoeslag houdt verband met artikel36, 1e lid sub c WWB. Op grond van deze bepaling wordt de langdurigheidstoeslag geweigerd alsiemand gedurende 60 maanden (vijf jaar) naar het oordeel van het college onvoldoende heeft geprobeerdalgemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen en aanvaarden. De verplichting om de langdurigheidstoeslagte weigeren verhoudt zich niet met een eventuele verplichting deze toeslag te verlagen.Het ligt eveneens niet voor de hand om ten aanzien van niet-bijstandsgerechtigden die in aanmerkingkomen voor een langdurigheidstoeslag een verlaging toe te passen.Als deze groep geen of onvoldoende gegevens verstrekt, kan de rechtmatigheid van het verlenen vandeze uitkering niet worden vastgesteld. De sanctie die hierop rust is niet het verlagen van de langdurigheidstoeslag,maar het weigeren van deze toeslag.In de beleidsnota langdurigheidstoeslag Wet werk en bijstand is verder opgenomen welke maatregelgetroffen wordt wanneer niet voldaan is aan het gestelde in artikel 36 WWB.ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTINGArtikel 1: BegripsomschrijvingenIn deze verordening zijn een aantal, niet in de wet gedefinieerde begrippen omschreven om interpretatieverschillente voorkomen. Voor de overige geldt dezelfde omschrijving als in de Wet werk enbijstand en de Algemene wet bestuursrecht.Lid 1, sub l: NormHet is algemeen gebruik dat ingeval van co-ouderschap de bijstand ontvangende ouder als alleenstaandewordt aangemerkt. Boven de norm wordt dan een toeslag toegekend. In het kader van hetafstemmingsbeleid wordt onder de norm bij co-ouderschap mede begrepen de toeslag die in ditverband wordt ontvangen.Niet onder de norm wordt de woonkosten toeslag gerekend.Artikel 2: Indeling in categorieënIn dit artikel zijn diverse vormen van verwijtbaar gedrag ingedeeld in drie categorieën. De opsommingis niet limitatief.Artikel 2, lid 2 sub aCategorie 1 bestaat uit een aantal administratieve handelingen die met name toegespitst zijn op devaststelling van de rechtmatigheid van de uitkering. Het niet voldoen aan deze verplichtingen heeft totgevolg dat een uitkering niet wordt betaald (geblokkeerd) of opgeschort (artikel 54 WWB). Slechts inuitzonderingsgevallen zal ten onrechte bijstand worden verleend c.q. uitbetaald. Afstemming vindtplaats via een waarschuwing.Bij herhaling van verwijtbaar gedrag binnen dezelfde categorie (binnen 12 maanden) volgt eenmaatregel van 10%.Artikel 2, lid 2 sub A punt 2Deze bepaling is bedoeld als een kapstokartikel en kan te zijner tijd ook worden gebruikt om mensente verplichten onverwijld informatie te verstrekken wanneer de rechtmatigheidformulieren wordenvervangen door een mutatieformulier dat alleen moet worden ingeleverd bij veranderde omstandigheden.Artikel 2, lid 2 sub A punt 3Onder verwijtbaar gedrag als hier genoemd wordt verstaan de eerste nalatigheid waarbij de belanghebbendeniet vooraf inhoudelijk geïnformeerd of onvoldoende duidelijk is wat het doel is van hetgesprek. Wanneer het gesprek een vervolgstap is in een opgesteld reïntegratietraject en belanghebbendefrustreert dit door hier geen medewerking aan te verlenen, valt dergelijk gedrag onder categorie2 nummer 1.Artikel 2, lid 2 sub B punt 2Categorie 2 wordt gevormd door verwijtbaar gedrag dat (de voortgang van) trajecten belemmertwaardoor de behoefte aan bijstand langer voortduurt.In deze categorie wordt gekozen voor een kortdurende maar wel voelbare maatregel. In vele gevallenzijn er behalve menskracht van de gemeente ook b.v. reïntegratiebedrijven bij betrokken. Onvoldoendemedewerking door de uitkeringsgerechtigde aan een lopend reïntegratietraject heeft eengrotere impact op de voortgang hiervan dan bij een eerste oproep hiervoor.Bij recidive (binnen 24 maanden) wordt verwijtbaar gedrag gesanctioneerd met een maatregel van40%. Hier is bewust gekozen voor een langere recidiveperiode omdat er regelmatig trajecten langerdan één jaar lopen.Artikel 2, lid 2 sub B punt 8Uit de toelichting bij de behandeling van de wet in de Eerste Kamer blijkt dat de gemeente, indien zijdat noodzakelijk vindt, op grond van artikel 57 van de wet volledig budgetbeheer kan toepassenzonder toestemming van belanghebbende. Het verdient uiteraard aanbeveling één en ander in eenminnelijk traject af te spreken. Het verwijtbaar frustreren van dit traject leidt tot een maatregel alshier omschreven.Artikel 2 lid 2 sub CCategorie 3 wordt gevormd door verwijtbaar gedrag als gevolg waarvan de behoefte aan