Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Vught

Gemeenschappelijke regeling WSD

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OrganisatieVught
OrganisatietypeGemeente
Officiële naam regelingGemeenschappelijke regeling WSD
CiteertitelGemeenschappelijke regeling WSD
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerpgemeenschappelijke regeling
Externe bijlagenWijziging met toelichting 2001 Toelichting

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

Gemeenschappelijke regeling WSD, vastgesteld op 16 december 1998 is hiermee gewijzigd

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Gemeentewet
  2. Wet sociale werkvoorziening

Regelgeving die op deze regeling is gebaseerd (gedelegeerde regelgeving)

Geen

Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerkingtreding

Terugwerkende kracht tot en met

Datum uitwerkingtreding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

01-01-2002art. 3 lid 1 en lid 2 zijn toegevoegd, nieuw art. 46 is toegevoegd, art. 50 lid 4 is gewijzigd

17-08-2001

Onbekend

Onbekend

Tekst van de regeling

Intitulé

Gemeenschappelijke regeling WSD

Het algemeen bestuur van de WSD Overwegende:

 

Dat de gemeenschappelijke regeling "Werkvoorzieningschap de Dommel", welke is aangegaan, door de toenmalige gemeenten Boxtel, Liempde, Haaren, Esch, Helvoirt, Schijndel, Sint-Michielsgestel, Sint-Oedenrode en Vught, thans zijnde de gemeenten Boxtel, Schijndel, Vught, Sint-Michielsgestel, Haaren (N-B), Sint-Oedenrode, alsmede de gemeenten Oisterwijk, Oirschot, Son en Breugel, Nuenen en Best om te komen tot een doelmatige uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening (goedgekeurd door gedeputeerde staten van Noord-Brabant op 18 mei 1982, nr. 91.361, gepubliceerd in de Nederlandse Staatscourant van 30 juni 1982, nr. 122) zoals later gewijzigd, in overeenstemming dient te worden gebracht met de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Gemeentewet en de Wet sociale werkvoorziening.

 

Gehoord de raden van de deelnemende gemeenten;

 

Gelet op de Wet gemeenschappelijke regelingen;

 

Alsmede gelet op de Gemeentewet en de Wet sociale werkvoorziening;

Gezien het voorstel van het dagelijks bestuur d.d. 20 november 1998;

 

B E S L U I T :

 

De gemeenschappelijke regeling "Werkvoorzieningschap de Dommel" d.d. 18 november 1987 te wijzigen zodat deze komt te luiden als volgt.

 

GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING WSD

Hoofdstuk I Begripsbepalingen
Artikel 1 Begrippen
  • 1.

    In deze gemeenschappelijke regeling wordt verstaan onder:

    • A.

      De regeling: Deze gemeenschappelijke regeling;

    • B.

      Het schap: Het openbaar lichaam als bedoeld in artikel 2, lid 1;

    • C.

      Deelnemende gemeente: Een aan de regeling deelnemende gemeente;

    • D.

      Gebied: Het gezamenlijk grondgebied van de deelnemende

    • gemeenten;

    • E.

      Gedeputeerde staten: Gedeputeerde staten van de provincie Noord-Brabant;

    • F.

      Wet: De Wet van 20 december 1984, Stb. 667, houdende

    • nieuwe bepalingen met betrekking tot gemeenschappelijke regelingen (Wet gemeenschappelijke regelingen), zoals laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 juni 1996, Stb. 313;

    • G.

      Commissie: Een commissie als bedoeld in Titel II hoofdstuk 5 van de Gemeentewet.

  • 2.

    Waar in de regeling artikelen van de Gemeentewet of van enige andere wet of wettelijke regeling van overeenkomstige toepassing wordt verklaard, treden in die artikelen in de plaats:

    Van de gemeente - Het schap

    Van de raad - Het algemeen bestuur

    Van de burgemeester en wethouders - Het dagelijks bestuur

    Van het gemeentebestuur - Het dagelijks bestuur

    Van de burgemeester - De voorzitter

  • 3.

    Waar in de regeling voor personen een mannelijk naamwoord dan wel een mannelijk functionarisbegrip wordt gebruikt, worden zowel mannelijke als vrouwelijke personen bedoeld.

Hoofdstuk II Algemene bepalingen
Artikel 2 Het schap en zijn bestuursorganen
  • 1.

    Er is een openbaar lichaam, als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wet, zijnde WSD. Het is gevestigd in Boxtel.

  • 2.

    Het bestuur van het schap bestaat uit het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur en de voorzitter.

  • 3.

    De deelnemende gemeenten aan de gemeenschappelijke regeling WSD zijn: Boxtel, Schijndel, Vught, Sint-Michielsgestel, Haaren (N-B), Sint-Oedenrode, Oisterwijk, Oirschot, Son en Breugel, Nuenen en Best.

Hoofdstuk III Doelstelling en bevoegdheden
Artikel 3 Doelstelling
  • 1.

    Het schap heeft tot doel de uitvoering van de Wet sociale werkvoorziening (hierna te noemen: ‘Wsw’). Ter realisering van deze doelstelling draagt het schap er onder meer zorg voor dat zij aan zoveel mogelijk ingezetenen, die blijkens een indicatiebeschikking of herindicatiebeschikking tot de doelgroep behoren, een dienstbetrekking aanbiedt voor het verrichten van arbeid onder aangepaste omstandigheden.

