Ziet u een fout in deze regeling? Meld het ons op regelgeving@overheid.nl!
Gemeente Westerveld

Maatregelenverordening IOAW en IOAZ

Wetstechnische informatie

Gegevens van de regeling
OverheidsorganisatieGemeente Westerveld
Officiële naam regelingMaatregelenverordening IOAW en IOAZ
CiteertitelMaatregelenverordening IOAW en IOAZ 2012
Vastgesteld doorgemeenteraad
Onderwerpmaatschappelijke zorg en welzijn
Eigen onderwerp

Opmerkingen met betrekking tot de regeling

datum inwerkingtreding en datum ondertekening in verordening zelf zijn niet juist

Wettelijke grondslag(en) of bevoegdheid waarop de regeling is gebaseerd

  1. Gemeentewet, artikel 147 lid 1
  2. Gemeentewet, artikel 108 lid 2
  3. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel 35 lid 1 sub b
  4. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers, artikel 20 lid 2
  5. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artikel 35 lid 1 sub b
  6. Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen, artikel 20 lid 1
Overzicht van in de tekst verwerkte wijzigingen

Datum inwerking-

treding

Terugwerkende

kracht tot en met

Datum uitwerking-

treding

Betreft

Datum ondertekening

Bron bekendmaking

Kenmerk voorstel

05-12-2012nieuwe regeling

07-11-2012

Da's Mooi, 27/11/2012

12/21496

Tekst van de regeling

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Maatregelenverordening IOAW/IOAZ

De raad van de gemeente Westerveld;

gelet op artikel 147, eerste lid en artikel 108, tweede lid Gemeentewet, artikel 35, eerste lid, onderdeel b en artikel 20, tweede lid Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW), alsmede artikel 35, eerste lid, onderdeel b en artikel 20, eerste lid Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ);

gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 25 september 2012

overwegende dat,

bij verordening regels dienen te worden gesteld ter verlaging en weigering van de uitkering;

besluit vast te stellen de volgende verordening:

Artikel 1. Begripsomschrijving

In deze verordening wordt verstaan onder:

  • a.

    IOAW: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers;

  • b.

    IOAZ: Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen;

  • c.

    De IOAW/IOAZ: de IOAW alsmede de IOAZ, beiden voor zover zij op belanghebbende van toepassing zijn;

  • d.

    Uitkering: de uitkering op grond van de IOAW onderscheidenlijk de IOAZ;

  • e.

    Grondslag: de op belanghebbende van toepassing zijnde grondslag op grond van artikel 5, derde tot en met zesde lid en het negende lid, van de IOAW dan wel de op belanghebbende van toepassing zijnde grondslag op grond van artikel 5, vierde lid, van de IOAZ;

  • f.

    Maatregel: het verlagen van de grondslag op grond van artikel 20, tweede lid IOAW en artikel 20, eerste lid IOAZ, alsmede het blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk) weigeren van een uitkering op grond van artikel 20, eerste lid IOAW en artikel 20, tweede lid IOAZ;

  • g.

    Inkomen: inkomen als bedoeld in artikel 8 IOAW/IOAZ;

  • h.

    Benadelingbedrag: bruto bedrag dat als gevolg van het niet of niet behoorlijk nakomen van een inlichtingenverplichting ten onrechte is verleend als uitkering op grond van de IOAW/IOAZ;

  • i.

    Belanghebbende: hij die recht heeft op een uitkering op grond van de IOAW, alsmede hij die recht heeft op een uitkering op grond van de IOAZ;

  • j.

    het college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Westerveld;

  • k.

    traject: een re-integratietraject als bedoeld in artikel 1, lid 2, sub g van de re-integratieverordening Wet werk en bijstand.

Artikel 2. Het opleggen van een maatregel

  • 1.

    Als de belanghebbende naar het oordeel van het college een verplichting als bedoeld in artikel 13 IOAW/IOAZ of een op grond van hoofdstuk III IOAW/IOAZ aan de uitkering verbonden verplichting schendt, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd. Daarnaast wordt tevens een maatregel opgelegd indien belanghebbende onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW/IOAZ zich jegens het college zeer ernstig misdraagt.

  • 2.

    Het eerste lid is gelijkelijk van toepassing op de belanghebbende die een uitkering ontvangt op grond van de IOAW, wanneer hij de op basis van artikel 30c, tweede en derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen op hem rustende verplichtingen schendt.

  • 3.

    Als de belanghebbende naar het oordeel van het college een inkomen zou hebben kunnen verwerven uit of in verband met arbeid als bedoeld in artikel 20, eerste lid, IOAW of artikel 20, tweede lid, IOAZ, wordt overeenkomstig deze verordening een maatregel opgelegd.

  • 4.

    Een maatregel wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.

Artikel 3. Berekeningsgrondslag

De maatregel wordt toegepast op de grondslag.

Artikel 4. Horen van belanghebbende
    • 1.

      Voordat een maatregel wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.

    • 2.

      Het horen van belanghebbende kan achterwege worden gelaten indien:

    • a.

      de vereiste spoed zich daartegen verzet;

    • b.

      de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan; of

    • c.

      de belanghebbende niet heeft voldaan aan een verzoek van het college of een door haar ingeschakelde derde, om binnen een gestelde termijn inlichtingen te verstrekken als bedoeld in artikel 13 van IOAW/IOAZ; of

    • d.

      het college het horen niet nodig acht voor het vaststellen van de ernst van de gedraging of de mate van verwijtbaarheid.

Artikel 5. Afzien van het opleggen van een maatregel
  • 1. Het college ziet af van het opleggen van een maatregel indien:

    • a.

      elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of

    • b.

      de gedraging meer dan één jaar vóór constatering van die gedraging door het college heeft

      plaatsgevonden, tenzij de gedraging een schending van de inlichtingenplicht inhoudt en als gevolg van die gedraging ten onrechte een uitkering is verleend. Een maatregel wegens schending van de inlichtingenplicht wordt niet opgelegd na verloop van vijf jaren nadat de betreffende gedraging heeft plaatsgevonden.