bijstandontstaat of langer voortduurt. Werkweigering, door eigen toedoen niet verkrijgen van betaald werk,ontslag door eigen toedoen of het door eigen toedoen verliezen van aanspraken op voorliggendeinkomensvoorzieningen zijn de meest voor de hand liggende voorbeelden. De recidivetermijn is hierbepaald op 36 maanden, omdat dergelijk manifest verwijtbaar gedrag sterk moet worden ontmoedigd.Artikel 3: Hoogte en de wijze van de eerste afstemming en bij recidiveDe in artikel 18, lid 3 WWB opgenomen verplichte heroverweging bij een maatregel van driemaanden of langer hoeft zelden plaats te vinden. In voorkomend geval zal een marginale beoordelingvolstaan; het college moet beoordelen of het redelijk is dat de opgelegde maatregel wordt voortgezet,mede gezien de omstandigheden waarin betrokkene nu verkeert. Een nieuwe toets of er sprake vaneen tekortschietend besef van verantwoordelijkheid was, ligt niet voor de hand.Door de korte duur van de maatregelen komt het slechts in uitzonderlijke individuele gevallen tot eenmaatregel van langer dan drie maanden. Dit laat onverlet dat bij het einde van een maatregel vankorter dan drie maanden, beoordeeld kan worden of belanghebbende dan wel voldoet aan de verplichtingendie opgelegd zijn. Een herbeoordeling na afloop van een maatregel richt zich met name op dewijze waarop belanghebbende zijn verwijtbaar gedrag aantoonbaar verbetert.Artikel 3 lid 2Bij herhaalde recidive verdient het aanbeveling te kiezen voor een hoger percentage, wanneer het gaatom verwijtbaar gedrag in de categorieën 1 en 2.Een recidiveperiode vangt in beginsel aan op de dag nadat de beschikking waarin de opgelegdemaatregel is opgelegd, is verzonden.Artikel 4 Onverantwoord omgaan met vermogenDe wijze waarop mensen hun beschikbaar vermogen hebben aangesproken in de periode voorafgaandeaan een bijstandsaanvraag kan grote gevolgen hebben voor de aanspraak op bijstand. Soms isdergelijk gedrag te typeren als “profiteren” nu het nog kan en snel wat luxe goederen aankopen.Andere uitgaven kunnen zijn dure vakanties of casinobezoek. In andere gevallen is het onduidelijk ofhet geld wel daadwerkelijk is uitgegeven; b.v. na casinobezoek.Om te beoordelen of zo’n situatie zich voordoet zal de gemeente goed moeten nagaan waaraan hetgeld is besteed en op basis daarvan tot een standpunt komen of er in dat specifieke geval sprake vanverwijtbaar gedrag is. Essentieel is in deze gevallen of de behoefte aan bijstand kon worden voorzienten tijde van het te onderzoeken gedrag.Op basis van jurisprudentie wordt acceptabel geacht dat iemand die van eigen vermogen leeft terwijlbijstand voorzienbaar is, dit doet tot een gemiddeld niveau van 150 % van de bijstandsnorm, verhoogdmet de premie voor een eventuele verzekering tegen ziektekosten. Soms kunnen noodzakelijkeincidentele uitgaven die leiden tot een hoger niveau acceptabel zijn.Bij het afstemmen van de bijstand moet de gemeente rekening houden met de omstandigheden, demogelijkheden en middelen van belanghebbende. Logisch is dat de gemeente het beleid dusdaniginricht dat de verwijtbare handelingen niet lonen. Met andere woorden: bij het opleggen van demaatregel zal de gemeente ook rekening houden met alle resterende middelen.Artikel 4 lid 2Van belang is op de eerste plaats of er sprake is van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheidvoor de voorziening in het bestaan. Als daar sprake van is en er is op de datum van aanvraag vanbijstand geen of nagenoeg geen vermogen meer dan is gekozen voor een verlaging van 10% gedurendemaximaal 3 jaar, zijnde het voor beslag vatbare gedeelte van de uitkering, wanneer er geenmiddelen meer zijn. Uiteraard is het totaal bedrag van de verlaging nooit hoger dan het onverantwoordingeteerde vermogen. Zie hiervoor lid 6 van dit artikel.Artikel 4, lid 4 + 5Als er nog vermogen aanwezig is op de datum van aanvraag wat meer is dan tweemaal de vantoepassing zijnde bijstandsnorm zal hiermee bij het opleggen van de maatregel rekening gehoudenworden. Betrokkene kan nl. met het aanwezige vermogen in de kosten van levensonderhoud voorziendoor het interen van dit bedrag.Artikel 4 lid 6Als lid 5 van toepassing is, volgt ook nog een afstemming op grond van lid 6.Als lid 6 onder a van toepassing is:volgt na één maand afstemming van 100% nog een afstemming van 10% gedurende 26 weken. Intotaal is er dan een afstemming van maximaal 360% (100% + 260%).Als lid 6 onder b van toepassing is:volgt na de periode van twee maanden afstemming van 