  • 2.

    Het schap heeft mede ten doel andere vormen van gesubsidieerde arbeid uit te voeren dan wel te doen uitvoeren. Het algemeen bestuur van WSD kan hiertoe een of meerdere privaatrechtelijke rechtspersonen oprichten.

    Het algemeen bestuur is bevoegd om onder nader door hem te stellen voorwaarden met niet aan de regeling deelnemende gemeenten en of met andere derden overeenkomsten aan te gaan ter uitvoering van vormen van gesubsidieerde arbeid, scholing en of begeleiding.

Artikel 4 Bevoegdheden

Aan het schap worden de bevoegdheden van regeling en bestuur van de deelnemende gemeenten toegekend, die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van de in artikel 3 genoemde doelstelling, waaronder begrepen wordt het ontvangen van gelden, welke aan de deelnemende gemeenten zouden toekomen op grond van de artikelen 8, 9 en 10 van de Wsw.

Hoofdstuk IV Algemeen bestuur, samenstelling en werkwijze
Artikel 5 Samenstelling algemeen bestuur
  • 1.

    Het algemeen bestuur bestaat uit leden die door de raden van de deelnemende gemeenten uit hun midden, de voorzitter inbegrepen, worden benoemd.De raden benoemen ieder twee leden en twee plaatsvervangende leden.Ten aanzien van plaatsvervangende leden zijn de voor de leden gegeven bepalingen van deze regeling van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    Het lidmaatschap van het algemeen bestuur is onverenigbaar met de betrekking van ambtenaar door of vanwege het schap, dan wel een van de deelnemende gemeenten, aangesteld of daaraan ondergeschikt. Met ambtenaar worden voor de toepassing van deze bepaling gelijkgesteld zij, die in dienst van het schap, dan wel een van de deelnemende gemeenten op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht werkzaam zijn, alsmede de werknemers die in dienst van het schap zijn op grond van de Wsw, alsmede degene die langer dan een periode van zes maanden arbeid verricht voor WSD op detacheringsbasis.

Artikel 6 Zittingsduur
  • 1.

    Het lidmaatschap van het algemeen bestuur eindigt op de dag waarop de zittingsperiodevan de raad van de betreffende gemeente afloopt.

  • 2.

    De raden van de deelnemende gemeenten beslissen in de eerste vergadering van elke zittingsperiode over de benoeming van nieuwe leden van het algemeen bestuur. Zolang de leden deel uitmaken van de raad, die hen heeft benoemd, behouden zij het lidmaatschap van het algemeen bestuur totdat in hun opvolging is voorzien.

  • 3.

    Hij, die tussentijds ophoudt lid te zijn van de raad van de gemeenten, die hem heeft benoemd, of ophoudt voorzitter van de raad te zijn, houdt daarmee tevens op lid van het algemeen bestuur te zijn.

  • 4.

    Bij tussentijdse vacatures in het algemeen bestuur, benoemt de raad van de gemeente die het aangaat, zo spoedig mogelijk een nieuw lid.

  • 5.

    Van elke benoeming tot lid van het algemeen bestuur geven burgemeester en wethouders van de gemeente, die het aangaat, binnen acht dagen kennis aan de voorzitter van het schap.

Artikel 7 Vergaderingen
  • 1.

    Het algemeen bestuur vergadert tenminste twee maal per jaar en voorts zo vaak de voorzitter of het dagelijks bestuur dit nodig oordeelt of tenminste een derde van het aantal leden dit onder opgaaf van redenen schriftelijk verzoekt. Indien niet alle gemeenten in het dagelijks bestuur vertegenwoordigd zijn, vergadert het algemeen bestuur tenminste vier maal per jaar.

  • 2.

    Voor de bepaling van het vergadertijdstip en de oproeping van leden zijn de artikelen 19 en 20 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    De oproep wordt, als regel, ten minste tien dagen vóór het houden van de vergadering aan de leden van het algemeen bestuur toegezonden. De oproep gaat vergezeld van de agenda en de vergaderstukken.

Artikel 8 Beraadslagingen
  • 1.

    De vergaderingen van het algemeen bestuur zijn openbaar. Artikel 23 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing, met dien verstande, dat een verzoek tot sluiting der deuren door tenminste een vijfde deel van de aanwezige leden wordt gedaan. Overeenkomstig artikel 25 van de Gemeentewet kan het algemeen bestuur bevelen dat omtrent het besprokene in de besloten vergadering geheimhouding wordt opgelegd.

  • 2.

    In een besloten vergadering kan niet worden beraadslaagd noch een besluit worden genomen betreffende:

    • a.

      Onderwerpen als vermeld in artikel 24 van de Gemeentewet;

    • b.

      Wijziging en opheffing van de regeling;

    • c.

      Het vaststellen van verordeningen;

    • d.

      Het toetreden tot en het uittreden uit de regeling;

    • e.

      Het aangaan van geldleningen, het uitlenen van geld en het aangaan van rekening-courant overeenkomsten;

    • f

      Het oprichten van of deelnemen in stichtingen, vennootschappen en verenigingen dan wel het ontbinden daarvan of het beëindigen van de deelneming.

Artikel 9 Besluitvorming
  • 1.

    Elk lid van het algemeen bestuur heeft één stem.