  • 2. Het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht.

  • 3. Indien het college afziet van het opleggen van een maatregel op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan.

Artikel 6. Het besluit tot opleggen van een maatregel

In het besluit tot opleggen van een maatregel worden in ieder geval vermeld: de reden van de maatregel, de duur van de maatregel, het percentage waarmee de grondslag wordt verlaagd of geweigerd, het bedrag waarmee de grondslag wordt verlaagd of geweigerd en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van een standaardmaatregel.

Artikel 7. Ingangsdatum en tijdvak
  • 1. Tenzij in de verordening anders is bepaald, wordt de maatregel opgelegd met ingang van de eerst volgende kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de maatregel aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand geldende grondslag.

  • 2. In afwijking van het eerste lid kan de maatregel met terugwerkende kracht worden opgelegd, voor zover de ingangsdatum daardoor niet voor de datum van de gesanctioneerde gedraging komt te liggen.

Artikel 8. Samenloop van gedragingen
  • 1. Indien sprake is van één gedraging die schending oplevert van meerdere in de IOAW/IOAZ genoemde verplichtingen, wordt één maatregel opgelegd. Indien voor schending van die verplichtingen maatregelen van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste maatregel opgelegd.

  • 2. Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan verschillende gedragingen die schending opleveren van één of meerdere in de IOAW/IOAZ genoemde verplichtingen, waarvoor maatregelen van verschillende hoogten gelden, wordt de hoogste maatregel opgelegd.

Hoofdstuk 2 Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid

Artikel 9. Indeling in categorieën

Gedragingen van de belanghebbende waardoor de verplichtingen op grond van artikel 37 van de IOAW/IOAZ, anders dan de verplichting, bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel c IOAW/IOAZ, niet of onvoldoende zijn nagekomen, worden onderscheiden in de volgende categorieën:

  • 1.Eerste categorie:

  • a.

    het zich niet of niet tijdig laten registreren als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen of het niet of niet tijdig laten verlengen van de registratie;

  • b.

    het niet of in onvoldoende mate verstrekken van inlichtingen aan het college die nodig zijn voor het bepalen van een geschikt re-integratietraject en/of geschikte voorzieningen gericht op arbeidsinschakeling en/of sociale activering;

    2.Tweede categorie:

  • a.

    het niet naar vermogen trachten algemeen geaccepteerde arbeid te verkrijgen;

  • b.

    het niet of niet tijdig voldoen aan een oproep om, in verband met de inschakeling in de arbeid, op een aangegeven plaats en tijd te verschijnen;

  • c.

    het niet of in onvoldoende mate meewerken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 5 van de Re-integratieverordening Wet werk en bijstand;

  • d.

    het zich niet laten inschrijven bij uitzendbureaus;

  • e.

    het niet naar vermogen verrichten van door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden als bedoeld in artikel37, eerste lid onderdeel f, van de wet.

  • f.

    Het uit houding en gedrag ondubbelzinnig laten blijken de verplichtingen als bedoeld in artikel 37, eerste lid, onderdeel e van de wet niet te willen nakomen, hetgeen heeft geleid tot het intrekken van de ontheffing als bedoeld in artikel 38, eerste lid, van de wet op grond van artikel 38, vijfde lid, onderdeel d van de wet.

    3.Derde categorie:

  • a.

    het niet of niet naar vermogen gebruikmaken van een doorhet collegeaangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling, of het niet of niet naar vermogen deelnemen aan de verschillende onderdelen van het re-integratietraject, inclusief voorzieningen of trajecten gericht op sociale activering;

  • b.

    het niet of in onvoldoende mate voldoen aan de specifieke verplichtingen die het college aan een aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling verbindt, inclusief specifieke verplichtingen verbonden aan sociale activering;

  • c.

    gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren.

Artikel 10. De hoogte en duur van de maatregel
  • 1. De maatregel wordt vastgesteld op:

    • a.

      vijf procent van de grondslag gedurende een maand bij gedragingen van de eerste categorie;

    • b.

      twintig procent van de grondslag gedurende een maand bij gedragingen van de tweede categorie;

    • c.

      vijftig procent van de grondslag gedurende een maand bij gedragingen van de derde categorie.

  • 2. De duur van de maatregel als bedoeld in het eerste lid onderdelen a tot en met c wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel is opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging van dezelfde of een hogere categorie. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid.

  • 3. Indien binnen twaalf maanden na de bekendmaking van het besluit waarbij een maatregel is opgelegd als genoemd in het eerste lid onderdelen a tot en met c, belanghebbende zich nog tweemaal schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie, dan wordt door het college aan belanghebbende een maatregel opgelegd van maximaal honderd procent van de grondslag gedurende maximaal drie maanden. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid.

Hoofdstuk 3 Het door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid, alsmede het nalaten algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden

Artikel 11. Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid
  • 1. Met in achtneming van artikel 20, vierde lid IOAW/IOAZ weigert het college de uitkering blijvend indien de belanghebbende door eigen toedoen een inkomen uit of in verband met arbeid is verloren en:

    • a.

      aan de beëindiging van zijn dienstbetrekking een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek; dan wel

    • b.

      de dienstbetrekking is beëindigd door of op verzoek van de belanghebbende zonder dat aan de voortzetting ervan zodanige bezwaren waren verbonden, dat deze voortzetting redelijkerwijs niet van hem zou kunnen worden gevergd.

  • 2. De hoogte van de maatregel als bedoeld in het eerste lid is gelijk aan het door dit gedrag verloren inkomen.

  • 3. In afwijking van het eerste lid, onderdeel b, weigert het college de uitkering over een periode van 26 weken, indien het eindigen van de dienstbetrekking belanghebbende niet in overwegende mate kan worden verweten.