100% nog een afstemming van 10% gedurende16 weken. In totaal is er dan een afstemming van maximaal 360% (200% +160%).Als lid 6 onder c van toepassing is:volgt na de periode van drie maanden afstemming van 100% nog een afstemming van 10% gedurende6 weken. In totaal is er dan een afstemming van maximaal 360% (300% + 60%).Artikel 5: FraudeOnder het huidige boeteregime bestaat de verplichting om proces-verbaal op te laten maken enaangifte te doen bij het OM indien er sprake is van fraude en het benadelingsbedrag hoger is dan€ 6.000,--. Het is wenselijk dit criterium om proces-verbaal op te laten maken en aangifte te doen bijhet OM onder de WWB aan te houden. Het doen van aangifte wegens fraude sluit een verlaging nietuit, ook niet bij benadelingsbedragen van boven de aangifterichtlijn. Beide sancties kunnen samengaan.Uitgangspunt is dat het OM bij de straftoemeting rekening houdt met de verlaging zoals dezedoor de gemeente is toegepast. Anderzijds ligt het niet voor de hand om over te gaan tot een verlaging,als het OM inmiddels een sanctie heeft opgelegd. Het ‘una via’ beginsel verzet zich daar tegen.De Centrale Raad van Beroep heeft zich geregeld uitgesproken tegen dubbele bestraffing.In deze verordening is gekozen voor een systeem waarbij de zwaarte van de maatregel toeneemt bijoplopende hoogte van de vastgestelde fraude. Naast de maatregel zal de gemeente tot terugvorderingkunnen overgaan. Het beleid op dit terrein wordt niet in deze verordening geregeld. Bij herhaalderecidive zal het college een individuele maatregel moeten opleggen, met uitsluiting als uitgangspunt;individuele omstandigheden kunnen aanleiding geven hiervan af te wijken.Artikel 6: Het zich jegens het college zeer ernstig misdragenBij misdragingen wordt gekozen voor een onderscheid tussen verbaal- en fysiek geweld. Vooral bijverbaal geweld als gevolg van emoties zal de gemeente uitermate terughoudend moeten zijn bij hetopleggen van maatregelen. Slechts wanneer er duidelijke bedreigingen worden geuit of wanneermanifest is dat beledigingen een onderdeel van een strategie zijn, moet overwogen worden om eenmaatregel op te leggen.Artikel 6 lid 2Fysiek geweld is nooit tolerabel.Een maatregel op grond van dit lid staat een aangifte in het kader van het strafrecht niet in de weg. Inde toelichting bij artikel 18 WWB staat dat het kabinet van mening is dat verlaging van de uitkering inalle gevallen een reparatoire sanctie is.Artikel 6 lid 4Vooral bij fysiek geweld zal naast een financiële maatregel ook gezocht moeten worden naar preventie.In dit kader kan ook een lokaal- en of contactverbod tot de mogelijkheden behoren.Artikel 7: CumulatieBij samenloop van twee verwijtbare gedragingen, niet zijnde recidive, wordt de maatregel verzwaarddoor de beide percentages bij elkaar op te tellen.Artikel 7, lid 3Bij samenloop van maatregelen waarbij de som van de percentages boven de 100 komt, kan in bijzonderegevallen gekozen worden voor afwijking van de cumulatie. Dit betekent dat gekozen kan wordenvoor een matiging van de maatregel of spreiding van de maatregel over meerdere maanden.Artikel 8: Incidentele (bijzondere) bijstandArtikel 8 lid 1In dit lid wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheid die artikel 48 WWB lid 2 biedt. Extra bijstanddie verleend moet worden als gevolg van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid wordt tenallen tijde verleend als een geldlening.Artikel 8 lid 2Dit lid verwijst naar artikel 49 WWB waarin is omschreven dat bij wijze van uitzondering bijstandvoor schulden kan worden verleend wanneer b.v. het ontstaan daarvan het gevolg is van een inkomenonder bijstandsniveau of wanneer er zeer dringende redenen aanwezig zijn.In beginsel zal dan bijstand verleend moeten worden via een borgtocht voor een lening te verstrekkendoor een GKB of een andere kredietverlenende instelling. Is dat niet mogelijk vanwege te geringinkomen en is er sprake van zeer dringende redenen, dan kan bijstand om niet worden verleendArtikel 9: Wet Inburgering NieuwkomersArtikel 9, lid 1Artikel 18, lid 5 van de Wet inburgering nieuwkomers bepaalt dat het opleggen van een bestuurlijkeboete achterwege blijft , indien voor dezelfde gedraging een maatregel als bedoeld in artikel 18, lid 1van de Wet werk en bijstand is opgelegd.Afstemming vindt dan plaats conform deze verordening.Artikel 9, lid 2Artikel 18, lid 1 van de Wet Inburgering Nieuwkomers bepaalt dat aan een nieuwkomer een bestuurlijkeboete wordt opgelegd als in strijd