  • 2.

    Met betrekking tot het quorum, de handhaving van de orde in de vergadering en de wijze van stemmen zijn de artikelen 20, 26 en 28 tot en met 32 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing, tenzij het reglement van orde, bedoeld in artikel 10, anders bepaalt.

Artikel 10 Reglement van orde

Het algemeen bestuur stelt voor zijn vergadering een reglement van orde vast.

Hoofdstuk V Dagelijks bestuur, samenstelling en werkwijze
Artikel 11 Samenstelling
  • 1.

    Het dagelijks bestuur wordt benoemd door en uit het algemeen bestuur. Het dagelijks bestuur bestaat uit ten hoogste zoveel leden als het aantal aan de regeling deelnemende gemeenten, de voorzitter inbegrepen. Het minimum aantal leden bestaat uit de voorzitter en twee leden.

  • 2

    Artikel 6, tweede lid van deze regeling is van toepassing op de leden van het dagelijks bestuur en de artikelen 45, 46 en 47 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 12 Zittingsduur
  • 1.

    Het lidmaatschap van het dagelijks bestuur eindigt op de dag waarop de zittingsperiode van de raad van de betreffende gemeente afloopt.

  • 2.

    De leden van het dagelijks bestuur worden in de eerste vergadering van het algemeen bestuur in nieuwe samenstelling door dit bestuur benoemd.

  • 3.

    Indien tussentijds een plaats in het dagelijks bestuur vacant komt, benoemt het algemeen bestuur in zijn eerstvolgende vergadering een nieuw lid, uit de gemeente waaruit de vacature is ontstaan.

  • 4.

    Degene die als lid van het dagelijks bestuur ontslag neemt, of overeenkomstig het bepaalde in het eerste lid moet aftreden, blijft zijn functie waarnemen tot zijn opvolger zijn functie heeft aanvaard.

  • 5.

    Degene die tussentijds ophoudt lid van het algemeen bestuur te zijn, houdt tevens op lid van het dagelijks bestuur te zijn.

Artikel 13 Ontslag

Het algemeen bestuur kan een lid van het dagelijks bestuur ontslag verlenen, indien deze het vertrouwen van het algemeen bestuur niet meer bezit.De artikelen 49 en 50 van de Gemeentewet zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 14 Vergaderingen
  • 1.

    Het dagelijks bestuur vergadert in beginsel eenmaal per maand en voorts zo dikwijls als de voorzitter dit nodig oordeelt of tenminste twee leden van het dagelijks bestuur zulks, onder opgave van de te behandelen onderwerpen, verzoeken.

  • 2.

    De voorzitter is gehouden in spoedeisende gevallen binnen één week een vergadering te beleggen.

Artikel 15 Besluitvorming
  • 1.

    Elk lid van het dagelijks bestuur heeft één stem.

  • 2.

    Met betrekking tot het quorum en de wijze van stemmen zijn de artikelen 56, 58 en 59 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk VI De voorzitter
Artikel 16 Benoeming, vervanging en ontslag
  • 1.

    De voorzitter en plaatsvervangend voorzitter van het schap worden in de eerste vergadering van elke zittingsperiode van het algemeen bestuur door dit bestuur uit zijn midden benoemd.

  • 2.

    De artikelen 12 en 13 van deze regeling zijn op de voorzitter van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk VII Bevoegdheden van de bestuursorganen
Artikel 17 Verdeling van de bevoegdheden

Ten aanzien van de bevoegdheden en de verdeling van de bevoegdheden van het bestuur van het schap zijn van overeenkomstige toepassing de regels welke bij of krachtens de Wsw zijn gesteld voor de verdeling van de bevoegdheden van de gemeenten over de gemeentelijke bestuursorganen, tenzij daarvan bij of krachtens de Wet is afgeweken.

Artikel 18 Algemeen bestuur, afbakening en bevoegdheden

Alle taken en bevoegdheden in het kader van deze regeling, die niet aan het dagelijks bestuur, de voorzitter of een bestuurscommissie, als bedoeld in artikel 25 van deze regeling, zijn opgedragen, behoren aan het algemeen bestuur.

Artikel 19 Verordeningen

 

Het algemeen bestuur is bevoegd de verordeningen vast te stellen, die binnen het kader van de in artikel 4 genoemde bevoegdheden worden opgesteld, alsmede de verordeningen die nodig zijn ter regeling van de huishoudelijke zaken van het schap en het gebruik van door het schap ter beschikking gestelde voorzieningen.

Artikel 20 Dienstverlening
  • 1.

    Het algemeen bestuur is bevoegd om onder nader door hem te stellen voorwaarden aan niet aan de regeling deelnemende gemeenten toe te staan gebruik te maken van diensten, dan wel bepaalde onderdelen daarvan van het schap.

  • 2.

    Het gebruik maken van diensten kan mede omvatten het aangaan van een dienstbetrekking met ingezetenen in het kader van de Wsw.

  • 3.

    De dienstverlening en de daartoe strekkende voorwaarden, zoals bedoeld in het eerste lid, worden vastgesteld in een aanwijzingsbesluit.

Artikel 21 Dagelijks bestuur
  • 1.

    Aan het dagelijks bestuur komen in ieder geval de dagelijkse leiding en uitvoering van zaken toe, alsmede het houden van toezicht op al wat het schap aangaat.