  • 4. De hoogte van de maatregel als bedoeld in het derde lid is gelijk aan 50% van het door dit gedrag verloren inkomen

Artikel 12. Niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid
  • 1. Het college weigert de uitkering blijvend indien de belanghebbende nalaat algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden.

  • 2. De hoogte van de maatregel is gelijk aan het door eigen toedoen niet verkregen inkomen uit deze arbeid.

Hoofdstuk 4 Niet nakomen van de inlichtingenplicht

Artikel 13. Schending inlichtingenplicht zonder benadeling gemeente
  • 1. Indien het niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 13 IOAW/IOAZ niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekken aan uitkering, legt het college een maatregel op van vijf procent van de grondslag gedurende een maand.

  • 2. De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen een periode van één jaar na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een als verwijtbaar aan te merken gedraging als bedoeld in het eerste lid. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid.

  • 3. Van het opleggen van de maatregel kan worden afgezien en worden volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van één jaar te rekenen vanaf de datum waarop eerder aan de belanghebbende een schriftelijke waarschuwing is gegeven.

Artikel 14. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen voor de uitkering
  • 1. Indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel13 IOAW/IOAZ heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekken van een uitkering, wordt de maatregel afgestemd op de hoogte van het benadelingbedrag.

  • 2. De maatregel wordt op de volgende wijze vastgesteld:

    • a.

      bij een benadelingbedrag tot € 500,-: 5% van de grondslag gedurende een maand;

    • b.

      bij een benadelingbedrag van € 500,- tot € 1.000,-: 10% van de grondslag gedurende een maand;

    • c.

      bij een benadelingbedrag van € 1.000,- tot € 2.000,-: 20% van de grondslag gedurende een maand;

    • d.

      bij een benadelingbedrag van € 2000,- tot € 4000,-: 40%van de grondslag gedurende een maand;

    • e.

      bij een benadelingbedrag van € 4000,- of meer: 100%van de grondslag gedurende een maand.

  • 3. De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen een periode van twee jaar na bekendmaking van het besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd, opnieuw schuldig maakt aan een als verwijtbaar aan te merken gedraging als bedoeld in het eerste lid. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid.

  • 4. Een maatregel wordt niet opgelegd zolang de gedraging wordt onderzocht door het openbaar ministerie.

  • 5. De oplegging van de maatregel blijft definitief achterwege indien ter zake van de gedraging tegen de belanghebbende een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter terechtzitting een aanvang heeft genomen, dan wel het recht tot strafvervolging is vervallen ingevolge artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 15. Nieuwe aanvraag
  • Indien een maatregel overeenkomstig artikel 14 niet mogelijk is, wordt de grondslag verlaagd gedurende de eerstvolgende maand(en) nadat aan belanghebbende binnen twee jaar nadat de betreffende gedraging heeft plaats gevonden, opnieuw een uitkering is toegekend.

Hoofdstuk 5 Overige gedragingen die leiden tot een maatregel

Artikel 16. Zeer ernstige misdragingen
  • 1.

    Het college legt een maatregel op van vijftig procent van de grondslag gedurende een maand, indien belanghebbende zich zeer ernstig misdraagt tegenover het college of zijn ambtenaren, onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW/IOAZ.

  • 2.

    Onder zeer ernstige misdraging tegenover het college of zijn ambtenaren onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de IOAW en artikel 20, eerste lid, van de IOAZ, wordt onder andere verstaan:

    • a.

      extreem verbaal geweld;

    • b.

      discriminatie;

    • c.

      ernstige intimidatie (uitoefenen van psychische druk);

    • d.

      zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);

    • e.

      mensgericht fysiek geweld;

    • f.

      overige/combinatie van agressievormen.

  • 3.

    De duur van de maatregel wordt verdubbeld, indien de belanghebbende zich binnen een periode van twee jaar na bekendmaking van een besluit waarbij een maatregel wordt opgelegd opnieuw schuldig maakt aan een als verwijtbaar aan te merken gedraging als bedoeld in het eerste lid. Met een besluit waarmee een maatregel is opgelegd wordt gelijkgesteld het besluit om daarvan af te zien op grond van dringende redenen, bedoeld in artikel 5, tweede lid.

  • 4.

    Indien er sprake is van recidive zoals genoemd in het derde lid dan kan de cliënt de toegang tot het Werkplein Steenwijk worden ontzegd door het college.

Hoofdstuk 6 Slotbepalingen

Artikel 17. De inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking met ingang van 1 november 2012 onder gelijktijdig intrekking van de Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2010.

Artikel 18. Citeertitel

Deze verordening wordt aangehaald als: de Maatregelenverordening IOAW en IOAZ 2012.

Aldus vastgesteld door de raad van de gemeente Westerveld op 30 oktober 2012.

A.Middelkamp R. Jager

Griffier Burgemeester

ALGEMENE TOELICHTING

Op 15 december 2009 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het Wetsvoorstel bundeling van uitkeringen

inkomensvoorziening aan gemeenten (Wet BUIG). Met de inwerkingtreding van de Wet BUIG per 1 januari 2010 krijgt de gemeente een grotere beleidsmatige rol en financiële verantwoordelijkheid rond de uitvoering van de IOAW, IOAZ en Bbz2004.

De IOAW, IOAZ en het Bbz 2004 kenden tot 1 januari 2010 een financieringsystematiek waarbij 75% bij het Rijk kon worden gedeclareerd en 25% drukte op het gemeentelijke budget. Per 1 januari 2010 is een systeem van volledige budgetfinanciering ingevoerd, zoals dit nu van toepassing is op het WWB-inkomensdeel. Met de Wet BUIG worden de financiële middelen van de ‘kleine inkomensregelingen’ gebundeld in het volledig gebudgetteerde I-deel dat de gemeente ontvangt voor de bijstandsverstrekking op grond van de WWB. Gemeenten krijgen door de wet aldus een grotere verantwoordelijkheid en lopen ook meer financieel risico.