wordt gehandeld met een aantal in de Wet inburgering nieuwkomersgenoemde verplichtingen (art. 2, 4, 8, 9, 10 en 12).Artikel 9, lid 3 en lid 4Nagegaan moet worden of er redenen zijn om de hoogte van de boete in het individuele geval aan tepassen. De bestuurlijke boete wordt om die redenen afgestemd op de ernst van het feit, de omstandighedenwaarin de nieuwkomer verkeert en de mate van persoonlijke verwijtbaarheid. Als er sprake isvan zeer dringende redenen kan afgezien worden van het opleggen van een boete.Bij dringende redenen kan het alleen gaan om omstandigheden die los staan van de gedraging zelf. Opgrond van het motiveringsbeginsel (art. 3:46 Algemene wet bestuursrecht –Awb-) moet de mogelijkheidom wegens dringende redenen af te zien van het opleggen van een boete altijd beoordeeld teworden.Artikel 9, lid 5 en lid 6Voor het vaststellen van de hoogte van de boete wordt aangesloten bij artikel 3, categorie 2 van dezeverordening.Artikel 9, lid 8De boete is een strafrechtelijke element ingebracht in een administratieve wet. Dit betekent dat destrafrechtelijke aspecten zorgvuldig in het oog gehouden moeten worden. Deze worden genoemd inartikel 19 van de Wet inburgering nieuwkomers.Artikel 10: Horen van belanghebbendeOp grond van afdeling 4.1.2. van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is in een aantal gevallen hethoren van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. In dit artikel wordthet horen van de belanghebbende voordat een verlaging wordt toegepast in beginsel voorgeschreven.Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht.Artikel 11: UitvoeringHeeft geen toelichting nodig.Artikel 12: Hardheidsclausule en onvoorziene omstandighedenArtikel 12, lid 1In zeer bijzondere omstandigheden kan het voorkomen dat ondanks een strikt individuele toetsing vande objectieve criteria en omstandigheden, mogelijkheden en middelen de toepassing van deze verordeningtoch tot een onredelijkheid of onbillijkheid leidt. In dergelijke gevallen zal het college de mogelijkheidmoeten hebben om gemotiveerd van de onderhavige regelgeving af te wijken. Deze mogelijkheidis geopend met het opnemen van het eerste lid.Artikel 12, lid 2Het tweede lid geeft het college de mogelijkheid om niet beschreven verwijtbaar gedrag toch tesanctioneren. Hierbij zal zo veel mogelijk moeten worden aangesloten bij de algemene doelstellingenen beginsels van deze verordening, zoals die hiervoor zijn omschreven

Toelichting Veere verordening handhaving Wet werk en bijstand 2  

1 Algemene Toelichting

Algemene toelichting1. inleidingDe verplichting tot het opstellen van een gemeentelijke verordening is opgenomen in de artikelen8 en 30 WWB. Hierin is aangegeven, dat het gemeentebestuur bij verordening vaststelt voorwelke categorieën de bijstandsnorm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteriade hoogte van de verhoging of verlaging wordt bepaald.De reden dat gekozen is voor het voorschrijven van een gemeentelijke verordening is, dat langsdeze weg de gemeentelijke bevoegdheid tot het maken van keuzes over verlening van algemenebijstand versterkt wordt. Het gaat daarbij niet om een technische uitwerking van nadere details,maar om inhoudelijke beleidskeuzes.De volgende uitgangspunten liggen ten grondslag aan het normensysteem:- vereenvoudiging van de normering zodanig, dat ongewenste en frauduleuzegedragseffecten tot een minimum beperkt worden (handhaafbaarheid)- het bieden van voldoende rechtswaarborgen voor de belanghebbende om in denoodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien;- een zodanige afstemming van de hoogte van de uitkering dat het beginsel van bijstand alsvangnet blijft bestaan. De verordening kan er dus niet toe leiden dat complementair aanandere voorzieningen waarvoor het Rijk reeds normen heeft vastgesteld, bijstand wordtverleend.- Gelet op het uitgangspunt van de Wet werk en bijstand, dient het beginsel “werk boveninkomen” ook zijn weerklank te hebben in de verordening.