     

    Hiertoe behoort onder meer:

     

    • a.

      Het voorbereiden van al hetgeen in het algemeen bestuur ter overweging en beslissing moet worden gebracht;

    • b.

      Het uitvoeren van de besluiten van het algemeen bestuur;

    • c.

      Het toezicht op het functioneren van bestuurscommissies;

    • d.

      Het beheer der activa en passiva van het schap;

    • e.

      De zorg, voor zover deze van het dagelijks bestuur afhangt, voor de administratieve organisatie, de financiële administratie en de controle op het geldelijk beheer en de boekhouding;

    • f.

      Het nemen van alle conservatoire maatregelen, zowel in als buiten rechte, en het doen van alles wat nodig is ter voorkoming van verjaring en verlies van recht en bezit;

    • g.

      Het houden van toezicht op al hetgeen de uitvoering van de Wsw aangaat;

    • h.

      Het aanstellen van personeel of in dienst nemen van personeel op arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht, schorsen en ontslaan van personeel,voor zover het algemeen bestuur zich de betreffende bevoegdheden niet heeft voorbehouden;

    • i.

      Het samenwerken met uitvoeringsinstanties en de Arbeidsvoorzieningsorganisaties als bedoeld in artikel 4 van de Wsw;

    • j.

      Het verstrekken van subsidies als bedoeld in artikel 7 van de Wsw, alsmede het verstrekken van subsidies en het verrichten van inkoop van arbeidsbemiddeling als bedoeld in artikel 10 van de Wsw;

    • k.

      Het nemen van (her) indicatiebeschikkingen als bedoeld in artikel 11 van de Wsw;

    • l.

      Het voorstaan van belangen van het schap.

Artikel 22 De voorzitter
  • 1.

    De voorzitter is belast met de leiding van de vergaderingen van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur.

  • 2.

    De voorzitter is belast met de uitvoering van de besluiten van het dagelijks bestuur. Artikel 75 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.

  • 3.

    De voorzitter vertegenwoordigt het schap in en buiten rechte. Hij kan de vertegenwoordiging aan een door hem gemachtigde opdragen. In rechtsgedingen tussen het schap en de gemeenten, waarvan de voorzitter lid van het bestuur is, wordt hij vervangen door een ander, door het dagelijks bestuur uit zijn midden aan te wijzen.

Hoofdstuk VIII Commissies
Artikel 23 Adviescommissies

De onderscheiden bestuursorganen van het schap kunnen commissies van advies instellen.

Het algemeen bestuur regelt op voorstel van het dagelijks bestuur onderscheidenlijk de voorzitter

de bevoegdheden en samenstelling; artikel 24, tweede lid, van de Wet is van overeenkomstige

toepassing.

Artikel 24 Bestuurscommissies
  • 1.

    Het algemeen bestuur kan een bestuurscommissie instellen, als bedoeld in artikel 82, eerste lid, van de Gemeentewet.

  • 2.

    Het in het eerste lid bedoelde instellingsbesluit wordt in ontwerp aan de raden van de deelnemende gemeenten toegezonden.

  • 3.

    Het algemeen bestuur gaat niet over tot het instellen van deze commissie dan na verkregen verklaring van geen bezwaar van de raden van elk der deelnemende gemeenten, zoals bedoeld in artikel 25, tweede lid, van de Wet.

Artikel 25
  • 1.

    De bestuurscommissie is - met inachtneming van de voorwaarden bij of krachtens deze regeling voorzien - belast met het beheer en de dagelijkse leiding van de voor de belangenbehartiging vereiste activiteiten. Daarom kunnen aan de bestuurscommissie gedelegeerd worden de bevoegdheden van het algemeen bestuur en van het dagelijks bestuur, welke de commissie voor de vervulling van zijn taak nodig heeft, met uitzondering van de bevoegdheden welke zijn opgenomen in artikel 25, derde lid, van de Wet.

  • 2.

    Het algemeen bestuur stelt een verordening voor de ingestelde bestuurscommissie vast, waarin tenminste worden geregeld:

    • a.

      De samenstelling van de commissie;

    • b.

      De bevoegdheden van de commissie;

    • c.

      De werkwijze van de commissie;

    • d.

      De openbaarheid van vergaderingen;

    • e.

      De voorbereiding, de uitvoering en de openbaar making van besluiten van de commissie;

    • f.

      Het toezicht van het algemeen respectievelijk het dagelijks bestuur op de uitoefening van bevoegdheden van die commissie;

    • g.

      De verhouding van de toegekende bevoegdheden tot die van het algemeen en het dagelijks bestuur;

    • h.

      De verantwoording aan het algemeen bestuur.

Hoofdstuk IX Informatie en verantwoording
Artikel 26 Informatieverschaffing door algemeen- en dagelijks bestuur
  • 1.

    Het algemeen en het dagelijks bestuur geven aan de raden van de deelnemende gemeenten, gevraagd of ongevraagd, die inlichtingen die voor een juiste beoordeling van het door het bestuur gevoerde en te voeren beleid, waaronder ook begrepen is het beleid van de bestuurscommissies, nodig is, indien het verstrekken daarvan niet in strijd is met het openbaar belang.

  • 2.