Door de Wet BUIG wordt het aantal landelijke regels verder sterk teruggedrongen. In de plaats komt een grotere beleidsruimte voor de gemeente. Daardoor wordt de gemeente ook gevorderd om op een aantal punten zelf beleid te ontwikkelen.

Gemeenten hebben de opdracht om bij verordening regels vast te stellen met betrekking tot de weigering en verlaging, bedoeld in artikel 20 van de IOAW en artikel 20 van de IOAZ (artikel 35, eerste lid, onderdeel b, van de IOAW en artikel 35, eerste lid, onderdeel b, van de IOAZ).

De huidige verordening voorziet daarin. Dit beleid was geregeld bij AMvB. Deze landelijke regelingen, alsmede de nog bestaande boetebepalingen, zijn echter met de Wet BUIG komen te vervallen. Op basis van het inwerkingtredingbesluit is het aan de gemeente om per 1 juli 2010 in een bij verordening vastgelegd beleid te voorzien.

In deze verordening is er voor gekozen om met betrekking tot de IOAW en IOAZ te komen tot een zo veel mogelijk analoog aan het WWB-regime toe te passen afstemmingsbeleid. Wel is in afwijking van de WWB, de mogelijkheid gecreëerd om in een aantal situaties de uitkering blijvend geheel te weigeren dan wel tijdelijk gedeeltelijk. Op grond van de IOAW en IOAZ is dit mogelijk. Belanghebbenden bij wie dit het geval is, kunnen eventueel een beroep doen op de WWB. De WWB vormt het vangnet van sociale zekerheid.

Op grond van de IOAW en IOAZ gelden voor belanghebbende een aantal verplichtingen die betrekking hebben op de plicht tot arbeidsinschakeling, inlichtingenplicht en medewerkingsplicht. De verordening geeft aan wanneer belanghebbenden een maaregel opgelegd krijgen als zij één of meerdere van deze verplichtingen niet of niet voldoende nakomen.

Daarnaast geeft de verordening invulling aan de bevoegdheid om de uitkering te weigeren als de dienstbetrekking is beëindigd op grond van een dringende reden dan wel door of op verzoek van belanghebbende. Tot slot krijgen belanghebbenden een maatregel op grond van deze verordening opgelegd als zij zich zeer ernstig misdragen tegenover het college of zijn ambtenaren.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

Artikel 1 Begripsomschrijving

Dit artikel bevat de verschillende begripsomschrijvingen. Een aantal omschrijvingen verdient enige extra

aandacht.

Onder c. de IOAW/IOAZ

Gekozen is voor een definitie die gelijktijdig naar beide wetten verwijst nu een groot deel van de bepalingen in beide wetten identiek is qua nummering en inhoud en aldus voorkomen wordt dat steeds specifiek naar elke afzonderlijke wet verwezen moet worden.

Onder e. grondslag

Het begrip grondslag wijkt niet af van de IOAW en IOAZ.

Onder f. maatregel

In afwijking van de WWB wordt ook het blijvend of tijdelijk (gedeeltelijk) weigeren van de uitkering binnen deze verordening als maatregel aangemerkt. Dit houdt verband met de extra mogelijkheden binnen de IOAW en IOAZ op dit vlak.

Onder g. inkomen

Qua inkomensbegrip wordt aangesloten bij het inkomensbegrip binnen de IOAW en IOAZ. Dit wijkt af van het binnen de WWB gehanteerde inkomensbegrip.

Onder i. belanghebbende

De verordening is van toepassing op belanghebbenden die recht hebben op een uitkering ingevolge de IOAW of IOAZ.

Artikel 2. Het opleggen van een maatregel

Eerste lid en tweede lid

Dit lid bundelt het bepaalde in artikel 20, eerste lid IOAZ en artikel 20, tweede lid IOAW.

Derde lidDit lid bundelt het bepaalde in artikel 20, tweede lid IOAZ en artikel 20, eerste lid IOAW.

Vierde lid

In de maatregelenverordening zijn voor allerlei gedragingen die een schending van een verplichting betekenen, standaardmaatregelen vastgesteld in de vorm van een vaste (percentuele) verlaging of weigering van de grondslag.

In het vierde lid is de hoofdregel neergelegd: het college dient een op te leggen maatregel af te stemmen op de individuele omstandigheden van de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. Deze bepaling brengt met zich mee dat het college bij elke op te leggen maatregel zal moeten nagaan of gelet op de individuele omstandigheden van belanghebbende afwijking van de hoogte en de duur van de voorgeschreven standaardmaatregel geboden is. Afwijking van de standaardmaatregel kan zowel een verzwaring als een matiging betekenen.

Dit betekent dat het collegebij het beoordelen of een maatregel moet worden opgelegd en zo ja welke, telkens de volgende drie stappen moet doorlopen:

  • -

    Stap 1: vaststellen van de ernst van de gedraging.

  • -

    Stap 2: vaststellen van de verwijtbaarheid.

  • -

    Stap 3: vaststellen van de omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde.

De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in het standaardpercentage waarmee de grondslag wordt verlaagd. Wat betreft de beoordeling van de mate van verwijtbaarheid wordt verwezen naar de toelichting bij artikel 5.

Matiging van de opgelegde maatregel wegens persoonlijke omstandigheden kan bijvoorbeeld in de volgende gevallen aan de orde zijn:

  • -

    bijzondere financiële omstandigheden van de belanghebbende, zoals bijvoorbeeld hoge woonlasten of andere vaste lasten of uitgaven van bijzondere aard waarvoor geen financiële tegemoetkoming mogelijk is;

  • -

    sociale omstandigheden, gezinnen met kinderen bijvoorbeeld;

Artikel 3 Berekeningsgrondslag

Zoals reeds aangegeven wordt de maatregel toegepast op de grondslag.

Artikel 4. Horen van belanghebbende

Op grond van afdeling 4.1.2. van de Awb is in een aantal gevallen het horen van de belanghebbende verplicht bij de voorbereiding van beschikkingen. Deze hoorplicht geldt echter niet bij de voorbereiding van beschikkingen die betrekking hebben op een financiële aanspraak (artikel 4:12 Awb).