- Uitvoering van de verordening dient betaalbaar te zijn2. systematiekIn de WWB zijn bijstandsnormen vastgesteld. Hierbij is geen rekening gehouden met de vraag oflasten gedeeld of juist geheel zelf gedragen moeten worden. Als het aan (woon)lasten ontbreekt,kan de bijstandsnorm verlaagd worden. Met name voor jongere alleenstaanden en schoolverlaterskan de norm verlaagd worden om de stimulans richting betaalde arbeid te versterken. In deartikelen 25 tot en met 29 WWB zijn hierover randvoorwaarden opgenomen.Verhogingen of verlagingen van de in de WWB vermelde bijstandsnormen dienen in degemeentelijke verordening vastgelegd te worden.3. specifieke beleidskeuzes, voortvloeiend uit de geformuleerde uitgangspuntenBij het opstellen van de verordening, zijn de volgende onderdelen aan de hierboven genoemdeuitgangspunten getoetst:a) keuze tussen forfaitaire toeslagen / verlagingen en concrete toeslagen / verlagingen bij devaststelling in welke mate sprake is van schaalvoordelen;b) bevoegdheid om bij specifieke woonsituaties nadere bepalingen te ontwerpen;c) bevoegdheid om schoolverlaters tijdelijk een lagere norm of toeslag te verlenen;d) bevoegdheid om alleenstaanden van 21 of 22 jaar een lagere toeslag te verlenen;e) minimaliseren van ongewenste situaties.Ad aHet meest rechtvaardige is om alle schaalvoordelen die een belanghebbende heeft concreet teberekenen en toe te rekenen aan de hoogte van de toeslag. Dit is echter uiterst arbeidsintensief,niet handhaafbaar en discutabel aangezien ook de wettelijk vastgestelde bijstandsnormenforfaitair zijn vastgesteld. Afgelopen jaren hebben een aantal gemeenten het zogenaamde‘clustermodel’ toegepast, waarbij forfaitair schaalvoordelen gekoppeld zijn aan diverse soortenwoonlasten. Hoewel uitvoerbaar zijn de diverse toeslagen die eruit voortvloeien gevoelig voorjuridische geschillen en moeten specifieke eisen worden gesteld aan verificatie van gegevens.Het meest eenvoudige, handhaafbare en duidelijke voor de belanghebbende is, een onderscheid temaken tussen degene die geheel zelfstandig woont, en niet geheel zelfstandig woont. Gelet op deforfaitaire normensystematiek van de WWB zelf, past een percentage van 50% van de maximaletoeslag of verlaging voor niet geheel zelfstandig wonende uitkeringsgerechtigden. Dit vormt danook de basis voor de verordening.Ad bIn artikel 27 WWB is de bevoegdheid neergelegd om in de toeslag of norm lager vast te stellenbij een specifieke woonsituatie waarbij belanghebbende lagere algemene bestaanskosten heeft.Dit kan het geval zijn bij krakers, personen zonder vaste woon- en verblijfplaats (logeren her ender), tijdelijke kostenloze opvang, of indien woonlasten door een derde worden betaald. Om tevoorkomen dat iemand zonder reële woonlasten net zo veel of zelfs nog meer ontvangt daniemand die weliswaar woonlasten deelt, maar toch een substantieel deel zelf moet voldoen, is hetwenselijk van deze bevoegdheid gebruik te maken. Het accent is in deze verordening gelegd opeen verifieerbare situatie om een toeslag te kunnen verlenen. Zoniet, dan wordt de norm en/oftoeslag binnen het kader van artikel 27 WWB (verder) verlaagd.Ad cStudenten hebben in de regel een toelage ontvangen krachtens de WSF 2000 of WTOS. Het isniet de bedoeling dat schoolverlaters hun carrière met een uitkering beginnen. Als dit onverhoopttoch het geval is, dient de prikkel om arbeid in loondienst te vinden maximaal benut te worden.Dit past in het uitgangspunt ‘werk boven inkomen’. Feit is dat de ‘standaard’ bijstandsuitkeringvoor een alleenstaande hoger is dan de voordien verkregen toelage studiefinanciering. Als danook nog een extra toeslag wordt verleend, zal de prikkel om te werken, verder afnemen. Gelet opbeleidsafspraken die versterking van de poortwachtersrol (= vermindering van de instroom)stimuleren, alsmede vermindering van financiële risico’s, is gebruikmaking van deze bevoegdheidzinvol. Een schoolverlatersverlaging kan niet gelijktijdig worden toegepast met de verlaging voor21- en 22-jarigen.Ad d.Al in de Algemene bijstandswet (Abw) is door vrijwel iedere gemeente gebruik gemaakt van debevoegdheid om de toeslag voor 21- of 22-jarigen lager vast te stellen. Dit is logisch, aangezienanders het gevaar ontstaat dat een uitkeringsgerechtigde meer ontvangt dan iemand die (vrijwel)fulltime werkt. Daarnaast kan afgevraagd worden of aanvullend op een WW- of Wajong-uitkeringbijstand moet worden verstrekt. Ook deze uitkeringen zijn het resultaat van vaststelling vanjeugdminimumloon. Met dit inkomen zouden de algemene kosten van levensonderhoud bestredenkunnen worden. Het is derhalve reëel om uit te gaan van dit inkomen. Om een goed overzicht tebehouden en uit systeemtechnische redenen kan de toeslag het best worden uitgedrukt in eenpercentage.Ad eEr zijn situaties denkbaar dat toepassing van bovenstaande regeling kan leiden tot onbillijkheden.Ten tijde van de Abw zijn de volgende situaties genoemd:• inwoning bij iemand die zorgbehoevend is;• inwoning van (niet