    Een verzoek om inlichtingen van een gemeenteraad van een van de deelnemende gemeenten dient schriftelijk te worden ingediend bij het dagelijks bestuur.

Artikel 27 Informatieplicht leden algemeen bestuur
  • 1.

    Een lid van het algemeen bestuur geeft de gemeenteraad die hem als lid heeft aangewezen, mondeling of schriftelijk de door een of meer leden overeenkomstig het reglement van orde van de raad verlangde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het openbare belang.

  • 2.

    Alvorens de gevraagde inlichtingen te verstrekken kan hij zich daarover laten adviseren door het dagelijks bestuur van het schap.

Artikel 28 Verantwoordingsplicht voor leden algemeen bestuur
  • 1.

    Een lid van het algemeen bestuur is aan de gemeenteraad, die hem als lid heeft aangewezen, verantwoording schuldig voor het door hem in het algemeen bestuur gevoerde beleid.

  • 2.

    Het afleggen van verantwoording vindt plaats op de wijze, geregeld in het reglement van orde voor de vergadering van de desbetreffende raad met dien verstande dat daarbij een termijn in acht wordt genomen, die het lid de gelegenheid biedt om zich desgewenst door het dagelijks bestuur van het schap te laten informeren.

Artikel 29 Ontslag

De gemeenteraad kan een door hem benoemd lid van het algemeen bestuur ontslag verlenen indien deze het vertrouwen van de gemeenteraad niet meer bezit.

Artikel 30 Informatie- en verantwoordingsplicht voor leden van het dagelijks bestuur
  • 1.

    De leden van het dagelijks bestuur zijn, tezamen en ieder afzonderlijk, aan het algemeen bestuur verantwoording verschuldigd voor het door het dagelijks bestuur gevoerde bestuur, waaronder ook begrepen is het bestuur van de bestuurscommissies.

  • 2.

    Zij geven het algemeen bestuur mondeling of schriftelijk de door een of meer leden gevraagde inlichtingen waarvan het verstrekken niet in strijd is met het openbaar belang, op de wijze zoals dit geregeld is in de in artikel 10 van deze regeling bedoeld reglement.

Artikel 31 Informatie- en verantwoordingsplicht voorzitter

Het bepaalde met betrekking tot het dagelijks bestuur in de artikelen 26 en 30 is van overeenkomstige toepassing op de voorzitter voor het door hem gevoerde bestuur.

Hoofdstuk X Vergoedingen
Artikel 32
  • 1.

    Het algemeen bestuur kan bij verordening regelen, dat een vergoeding en een tegemoetkoming in kosten wordt gegeven voor de door zijn leden van het algemeen bestuur en dagelijks bestuur, de voorzitter en de leden van de commissies, zoals bedoeld in artikel 23 en 24 te verrichten werkzaamheden.

  • 2.

    Een verordening zoals bedoeld in het eerste lid, wordt ter kennisname toegezonden aan gedeputeerde staten.

Hoofdstuk XI Personeel en organisatie
Artikel 33 Personeel

Het schap kent:

 

  • a.

    Werknemers, met wie ingevolge de Wsw en de daarbij behorende regelgeving een dienstbetrekking krachtens arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 610,eerste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek is aangegaan.

  • b.

    Ambtenaren in dienst van het schap, waarop dit hoofdstuk van toepassing is.

Artikel 34 De secretaris
  • 1.

    Het schap heeft een secretaris.

  • 2.

    Indien geen secretaris is benoemd wordt deze functie door de algemeen directeur vervuld.

  • 3.

    Het algemeen bestuur benoemt, schorst en ontslaat de secretaris. Bij verhindering of ontstentenis van de secretaris wordt hij vervangen op de wijze zoals bij het reglement van orde als bedoeld in artikel 10, te bepalen.

  • 4.

    De secretaris staat het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur, de voorzitter en de commissie in alles wat de hun opgedragen taak aangaat, bij.

  • 5.

    Door hem worden alle stukken, die van het algemeen bestuur of van het dagelijks bestuur uitgaan, mede ondertekend.

  • 6.

    De artikelen 100 tot en met 107 van de Gemeentewet zijn op de secretaris van overeenkomstige toepassing, voor zover daarin al niet is voorzien door de voorgaande bepalingen.

Artikel 35 De algemeen directeur
  • 1.

    Het schap heeft een algemeen directeur. Hij is belast met de dagelijkse leiding van het schap.

  • 2.

    Het algemeen bestuur benoemt, schorst en ontslaat de algemeen directeur. Voor elke benoeming dient het dagelijks bestuur een aanbeveling in.

  • 3.

    De verdere bevoegdheden van de algemeen directeur zijn neergelegd in een bestuursstatuut.

Artikel 36 Rechtspositie ambtelijk personeel

De bezoldiging en overige rechtspositie van de directeur en van de overige ambtenaren in dienst van het schap, worden door het algemeen bestuur geregeld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 125 en 134 van de Ambtenarenwet.

Artikel 37 Organisatieverordening

De bezoldiging en overige rechtspositie van de directeur en van de overige ambtenaren in dienst van het schap, worden door het algemeen bestuur geregeld overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 125 en 134 van de Ambtenarenwet.

Hoofdstuk XII Financiele bepalingen
Artikel 38 Financiële administratie, geldelijk beheer en controle
  • 1.