In dit artikel wordt het horen van de belanghebbende voordat een maatregel wordt opgelegd in beginsel voorgeschreven.

Het tweede lid bevat een aantal uitzonderingen op deze hoorplicht. De onderdelen a en b. staan ook genoemd in artikel 4:11 van de Awb. In onderdeel c is, conform artikel 4:8, tweede lid van de Awb, geregeld dat een belanghebbende ook niet gehoord hoeft te worden als hij niet heeft voldaan aan een wettelijke verplichting om inlichtingen te vestrekken. Dit betreft het in de hersteltermijn verstrekken van inlichtingen aan het college of aan derden als bedoeld in artikel 7 van de wet, aan wie het college werkzaamheden heeft uitbesteed.

Artikel 5. Afzien van het opleggen van een maatregel

Eerste lid

Het afzien van het opleggen van een maatregel ‘indien elke vorm van verwijtbaarheid’ ontbreekt, is geregeld in artikel 20, derde lid, van de IOAW en IOAZ.

Een andere reden om af te zien van het opleggen van een maatregel is dat de gedraging te lang geleden heeft plaatsgevonden. Omwille van de effectiviteit (‘lik op stuk’) is het nodig dat een maatregel spoedig nadat de gedraging heeft plaatsgehad, wordt opgelegd. Om deze reden wordt onder b. geregeld dat het college geen maatregelen oplegt voor gedragingen die langer dan één jaar geleden hebben plaatsgevonden.

Voor gedragingen die een schending van de informatieplicht inhouden als gevolg waarvan ten onrechte een uitkering is verleend of een te hoog bedrag aan uitkering is verleend, geldt in de verordening een verjaringstermijn van vijf jaar. Met deze termijn wordt aangesloten bij de termijn die in artikel 20e, tweede lid, van de IOAW en IOAZ stond in verband met het opleggen van een boete wegens niet-nakoming van de informatieplicht. Een termijn van vijf jaar ligt voor de hand gelet op de ernst van de gedraging (fraude) en gelet op het feit dat de gemeente vaak tijd nodig zal hebben om de omvang van de fraude (het benadelingsbedrag) vast te stellen.

Tweede lid

Hierin wordt geregeld dat het college kan afzien van het opleggen van een maatregel indien het daarvoor dringende redenen aanwezig acht. Wat dringende redenen zijn, is afhankelijk van de concrete situatie en kan dus niet op voorhand worden vastgelegd.

Derde lid

De beslissing om af te zien van het opleggen van een maatregel wegens dringende redenen moet worden meegedeeld door middel van een besluit. Dit is van belang in verband met eventuele recidive.

Artikel 6. Het besluit tot opleggen van een maatregel

Het verlagen of weigeren van de uitkering omdat een maatregel wordt opgelegd, vindt plaats door middel van een besluit. In dit artikel wordt aangegeven wat in het besluit in ieder geval moet worden vermeld. Deze eisen vloeien rechtstreeks voort uit de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dan met name uit het motiveringsbeginsel. Het motiveringsvereiste houdt onder andere in dat een besluit kenbaar is en van een deugdelijke motivering wordt voorzien..

Artikel 7. Ingangsdatum en tijdvak

Eerste lid

Het opleggen van een maatregel vindt plaats door het verlagen of weigeren van de uitkering. Verlaging van de uitkering vindt plaats door middel van verlaging van de grondslag in de eerstvolgende maand(en), tenzij de verordening anders bepaald. Er wordt hierbij uitgegaan van de voor die maand geldende grondslag, tenzij de verordening anders bepaalt.

Tweede lid

Wanneer een uitkering nog niet (volledig) aan de belanghebbende is uitbetaald, dan kan het praktisch zijn om de verlaging van de uitkering met terugwerkende kracht te laten plaatsvinden met ingang van de voorafgaande kalendermaand(en). Daarnaast kan het college met terugwerkende kracht een maatregel opleggen als de belanghebbende geen uitkering meer ontvangt. Van belang is wel dat de ingangsdatum niet voor de datum van de gesanctioneerde gedraging plaatsvindt. Op grond van artikel 17, derde lid, van de IOAW/IOAZ en artikel 25, eerste lid, van de IOAW/IOAZ kan de als gevolg van de maatregel ten onrechte betaalde uitkering worden teruggevorderd.

Artikel 8 Samenloop van gedragingen

Eerste lid

Indien sprake is van schending van meerdere verplichtingen door één gedraging, dan dient voor het toepassen van de maatregel te worden uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste maatregel van toepassing is.

Tweede lidDe regeling voor de samenloop van gedragingen heeft betrekking op verschillende gedragingen van een belanghebbende die (min of meer) gelijktijdig plaatsvinden.

HOOFDSTUK 2 Geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid

Artikel 9. Indeling in categorieën

De gedragingen die verband houden met het niet nakomen van de plicht tot arbeidsinschakeling worden in drie categorieën onderscheiden. Hierbij is de ernst van de gedraging het onderscheidend criterium. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging concretere gevolgen heeft voor het niet verkrijgen of aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid. Ten opzichte van de Maatregelenverordening WWB zijn in deze bepaling geen gedragingen opgenomen die verband houden met het niet aanvaarden dan wel het door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid. Dit houdt verband met het feit dat juist bij deze gedragingen de IOAW en IOAZ de mogelijkheid biedt tot tijdelijke of blijvende (gedeeltelijke) weigering van de uitkering. De sanctie bij deze vorm van gedragingen is daarom in een apart hoofdstuk opgenomen

Eerste lid eerste categorie

De eerste categorie, onderdeel a, betreft de formele verplichting om zich als werkzoekende in te schrijven bij het UWV en ingeschreven te doen blijven. Onderdeel b betreft het verstrekken van inlichtingen aan het college die nodig zijn voor het bepalen van een geschikt re-integratietraject en/of geschikte voorzieningen.