ten laste komende) kinderen met een gering inkomen zoalseen studietoelage, een bijstandsuitkering of inkomsten uit een parttimebetrekking.In het verleden hebben diverse gemeenten een maximale toeslag verleend ingeval van inwoningbij een zorgbehoevende. Immers, zo was de argumentatie, er is sprake van een onvrijwilligesituatie en er worden voor de maatschappij diverse kosten bespaard doordat opname in eenverzorgingstehuis worden voorkomen. Toch zijn deze argumenten feitelijk oneigenlijk. Immers,er zijn hoe dan ook schaalvoordelen. Daarnaast hebben diverse maatschappelijke ontwikkelingenertoe geleid dat uitgebreide mogelijkheden van verzorging aan huis mogelijk zijn die wordengefinancierd uit de AWBZ en andere regelingen. Een aanvullende ‘stimuleringsregeling’ vanuitde optiek van de bijstandsverlening is dan ook niet nodig. Overigens blijkt in de praktijk slechtssporadisch gebruik gemaakt te zijn van deze bepaling.De gevolgen van het gezinsinkomen van een ouder met niet ten laste komend kinderen jonger dan21 jaar met een laag eigen inkomen, zijn wel reden om nadere bepalingen vast te stellen. Omdatde hoogte van een bijstandsuitkering voor een 18 t/m 20 jarige zo laag is, dat feitelijk geenbijdrage verlangd kan worden, is het bezwaarlijk om te concluderen dat een gezinschaalvoordelen heeft doordat lasten gedeeld zouden worden. Dit zou ertoe kunnen leiden dat hetgezinsinkomen (met name van alleenstaande ouders) met enkele honderden euro’s per maand kandalen. Dit is niet billijk, waardoor verlening van de maximale toeslag gerechtvaardigd is. Inindividuele situaties zou zelfs dan nog het gezinsinkomen gedaald kunnen zijn. Overwogen zoudan kunnen worden om aanvullende bijzondere bijstand te verlenen.Wel is het noodzakelijk een duidelijke grens vast te stellen betreffende de hoogte van het inkomenvan het kind. Een herkenbare grens is de bijstandsnorm die genoemd is in artikel 21 onder aWWB. Dit is een bedrag waarbij in ieder geval vastgesteld kan worden, dat met dit inkomenlasten kunnen worden gedeeld. Toetsing aan dit bedrag is helder en uitvoerbaar. Feitelijk komt ditin veel Zeeuwse gemeenten neer op een verruiming van het beleid voor gezinnen met jongmeerderjarige kinderen. In de meeste Zeeuwse gemeenten varieerde het percentage in de oudeverordeningen van ongeveer 27% - 40% van het minimumloon.Daarnaast is het redelijk een aparte bepaling ten behoeve van studerenden op te nemen. Over hetalgemeen zullen studenten niet zodanig hoge neveninkomsten hebben. Omdat eeninkomstenberekening bij studenten daarnaast ingewikkeld en inefficiënt kan zijn, is het redelijkeen ouder die slechts een studerend kind heeft, de maximale toeslag te verlenen.Artikelsgewijze toelichtingArtikel 1Om verschil in interpretatie te voorkomen, wordt voor het begrippenkader verwezen naar de Wetwerk en bijstand. Het gaat hierbij om de begrippen zoals alleenstaande, alleenstaande ouder,echtpaar, de bijstandsnorm etc. De begrippen zorgbehoevende, verzorger en woonruimte zijn nietin de WWB gedefinieerd. De begrippen woning en schoolverlater komen impliciet in de wetterug.Artikel 2Dit artikel geeft aan op welke categorieën van personen met een bijstandsuitkering deverordening betrekking heeft. De indeling is gebaseerd op de Wet werk en bijstand. Alleen in deleeftijdscategorie 21 tot 65 jaar kunnen verhogingen en verlagingen op grond van de verordeningvastgelegd worden. Verlagingen kunnen op grond van de WWB ook gelden voor personen jongerdan 21 jaar. Daar is echter niet voor gekozen omdat deze lage normbedragen van artikel 20 WWBal als minimum beschouwd worden.Artikel 3Lid 1 en 2Bij de vaststelling van de basisnorm voor de alleenstaande en de alleenstaande ouder is dewetgever ervan uitgegaan dat belanghebbende maximale schaalvoordelen geniet door kosten vanhet bestaan met anderen te delen. Pas als dit niet mogelijk is, wordt een aanvullende toeslagverleend.Indien vaststaat dat kosten in het geheel niet gedeeld kunnen worden met een ander, dient opgrond van artikel 30 lid 2 WWB de toeslag vastgesteld te worden op het maximale bedrag,genoemd in artikel 25 lid 2 WWB. Met andere woorden, zij die geheel zelfstandig wonen hebbenrecht op de maximale toeslag.Lid 3Als belanghebbende een onderhuurder, kostganger of kamerhuurder is, of een inwonendverdienend kind met eigen inkomsten heeft, kunnen kosten worden gedeeld. Er treden op zijnminst schaalvoordelen op. Duurzame gebruiksgoederen worden gezamenlijk gebruikt, kosten vanverwarming