    Het algemeen bestuur stelt een verordening vast met betrekking tot de organisatie van de financiële administratie en van het kasbeheer van het schap. Deze verordening wordt medegedeeld aan gedeputeerde staten.

  • 2.

    In de in het eerste lid bedoelde voorschriften wordt onder meer bepaald, welke ambtenaren van het schap met geldelijk beheer of met de zorg voor de financiële administratie worden belast.

  • 3.

    Ten aanzien van de controle op het geldelijk beheer en de financiële administratie zijn de artikelen 212 tot en met 215 van de Gemeentewet van overeenkomstige toepassing.

Artikel 39 De begroting
  • 1.

    Het begrotingsjaar is gelijk aan het kalenderjaar.

  • 2.

    Het algemeen bestuur stelt - uiterlijk op 15 juli - de begroting voor het volgende jaar vast.

  • 3.

    Het dagelijks bestuur maakt jaarlijks een ontwerp-begroting van baten en lasten. De ramingen in dit ontwerp worden toegelicht. De begroting gaat vergezeld van een meerjarenraming voor de drie op het begrotingsjaar volgende jaren.

    Artikel 190 van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    In de begroting wordt onder meer aangegeven, de, naar raming, door elke aan de regeling deelnemende gemeente voor het jaar, waarop de begroting betrekking heeft, verschuldigde bijdragen.

  • 5.

    De deelnemende gemeenten betalen bij wijze van voorschot jaarlijks vóór 1 maart en vóór 1 september telkens de helft van de bijdrage, als bedoeld in het vierde lid.

Artikel 40 De begrotingsprocedure
  • 1.

    Uiterlijk twee weken voor de behandeling van de ontwerpbegroting in het algemeen bestuur wordt deze door het dagelijks bestuur aan de leden van het algemeen bestuur aangeboden.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpbegroting toe aan de raden van de deelnemende gemeenten uiterlijk zes weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.

  • 3.

    De ontwerpbegroting wordt door de besturen van de deelnemende gemeenten voor een ieder ter inzage gelegd en, tegen betaling van de kosten, algemeen verkrijgbaar gesteld. Artikel 190, tweede en derde lid, van de Gemeentewet is van overeenkomstige toepassing.

  • 4.

    Indien de raden van de deelnemende gemeenten omtrent de ontwerpbegroting bij het dagelijks bestuur vóór de aanbieding aan het algemeen bestuur hun zienswijze naar voren hebben gebracht, voegt het dagelijks bestuur de ontvangen commentaren waarin hun zienswijze is vervat bij de ontwerpbegroting.

  • 5.

    Indien de begroting wordt vastgesteld in afwijking van de ontwerpbegroting zendt het algemeen bestuur de vastgestelde begroting naar de raden der deelnemende gemeenten, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen.

  • 6.

    Indien de begroting wordt vastgesteld overeenkomstig de ontwerpbegroting, doet het algemeen bestuur daarvan mededeling aan de raden der deelnemende gemeenten, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen.

  • 7.

    Het dagelijks bestuur zendt de vastgestelde begroting binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval uiterlijk op 15 juli van het jaar voorafgaande aan dat waarvoor de begroting dient, aan gedeputeerde staten.

  • 8.

    Indien de begroting ingevolge artikel 203 van de Gemeentewet goedkeuring van gedeputeerde staten behoeft, worden na ontvangst van het bericht van goedkeuring of onthouding van goedkeuring de raden der deelnemende gemeenten hiervan in kennis gesteld.

Artikel 41 Begrotingswijziging
  • 1.

    Met betrekking tot wijzigingen van de begroting en de af- en overschrijvingen van posten zijn de bepalingen van de artikelen 39 en 40, eerste lid, betreffende de ontwerpbegroting van overeenkomstige toepassing.

  • 2.

    De in artikel 40, tweede tot en met achtste lid, van deze regeling neergelegde procedure is niet van toepassing op die wijzigingen van de begroting, welke niet leiden tot een verhoging van de bijdrage van de deelnemende gemeenten.

Artikel 42 De jaarrekening
  • 1.

    Van de inkomsten en uitgaven van het schap wordt door het dagelijks bestuur over elk kalenderjaar verantwoording gedaan aan het algemeen bestuur, onder overlegging van de vanwege de algemeen directeur opgestelde jaarrekening met de daarbij behorende bescheiden.

    Het dagelijks bestuur voegt daarbij een verslag van een onderzoek naar de deugdelijkheid van de rekening, ingesteld door de overeenkomstig artikel 213 van de Gemeentewet aangewezen deskundige, alsmede hetgeen het te zijner verantwoording noodzakelijk acht.

  • 2.

    Het algemeen bestuur stelt de jaarrekening vast uiterlijk op 15 juli, volgend op het jaar, waarop zij betrekking heeft.

  • 3.

    De vaststelling van de jaarrekening strekt het dagelijks bestuur en de ambtenaren, aangewezen op grond van de krachtens artikel 40 gestelde regels, tot décharge, behoudens later in rechte gebleken valsheid in bewijsstukken of andere onregelmatigheden.

  • 4.

    In de jaarrekening wordt voor alle gemeenten die ingezetenen bij het schap te werk hebben gesteld het over het desbetreffende jaar werkelijk verschuldigde bedrag opgenomen.

Artikel 43 De procedure met betrekking tot de vaststelling van de jaarrekening
  • 1.