Tweede lid tweede categorie

De tweede categorie, onderdeel a, betreft de verplichting tot een actieve opstelling op de arbeidsmarkt, de eigen verantwoordelijkheid van de belanghebbende om bijvoorbeeld voldoende te solliciteren. Onderdeel b betreft het voldoen aan oproepen. Daarnaast dient de belanghebbende mee te werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 5 van de re-integratieverordening (onderdeel c). Op grond van jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep dient er een maatregel uit de tweede categorie te worden opgelegd wanneer een belanghebbende nietaan de verplichting voldoet om zich bij uitzendbureaus in te laten schrijven (onderdeel d). Onderdeel e. Het college is vanaf 1 januari 2012 bevoegd (niet verplicht) om uitkeringsgerechtigden naar vermogen onbeloonde maatschappelijke nuttige activiteiten te laten verrichten (artikel 37 eerste lid 1 onderdeel f IOAW/IOAZ). Indien de uitkeringsgerechtigden daar niet aan mee willen werken, is sprake van een maatregelwaardige gedraging.

Onderdeel f. Op verzoek van de alleenstaande ouder met een kind jonger dan vijf jaar is het college verplicht een ontheffing van de verplichtingen van artikel 37 lid 1 onderdelen a tot en met d van de wet te geven (artikel 38 lid 1 IOAW/IOAZ). Wel blijft de alleenstaande ouder verplicht mee te werken aan een re-integratietraject (artikel 37 lid 1 onderdeel e IOAW/IOAZ). Dit traject zal voor ouders zonder startkwalificatie bestaan uit scholing (artikel 38 lid 10 IOAW/IOAZ). Ouders met startkwalificatie kunnen op verzoek in aanmerking komen voor een vervolgopleiding (artikel 38 lid 11 IOAW/IOAZ). Vanaf 1 januari 2012 zijn colleges verplicht een maatregel op te leggen als uit houding en gedragingen van de alleenstaande ouder blijkt dat deze niet aan de re-integratieplicht wil voldoen (artikel 38 lid 12 WWB). Dit moet dan wel bij verordening geregeld zijn (artikel 35 lid 1 onderdeel d IOAW/IOAZ).

Derde lid derde categorie

In de derde categorie gaat het om gedragingen die (in-)direct een aanleiding vormen tot een beroep op de IOAW of IOAZ of het zonder noodzaak langer voortduren. Dergelijke gedragingen betreffen het niet of niet naar vermogen gebruikmaken van een door het collegeaangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling of het niet of niet naar vermogen deelnemen aan de verschillende onderdelen van het re-integratietraject (onderdelen a), alsmede het niet voldoen aan de hieraan verbonden verplichtingen (onderdeel b). Werk Nu valt onder een door het college aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling. Bij gedragingen die de inschakeling in de arbeid belemmeren (onderdeel c) gaat het zowel om niet verantwoorde beperkingen, die de belanghebbende stelt ten aanzien van de voor hem of haar aanvaardbare arbeid, als om gedragingen die de kansen op arbeidsinschakelingen verminderen. Negatieve gedragingen kunnen onder meer tot uitdrukking komen in de wijze waarop de belanghebbende zich bij een sollicitatie opstelt.

Artikel 10. De hoogte en duur van de maatregel

Eerste lid

Deze bepaling bevat de standaardmaatregelen voor de drie categorieën van gedragingen die verband houden met het geen of onvoldoende medewerking verlenen aan het verkrijgen van algemeen geaccepteerde arbeid. De percentages waarmee de grondslag wordt verlaagd wijken enigszins af van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz. Bij het vaststellen van de percentages waarmee de grondslag wordt verlaagd is invulling gegeven aan de eisen van proportionaliteit en evenredigheid. Ook is gekeken naar de effectiviteit van de maatregel in de zin dat de maatregel de beoogde gedragsverandering zal bewerkstelligen. Omdat uit de praktijk gebleken is dat de huidige maatregelen voor met name de categorieën 2 en 3 niet effectief zijn, zijn in de verordening de percentages voor genoemde categorieën naar boven bijgesteld.

Tweede lid

Indien binnen twaalf maanden na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de maatregel. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan die aanleiding is geweest voor het opleggen van een maatregel, ook indien de maatregel wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van twaalf maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de maatregel is opgelegd, bekend is gemaakt.

Derde lid

Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging zich wederom schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging uit dezelfde of een hogere categorie binnen de termijn van twaalf maanden, kan een maatregel worden opgelegd van honderd procent van de grondslag gedurende maximaal drie maanden.

HOOFDSTUK 3 Het door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid, alsmede het nalaten algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden

Artikel 11. Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid

Eerste lid

In deze bepaling zijn de mogelijkheden die de IOAW en IOAZ biedt om de uitkering (tijdelijk en/of blijvend

geheel of gedeeltelijk) te weigeren volledig uitgewerkt. Artikel 20, eerste lid, onderdelen a en b van de IOAW en artikel 20, tweede lid, onderdelen a en b van de IOAW komen overeen met artikel 24, tweede lid, van de Werkloosheidswet. In de Memorie van Toelichting (toelichting artikelsgewijs) op de Verzamelwet sociale verzekeringen 2007 (kamerstuk 30 682) blijkt dat de wetgever voor wat betreft de verwijtbaarheidstoets in de IOAW en IOAZ heeft aangesloten bij de Werkloosheidswet. Het huidige artikel 20 IOAW/IOAZ brengt daar geen wijziging in.

Als de uitkering volledig wordt geweigerd, kan de belanghebbende in wezen per direct aankloppen voor een

aanvulling in het kader van de WWB. Binnen het kader van de WWB zal dan moeten worden beoordeeld of

belanghebbende recht heeft op WWB (in afwijking van de IOAW en IOAZ kent de WWB een beperkte

vermogensvrijlating en een ruimer inkomensbegrip) en in hoeverre het maatregelwaardige gedrag ook binnen de WWB tot een verlaging zou hebben geleid.