en verlichting komen niet op de schouder van één persoon. Bij de beoordeling ofbelanghebbende inderdaad hogere bestaanskosten heeft, is in voorkomende gevallen nietbepalend of deze ook feitelijk deze kosten met een ander deelt, maar of het – gegeven deomstandigheden – redelijk is ervan uit te gaan dat deze kosten kunnen worden gedeeld.Omdat het feitelijk onmogelijk is om schaalvoordelen exact en in elke situatie te berekenen, is alsuitgangspunt gekozen voor een forfaitaire toeslag van 50% van de maximale toeslag voorsituaties waar belanghebbende de woonlasten kan delen. Dit is redelijk, aangezien in feite degehele wet gebaseerd is op forfaitaire percentages. In de verordening is bewust niet gekozen vooreen percentage van het minimumloon; de koppeling van de uitkering aan het minimumloon staatter discussie en een percentage van een in de wet vastgesteld bedrag is concreter.Lid 4Hoewel de in het lid 3 vermelde toeslag van 50% een goed uitgangspunt is, zijn er enkelespecifieke situaties denkbaar waarbij toepassing hiervan te rigide zou zijn. Het gaat hierbij om:• inwoning van studerende kinderen die slechts studiefinanciering ontvangen• jong meerderjarigen met een gering eigen inkomen.De redenen hiervoor zijn de volgende:Kinderen jonger dan 21 jaar en studenten met studiefinanciering kunnen te maken hebben meteen zodanig laag inkomen, dat het niet reëel is om te spreken van schaalvoordelen ofkostendeling. Bij de bijstandsnorm van 18 t/m 20 jarigen en binnen de wetgeving op het gebiedvan studiefinanciering wordt bijvoorbeeld al uitgegaan van een zekere mate van ondersteuningdoor de ouder(s). Een bijdrage in de woonlasten kan niet verlangd worden.Artikel 4De criteria voor het verhogen van de uitkering met een toeslag van 50% van het in de wetgenoemde maximumbedrag voor alleenstaanden en alleenstaande ouders (in specifiekeomstandigheden: 100%), zijn ook van toepassing op echtparen die schaalvoordelen hebben dooralgemene bestaanskosten met anderen te delen. Gelet op de normensystematiek is dan eenverlaging van de bijstandsnorm met hetzelfde bedrag van toepassing in situaties waarvoor bijalleenstaanden of alleenstaanden ‘slechts’ een toeslag van 50% van het maximum zou zijnverleend.Artikel 5De WWB biedt de mogelijkheid om de norm of de toeslag (verder) te verlagen als iemand lagerealgemene noodzakelijke kosten heeft als gevolg van zijn woonsituatie waaronder begrepen hetniet aanhouden van een woning (artikel 27 WWB). Uit deze bepaling blijkt een zekerebeleidsvrijheid in het benoemen van woonsituaties, meer dan in de ‘oude’ wet. Daarin was slechtsde bevoegdheid tot verlaging opgenomen bij bewoning van een woning waaraan geenwoonkosten zijn verbonden (dus niet: waarvoor belanghebbende geen woonkosten isverschuldigd).Deze ruimere toepassing kan voor twee groepen geldend worden gemaakt:1. personen die geen aantoonbare woonlasten hebben;2. personen die tijdelijk in een woning mogen blijven waarbij een derde tijdelijk dewoonlasten voldoet.Verreweg de meeste uitkeringsgerechtigden hebben woonruimte waarvoor een overeenkomst isopgemaakt (huurovereenkomst, onderhuur, eigenaar van de zelfbewoonde woning, liggeld,commerciële kostgangerrelatie). Voor hen is dit artikel niet relevant. In een aantal situaties wordteen dergelijke overeenkomst niet aangetoond, bijvoorbeeld bij tijdelijke opvang, nietcommerciëleinwoning bij een echtpaar (waardoor niet gesproken kan worden van eengezamenlijke huishouding) en personen zonder vaste woon- en verblijfplaats.Omdat tussen ouders en kind geen commerciële relatie bestaat, is een verdere verlaging van detoeslag voor een inwonend kind via lid 2 niet van toepassing.Jurisprudentie is ontstaan over de bijstandsgerechtigde waarbij een derde de woonlasten betaald.Het gaat hierbij veelal om echtscheidingssituaties waarbij de (ex)-echtgenoot zich vooralsnogbereid verklaart de woonlasten te blijven betalen (bijvoorbeeld in afwachting van verkoop). Debijstandsgerechtigde heeft niet daadwerkelijk de beschikking over de penningen die de ex-partnerbetaald, zodat deze bijdrage niet als middelen beschouwd worden voor de wet endienovereenkomstig in mindering gebracht mag worden op een reguliere uitkering. Nietteminheeft belanghebbende lagere algemene kosten van het bestaan.Indien ook de voorgestelde schoolverlaterskorting van toepassing is, kan dit artikel niet gebruiktworden om een extra verlaging toe te passen, omdat de schoolverlaterskorting al is gebaseerd omeen ‘absoluut’ minimum.Artikel 