    Uiterlijk twee weken voor de behandeling van de ontwerpjaarrekening in het algemeen bestuur wordt deze door het dagelijks bestuur aan de leden van het algemeen bestuur aangeboden.

  • 2.

    Het dagelijks bestuur zendt de ontwerpjaarrekening toe aan de raden van de deelnemende gemeenten uiterlijk zes weken voordat zij aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.

  • 3.

    De raden van de deelnemende gemeenten kunnen omtrent de ontwerpjaarrekening bij het dagelijks bestuur hun zienswijze naar voren brengen.

    Het dagelijks bestuur voegt de commentaren waarin de zienswijze is vervat bij de ontwerpjaarrekening, zoals deze aan het algemeen bestuur wordt aangeboden.

  • 4.

    Twee exemplaren van de vastgestelde rekening worden aan de besturen van de deelnemende gemeenten toegezonden.

  • 5.

    Indien de jaarrekening wordt vastgesteld in afwijking van de ontwerpjaarrekening zendt het algemeen bestuur de vastgestelde jaarrekening naar de raden van de deelnemende gemeenten, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen.

  • 6.

    Indien de jaarrekening wordt vastgesteld overeenkomstig de ontwerpjaarrekening doet het algemeen bestuur daarvan mededeling aan de raden van de deelnemende gemeenten, die ter zake bij gedeputeerde staten hun zienswijze naar voren kunnen brengen.

  • 7.

    Het dagelijks bestuur zendt de jaarrekening en het jaarverslag binnen twee weken na de vaststelling, doch in ieder geval uiterlijk op 15 juli van het jaar volgende op het jaar waarop de jaarrekening betrekking heeft, aan gedeputeerde staten.

Artikel 44 Gemeentelijke bijdragen
  • 1.

    De gemeentebesturen van de deelnemende gemeenten zijn gehouden bij te dragen in de exploitatie van het schap.

    Het aandeel van elke gemeente, die werknemers bij het schap te werk heeft gesteld, in de gemeentelijke bijdrage wordt vastgesteld naar rato van het aantal fulltime

    SW-arbeidsplaatsen dat gedurende het exploitatiejaar vervuld is door SW-werknemers afkomstig uit die gemeente.

  • 2.

    De gemeentelijke bijdragen bestaan uit:

    • a.

      Het aandeel in de door het schap gemaakte bestuurs- en beheerskosten;

    • b.

      Het aandeel in de exploitatie van het schap

    • c.

      Het aandeel in het nadelig exploitatiesaldo van het schap.

  • 3.

    De hoogte van de bijdragen wordt door het algemeen bestuur vastgesteld.

  • 4.

    Verrekening van het verschil tussen het op grond van het in artikel 39 betaalde en het werkelijk verschuldigde vindt plaats binnen drie maanden na de vaststelling van de jaarrekening.

Artikel 45 Bestemming batig saldo

Aan een eventueel batig saldo wordt binnen een jaar na afloop van het jaar waarin het betreffende batig saldo is ontstaan door het algemeen bestuur een bestemming gegeven. Deze bestemming mag niet strijdig zijn met het daaromtrent bepaalde in de Wsw.

Hoofdstuk XIII Het archief
Artikel 46 Financiële garantie
  • 1.

    De deelnemende gemeenten dragen er zorg voor dat het schap over voldoende middelen beschikt om aan al zijn verplichtingen jegens derden te voldoen.

  • 2.

    Indien aan het algemeen bestuur van WSD blijkt dat een deelnemende gemeente weigert deze uitgaven op de begroting te zetten, doet het algemeen bestuur onverwijld aan Gedeputeerde Staten het verzoek over te gaan tot toepassing van artikelen 194 en 195 Gemeentewet.

Artikel 47

Ten aanzien van de archiefbescheiden van het schap zijn de voorschriften die bij of krachtens de Archiefwet 1995 omtrent de zorg, de bewaring en het beheer daarvan, alsmede omtrent het toezicht daarop, voor de gemeenten zijn of nader zullen worden vastgesteld, van overeenkomstige toepassing.

Hoofdstuk XIV Toetreding, uittreding, wijziging en opheffing
Artikel 48 Toetreding
  • 1.

    Over het door andere gemeenten deelnemen aan de regeling beslist het algemeen bestuur.

  • 2.

    Het algemeen bestuur stelt de voorwaarden vast, waaronder het deelnemen aan de regeling wordt toegestaan.

  • 3.

    De toetreding gaat in op een in overleg met de desbetreffende gemeente te bepalen datum. Deze datum is gelegen nadat het besluit tot toetreding is ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de Wet.

Artikel 49 uittreding
  • 1.

    Een deelnemende gemeente kan uittreden door toezending aan het algemeen bestuur van een daartoe strekkend besluit van zijn gemeenteraad.

  • 2.

    Na ontvangst van het besluit als bedoeld in het eerste lid, doet het dagelijks bestuur binnen drie maanden een voorstel aan het algemeen bestuur omtrent de financiële en overige gevolgen van de uittreding.

  • 3.

    Het algemeen bestuur regelt - met instemming van tweederde van de deelnemende gemeenten - de financiële gevolgen alsmede de overige gevolgen van de uittreding.

  • 4.