Tweede lid

De hoogte van de maatregel is afhankelijk van het inkomen dat verloren is gegaan.

Derde lid en vierde lid

Deze leden komen overeen met de laatste zin van artikel 20, tweede lid, onderdeel b, van de IOAZ en artikel 20, eerste lid, onderdeel b, van de IOAW zoals die tot 1 juli 2010 gold.

Artikel 12 Door eigen toedoen verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid

Eerste lid

In deze bepaling is de mogelijkheid die de IOAW en IOAZ biedt om de uitkering (tijdelijk en/of blijvend geheel of gedeeltelijk) te weigeren volledig uitgewerkt.

Tweede lid

De hoogte van de maatregel is afhankelijk van het inkomen dat belanghebbende met het verrichten van deze inkomsten had kunnen verwerven.

HOOFDSTUK 3. Niet nakomen van de inlichtingenplicht

Artikel 13. Schending inlichtingenplicht zonder benadeling gemeente

Eerste lid

Indien een belanghebbende de voor de verlening van de uitkering van belang zijnde gegevens of gevorderde bewijsstukken niet op tijd verstrekt, kan het collegehet recht op uitkering opschorten (artikel 17, eerste lid, IOAW/IOAZ). Het college geeft de belanghebbende vervolgens een termijn waarbinnen hij zijn verzuim kan herstellen (de hersteltermijn).

Wordt de gevraagde informatie niet binnen de gestelde termijn aan de gemeente verstrekt, dan kan het college het besluit tot toekenning van de uitkering intrekken. Intrekken is uitsluitend aan de orde wanneer het recht op uitkering niet meer kan worden vastgesteld. Worden de gevraagde gegevens wél binnen de hersteltermijn verstrekt, dan wordt de uitkering voortgezet, maar wordt tevens een maatregel opgelegd. Dit lid regelt de hoogte van de maatregel.

Verder wordt in dit lid de zogeheten ‘nulfraude’ geregeld: het verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen, zonder dat deze gedraging gevolgen heeft voor de hoogte van de uitkering. Voorbeeld van nulfraude is het niet melden van vrijwilligerswerk

Tweede lid

Indien binnen één jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de maatregel. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan die aanleiding is geweest voor het opleggen van een maatregel, ook indien de maatregel wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 12 maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de maatregel is opgelegd, bekend is gemaakt.

Op basis van deze bepaling kan een recidivemaatregel slechts één keer worden toegepast. Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom hetzelfde verwijtbare gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur van de maatregel individueel moeten worden vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de belanghebbende.

Derde lid

Als het niet, niet tijdig of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht geen gevolgen heeft voor de hoogte van de uitkering, kan volstaan worden met een schriftelijke waarschuwing. De gemeente kende onder het oude regime ook al de schriftelijke waarschuwing en deze blijkt in de praktijk goed te werken. Een schriftelijke waarschuwing is geen maatregel. Dit wil zeggen dat bij herhaling van de gedraging in principe een maatregel wordt opgelegd zonder toepassing van de recidivemaatregel.

Artikel 14. Verstrekken van onjuiste of onvolledige inlichtingen met gevolgen voor de uitkering

Eerste lidIn artikel 13, eerste lid, IOAW/IOAZ is bepaald dat belanghebbende op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling doet van alle feiten en de omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op uitkering. Onder onverwijld moet worden verstaan uiterlijk binnen 30 dagen, gerekend vanaf het moment waarop het te melden feit of omstandigheid zich heeft voorgedaan, dan wel kenbaar werd voor belanghebbende.

De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag.

Tweede lid

De maatregel wegens het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenplicht bedoeld in artikel 13 van de IOAW/IOAZ wordt afhankelijk gesteld van de hoogte van het bedrag aan uitkering dat als gevolg van de schending van die verplichting ten onrechte of te veel aan de belanghebbende is betaald.

Derde lid

Indien binnen twee jaar na een eerste verwijtbare gedraging sprake is van een herhaling van de verwijtbare gedraging, wordt de grotere mate van verwijtbaarheid tot uitdrukking gebracht in een verdubbeling van de duur van de maatregel. Met eerste verwijtbare gedraging wordt de eerste gedraging verstaan die aanleiding is geweest voor het opleggen een maatregel, ook indien de maatregel wegens dringende redenen niet is geëffectueerd. Voor het bepalen van de aanvang van de termijn van 24 maanden, geldt het tijdstip waarop het besluit waarmee de maatregel is opgelegd, bekend is gemaakt.

Op basis van deze bepaling kan een recidivemaatregel slechts één keer worden toegepast. Indien belanghebbende na een tweede verwijtbare gedraging wederom hetzelfde verwijtbare gedrag vertoont, zal de hoogte en de duur van de maatregel individueel moeten worden vastgesteld, waarbij gekeken zal moeten worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de individuele omstandigheden van de belanghebbende.

De relatie met de strafrechtelijke sanctie (vierde en vijfde lid)

Wanneer het gaat om verlaging wegens schending van de inlichtingenplicht geldt de Aanwijzing sociale zekerheidsfraude (zie Stcrt. 2008, nr. 249). Op grond van deze Aanwijzing is het college het aangewezen orgaan om corrigerend op te treden voor fraudezaken tot een nadeelbedrag van € 10.000,-.

Uitgangspunten: Geen vervolging, tenzij geen mogelijkheid bestaat tot het nemen van een bestuursrechtelijke maatregel. De grens van € 10.000,- voor strafrechtelijke afdoening geldt onder de IOAW en IOAZ niet voor zaken tegen verdachten die geen uitkering (meer) genieten en waartegen de gemeente derhalve geen corrigerende maatregel meer kan opleggen. Daarbij hanteert het OM een ondergrens van € 1.000,-. Benadelingsbedragen lager dan € 1.000,00 doet het OM in principe niet af. In een aantal in de ‘Aanwijzing sociale zekerheidsfraude’ nader omschreven situaties gaat het OM ook over tot strafrechtelijke afdoening als het benadelingsbedrag lager is dan € 10.000,00.