6Voor de duur van maximaal zes maanden na beëindiging van de (aanspraak op) studiefinancieringmag de bijstandsnorm / toeslag verlaagd worden. Deze mogelijkheid is opgenomen omdatbelanghebbende met de toekenning van de uitkering zonder deze bepaling er in veel gevallenfinancieel aanzienlijk op vooruitgaat. Dit bevordert dus niet de inschakeling op de arbeidsmarkt.Een optie is om bij toepassing van dit artikel aan te sluiten op de bepalingen in de WetStudiefinanciering. Dit was immers de bron van inkomsten waarop al aanspraak gemaakt werd.Dit dient echter gecorrigeerd te worden met de nominale premie Zfw en stuit opsysteemtechnische problemen. Eenvoudiger en beheersbaarder is een percentage van debasisnorm, genoemd in artikel 21 onder a WWB, die de hoogte van de componentlevensonderhoud + premie in de WSF benadert. In economisch minder gunstige tijden komen errelatief veel schoolverlaters in een uitkeringssituatie, en zal toepassing van deze regelingfinancieel aantrekkelijk zijn voor de gemeente. Niettemin moet wel overwogen worden dattoepassing hiervan leidt tot een toename van het aantal werkprocessen. Immers, binnen zesmaanden dient de norm aangepast te worden. Daarnaast heeft een student vaak bijbaantjes die eengoede aanvulling vormden op het totaalinkomen aangezien de WSF een ruime vrijlatingsbepalingkende op het gebied van bijverdiensten. Dergelijke inkomsten worden wel op grond van de WWBgeheel in mindering gebracht. Dit kan met name schoolverlaters met zelfstandige huisvesting inde problemen brengen, zodat voor deze groep tenminste handhaving van de norm, genoemd inartikel 21 onder a WWB gerechtvaardigd is.Artikel 7Als alleenstaanden van 21 of 22 jaar een uitkering met een maximale toeslag zouden ontvangen,zou dit geen stimulans zijn om werk te aanvaarden. De uitkering zou zonder dit artikel in eenaantal gevallen hoger zijn dan bij een dienstbetrekking op basis van 32 uur per week. Ook zouaanvullend op een WW-uitkering of Wajong-uitkering / WAO op basis van eenarbeidsongeschiktheid van 80-100% toch aanvullende bijstand verleend moeten worden. Dit kanniet de bedoeling zijn van de wet en het uitgangspunt van het sociale vangnet. Een WW, Wajong,of WAO-uitkering is ongeveer gelijk aan een bijstandsuitkering met een toeslag variërend van10% van het maximumbedrag voor alleenstaanden van 21 jaar en 45% van het maximumbedragvoor de alleenstaande van 22 jaar. Er is geen bevoegdheid tot het verlagen van de toeslag wegensleeftijd van 21 of 22 jaar voor alleenstaande ouders en echtparen.Artikel 8De anticumulatiebepaling is een wettelijk verplichte bepaling. De situatie kan zich voordoen dateen 21- of 22-jarige óók schoolverlater is. Door middel van deze bepaling wordt uitgesloten dateen uitkeringsgerechtigde te maken krijgt met een dubbele verlaging van de uitkering.Artikel 9In artikel 18 WWB is geregeld dat de bijstand wordt afgestemd naar omstandigheden,mogelijkheden en middelen van belanghebbende. Hoewel in de regel een norm en / of een toeslagkan worden vastgesteld, kunnen zich zeer uitzonderlijke situaties voordoen waarin vorenstaandebepalingen niet voorzien. Het kan hierbij slechts gaan om een verhoging van een toeslag. Immers,de verordening dient voldoende rechtswaarborgen aan de belanghebbende te geven. Het is reëelom deze bevoegdheid te delegeren aan burgemeester en wethouders.Indien zich er een situatie zou voordoen, waarin deze verordening niet voorziet, heeft het collegede bevoegdheid om individueel een toeslag of verlaging te beoordelen.Artikel 10Als gevolg van de inwerkingtreding van de verordening kunnen hen die een lopende uitkeringhebben, negatieve inkomenseffecten voordoen. In de wet wordt ten behoeve van bijvoorbeeld eeninkomensvrijlating een periode van een jaar gehanteerd. Een afbouwregeling zoals bijinkomensvrijlating is echter erg arbeidsintensief. Vandaar wordt voorgesteld om de oude regelingtot 1 januari 2005 van kracht te laten zijn voor hen die reeds een uitkering ontvingen. Als deuitkering in deze periode wordt beëindigd, waarna er op een later tijdstip een nieuw rechtontstaat, zijn wel de nieuwe bepalingen geheel van toepassing.Artikel 11Dit artikel behoeft geen nadere toelichtingArtikel 12De toeslagenverordening is op grond van artikel 8 Tijdelijke referendumwet referendabel. Datdatum van inwerkingtreding van de toeslagenverordening moet daarom met inachtneming vanartikel 22 Tijdelijke referendumwet, op tenminste 6 weken na datum publicatie gesteld worden.