    De uittreding vindt plaats met ingang van 1 januari van het jaar, volgende op dat waarin het besluit tot uittreding is ingeschreven in het register als bedoeld in artikel 27, tweede lid, van de Wet.

  • 5.

    Geschillen samenhangend met de uittreding kunnen worden voorgelegd aan gedeputeerde staten als bedoeld in artikel 28 van de Wet.

Artikel 50 Wijziging van de regeling
  • 1.

    De regeling kan worden gewijzigd bij een daartoe strekkend besluit van tenminste tweederde van de deelnemende gemeenten.

  • 2.

    Een voorstel tot wijziging kan worden gedaan door het algemeen bestuur en door de raden van een of meer der deelnemende gemeenten.

  • 3.

    Alvorens een voorstel tot wijziging in procedure wordt gebracht worden de raden der deelnemende gemeenten gehoord.

  • 4.

    Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de deelnemers alle rechten en verplichtingen van het openbaar lichaam over de deelnemende gemeenten te verdelen op een in het plan te bepalen wijze. Het liquidatieplan voorziet ook in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel.

  • 5.

    De wijziging van de regeling treedt niet eerder inwerking dan nadat, met toepassing van het bepaalde in artikel 27, tweede lid, van de Wet de opname in de registers bij gedeputeerde staten heeft plaatsgevonden tenzij anders is bepaald.

Artikel 51 Opheffing
  • 1.

    De regeling wordt opgeheven indien de gemeenteraden van tweederde van het aantal deelnemende gemeenten daartoe besluiten. Het besluit tot opheffing van de regeling behoeft de goedkeuring van gedeputeerde staten.

  • 2.

    In geval van opheffing van de regeling besluit het algemeen bestuur tot liquidatie en stelt daarvoor de nodige regels vast. Hierbij kan van de bepalingen van de regeling worden afgeweken.

  • 3.

    Het liquidatieplan wordt door het algemeen bestuur, de raden van de deelnemende gemeenten gehoord, vastgesteld.

  • 4.

    Het liquidatieplan voorziet in ieder geval in de verplichting van de deelnemende gemeenten tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing.

    Het liquidatieplan voorziet ook in de gevolgen die de opheffing heeft voor het personeel.

  • 5.

    De organen van het schap blijven, zo nodig, na het tijdstip van beëindiging van de regeling in functie, totdat de liquidatie is voltooid.

  • 6.

    De opheffing gaat in de op de dag, volgende op die waarin van zowel de deelnemende gemeenten, als van gedeputeerde staten bericht is ontvangen over schrapping uit de registers, zoals bedoeld in artikel 27 eerste en tweede lid van de Wet, tenzij het besluit een later datum van ingang heeft.

Hoofdstuk XV Geschillen
Artikel 52
  • 1.

    Voordat over een geschil, als bedoeld in artikel 28 van de Wet, de beslissing van gedeputeerde staten wordt ingeroepen, kan het algemeen bestuur het geschil voorleggen aan een geschillencommissie.

  • 2.

    De commissie, genoemd in lid 1 wordt als volgt samengesteld:

    a.één lid, aan te wijzen door het algemeen bestuur;

    b.één lid, aan te wijzen door de directie van WSD;

    c.één lid, aan te wijzen door de leden, bedoeld onder a. en b.3.

  • 3.

    De geschillencommissie hoort de bij het geschil betrokken partijen.4.

  • 4.

    De geschillencommissie brengt binnen 12 weken advies uit over de mogelijkheden partijen tot overeenstemming te brengen.

Hoofdstuk XV Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 53 Overgangsbepalingen
  • 1.

    De huidige bestuurders blijven in hun functie als ware de oude regeling nog van toepassing.

  • 2.

    Alle verordeningen en besluiten van de bestuursorganen van het schap alsmede de rechten en verplichtingen die gelden op het moment van inwerkingtreding van deze regeling, blijven van kracht totdat zij door het algemeen bestuur, het dagelijks bestuur of de voorzitter, ieder voor zover het hen aangaat, worden ingetrokken of gewijzigd.

Artikel 54 Toezending aan gedeputeerde staten, inwerkingtreding en gelding.
  • 1.

    Het dagelijks bestuur draagt zorg voor de toezending van de gewijzigde regeling aan gedeputeerde staten, als bedoeld in artikel 26 van de Wet, en aan de besturen van de deelnemende gemeenten.

  • 2.

    Deze regeling treedt, met inachtneming van het bepaalde in artikel 26 van de Wet, inwerking met ingang van de eerste dag van de maand, nadat van gedeputeerde staten bericht is ontvangen over opname in de registers en werkt terug tot en met één januari 1998. Voor de gemeenten Oisterwijk, Oirschot, Son en Breugel, Nuenen en Best treedt de regeling in werking per 1 januari 2000.

  • 3.

    De regeling geldt voor onbepaalde tijd.

Artikel 55 Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Gemeenschappelijke regeling WSD.

 

Aldus vastgesteld in de openbare vergadering van het algemeen bestuur d.d. 16 december 1998.

 

Voorzitter,

Mevr. B. van Schaaijk

 

Secretaris,

De heer J. Snoek

Bijlage 2 Wijziging met toelichting gemeenschappelijke regeling WSD

Wijziging met toelichting 2001

Bijlage 1 Gemeenschappelijke regeling WSD; toelichting

Toelichting