Boven de grens van € 10.000,00 wordt in principe strafrechtelijk opgespoord en vervolgd. De Aanwijzing bevat bovendien een voorziening dat het Openbaar Ministerie contact onderhoudt met het college.

Indien het college van de inlichtingenfraude aangifte doet bij het Openbaar Ministerie, dient het af te zien van een verlaging wegens de inlichtingenfraude. Anders zou er sprake zijn van een dubbele bestraffing, hetgeen in strijd is met het beginsel van 'ne bis in idem'.  Er is echter geen sprake van dubbele bestraffing indien belanghebbende voor een andere rechtsfeit wordt vervolgd dan voor de inlichtingenfraude.

Artikel 15. Nieuwe aanvraag

Wanneer de uitkering niet kan worden verlaagd overeenkomstig de situatie zoals beschreven in artikel 14, omdat de uitkering reeds is beëindigd, volgt een verlaging gedurende de eerstvolgende maand(en) indien binnen twee jaar na de verwijtbare gedraging opnieuw een uitkering wordt toegekend, om op deze wijze alsnog een maatregel te kunnen toepassen.

HOOFDSTUK 5 Overige gedragingen die leiden tot een maatregel

Artikel 16. Zeer ernstige misdragingen

Onder de term ‘zeer ernstige misdragingen’ kunnen diverse vormen van agressie worden verstaan, zij het dat er sprake moet zijn van verwijtbaarheid en van gedrag dat in het normale menselijke verkeer in alle gevallen als onacceptabel kan worden beschouwd.

Gemeenten kunnen alleen een maatregel opleggen indien er een verband bestaat tussen de ernstige misdraging en (mogelijke) belemmeringen voor de gemeente bij het vaststellen van het recht op een uitkering. Vandaar dat in dit artikel wordt bepaald dat de zeer ernstige misdragingen moeten hebben plaatsgevonden onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de IOAW of IOAZ.

In artikel 20, tweede lid, van de IOAW en artikel 20, eerste lid, van de IOAZ wordt gesproken over ‘het zich jegens het college zeer ernstig misdragen’. Dit betekent dat alleen (zeer) agressief gedrag tegenover leden van het college en hun ambtenaren aanleiding zijn voor het opleggen van een maatregel.

Er kan dus geen maatregel worden opgelegd als een klant zich agressief heeft gedragen tegenover een medewerker van een andere organisatie die belast is met de uitvoering van de IOAW of IOAZ (bijvoorbeeld een re-integratiebedrijf).

Het is in dat geval wellicht wel mogelijk om een maatregel op te leggen wegens het niet of onvoldoende gebruikmaken van een voorziening gericht op arbeidsinschakeling (artikel 9, derde lid, van deze verordening).

Bij het vaststellen van de maatregel in de situatie dat een uitkeringsgerechtigde zich ernstig heeft misdragen, zal gekeken moeten worden naar de ernst van de gedraging, de mate van verwijtbaarheid en de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene.

Wat betreft het vaststellen van de ernst van de gedraging, worden in de verordening verschillende vormen van agressief gedrag onderscheiden.

Voor het bepalen van verwijtbaarheid van de misdraging zal gekeken moeten worden naar de omstandigheden waaronder de misdraging heeft plaatsgehad.

In dit verband is het relevant een onderscheid te maken tussen instrumenteel geweld en frustratiegeweld. Van instrumenteel geweld is sprake als iemand het toepassen van geweld bewust gebruikt om een bepaald doel te bereiken (bijvoorbeeld het verkrijgen van een uitkering). Agressie die ontstaat door onmacht, ontevredenheid, onduidelijkheid en dergelijke kan worden aangeduid met frustratieagressie. Het zal duidelijk zijn dat de mate van verwijtbaarheid bij instrumenteel geweld in beginsel groter is dan bij frustratiegeweld.

Het opleggen van een maatregel staat geheel los van het doen van aangifte bij de politie. Het college legt een maatregel op, terwijl de functionaris tegen wie de agressie zich richtte aangifte kan doen bij de politie.

De Intergemeentelijke Sociale Dienst Steenwijkerland en Westerveld beschikt over een agressieprotocol waarin is aangegeven hoe wordt omgegaan met lastige en agressieve klanten. In dit artikel wordt daarbij aangesloten.

De volgende gedragingen worden gezien als zeer ernstige misdragingen tegenover het college of zijn ambtenaren onder omstandigheden die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van de wet, als bedoeld in artikel 20, tweede lid, van de IOAW en artikel 20, eerste lid, van de IOAZ:

  • a.

    extreem verbaal geweld;

  • b.

    discriminatie;

  • c.

    ernstige intimidatie (uitoefenen van psychische druk);

  • d.

    zaakgericht fysiek geweld (vernielingen);

  • e.

    mensgericht fysiek geweld;

  • f.

    overige/combinatie van agressievormen.

Indien er sprake is van recidive kan de cliënt de toegang tot het Werkplein Steenwijk worden ontzegd. Dit wordt individueel beoordeeld door het college.

Deze lijst is uiteraard niet uitputtend. Indien er overige gedragingen plaatsvinden met betrekking tot zeer ernstige misdragingen, kan er naar het oordeel van het college een passende maatregel worden opgelegd die aansluit bij de maatregelen behorende bij de gedragingen onder artikel 20, tweede lid, van de IOAW en artikel 20, eerste lid, van de IOAZ.

HOOFDSTUK 6 Slotbepalingen

Artikel 17. De inwerkingtreding

Deze bepaling spreekt voor zich. Bij inwerkingtreding na 1 juli 2010 is vanwege het sanctiekarakter van deze

regelgeving geen terugwerkende kracht mogelijk.

Artikel 18. Citeertitel

Deze bepaling spreekt voor zich.